J\o
VOOR DKN
EERSTE DEEL.
z7' ^ ///7// £
VOOT? DEX
I)( )0|{
OIIi)-r.KF.RA.\n AAN UK RI.IKSI.ANDIÜlIJWSCIIOOr. TR WAdKNINOEN.
EERSTE DEEL,
TE URONIXGEN BIJ J. 15. WOLTERS, ISlüi.
STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.
Hij hd verschijnen van den derden druk van hei Handboek voor den Neder-landachen landbouw en de Nederlandsche veeteelt, brachten ivij in herinnering hetgeen in de voorrede van den len druk werd geschreven:
„De Nederlandsche landbouw fttmt, wat de practische uitoefening van het bedrijf betreft, bij dien in vele landen niet ten achteren. Hij trekt in het buitenland vele malen de bijzondere aandacht, getuige hel niet gering aantal vreemdelingen, dat jaarlijks ons tand bezoekt om zijnen landbouw en zijne veeteelt en hetgeen verder daarmede in betrekking staat, te leeren kennen.
Ook aan eene wetenschappelijke beoefening ran het bedrijf heeft het hier nooit ontbroken. Wij behoeven sleehls te wijzen op de werken van Van Berkhey, op de Handboeken van Beegsma en TJilkeus, op de Gromlbeginselen van Van Hall, de werken van Stauixg en Enklaar, op het Rundvee van Hengeveld , op de onderzoekingen van G. J. .Mulder en Van Heidielen, alsmede op zoo menig tijdschrift en zoo menige verhandeling, waarin onderwerpen , tol het gebied van den landbouw bel warende, ter sprake worden gebracht. Wij schromen echter niet te zeggen, dnl het buitenland ook in de wetenschappelijke beoefening van het landbouwbedrijf ons overvleugelt.''
En wij voegden in het voorherield van den -'len druk daarbij:
„Ruim 14 jaren zijn sedert dien tijd verloopen, en tot ons leedwezen moeten wij de vraag: Houdt de irelenschappelijke beoefening van het landbouwbedrijf hier te lande ongeveer gelijken tred met die in het buitenland, ook thans nog ontkennend beantwoorden. I)e\e toch vindt hare afspiegeling in hel onderwijs en in andere inrichtingen die eene wetenschappelijke beoefening der landbouwkunde ten doel hebben. En nu mag men dankbaar zijn dat van rijkswege eene landbouwschool, een viertal proefstations en met medeiverking van het Rijk enkele vakscholen zijn opgericht, alsmede een land bouw leer aar werd aangesteld, dankbaar ook voor de verspreiding van kennis die daarvan uitgaat naar alle oorden des lands; oj/ verre na is dit echter niet voldoende, om eenigszins met het buitenland' op gelijken roet te komen of hel verloren terrein te herwinnen.
De Koninklijke Landbouw-eoinmissie heeft dit in hare adviezen eian de Regeering erkend, en ofschoon door haar een volledig plan tot organisatie van het landbouwonderwijs werd ingediend, is het tot eene volledige, uitvoering nog niet gekomen. Op dit oogenblik kan dus nog geenszins gezegd worden, welken teeg het elementair, het middelbaar en het hooger onderwijs ■.idlen inslaan.quot; Sedert het verschijnen van den .'len druk, in October IS.'tl, al zoo ruim 9 jaar
VI
geleden, is het aantal proefstations uitgebreid, Itet getal landbouwleeraars vermeerderd en heeft vooral hel elementair landbouwonderwijs — dank zij den steun der Regeering — door het vestigen ran wintercursussen en winter-scholen, eene belangrijke uitbreiding ondergaan, en wordt ook, zoowel aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen als door eenige winterscholen en tuin-bouwleeraars in de behoefte aan iuinbouwonderwijs voorzien. Ook is het onderwijs in de Indische cultures aan de Rjkslandbouwschool geregeld.
Voorts zijn in dien tijd verschillende seriën elementaire boekjes op het gebied van den landbouw verschenen. Bij den uitgever dezes wordt mede eene dergelijke serie, onder den naam van „Geïllustreerde Land- en Tuinbouwbibliotheek'' uitgegeven.
Op deze wijze wordt dus ook in de behoefte aan elementair landbouwonderwijs en de daarbij te gebruiken boeken meer en meer voorzien.
Nu weder een nieuwe druk van het Handboek noodig was geworden, hebben wij, bij het herzien, met dezen vooruitgang eenigszins rekening gehouden en hopen dat het, vooral ook voor hen die door het onderwijs min of meer ingeleid zijn of worden in de kennis van het landbouwbedrijf, nog meer dan vroeger een bruikbaar boek moge wezen bij het onderwijs e)i voor eigen studie, dat ook door den gevestigden landbouwer van tijd tot tijd geraadpleegd kan, worden.
Dankbaar voor de gunstige beoordeelingen, die de 3e druk van tiet Handboek van verschillende zijden mocht ondervinden, hebben wij getracht dezen den druk, waarvan thans hel le Deel het licht ziet, geheel op de hoogte van den tijd te brengen. Vooral aan hei hoofdstuk over de Bemestingsleer en in 't algemeen aan het scheikundig gedeelte hebben wij gemeend eenige uitbreiding te mogen geven. Wij hopen dat dit le Deel, waarin de algerneene natuurkundige grondslagen van het landbouwbedrijf worden behandeld, daardoor ook door hen, die zich op den tuinbouw, de houtteelt of de Indische cultures willen toeleggen, niet zonder succes geraadpleegd zal kunnen worden.
Mijnen dank verder aan allen die mij bij deze omwerking van dienst waren oi in het hijzonder aan de fabrikanten of agenten van werktuigen, die mij ook nu weder met de grootste bereidwilligheid hunne cliche's voor afbeeldingen ten gebruike afstonden; hunne namen zijn onder de verschillende figuren geplaatst.
Aangezien dit le Deel reeds eenigen tijd geleden werd afgedrukt, kwamen ons, naast enkele verbeteringen, eenige aanvullingen, o.a. twee tabellen Ven VI over de grootte der gronden in 1898, eenigszins anders gerangschikt als in die oj) bi. 37, aan hel slot op hl. 1'gt;H en volg. gewenscht voor.
De beide andere deelen zijn ter perse en volgen spoedig.
G. Reinders.
Groningen, April 1901.
HOOFDSTUK I.
Dj: bodem van Nederland...................4
J. Alluviale gronden...................7
A. Venen........................7
a. Hooge venen....................8
h. Lage venen.....................i)
a a. Eigenlijke lage venen................10
h h. Moerasvenen....................11
c c. Darg......................1
B. Zeebezinkingen.....................14
a. de ingedijkte klei- en zavelgronden.............16
/). de zandbanken en andere gronden van den bodem, die bij hoogwater
C. Duinen.......................
1). Rivierbezinkingen....................2-i
E. Beekbezinkingen....................26
F. Zandstuivingen.....................28
quot;2. Diluviale gronden.............. . . . . li'J
Samenstelling van het diluvium ... ............Lquot;J
Zanddiluvium......................30
Grintdiluvium......................30
Scandinavisch-, Gemengd-, Kijn- en Maasdilivium..........31
Leem en mergel......................32
Löss of Liniburgsche klei...................33
Verspreiding van het diluvium. Plaatsnamen............34
;J. Oudere gronden....................35
()ver7.ichl van de nilgehreidheid van deze en andere gronden......;gt;lj
Overzicht der gronden naar het gebruik.............157
Het ontstaan van den bodem van Nederland in het algemeen .'S'.l
Vorming van het diluvium..................3!l
Vorming van het alluvium..................45
A. Veenvorming.....................48
a. Vorming van laagveen................48
ft. „ „ hoogveen................50
B. Aanslibbingen of bezinkingen...............51
Verweering; aanvoer van slibhoudend water..........51
Het afzetten van slib..................54
Aanslibbing en afslag der kust...............56
Bevordering van de aanslibbing..............57
HOOFDSTUK 11.
Het klimaat van Xkokhland.................58
J. Samenstelling en eigenschappen van den dampkring .... 00
2. Temperatuur van de lucht, het water en den grond . . . Ü4
Zonnewarmte. Luchtstreken..................64
Waarvan de hoeveelheid warmte, die eene plaats op de aarde ontvangt,
afhankelijk is......................65
Verwarming der lucht....................66
Gemiddelde temperatuur. Afwijkingen daarvan. Warmste en koudste maand
van 't jaar.......................67
Verdeeling der temperatuur op aarde. Isothermen, isotheren en isochimenen 67
Invloed op haren loop hebben: 1quot; het water (Kusten- en vastelandsklimaat) . 67
20. Winden.....................70
3°. Waterdamp , wolken.................70
4°. Bergen, bergketens, bosschen.............70
Temperatuur der lucht in Nederland...............71
Normale thermometerstanden.................72
Dagelijksche afwisselingen..................72
Nachtvorsten.......................73
Dagelijksche en jaarlijksche afwijkingen..............74
Hoogste en laagste temperaturen................75
VIII
INHOUD.
Rh.
Temperatuur van het water..................7t)
„ „ den grond.................7(i
3. Drukking der lucht. Barometerwaarnemingen.......77
Normale barometerstand in Nederland. Afwijkingen..........7S
Onregelmatige, toevallige of niet-periodische afwijkingen........7i)
Hoogste en laagste barometerstand, in elke maand te Utrecht waargenomen 80 Grootste positieve en negatieve afwijkingen van den gemiddelden maande-
lijksehen barometerstand..................80
Oorzaken der veranderingen van den barometerstand.........81
De barometer als weerglas..................8^
(ielijktijdige barometerwaarnemingen; isobaren, depressie, gradiënt .... 82
4. Winden........................82
Hun ontstaan, richting, snelheid en kracht. — Wind- of anemometers ... 82
De onderscheiding der winden naar hunne snelheid en kracht......81!
Regelmatige winden (Passaatwinden en moessons)..........815
Windrichtingen te Utrecht waargenomen.............8-1
Veranderlijke winden en hun ontstaan..............8li
Stormen........................87
Wet van Buys Ballot....................87
Minimum en maximum van drukking..............88
Invloed van den wind op het weer. Windrozen...........88
.3. De vochtigheid van den dampkring. Verdamping, dauw,
r e g e n enz.......................89
Volstrekte en betrekkelijke vochtigheid (vochtigheidstoestand) der lucht , . . 8!t
Beoordeeling en bepaling van den vochtigheidstoestand.........90
Normale vochtigheid te Utrecht........•.......ill
Invloed van de temperatuur en van den wind op den vochtigheidstoestand. . ill
Nevel, mist, zeedamp, dauw en regen..............92
Hoeveelheid regen. Regenmeter................93
Regendagen.......................95
Betrekking tusschen wind en regen...............97
Sneeuw en hagel.....................97
Verdamping.......................98
IJ. Eenige andere verschijnselen i u den dampkring......99
a. Electrisehe vorschijnsolon, TTot onweer.............!li)
IX
IXIIOUD.
Biz.
Donder en bliksem. Het weerlichten.............100
/). Lichtverschijnselen....................101
De verschillende licht- en warmtestralen............101
1. De regenboog...............■ . , . . 10-
2. Kringen en kransen om zon en maan. Bijzonnen en bijmanen . . 102
3. Het flikkeren der sterren................103
4. Kleur der lucht. Morgen- en avondrood. Wolken........103
De helderheid des hemels................104
Geschatte helderheid te Utrecht...............104
Windroos voor den vochtigheidstoestand en de helderheid der lucht. . . 10quot;)
Betrekking tusschen de luchtverschijnselen............10(j
Weervoorspellingen....................107
Waarnemingen van de verschijnselen in 't planten- en dierenrijk.....107
De beslissende dagen....................108
HOOFDSTUK III.
T WATER........................100
Samenstelling en eigenschappen van 't water.......110
Begrip van elementen cn scheikundige verbindingen.........110
Het water is veelal noodig om scheikundige veranderingen tot stand (e
doen komen......................Ill
Haarbuisjeskracht. Oplosbaarheid in water............111
De belangrijkste oplosbare cn onoplosbare zouten cn hunne nadere en naaste
bestanddeelen.....................112
Dc in water onoplosbare zouten zijn veelal oplosbaar in zuren.....I 10
Ecnige andere scheikundige verbindingen en hare al of niet oplosbaarheid in
water enz.......................11(3
(Oplosbaarheid van gassen in water...............117
Het in dc natuur voorkomende water..........118
a. Regenwater......................IIS
Zijn salpeterzuur-, ammoniak- en keukenzoutgehalte enz.......118
/). Rivierwater......................1 lij
r. Staand water (kanaal-, sloot-, meerwator enz.)..........120
(I. Put- of pompwater (bron-, wel-, zakwater) Oorsprong van dit water 121
Norton- en pulspompen..................quot;122
c. Zeewater........................12IJ
Zachte en harde wateren..................127
Biz.
Middelen uin de hardheid van 't water te lieoordeelen en om hard water
zacht te maken. Hardheidsgraad...............ll'S
Het vormen van den ketelsteen................128
Minerale wateren.....................128
Slecht drinkwater en verspreiding van ziekten daardoor.......129
Kenmerken van goed drinkwater...............130
Middelen om slecht drinkwater te verbeteren...........131
Stand van 't water in betrekking tot den bodem..........131
Volzee. Winschoter en Amsterdamsch peil............131
Stand van het zee- en rivierwater ten opzichte van A. P........131
Hoogte van den bodem ten opzichte van A. P...........133
Waterschappen.....................134
De meerdere of mindere droge ligging der landerijen. Peilen......134
II. KENNIS VAN DE PLANTEN.
HOOFDSTUK I.
Dl-; SAMENSTELLING Jgt;EK PLANTEN................135
I. Moi'pholojisehe samenslelliug der planten.............137
Onderscheiding der planten in hoofdgroepen............13'J
1. de wortel. Hoofdwortel en bijwortels. Penwortels, wortelvezels en vezelige
wortels. Lucht-, hecht- en zuigwortels...........140—143
2. de stengel, het uitstoelen, de wortelstok.......143—140
Bollen en knollen.....................147
Knoppen: bloem-, blad- en gemengde knoppen. Toevallige knoppen . . . 148
3. d e b 1 a d e n......................14Ü
Hunne onderscheiding...................140
Vervormde en bijkomende organen...............151
4. de bloem en hare deelen................151
Deelen der bloem: kelk, bloemkroon, bloemdek, meeldraden, stamper,
eenige andere in eene bloem voorkomende organen......152 — 157
Mannelijke en vrouwelijke, éénslachtige en tweeslachtige, éénhuizige en twee-
huizige bloemen....................158
Bloei wijze.......................158
5. de vrucht en hare deelen................103
De belangrijkste vruchtsoorten..............lü(5— l(i7
iNiU)i:i).
Biz.
li. heL zaad lmi zijno dcelun................I(i7
II. Srhcihundijic en aualomiwhc samcuNtcliinti der planten........108
De iilanten hestaan uit: water, vorliramlbare sloffen lmi aseh......168
De in cene plant voorkomende elementen............16'J
Overzicht van de nadere bestanddeelen.............16'J
I. Stikstof vrije stoffen. 1. Celstof of Cellulose.........169
'2. Zetmeel......................171
3. Gom......•................17I-}
4. Suikersoorten....................17IJ
5. Pectinestoffen....................174
6. Zuren.......................175
7. Vetten en vette oliën..................176
Aetherische oliën, harsen enz................177
II. Sti kstofhoud en de verbindingen. 1. Eiwitstoffen......178
a. I'lanteneiwit.....................178
lgt;. Plantenkaasstof of legumine................17'J
c,. De eiwitstoffen der granen enz...............17!)
d. De fermenten....................180
2. Eenige andere stikstofhoudende stoffen der plant, amiden enz.....181
III. De aseh bes tan d d eelen................182
Hoeveelheid aseh....................182
Voorbeelden van analysen.................182
Inwendige bouw der planten. Cellen, vaten en weefsels........186'
De opperhuid en de huidmondjes...... ........187
Sahorsvormend weefsel...................188
Vaatbundel weefsel en merg.................181)
Bouw van den stengel...................]!)1
Bouw der wortels.....................193
Bouw van de bladen, vruchten en zaden.............193
H O O F D S T U K II.
De voornaamste eevensverschi.inselen jjeu plant.........194
1. Het ontkiemen van zaad, het uitbotten van knoppen enz. 194
rt. het ontkiemen van zaad en de voorwaarden daartoe........195
/gt;. het uitbotten van knoppen................202
2. De voeding, de groei en de ontwikkeling der planten . . 204
Plantengroei in waterige oplossingen..............204
De voedingstoffen der plant.................205
Ml
INIIOITI. xm
Blz.
Het opnemen van water en ilc voedingsstoffen en «Ie beweging van water
met de daarin opgeloste stoffen door de plant..........209
Het vormen van nieuwe bestanddeelen uit de opgenomene voedingsstoffen
(het assimileeren) en de stofwisseling in de plant.......213—21quot;!
Beweging van het voedingsvoeht................21quot;)
Invloed van licht, warmte enz. op den plantengroei.......218—222
De voortplanting en vermenigvuldiging..........222
Voortplanting door knoppen.................223
„ „ eicellen. Bevruchting........... 224—228
Hot ontstaan van nieuwe soorten of variëteiten...........228
III. KENNIS VAN DEN BOUWGROND.
HOOFDSTUK I.
SAMENSTELUN» VAX DEN BOUWGROND...............232
n. Het water van den bouwgrond...............232
h. De organische stoffen van den bouwgrond. Humus........233
c. Grovere en fijnore deelen. Slibanalvse.....•.......235
Scheikundige analyse. Overzicht van de bestanddeelen........240
HOOFDSTUK II.
Eigenschappen van den bouwgrond. Vruchtbare en onvruchtbare grond 243 1. Natuurkundige toestand en natuurkundige verschijnselen.
Geschiktheid van den grond.............244
a. De structuur en samenhang der gronddeeltjes........ 244—249
b. De warmte van den grond............... 249—252
r.. De vochtigheid van den bouwgrond..............252
Zij is afhankelijk: a a. van de watercapaciteit en h h. van het vochtbehou-dend en het condensatie-vermogen van den grond..........253
cc. van het capillairopzuigend en het waterdoorlatend vermogen. . . 255
d d. van de planten, die geteeld worden............250
(1. De zwaarte van den grond; zijn soortelijk gewicht.........258
c. De lucht in den bouwgrond, absorptie van gassen.........259
Scheikundige toestand en scheikundige veranderingen in
IXIIOUI).
Do scheikundige verbindingen, waarin de voedende elementen in don grond
a. Onvruchtbaarheid door schadelijke stoffen enz.........2()0
b. Onvruchtbaarheid door uitputting. Roofbouw..........2()8
e. Het ontstaan van harde lagen (banken) en de vorming van enkele mineralen in den bodem (zandoer, ijzeroer, spaathijzersteen , mergel, vivianit,
pyrit).......................2S2
8. De bouwgronden van Nederland, hare rangschikking (k 1 as-
si ficatie) en voornaamste eigenschappen........285
Typen van eenige grondsoorten................287
IV. GRONÜBKWKRKING EN GR()NDVKlilgt;KTKUINO.
WERKTUIGEN.
Onderscheiding der grondbewerkingen naar het doel.........280
Wat werktuigen zijn en waarop bij hunne beoordeeling dient gelet te worden 289
1. Algemeene verbeteringen door het bewerken.......292
A. het droogleggen (indijken, droogmaken, draineeren)........292
Indijken en droogmaken. Waterbezwaar. Watermolens........292
Nadeelen van overtollig water................294
Het drainceivn. Wijze van uitvoering........... 296—302
Voordeden van het draineeren...............302
B. het ontginnen. Begrip..................303
1. Ontginnen van zandgronden (zandstnivingeu, duinen, heidevelden enz. . 304
2. Het veranderen van bosch in bouw- of weiland.........308
3. Ontginning van veengronden.........■.....309
а. Het veenbranden..................309
б. De bekalldngsmeüu«Ie................310
c. De ontginning van afgegraven hoogveen..........311
d. De damontginning of veendamcnltuur...........313
C. Algemeene verbeteringen van reeds ontgonnen bouwgronden.....316
XJV
INHOUD. XV
Periodische bewerkingen van den bouwgrond. Doel . . . . 820
A. Vernietiging van onkruid. De voornaamste onkruiden.......321
B. De werktuigen voor de grondbewerking en het daarmede verrichte werk 328
1. de ploeg, het ploegen................ 324—344
2. de eg of egge.................. 344—352
3. de rol en het rollen................ 352—355
4. eenige nieuwe landbouwwerktuigen en het daarmede verrichte werk. Cultivator, kruimelaar, ondergrondsploeg, schilploeg, akkersleep enz. 355—361
C. Het bewerken van den grond door middel van stoom. Stoomploeg, stoomcultivators enz.................3()1—306
D. De bearbeidingsmethoden. a. het braken.......... 3(56—368
b. de behandeling der stoppelvelden enz.............368
e. het diepbewerken van den bouwgrond............371
V. BEMESTINGSLEER. MESTSTOFFEN.
Doel der bemesting....................373
Indeeling der meststoffen..................374
Directe meststoffen................375—121
A. Dierlijke en plantaardige of mest van organischen oorsprong.....375
1. De uitwerpselen der huisdieren en de daaruit bereide stalmest.....375
Samenstelling van de uitwerpselen..............378
Samenstelling van het strooisel...............380
Berekening van de hoeveelheid stalmest............383
Versche en verrotte mest. De rotting.............384
Wijze van bewaring en verlies................389
2. De mensehelijke uitwerpselen. Compostmest...........3!)7
Samenstelling en hoeveelheid der uitwerpselen..........398
Methoden van verzameling, bewaring en gebruik.......399 Jll)
3. Eenige andere meststoffen van dierlijken oorsprong. Visrh en afval van
viseh, insekten, bloed, ingewanden, vleeseh, afval van wol en hoorn,
leder enz.......................410
Beenderen en huune bewerking.............410-411
5. Groenbemesting....................415
B. Meststoffen van delfstoffelijken oorsprong............410
1. (iuanosoorten en hare bewerking...............41U
INHOTIP.
BI/..
2. Andere phosphor/uurrijkc mineralen en de daaruit bereide superphosphaten 419
4. Kali- en magnesiahoudende meststoffen........... 422—424
a. Onzuivere kalimeststoffen................422
h. Grezuiverde chloorhoudende kalizouten............423
c. Gezuiverde chloorvrije en chloorarme kalizouten.........423
5. Zwavelzuur ijzeroxydule.................
(gt;. Terpaarde, klei, mergel, slijk enz..............
IT. Indirecte meststoffen.................42i)
7. Organische stoffen....................420
Prijs der meststoffen....................426
Vragen op het gebied der bemesting...........421
1. Met welke mestsoorten geniest moet worden?........ 427—433
2. Hoe lang werkt de mest? enz................433
3. Wat is uitputtende mest of eene uitputtende bemesting?......434
4. Wanneer en hoe moet lt;lc mest op het land worden gebracht? Kunstmest-
..........435
strooiers en gierpompen..................
anhangsel.......................
Andere middelen tot het vruchtbaarmaken of het vruchthaarhouden van den
440
T;
srond
Vruchtwisseling, wortelontwikkeling...............440
Bevloeien........................445
iel I. Verdeeling der temperatuur op aarde............440
II. Samenstelling van ecnige Nederlandsche en Indische grondsoorten . . 44.
Ha. Idem van rivierslib. lift. Idem van zeeslih. lie. Idem van terpaarde. 448
Ilrf. Samenstelling van eenige zandoerbanken...........449
II.. Gehalte van eenige mergelsoorten van koolzure kalk.......449
IV. Ter berekening van de uitputting en verrijking van den grond . . . 453
Aanvullingen en verbeteringen...........4:)6
Alphabetisch register.................4:u
XVI
424 424
Ondor landbouw verstaan wij liet bedrijf, dat ten doel heeft, om, gebruik makende in do eerste plaats van do natuurlijke middelen; don bouwgrond, den dampkring, hot zonlicht, planton en dieren, plantaardige en dierlijke producten te verkrijgen, die tot verschillende doeleinden gebruikt kunnen worden en dus marktwaarde hebben.
Twee hoofdrichtingen kunnen in dit bedrijf worden onderscheidon: de plantenteelt en do vectrclt, en beide weder in verschillende ondordeelon worden gesplitst; de plantenteelt b.v. in akkerbouw, wcidehouw, tuinbouw (warmoe-zerij of groenteteelt, do tooit van bloomen en andere sierplanten en die van ooftboomen) en de houtteelt; de voetoolt in zooveel ondordeelon als er diersoorten of groepen van diersoorten worden aangefokt of ton nutte gemaakt. Mot don landbouw niet of minder verwant zijn do bijenteelt, de teelt van zijderupsen, de kunstmatige visch- en oesterteelt.
Hij, die dit bedrijf uitoefent, is in het algemeen landbouwer. Als hij echter slechts een dor onderdooien uitoefent of daarvan zijn hoofdwerk maakt, wordt hij nader aangeduid als: akkerbouwer (bouwer of landbouwer in engeren zin), veehouder (veefokker), warmoezenior, houttoler, enz.
De oorsprong van liet landbouwbedrijf in zijne twee hoofdrichtingen is onzeker of fabelachtig en wordt in verband gebracht met hot geloof aan helden of godsdienstige personen; even onzeker is liet, welke van do twee hoofdrichtingen het eerst werd beoefend. Aangezien echter liet Oosten naar alle waarschijnlijkheid eerder bewoond was dan het Westen, mag men aannemen dat het Oosten de bakermat ook van den landbouw is geweest. Volgens Genesis was het Kaïn, die hot eerst den grond bebouwde. In Indiö heet hot, dat do landbouwer uit de hand van Brahma is voortgekomen en do heilige stier hom werd gegeven om heiii in zijn werk te helpen. In Egypte gaf Isis do eerste landbouwlessen aan do menschen; Diana bracht die kunst naar Griekenland over, on Ceres onderwees haar in Italië en op Sicilië.
Volgens do Arabische overleveringen nam Adam, toon hij het paradijs verliet om de aarde to bebouwen, dertig verschillende boomtakjes mede, en werd het koren aan den mensch gebracht door den engel Michaël, dio hom loerde dat hot tot zijn voedsel en dat zijnor nakomelingen diende; hij gaf hom bevel de aarde te bobouwen en te bezaaien. Dat oorspronkelijk koren had do grootte van een struisvogelei; maar, toen do mensch in zonde verviel,
reinuers, i. Vierde druk. -1
kreeg hot do grootto van een hoenderei, daarna van een duivenei, vervolgens van oen hazelnoot; on toen Jozef in Egypte was had hot nog de grootte van eene erwt.
Blijkt uit het aangehaalde van welke boteokenis de landbouwer en zijn bedrijf reeds in dit heldentijdperk werden beschouwd, ook in den eersten historischen tijd vindt men bij verschillende volken in hunne heilige boeken (zio b.v. Jesaja 28 : 24—28), in hunne gedichten, in hunne geschiedenis, landbouwbeschrijvingen; later werden bepaalde verhandelingen geschreven om den landbouwer tot gids te dienen in zijn bedrijf. Vooral de Romeinen hebben ons vele geschriften over landbouw nagelaten.
Do edelsten onder die oude volken Melden zich met landbouw bezig en eerst in het tijdperk van hun verval — en dit is een der wijste lessen der geschiedenis — lieten zij die aan hunne slaven en de lagere klassen der maatschappij over 1).
Hieruit volgt tevens, hoe men reeds vroeg heeft ingezien, dat de landbouwer iets aangaande zijn bedrijf uit boeken kan loeren. 1 it den aard der zaak bevatten die oude geschriften slechts landbouwbeschrij vingen, raadgevingen enz.; eerst in liet begin dezer eeuw, toen men beter heeft leeren kennen, hoe planten en dieren zich voeden, waaruit zij en do lucht, de bouwgrond, de vocdermiddelcn enz. bestaan, nu het hoe en waarom van vele verrichtingen kan worden aangegeven, steunt ook de landbouw op een weten-schappelijken grondslag, heeft ook hij eenc hoogere vlucht kunnen nemen en kan men spreken van landbouwkunde.
Onder landbouwkunde verstaan wij dan de wetenschap, die de beoefening der kennis van liet landbouwbedrijf tot op zijne grondslagen ten doel heeft. De beginselen dier wetenschap vinden hare toepassing overal, want eene plant- of eene diersoort ontwikkelt, voedt en vermenigvuldigt zich overal op gelijke wijze; zij gebruiken daartoe overal dezelfde elementen, en wat hier haren groei benadeelt of bevordert, doet het ook elders.
Toch is er een groot verschil in den landbouw van het eene land vergeleken bij dien van een ander. Daardoor onderscheidt zich dit bedrijf vooral van andere nijverheidsondernemingen. Een fabrikant van beetwortelsuiker b.v. zal zijne fabriek op gelijke wijze kunnen inrichten lüer als in Rusland; hij zal, als zij eens aan den gang is, alle dagen een gelijk product kunnen verkrijgen, omdat hij kan zorgen, dat de omstandigheden, waaronder hij werkt, nagenoeg alle dagen dezelfde zijn. De landbouw echter is veel meer afhankelijk niet alleen van den bodem maar ook van het klimaat en liet weer; en hij hoeft te doen met levende organismen, die hij niet zoo kan beheerschen als de fabrikant over de doode stof heerscht. Bovendien hangt van den trap der beschaving, de verkregen kennis en van vele maatschappelijke en staathuishoudkundige toestanden- af, hoe de landbouw in eenig land wordt uitgeoefend.
1) Zie over de geschiedenis van den Landbouw; Koenen, De Nederlandsche Boerenstand; Langethal, Geschichte der Landwirlschaft (Thaerbibliothek); Barral et Sagnier, Dictionnaire d'agriculture onder Agriculture; F. B. Löhnis, Laml-bonw en Regeering. Geschiedkundig overzicht van de maatregelen in den loop dezer eeuw in Nederland genomen, ten behoeve van den landbouw.
3
Dientengevolge is liet zelden mogelijk hot landbouwbedrijf in deze streek zoo uit te oefenen als het in yene uitgeoefend wordt. Het niet inachtnemen van deze bijzondere omstandigheden heeft reeds menig bedrijf ten gronde gericht.
Oin dezelfde reden kunnen ook zelden algemeeno regels of, wil men, recepten voor de uitoefening van het landbouwbedrijf gegeven worden. Om tot meer algemeene regels Ie komen is eene vergelijkende landbouwkunde noodig, evenals men door eene vergelijkende ontleedkunde, bij eon groot verschil in samenstelling van dieren en planten, veel overeenkomst heeft ontdekt, of eene vergelijkende taalstudie en wetgeving beoefent om algemeene regels op het gebied van taal en wetgeving op te sporen.
Do vergelijkende landbouwkunde is echter nog geheel in hare kindsheid.
Don grondslag daarvoor vormen in de eerste plaats do kennis van den bodem en zijne ligging ten opzichte van hot water en het klimaat, omdat van deze factoren vooral do landbouw in oenige streek afhankelijk is.
Aangezien bij het samenstellen van dit Handboek vooral de Nederlandsche toestanden in hot oog zijn gehouden, om het zooveel mogelijk tot oen Handboek voor den Ncderlandschen landbouw te maken, volgt in do eerste hoofdstukken een overzicht van den Bodem, het Klimaat en het quot;Water, inzonderheid van Nederland. quot;Wij hebben daarbij tevens gelegenheid om eenige schei- en natuurkundige begrippen aan te geven, wier kennis voor het beoefenen der Landbouwkunde niet ontbeerd kan worden.
Niet allo takken van het bedrijf konden echter in hot Handboek worden opgenomen. quot;Wij hebben gemeend ons te moeten bepalen tot den Akker- en Weidebonw (landbouw in engeren zin) en do Veeteelt; maar de grondslagen in het eerste Deel zijn zoo algemeen mogelijk behandeld, zoodat dit ook als inleiding tot beoefening van andere takken kan dienen.
1*
DE BODEM VAN NEDERLAND i).
Terwijl clo aardo inilliooneu menscheu ou oen ontelbaar aantal dieren tot woonplaats verstrekt, is de losse aardmassa aan hare oppervlakte als van nature er voor aangewezen, om eene onnoemolijke verscheidenheid van planten voedsel en standplaats te geven. Die bovenste laag der aardkorst wordt, wanneer zij met planten begroeid en met hare overblijfselen vermengd is, gewoonlijk bouwlaag of bouwgrond genoemd.
Een' bouwgrond, niet door rechtstreeksche tussehenkomst van den menseh gevormd, zullen we eene oorspronkelijke of natuurlijke bouwlaag' noemen, b.\. de bouwlaag onzer heidevelden, die der schorren of kwelders onzer kusten enz.
Daarentegen verstaan wij onder een' Imnstmatigcn, beteelden of eigenlijken bouwgrond zulk eenen, die door tussehenkomst van den menseh gevormd is, of door bewerking, bemesting enz. meer rechtstreeks door hem aan den plantengroei wordt dienstbaar gemaakt, b.v. de dalgronden der afgegraven hooge venen, ontgonnen heidevelden, enz.
Gronden, hetzij zonder eenigen plantengroei, hetzij met planten begroeid, maar aan zich zeiven overgelaten, noemt men woest, ter onderscheiding van de zooevengenoemde, welke door bewerking enz. meer bepaald voor de plantenteelt zijn geschikt gemaakt en die daarom ook wel ontgonnen of gecultiveerde gronden worden genoemd.
Door den invloed van den menseh zijn vele bouwgronden, zoowel in ligging als in samenstelling, aanmerkelijk gewijzigd. Desniettemin blijft hunne oorspronkelijke, natuurlijke gesteldheid in den regel een' grooten invloed op hunne geschiktheid om planten voort te brengen en in 't algemeen op den landbouw uitoefenen. Dat men op vele lage veengronden slechts hooi wint, op de laag liggende kleigronden in sommige streken van Holland, Groningen en Friesland weide- of hooibouw drijft, op de zandgronden meer rogge, aardappels en boekweit, op de kleigronden meer tarwe, koolzaad enz. verbouwt, is ten deele een gevolg van de natuurlijke gesteldheid van den bodem
1) Dr. W. C. A. Staring, Da Bodem van Nederland en Voormaals en Thans; Dr. .1. Lorié, Contributions a la Geolorjie des Pays-Bas; Tijdschrift voor Aardrijkskunde; Geneeskundige plaatsbeschrijvingen, enz.
aldaar. In liet bijzonder blij let de meerdere of mindere geschiktheid vau den bodem om deze of gene planten te doen groeien, wanneer Ave do in 't wild groeiende planton, de zoogenaamde onkrniden (do flora), eener streek vergelijken niet die in eene andere. Volgens de onderzoekingen, dienaangaande gedaan, blijkt weliswaar, dat die invloed niet zoo groot is, als men vroeger wol meende, en dat niet alleen de scheikundige samenstelling van den grond hierop invloed uitoefent, maar vooral ook zijne meerdere of mindere losheid, zijne droge of vochtige ligging enz.; een blik op do in 't wild groeiende planten op do zandgronden in Drente, Overijsel, Gelderland enz. en op die der kleigronden in dezelfde provinciën of elders is echter voldoende, om hot groote verschil daartnsschen op te merken. Ja, zelfs merkt men op de kloi-of zavelgronden van eene en dezelfde vorming verschil op.
Onder do zec-kleilandon in het noorden der provincie Groningen b.v. zijn er enkele, die meer zandig zijn en eene hoogere, droge ligging hebben. Daar treden vooral de Klaproos en ook de Korenbloem in menigte op, terwijl het Hoef- of Stinkblad, dat beter op meer kleihoudenden grond, met een lossen ondergrond t'hnis is, hier ontbreekt of minder voorkomt.
Juist door dien plantengroei wordt do aard van den bouwgrond dikwijls aangewezen. Men vergelijke b.v. den plantengroei op do heuvels in hot oosten van Gelderland en Overijsel (Eibergen, Oldenzaal enz.), grootendeols uit ter-tiairen leem bestaande, met die op de Veluwe (diluvium).
Nageli i) zag in eene streek, waar een bouwgrond, uit een kalkgesteente ontstaan, en een andere, van een leigesteente afkomstig, met elkander afwisselden, van twee soorten van Dmzendblad {Achillea rnoschata en A. af rata) de eerste steeds op don leigrond, de tweede op den kalkgrond groeien. Hij merkte weliswaar op, dat wanneer eene van de beide soorten ontbrak, b.v. A. rnoschata, hare plaats door tie andere werd ingenomen en deze dus ook op den leigrond voorkwam; maar zoodra beide voorkomen, kiest elke plant als 't ware haar' grond, dat is: de eene groeit zóó voordeelig op dezen en de andere op genen grond, dat de laatste niet op de eerste plek, noch tic eerste op de laatstgenoemde gevonden wordt.
Uit deze voorbeelden, die gemakkelijk vermeerderd zouden kunnen worden -), blijkt genoegzaam, hoe de natuurlijke gesteldheid van den bodem van invloed is op den plantengroei en daardoor ook op den landbouw, welke op dien bodem wordt uitgeoefend.
Voor eene juiste kennis van do bouwgronden en van hunne meerdere of mindere geschiktheid ter voortbrenging van plantaardige producten, zal het daarom noodig zijn vooreerst hunne natuurlijke gesteldheid en de daarmede nauw samenhangende wijze van vorming na te gaan.
De buitenste korst der aarde, voor zoover men die heeft loeren kennen, bestaat grootendeols uit rotsmassa's of gesteenten, aanmerkelijk verschillende van de losse en weoke lagen, waaruit de bodem van Nederland, in zoover men die heeft onderzocht, gevormd is.
') Dr. Jul. Sachs, Handbuch der Botanik, S. S-28.
2) Zie daarover ook liet lijstje van onkruiden in liet Hoofdstuk over Grondbewerking enz.
6
Ligt de rotsmassa, eins hot gostoonte, onmicldcllijk aan do opporvlakte, dan is dit gemeenlijk sloclits met lagere planton, b.v. mossen, begroeid. Meestal oehter is liet gesteente aan de oppervlakte verweerd, dat is in grootere en kleinere stukken uiteengevallen, vergruist, door verschillende scheikundige -werkingen veranderd en daardoor geschikt geworden om ook andere planten voedsel en standplaats te geven; de rotsmassa is dan aan de oppervlakte in een' bouwgrond veranderd. Zulk een bouwgrond, die dus onmiddellijk gelegen is op liet gesteente, waaruit hij ontstaan is, wordt daarom een oorspronkeljkc of verweeringsgrond gehoeten.
Dergelijke bouwgronden verschillen zeer naar den aard van het gesteente, waaruit zij zijn ontstaan en worden óf naar dit gesteente öf naar de mineralen die daarvan het hoofdbestanddeel uitmaken, nader onderscheiden. Zoo spreekt men van:
veldsjKiathgronden, ontstaan uit graniet, porphier, trachiet enz.;
augiet- en hoornblendcgronden, uit basalt, doleriet, melaphier enz.; glimmer- en /fwartegronden, uit glimmerlei, gneiss, kwartsrots enz.; zandstccn£vo\ii\en, uit verschillende zandsteenon;
/ca/A:gronden, uit kalksteen, krijt, dolomiet enz. l).
Intusschen bestaat de bodem daar, waar rotsmassa's aan zijne oppervlakte treden, gewoonlijk uit hoogten en laagten, bergen en dalen. De werking nu van water, ijs, enz. op de verweerde rotsmassa der berghellingen heeft veelal eene verplaatsing van de verweeringsproducten ten gevolge. Er kunnen zich daarbij nog verschillende gevallen voordoen, naar gelang de helling meer of minder steil en de kracht van het vallende water meer of minder groot is. Nu eens wordt alles verplaatst, zoodat de rotsen steeds kaal blijven, niet met oenen bouwgrond bedekt worden, dan eens worden slechts de fijnere deelen met het water meegevoerd en blijven de rotsen toch bedekt ofschoon met minder vruchtbaar puin dan in geval de helling gering is.
Uit de weggevoerde verweeringsproducten worden dan elders bouwgronden gevormd. Zij bezinken namelijk daar, waar het water tot rust komt of zijne stroomsnelheid geringer wordt: eerst de grootere stukken, puin, dan de fijner verdeelde, zand, en eindelijk de fijnere slib, terwijl door schuring en wrijving van de verplaatste deelen over elkander en over den rotsachtigen bodem de verdere verweering en de afronding b.v. van puin tot grint niet weinig bevorderd wordt.
Op doze wijze ontstaat derhalve eene tweede groep van gronden, die men verplaatste zou kunnen noemen, maar die gewoonlijk afgespoelde of aangespoelde gronden worden geheeten, en naarmate puin, grint, zand of klei er de hoofdmassa van vormt, in puin-, grint-, zand- en Welgronden worden onderscheiden. Aangezien deze verplaatsing vooral geschiedt door het van de bergen stroomende water — over de verplaatsing door gletschers zal later worden gehandeld -— worden deze gronden overal gevormd, waar dit zijnen loop vervolgt, derhalve langs de rivieren (in de dalen) en vooral daar waar liet rivierwater zich in een meer of een zee stort (Deltavorming in meren en aan de monden der rivieren).
1) Dr. Adolf Mayer, Agricultur-Chemie, II, 40.
In ilo dorde plaat* worden gronden gevormd uit do overblijfselen van planten. Eigenlijk draagt de plantengroei tot de vorming of ook vervorming van clkon bouwgrond bij, aangezien in eiken bouwgrond overblijfselen van planten met de minerale bestanddeelen vermengd zijn. Hier bedoelen wij echter het vormen van geheele aardlagen daaruit. Dergelijke gronden worden veengronden geheeten.
Naar do wijze hmmor vorming kunnen wij dus drie hoofdgroepen van bouwgronden onderscheiden;
1. Verwceringsgronden.
2. Aangeslibde of verplaatste gronden.
3. Veengronden.
Eigenlijke venveeringsgronden komen hier to lande niet voor. Wel treden in Limburg (St. Pietersberg, langs hot Genldal enz.) aan de hellingen der heuvels enkele gostoonton, zoogenaamd krijtturf, aan do oppervlakte; maar aangezien deze door andere lagen overdekt zijn, dragen zij weinig of niet tot do vorming van don bouwgrond bij, en, tenzij men daartoe ook de oerbanken wil brengen, heeft men slechts op enkele andere plaatsen (Delden) en op aanzienlijke diepte vaste gesteentelagen ontdekt.
De Nederlandsche bouwgronden zijn dus, wat betreft hunne natuurlijke vorming, grootendeels ontstaan uit, deels door water deels door ijs aangevoerde, verweeringsproducten van gesteenten, die eens, meestal duizenden nieters ver, rotsen vormden, en uit planten; of met andere woorden: zij zijn hoofdzakelijk ontstaan door aanslibbing en veenvorming. Naar den tijd waarin zulks plaats had, kunnen de verschillende lagen gebracht worden tot do alluviale of hedendaagsche vormingen, diluviale of quartaire vormingen, tertiaire vormingen enz.
Van de verschillende grondsoorten, hiertoe behooronde en haar gebruik, in het bijzonder als bouwgrond, volgt hier vooreerst een kort overzicht.
Men gebruike daarbij eene geologische kaart, in de meeste schoolatlassen te vinden, of die van Dr. Staring.
1. ALLUVIALE GRONDEN.
Tot hot alluvium rekent men: de venen, onderscheiden in hoogc- en lage venen, de zee-, rivier- en heelcbezinkingen, de duinen en de xandstuivingen.
Deze gronden liggen deels aan do oppervlakte naast elkander maar deels ook over elkander, zoodat de eene de andere bedekt en daardoor aan het oog onttrekt.
Zoo vindt men laagveen soms onder hoogveen of onder eene zeebezinldng, rivierklei of eene beekbezinking onder zandstuivingen bedolven enz. En aangezien de alluviale gronden later gevormd zijn dan de diluviale, bedekken daar, waar zij samen voorkomen, de eerste altijd dc laatste, nooit omgekeerd.
A. Venen.
Dc venen bestaan geheel of grootendeels uit overblijfselen van planten. Naar hunne ligging ton opzichte van hot omringende water, worden zij onderscheiden in hoogc en lage. Do eerste zijn één of meer meters boven dat water of do
gcmicMeldc oppervlakte der zoo verheven, do laatste liggen daarmede gelijk of sleclits weinig er boven.
Met deze ligging gaat gepaard eon vorscliil in den plantengroei, die tot de veen vorming aanleiding hoeft gegeven, en eenig verschil in do wijze, waarop uit de planten veen ontstaan is.
a. IIoocjc venen.
De hooge venen vindt men in de min of moor van do zeekusten verwijderde streken van ons land, voornamelijk in de provinciën Groningen, Friesland, Drente en Overijsel. In do andere provinciën treft men ze in 't geheel niet of van weinig uitgestrektheid aan. Alleen do Peel, op do grenzen van Noord-Brabant on Limburg, beslaat in doze provinciën eene oppervlakte van oenige honderden hectaren.
De hooge venen liggen meestal tusschon de diluviale zandgronden dier provinciën in. In Friesland, Groningen en Drente gaan zij naar de zeekusten toe allengs in laagveen over, worden dus hier door deze laatste begrensd en soms bedekken zij dozo; aan de tegenovergestelde zijden, soms ver over do grenzen van ons land, palen zij weer aan hot diluvium. Hot Almeloosche veen in Overijsel en do Peel in Noord-Brabant zijn geheel door diluviale gronden omgeven. Pitgezoudord daar waar zij op laagveen rusten, hebben de hooge venen dan ook het diluvium tot ondergrond, dat te dier plaatse, voor zoover het onderzoek reikt, eene soort kom of dal vormt, waarin het veen is ontstaan. Zij zijn slechts in enkele gevallen door andere gronden overdekt gevonden en liggen dus meest allo aan de oppervlakte.
Ofschoon er nog vele hooge venen woest liggen en zij wegens hunne drassige ligging, slechts met mos, heide, biezen enz., en aan de kanten hier en daar ook met gagelstruiken en wilgen begroeid zijn, is echter ook een groot gedeelte er van ontgonnen en tot bouwland gemaakt, hetzij men het veen tot op den diluvialen zandgrond als turf heeft afgegraven en alleen de bovenste laag, die niet ter verturving geschikt is, de zoogenaamde bonkaarde met den ondergrond heeft vermengd, geëffend en gemest, hetzij men slechts een gedeelte veen heeft afgegraven en liet overblijvende, mot het zand der go-graven kanalen of wijken, vermengd met de zooevengenoemde bonkaarde, hoeft overdekt. In het laatste geval ligt dan hoogveen onder een eigenlijken bouwgrond. Dalgronden en veenbouwten in de Veenkoloniën van Groningen.
Elders (b.v. kleine veentjes in Overijsel) heeft men ze ook afgegraven, alleen met hot oog op do turf, en den zandigon ondergrond woest laten liggen.
Bij hot veenbranden worden ze met een' kunstmatigen bouwgrond, namelijk de asch van het verbrande veen, vermengd mot half- of onverbrande veen-deelen, bedekt.
Zoowel het een als het ander hooft ten gevolge gehad, dat een groot gedeelte van hot voormalige hoogveen öf in het geheel niet meer aanwezig is öf ten dooie afgegraven en mot een' bouwgrond, voor een goed deel vreemd aan het veen, is bedekt. Zelfs is hot moeilijk nogal do plaatsen aan te wijzen, waar vroeger al hoogveen gevonden word.
De meeste der nog niet aangestoken hooge venen zijn in het midden hoogor dan aan de kanten. Hunne oppervlakte is echter niet regelmatig bol, maar
9
cluor oone menigte verhcvcnliedcn, katten en belten genaamd, bedekt en hierop groeien vooral do zooeven genoemde planten, b.v. heide. Tusschen die hoogten, dus in de laagten, is do grond te vochtig, om tot bodem te kunnen verstrekken voor andere planton dan eenige mossoorten. Maar ook over 't geheel is de hooge-veengrond te drassig en te onvruchtbaar, dan dat zich hierop eenige plantengroei van belang zou kunnen ontwikkelen. Alleen daar, waaide veenlaag minder dik is en eene drogere ligging heeft, slaat b.v. houtgewas zeer goed aan. In het bijzonder is zulks het geval, als de veenlaag grooton-deels verwijderd en aan de oppervlakte met zand vermengd wordt.
De dikte der hooge-veenlagen is zeer verschillend. Gemiddeld mag die op 2—ó meter gesteld worden, soms is zij echter aanmerkelijk grooter en bedraagt wel tien en meer meters.
Tusschen de eigenlijke veenstof, waarvan men naar de kleur en uiterlijke hoedanigheid of naar do planten waaruit zij ontstaan is, nog verschillende soorten als zwart en bruin veen, vlokveen, heide-, mos- en wollegrasveen onderscheidt, vindt men, in de onderste lagen van het veen, dikwijls kirnhont, dat zijn stammen en takken van boomen, die evenals do andere plantendeelen wel in samenstelling veranderd zijn, maar hun' vorm behouden hebben.
In do hoogvenen van Oost-Drente treft men in de onderste lagen ook amorph koolzuur ijzeroxydule of zoogenaamde witte klien aan en verder het blamvgekleurde vivianit of phosphorzuur ijzeroxydoxydule. Dit laatstgenoemde mineraal wordt in vele andere aardlagen gevonden: in laagveen, moerasveen, moeraserts, terpen, tabaksgronden enz.
De veenstof en het kienhout worden, na gedroogd te zijn, veelvuldig tot brandstof gebruikt. De turf, die do hooge venen leveren, is hoofdzakelijk de lange of steektuif; echter worden sommige lagen, die daarvoor geschikt zijn of geschikt worden gemaakt, door vermenging met andere lagen, tot eene pap aangelengd en vervolgens tot de bekende baggerturf verwerkt i). In do laatste jaren worden de bovenste lagen, de bonkaarde, veel tot turfstrooisel verwerkt, terwijl het uit wollegras ontstane vlokveen tot andere doeleinden, b.v. tot vulling van matrassen en kussens gebruikt wordt.
b. Lage venen.
Terwijl de hooge venen aanmerkelijk boven de omringende wateren vei-heven zijn en alleen water bevatten, doordat de poreuze veenstof liet als eene spons opzuigt of het op eene andere wijze belet wordt om weg te stroomen, ligt de oppervlakte dor lage venen meestal gelijk met de gemiddelde oppervlakte der zee of slechts weinig boven hot omringende water.
Wordt een hoogveen afgegraven en de ondergrond daarna tot bouwgrond gemaakt, dan kan deze in den regel gemakkelijk drooggelegd worden, ja zelfs moet het water der kanalen, voor den afvoer van turf enz. gegraven, meestal door schutsluizen worden opgehouden. Daarentegen moeten de gronden, dio na verwijdering van de veenstof der lage venen overblijven, veelal opzettelijk droog gemalen worden, om er bouwgrond van te maken.
J) Dr. G. A. Venema, Da Venen en de Veenkoloniën in Bijdragen lol de kennis van den leyenwooi'diyen slaat der prov. Groningen, Ule doel.
10
Tusschen do lago veengronden is nog vool verschil. Van do eigenlijke lage venen, dio in meer of minder diep water (moren) gevormd zijn, onderscheidt men de moerasvenen, in ondiep water of oen' vochtigen bodem ontstaan, en de darg.
aa. Eigenlijke lage venen.
Lage venen vindt men in allo provinciën van ons land, maar vooral in dio, welke aan de zee grenzen. De meeste liggen in eono strook tusschen do diluviale gronden of do hooge venen en do zoebezinkingen. Aan deze zijde, naar don zeekant toe, worden zij ten deele door de zeeklei, aan gene zijde soms door hoogveen overdekt, en gelijk zoo pas opgemerkt is, hierdoor van het diluvium gescheiden, Daar echter, waar eene rivier het lage veen doorsnijdt of vroeger heeft doorsneden, gelijk mot vele Hollandsche venen 't geval is, of waar, zooals bij de lage venen van Ankeveen, Kortehnef en Loos-drocht, ten westen van hot Gooiland, op eenigen afstand eene rivier (hier de Vecht) loopt, worden ze begrensd en ten deele overdekt door rivierklei.
In Zuid- en Noord-Holiand grenzen ze ton westen aan de duinen. Door het verstuiven van do duinen landwaarts in, is hier een gedeelte van het veen met zand overdekt geworden, ja, door het langzaam verplaatsen van de geheele duinketen, van 't westen naar 'toosten, zijn de duinen als 't ware over het veen heen geschoven, zoodat dit aan den anderen kant, aan de zeezijde, weer voor den dag komt.
Evenals in Holland treft men ook in andere provinciën, op eenigen afstand van de oevers dor rivieren laagveen aan. Zoo b.v. aan den rechteroever dei-Maas, ten noorden van Venloo en aan de oevers van den Usel. Hier is het dus aan de eene zijde rivierklei en aan de andere het dilivium of hoogveen, welke het laagveen begrenzen.
Wielen of kolken, door vroegere doorbraken van dijken ontstaan, zijn ook dikwijls met laagveen gevuld, zoo b.v. het Velperbroek, nabij Arnhem.
De dikte van het laagveen is zeer verschillend en wisselt af van een paar meter tot tien en meer meters.
Dat laagveen door andere gronden overdekt is geworden, is reeds opgemerkt. Hier is het zeeklei, daar rivierklei, elders duinzand, waaronder laagveen bedolven ligt. In vele gevallen is die overdekte veenlaag niet zeer dik en is het meer eene soort van veen, die wij hierna onder den naam van darg zullen beschrijven.
Evenals hoogveen is ook laagveen op sommige plaatsen opzettelijk door eene aardlaag overdekt, met het dool om er bouwgrond van te malven. In hot bijzonder is dit het geval met het veen aan don duinkant in Zuid- en Noord-Holland. De bloembollenteelt te Overveen en Bloemendaal, in de om-strokon van Haarlem, geschiedt in duinzand met veel mest en veen vermengd, 't welk men daar tot drie en meer meter toe over het veen heeft gewerkt. De tuinbouw in hot AVestland geschiedt voor een deel in oen' dergelijk aangebrachten grond, op den oorspronkolijken voenbodom rustende. In do provincie Groningen, in het zoogenaamde Lageland ton zuiden van het Damsterdiep, wordt de bovengrond, die hier geheel of ten deele uit veen (darg) bestaat, met den daar in den ondergrond voorkomenden zoor vruchtbaren kleigrond vermengd. Aan do oevers der rivieren o. a. aan de Vecht
11
liij Loonen on Maaisen, mest men en overdekt men dus don veengrond met rivierslib. Eiders bij de ■warmoezerijen in Noord-Holland (Oud-Karspel, Noord- en Znid-Seharwoude en Brook) overdekt en hoogt men don veengrond op mot slootaarde.
Overigens liggen de meeste lage venen in ons land, gelijk ze gevormd zijn, begroeid met grassoorten en andore planten. Door het graven van greppels enz. bevordert men wol het afloopen van 't water, waarmede ze 's winters ten deolo bedekt zijn en door bemesting de vruchtbaarheid, maar door de buitengewoon lage ligging zijn ze veelal slechts bruikbaar voor hooien weidebouw of daarvoor aangewezen. Vele leveren echter ook de grondstof voor het maken van turf (bagger). Do uitgeveende plassen laat men öf aan zich zeiven over en hier vormt zich, zooals we hieronder zullen vermelden, opnieuw veen, of men bemaalt ze en logt zo tot akker-bouwgrond aan.
Do grond, dien men na het uitbaggeren en het daaropvolgend droogmalen bekomt, dat is dus de ondergrond van hot veen, is zeer verschillend. Op de grenzen van het diluvium of hoogveen, b.v. in do provincie Groningen, te Scharnier, Harkstede, de Leek enz., in Friesland en elders, is het vooral dilivium, in Holland en het westen van Utrecht grootendeels zee- of rivierklei. Daar nu zee- of rivierklei van nature veel vruchtbaarder is dan de diluviale zandgrond, loont hot in de laatstgenoemde provinciën veel beter de moeite, de plassen droog te malen, dan in de eerstgenoemde stroken. Hier acht men den ondergrond meestal niet van zooveel waarde, om er de kosten van droogmalen aan te bestoden, 't welk ginds wel hot geval is.
Do bekende vruchtbaarheid van de binnonpolders in Noord- en Zuid-Holland of hot nieuwe land aldaar, de Schermer, do Purmer, de Zuidpias-polder enz., dat uitgebaggerde on droog gemaakte lage venen, zoo te zoggen dalgronden van laagveen zijn, toont duidelijk aan, welk een' nitmuntenden ondergrond de lage venen aldaar bevatten,
bb. Moerasvenen.
Hiertoe rekent men laagveen, in ondiep water of op een zoogenaamd drassigen, moerassigen bodem ontstaan, een' grond, die bijna het geheelo jaar door niet water volgezogen of er mede bedekt is. Eens gevormd, is het moerasvecn van eigenlijk laagveen moeilijk te onderscheiden, behalve dat do veenlaag minder dikte heeft.
De oppervlakte verschilt echter ook in vele gevallen. Terwijl die der lage venen horizontaal en tamelijk vlak is, is die der moerasvenen dikwijls hellend en, wanneer ze geweid worden, evenals do hooge venen, van kleine hoogten en laagten voorzien, aangezien de planten, waaruit dit veen vooral ontstaat, zoogenaamde Carer-soortcn of Eietgrassen, op hoopjes groeien, en het weidende vee deze hoopjes min of meer vermijdt en den grond daartusschen alzoo ineentreedt.
Do hellende ligging staat in verband niet de plaats van voorkomen. Moeras-veen toch vindt men veelal aan de oevers van kleine rivieren, welke uit hooge venen haar oorsprong nemen, b.v. die tusschen de zandruggen in hot zuidoosten van Friesland, op de grenzen van hoogveen, vooral aan die zijde waar het
12
vocii liet meest licit en dus hot water het meest afzakt, en op do grenzen van laag veen.
Do moeste moerasvenen hebben, zoo niet opzettelijk voor beteren afvoer van het water gezorgd wordt, mot betrekking tot het omringende water eene zeer lage ligging en zijn alleen tot hooi- of weiland geschikt. Even als vole lage venen, staan zij 's winters, vooral aan do oevers dor kleine rivieren, onder water. Langs de Mussol-A in do provincie Groningen, worden ze (knie- of lichtbruine gronden of ook wol oer-, roodolm of roodc darrj-gronden genoemd en bevatten ze volgens Geertsema voel ijzerdeelen. In Friesland worden ze klijnlanden geheeton l).
Yelo moerasvonen zijn behalve met Sokgras of driekantsoorten, bij eenc lagere ligging, waardoor zij bijna het geheelo jaar door onder water staan, en meer kleüioudonden ondergrond, met riet bezet.
In don noord- en noordoostelijken hoek van den Hugowaard on liet Berkmeer in Noord-Holland wordt die rietgroei aanmerkelijk bevorderd en beter riet verkregen door hot lage land mot een dijkje on cone ringsloot te omgeven. Door een' duiker laat men hot water in hot rietveld uit de ringsloot loopen, zoodat do grond 1—11/2 decimeter bedekt wordt. Dit geschiedt gewoonlijk van 1 Mei tot het laatst van September of in 't begin van October van tijd tot tijd. Dan heeft hot riet zijno gewone lengte verkregen on moet het water afgetapt worden, om het riet blank te houden. Het snijden van 't riet heeft in den winter plaats. Mot tnsschenpoozen van eenige jaren, wordt do bovenste veenlaag afgestoken, gedroogd en zoo mogelijk tot brandstof gebezigd. De wortelstokken van hot riet loopen daardoor lictor uit, en de rietgroei wordt dus aanmerkelijk bevorderd.
Tot do moerasvenen dienon ook gebracht te worden de venen, welke in de valleien der duinen, do duinpannen, gevormd worden. Door den gebrek-Idgen afvoer van 't water wordt dit in die laagten opgehoopt; er ontwikkelt zich hier een welige plantengroei, dio in den vochtigen bodem tot de veen-vorming aanleiding geeft.
Op eene dergelijke wijze is 011 wordt or moerasveen gevormd in do vlakten op do diluviale gronden. Ofschoon soms aanmerkelijk boven de oppervlakte der zee verheven, kan bij gebrek aan een' goeden waterafvoer, het regenwater, dat er zich in verzamelt, of het beekwater, dat nu en dan die vlakten overstroomt, niet wegvloeien. Eensdeels wordt hier slib, dat het beekwater aanvoert, afgezet, en eono eigenlijke beekbozinking (waarover later) gevormd, anderdeels ontstaat er in den vochtigen bodem moerasveen. Deze vlakke gronden zijn bekend onder den naam van broeken.
cc. Darg.
Onder dary of derrie verstaan wij hier de veenlaag, die onder de kleigronden langs de Noordzeekusten van af Sleeswijk tot en met België en onder do klei aan de oevers der rivieren bedolven ligt. Op eene soortgelijke wijze
1) C. Geertsema, Ueschrijviny van den Landbouw in do districten Oldainbt, Westerivolde en Fivelingo, bl/. 00, en Ujdrayen lot de Geneeskundige plautsbeschrj-ving, lldo stuk, Friesland, blz. 20.
13
ontstaan als de lage of moerasvenen, zonden we darg ook kunnen noemen; niet klei overdekt moeras- of laagveen.
Darg vindt men dus vooreerst onder de kleigronden in hot noorden dor provinciën Groningen en Friesland, langs den Bollard en do quot;Wadden, onder dergelijke gronden aan de oevers der Zuiderzee, van do Lemmer tot voorhij Elburg, onder de kleigronden van Holland en Zeeland on aan de oevers der rivieren. Ook het veen onder de duinen zou men darg kunnen noemen.
Do diepte, waarop hij onder de kleilaag ligt, is zoor verschillend on ten deele afhankelijk van de hoogte van den overdekkenden grond boven do oppervlakte dor zee. In het zoogenaamde Lageland van do provincie Groningen, in de omstreken van het Damsterdiep, en in do Medelanden, ligt zij minder diep dan op het zoogenaamde Hoogoland, hot noordelijk en noordoostelijk deel der provincie.
Niet overal wordt onder de kloi darg aangetroffen. Op sommige plaatsen is hot ook niets anders dan de oude bouwlaag, die met planten begroeid en niet veel plantenwortels vermengd, dooi- klei of zand overdekt werd. Die plantondeelen worden, met klei vermengd, nu in don ondergrond als darg teruggevonden. Daar de plantengroei toon tor tijd echter meer aan zich zeiven was overgelaten en er vele plassen waren, waarin riet en andere planten welig groeiden en na het afsterven in veen veianderden, of met andere woorden de veenvorming meer algemeen was, volgt daaruit van zelve, dat op vele plaatsen darg moet worden aangetroffen. De dikte van do darglaag is alzoo zeer verschillend en wisselt van één en meer meters af tot één of moor docinietcrs. Do planten of plantendeelen, die bij de overdekking met slib nog niet of niet geheel in veen veranderd waren, hebben die verandering ónder de sliblaag ondergaan. Haar vorm is iu don darg daardoor veel beter bewaard gebleven dan in ander veen.
Behalve in de nabijheid van het diluvium, waar do veenlaag, die darg genoemd wordt, op zandgrond rust, treft men meestal kloi onder darg aan. Dikwijls wisselen eenige klei- of darglagen ook met elkander af.
Onder de nieuwere kleilagen, b.v. die der nieuwere Dollard- en quot;Wadpolders en aan do oevers van den l.Isel, vindt men den darg, waar hij voorkomt, niet altijd onmiddellijk ouder de klei, maar onder hot zeezand. Ook op de quot;Wadden is onder het zeezand dikwijls darg aangetroffen 1). Hetzelfde is in Zeeland opgemerkt, waar evenmin onder de nieuwere klei-bezinkingen onmiddellijk veen wordt aangetroffen -).
Ofschoon de darg slechts als ondergrond voorkomt en alleen daar, waar veen- en kleigronden allengs in elkander overgaan of mot elkander afwisselen, gelijk b.v. in hot Lageland ten zuiden van 't Damsterdiep, in de prov. Groningen, een deel van den bouwgrond uitmaakt, oefent hij vele nialen op dezen laatsten toch een' belangrijken invloed nit. Terwijl de darglagen aan
') Dr. R. Westerhoff en I)i. G. Acker Stratingh, Natuurlijke Historie der yrov. Groningen, bi. 100.
-) Bijdragen lol de Geneeskundige plaalshescht ijuing, quot;Ie stuk, Zeeland, bl. 42. — Zie ook Dr. F. Seelhelm, Grondboringen in Zeeland, ül 14. Verh. K. A. v. W. XIXde deel.
14
den eencii kant — daar zij hot water goed doorlaten — aan den bouwgrond eene droge ligging geven, geven zij aan den anderen kant, evenals zij zelve veelal hoogst onvruchtbaar zijn, aanleiding tot hot ontstaan van zoogenaamd zure, onvruchtbare kleilagen in den ondergrond. Soms zijn deze darglagen sterk ineengeperst en laten dan hel water moeilijk door l).
Tijdens hare overdekking met zeeklei, door het zee- of brakwater gedurig overstroomd, of Ion deelo misschien in dergelijk water ontstaan 1), bevatten zo dikwijls nog vele zoutdeelen, en is het water, dat langs darglagen in putten of slooton zich verzamelt, veelal brak, stinkend en bruin gekleurd. In Zeeland werd door verbranding van den darg uit de asch vroeger zelfs keukenzout gewonnen.
Evenals in do hoogc venen worden in do lage venen in 't algemeen dikwijls boomstammen (kienhout) gevonden, dio er op wijzen, dat sommige met bosschen begroeid zijn geweest. Daarmede in overeenstemming zijn de overblijfselen van dieren vooral van herten, dio men dikwijls in laagveen of darg vindt.
Niet alleen do voenstof der hooge venen, gelijk vermeld is, maar ook die van lage venen wordt dikwijls met klei, zand en niest vermengd, om er een' vruchtbaren bouwgrond van te maken.
Oin niet van den algemeen bekenden turfmolm te spreken, vermelden we, dat deze vermenging mot vtolm, gelijk do voenstof in Holland genoemd wordt, zeer gebruikelijk is bij do warmoezeniers en bloemkweekers. Zeer gezocht daarvoor is de zoogenaamde meermolm, die aan de kanten der meren aanspoelt.
Het licht, bruingekleurd veen acht men daartoe van minder qualiteit dan het donker gekleurde, dat, zooals men 't noemt, meer moerig is.
B. Zeobezin kingen.
Tot de zeebezinkingen behooren de klei- en zavelgronden in de noordelijke provinciën en aan de kusten der Zuiderzee, de meeste klei- en zavelgronden in Holland, Zeeland en noordwestelijk Noord-Brabant, benevens de gronden van den bodem onzer zeeboezems, zeegaten en stranden.
Ofschoon de bestanddeelen geheel of grootendeels door de rivieren aangevoerd zijn, noemt men deze gronden zeebezinkingen, omdat zij, blijkens de daarin voorkomende schelpen en andere overblijfselen van zeedieren, uit zoutwater zijn bezonken. Zij zijn daardoor te onderscheiden van dergelijke gronden direct uit het rivier- of zoetwater bezonken, waarin schelpen, van zoetwater-weekdieren afkomstig, voorkomen en die meer binnenlands gevonden worden. Daar, waar deze rivieren zich in zee storten of vroeger gestort hebben, of beter (want tijdens den vloed stroomt het zeewater de rivieren op) daar, waar hot zeewater in de rivieren langzamerhand in zoet
) Dr. F. Seellieim, Sur les tourbiêres d'eau saumdtre, Arch. Neerl. des sciences nat. 1878.
water overgaat of overgegaan is, gaat ook langzamerhand de zeebezinking in eeno rivierbe/.inking over.
Men onderscheidt de zeebezinkingen verder in oudere en nieuwere. Hot tijdstip, waarop men hier te lande begonnen is dijken langs de rivieren en zeekusten aan te leggen, is oen keerpunt geweest in do geschiedenis der vorming van den bodem van ons land. Toon liet rivier- en zeewater nog niet door dijken bedwongen was, had hot toegang tot plaatsen en was er gelegenheid tot vorming van gronden in streken, die nu ver van de zee of eeno rivier verwijderd liggen. Bovendien had hot afzetten van klei, met meer of minder zand vermengd, onder andere omstandigheden plaats, dan waaronder zich dergelijke grónden nog tegenwoordig vormen of na hot opwerpen dor dijken gevormd zijn. De gronden nu, vóór het aanwezig zijn van dijken in ons land, uit het zeewater bezonken, neemt men oudere, die, welke na dien tijd daaruit bezonken zijn en wier vorming tegenwoordig nog plaats vindt, nieuwere zeebezinkingen.
Het tijdstip, waarop men begonnen is dijken aan te leggen is niet met zekerheid bekend en de grens van de oudere en nieuwere bezinkingon niet altijd met juistheid aan to geven. In de provinciën Friesland en Groningen vormt do rij terpen en wierden, welke men aldaar vindt of vroeger vond, — want vele zijn afgegraven, — wellicht die grens. Want deze vormden vóór hot aanwezig zijn der dijken de vluchtheuvels, waarop onze voorouders bij iiooge vloeden veilig waren l). In de provinciën Zuid- en Noord-Holland rekent men den bodem der meer binnenlands gelegen polders, de Purmor, de Zij po, de Haarlemmermeer, Zuidpias enz. tot de oudore zeebezinkingen. In 't algemeen mag men ook de gronden, welke onder darg of veen voorkomen', in zooverre die niet tot het diluvium behooren, daartoe rekenen.
Evenals de alluviale gronden de diluviale bedekken, — indien deze laatste niet aan do oppervlakte voorkomen, — zoo vindt men de nieuwere dikwijls over de oudere zeebezinkingen liggen. Zoo ligt de oude wadbodem met zijne zand- en schelpbanken onder de nieuwere zavelgronden der wadpolders in Groningen en Friesland bedolven, ja is het niet onwaarschijnlijk, dat onder den tegenwoordigen wadbodem, even als er hier en daar darg voorkomt, ook oude zeeklei gevonden wordt. Naar alle waarschijnlijkheid toch strekte de tegenwoordige kust van Groningen en Friesland zich voormaals verder uit dan tegenwoordig. De eilandenrij moet vroeger, ten deele althans, met het vastland verbonden zijn geweest, maar door geweldige watervloeden daarvan zijn afgescheiden, de daartusschen liggende grond alzoo zijn weggespoeld. Die grond bestond weliswaar voor een groot gedeelte uit veen, maar daaronder, daartusschen en daarboven lag klei, evenals we dit in hot Lageland der prov. Groningen, dat tot do oudere zeebezinkingen behoort, waarnemen.
') Bij het trekken van die grens naar tie terpen dient men echter in aanmerking te nemen, dat men in het algemeen zal begonnen zijn de hoogere gedeelten door dijken te beschermen. Door de lagere gedeelten stroomde van nature het water naaide zee of omgekeerd bij hooge vloeden van de zee naar het land. De hoogere gedeelten overstroomden bij gematigde vloeden niet en deze zullen het eerst bewoond, bebouwd en langs de lagere gedeelten door dijken omringd zijn geworden.
16
Wij moeten ons dus niet voorstellen, dat, ofschoon de terpen en wierden in het noorden van Friesland en Groningen wellicht de grens vormen van de bovenliggende oudere en nieuwere bezinkingen, er ten tijde dat die hoogten door onze voorouders worden opgeworpen, ton noorden daarvan geen land gevonden werd; integendeel onze voorstelling zal juister zijn, wanneer we ons de toenmalige kust der eilanden, en ook die van het vastland, op sommige plaatsen althans, meer noordelijk denken dan zij tegenwoordig is.
Immers, ton tijde dat do Romeinen deze streken bezochten, bestonden wel reeds de quot;Wadden, maar zij hadden niet die uitgestrektheid on die gedaante welke zij tegenwoordig bezitten. De eilanden besloegen oene grootcre oppervlakte ; zij vormden met hot eigenlijk vastland meer eeu geheel dan tegenwoordig het geval is. Het noordwestelijk gedeelte van Groningen b.v. moet zich eens verder noordwaarts hebben uitgestrekt on met het nog in den historischen tijd als eiland bestaan hebbende Korenzand (nu eono zandplaat) min of meer hebben samengehangen.
Ofschoon wij liet vastland, do Wadden en de eilanden nog als eon geheel kunnen beschouwen, als land, dat alleen bij hoogwater onder loopt, omdat hot niet zooals het andere ingepolderde land door dijken beschermd wordt, waar de riviermonden met verschillende takken tusschendoor loopon en dat door duinen op eene natuurlijke wijze tegen het zeewater beschermd wordt, zal dit in vroegeren tijd op meer zichtbare wijze het geval geweest zijn.
Van die oude eilanden en van dat oude vastland komen nu nog brokken darg met boomstammen (kienhout) en wellicht ook oude zeeklei, meestal onder zeezand bedolven, op do Wadden en zelfs buiten do eilanden voor l).
Tot do zoebezinkingen behooren dus:
a. clc ingedijkte zeeklei- en zavelgronden.
Hot onderscheid tusschen beide berust op hot verschil in klei- cn zand-gohalte. Do zavelgronden noemt men ook lichte klei-, do andere zware kleigronden. Wij komen op dit verschil later terug, en vermelden nu alleen, dat — de IJpolders, do bezinkingen aan den Dollard on enkele aan 't Reitdiep in de prov. Groningen en in Zeeland misschien uitgezonderd, — de nieuwere zoebezinkingen tot de zavel-, de oudere tot de kleigronden dienen gebracht te worden. Gemakshalve noemt men ze samen zeeklei-bezinkimjen.
Onder de zeeklei vindt men dus, gelijk reeds meermalen is opgemerkt, wanneer die tot de oudere behoort, meestal darg; zoo zij tot de nieuwere behoort, meestal eerst zeezand. Onder den darg wordt op vele plaatsen weer klei gevonden, dan nog wel eens darg en klei en zand en eindelijk hot diluviale zand.
De oppervlakte der zeeklei is over 't geheel vlak. Behalve nog eenige van de reeds vermelde terpen en wierden, door de voormalige bewoners in Groningen en Friesland opgeworpen op de grens van de oudere en nieuwere bezinkingen, en enkele andere opgeworpen hoogten, maken eenige overblijfselen van dijken of door de natuur gevormde ruggen. misschien de overblijfselen
1) Dr. R. Westcrlioff, De Kwehlcrktveslie, nader loayelichl.
17
van voormalige stranden of schoorwallen, bijna de oenige hoogten in die provinciën uit.
In de provincie Zeeland treft men eveneens dergelijke opgeworpen hoogten aan, ofschoon meerendeels kleiner dan de evengenoemde terpen en wierden. Door het groot aantal nog bestaande of tot wegen aangelegde dijken is het terrein hier meer ongelijk dan in Groningen en Friesland.
Ofschoon over 't geheel vlak is er toch met betrekking tot de gemiddelde oppervlakte der zee of het Amsterdamsche peil nog al veel verschil in de hoogie der zeeklei-landen. Daar de rijzing of daling echter niet plotseling is, valt zij niet dadelijk in 't oog. Hunne ligging is echter meestal hellend.
Over 't geheel zijn de oudere gronden lager gelegen dan de nieuwere, zoodat de grond rijst, naarmate men de kust nadert. Zoowel in Groningen als in Friesland, Zeeland en elders kan dit opgemerkt worden. De oudste Dollardpolder, die van de Meedcn, ligt bijna 2 meter lager dan de Finster-wolder, de Noordpolder bij don zeedijk 0.3 a 0.6 meter hooger dan hot Uiterdijksland en dit 1 a 2 meter hooger dan het lage land ten zuiden van AVarfum. De Bildtpollen, liet noordelijk aangeslijkto land in Friesland, liggen hooger dan het Nieuw-Bildt, in 1600 ingedijkt, en dit wederom hooger dan het Oud-Bildt, in 1508 door dijken omringd. Hetzelfde is het geval met vele polders in Zeeland, b.v. op Schouwen en Zuid-Beveland en in Noord-Holland 1). Van eiken polder helt de grond van den eenen dijk tot den anderen. In dit laatste opzicht is er echter een aanmerkelijk verschil, naarmate de zeebe-zinking meer uit klei dan wel meer uit zand bestaat. Zoo hellen de veel klei bevattende Dollard-polders van den ouderen naar den nieuweren dijk af, de Wad-polders, die meer uit zavelgrond bestaan, hebben eene tegenovergestelde helling. Hetzelfde verschil wordt met de kwelders, dat zijn de buitendijksche gronden, die nog niet ingedijkt zijn, opgemerkt.
Terwijl de Dollardkwelder van den dijk af langzamerhand daalt, wordt een kwelder aan de Wadden van den dijk af langzamerhand hooger tot aan den zoogenaamden schoorwal, daalt dan plotseling en gaat nu in het vlakke zeezand over of verheft zich nogmaals, totdat op eenigen afstand een tweede schoorwal gevormd wordt.
De dikte der zeeklei-laag is zeer verschillend en wisselt af van 0.5 meter of nog minder tot soms verscheidene meters. Yan de Dollardpolders heeft de bovenste kleilaag eene dikte van 1—4 meter, die der polders aan de Wadden en aan de Zuiderzee gelegen, is 1 a 2 meters dik. Daar echter, waar vroeger geulen geweest of ter bekoming van grond voor het opwerpen van dijken gaten gegraven zijn, heeft de kleilaag eene grootere dikte. Een ruim veld van onderzoek aangaande de dikte dezer zeebezinkingen, blijft echter nog over. Op vele plaatsen toch is de dikte der kleilaag wel bepaald tot aan den darg of hot zeezand, maar slechts op enkele plaatsen tot aan den diluvialen zandgrond.
Te Gorinchem werd op 121 meter, te Vlissingen op 20 meter, bij Veere op 15 en te Goes op 8 meter het zanddiluvium aangetroffen. In Friesland heeft de zeebezinking, volgens Bminsma, van de oppervlakte tot het diluvium eene dikte van 6—8 meter. In de provincie Groningen is weinig
O Zie Waterstaatskaart. ui: in de us, i. Vierde druk.
2
1.8
omtrent do dikte der oude zeeklei-lagen bekend. Naar het schijnt, loopt de Hondsrug (diluvium), dio even ton noorden van de stad Groningen onder de zeebozinldng wegschiet, tot aan Win sum door on in de richting van dit dorp naar de stad eu bij dit dorp hooft men meermalen bij gravingen den diinvialen zandbodem aangetroffen. De kleilaag schijnt liier dus minder dik te zijn dan op andere plaatsen in het noorden dier provincie. Bij eene putboring te Warfiun werd op eene diepte van 25 meter het zanddilnvium gevonden.
Deze cijfers geven echter een zeer onvoldoend beeld van de dikte der zee-bezinking, daar zij niet mt eene enkele laag, maar dikwijls uit verscheidene bestaat, in vele gevallen, gelijk reeds opgemerkt is, afgewisseld door darg-lagen. Zoo onderscheidt de hoogleeraar Harting in den bodem onder Amsterdam 9 verschillende lagen. De heer P. J. Xeyt vond in den bodem van Noord-Beveland (Zeeland) l) hot volgende: „Op 3.90 meter beneden het maaiveld of op 1.10 tot 1.20 meter beneden hot gewoon laagwaterpeil ligt eene vaste blauw gekleurde zandlaag, waarop eene 40 tot 50 centimetor dikke laag lichtgrijs gekleurde vette klei rust. Op deze kleilaag bevindt zich eene laag veen, dik 60 tot 70 centimeter, kennelijk het overblijfsel van riet en andere planten. De veenlaag draagt eene 2 meter dikke laag zand, vermengd met zeeschelpen. Het zand wordt in hot bovenste gedeelte der laag roodachtig bruin en gaat over in eene laag bouwklei, waarvan liet bovenvlak omstreeks 50 centimeter beneden liet gewoon hoogwaterpeil ligt:.quot;
Eene dergelijke afwisseling van kloi, zand cn darglagen vindt men ook elders. Eon algemeen overzicht kan daarvan, ook omdat er tusschen deze klei- en zandlagen nog voel verschil bestaat, niet gegeven worden.
Onder de oudere kleigronden komen er echter, deels aan de oppervlakte als bouwgrond, deels in de diepte, grondsoorten voor, waarbij hier een oogenblik dient stil gestaan te worden.
Vele dezer gronden hadden, nadat zij waren gevormd, met betrekking tot het omringende water, eene zeer lage ligging, zoodat zij zelfs gedurende een groot gedeelte van 't jaar onder water stonden. Daardoor werden zij niet zelden mot eene laag veen bedekt, dat echter ten gevolge van hevige watervloeden op sommige plaatsen, b.v. aan don Dollard, de Zuiderzee, het voormalige IJ enz. weder ten deele werd weggeslagen en daarna ten gevolge van herhaalde aanslibbing met nieuwe zeeklei werd bedekt. Elders waren deze laag gelegene kleigronden met weinig voedzaam gras, Russchen en Carex-soorten bedekt, waarvan in den regel 's zomers alleen hooi kon gewonnen worden. Vandaar de naam van meedelanden (maai- of hooilanden), aan deze gronden in de provincie Groningen gegeven (Winsummer-, Tinallinger-, Adorper-, Saaxummer-, Lopporsummer-meedon enz.).
Ofschoon plaatselijk dikwijls nog onderling verschillende, kunnen in deze laag liggende streken, behalve gewone kleigrond, vooreerst twee grondsoorten worden onderscheiden, bekend onder den naam van roodoorn en knik. Komen beide soorten samen voor, dan vormt do eerste meestal den bovengrond van
') Zie hieromtrent Geneeskundige plaatsbeschrijving, Ie en 2e stuk, Dr. Lorié, Contributions d la Geologie des Pajs-Bas en Dr. F. Seelheim, De grondboringen in Zeeland.
19
de laatste. Prof. Yan Bemmelen, die deze grondsoorten scheikundig onderzocht heeft, zegt van de eerste l): „In hot algemeen kunnen wij de bovengronden van de oude kleilanden, die eene bruine of roodachtige kleur bezitten, die rijk zijn aan hmnusdeelen (overblijfselen van planten) en aan fijn verdeeld ijzeroxyde, die gemiddeld 0.2 pet. kalk bevatten en met water aangemengd, eene grauwroode brij geven, onder den naam van roodoorn samenvatten.quot;
Knik wordt door Van Bemmelen beschreven als eene zeer taaie, vaste klei, waardoor de wortels der planten moeilijk heendringen en waarvan het water moeilijk afloopt. Zij heeft niet eene gelijkmatig roode kleur, maar roódo aderen en plekken in menigte. Overblijfselen van planten komen er weinig of niet in voor.
Ofschoon in de provincie Groningen hoofdzakelijk onderzocht, worden ongetwijfeld dergelijke gronden ook in andere provinciën aangetroffen. Zoo komt onder de oude kleigronden in Friesland, buiten dc voormalige Middelzee, knip-of knikklei voor, die Bminsma beschrijft als eene grondsoort, „die hard en wreed is en veel ijzer bevatquot; en dus mot de gelijknamige grondsoort in Groningen tamelijk wel overeenkomt. Onder de aangrenzende nieuwe klei van de voormalige Middelzee vindt men deze knip niet.
Onder hot veen (darg) komt vrij algemeen eene kleisoort voor, die blauw van kleur is en daarom blauwe klei geheeten wordt, zoowel in Groningen, Friesland als in Holland, op eene diepte van 4—5 meter — A. P., soms nog dieper; zij bezit veelal eene dikte van 1—3 meter en gaat geleidelijk over in zandmergel. In Groningen is deze klei door de landbouwers zeer gezocht als verbeteringsmiddel van don bovengrond (woelklei), terwijl zij een groot deel vormt van den tegenwoordigen bodem des Haarlemmermeerpolders on in het algemeen van do Noord- en Zuidhollandsche droogmakerijen. Tusschen beide vindt men ook meer zandige klei, die soms het karakter van leem heeft, waarover later zal gehandeld worden.
In de nabijheid der darglagen wordt voorts niet zelden klei aangetroffen, die als woelklei geheel ongeschikt is en bekend staat onder den naam van %ure of spjer-klei (Duitsch Maiholt of Pulvererde). Zoowel in de provincie Groningen als in den Haarlemmermeerpolder, de Upolders en in den bodem van andere drooggemaakte meren, plassen en zeeboezems, is die door Prof. Van Bemmelen 2) gevonden.
De opvolging der grondsoorten is dan in den regel als volgt:
Oudere gronden.
I. In de lage venen b.v. de oudste toestand van hot IJ en onder Amsterdam.
Op 1—3 meter — A. P. Veen.
)gt; 4—4.5 „ „ Spierklei.
)gt; 5 „ „ Blauwe klei, overgaande in
6—7 „ „ Zeezand.
') Bouwstoffen tot de kennis van de kleigronden der prov. Groningen, bl. 123. 2) De Samenstelling en Vorming van zure gronden in het Nederlandsch alluvium, K. A. v. W.
2*
20
II. Laagliggende kleigronden, b.v. het lage land der prov. Groningen.
Op 1—3 meter — A. P. Kleilaag van 1—4 meter. Daaronder of daartus-
sclion dikwijls eene dunnere of dikkere veen- of darglaag.
n 4 „ „ Spierklei, daarna blauwe klei, overgaande in
„ 6 „ „ Zeezand.
Nieuwere gronden, ontdaan waar vroeger door afslag gronden verdwenen zijn en later uit brak water nieuwe klei bezonken is.
III. Aan eene kust, b.v. aan den Dollard:
Op 1—3 meter — A. P. 1—3 meter nieuw bezonken zeeklei.
„ 4 „ „ Overblijfsel der oude veenlaag.
„ 5 „ „ Spierklei.
„ G „ „ Blauwe klei, overgaande in
„ 7 „ „ Zeezand.
IV. In een zeeboezem, zooals liet IJ:
Op 1—1.5 meter — A. P. Nieuw bezonken zeeklei van 1—3 meter dikte,
begrensd door liooger liggend veen.
5) 4 „ „ Spierklei, daarna blauwe klei, overgaande in
„ 7 „ „ Zeezand.
Een duidelijk bewijs, dat deze grondsoorten uit zee- of brak water bezonken zijn, vindt men niet alleen in de zeeschelpen, die vooral in de meer zandige lagen gevonden worden, maar ook in het brakke water, dat do putten zeer algemeen opleveren. De grond schijnt in de diepte nog geheel met de zouten van 't zeewater doortrokken te zijn, zoodat zelfs slooten, geheel van liet buitenwater afgeschut, eenigen tijd, nadat ze gegraven zijn, soms brak water bevatten.
Behalve schelpen van weekdieren vindt men in de zeeklei soms eene groote hoeveelheid overblijfselen (pantsers of schalen) van kleine levende wezens, vooral van planten (diatomeën). Bij de putboiingen te Amsterdam is op 40 meter diepte eene laag gevonden, die in 1 kilogr. 613.000.000 diatomeën bevatte en daarom met den naam van diatomeënklei bestempeld wordt 1).
De zeeklei-gronden behooren tot de van nature meest vruchtbare in ons land en kunnen — vooral de zwaardere — na hunne vorming en indijking (polders) verscheidene jaren bebouwd worden, zonder eenige bemesting. Wanneer Gilmbel 1) van liet Löss of de diluviale klei in Beieren zegt: „De korenschuren van Beieren zijn slechts aan het Löss haar onuitputtelijken rijkdom verschuldigd; deze aardlaag brengt in 't algemeen meer rijkdom voort dan dikke ertsgangen en rijke koolbeddingen kunnen gevenquot;, dan kan hetzelfde van vele Nederland,sclie bouwgronden en in 't bijzonder van de zeeklei-bezinkingen gezegd worden, die bij eene goede behandeling een groot rijkdom-voortbrengend vermogen bezitten.
In Holland worden de meeste zee-kleigronden tot weiland gebruikt, vooral
) Fallou, Grund und Boden des Kümgreichs Sachsen, S. 140.
21
de oudere of de binnenpolders; alleen de nieuwere (Anna-Panlowna-polder, de Waard- en Groetpolder enz.), die aan zee gelegen en meer zavelig of zandig zijn, worden meer algemeen tot akkerbouw aangewend, evenals die in Groningen, Zeeland, Noord-Brabant en Friesland. In de laatste provincie zijn zij in de gemeenten Wonseradeel, Barradeel en Wijmbritseracleel en in enkele stroken van Groningen (aan 't Reitdiep en in de omstreken der stad) meer algemeen tot blijvende graslanden aangelegd.
b. De zandbanken en andere gronden, die hij hoog water (de vloed) meestal overstroomd worden of steeds onder het xceivater bedolven zijn.
De Noordzee, die met hare inhammen: de Dollard, Lauwerzee, Zuiderzee enz. de kusten van ons land bespoolt, heeft eenen bodem, die voor het grootste gedeelte uit grof zand bestaat, dat algemeen met den naam van zeezand wordt bestempeld.
Buiten de eilandenrij in het noorden en de duinenketen in het westen, is, behoudens enkele zandbanken, do diepte der zee weldra aanmerkelijk.
Wij laten den bodem aldaar, als voor den landbouwer van geen belang, onvermeld. Binnen de eilandenrij of langs de uitmondingen der rivieren is de bodem zeer oneffen. Aan de kusten van Groningen en Friesland en aan de oevers der Zuiderzee ziet men bij ebbe (laag water) eene onafzienbare vlakte, waar weinig of geen water staat. Vandaar de naam van Wadden (waadbare plaatsen), aan de streken tusschen de eilanden en 't vaste land gegeven. Hier bevinden zich namelijk eene menigte zandbanken of platen, die bij ebbe droog loopen en alleen, wanneer 't vloed (hoog water) is, overstroomd zijn. Tusschen die platen loopen minder of meer diepe geulen, zeegaten of riviermonden, waarlangs do schippers zeilen, die het Wad bevaren of oversteken om zee te kiezen. Door tonnen of bakens, op de kanten dier zandbanken geplaatst, wordt hun de weg, wanneer die bij hoog water — en alleen dan is hot Wad moer algemeen bevaarbaar — anders niet meer te zien is, aangewezen. In. een etmaal tweemaal door 't zeewater overstroomd, is hier geen plantengroei van eenig belang mogelijk. Slechts op enkele platen en stranden vindt men zeegras, zeewier en enkele andere planten en onmiddellijk aan de dijken, die het zeewater beletten de ingedijkte landen (polders) te overstroomen, wordt vooral aan den Dollard, de Wadden, den noordoosthoek van Noord-Holland, het eiland Wieringen en bij do Zeeuwsche en Zuidhol-landsche stroomen eene strook aangetroffen, die alleen bij hooge vloeden overstroomd wordt, in Groningen onder den naam van kwelders, elders onder dien van pollen, leeegen en schorren bekend, welke met planten begroeid is.
Niet alleen om die reeds met planten begroeide strook, welke reeds aan don landbouw wordt dienstbaar gemaakt, meenen wij van die buitendijksche gronden melding te moeten maken, maar ook omdat do Nederlander daarop steeds het oog gevestigd houdt. Daar die strook eenmaal een deel van het vasteland uitgemaakt heeft, zal de monsch, na reeds zooveel op de zee veroverd te hebben, niet rusten, voor zij tot hare natuurlijke grenzen, de duinen is teruggedrongen. Van tijd tot tijd wordt dan ook oen gedeelte ingedijkt, en meermalen zijn of worden plannen beraamd om de Zuiderzee en
22
de Wadden van de Noordzee af te sluiten of bij gedeelten droog tc maken. Het is dus niet onbelangrijk te weten, waaruit de bodem aldaar bestaat.
Op do Wadden, in hot noordelijk deel der Zuiderzee, in 't algemeen daar, waar liet water door vloed en eb, door stroom of door den wind in voortdurend lievige beweging wordt gebracht, bestaat de hoofdmassa uit zeezand overeenkomende met het duinzand en hot hierboven genoemde zand onder de zeeklei, en voorts gekenmerkt door eene menigte heele zeeschelpen. Op sommige plaatsen zijn deze scholpon zelfs tot banken, schelp- of scMbanken opgehoogd; ze worden van hier door de schelpvisschers (schillerlui) weggehaald en binnenslands gebracht, om in de kalkovens tot kalk gebrand te worden (schelpkalk).
Daar echter, waar het water meer tot stilstand komt, gelijk vooral in do bochten en inhammen, maar ook op andere plaatsen, aan de zoomen van enkele gaten en balgen, 't geval is, zet zich klei af. Zoo bestaat hot gedeelte van den bodem der Zuiderzee, bezuiden de lijn, getrokken van den mond des IJsels tot Urk on van daar tot Enkhuizen, voor nagenoeg liet 4/3 gedeelte uit eene kleilaag, die meer dan één meter dikte heeft l).
Elders, in het bed van de Eems, op sommige plaatsen in de Zuiderzee, bij Urk en onmiddellijk aan de Geldersche kust en in de Meep, eene geul ten zuiden van Terschelling, wordt grof zand met vuursteenen en keien gevonden, die, zooals we hierna zullen zien, vooral het diluvium of den bodem eener rivier kenmerken.
Tusschen do kleigronden der kwelders bestaat, gelijk reeds opgemerkt is, (zie bl. 17) mede groot verschil; die aan den Dollard en bij de Overijselscho kust zijn in het algemeen zwaarder dan die aan de noordoostzijde dor Noortl-hollandsche kust en aan de kusten van Groningen en Friesland.
Dat onder het zeezand of de bezonken klei liier en daar de oude darg- of veengrond en oude zeeklei gevonden is en misschien meer algemeen voorkomt, is bij het behandelen der zeeklei reeds opgemerkt. Wij vestigen daarop nogmaals de aandacht, want eene nauwkeurige kennis niet alleen van don boven-, maar ook van den ondergrond is, met het oog op mogelijke inpolderingen, van het uiterste gewicht. Met alleen van den eersten, maar ook van den laatsten hangt toch de waarde van een stuk land af. Het kleidelven in de provincie Groningen heeft genoegzaam bewezen, welk nuttig gebruik er van deze ondergronden gemaakt kan worden. Op dezelfde wijze kan ook de ondergrond door vermenging met den wellicht slechten bovengrond van het ingedijkte land, dezen aanmerkelijk verbeteren en de kosten van indijking goed maken, vooral wanneer op niet te groote diepte klei onder zand of veen wordt gevonden.
Door indijking, drooglegging enz., worden deze gronden bij gedeelten allengs in bouwgrond veranderd. De kwelders of schorren, die reeds niet planten begroeid zijn, dienen meest tot weidelanden, slechts zelden wordt er hooi gewonnen. Aan de Zuiderzee, b.v. bij Kampen en het Zwolsche Diep in Overijsel en aan de kust van Gelderland, tracht men door het planten van
•) Verslag der Staatscommissie tol het instellen van een onderzoek omtrent eene afsluiting en eene droogmaking van de Zuiderzee.
23
biezen eenig voordeel van den nog niet begroeiden, buitendijksclien grond te trekken en tevens daardoor de aanslibbing te bevorderen.
Elders wordt er nog een ander gebruik van gemaakt. Aan den Dollard namelijk en op enkele plaatsen ook aan de Wadden, voert men den aange-slibden kleigrond met schepen of wagens binnenslands, om daarmede vooral de zand- en veengronden te verbeteren.
C. Duinen.
Duinen treft men aan op de westkust van Zuid- en Noord-Holland, dor Zuidhollandsche en Zeeuwsclie eilanden en op de kusten (vooral de noordelijke en Avcstelijke) der Wadden-eilanden. Slechts op enkele plaatsen in ISToord-Holland, van Petten tot Kamp en van het Nieuwe Diep tot Huisduinen, heeft men steenstortingen, in Zeeland, bij West-Kappel, dijken moeten aanleggen; overal elders vormen de duinen aan die kusten do natuurlijke zeewering.
Duinen zijn hoogten. Langs de zeekust vormen zij met elkander een geheel, een' stevigen dam, die hot zeewater belet binnen te dringen. Binnen die reeks, de zcelooper of sirandrcep, vindt men hier meer daar minder, nu eens op zich zelf staande, dan evenals de strandreeks daarmede innig en met elkander verbonden hoogten. Bij Vel zen on Overveen is die duinenreeks moor dan oen uur gaans, bij Calandsoog slechts weinige minuten brood. Zij bestaan uit hetzelfde zand, waaruit de zandbanken en over 't geheel de bodem dor Noordzee is gevormd. Oorspronkelijk zijn hot dan ook zandbanken geweest, dio droog goloopen zijn en waarvan hot zand tot hoogten is opgewaaid. Do scholpen echter, die in de zandbanken heel voorkomen, zijn hier tot gruis verbrijzeld en mot het zand vermengd. Echter vindt men dit scholpgruis niet overal en niet altijd in dezelfde hoeveelheid. Do witte kleur van hot zeezand is, lüor meer daar minder, door ijzerroest in eene bruine veranderd.
Aan de landzijde gaan de duinen algemeen in vlakke zandgronden, in Holland bekend onder den naam van geestgronden, over, die, ofschoon door bemesting en bebouwing in samenstelling gewijzigd, oorspronkelijk uit hetzelfde duinzand bestonden. Sommige geestgronden zijn ook door afzanding der duinen ontstaan. De laagten, do valleien tusschen do duinen, zijn bekend onder den naam van duinpannen.
Ofschoon de duinen zicli aanmerkelijk boven do nabijgelegen lage venen en kleigronden verheffen, is hare hoogte mot betrekking tot de gemiddelde oppervlakte der zoo toch minder, dan men op het eerste gezicht zou vermoeden, en zelden meer dan zestig meter. Ook de duinpannen en do geestgronden liggen boven do gemiddelde oppervlakte dor zee. Dosn iet-tegenstaande zijn vele duinpannen vochtig en geven daardoor gelegenheid tot hot vormen van moerasveen en hier en daar ook van zandoer. Uit andore heeft men echter het water weten af te leiden en er bouwgronden van gemaakt. Over 't geheel liggen de duinen en do duinpannon, — oenige tuinen bij buitenplaatsen of andere woningen, oenige velden voor aardappelen enz., oenig aangelegd bosch uitgezonderd — woest. Zij zijn wol ten deelo met planton begroeid, vooral do duinpannen, die planten geven wel aan do duinen oen zeer eigenaardig karakter en aan oenig vee wat voedsel, maar do landbouw
24
heeft overigens van dien grond of zijn' plantengroei rechtstreeks nog weinig gebruik weten te maken. Proeven om ze met boomgewas te beplanten schijnen ook vroeger wel gelukt te zijn, maar hadden tot nog toe weinig verder gevolg. Thans worden door de Heidemaatschappij in deze richting proeven genomen, die aanvankelijk een goed resultaat geven, en het is te hopen dat deze tot eene regelmatige beplanting met boomgewas zullen leiden. Tot nog toe is, om het verstuiven te voorkomen, eene kostbare helmbeplanting noodig.
Yeel schade veroorzaken hier als overal elders do wilde konijnen deels aan het jonge gewas, deels omdat het zand, juist bij de opening van de gangen dezer dieren, licht aan 't verstuiven komt.
In tegenstelling met de duinen en duinpannen worden de daarbij behoo-rende geestgronden algemeen bebouwd of met boomgewas beteeld. Behalve do teelt van aardappels en rogge is vooral die van bloembollen in de omstreken van Haarlem en die van artsenijgewassen bij Noord wijk merkwaardig, omdat er uit blijkt, welk gebruik er van het schrale duinzand gemaakt kan worden.
Nog op eene andere wijze wordt, gelijk wij reeds vroeger met een enkel woord vermeld hebben, het duinzand gebruikt. De ringdijken van den Haarlemmermeer-polder o.a. zijn grootendeels van duinzand opgeworpen, menig water in de nabijheid der duinen is daarmede gedempt. Op andere plaatsen, vooral in de nabijheid van Overveen, heeft men laagveen, bij Loosduinen en Monster kleigrond met duinzand vermengd en zoo een' uitmuntenden bouwgrond gevormd, waarop bij goede bemesting, hier vooral groenten, ginds bloembollen gekweekt worden, 't Gevolg van dat wegvoeren van zand, van die afzanderijen, is geweest, dat menige duin verdwenen en de onderliggende grond eveneens tot bouwgrond is gemaakt.
De ondergronden der duinen zijn laagveen, zeeklei of zeezand. Bij Overveen worden de duinen juist tot op dit zeezand, herkenbaar aan do ongebroken schelpen, die er in voorkomen, afgezand. Om het Katwijksche kanaal rust het duinzand op rivierklei.
D. Eivierbezinkingen.
Terwijl de zeebezinkingen in of onder zout- of brak water zijn gevormd, zijn de rivier- en de lüerna te behandelen beekbezinkingen in zoet water ontstaan, eerstgenoemde aan onze hoofdrivieren, don Rijn, de Maas en den IJsel en hunne takken, laatstgenoemde aan de oevers van kleinere rivieren en beken.
Evenals bij de zeebezinkingen is het opwerpen van dijken aan de oevers der rivieren een keerpunt geweest in het vormen dezer gronden. Want terwijl vóór dien tijd nieuwe lagen, soms op aanmerkelijken afstand van het stroombed der rivier werden afgezet, is en was die vorming sedert, binnen die dijken, tot de uiterwaarden, — dat zijn de strooken lands, tusschen de rivier bij normalen stand van 't water en de dijken, — bepaald.
De loop der rivieren wijst min of meer de streken aan, waar de gronden, tot deze vorming behoorende, gevonden worden; maar bovendien treft men ze aan op plaatsen, waar vroegere rivierarmen bestaan hebben — vele rivier-takken zijn thans gekanaliseerd of ook verloopen — of rivierwater bij hoogen waterstand heenstroomde, b.v. aan de Vecht in Utrecht en Noord-Holland en hier en daar in de Geldersche vallei.
Naar do monden der rivieren toe gaan zij allengs in laagveen en waar bij vloed zeewater in de rivieren stroomt, in zeeklei over. Zoo bestaan de gronden aan de oevers der Schelde, in ons land in de provinciën Zeeland en Noord-Brabant, niet uit rivier-, maar uit zeeklei, en zoo ook de gronden aan de Maas, in het westelijk deel van laatstgenoemde provincie en in Zuid-Holland.
Men vindt de rivierbezinkingen dus hoofdzakelijk in de provinciën Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Limburg en Utrecht in meerdere of mindere uitgestrektheid tusschen de diluviale zandgronden aan weerszijden van de rivieren.
Zij bestaan hoofdzakelijk uit klei, in eigenschappen veel met de gelijknamige zeebezinking overeenkomende en ter onderscheiding daarvan rivier klei geheeten. Hier en daar echter wisselen deze kleigronden af met zand- en zavelgronden.
Waar het diluvium met een steilen oever do rivierkleilanden begrenst, zooals langs de Maas bij Venloo en hooger op, aan den linker Eijnoever van Xanten tot Nijmegen, langs de Veluwe van Dieren tot Wageningen en van de Grebbe tot Driebergen, gaat de klei bijna onmiddellijk in zand over; maar daar, waar de hoogere diluviale gronden langzaam oprijzen, zooals tusschen Nijmegen en Grave en van Venloo tot 's-Hertogenbosch, vindt men tusschen het diluviale zand en de klei eene strook zavelgrond, waarschijnlijk door vermenging van hot zooevengenoemde diluviale zand en liet rivierslib (klei) ontslaan. Ook aan de beide IJseloevers, aan de landzijde (de binnenzijde) dei-dijken, van Zwolle tot den Eltenberg en van Hattem tot Velp worden dergelijke zavelgronden aangetroffen.
Terwijl de gronden, door de dijken van do uiterwaarden afgescheiden, thans niet meer of alleen bij overstroomingen ten gevolge van doorbraak dei-dijken met rivierslijk worden bedekt, is dit met de uiterwaarden nog bijna jaarlijks eene of meermalen het geval. Het laagje slib, dat er bij elke over-strooming over heengelegd wordt, is voor deze gronden eene uitmuntende bemesting. Zij worden daardoor tevens jaarlijks een weinig opgehoogd en zijn hooger gelegen dan de binnendijksche gronden.
Behalve klei werpt het rivierwater ook zand —, bij snellere beweging van 't water van de zandbanken in het rivierbed opgenomen —, op den oever. Ongaarne ziet de landbouwer dit. Om dezelfde reden als bij do vorming der zavelgronden aan de Wadden een schoorwal ontstaat, hoopt zich ook hier onmiddellijk aan den oever het zand op, zijn de uiterwaarden onmiddellijk aan dien oever het hoogst en hellen ze van daar tot de dijken af, of daar zich de vorming van die hoogten achtereenvolgens herhaalde, is hare oppervlakte golvend. Aan die golvende oppervlakte zijn oudere rivierbezinkingen dikwijls gemakkelijk te herkennen, b.v. de kleüanden aan den Krommen Rijn, omstreeks Jutphaas in de prov. Utrecht. Op vele plaatsen is dit zand tot bepaalde hoogten, rivierduinen, opgewaaid.
De bodem helt echter in het algemeen naar den loop der rivieren, b.v. tusschen Arnhem en Nijmegen ligt hij 9 a 10 M., tusschen Opheusden en Dodewaard ruim G M. en tusschen Culemborg en Zaltbommel 2 a 3.5 M. A. P. en daalt verder westwaarts boneden A. P. Tusschen Rijn en quot;Waal vormt de bodem eene soort kom, vooral in de Boven-Betuwe, zoodat deze in de nabijheid der Linge eenige meters lager is gelegen dan in de nabijheid dei-genoemde hoofdrivieren.
26
De dikte van de Ideibedding dezer bezinküigen is zeer verscliillend; zij bedraagt gewoonlijk niet meer dan één of hoogstens een paar meter, maar soms verscheidene meters.
De rivierbodem zelf bestaat uit grint, zand en op enkele plaatsen uit klei. Grint vindt men moer stroomopwaarts of in 't algemeen daar, waar de stroomsnelheid het grootst is: in den Rijn b.v. in het Pannerdensche kanaal en in den IJsel tegenover Dieren, in de Waal tot Bommel en in de Maas van Maastricht tot Mook; zand, waar die minder groot is en klei, waar het water tijdelijk tot rast komt i).
Onder de zware rivierklei wordt veelal lichtere klei, daarna rivierzand en vervolgens diluviaal zand met of zonder grint gevonden, op sommige plaatsen ook veen (darg), terwijl omgekeerd ten gevolge van het veranderen der stroomsnelheid en van den loop eener rivier, ook wel eens klei onder grint en zand bedolven is geraakt. Op sommige plaatsen komt die lichtere klei aan de oppervlakte, soms ook het grinthoudende zand, of is dit slechts met eene dunne kleilaag bedekt (heibanen), en verder naar den mond der rivier veen.
Terwijl de uiterwaarden algemeen als grasland (wei- en hooiland) worden gebruikt en op de lagere gedeelten en in de ten behoeve van de steenbakkerijen gegraven putten ook met boscli (wilgen) zijn bezet (waardhout), wordt op den binnengedijkten grond in 't algemeen akkerbouw uitgeoefend.
Die rivierklei levert ook do grondstof voor eene menigte steenbakkerijen.
E. Beekbezinkingen.
De gronden aan do oevers onzer kleine rivieren zijn in aard en samenstelling zeer verschillend, maar hun begroeid zijn met grasgewas heeft hun een bepaald karakter gegeven, dat uitgedrukt wordt door den naam van groengronden, een naam die des te meer gepast is, omdat zij door de groene kleur van het hen bedekkend gras zeer gemakkelijk van de omringende zand- of heidegronden kunnen worden onderscheiden.
Wegens hunne lage ligging en do cverstroomingen, waaraan zij bloot staan, zijn ze tot weide- en hooibouw als 't ware aangewezen, maar door verbetering van den waterstand heeft men vele ook in akkerland kunnen veranderen.
Terwijl do hoofdrivieren slib aanvoeren van streken, ver buiten de grenzen van ons land gelegen, is dit met de beken niet het geval, omdat het stroomgebied hiervan of niet öf niet ver buiten die grenzen zich uitstrekt en alleen van uit dit stroomgebied slib kan worden aangevoerd.
Evenwel niet alle kleine rivieren voeren slib in zulk eene hoeveelheid aan, dat hierdoor werkelijke lagen gevormd kunuen worden. Die in Friesland, tusschen de hooge zandruggen in het oosten der provincie: de Boorn, de Tjonger of Kuinder en de Linde, en die in het noorden van Drente: do Mussel-en de Ruiten-A, de Hunze, de Drentsche-A, het Peizerdiep enz., welke in hooge venen haren oorsprong nemen, doen dit weinig of niet. Aan de oevers hiervan vormen zich geene beekbezinkingen, maar algemeen, gelijk vroeger reeds vermeld is, moerasveen, met meer of minder klei of zand vermengd.
') Volgons onderzook van den ingeniour Lely voeron do Nederlandsclio rivieron thans geen zand af.
27
Riviertjes, die eigenlijke groengronden zullen vormen, moeten in streken lum' oorsprong nemen of langs plaatsen loopen, waarvan zij slib meê kunnen nemen.
Dit is het geval met de Drentsche beekjes in de omstreken van Koevor-den, in Overijsel met de Vecht, de Dinkel, de Regge en de Schipbeek, in Gelderland met de Berkel, de Yordensche beek, den Ouden Usel enz. Deze ontspringen öf uit het hierna te beschrijven diluvium, öf uit de tertiaire en andere gronden in liet oosten van Gelderland en Overijsel of buiten de grenzen van ons land gelegen, die eveneens eene fijne slib afgeven aan het daarop vallende regenwater, 'twelk tot al grooter en grooter wordende stroompjes aangroeiende, eindelijk het riviertje vormt.
Yeelmalen wordt een beek ook gevoed met water, dat als regenwater op de hooge zandgronden vallende in den bodem dringt en langs grint- en zandlagen afzijpelende in do beek of aan hare oevers opwelt. Ook dit water bovat weinig of geen slib, wel dikwijls ijzerverbindingen.
Zoo vindt men op do Veluwe alleen groengronden van eenige beteekenis in de omstreken van Apeldoorn. De meeste beken aldaar worden gevoed door uit den grond zijpelend water. Dit is derhalve niet slibhoudend en mocht er ook al slib in voorkomen, de stroomsnelheid is te groot en hare oevers zijn te hoog, om aan die oevers liezinkingen van eenige beteekenis te kunnen geven.
Een nogal aanzienlijke oppervlakte beslaan genoemde gronden iu Noord-Brabant , hier beemden geheeten, aan de riviertjes do Dommel, de Reuzel, de Mark enz. Het zijn vooral de zoogenaamde Kempen, welke hier de bouwstoffen leveren of geleverd hebben voor liet vormen dezer gronden.
Wat de rivieren in het groot vertoonon, vertoonen de beken in liet klein, en daar haar water meestal niet zooals dat der rivieren tusschen dijken bekneld is, meer natuurlijk. Evenals de oude hoofdrivieren dikwijls haar' loop veranderd hebben, is dit ook met do beken het geval. Mot hoe meer snelheid het water de oevers overschrijdt, hoe grooter do massa is die moêgevoerd kan worden. Op dezelfde wijze en om dezelfde reden is onmiddellijk aan die oevers een rug gevormd, waarvan do zandmassa, door den wind tot duinen, beekduinen, is opgestuwd, b.v. aan de Dinkel bij Losser, aan de Vecht tusschen Hardenberg en Ommen, aan de Berkel boven Rekken. Vandaar ook de op vele plaatsen golvende oppen-lakte dezer gronden.
Op andere plaatsen, vooral op de vlakke gronden van liet zanddiluvium of broeken, vormt het overstroomende, soms ook het uit den bodem opwellende water, plassen. Thans nu de landbouwer meer en beter gebruik van den grond weet te maken, tracht hij door het graven van kanalen, slooten enz. dit water zoo spoedig mogelijk weer weg te krijgen of ook worden die gronden in 't geheel niet meer overstroomd; maar in vroeger tijd, toen men zo meer onbebouwd liet liggen, bleef hier liet water geruimen tijd staan en gaf zoodoende aanleiding tot het vormen van moerasveen, dat later allicht weer overdekt is geworden met slib.
De dikte der sliblaag, die zich als beekbezinkiug heeft afgezet, is evenals die der rivierbozinkingen zeer ongelijk, maar over 't geheel minder dik dan deze en bedraagt ongeveer 1/2 meter. Aan do oevers van sommige beken treft men eeno dikkere laag aan; daar, waar oude stroomboddingen dicht gespoeld zijn, bedraagt die dikte soms 4 a 6 meter.
28
Do ondergrond der beekbezinkingen bestaat in 't algemeen uit zand. Niet zelden is dit wel- of loopzand, waaruit water, van de hooger gelogen zandgronden afkomstig, opwelt, en wanneer dit ijzerhoudend is, aanleiding geeft tot de vorming van ijzeroer of moerasijzererts in den bodem. quot;Waar in ons land sprake is van ijzerbeddingen, die uitgegraven worden om er ijzer uit te smelten, komen deze dan ook onder de beekbezinkingen, vooral in de provinciën Overijsel, Gelderland en Noord-Brabant voor. In de laatstgenoemde provincie is het bekend onder den naam van flins, vlijm of oer, welke laatste naam de meest gebruikelijke is in ons land. In lagen van verschillende dikte tot 3 decimeter toe. dicht onder de graszode voorkomende, wordt het in de laatste jaren veelvuldig gedolven en naar de Duitsche ijzersmelterijen vervoerd.
Aan de oevers der Molenbeek, bij Kwade Oord en Keienberg, gemeente Eenkum, wordt ook diatomeën-aarde, blz. 20, gevonden.
Elders, o.a. in Noord-Brabant, treft men onder dergelijke gronden koolzure kalk aan, in Noord-DuitscMand quot;Wiesenkalk geheeten en wat wij gevoegelijk moeraskalk zouden kunnen noemen l), soms spaathijzersteen of siderit (gekristalliseerd koolzuur ijzeroxydule) en vivianit, bl. 9.
De moerasvenen en de beekbezinkingen, beide aan de vroeger of nog bestaande riviertjes van ons land en in 't algemeen in de lagere gedeelten van een diluviaal terrein voorkomende, vormen allerlei overgangen. Het moerasveen is meestal met leem, het leem der bezinking met veen vermengd. Beide zijn meestal groenlanden; maar de planten die er op groeien, zijn nog zeer verschillend en in den regel des te beter geschikt tot het voeden van vee, naarmate de grond meer klei- of leemhoudend is en jaarlijks evenals de uiterwaarden met meer of minder slib wordt bemest. De overeenkomst van beide soorten van grond blijkt ook hieruit, dat onder beide in den regel oer voorkomt.
Op vele plaatsen worden op deze gronden zoden {schollen of schadden) gestoken en deze als strooisel in de veestallen, daarna ter bemesting van het bouwland gebruikt, of ook, na gedroogd te zijn, als brandstof; soms wordt die grond evenals de hooge venen gebrand en zoo in bouwland veranderd.
Met de beekbezinkingen min of meer overeenkomende, ofschoon zeer waarschijnlijk niet uit zoet water, maar uit zee- of brak water bezonken, is de bodem van voormalige riviertjes in het gebied der zeebezinkingen, b.v. in de provincie Groningen; de Fivel, de Delf enz. Wordt de loop dezer stroompjes nog door eene helling in het terrein aangewezen, de grond is ook verschillend van de omliggende gronden, meestal zwaarder, en bevat hier en daar ook oer in den ondergrond.
F. Zandstuivingen.
Evenals het zand aan onze kusten tot duinen is opgestuwd, verheffen er zich op de zandvlakten binnenslands dikwijls hoogten, die enkel uit het losse zand dier vlakten bestaan en ter onderscheiding van de zooevengenoemde zeeduinen wel met den naam van landduinen worden bestempeld. Bij de
') In Noord-Duitschland noemt men Moormergel, veen waarin koolzure kalk fijn verdeeld is, zoodat de kalk op het oog niet te zien is en Wiesenkalk, de koolzure kalk die zich in lagen of nesten in of onder het veen heeft afgezet.
29
hoogten behooren vlakten, soms minder of meer diepe kommen, waaruit het zand dier hoogten opgewaaid is en die evenals deze nagenoeg kaal, dat is, mot ■weinig of geene planten begroeid zijn. Bij eenigen wind is dat zand voortdurend in beweging. Vandaar de naam van zandstuivingen aan de hier gevormde gronden gegeven. Daar zij nog tegenwoordig ontstaan en aan gedurige veranderingen blootgesteld zijn, behooren zij uit een aardkundig oogpunt tot de hedendaagsche, alluviale vormingen, en dienen wij hier met een enkel woord er melding van te maken, ofschoon het zand zelf van diluvialen oorsprong is.
Zandstuivingen komen namelijk voor op die afdeeling van het diluvium, bekend onder den naam van zanddiluviumen en bestaan ook uit hetzelfde zand, dat de hoofdmassa dezer gronden vormt, met deze uitzondering nochtans, dat, evenals het water dikwijls eene scheiding van de bestanddeelen eener reeds gevormde laag in grovere en fijnere deelen enz. bewerkt, ook de wind hier eene scheiding heeft veroorzaakt, do grovere of meer samenhangende deelen heeft laten liggen, de fijnere van plaats doen veranderen. Daaraan moet worden toegeschreven het hier en daar aanwezig zijn van eene groote hoeveelheid grint en keien in de nabijheid der zandstuivingen, op de plaatsen namelijk, waar het zand is weggestoven. Met oneigenaardig noemt men dit tot duinen opgehoopte zand vliegzand.
In den regel is het niet bedekt zijn met planten de oorzaak van het verstuiven. Daar, waar men op eene onverstandige wijze heideplaggen heeft gestoken, kan licht aanleiding gegeven worden, dat het zand in beweging geraakt en zelfs naburige bouwgronden daarmede worden overstoven. Ook het uitroeien van bosschen heeft daartoe wellicht op vele plaatsen aanleiding gegeven. Omgekeerd worden de zandstuivingen dikwijls voorkomen door den grond met plaggen te bedekken of met dennen te beplanten. Waar de grond goed met planten bezet is en daardoor meerdere vastheid heeft bekomen, verstuift het zand niet of niet zoo spoedig.
Behalve met heide bedekte zandgronden heeft het zand hier en daar ook veen overstoven en vindt men dus eene veenlaag tusschen het zand der zandstuivingen en het eigenlijk diluviaal zand. Aangezien zoowel de hooge venen als de zandstuivingen op hot diluvium en dikwijls in elkanders nabijheid voorkomen, behoeft ons zulks niet te verwonderen.
Op vele diluviale gronden m Drente, Friesland, Noord-Brabant, Utrecht en Gelderland komen nog zandstuivingen voor, ofschoon de meeste bedwongen zijn. Dc grootste uitgestrektheid beslaan zij op de Veluwe, vooral ten zuiden van den Oosterspoorweg, in de omstreken van Kootwijk.
2. DILUVIALE GRONDEN.
Het diluvium bestaat uit grondsoorten, die onder geheel andere omstandigheden gevormd zijn dan de bovengenoemde alluviale gronden.
Ofschoon niet zelden met den naam „zandgrondenquot; bestempeld, bestaan zij echter niet enkel uit zand; tusschen hot zand vindt men grint, dat zijn kleine, afgeronde steentjes, en groote steenen, die meestal ook afgerond zijn, keien of flinten genaamd. Bovendien vindt men tusschen het zand dikwijls leemhcddingen, hier en daar ook mergel, terwijl in het zuiden van
30
Limburg ceno grondsoort gevonden wordt, die moor do geaardheid van klei hoeft en Limbiirgsche klei of Löss genoemd wordt.
Evenals we bij de gronden van de hedondaagsoho vorming vrij wat verschil hebben opgemerkt in oorsprong of wording en samenstelling, bestaat er alzoo ook tusschen de diluviale gronden nogal verschil.
Wij onderscheiden; zanddiluvium, grintdiluviuvi en de Limburgsche klei of het Löss l).
Yan deze beslaat het zanddiluvium de grootste oppervlakte. Over 't geheel kan men zeggen, dat alle zandgronden, die niet tot de duinen, de geestgronden of de zandbanken behooren, en geen of weinig grint bevatten (zie hierachter), het zanddiluvium vormen. Het vormt bovendien meestal den ondergrond van de rivierkloi en van de hooge en lage venen, als deze namelijk onmiddellijk op zand rusten, en bedekt dikwijls de grintgronden, nooit omgekeerd. Hot is daarom evenals de Limburgsche klei kennelijk van latere vorming. Het zanddiluvium bevat slechts bij uitzondering keien en grint, en mocht deze laatste aanwezig zijn, dan bereikt zij nauwelijks de grootte van erwten. Het heeft over 't geheel eene effene oppervlakte of hoogten, die gering zijn en weinig uitgestrektheid bezitten, tenzij het zand door eene latere werking als bij de zandstuivingen van plaats veranderd is.
Het grintdiluvium daarentegen bestaat in hoofdmassa ook wel uit zand, maar tusschen dat zand vindt men soms eene groote hoeveelheid grint en keien. Zijne oppervlakte is niet effen, maar vormt ruggen of heuvels, die dikwijls in rijen liggen, welke evenals de ruggen eene bepaalde richting hebben.
Terwijl nu de ruggen en heuvels uit zand met grint en keien bestaan en dus tot het grintdiluvium behooren, bestaan de daartusschen liggende vlakten meestal uit enkel zand en vormen dus zanddiluvium.
Over het Löss, — naar de samenstelling en plaats van voorkomen ook Limburgsche klei gelieeten, — zal straks gehandeld worden.
Het diluviale zand bestaat uit minder of meer afgeronde korreltjes, brokjes van uiteengevallen (verweerde) steonen namelijk, die door het herhaald over-elkander schuren en wrijven afgerond zijn. Van het allerfijnste vliegzand gaa,t hot over tot eene meer grofkorrelige massa, en eindelijk bereiken de korrels b.v. de grootte van erwten en meer. Die grootere afgeronde steentjes, welke evenals in de rivierbeddingen, bl. 26, soms bepaalde lagen of banken vormen in het diluvium en algemeen voor het hard maken van wegen worden gebruikt, dragen den naam van grint. Grint is dus ovenals de zandkorrels afkomstig van de tot puin gevallen grootore steonen on bestaat evenals het zand meestal uit eene scheikundige verbinding, bij de aardkundigen bekend onder den naam van kwarts. Beide zijn dikwijls bruin gekleurd door aanhangend ijzerroest.
De grootere steonen, die men tusschen het zand aantreft en welke hier te lande bekend zijn onder den naam van keien of flinten, zijn meestal meer samengesteld. In het diluvium der noordelijke provinciën bestaan genoegzaam
*) De diluviale gronden van het Eemstelsel (zand met schelpen) bij putboringen in de Geldersche vallei, onder Amsterdam, Purmerend enz. gevonden, laten wij, als niet aan de oppervlakte komende, buiten beschouwing.
31
allo groote blokken uit oen gostoonte, dat men graniet noemt, waarin go-makkolijk drie mineralen kunnen worden aangewezen; kwarts, meestal glasachtig, wit on zeer hard; glimmer, dat dunne plaatjes vormt, die als de bladen van een boek op elkander liggen, en zwart, geel of wit gekleurd is (welke kleur aan goud of zilver doet denken), en een meestal rood of als vleesch gekleurd mineraal, dat den naam. van veldspaath draagt. Eene dergelijke samenstelling heeft het gneiss. In andere steenen treedt de ovengenoemde glimmer in grootere hoeveelheid op; deze hebben daardoor het voorkomen van lei en worden cjlimmerschiefer of glimmerlei geheeten. Nog andere steenbrokkcn bestaan uit syenict, dioriel enz., die door het daarin voorkomende hoornblende of augiet zwart of groen gekleurd zijn. Vergelijk bl. G.
Tusschenbeide vindt men ook brokken van krijt- of kalkgesteenfen, die evenals het krijt, hoofdzakelijk uit koolzure kalk bestaan, en zandsteenen, dat zijn door kiezelznur, ijzerroest of klei aaneengebakken zandkorrels, gelijk do algemeen bekende rondo slijpsteonen of de Bentheimersteen, enz. Op enkele plaatsen, bij Winschoten o. a. zijn ook stukken barnsteen in het diluvium gevonden, alsmede beenderen van mammouthen, rhinocerossen enz., dieren, die bij de wording dezer lagen hier waarschijnlijk geleefd hebben.
Naar den vermoedelijken oorsprong van dit zand met grint en keien, onderscheidt Dr. Staring l) het grintdiluvium in Scandinavisch-, Gemengd-, Ttijn- en Maas-Ailuvium. Tot het Scandinavisch diluvium brengt hij dat, 'twelk in de provinciën Groningen, Friesland, Drente en in Overijsel (bij Vollenhove en ten noorden van do Vocht) en op do Waddon- en Zuiderzee-eilanden gevonden wordt. Het Gemengd diluvium vindt men volgens Staring in de provinciën Overijsel, Gelderland on Utrecht en in hot Gooiland (Noord-Holland), dus ten zuiden van de Vecht in Overijsel en ten noorden van den Rijn. Tot het iüyw-diluvium rekent hij die grintgronden, welke tusschen den Rijn en de Maas gevonden worden. Slechts een klein gedeelte van dit diluvium komt in ons land aan de oppervlakte voor, in de omstreken van Nijmegen en aan den rechteroever der Maas in noordelijk Limburg, waar het met de gronden in Kleefsland, buiten de grenzen, samenhangt. Het Jfa«s-diluvium vormt hoofdzakelijk de grint-gronden van Noord-Brabant en die, welke in en om de vallei van de Maas in Limburg gevonden worden.
In het zuiden van laatstgenoemde provincie op enkele plekken, in het naburige België en in de Rijnprovincie komt nog eene andere soort van diluvium voor, dat uit zand met veel vuwsteenen, afkomstig van de naburige krijthoogten, bestaat en daarom vuurstcen-Aïlwx'wxm genoemd wordt.
Ofschoon uit latere onderzoekingen, vooral van Dr. Lorié, is gebleken, dat deze indeeling van het diluvium en hare begrenzing niet geheel juist zijn en eene andere daarvoor in de plaats is gesteld (zie hieronder), zijn Starings benamingen daarvoor nog het meest in gebruik.
Onder den naam van leem wordt niet altijd hetzelfde verstaan. Wat do fijnheid der samenstellende deelen betreft, komt hot veel met klei overeen. Terwijl de zuivere klei echter in hoofdzaak uit de scheikundige verbinding, kiezelzure aluinaarde met ongeveer 10 (l/o water, bestaat en onze gewone
') Dr. Still ing, Bodem van Nederland, II, bl. 79 cm volg.
32
kleigronden een mengsel vormen, waarvan zandkorrels en do zooovengenoemde zuivere klei lioofdbestanddeelen zijn 1), bestaat een leemgrond in hoofdzaak uit een mengsel van zandkorrels, zeer fijn zand (meelzaad) en klei. De zuivere klei van de kleigronden is in leemgrond dus ten deele vervangen door fijn zand. Leem is minder zacht op het gevoel bij het wrijven tusschen de vingers. Zijne doeltjes zijn dikwijls met ijzerroest omgeven en kleven daardoor min of meer aan elkander. Yandaar ook de gele of geelbruine kleur) aan vele leemgronden eigen 2).
Het leem komt meest in lagen, vaak van verschillende kleur, tusschen hot diluviale zand voor. Niet zelden, vooral in het Gemengd diluvium b.v. in don Grebschen en quot;Wageningschen berg. hebben deze lagen eeno bepaalde helling; zij zijn lensvormig en doen aan oude rivierbeddingen denken. Ook het zand en de grint komen hier niet zelden in duidelijke lagen voor. (Gelaagd gemengd diluvium).
Op andere plaatsen, in don Hondsrug en het Eoode klif, op ürk enz. treft men, in eeno leomig-zandigo grondmassa van meest gele, grauwe of bruine kleur, gekraste steenon aan, nu eens enkele, hier en daar verspreid, dan moor of minder talrijk. Deze leemachtige afzettingen uit het diluviale tijdperk zijn bekend onder den naam van keimergel of hloklcem (Duitsch Gescliiebe- of Blocklehm, Eng. Bouldcrclay of TUI, ongelaagd diluvium). Zij zijn (zie hieronder) te vergelijken met de grondmoraines van do tegenwoordige gletschers.
Het diluviaal leem levert aan eeno menigte tichelworken de grondstof tot het bakken van steen en is bovendien een uitmuntend verbeteringsmiddel van de andere diluviale bouwgronden, vooral wanneer hot kalkhoudond of mergel-achtig is.
Daar, waar leem of klei mot zand gemengd voorkomt, spreekt men op het diluvium van zavel- of gemengde gronden. Wij hebben reeds opgemerkt, dat dergelijke gronden veelvuldig op de grenzen van het diluvium en de rivierklei gevonden worden. Zij zijn tot bouwgronden veel beter geschikt dan het gewone diluviale zand, de in 't wild voorkomende planten groeien er weliger en ontginningen gelukken hierop voel beter dan op de eigenlijke zandgronden. In
') Om niet in herhaling te vervallen, zal van de andere bestanddeelen van kleigronden en van bouwgrond in 't algemeen melding gemaakt worden in de hoofdstukken over den bouwgrond zelf en die over de voeding en het groeien der planten.
2) In Duitschland worden ook de zavelgronden tot de Lehmböden gebracht. Wij meenen echter dat er een kenmerkend verschil is tusschen leem- en zavelgrond. Ook in het gebied der zeebezinkingen, bl. quot;19, komen grondsoorten voor, die evenals een kleigrond grootendeels uit eene fijne, gemakkelijk afslibbare massa bestaan , maar minder zacht op 't gevoel en vaak door aanhangend ijzerroest door de geheele massa heen geel of geelbruin gekleurd zijn. Zij vertoonen daardoor overeenkomst met leem uit het diluviale tijdperk en worden ook door dien naam van een gewonen kleigrond onderscheiden. Een zandgrond bevat ook vaak veel fijn zand maar dit is toch veel minder gemakkelijk afslibbaar dan de fijne leemdeelen. Niet alle grond die met dezen naam bestempeld wordt, is echter leem. Met dezen naam wordt dikwijls elke grondsoort aangeduid , die men geschikt acht tot metselen, waartoe de echte leem zeer bruikbaar is, maar waarvoor ook allerhande grondsoorten, van bijna zuiver zand af tot minder of meer zware klei toe, naardat de verbruiker in zijne omgeving vindt, als leem worden genomen.
33
tegenstelling- van deze, die grootendeels nog woest liggen, zijn ze dan ook meest alle bebouwd. Aan den Velnwezoom, van Wageningen tot Dieren en ten westen van de Utrechtsche heuvels, is deze grondsoort bekend onder den naam van boeken- (beuken-) grond, omdat beuken en andere boomen hier uitmuntend aanslaan.
Behalve door ijzerroest zijn de leemdeeltjes en de zandkorrels soms omgeven en min of meer aan elkaar gehecht tot onregelmatige klompen door koolzure kalk. Bedraagt deze hoeveelheid koolzure kalk in don grond b.v. meer dan 10 procent, dan noemt men hem mergel en onderscheidt die weer in zand-of kleimergel, naar gelang zand of klei het hoofdbestanddeel ervan uitmaakt. In 't algemeen noemt men dus mergel; zand, klei of leem, waarvan de deeltjes met een laagje koolzure kalk omgeven zijn.
Ofschoon er op verschillende plaatsen in ons diluvium mergel gevonden is, is er omtrent de uitgestrektheid der mergellagen nog weinig bekend. Naar het schijnt is de hoeveelheid niet groot, veel minder dan b.v. in Noord-Duitschland en slechts op enkele plaatsen van beteekenis (Hondsrug, bij Winschoten, Marum, Raai te, bij Winterswijk en op eenige plaatsen in Limburg.
Het Löss of de Limburgsche klei, die, zooals reeds gezegd is, in zuidelijk Limburg aan den rechteroever der Maas, boven Sittard en bij Maastricht aan den linkeroever van die rivier aan de oppervlakte voorkomt en zich verder in België, hier bekend onder den naam van Limon hesbayen, en aan de oevers van den Hiju in Duitschland uitstrekt, is eveneens eene grondsoort, die meer het karakter van leem of mergel dan wel van klei heeft, maar door het in zich bevatten van zoetwaterdieren en de plaatsen van herkomst, uit een aardkundig oogpunt, kennelijk van de andere mergel- of leemgronden in het diluvium te onderscheiden. Evenals de laatste grondsoort is zij door aanhangend ijzerroest dikwijls geel gekleurd en veel minder taai en minder gemakkelijk kneedbaar dan de zware rivier- of zeeklei. Meest altijd is zij ook kalkhoudend, soms bevat zij tot twintig ten honderd koolzure kalk en heeft dan meer het karakter van mergel.
De Limburgsche klei wordt grootendeels als bouw- of akkerland gebruikt. Van de diluviale zandgronden daarentegen is nog maar een klein gedeelte in de nabijheid der bewoonde plaatsen ontgonnen. Wat verder ontgonnen is, is grootendeels tot bosch aangelegd. Do meeste liggen nog woest, dat is: zijn met heide en andere planten begroeid, die slechts weide voor eenige kudden schapen en nmderen geven. Boomgewas slaat ook lüerop wel in 't wild aan, maar dit wordt meestal door de weidende dieren ondergehouden en daardoor eene natuurlijke verandering in bosch tegengegaan.
Op vele plaatsen is het zoogenaamde plaggensteken ook in gebruik, dat is; men berooft het heideveld van de bovenste natuurlijke bouwlaag en gebruikt die plaggen tot strooisel voor het vee en daarna, vermengd met de uitwerpselen der dieren, tot bemesting der naburige bouwlanden. Enkele bouwgronden, zooals die in het Zutfensche, zijn daardoor aanmerkelijk opgehoogd.
Elders in Neder-Veluwe en Utrecht wordt de heidekorst ook wel gebrand evenals hoogveen, de asch met den zandgrond en wat schapenmest innig gemengd en daarna met rogge beteeld. Na de rogge zaait men spurrie. Het land ligt nu eenige jaren als weiland, driesland geheeten, totdat de heideplanten weer de overhand hebben behaald.
RElNDERS, I. Vierde druk. 3
34
Onder de heidekorst wordt niet zelden eene oerbank gevonden, ter onderscheiding van het oer onder de beekbezinkingen enz., xandoer geheeten. Dit zandoer bevat echter gewoonlijk weinig ijzeroxydc. De zandkorrels zijn daarin hoofdzakelijk door hmnusstoffen en hntnusznre en kiezelzure zouten aaneengehecht l). Voor het ontginnen, vooral bij het aanleggen van bosch, geven deze oerbanken eene belangrijke hinderpaal.
Voor de verspreiding van het diluvium verwijzen wij naar eene geologische kaart. Intusschen maken wij hier opmerkzaam op eenige plaatsnamen of hunne uitgangen, waardoor dikwijls de geaardheid der gronden in die streken wordt aangewezen.
In de eerste plaats op den uitgang (of het voorgevoegde) wald, ivoud of wouden. Daar vele zandgronden zeer waarschijnlijk vroeger meer dan thans met bosschen begroeid waren, duidt die uitgang niet alleen de voormalige boschrijkheid, maar ook den zandigen bodem, althans den zandigen ondergrond dier streken aan. In Friesland heeft men b.v. Veen wouden. Woudsend , Oosterwolde enz., in Groningen: Westerwolde, het Wold-Oldambt enz. De voormalige bosschen zijn ten deele uitgeroeid of in veen veranderd; maar de zandige streek of het veen, waarop of waarin de boomen groeiden, meestal nog eene menigte hunner stammen (kienhout) insluitende, worden met denzelfden naam nog aangeduid.
De uitgangen veen of moer (Hoogeveen, Friezenveen, Oostermoer enz.) wijzen meer bepaald voormalige of nog bestaande venen aan, terwijl door de uitgangen gast, garst, gaast of geest en zand, (Grootegast, Tjerkgaast enz., Westerzand, Heinkenszand enz.) meer bepaald zandgronden worden aangeduid. Soms wijst men met den naam van garst, gaast of geest de zandgronden, in de nabijheid van andere gronden voorkomende, aan, of in t algemeen worden de zandgronden zoowel hier als in Duitschland gaast- of geestgronden genoemd, ter onderscheiding van de klei- (Marsch-) en andere gronden.
Eene moeielijkheid voor de aanwijzing van het eigenlijk diluvium leveren de dalgronden op, die, ofschoon grootendeels uit hetzelfde zand niet veen vermengd bestaande, uit een aardkundig oogpunt daarvan moeten worden onderscheiden, vooral ook omdat vele van deze gronden nog veen, dus een alluvialen grond onder zich hebben, 'twelk, zooals gezegd is, met het diluvium zelden of nooit het geval is.
Gelijk reeds gezegd is, zijn de diluviale gronden, die aan de oppervlakte voorkomen, of met bosch bezet öf, vooral in de nabijheid der dorpen of bewoonde plaatsen, in bouwgrond, in Drente en Overijsel essen geheeten, veranderd, öf — en deze maken het meerendeel uit — zijn woest, slechts met heide en andere planten begroeid. Vandaar de naam van heidevelden, waarmede ze dikwijls worden aangeduid. Vele zijn bij de gemeenten in onverdeeld bezit (Marken); eerst in de laatste jaren wordt, tengevolge van de Markenwet, tot eene verdeeling overgegaan.
Terwijl de alluviale gronden de lagere streken en vooral de noordelijke en westelijke gedeelten van ons land vormen, zijn de oostelijke en zuidelijke
*) Zie mijne Verhandeling over de samenstelling en het ontstaan der zoogenaamde oerbanken in de Nederlandsche heidegronden in de werken dei K. A. \. W.
35
gedeelten of in 't algemeen de hoogere streken nit liet clilnvinm gevormd. Slechts op een paar plaatsen ligt het onmiddellijk aan de kust: in het zuidwesten van Friesland (Gaasterland en 't Roode klif bij Stavoren), in Overijsel (hij Yollenhove), in Gelderland (de Veluwe) en in Noord-Holland (het Gooiland) en op de eilanden; Tessel, Terschelling, Wieringen en Urk.
8. OUDERE GRONDEN.
Van de gronden, in vroegere tijdperken gevormd, komt slechts op enkele plekken aan of op de grenzen iets aan de oppervlakte in ons land vooi, in de provinciën Overijsel, Gelderland en Limburg en in Zeenwsch-Vlaanderen. Zij vormen echter daar op verschillende plaatsen kennelijk den ondergrond van de diluviale zandgronden. In de omstreken van Delden en Ootmarsum in Overijsel en van Eibergen en Winterswijk in Gelderland vindt men kort onder de oppervlakte leemgronden, die tot het tertiaire tijdperk gebracht worden. De leemlagen hebben hier soms eene aanmerkelijke dikte en geven, daar zij hoogten en laagten vormen, ook aan de bovenliggende diluviale gronden eene golving in liet terrein, die, aangezien de hoogten minder steil opklimmen, geheel anders is dan die, welke bij laatstgenoemde gronden pleegt voor te komen. Behalve door deze golvingen verraadt zich liet aanwezen dezer gronden dikwijls door de in 't wild groeiende planten en doordat hier gewassen, tarwe en klaver bijv., verbouwd worden, die men op den dilnvialen zandgrond niet gewoon is te zien. Ook door de menigte tichelwerkeji, waarvoor deze lagen de grondstof leveren, wordt men in die streken opmerkzaam gemaakt op het aanwezig zijn van leembeddingen.
In Limburg vindt men dergelijke gronden, of op de hellingen van heuvels aan de oppervlakte öf door zand met keien of de diluviale klei bedekt. Meestal echter zijn het hier zandgronden, evenals in het naburige België, minder, zooals in Overijsel en Gelderland (en de daannede samenhangende gronden in Duitschland), leemgronden.
Ook de tertiaire gronden in Zeeuwsch-Vlaanderen ten oosten en zuiden van Hulst en verder in België tot in de omstreken van Antwerpen zijn van eenigszins anderen aard. Zij bestaan uit zand met schelpen en behooren tot het système scaldisien der Belgische geologen of het zoogenaamde crag op de kust van Suffolk in Engeland. Bij boringen in Zeeland en bij eene putboring te Utrecht is gevonden, dat deze laag den ondergrond van het diluvium in liet westen van ons land vormt.
Uit een nog ouder tijdperk zijn het krijttuf, waaruit de St.-Pietersberg-nabij Maastricht bestaat, de rotsen langs het Geuldal en enkele andere kalken zandlagen in Limburg, — de kalk- en leembeddingen, die men op liet Willink onder Eatum, gemeente Winterswijk, en op andere plaatsen in Gelderland in den ondergrond heeft, — de zand-, mergel- en kalksteenen, die de rotsen van Bentheim en Gildehaus en den bodem in Munsterland, buiten onze grenzen, vormen en te Losser bij Oldenzaal onder het diluvium voorkomen en bij eene putboring te Delden voor den dag zijn gekomen. Men brengt ze tot het secundaire tijdperk, terwijl de steenkolenmijnen,
3*
3«
die men omstreeks Kerkrade in Limburg ontgint, en de daaronder liggende bergkalk tot het eerste tijdperk van de wording der aardlagen behooren.
Gelijk reeds gezegd, komen van deze oudere gronden in Nederland slechts eenige hectares aan de oppervlakte voor. Dp uitgebreidheid der andere gronden in Nederland is, volgens meting op de Geologische Kaart, als volgt:
Lage venen............. 366.064 hectares
Moerasvenen............. 68.028 „
Hooge venen............. 91.499 „
Verveende hooge venen of dalgronden .... 84.593 „
BeekbezinMngen............ 63.609 „
RivierbezinMngen, klei, zand en grint, rivier-
duinen en heibanen.......... 348.388 „
Zeebezinkingen, oude en nieuwe, met uitzondering van de zandbanken........ 753.814 „
Zeeduinen en geestgronden........ 93.580 „
Zandstuivingen............ 72.52:gt; „
De alluviale gronden beslaan alzoo..... 1942.280 hectares
of 59 ten honderd van de geheele oppervlakte.
Het zanddiluvium........... 961.828 hectares
Limburgsche klei...........52.140
Maas-diluvium....... 16.500 heet.
Eijn-diluvium....... 12.552 „
Gemengd diluvium..... 150.735 „
Scandinavisch diluvium .... 147.892 „
Grintdiluvium .... samen 327.679 327.679 „
Diluviale gronden........samen 1341.647 hectares
of 41 ten honderd van de geheele oppervlakte van Nederland.
Telt men het aantal hectares alluviale en diluviale gronden samen, dan bekomt men 3.283.927 hectares, terwijl de grootte volgens het Landbouw-verslag van 1886 3.294.367 hectares bedraagt. Van het verschil wordt iets door de oudere gronden ingenomen, het overige wordt veroorzaakt door enkele fouten in de opgaven of in de meting.
Overzien wij van de verschillende grondsoorten in Nederland ten slotte ook het gebruik, dat er als bouwgrond van gemaakt wordt.
Gelijk reeds meermalen opgemerkt is, zijn vele gronden, zooals de natuur die vormt, om verschillende reden niet of slechts weinig voor de productie van planten geschikt. Eerst door tusschenkomst van den mensch worden ze tot eigenlijke bouwgronden. Dewijl nu over de ontginningen, dat is de wijzen, waarop woeste gronden tot akker- (bouw-) of grasland worden aangelegd of met boomen worden beteeld enz., eerst later zal gehandeld worden, en dan zooveel mogelijk de redenen zullen worden opgegeven, waarom woeste gronden als zoodanig geene goede bouwgronden kunnen zijn, bepalen wij ons hier, in nevenstaande tabel en in Fig. 1 grapbisch voorgesteld, tot eene opgave van de hoegrootheid der gronden in Nederland,
87
|
t- |
t- |
vr |
co |
__ |
lC |
co |
cr. |
ci |
d | |
|
co |
co |
!gt;■ |
x |
cb |
Ci |
a | ||||
|
cquot;. |
cl |
cl |
c- |
-t-1 |
r- |
cr. |
cl |
cl |
-r4 | |
|
vr* |
ci |
id |
co* |
ci |
t-^ |
co |
ic* |
oi | ||
|
co |
co |
■co |
co |
i-- | ||||||
|
cl |
co |
cl |
co |
lo |
cm |
co |
-r^ |
ib |
cl |
05 cl
co
o
g-l _
lo -. o ^
io
co
th lt;m -th* co
c.
co*
•^uaojej
x cm
cr.
o o d er.
ö os
o
cn rn
ö co
•^uaoaad
i. s j .i.
2 ~ quot;c
q gj s ü
j=gt;
co
o cl
o x co
co
x ö
co ö
cm
ö -rï
•^uoojaj
o 00 iÓ
c. 1-
-rn er.
cr.
|
03 o |
s |
a 03 |
|
p |
•r' |
0 |
|
c3 |
o |
•4j |
|
c ai |
1u0oj0j
lt;5?
co
o o lo co
©i
irt o ï6
-th •—
ö s
m cc
c-i
cc
•^uaoaej
co cr. tO
cl
io'
cm
c. ö
o
cm' -r'
t* t~-
ö
•^uaoaaj
o o
o co
x
o ^ o-l cm
th c.
00 lt;M t- co*
oc ci
•juaojaj
io
02 Ci o co co* x* g^l_
cm x
gj gs x cr.
co co
x*
p 00 ie c;
Ci
c.
co
amp; t-s -
6
x ö
-r- 00
ci ci
! ^uaojaj
cl lo
co
-th co ci co
cl
co
ig*
■^uaojoj
d
co
co
gt; =
ffi ci
^ co
00 o co
co*
cö
c -a =
o
X
te t-
e/: rr 1 k
•pquot;- aj o quot;p i
è 2 s o 3
-5
i
38
ingedeeld naar het gebruik dat er volgens het kadaster van gemaakt wordt en gelijk ze in de landbouw-verslagen wordt gedaan. De getallen zijn aan 't landbouw-verslag over 188G ontleend.
Drente
Utrecht
Zeeland
Limburg
Hierbij valt op te merken, dat verstaan wordt onder:
1) woeste gronden, de heiden (deels hoogveen, deels zandgronden, slechts hier en daar zooals in Limburg met gras begroeid en als schapenweide dienende), en de onbegroeide schorren;
2) water en moeras, behalve de havens, vaarten, kanalen, grachten en de eigenlijke moerassen, ook het water, door het kadaster belast als land, en de kolken, poelen, aanwassen, bies- en rietgorzen en rietvelden;
3) onbelasten grond; wegen, straten en pleinen, rivieren en beken, begraafplaatsen, pastorale tuinen en openbare parken en gebouwde, beter bebouwde gronden, dat zijn dezulke, wier oppervlakte met gebouwen bezet, maar niet belast is;
4) bebouwde of (jebouwde gronden, ook de lustgronden of het terrein van vermaak volgens 't kadaster, dat is de aanleg om de buitenhuizen;
5) wei- en hooiland, ook de uiterwaarden, de kwelders in Groningen en de begroeide schorren in Zeeland;
6) bosschen, niet alleen opgaand hout, maar ook het hakhout, vooral van eiken- of akkermaal op de zandgronden, van elzen op de klei en in Holland en van wilgen langs de rivieren.
39
quot;Wanneer en hoe is nu de bodem van Nederland gevormd?
Gelijk uit liet voorgaande overzicht blijkt, zijn de gronden, die in Nederland aan de oppervlakte liggen öf hedendaagsche vormingen óf behooren zij grootendeels tot die van het vierde of diluviale tijdperk van de geschiedenis der vorming van de uit water bezonken lagen. Met uitzondering van enkele hoogten als den St.-Pietersberg bij Maastricht, bl. 35, vormden, bij het begin van dit laatste tijdperk, de in vorige tijdperken reeds gevormde gronden eene vlakte, voor een gedeelte met zeewater bedekt. Meer bepaald waren de vroeger, bl. 35, vermelde tertiaire gronden, die aan of op de grenzen op weinig diepte gevonden worden, maar die op andere plaatsen. Utrecht, Grorcum, Zeist, Delden, bij putboringen eerst op aanzienlijke diepte ontdekt zijn, in die zee bezonken. Nederland alsmede een gedeelte van België en bijna geheel Noord-Dmtschland waren toen dus nog min of meer onder water bedolven.
Do tegenwoordige oevers van den Rijn tot bijna aan Remagen toe bestonden nog niet. De toenmalige Rijn doorstroomde eene breede vlakte of een breed dal. En evenals Nederland waren de naburige rijken als Engeland, Denemarken enz. op eene andere wijze door de zee begrensd.
Het klimaat van ons land en van geheel Europa was toen veel kouder, of is omstreeks dien tijd kouder geworden. Op de bergen aan den Rijn in Duitsch-land en op de Ardennen aan de oevers der Maas in Frankrijk b.v., heerschte eene dergelijke temperatuur als tegenwoordig nog op de Alpen. De koude luchtstreek strekte zich als 't ware verder zuidelijk uit dan tegenwoordig.
Met die lagere temperatuur moeten dan ook verschijnselen gepaard zijn gegaan, overeenkomende met die, welke we tegenwoordig nog op de Alpen of andere hooge bergen en in de Noordelijke IJszee waarnemen.
De Alpen en de landen aan of in de Noordelijke IJszee zijn mot groote ijsmassa's, die men gletschers noemt, bedekt. Dit bergijs, dat uit aaneenge-vroren stukjes sneeuwijs gevormd wordt en eene menigte barsten en spleten vertoont, glijdt door zijne zwaarte langzamerhand naarbeneden. Steeds in de laagste plaatsen op de hellingen geperst wordende, schuift het als 't ware tusschen de hoogere rotsmassa's door. Van die rotsmassa's nu vallen, tengevolge van het splijten der gesteenten door de vorst, door de verwoestende kracht eener vallende sneeuwlaag (lawine) of door ongelijke verwarming en verscliillende uitzetting, grootere of kleinere steenbrokken op de gletschers. Stonden deze nu stil, dat wil zeggen, daalden zij niet langzamerhand, dan zon die massa steenbrokken op enkele plaatsen worden opgehoopt; echter tengevolge van een voortdurend dalen der gletschers worden hunne randen min of meer regelmatig met steengruis bedekt. Deze lagen steenbrokken zijn bekend onder den naam van moraines en aangezien bovengenoemde aan de kanten der gletschers voorkomen, noemt men ze kantmoraines. Wanneer twee gletschers zich veroenigen en de twee samenkomende randen dus ongeveer het midden van den nieuwen gletscher vormen, treft men ook hier eene of meer strooken steenbrokken aan (middenmoraines).
Groote ijsmassa's dus, aan de kanten en hier en daar ook in 't midden met steengruis en steenbrokken beladen, nu eens sneller, dan weer langzamer dalende, hier meer daar minder nieuwe brokken steen opnemende, bedekken in vele hoog gelegen landen, zooals Zwitserland, de bergtoppen.
40
Het bGnedeneindo der gletscliers smelt langzamerhand af, natanrlijk des te meer, naarmate de temperatuur hooger is. In de Alpen b.v. smelten de gletscliers 's zomers meer of hooger af dan 's winters. In koudere gewesten dalen ze lager af dan in de warmere streken. Daar, waar het einde van eenen gletscher smelt, blijft het steengruis liggen, zoo het niet op eene andere wijze weggevoerd wordt. Groote hoopen steengruis op deze wijze naar beneden gevoerd, treft men derhalve bij het smeltende uiteinde der gletscliers aan. Men noemt ze eindmoraines.
Ook tusschen de gletscliers en de begrenzende rotsen schuiven dikwijls steenbrokken in en onder de gletscliers of zij geraken daaronder door de spleten in het ijs en vormen wat men noemt grondmoraines.
Terwijl nu de steenbrokken op de gletscliers gedurende het dalen weinig of geene verandering ondergaan en meestal met hoekige kanten zich tot eind-moraines ophoopen, is zulks met die, welke in en onder de gletschers geraken en de grondmoraines vormen, geenszins het geval. Zij worden onder den druk van de ontzaglijke ijsmassa, die zich op en over hen voortbeweegt, tot een poeder (zand) verbrijzeld of rond en glad geslepen en aan do oppervlakte van fijne strepen voorzien. Zij vormen eene laag van grootore en kleinere rolsteenen, zand en slijk onder den stroom van ijs. Daarmede voortgeschoven, worden de grootere op het einde van den gletscher, bij de eindmoraine gevoegd, de fijnere deelen met het water, afkomstig van het smeltende ijs (de gletscherbeek), weggespoeld.
De hoeveelheid zand, die eene gletscherbeek op deze wijze ontvangt, is soms zeer aanzienlijk. Men berekent b.v., dat met den Aargletscher, die in de maand Augustus dagelijks ongeveer 2.000.000 M3 water levert, in denzelfden tijd 984.374 kilogram zand wordt weggevoerd.
Ook de kanten en de bodem van het bed, waarin de gletscher zich beweegt, worden daardoor uitgeschuurd, glad geslepen en van evenwijdig aan elkander loopende strepen voorzien. Het zand en de rolsteenen dienen hier tot polijst-poeder. quot;Wanneer gedurende den zomer het uiteinde van eenen gletscher meer afsmelt, dan hij zelve daalt, dan komt een gedeelte van het bed, waarin hij zich beweegt, bloot te liggen, en kan de werking, die hij op den grond uitoefende, nagegaan worden.
De Fransche natuurkundige Daubrée heeft het vormen dezer gladgeschuurde vlakken met evenwijdige strepen door de gletschers proefondervindelijk aangetoond. Us, zand en stukken rots werden onder verschillenden druk en niet verschillende snelheid over eene rotsmassa gewreven. Afronding en verbrijzeling had ook hier plaats; op eene gladgeschuurde vlakte met strepen werden rolsteenen, zand en slib verkregen l).
In do Poolstreken zijn de dalen in hunne geheele uitgestrektheid, van den bergtop tot beneden aan den voet, gedurende een groot gedeelte van het jaar met ijs bedekt, ja is waarschijnlijk hier en daar al het land onder 'tijs bedolven. Met zekerheid is dit bekend van het middengedeelte van Groenland. Zoo'n ijsbedekking over het geheele land is bekend onder den naam van lambjs. Groote ijsstrooinen in den vorm van gletschers gaan hiervan uit.
1) Dehérain, Cours de Chinüe agricole, p. '241, en A. Daubrée, Etudes syn-thétiq ues de Geologie expérimentale.
41
De zoraerwannte is hier zoo gering, dat ook dan de gletschers den l)erg-voet bereiken. Vormen deze bergen nu de kust, dan daalt de gletscher tot in de zee en schmft hier een eind op den bodem voort, totdat eindelijk het brok ijs, dat zich onder water bevindt, door zijn geringer soortelijk gewicht komt boven drijven en van den gletscher afbreekt. Deze gletscherbrokken zijn de ijsbergen. Behalve in de poolzeeën worden die ijsbergen ook in de zeeën die daaraan grenzen, in het voorjaar b.v. dikwijls in liet Noorden van den Atlantischen Oceaan aangetroffen. Mot de zeestroomen (hier de poolstroom) meer zuidelijk gedreven, smelten ze eindelijk tengevolge van de meerdere warmte van de lucht en het water aldaar.
Evenals de gletschers der Alpen zijn ook die der poolstreken en de daarvan afkomstige ijsbergen met puin beladen, dat bij het smelten op den bodem der zee of op het strand, waar de ijsberg smelt, achterblijft. In het noordelijk-deel van den Atlantischen Oceaan heeft men ijsbergen waargenomen, die 1500 meter omtrek hadden, 30 tot 70 meter boven het water uitstaken en met eene puinmassa bedekt waren, wier gewicht in sommige gevallen wel op 1 millioen kilogrammen mocht worden geschat. Op de Newfoundland-bank, ten oosten van Amerika, stranden jaarlijks eene menigte van deze groote ijs-brokken, smelten en hoopen aldaar eene ontzaglijke hoeveelheid zand en steenbrokken op.
Strijken de ijsbergen over rotsen op den bodem der zee heen of stranden ze op rotsachtige klippen, zoo oefenen ze daarop eene dergelijke werking uit als de gletschers op de bergvlakte. Het zand en 't puin, dat aan hun onderkant in het ijs is vastgevroren, schuurt de rotsen glad, maakt voren en strepen in de richting, waarin ze zich bewegen; de steenbrokken worden afgerond en verbrijzeld. De heuvels of bergen, b.v. die, welke in noordelijk Amerika de kust vormen, dragen aan de noordzijde, waarop de ijsbergen stranden, de zichtbare sporen van de werking, door het ijs daarop uitgeoefend. Ze zijn glad en effen, soms van diepe voren voorzien, terwijl zij het ruwe en hoekige van den zuidkant dier heuvels geheel en al missen.
De uitwerking der gletschers en ijsbergen is dus hoofdzakelijk drieërlei: 1) afronding en gladschming van de oorspronkelijk ruwe en hoekige oppervlakte der rotsen en rotsblokken; 2) verplaatsing van het puin en de rotsblokken en hunne opeenhooping; 3) verbrijzeling tot grint, zand en slib.
Op dezelfde wijze nu als tegenwoordig nog naar Newfoundland met de ijsbergen en in de Alpendalen met de gletschers eene groote hoeveelheid puin en steenen wordt verplaatst, op dezelfde wijze werden in den tijd, dien we ijstijd genoemd hebben, in ons land en in geheel noordelijk Europa met het ijs groote massa's puin en steenbrokken aangevoerd. Daardoor laat zich vooreerst de aanwezigheid van de groote steenbrokken, vooral in het diluvium der noordelijke provinciën, en hunne Noorsche afkomst ook gereedelijk verklaren. Want gelijk reeds gezegd, heeft een nauwkeurig onderzoek met zekerheid aan het licht gebracht, dat in het zoogenaamd Scandinavisch diluvium, 't welk behalve in de noordelijke provinciën van ons land, in geheel Noord-Duitschland voorkomt, dezelfde gesteenten gevonden worden, als waaruit de gebergten van Zweden en Noorwegen bestaan. Zwerfblokken, Findlings-blöcke (vondelingen) heeft men die keien genoemd, niet wetende vanwaar
42
ze afkomstig waren. De benaming van Noordsche steenen zou thans meer gepast zijn.
Ter nadere verklaring van 't ontstaan der diluviale gronden werd vroeger de Drifttheorie van Lyell aangenomen, volgens welke hier eene opene zee geweest zou zijn, waar ijsbergen uit het noorden en noordoosten kwamen aandrijven, die hier smolten en de steenen enz., die zij aanvoerden, achterlieten. Thans geldt meer de theorie van den Zweedschen geoloog, Otto Torell, die in 1875 de meening uitsprak, dat in het diluviale tijdperk zich eene groote ijsmassa (gletschers) van Skaudinavië en Finland tot over de Noord-duitsche laagvlakte, waartoe ook Nederland behoort, heeft uitgestrekt. Het voorkomen van gekraste steenen op verschillende plaatsen, lüer te lande in den Hondsrug, in den bodem eener diepe put te Sneek, in het Roode Klif, op TJrk enz., volgens eene bepaalde richting gekrast, de eigenaardige buigingen in do aardlagen hier en daar waargenomen en de diepe kolken, gletschermolens, reuzenketels of -potten geheeten (Riesentöpfe en Sölle) en meren in JSToord-Duitschland en hier te lande, bij het afsmelten van het ijs ontstaan l), kan slechts verklaard worden , door aan te nemen dat lüer werkelijk gletschers geweest zijn, zoodat thans de gletscher-theorie van Torell vrij algemeen in de plaats gesteld wordt van de Drift-theorie van Lyell.
Er is echter één verschil met de tegenwoordige Alpengletschers. In de Alpen vindt men slechts een ijsstroom in de dalen; het meer vlakke noordelijke Europa was geheel met ijs bedekt, ja er bewoog zich waarschijnlijk een machtige ijsstroom, met Scandinavië als middelpunt, naar het zuiden, oosten en westen, die behalve de plaats van het tegenwoordige vlakke land ook de tegenwoordige Oost- en Noordzee tot aan Groot-Brittanië toe, innam. Men had dus landijs, dat evenals een gletscher in beweging was, daardoor steenbrokken, puin enz. verplaatste en door zijne drukking de hierboven genoemde geologische werkingen daarop en op den bodem, waarover het zich bewoog, uitoefende 1).
Behalve uit het noorden werd echter ook uit het zuiden diluviale grondmassa aangevoerd. Want evenals er in Noorwegen nog sporen van voormalige gletschers aanwezig zijn, als gladgeschuurde berghellingen, voorzien van groeven en .schrabben op de wijze ontstaan, als hierboven verklaard is, en die zelfs de lichting aanduiden, waarlangs het ijs zich heeft bewogen, zijn er ook in zuidelijk Europa, met name in de Alpen de duidelijkste sporen aanwezig, dat de gletschers aldaar vroeger een veel grooter gebied hadden dan tegenwoordig.
Behalve gladgeschuurde vlakten vindt men ophoopingen van steenen (eind-moraines) op plaateen, waar de tegenwoordige gletschers op verrena niet meer aan toe reiken; steenhoopen, die met de tegenwoordig gevormd wordende
) Noord-Dnitschland is zelfs twee keer met ijs bedekt geweest; de eerste met landijs dat min of meer zuidelijk zich bewoog en steenen aanvoerde uit Scandinavië afkomstig; de tweede ijsstroom had meer eene westelijke richting en voerde steenen uit Finland aan. Tusschenbeide was het land vrij van ijs en konden er planten groeien en dieren leven. Overblijfselen daaraan uit dit zoogenaamde inteiglaceaal tijdperk vindt men tusschen de twee door ijs gevormde moraines.
43
eindmoraines groote overeenkomst hebben en wier vorming het best door gletsehers verklaard wordt. De AJpengletschers daalden echter niet zoo ver af naar het noorden, dat zij Nederland bereikten. Maar waarschijnlijk werden met den Eijn en de Maas gletscherbrokken, van de bergen aan hare oevers afkomstig en met pnin en steenen van die bergen beladen, aangevoerd, of werden met het toen snelvlietende water dier rivieren groote massa's zand en steenen, door de gletsehers in de dalen gebracht, vorder gevoerd dan thans en op de plaatsen, waar nn de provinciën Gelderland, Overijsel, Utrecht, Limburg en Noordbrabant gevonden worden, uit het water afgezet. De overeenkomst toch van de steensoorten in hot Rijn-diluvium met die, welke de bergen aan de oevers dezer rivier samenstellen en die van het Maas-diluvium met de gesteenten, waaruit het Ardennerwoud, het hoofdgebergte waardoor deze rivier haren loop neemt, bestaat, in verband met hot bovenstaande beschouwd, wettigen het besluit, dat het zand met de daar-tusschen liggende steenen van eu langs het Rijn- en Maasdal zijn aangevoerd. Terwijl het Scandinavisch diluvium dus meer bepaald eene ijsvonning is en de kern daarvan uit grond- en eindmoraines van het voormalige landijs, de ongelaagde keileem, bestaat, is het Rijn- en Maas-diluvium meer eene watervorming en daardoor grootendeels gelaagd, ofschoon de groote keien daarin voorkomen.le niet wel anders dan door ijs vervoerd kunnen zijn. Mogelijk dreven brokken van het landijs ook zuidelijk, werden zoo de steenen die zo meevoerden vermengd met die uit het zuiden en ontstond zoo het gemengd diluvium.
Op grond van een en ander veronderstelt Prof. Martin i), dat deze diluviale vormingen in de volgende tijdorde hebben plaats gehad.
a. Oxide riviervormingen of Préglaceale vormingen. Hiertoe behooren behalve het Ryn- en Maasdiluvium een gedeelte van het Gemengd diluvium, met name de Veluwezoom langs Eijn en Usel. Deze vormingen hebben oorspronkelijk zoo niet het geheele dan toch het grootste gedeelte van het tusschen Rijn en Usel gelegen delta opgevuld, voor zoover het van diluvialen oorsprong is en maken waarschijnlijk een belangrijk deel uit van den ondergrond der noordelijke provinciën.
h. Landijs- (gletscher-) of Glaceale vormingen, namelijk grond- en eind-moraines van het landijs, dat behalve Noord-Duitschland een groot gedeelte van Noord-Nederland eens bedekt moet hebben. Waarschijnlijk heeft dit landijs den tegenwoordigen Rijnloop niet overschreden en is de ijskant van invloed geweest op den loop dezer rivier en heeft hij haar belet naar het noorden te vloeien. Behalve het Scandinavisch diluvium behoort hiertoe hot ongelaagd gemengd diluvium, dat door Dr. Lorié in de Utrechtsche heuvels en in het oosten van Gelderland en Overijsel is aangetoond. Als eindmoraines, bij liet afsmelten van het ijs gevormd, zijn o. a. de heuvelen te beschouwen die den Hondsrug vormen en in Z.Z.O. richting vanaf Groningen zich tot in het zuidoosten van Drente uitstrekken.
c. Vormingen ontstaan hij het afsmelten van het landijs of Postglaceale vormingen. Hiertoe behoort in de eerste plaats het zanddiluvium. Door de
') Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Aard. Gen., II Serie, Deel VI, bl. 1.
44
linogere temperatuur, die op het einde van liet diluviale tijdperk moet zijn ingetreden, werd liet ijs der gietschers gesmolten. Hevige waterstroomen waren daarvan liet gevolg. De heuvels van grint, zand en leem werden afgespoeld en uitgegroefd. De grootere steenen bleven liggen; alleen fijne grint, zand en wat leem werden door het water meegenomen en worden nu in de laagten tussohen de heuvels en op hunne hellingen, als zanddiluvium teruggevonden. Ook de dalen tusschen de heuvels en, evenals in Noord-Duitschland, enkele meren (Zuidlaardermeer b.v.) kunnen op deze wijze in dezen tijd zijn ontstaan. Brokken ijs kunnen voorts van de gietschers zijn afgescheurd of van elders als ijsbergen zijn komen aandrijven, waardoor weder andere vonningen zijn ontstaan, b.v. die, welke door Dr. Lorié met den naam van „gelaagd gemengd diluviumquot; bestempeld worden.
Naar den tijd zouden dus achtereenvolgens ontstaan zijn;
10 Rijn en Maasdiluvium;
20 het Scandinavisch diluvium en het gemengd diluvium dat ongelaagd is;
3° het gelaagd gemengd diluvium en het zanddiluvium.
Het Rijn- en het Maasdiluvium zijn dus het oudst; zij komen in de zuidelijke provinciën aan de ojipervlakte voor en zijn meer noordelijk door het later gevormde Scandinavisch en gemengd diluvium overdekt, door het eerste in de noordelijke provinciën, door het tweede in de midden-provinciën.
Van nog jongeren datum is het zanddiluvium, daar dit wel het zand niet grint en keien (grintdiluvium) bedekt maar niet omgekeerd; terwijl het algemeen den ondergrond van de in lateren tijd ontstane alluviale veen- en kleigronden vormt !).
Hetzelfde geldt van de Limburgsche klei of het löss. quot;Waar dit aan de oppervlakte voorkomt, ligt het meestal tusschen de grintgronden in en overdekt deze, maar veen of gewone rivier- of zeeklei treft men er niet onder aan. Blijkens de daarin voorkomende overblijfselen van zoetwaterdieren is deze eigenaardige grondsoort afgezet in een min of meer van de zee afgesloten boezem of meer, waarin de Rijn en andere rivieren haar water stortten of waardoor ze haar loop namen. De slibmassa, die met het water van deze rivieren werd aangevoerd, vulde dit waterbekken langzamerhand geheel en al. Of hier ook löss gevormd is door het verstuiven van de door het ijs gevormde fijne slib of van de fijne verweeringsproducten van leigesteenten, gelijk elders, o. a. in China, schijnt te hebben plaats gehad, is niet met zekerheid bekend.
Vroeger toen de Drifttheorie van Lyell gold, volgens welke de diluviale grond voor een groot deel door drijvende ijsbergen zou zijn aangevoerd, moest, om te verklaren, hoe het komt dat deze gronden thans verscheidene meters hooger liggen dan de gemiddelde oppervlakte der zee, worden verondersteld, dat de bodem hier en elders is opgeheven zooals thans bijvoorbeeld wordt waargenomen, oji de eilanden en de kusten van Noorwegen en Zweden, eene verheffing, die volgens meting aan peilschalen op een meter
!) Gedeeltelijk kan liet zanddiluvium ook door de in dit of in 't begin van het alluviale tijdperk snelvlietende rivieren, waarin geen klei afgezet of geen veen gevormd werd, ontstaan zijn.
45
per eeuw mag gesteld worden. Rotsen, vroeger onder liet zeewater bedolven, vormen daar thans klippen, waartegen het opkomende vloedwater wordt terag-gestooten en die eigenaardige beweging in het water veroorzaken, bekend onder den naam van branding. Plaatsen, waar de schepen vroeger veilig langs konden zeilen, zijn daardoor thans gevaarlijk voor hen geworden.
Volgens de theorie der landijsvorming is zidk eene veronderstelling van het opheffen des bodems niet noodig. Want het is duidelijk, dat toen het ijs smolt, het gevormde water zich in de laagten verzamelde en dat na het terugtrekken van het ijs ook het rivierwater meer geregeld kon afvloeien en de gevormde bodem, die het voormalige zeebekken uit het tertiaire tijdperk, bl. 35, voor een groot deel had gevuld, kon droogvallen. Diepe putboringen, in de laatste jaren verricht, hebben toch aan 't licht gebracht, welke groote massa grond in het diluviale tijdperk door ijs en water is aangevoerd. Zoo werd gevonden dat de diluviale lagen te Delden eene dikte hebben van 14 meter, te Groes van ongeveer 30 meter, te Gorcum 108 meter en te Utrecht 137 meter. Natuurlijk hebben die lagen eene geringere dikte, zooals ook uit de aangehaalde cijfers blijkt, waar liet diluvium aan het tertiair grenst, en de voormalige zee weinig diepte had, namelijk in het oosten van Overijsel, Gelderland en Limburg en langs de zuidelijke grens van ons land. Daar wordt de oude tertiaire zeebodem dan ook op geringe diepte aangetroffen en geven zijne hoogten en laagten zelfs den vorm aan den hem bedekkenden diluvialen grond, zie bl. 35.
Ook werd daarbij aangenomen dat die opheffing in eene bepaalde richting plaats had, om daardoor te verklaren dat er ruggen en heuvelreeksen van eene bepaalde strekking zijn ontstaan; maar nu het zeker is, dat werkelijke gletschers ons land bedekt hebben en hier moraines hebben achtergelaten, is ook deze veronderstelling niet meer noodig. Wie eens bij laag water oji eene zandbank in onze Wadden geweest is, kan zicli ook licht eene voorstelling maken, hoe onder den invloed van het snel stroomende water, die heuvels, welke als eilanden en zandbanken in de toenmalige met water overstroomde vlakte beschouwd kunnen worden, als het ware gefatsoeneerd zijn en eerie bepaalde richting hebben gekregen, zoo deze door de richting van den ijs-stroom er niet reeds aan gegeven was; hoe elders diepe geulen (de tegenwoordige dalen) gespoeld zijn, op gelijke wijze als dit thans nog op onze Wadden geschiedt. De aanwezigheid van leem, dat grootendeels als een slijp-product van het landijs kan beschouwd worden en niet zoo gemakkelijk wegspoelt als zand, in deze heuvels is waarschijnlijk een der redenen dat zij zijn blijven bestaan, terwijl de zandige gedeelten meer zijn geëffend.
Na de vorming van de verschillende diluviale gronden begint het tijdperk der hedendaagsche of alluviale vormingen. Wij moeten liier echter niet aan een' plotselingen overgang denken, maar ons voorstellen, dat terwijl de bodem allengs van ijs bevrijd en boven het water verheven geraakte en het klimaat zachter werd, er hier grond werd aangeslibd, ginds duinen of hooge-en lage venen ontstonden, dat er dus aardlagen werden gevormd, die tegenwoordig nog ontstaan en die wij tot het alluvium gebracht hebben.
Eene moeielijkheid bij de verklaring van het ontstaan dezer gronden geeft ons echter de voortdurende strijd, die er gedurende dit tijdperk, evenals in
46
de voorafgaande tijdperken tusschen liet gevormde land en het water plaats had, of anders: de omstandigheid, dat het water, waaruit nu eens klei of zand bezonk of waarin veen gevormd werd, op een anderen tijd dien aangeslibden grond en het gevormde veen weer wegnam. Dewijl in den geschiedkundigen tijd genoeg voorbeelden daarvan zijn aan te halen, mag men op grond daarvan besluiten, dat zidks in den vóórhistorisehen tijd ook heeft plaats gehad.
De geschiedenis, ofschoon niet altijd klaar en duidelijk, vermeldt b.v., hoe de plaats waar thans de Zuiderzee gevonden wordt, ten deele ingenomen werd door het meer Flevo, „dat (zijn water) met een' veel smallereu uitloop dan thans die zee, tusschen Friesland en Noord-Holland door, in de Noordzee ontlastte; hoe het in de middeleeuwen tusschen de Zuiderzee en den mond van het Vlie nog vastland was, schoon laag en, behalve dat, met veel wateren doorsneden; hoe de Noordzee ingang in het land heeft verkregen, Tessel van Vlieland gescheiden, Wicringen enz. van het vaste land gerukt en veel gronds weggenomen heeft enz.quot; l).
De Wadden-eilanden hadden eene grootere uitgestrektheid en waren ten deele denkelijk met het vastland verbonden. „Ten tijde dat de Romeinen in deze streken krijg voerden en dus voor omtrent achttien eeuwen, bestonden wel reeds deze eilanden en Wadden, alsook zeer vermoedelijk de meeste van onze aangeslijkte kleilanden, maar de eerstgenoemde waren alstoen veel aanzienlijker, zoo niet in aantal, dan toch in grootte. Zij leerden toen van de Jutlandsche kaap af drieëntwintig eilanden kennen. Nu kan men er nog wel ongeveer even zooveel berekenen, doch deze zijn niet meer dezelfde en alle voorzeker veel kleiner. Bovendien lagen waarschijnlijk vele toen nog door zulke ondiepe Wadden met het vasteland verbonden, dat deze altlians in den zomertijd, nog grootendeels hij eb droog kwamen te liggen en op vele plaatsen konden overtrokken wordenquot; 1).
Uit de geschiedenis en door het vinden van overblijfselen van gebouwen, van veen of darg enz., in zee en onder de duinen is het bekend, hoe door geweldige overstroomingen land verzwolgen werd: Holland daardoor van Friesland, Oost-Friesland van Groningen werd afgescheiden, hoe de Zuiderzee, de Dollard en de Biesbosch, de Middelzee, (die later weer dicht geslibd werd) enz. ontstonden; hoe de duinen verder oost- of zuidoostwaarts verplaatst werden enz.
In 't algemeen mag en kan men op grond van de geschiedkundige berichten aannemen, dat de mtgestrektheid van Nederland grooter was dan tegenwoordig. In overeenstenuning hiermede is de geaardheid van den bodem, die thans nog nu en dan onder de wateren gevonden wordt, welke de plaats waar vroeger land gevonden werd, innemen. Het vinden van darg of veen en kleilagen op de Wadden is een duidelijk bewijs, dat hier eenmaal meerdere stilstand in 't water moet geweest zijn, waarin die klei kon bezinken of dat veen kon gevormd worden, waaruit verder volgt, dat die streek
) Dr. R. Westerhoff en Dr. G. A. Stratingh, t. a. pl., bl. 35.
47
beter tegen het zeewater beveiligd moet geweest zijn en dus de duinen dor eilanden een beter aaneengeschakeld geheel vormden.
De strijd tusschen 't land en 't water in dit tijdperk is met de duinvorming begonnen.
Nadat de diluviale zandgrond van ijs bevrijd eu gedeeltelijk boven het water verheven was geworden, wierp de zee dit zand op eenigen afstand van de kusten tot zandbanken omhoog, evenals zulks tegenwoordig nog geschiedt. Droog wordende, werd het door den wind opgenomen en tot heuvels opgewaaid. Zoo vormde een heuvelenreeks aan de kust de natuurlijke borstwering voor het indringen van de zee. Alleen daar, waar de rivieren en riviertjes haar water in de zee stortten, was zij verbroken en liad het zeewater vrijen toegang.
Wij dienen ons dus voor te stellen, dat de toenmalige kust er ongeveer evenzoo uitzag als tegenwoordig aan de monden van de Weichsel en de Oder aan de Oostzee, den Nijl in Egypte enz. Deze rivieren namelijk storten niet onmiddellijk haar water in de zee uit, maar in een kom, aan de Oostzee Haff geheeteu, door eene smalle streep gronds, den oeverwal (Nehrung), van de zee gescheiden i). Van een' dergelijken oeverwal nu vormen de duinen aan de westkust van ons land en die der reeks Wadden-eilanden nog de overblijfselen. Vroeger maakten zij meer een geheel, eene Nehrung uit, zooals er aan de Oostzee verscheidene voorkomen. Het binnen dien landtong aanwezige Haff wordt thans ingenomen door de zooevengenoemde lagere gedeelten van ons land, de provinciën: Zeeland, westelijk Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland , een groot gedeelte van Friesland en van Groningen en de Zuiderzee.
Terwijl nu in de poelen en moerassen van de reeds gevormde zandgronden veen ontstond, vooral moerasveen en hoogveen en aan de oevers der rivieren en deels in het Haff rivierklei, werd het Haff langzamerhand opgevuld met zeeklei en laagveen. Waarschijnlijk bevatte het Haff eerst meer zoetwater en was de vorming van rivierklei en veen meer algemeen. Later toen de duinenrij ten deele verbroken werd en daardoor het Haff meer met de zee in verbinding kwam, werd in hot brak- of zoutwater zeeklei afgezet; alleen aan de oevers van de grootere of kleinere rivieren meer stroomopwaarts, vormde zich nog eene zoetwater-bezinking, beek- of rivierklei, en in de overgebleven meren, poelon en plassen veen.
Die kom, tusschen het diluvium en den oeverdam of de duinerij, schijnt eenmaal bijna geheel opgevuld te zijn geweest, maar zooals reeds gezegd is, door geweldige watervloeden werd het gevormde land weer weggeslagen, zelfs verder op sommige plaatsen, aan den Dollard b.v., dan de tegenwoordige kusten, totdat de mensch tusschenbeide is gekomen en niet alleen door het opwerpen van dijken de zee belet hooft, verder landwaarts in te dringen, maar ook zorgvuldig do op nieuw aangeslijkte gronden zoo spoedig mogelijk heeft binnengedijkt en togen het opnieuw verspoelon heeft beveiligd.
Veenvorming en aanslibbingen zijn do voornaamste geologische werkingen.
') Als een dergelijke kom kan men nog de Zuiderzee beschouwen, waardoor de I.Tsel stroomt en waarin, gelijk wij gezien hebben, vrij wat slib zich afzet.
48
waardoor de alluviale bodem vooral der kuststreken van ons land gevormd is. Die vormingen dienen we nog nader te beschouwen i).
A. Veenvorniing.
Veen, hebben we vroeger gezegd, bestaat uit overblijfselen van planten, die bij afsluiting van lucht onder water of in een' vochtigen bodem eene scheikundige verandering hebben ondergaan. Om van die verandering, welke zeer ingewikkeld is en van verschillende omstandigheden (de temperatuur, geheele of gedeeltelijke afsluiting der lucht enz.) afhankelijk is, een denkbeeld te krijgen 1), is het slechts noodig eenige planten of plantendeelen geruimen tijd onder water te houden. Terwijl de planten allengs in eene bruine of zwarte massa veranderen, die gedroogd, tot een poeder fijn gewreven kan worden, stijgen uit het water eene menigte gasbellen omhoog. Die lucht of dat gas is geene gewone dampkringslucht, maar bestaat onder anderen uit koolzuur, het aan zijn stinkenden reuk gemakkelijk te herkennen zvjavelwater-stofgas en vooral uit moerasgas. Stoot men met een stok in eene moddersloot, waarin natuurlijk op dezelfde wijze veenvorming in het klein plaats heeft, dan komen eene menigte groote bellen omhoog, die uit hetzelfde gasmengsel bestaan en dat aan zijne brandbaarheid gemakkelijk kan herkend worden. Het bruine vaste overblijfsel der planten is veenstof. Voor een klein gedeelte lost het in water op en geeft aan het veenwater de eigenaardig bruine kleur.
Dat ook de temperatuur invloed uitoefent op de vorming van veen is duidelijk, wanneer men overweegt, dat venen noch in de heete luchtstreek (wel op de koudere bergen aldaar), noch in de koude luchtstreken, maar alleen in de gematigde luchtstreken worden aangetroffen. In het koude diluviale tijdperk is daarom ook weinig of geen veen gevormd 3).
Naar hunne ligging worden de venen onderscheiden in hooge en lage. Beide verschillen bovendien in samenstelling en naar de planten waaruit ze gevormd zijn en vereischen dus eene afzonderlijke behandeling.
a. Vorming van laagveen.
Het vormen van laagveen kan nog het best worden nagegaan. Daar, zooals bekend is, vele dezer venen uitgebaggerd worden, ter vervaardiging van de korte of baggerturf, treft men in hunne nabijheid gewoonlijk waterplassen aan, plaatsen namelijk waar het veen uitgebaggerd is. In die min of meer diepe stilstaande wateren, begint weldra de veenvorming op nieuw.
Hunne oppervlakte is bedekt met een' weligen plantengroei. In hot midden of daar, waar het water dieper is, bespeurt men vooral de met hare groote ovale bladen op het water drijvende en mot gele of witte bloemen prijkende
) Zie over veenvorming Dr. F. Sen ft, Die Humi(s-, Marsch-, Torf- und Limontl-bildungen, enz. en Dr. A. Borgman, De Hoogvenen van Nederland.
3) Op Spitsbergen en andere eilanden van de Noordelijke IJszee vindt men steenol' bruinkool, eene dergelijke vorming als veen, maar deze zijn ontstaan in een tijdperk toen de temperatuurverdeeling op aarde eene geheel andere was.
4!l
Pompen of Plompen {Xympliaea alba ou Xiiphar hileiou) en do Scliooron, ook Kaarden, Hanekammen of Mieringen (Slrafiolrs alöides) gelieeten; aan de kanten of daar, waar hot water minder diep is, grooion andere planten, zooals Riet {Phragmites communis), Kalmus {Aeorus Calamus), Egelskop (Spar-ganium), Lisehdodden (Typhd), Kattestaarten (Lythrum Salicaria) enz. Deze planten, jaai'lijks afstervende, zakken op den bodem en daardoor hoopt zich in hot water eene groote massa overblijfselen van planten op, die na eenigen tijd van den bodem, waarin de wortels vastgegroeid zijn, los wordt en lichter dan water zijnde, komt boven drijven. Op die drijvende zode, in Groningen ladden, in Friesland tillen, tdland of drijf tillen, in Overijsel kraggen en in Holland rietxodden gelieeten, ontwikkelt zich weldra een niet minder welige plantengroei: Driekant of Sekgras {Carex) en Drieblad of Waterklaver {Meny-anthes trifoliata), soms ook struiken vooral van Els, quot;Wilg en Gagel (Miyrica Gale), slaan er op aan en vermeerderen de veenmassa jaarlijks op den nu drijvenden bodem, totdat zij den vasten bodem bereikt heeft en de geheele plas gevuld is. Het veen is dan gevormd. De boomstammen (kienhout), die men liier en daar in het laagvoen aantreft, wijzen er O]) dat vroeger boom-groei op deze venen nog al aanzienlijk was.
Voor de vorming van laagveen zijn dus noodig waterplassen en een ongestoorde plantengroei. Daar, waar het water voortdurend in beweging is, vormt zich geen veen. Wanneer dus op de tegenwoordige Wadden of elders veen wordt aangetroffen, dan mag men aannemen, dat hier eenmaal stilstaand water geweest is, tenzij het veen van elders mocht zijn aangevoerd. Eu ofschoon in de geschiedenis der watervloeden dikwijls melding wordt gemaakt van het wegdrijven van geheele stukken land, de zooevengenoomde'drijftillen namelijk, die elders weder aanspoelden en dus niet op de plaats zelve ontstonden , moet men echter dit als eene uitzondering beschouwen en als regel aannemen, dat het veen op de plaats waar het gevonden wordt, ook gevormd word. Dus ook op de Wadden.
Bovendien is voor de veenvormiug natuurlijk noodig, dat de planton, die in de zooevenvermelde plassen groeien, daar ook afsterven. Maar wanneer, zooals in do veenplassen in de omstreken van Giethoorn, bij Stcenwijk, eu te Kortehoef en Loosdrecht in 't Gooiland, geschiedt, do zooevengenoomde Scheeren door landbouwers worden weggehaald om de omringende bouwlanden er mede te bemesten, of wanneer, gelijk in de slooten en kanalen in de bebouwde streken althans geschiedt, de waterplanten van tijd tot tijd worden uitgerukt, of de bagger (ingespoelde aarde met overblijfselen van planton) wordt uitgegraven om den waterafvoer ongehinderd te doen plaats hebben of het weidende vee te schutten, dan wordt evenmin veen gevormd. Noch het oen noch het ander, noch ook de waterafvoer zal vroeger zoo goed hebben plaats gehad, waaruit volgt, dat do veenvorming toen meer algemeen moet geweest zijn dan tegenwoordig.
Yan de diepte van 't water hangt de dikte der veenlaag af, die daarin ontstaat. In ondiep water en in oen' drassen bodem bereikt het veen nooit die dikte, die het in dicii water krijgt, want eens boven water zijnde, groeit de veenlaag weinig of niet meer aan, vooral nu de venen meer algemeen tot hooi- of weiland aangelegd zijn en dus jaarlijks de daarop groeiende planton
REINDERS, I. Vierde druk. 4
50
worden weggenomen. Ook .le planten die hier het veen gevormd hebben of nog vormen, zijn andere. In ondiep water is het vooral eerst de Waterher-moes of het Pijpkruid (Equisetum palustre), ook wel Paardestaart geheeten, daarna Riet, Sekgras (Carex), Drieblad, Wollegras (Eriophorum) enz.; m drassigen bodem zijn het vool-al sekgrassoorten waaruit het veen ontstaan is. Dat deze laatste venen gewoonlijk moerasvenen genoemd worden, ter onder-sclieiding van de eigenlijke lage venen, is vroeger gezegd. Zij gaan met zelden in hoogveen over.
b. Vorming van hoogveen.
Wii hebben reeds gezegd, dat uit do geschiedenis is op te maken de voormalige boschrijkheid van ons land. liet vroeger aanwezig zijn vau bossc ien wordt nader bevestigd door de hooge venen, die blijkbaar deels uit boamp;schen
ontstaan zijn. , .
Tijdens do Romeinen deze streken bezochten, waren vele hooge venen 0
moerassige bosschen, zooals het voor eenige jaren nog aanwezige Beekbergerwoud op de Yeluwe l). Vele plaatsen, die de Romeinsche veldheer Julius Caesar, zoowel hier als in Engeland heeft bezocht en als met bosschen bezet
worden opgegeven, zijn thans hooge venen.
In een dergelijk bosch, de Drieschigt in Twente, heeft men de veranderin0
van bosch in hoogveen opzettelijk kunnen nagaan -).
Hoosveen bestaat dan ook uit overblijfselen van takken en bladeren van boomen en struiken en van eene menigte andere kleinere planton, vooral van Veenmos (Sphagnum), Wollegras (Eriophorum vaginatum), Strmkheide (Calluna vulgaris) en Dopheide (Erica tetralix). In sommige hooge venen komen echter weinig of geen boomstammen voor; zij zijn nagenoeg geheel uit eene of eenige der hierboven genoemde kleinere planten ontstaan en ook de bovenste lagen van een boschveen zijn daaruit in het algemeen gevormd. Waar bosschen de eerste aanleiding tot hunne vorming gegeven hebben worden de stammen der boomen nog als Menhout in de onderste lagen van het veen aans-etroffen; de vochtigheid van het oerwoud veroorzaakte, dat zij en de tusschen hen groeiende planten, vooral mossen, in veen veranderd werden. Wanneer namelijk de uit de afgevallen bladeren, takken, enz. gevormde veenlagen zoo dik zijn geworden, dat de boomgroei met meer mogelijk is, dan sterven deze af, vallen om en heeft de veenvorming m den moerassigen bodem verder uit kleinere planten, vooral uit mossen plaats. Aerschi ene o
boomsoorten hebben elkander daarbij opgevolgd.
Een nauwkeurig onderzoek dienaangaande heeft aan 't licht gebracht , welke deze zijn en hoe zij elkander opgevolgd hebben. In de onderste hooge-veen-.la-en vindt men namelijk Menhout van dennen, daarboven van eiken, vervolge: berk en els. De laatste drie, benevens wilgen komen ook m de lage venen ïooi.
Dat de verandering van bosch in hoogveen thans niet meer algemeen p aats heeft, moet hieraan worden toegeschreven, dat de mensch tusschenbeide is
i) Dit woud is thans ontgonnen, zie Bijblad van de Landbouw-Courant, 1874,
bl. '245.
2) ])(•, Staring, Bodem van Nederland, I, bl. lü/.
51
gekomen, door, zooal niet voor eene betere afwatering, dan toeli voor het verwijderen van liot afgevallen on omgevallen hout te zorgen. Ook liet opslaan van houtgewas op do heide on op do lago venen wordt dooi' hein tegengegaan.
Waar echter niet een vochtig boseli do aanleiding tot de hoogveenvorming gaf en in het veen dus geen booinkern gevonden wordt, gaf daartoe waarschijnlijk de vochtige, komvormige ligging van den zandgrond aanleiding. Verzamelde zicli in zoo'n kom water, dan kon daarin ooi'st moeras- of laagveen gevormd worden en deze vorming langzamerhand, wanneer de veenlaag boven liet omringende water zich verhief, in dio van hoogveen uit Voenmos, quot;Wollegras, Heide enz., overgaan, dus laag- of moerasveen de eerste aanleiding tot het ontstaan van hoogveen geven.
Regel is dit echter niet, want bij eene vochtige ligging kan ook uit Heide, Wollegras, Vecnmos enz. veen ontstaan. Evenals de boomsoorten volgen ook deze planten elkander in den regel op. Eerst vormt zich b.v. veen uit Heide (zwart veen), dan uit Wollegras (vlokveen) en dan uit Voenmos (grauw veen), zoodat in een hoogveen deze veensoorten boven elkander liggen, en waar hot veen zich uitbreidt, treft men van den rand naar het midden gaande, de genoemde opvolging van planten in den regel aan.
B. Aanslibbingen of bezinkingen.
Wij hebben reeds meermalen van aanslibbingen melding gemaakt. Uit zee-, rivier- en beekwater zet zich slib (klei of zand) af en daardoor worden aard-lagen gevormd; zeeklei en zeezand, rivierklei en -zand, beekklei en -zand. Het zand der gevormde zandgronden, zandbanken geheeten, wordt wanneer ze droog worden, soms door den wind opgenomen en hieruit ontstaan do (luinon; zee-, rivier- en beekduinen.
Een eerste vereischte voor het vormen eonor bezinking uit genoemde wateren is natuurlijk, dat liet water slib bevat. Wij vragen daarom in do eerste plaats: bevat dit water slib, en zoo ja: vanwaar ontleent hot dit?
Bij de behandeling der gletsehers en van do verwoeringsgrouden is reeds vermeld, hoe door schuring en wrijving van do steenbrokken over elkander en onder het ijs eene ontzaglijke hoeveelheid puin on slib met liet smeltende ijs van de bergen af naar beneden wordt gevoerd. Ook door do kracht, die hot water bij zijne beweging (hot stroomen of vallen) uitoefent, door de uitzetting die hot, in scheuren en spleten dringende water bij hot bevriezen ondergaat, en vooral ook door de scheikundige werking, die de zuurstof en het koolzuur op de gesteenten uitoefenen enz., vallen de gesteenten uit elkander. Naar den aard dier gesteenten is dit uiteenvallen, of zooals hot gewoonlijk genoemd wordt, de veweering zeer verschillend. In hoofdzaak komt zij echter hierop neer, dat terwijl de steenen uiteenvallen, oen gedeelte er van in het water oplost en opgelost in het bron-, rivier- of zeewater terug gevonden wordt, een ander deel als een onoplosbaar min of meer fijn poeder, grint, zand of klei, overblijft, dat in het stroomende water zwevende of rollende, van de bergen af wordt gevoerd.
Dat stroomend water de rotsen verbrijzelt, leert de volgende proef van
4*
Daubrée l). Iu een cilindervormig vat, dat om een horizontale as kon rond-gedraaid worden, werd 3 kilogram veldspaath (zie bl. 31) eir o kdogram tater gedaan en' nu met cone snelheid van 2550 meter m het - ««e snelheid die vele bergstroomen wel hebben - rondgedraaid ^a 14u in een' waterstroom met dezelfde snelheid voortgaande zou de afgek de we 4G0 kilometer geweest zijn, — was eene hoeveelheid shj - ^an -• - » i o-ovormd, terwijl in het water 12.6 gr. kali, een op osbaar bestonddee van de veldspaath, gevonden werd. Per 25 kilometer doorloopou i™mte, /ou dit zijn -i/10 van het gewicht der veldspaath. Afgeronde brokken gaven echtei
veel minder slijk, slechts tk—two van h'ul
Dat het koolzuur de verweering bevordert, blijkt lueiuit, dat zuurhoudend water (gewoon spuitwater) genomen werd, er van de afgeronce
keien minstens Weemaal zooveel oploste.
Dat zuurstof hiertoe medewerkt, kan elke grametbrok, die aan weer en
wind blootgesteld is, ons leeren. De bruine aders, welke oveiquot; ^ ^ heenloopen, bestaan uit ijzerroest, dat door inwerking van de z^tof ^ dampkrings op hot kiezelzuurijzeroxydule van het gesteente - dat het altijd Sn kleine hoeveelheid bevat - ontstaan is. Langs die aders splijt het gesteente veel gemakkelijker; want, daar het ijzerroest eene grootere ruimte inneemt, dan het in den steen voorkomende ijzeroxydule, is hier reeds eene klei
^ ül ToiTdoet hetzelfde. Wij behoeven slechts te herinneren aan het schilferachtige voorkomen, dat elke steen, hetzij een gewone kei ot een baksteen en pleisterwerk, met water doortrokken, na het bevriezen vertoon .
Ook door den plantengroei wordt zij bevorderd. Niet slechts het geboom e dat met zijne wortels in de rotsspleten dringt en deze daardoor al groo er en erooter maakt, maar ook de nietigste mossen, gelijk die op onze daken, dragon daartoe bij, door of koolzuur te leveren, of de vochtigheid terug te houden, öf de steenen als het ware uit te groeven. r Tr , • i
Door deze en gene werkingen slijten de rotsen steeds af. Het puin zand of de slib worden met het rivierwater naar zee gevoerd, tenzij zo op de ro -massa blijven liggen en een verweeringsgrond vormen, zie bl. G, of iceds het bod of aan de oevers der rivieren blijven liggen.
Van de snelheid des rivierwaters hangt het af, hoe grootc en hoe zware steenbrokken al vervoerd worden. De grootere en soortelijk zmlere b ip cn hot eerst liggen, daarna de grint en het zand, terwijl de fijnere slib alleen dan zich afzet, wanneer het water eenigen tijd m rust komt. Vervolgt men den loop eener rivier, van haren oorsprong tot den mond, dan zal men m den regel de producten der verweering in de genoemde volgorde ^melen, omdat do stroomsnelheid in den regel naar den mond toe afneemt Alleen daar, waar de rivier een meer doorstroomt of haar water buiten de oevers treedt, gelijk met onze rivieren op de uiterwaarden t ge\al is, en^ioc0 toen zij nog niet met dijken waren omgeven, meer algemeen plaats had,
zich fijne slib af. De grootste massa fijne slib gaat met het water naar zee of zet zich bij geringer stroomsnelheid aan den mond, vooral wanneer die
1) Dehérain, Cours de Chimie agricole, p. 243.
ccn min of moor afgesloten kom vormt, bl. 47, af. Soms, gelijk zulks bij liot ontstaan van 't diluvium met onze rivieren 't geval moet geweest zijn, wordt ook zand enz. mee naar zee gevoerd. De Nederlandsche rivieren doon dit thans niet, gelijk uit een opzettelijk onderzoek van do rivierelib gebleken is l).
Do volgende opgaven kunnen oen denkbeeld geven welk eene verbazende lioeveelheid slib de zee van eonigo rivieren ontvangt.
De Mississippi voort jaarlijks in de golf van Mexico oono hoeveelheid slib, die, afgezet, 2331 hectaren ongeveer 10 meter hoog bedekken zoude; de Donau naar de Zwarte Zoo oono hoeveelheid, die 498 hectaren 10 meter hoog zou kunnen bedekken.
Do waarnemingen aan onze bovemivieren omtrent waterafvoer en slibge-halte 2) hebben het volgend resultaat gegeven.
|
Plaats en tijd van |
Jaarlijksche waterafvoer |
Jaarlijksche |
slibafvoer. |
Gemiddeld slibgehalte in |
|
waarnemingen. |
in milliardon M3. |
. . in nulhoonen K.G. |
in niillioonen MS. |
grammen por M3. water. |
|
Boven-liij n bij Pannorden (1879—1885). |
74 |
4000 |
2.5 |
54 |
|
Noder-Rijn bij Arnhem (1883—1884). |
18.1 |
610 |
0.381 |
45 |
|
Waal (1879—1885) bij Nijmegen bij St. Andiies. |
49 |
4700 3000 |
3 1.9 |
' 97 62 |
|
Boven-Maas bij Maastricht (1881—1885). |
9.9 |
980 |
0.61 |
99 |
|
I.lsol bij Wostorvoort (1880—1684). |
8.4 |
470 |
0.294 |
56 |
Yorder is uit do waarnemingen gebleken, dat het slibgehalte bij hooge waterstanden in den regel grooter is dan bij lage; dat hot slibgehalte bij sterken was der rivier veelal vrij plotseling zoor groot wordt, en dat in hot midden van don zomer het slibgehalte belangrijk grooter is dan bij gelijke waterstanden in andere jaargetijden.
Do uitkomsten der waarnemingen aan do benedenrivieren zijn minder zeker. Hot slibgehalte van den Zoeuwschen stroom het Zijpe was grooter dan dat van de Mosselkreek en hot water dezer riviertak rijker dan dat der Eendracht; van hot Zijpe en do Eendracht was het slibgehalte grooter bij vloed dan bij eb, van de Mosselkreok juist omgekeerd.
Te Kampen is liet slibgehalte van don IJsel iets kleiner, vooral bij hooge waterstanden, dan te Westervoort.
1) C. Lely, Nota over de uitkomsten van de waarnemingen omtrent hel slibgehalte der Nederlandsche rivieren.
2) C. Lely, t. a. pl.
54
Evenals rivierwater is liet zeewater een middel, waardoor in do natuur aardlagen vernietigd, vervoerd en weder afgezet worden. Yan liet eerste zijn reeds eenige voorbeelden aangehaald, aan de geschiedenis dor watervloeden ontleend. Men ziet het ook aan het gedurig verplaatsen der zandbanken en der eilanden op onze kusten. Onze zeegaten hebben eene neiging oiu zich steeds te verplaatsen. Do zandbanken, waar zij tusschen doorloopen, slaan aan de eene zijde af en zetten aan de andere zijde aan. Hetzelfde geschiedt met sommige eilanden. De Zeeuwsche eilanden slaan aan de zuidzijde af en slibben aan de noordzijde aan. Sommige Wadden-eilanden, b.v. Rottum, worden van het noordwesten naar het zuidoosten verplaatst. De Zeeuwsche stroomen gaan steeds verder noordwaarts, de zeegaten of riviermonden tusschen de zandbanken en de eilanden op de quot;Wadden over 't geheel zuid- en zuidoostwaarts.
Do slib nu, door de rivieren aangevoerd en ten deele in zee zich verspreidende, wordt voor een ander deel aan de monden der rivieren afgezet, b.v. aan do Ziüdhollandsche- en Zeeuwsche eilanden en aan de oevers van den Usel. Aan de Wadden en den Dollard is dit eveneens het geval.
Van welke rivieren de slib, welke zich op de laatstgenoemde plaatsen afzet, al afkomstig is, is niet met zekerheid te zeggen. Do Eems, de Lauwere en andere kleine rivieren voeren weinig slib, het IJselwator daarentegen voert eeno groote hoeveelheid aan. Deels zal dit aan zijne oevers en aan de kusten der Zuiderzee worden afgezet, deels door de verschillende gaten langs de Wadden stroomende, zeewaarts gaan, en met den vloedstroom weder naar de kust worden gedreven. Op deze wijze kan ook de slib, die met do Maas, de Schelde enz. in zee stroomt en met den daar heerschenden stroom noordwaarts wordt gedreven, met den vloed tusschen hot Marsdiep en de andere gaten door langs do Wadden worden geleid.
Het zoute- of brakke water in den Dollard, op de Wadden, in de Zuiderzee enz. bevat dan nu eens eene grootere, dan eone geringere hoeveelheid slib, hetzij deze rechtstreeks door de rivieren aangevoerd is, hetzij zij eerst aan de riviermonden is afgezet maar later door het water weei is opgenomen, liet water buiten de eilanden niet. Onder den invloed der getijden (ebbe en vlood), de heerschende winden en de stroomen, zot zij zich nu af, maar ook het zeewater zelf oefent hierop wellicht invloed uit. Koert men zware klei met zuiver water aan, dan blijft dit geruimen tijd troebel door de daarin zwevende deeltjes. Wordt echter zeewater genomen of eenig zout bij het water gevoegd, dan bezinkt de klei bijna oogenblikkelijk. Iets dergelijks heeft nu zeer waarschijnlijk ook plaats, wanneer slibhoudend rivierwater aan de monden met zeewater in aanraking komt l). Do in zeewater bezonken klei vormt echter oene losse massa, die bij eenige beweging dadelijk weer in het
water wordt verdeeld 1).
Met hot vloedwater wordt de slib naar de kust gedreven. Daaruit volgt,
2) Fr. Schulze, PoggendorH's Annalen der Physik nnd Chemie, 1866, S. .366; Th. Schlosing. Annalen de Chimie et de Physique, Wi-.
00
(lat plaatsen aan do kust, die niet door do dagelijksclio vloeden maar alleen door hooge vloeden worden overstroomd, ook niet veel meer opgehoogd zullen worden, omdat zij alleen nog in het laatste geval slib kunnen ontvangen.
Komt de vlocdstroom aan eene kust snel op, dan bevat de slib in den regel meer zand, en aangezien het zand eerder bezinkt dan de klei, wordt onder deze omstandigheden de aangeslijkto grond des te zandiger en komt hij vaak hooger te liggen, naarmate hij verder van de kust verwijderd is. Vergelijk bl. 17.
De slib zet zieli hoofdzakelijk tijdens de ob, wanneer hot water weder daalt of met andere woorden weer van do kust stroomt, af. Want daartoe is er rust in het water noodig, althans eene geringe stroomsnelheid en deze is in don regel geringer bij ob dan bij vloed. Hoe langer het water nu in rust is, gedurende don overgang van vloed tot eb (de kentering van het getij), on hoe langzamer het terugstroomt, des te moer slib zal or afgezet worden. Bij waarnemingen omtrent het slibgohalte der Zeeuwscho stroomon, hierboven vermeld, word dan ook herhaaldelijk gevonden, dat bij stil water liet slibgohalte voel geringer is.
Op dien meerderen of minderen stilstand van het water oefenen verscliil-lende omstandigheden invloed uit. Do vloodstroom, die natuurlijk do laagste plaatsen van liet Wad volgt, kan onder verschillende richtingen de kust naderen; maar daar de kusten van het vaste land of de zandplaten allengs hoogor worden, moot hot water altijd min of moor togen eene helling op-loopeu. Stroomt hot nu tijdons den vloed rechthoekig op do kust in, dan gebeurt het volgende. Dicht bij do kust ontstaan twee stroomingen: oen benedenstroom, die slibhoudend on landwaarts gericht is, on oen bovonstroom, veroorzaakt door hot teruggaande water. Deze laatste houdt den benedenstroom tegon, do snolheid hiervan vermindert en dientengevolge zot zich reeds gedurende den vloed slib uit hot water af.
Loopt do vloodstroom daarentegen langs de kust, dan gaat hot water als 't ware de kust rond. Do aanvoerende (vlood-)stroom en do afvoerende (ob-)-stroom loepen niet togen elkander in en behouden daardoor meerdere snelheid cn een gevolg hiervan is natuurlijk minder afzetting althans van fijne slib. Nadert de vloodstroom de kust ouder eon' hook, dan is do afzetting dos te grootor naarmate die hook meer den rechten nadert.
Komt de vloed van twee verschillende kanten op, zoodanig dat twee vloed-stroomen togen elkander inloopou, dan kan ook daardoor stilstand iu 't water ontstaan on slib afgezet worden i).
Hoe grootor hot verschil in hoogte van 't water bij eb en vloed is, dos te
') Dr. Tt. Westerhoff, De Kwelderkwestie en Dr. Venema en Dr. Stratingh, De Bollard. Natuurlijk kunnen deze en dergelijke verschijnselen onder gewijzigde omstandigheden ook bij de rivierbezinkingen worden waargenomen. Zoo zet zich vaak onder den invloed van tegengestelde of draaiende stroomen slib of tussclien de kribben in eene rivier, en komt er als het water eener rivier snel wast en met groote snelheid de uiterwaarden overstroomt, meer zand op de uiterwaarden, dat kort aan den oever bezinkt en den grond hier alzoo zandiger en hooger maakt dan den verder van den oever verwijderden uiterwaardsgrond, die minder en meer kleihoudcnde slib ontvangt. Vergelijk bl. 25.
50
grooter kleilaag or onder dozelfile omstandigheden (stilstand in 't water) natuurlijk kan gevormd worden. Kanalen of gaten, die liij vloed vol water en liij eb weder droog loepen, worden daardoor eindelijk geheel met slib opgevuld.
Yolgens Dr. G. A. Venema !) bevorderen aflandige winden, dat zijn die, welke van de kust a/waaien, de aanslibbing; terwijl daarentegen winden, die op cca kust /«waaien, aan die kust afslag veroorzaken.
Wanneer een wind van de kust afwaait, dan ontstaat eene dergelijke strooming in liet water als we zooeven bij een' vloedstroom, die rechthoekig op de kust loopt, hebben opgemerkt. De wind toch alleen op het bovenwater werkende, voert dit van de kust af; liet evenwicht wordt daardoor verbroken en dientengevolge stroomt slibhoudend benedenwater naar de kust toe. Bij vloed wordt het bovenste water door den wind tegengehouden, het benedon-water stroomt echter daardoor met des te grooter snelheid naar de kust en voort stoffen mee, die bij windstilte reeds eerder zonden bezinken. Treedt nu de eb in, dan wordt het bovenwater snel weggevoerd, maar liet afebbende benedenwater tegengehouden door den benedenstroom in 't water, door den wind veroorzaakt. Daardoor ontstaat meerdere stilstand in dit slibhoudende water en wordt er slib afgezet.
Een wind, die naar de kust toe gericht is, veroorzaakt eene dergelijke strooming, maar hooft eene tegengestelde uitwerking. Daardoor worden stoffen van de kust verwijderd, aangezien do afebbing van liet benedenwater er door bevorderd en zoodoende niet alleen de aanslibbing verhinderd wordt, maar er zelfs afslag plaats heeft 2).
Daar nu de zuidwesten- en westzuidwestenwinden de meest heerschende in ons land zijn, ligt eene kust wier strekking noordwest-zuidoost is, gunstig voor do aanslibbing, wanneer de zee ton noordoosten, b.v. de aan de Zuiderzee grenzende kust van Noord-Holland, maar ongunstig als die ten zuidwesten gelegen is, b.v. de Friesche Zuiderzee-kust, omdat in hot eerste geval de wind vaker van de kust afwaait, terwijl in het tweede geval juist het omgekeerde plaats heeft. Voel ongunstiger ligt eene kust echter, die ten westnoordwesten door do zee begrensd wordt, b.v. do westkust van Holland on Zeeland, omdat de westnoordwestenwindon bijna driemaal talrijker zijn dan de tegenovergestelde oostzuidoostenwinden. Ecno kust ten oostzuidooston door do zee begrensd, b.v. do Dollard en de Lauwerzee ten decle, breidt zich daarentegen onder dezelfde omstandigheden uit. De vermelde verplaatsing van de AVadd en -eilanden enz. en ook de uitbreiding van sommige meren wordt daardoor zeer goed verklaard.
De aanslibbing is verder afhankelijk van de eigenlijke stroomen. Terwijl door ebbe en vloed en door deu wind het water en de daarin zwevende stoffen eene heen- en weergaande beweging aannemen, die binnen zekere grenzen beperkt is, worden genoemde stoffen met hot water over eene groo-
') Nieuwe en eenvoudirjc verklaring van de veranderingen, die de kusten van ons land enz. ondergaan.
2) De werking van den wind op het water en den daardoor veroorzaakten afslag kan men het best waarnemen bij sommige meren, die zich aan de noordoostzijde uitbreiden en aan ile zuidwestzijde dichtgroeien.
57
toro mtgosti'okthoiil verplaatst door do eigenlijke stroomen. Zoestroomingen kunnen oji verschillende wijzen ontstaan (door de wenteling dor aarde om hare as, 't verschil in temperatuur enz.); de stroomen op de Wadden en tusschen de Znidhollandsclie en Zeeuwsche eilanden zijn slechts te beschouwen als riviertakken. Aangezien nu met hot rivierwater slib wordt aangevoerd, volgt daaruit, dat do richting dezer stroomen invloed op de aanslibbing moet uitoefenen.
Een niet minder grooten invloed oefent de plantengroei op do aanslibbing uit. Zoodra de strook, tot waar de dagelijksche vloeden reiken, eenigszins door aanslijking is opgehoogd, slaan hierop planten aan. Behalve eenige AVieren (Confervaecaé) en het Zeegras, ook wel Zeewier of Zeelint [Zostcra marina) geheeten, die hot verst in het Wad op en vooral bij Wieringen en in de Zuiderzee in groote hoeveelheid soms voorkomen, is do meest alge-meene plant, die men het verst van de kust af ontmoet, de gelede Zeekraal, Krabbestruik, Krabbekruid of Krabbekwaad [Saliconina herbacea). Bij meer kleihoudend slib wordt deze opgevolgd door eone strook bezet met Zulte, Starrekruid of Zoutwateraster (Aster maritima). Evenwel komt deze plant, die op do aanslibbingen van den Dollard zeer algemeen is, op de Wadden niet dan bij uitzondering voor. Tusschen do genoemde planten ontwikkelen zich weldra andere. Aan den Dollard wordt de zultestreek opgevolgd door het Kweldergras [Poa maritima), dat hier zeer welig groeit; aan de Wadden volgen op de Krabbestruik vooral liet Zandkruid met Kweldergras, Weegbreeën (Plantago), Ganzevoet {Ghenopodiurn soorten) enz., planten die bij den Dollard ook, ofschoon in geringere hoeveelheid schijnen voor te komen. De laatstgenoemde planten groeien als 't ware bij hoopjes. Er vormen zich namelijk langzamerhand groene plekken, die meestal droog liggen, door nog kale of slechts mot Zeekraal bezette plaatsen afgewisseld, totdat men eindelijk do kwelders of de geheel met planten, vooral met grassen, begroeide strook aan den dijk ontmoet. Tusschen deze groene plekken en den eigenlijken kwelder treft men op de Wadden op vele plaatsen een' door afslag gevormden schoorwal aan.
Op do aanslibbingen aan do Zuiderzee bij den mond desIJsols, door minder zout water bespeeld, groeien weer andere planten, vooral Biezen, Riot en Zegge of Driekantsoorten.
Door genoemde planten wordt de aanslibbing nu aanmerkelijk bevorderd. Terwijl zij aan den oenen kant meerder tegenstand en daardoor meer stilstand in het slibhoudend water geven en de afzetting van slib daardoor grooter is, bevestigen zij aan den anderen kant door hare wortels de afgezette slib boter en beveiligen zo daardoor moer voor verspoeling.
Op dit verspoelen oofent ook do meerdere of mindere droge ligging van den aangespoelden grond invloed uit. Als de slib, die met den vlood aangebracht is, tijdens de eb niet opdroogt, dan wordt zij bij den nieuwen vloed door het water op nieuw opgenomen.
Daarom tracht men op sommige plaatsen, onder anderen aan den Dollard, door hot graven van slooten en slootjes evenwijdig aan elkander en min of meer rechthoekig op de kust en door dwarsgruppels vereonigd, den aange-slijkten grond droog te leggen. De grond wordt daardoor in vierkantjes ver-
58
(lceld, met do aarde nit do slooten en gruppels opgehoogd en zooveel mogelijk geëffend of aan de kanten der slootjes en gruppels aan dijkjes gezet. Men tracht de snelheid van hot water bij eb daardoor tevens te verminderen en dus de aanslibbing te bevorderen. Elders, bij Kampen b.v., worden niet dit dool kleine dijken (vangdammen) aangelegd.
Daar de aanslibbing echter, zooals wij gezien hebben, vooral van de richting der heersehendo winden ten opzichte van de kust, do richting dor stroomen enz., dus van natuurlijke oorzaken afhankelijk is, zullen deze kunstmiddelen eerst dan baten, wanneer do natuur medewerkt. Omgekeerd zal bij het gebruik maken van deze middelen de natuurlijke gang der aanslibbing in 't oog moeten gehouden worden i).
HET KLIMAAT VAN NEDERLAND 2).
Naast den bouwgrond is de dampkringslucht door de natuur aangewezen om tot voortbrenging van planten te dienen. En niot alleen zijn hare be-standdeelen voor het groeien van planten maar ook voor het loven van mensch en dier onmisbaar. Bovendien hebben met haar verschillende veranderingen plaats, die wel eens meer bepaald natuurverschijnselen worden genoemd en op den plantengroei en op hot dierlijk leven een' groeten invloed uitoofonen. Wind, regen, onweer, eene gedurige afwisseling van temperatuur on wat men oeno heldere, betrokkene of bewolkte lucht noemt, zijn algemeen bekende verschijnselen of veranderingen, die in onzen dampkiing plaats hebben. Zij vormen wat men ook wel noemt het weer.
Do groote afhankelijkheid van verschillende bedrijven, maar vooral van don landbouw van hot weer en de hoop om uit sommige verschijnselen de toekomstige weersgesteldheid to voorspellen, hoeft reeds vroeg tot waarnemingen en tot gezegden, die nog in den mond van 't volle voortleven, aanleiding gegeven. De wetenschap heeft weliswaar in hot licht gesteld, dat woorsvoor-spollingen eenigo dagen vooraf nog niot mogelijk zijn, blijkbaar is ei echter reeds vroeg een streven geweest, om ook hier verband tusschen oorzaak en gevolg to zoekon; blijkbaar heeft men reeds vroeg voel belang in do kennis van hot weer gesteld. Do wetenschap hooft dan ook van do dampkringslucht on hare veranderingen een voorwerp van onderzoek gemaakt. Door jarenlange waarnomingen op verschillende plaatsen, vooral met daarvoor uitgedachte
1) Zie Dr. G. A. Venema en Dr. G. A. Stratingh, t.a.pl. en P. Heidema Sr., De vruchtbaarmaking van gronden door middel van slib, uitgegeven iloor het Ba-taafsch Genootschap te Rotterdam.
2) Dr. F. W. O. Krecke, Het klimaat van Nederland; McteoioXo^hche Jntivhocken ■ Verslagen der K. A. van Wetenschappen; Klein, Weerkunde door .). van Dam. Dr. W. .1. van Bebber, Lehrbuch der Meteorologie.
I
59
werktuigen als thermometers, barometers enz. en door berekeningen heeft men verband tnsschen de luchtverschijnselen ontdekt en hare oorzaken ten deele kunnen opsporen. Bovendien uit het bijzondere het algemeene afleidende, heeft men gemiddelde waarden gevonden, die voor de onderscheidene landen en streken der aarde zeer verschillend zijn.
De afwijkingen van deze gemiddelde waarden bepalen liet klimaat van een land, welk woord dan ook afwijking beteekent. Zoo spreekt men van een vochtig, van een droog, van een warm en koud klimaat enz., als do lucht vochtiger, droger, warmer of kouder is dan het gemiddelde van verschillende plaatsen.
Afwijkingen van deze gemiddelden komen in elk jaargetijde, op eiken dag, ja op elk uur voor en het zijri juist deze afwijkingen, welke ter beoordeeling van do weersgesteldheid np een zeker oogenblik dienen in aanmerking genomen te worden.
De invloed van het klimaat op de voortbrenging van planten en do andere takken van hot landbouwbedrijf is van zoo algemeene bekendheid, dat hot nauwelijks noodig schijnt door eenige voorbeelden dien invloed aan te toonen. Terwijl de Engelsche landbouwer bijna den geheelen winter door kan zaaien en zijn vee laten weiden, is dit in ons land slechts zelden in dit jaargetijde mogelijk. Tarwesoorten, die in Engeland met uitstekend succes verbouwd worden, mislukken liier niet zelden, omdat onze strengere winters ze doen doodvriezen. Yole landbouwers in zuidwestelijk Frankrijk verbouwen winter-vlas en winterhaver, omdat het zachte winterklimaat de teelt dezer gewassen niet verhindert en de groote droogte in de zomermaanden haar als zomergewas zeer onzeker maakt. De Maïs kan hier te lande wel als voedergewas verbouwd worden, maar voor de productie van zaad zijn onze zomers te kort of beter gezegd, de temperatuur in do maanden September en October, als wanneer de maïs rijp wordt, te laag. Do Maankop levert hier in hare zaden wel olie (papaverolie), maar weinig of geene opium om wolk product zij vooral in 't oosten geteeld wordt. Do rijpgewordono druiven bevatten hier en in Engeland wel een zeer aangenaam smakend vocht, maar goene genoegzame hoeveelheid suiker voor de productie van wijn. gelijk b.v. in Hongarije, waar do zomertemperatuur veel hooger is. Terwijl des voorjaars in Holland en Zeeland de weiden reeds met een frisch groen zijn bedekt on do boomen met hun bladerondos zijn getooid, vertoonen do Groningsche weiden nog hun vaal wintorkloed, is hot Groningsch geboomte nog kaal. Doze en gene verschijnselen zijn hoofdzakelijk aan den invloed van hot klimaat toe te schrijven.
Ook de verspreiding der planten over den aardbol wijst dien invloed aan. Do aardrijkskundigen zijn gewoon den aardbol, naar do verspreiding van do voornaamste cultuurgewassen, in eonige gordels te verdoelen. Hoofdzakelijk komt deze vordeoling met die der temperatuur op aarde overeen. Aardappels en Gerst kunnen het verst naar :t noorden verbouwd worden: in Zweden on Noorwegen op G8I/20 N.H.; Roggo teelt men aldaar tot op GG', Haver op 621/9° N.B.; Tarwe in Zweden op 02°, in Noorwegen op G-l0 N.B. Niet zelden mislukken lüer do graangewassen, aangezien ze bij ontoereikende warmte of to korten groeitijd niet rijp worden. Het groeien van planten is
1
60
clan ook, geJijk later nog in hot bijzonder opgemerkt zal worden, zeer afhankelijk van tie temperatuur, zoodat die noch te hoog noch te laag zijn kan, zal de plant niet in haren groei stilstaan of sterven. Bovendien worden vele harer levensverrichtingen, b.v. het vormen van sommige harer bestanddeelen, door de temperatuur gewijzigd, gelijk hierboven reeds door eenige voorbeelden is aangetoond.
Hetzelfde geldt van het leven van een dier. Yele huisdieren zijn weliswaar over de geheele aarde verspreid, velen kunnen aan een ander klimaat gewend (geacclimateerd) worden, maar verandering van klimaat heeft niet zelden verandering van eigenschappen ton gevolge. Eundveerassen, in een ruw en vochtig klimaat, bezitten eene dikkere huid en zijn met grovere haren bedekt dan die in eene warmere en drogere streek. Inzonderheid verandert ook de wol der schapen onder den invloed van 't klimaat. De korte gekroesde wol dor Spaansche merinos b.v. wordt langer, wanneer de dieren van een droog in een vochtig klimaat worden overgebracht !).
1. Samenstelling en eigenschappen van den dampkring.
liet gasvormig omhulsel der aarde, dat wij dampkring noemen, bestaat in hoofdzaak uit een mengsel van twee gassen: zuurstof en stikstof.
Van deze speelt het eerste bij de verschijnselen, die wij in het vervolg zullen behandelen, eene groote rol. Zoowel bij het verbranden en het verteren van stoffen als bij de ademhaling van dieren en planten, vooral waar te nemen bij het ontkiemen van 't zaad, het uitbotten van bollen en knollen enz., is zuurstof noodig. Het andere hoofdbestanddeel, de stikstof, neemt daarentegen slechts in enkele gevallen deel aan de scheikundige werkingen, die in den dampkring plaats hebben. De rol, die zij vervult, is meer, de hevige werking der zuurstof, die, zoo de dampkring enkel uit dit gas bestond, zon plaats grijpen, te matigen. Voorwerpen toch, die in den dampkring slechts langzaam verbranden, doen dit in een flesch, enkel mot zuurstof gevuld, met hevigheid. Omtrent de verhouding der stikstof tot do voeding der planten doelen wij in het hoofdstuk over do levensverschijnselen der planten iets mede.
In ronde getallen bevatten 100 liter dampkringslucht 21 liter zuurstof en 79 liter stikstof of mot andere woorden: op ongeveer ! zuurstof heeft men A stikstof.
In alle streken der aarde en ten allen tijde is nagenoeg dezelfde verhouding gevonden. Wel wordt bij het verbranden, het ademhalen enz. steeds zuurstof verbruikt, dat is in scheikundige verbindingen opgenomen, van den anderen kant echter wordt uit scheikundige verbindingen zuurstof afgescheiden. Het laatste geschiedt, gelijk wij later zullen vermelden, vooral door do planten. Vermindert dus in de eerstgenoemde gevallen het zuurstofgehalte der lucht, in hot laatstgenoemde geval wordt liet verlies hersteld. Alleen bij het veenbranden, of — gelijk in sommige streken van Amerika en elders gebruikelijk is — bij het aardbranden en in vertrekken, waar veel mensehen of dieren samen zijn, kan het zuurstofgehalte der lucht plaatselijk en tijdelijk minder worden. Evenwel door de eigenschap, die men veronderstelt dat de lucht-
') Dr. II. Settegast, Tttierzucht.
I
«1
doeltjes bezitten, van in eono voortdnrencle en in dezelfde richting voortgaande beweging te zijn, wordt het cvemvicht spoedig hersteld. Evenals do veendanip, gelijk bekend is, zicli zichtbaar nren ver rondom de plaats, waar het veenbranden geschiedt, uitbreidt, doen dit ook, ofschoon onzichtbaar de andere luchtdeeltjes. Terzelfder tijd begeeft zich Incht van andere plaatsen en dus ook zuurstof daarhenen, waar dit gas verbruikt is, en na eenigen tijd is geen verschil meer te bespouron (Diffusie der gassen). In stallen of vertrekken, waar dieren of menschen opgehoopt zijn, mogen de wanden do luchtdeeltjes in hunne, in dezelfde richting voortgaande, beweging tegen-honden en terugstooten, uit een nauwkeurig onderzoek is hot gebleken, dat do lucht door metselwerk, glas, den bodem enz. en in allen gevalio door spleten en reten dringt en er uitwisseling van lucht van buiten naar binnen en omgekeerd plaats heeft. Zonder deze eigenschap zou de lucht in onze vertrekken en in onze veestallen spoedig bedorven zijn. Men hooft toch gevonden dat, om 24 uur te leven in eene volkomen afgcslotene ruimte, er noodig zijn:
Voor een man van 65 KG...... 70—154 IP lucht.
„ „ paard „ 500 „..... 537—1187 „ „
„ „ rund „ 400 „..... 430—950 „ „
„ ,, schaap „ 30 ....... 32—71
„ „ varken „ 80 „.....80—!)0 „ „
Bovendien geven eone menigte andere oorzaken aanleiding tot verplaatsing der luchtdeeltjes, die, zoo zij duidelijk waargenomen wordt, algemeen bekend is onder den naam van wind en mode veroorzaakt, dat de lucht bijna overal en altijd dezelfde samenstelling heeft. Daar de zuurstof echter in iets grootere hoeveelheid in water oplosbaar is dan de stikstof, hoeft men wel waargenomen , dat na hevige regens hot zuurstofgehalte der lucht plaatselijk iets minder kan zijn. Maar ook in dit geval is om bovengenoemde reden het verschil al spoedig niet meer te ontdekken.
Behalve zuurstof en stikstof worden er in de lucht nog eono menigte andere stoffen aangetroffen, die, ofschoon in geringe hoeveelheid aanwezig, toch van groote beteokonis zijn. Van deze noemen wij in do eerste plaats het koolzuur (ook kooldioxyd en koolzuur-anhydrid geheeton). De gemiddelde hoe-veelheid van dit gas, in do lucht voorkomende, bedraagt in 10 000 liter 3 liter of ongeveer lug()g deelen. Bijna overal, zoowel op het vlakke veld als in de steden, op de bergen en op zee wordt deze verhouding gevonden. Alleen in de zooevengenoemde gevallen, waarin de hoeveelheid zuurstof der lucht afneemt, neemt het koolzuurgehalte in den regel toe. Ook in enkele steden werd hot gehalte grooter gevonden. Zoo is do kleinste hoeveelheid te Londen 0.03 proc., op nevelachtige dagen gemiddeld 0.072 proc. en in Dec. 1882 na langdurigen nevel was er zelfs 0.141 proc. In schoollocalen en in veestallen is de hoeveelheid in den regel eveneens grooter en bedraagt soms 0.5 proc. en meer. Daar onze brandstoffen koolstof bevatten, waarmede de zuurstof der lucht zich tot koolzuur verbindt, laat zich het verdwijnen van zuurstof en liet gelijktijdig ontstaan van koolzuur gereedelijk verklaren. Eeno langzame verbranding heeft ook in het lichaam van mensch en dier plaats. De werktuigen voor do ademhaling, die eensdeels, bij do inademing, versche
|
02
Incht in liet lichaam voeren, voeren anderdeels, bij uitademing, liet gevormde koolzuur weer weg, waardoor de toeneming van de hoeveelheid koolzuur in de lucht op plaatsen, waar monschen en vee opgehoopt zijn, verklaard wordt. Een volwassen inensch ademt in een uur ongeveer 22 liter koolzuur uit en de lucht door hem uitgeademd bevat ongeveer 4 proc. koolzuur. Ook bij de langzame verbranding of de vertering van overblijfselen van planten en dieren in of op de aarde wordt zuurstof verbruikt en koolzuur gevormd. Zoo vonden Boussingault en Lewy, dat de lucht in een' bouwgrond bevatte in 100 liter 0.93 koolzuur, 19.50 zuurstof en 79.57 stikstof, dus ongeveer 30 maal zooveel koolzuur als gewoonlijk in den dampkring voorkomt, en eene daarmede evenredige hoeveelheid zuurstof minder. De lucht in een bosch is gewoonlijk mede iets rijker aan koolzuur. In eene eerst negen dagen geleden bemesten grond was de hoeveelheid koolzuur 24quot;) maal grooter dan in de lucht. Evenwel blijkt uit latere proeven van Dehérain, Wollny en Schlösing Jr., dat hot verschil in koolzuurgehalte niet zoo groot is, naardat de grond moor of minder humus (mest) bevat !).
Niet door verbranding maar door andere scheikundige werking wordt voorts bij vulkanen en in vulkanische streken, in de aarde, koolzuur vrij gemaakt; liier stroomt op sommige plaatsen koolzuur uit grotten en aardspleten en is de hoeveelheid van dit gas in den dampkring in de nabijheid daarvan zoo groot, dat do ademhaling niet alleen belemmerd, maar het leven van mensch en dier in gevaar gebracht wordt. Als zulke plaatsen zijn bekend het Doodendal op Java en do Hondsgrot bij Napels.
Nog eene andere bron voor hot iu de lucht aanwezige koolzuur is do gisting, die bij do bereiding van wijn, bier, spiritus enz. plaats heeft. Vandaar dat in de lucht der gistinglocalen ook eene grootere hoeveelheid koolzuur kan aangetoond worden.
Van zuurstof en stikstof onderscheidt zich het koolzuur door zijne grootere zwaarte; het is ruim 1.5 maal zwaarder dan do dampkringslucht. Het bezit wel dezelfde veronderstelde eigenschap, die alle gassen gemeen hebben, namelijk dat zijne deeltjes in eene steeds voortgaande beweging zijn, en daardoor kan er van een voortdurend bewaren in een open vat ook van dit gas geen sprake zijn; maar zwaarder zijnde, wordt het meer door de aarde aangetrokken dan zuurstof on stikstof. Mon kan het koolzuur daarom, evenals eene vloeistof, van het eene vat in 't andere overgieten en in localen, waar veel koolzuur gevormd wordt, hoopt het zich bij onvoldoende luchtverversching op den bodem daarvan op, evenals aan de oppervlakte der aarde bij don zooevengenoemden Hondsgrot en het Doodendal. Ook in gistkuipon kan het vrij lang blijven zweven. Daar nu de ademhaling van een dierlijk lichaam bij eene te groote hoeveelheid koolzuur in de lucht eu daarmede het leven ophoudt, veroorzaakt het niet zelden den dood van iemand, die zich te vroeg in eene gistkuip begeeft, en van menig dier, dat zich te dicht bij de aardspleten, waaruit koolzuur stroomt, waagt. Daar hot koolzuur de verbranding niet kan onderhouden, is liet uitgaan van een licht in eene gistkuip een bewijs, dat er te veel koolzuur in aanwezig is om zonder gevaar er in te
') Ann. Atjron., T. XV, p. 500.
kunnen afdalen. Ook in vertrekken, waar veel mensdien samen zijn, ziet men niet zelden de lampen allengs minder helder branden, als een gevolg van de grootere hoeveelheid koolznnr. Daar het koolzuur meer dan de andere gassen van don dampkring in water oplosbaar is, — wij herinneren hier slechts aan het bekende spuitwater, dat niets anders dan koolzuurhoudend water is, — bevat het regenwater eene betrekkelijk grooto hoeveelheid van dit gas en hooft men na hevige regens dan ook meermalen eene geringere hoeveelheid koolzuur in den dampkring waargenomen.
Van den dienst van 't koolzuur zullen we nog meermalen melding moeten maken. Hier vermelden we alleen, dat het do hoofdbron, zoo niet de eenige bron is, waaruit de bladgroenhoudende planten 1) hare koolstof bekomen. Die planton nemen namelijk dit gas door de huidmondjes liarer bladeren op, gebruiken de koolstof tot vorming harer weefsels, terwijl de daardoor vrij gewordene zuurstof door dezelfde huidmondjes in den dampkring terugkeert. Terwijl dus vooral door verbranding, ademhaling en gisting de hoeveelheid koolzuur in don dampkring vermeerderd wordt, wordt door den plantengroei steeds koolzuur uit den dampkring weggenomen 2).
Een ander bestanddeel van den dampkring is de ivaterdamp. De hoeveelheid hiervan kan tijdelijk en plaatselijk zeer verschillend zijn en is van eene menigte omstandigheden afhankelijk. In 't algemeen is zij grooter bij eene hoogere, geringer bij eene lagere temperatuur. (Zie vochtigheid in den dampkring.) De hoofdbron er van is do verdamping van 't water aan de oppervlakte der aarde.
Verder vindt men in den dampkring geringe hoeveelheden van andere scheikundige verbindingen. Daar, waar stikstofhoudende organische stoffen, zooals bloed, vleesch, de vloeibare en vaste uitwerpselen van menschen en dieren enz. rotten, ontstaan koolzure ammoniak, zwavelwaterstof, enz., bij onweer wordt salpcterximr of salpeterzure ammoniak gevormd. Ammoniak-verbindingen worden ook aangetroffen in den rook, die uit onze schoorsteenen in do lucht ontwijkt, tenzij ze in het roet der schoorsteenen achterblijven. Ofschoon de hoeveelheid van deze en dergelijke stikstofverbindingen in do lucht in den regel zeer gering is, hebben ze voor den plantengroei toch eene bepaalde beteekenis. Met regen, sneeuw, dauw enz. worden ze namelijk uaar den grond gevoerd en verhoogen daardoor zijne vruchtbaarheid.
Op dezelfde wijze is de lucht de groote tijdelijke bergplaats voor allerlei lichte voorwerpen. Met het schuimende zeewater wordt keukenzout, met den wind worden het fijne stof der wegen en de zaadjes der planten daarin gevoerd. Tissandier heeft gevonden dat in 24 uur op 1 M2 2 tot 12 milligram stof valt. Neemt men 0 milligram als gemiddeld aan, dan wordt dit per hectare in een jaar bijna 22 KG. Belangrijk vooral is dc aanwezigheid in en de verspreiding door de lucht van do microscopisch kleine planten of dieren
') De bladgroen vrije planten, b.v. schimmels en het warkruid op de klaver voeden zich, gelijk later zal blijken, op eene andore wijze.
2) Een zeker evenwicht wordt voorts verkregen tusschen het door vulkanische werkzaamheid vrijgeworden koolzuur en dat 't welk bij de scheikundige vcrweering, zie bl. 50, gebonden wordt.
r.4
(microben) of hare sporen, waaruit zich scliimmels, b.v. liet roost op :t koren ontwikkelen, of die in verscliillende vloeistoffen als urine, melk enz. terechtkomende, zich snel vermenigviildigen en tot rotting en gisting aanleiding geven. Miqnel heeft berekend dat de hoeveelheid bacteriën in 1 M:! lucht bedraagt:
Atlantische oceaan..............................O-G
Op hooge bergen...............
In do salons van zeeschepen............
In do nieuwere gedeelten van I'arijs......... 4500
„ „ oudere „ ., „.........3GOOO
In het nieuwe armenhuis „ „......... 40000
In het hospitaal de la pitió „ „.........»0
Frank land en Hart vonden op het dak van een gebouw in South-Kensington te Londen, in 1S86, gemiddeld 3000 bacteriën in 1 313 lucht, hot minst in Januari, 400, het meest in Augustus, 10500.
Daar een mensch dagelijks 5—10 W lucht inademt, zoo volgt daaruit dat het aantal door hem ingeademde microscopische organismen zeer aanzienlijk kan zijn.
De dampkringslucht bestaat dus in hoofdzaak uit een mengsel van gassen met eone meerdere of mindere hoeveelheid waterdamp. Zij maakt met de vaste aardkorst en het water der aarde één geheel uit; zij volgt de vaste aarde in hare dagelijksche beweging om hare as en in hare jaarlijksche rondom de zon. De luchtdeeltjes zijn voortdurend in beweging en trachten zich zoo ver mogelijk uit te breiden, maar worden hierin eindelijk verhinderd, doordat zij evenals allo andere stofdeeltjes naar hot middelpunt der aarde worden getrokken. Hoe ver do luchtdeeltjes zich boven de vaste aardkorst verheffen is niet met zekerheid bekend. Tengevolge van genoemde aantrokking zijn zij aan de oppervlakte daarvan het meest opgehoopt, dat is bevindt zich in 1 het grootste aantal. Daar is de lucht het zwaarst. Hoe hoogor men zich in don dampkring verheft, hoe geringer dit aantal, hoe ijler, hoe lichter do lucht wordt. Door berekening vindt men, dat het aantal luchtdeeltjes in 1 M3 op eene hoogte van ongeveer 35000 M. zeer gering moet zijn, zoodat op deze hoogte ongeveer de grens van de dampkringslucht kan worden aangenomen.
Een verder gevolg van do aantrekking der aarde is, dat de dampkringslucht eene drukking uitoefent op de voorwerpen, waarmede zij in aanraking-is en die ons aangewezen wordt door den barometerstand.
2. Temperatuur van de lucht, het water en den grond.
De hoofdbron voor de warmte op aarde is de zon. Men heeft berekend, dat do hoeveelheid warmte, die de zon jaarlijks naar de aarde zendt, in staat zou zijn, — ingeval er niets van door den dampkring geabsorbeerd werd, — om eene laag ijs van ruim 80 meter rondom de aarde te smolten. Do hoeveelheid warmte, die de verschillende doelen der aarde van do zon ontvangen, is echter zeer ongelijk. Niet alleen hangt zulks af van don duur, dat de zon schijnt, dat is van de lengte van dag en nacht, en van de richting, waarin de zonnestralen do aarde bereiken, maar ook van eene menigte andere oorzaken.
Naar de lengte van dag en nacht en naar de richting waaronder de zonnestralen de aardoppervlakte bereiken, wordt deze verdeeld in eem hecte lucht-
65
streek, ten noorden en ten zuiden van den aequator der aarde van 231/2° NB. tot 231/2° ZB., twee koude luchtstreken, rondom de polen der aarde tot op 231/2° afstand daarvan, en twee gematigde luchtstreken tusschen do heete on de koude luchtstreken in van 231/2°—661/2° N. en ZB.
In de heete luchtstreek zijn dag en nacht het geheele jaar door bijna even lang, en treffen de zonnestralen de aarde bijna loodrecht; in de koude luchtstreken duren de langste dag en de langste nacht minstens 24 uur, en wegens den lagen stand der zon aan den hemel treffen de zonnestralen de aarde onder een zeor schuinen hoek; in de gematigde luchtstreken duren do langste dag en de langste nacht hoogstens 24 uur (op de grens der koude luchtstreek) en worden de verschillen tusschen den langsten of kortsten dag of nacht des te geringer naarmate men de heete luchtstreek nadert, terwijl naar die mate ook de zonnestralen de aardoppervlakte onder minder scheeve hoeken treffen.
Dat nu de hoeveelheid warmte, die eene plaats op aarde van de zon ontvangt:, afhangt van den duur dat de zon schijnt, zal wel geene nadere verklaring noodig hebben. Ook is het duidelijk dat een stralenbundel die meer loodrecht invalt over eene kleinere oppervlakte wordt verdeeld en die oppervlakte dus meer verwarmt. Staat de zon op eene plaats hoog aan den hemel en doortrekken hare stralen dus de luchtlagen onder rechte of bijna rechte hoeken, dan is ook de luchtruimte die doorsneden wordt veel kleiner dan wanneer zij ze onder scheeve hoeken doorsnijden, hetwelk geschiedt wanneer de zon slechts weinig boven den horizon verheven is. Aangezien nu dos te meer van de warmtestralen der zon door don dampkring wordt opgeslorpt, naarmate zij eene dikkere laag moeten doorloopen, is liet verklaarbaar dat de zon in onze streken des winters en bij hare opkomst en haren ondergang, gedurende het geheele jaar, zoo weinig warmte geeft en waarom de heete luchtstreek, waar zij het geheele jaar door een' grooten boog aan den hemel beschrijft, meer door haar wordt verwarmd.
Brengen wij voorts het bovenstaande in betrekking tot den stand der zon ten opzichte van de aarde in de verschillende luchtstreken, dan volgt daaruit, dat in de heete luchtstreek slechts één jaargetijde heerscht, met onzen zomer overeenkomende; in de poolstreken daarentegen een koude winter met lange nachten en een betrekkelijk warme zomer met lange dagen. De zon staat hier in den zomer weliswaar niet hoog boven den horizon, maar wegens den langen duur van haar schijnen ontvangt de aarde bijna aanhoudend meer warmte. quot;Winter en zomer zijn lüer de hoofdjaargetijden; herfst en lente duren slechts kort. Alleen in de gematigde luchtstreken kan men de vier jaargetijden duidelijk onderscheiden. Do zomers, ofschoon korter van duur dan in de poolstreken, zijn warmer, omdat de zon zich hooger boven den horizon verheft, de winters minder streng.
Wanneer men van de temperatuur oener plaats op aarde spreekt, dan bedoelt men daannede in den regel de temperatuur van de lucht op die plaats, zooals zij met een' thermometer, voor de directe zonnestralen beschut, wordt waargenomen. Neemt de temperatuur der lucht nu af, naarmate men zich van den Aequator naar de Polen der aarde begeeft, dit is eveneens het
REINDKRS, I. Vierde druk. 5
66
geval, wanneer men zich in den dampkring verheft. Bij het bestijgen van bergen en op tochten in luchtballons wordt dit steeds waargenomen. Hoe hooger eene plaats dus boven de oppervlakte der zee is gelegen, des te lager is onder overigens gelijke omstandigheden hare temperatuur. Als het gemiddelde van de waarnemingen bij het beklimmen van bergen kan worden aangenomen, dat bij een stijgen van ongeveer 180 meter de temperatuur een graad daalt; bij de waarnemingen in luchtballons werd gemiddelil voor 212 meter hoogte één graad verschil gevonden. Op gelijke wijze als dan ook de plantengroei naar de Polen toe al schraler en schraler wordt en eindelijk geheel ophoudt, wegens gebrek aan de noodige warmte, ziet men den rijkdom der flora afnemen bij het beklimmen van een' berg, totdat men de grens dei-eeuwige sneeuw bereikt, waar alle plantengroei onmogelijk wordt.
Het afnemen van de temperatuur in de hoogere streken der atmosfeer moet toegeschreven worden aan de groote ijlheid der lucht aldaar. De dampkringslucht absorbeert betrekkelijk weinig van de stralen der zon eu des te minder naarmate zij ijler is, derhalve weinig in hare bovenste lagen. Do verwarming der lucht geschiedt hoofdzakelijk van de aarde uit, doordien zij (de aarde) de warmtestralen opneemt en aan de lucht mededeelt, deels door uitstraling deels door geleiding. De dampkringslucht is iets stoffelijks; juist daardoor kan zij warmte opnemen en des te meer naarmate zij dichter is, dat is, naarmate er meer luchtdeeltjes in eene bepaalde ruimte gevonden worden. Nu stijgt de verwarmde lucht weliswaar naar boven, omdat zij door de warmte uitgezet en daardoor lichter wordt, uitzetting der lucht gaat echter steeds met eeno afneming van de temperatuur gepaard en hierdoor vooral ook wordt veroorzaakt, dat de steeds ijler wordende atmosfeer in hare bovenste lagen slechts weinig warmte bezit.
Is het nu in 't algemeen waar, dat plaatsen, op hoogere breedte gelegen, kouder zijn, en de daarop gegronde en lüerboven vermelde verdeeling van de aarde in ééne heete, twee gematigde en twee koude luchtstreken juist is; is het ook waar, dat de temperatuur der lucht daalt, naarmate zij verder van de aarde verwijderd is, zoo zijn er toch eene menigte oorzaken, die hierin verandering brengen. Alvorens de belangrijkste dezer invloeden na te gaan, dienen wij nog het een eu ander met betrekking tot de temperatuur eener
streek te vermelden.
quot;Wanneer men op eene bepaalde plaats der aarde den thermometer dagelijks van uur tot uur of althans des morgens, 's middags en 's avonds waarneemt, dan merkt men, dat hij in den regel des morgens eenigen tijd vóór zonsopkomst het laagst, des middags ongeveer te 1 a 2 uur het hoogst en des avonds weer lager staat. Door deze waarnemingen dagelijks te herhalen, leert men den dagelijkschen gang van de temperatuur kennen, alsmede hoe de stand van den thermometer in den loop van een jaar enz. is. Daar de thermometer echter nu eens daalt, dan rijst, dan weder daalt, dan weder rijst, valt liet moeilijk om uit dit groot getal cijfers don jaarlijkschen gang der temperatuur op te maken. Daarom is men er op bedacht geweest, uit de waargenomen thermometerstanden gemiddelde temperaturen af te leiden. Telt men namelijk de thermometerstanden, op een zekeren dag waargenomen, samen en deelt deze som door het getal malen dat waargenomen is, dan
(57
geeft het quotient de gemiddelde temperatuur van dien dag aan. Do gemiddelde dagelijksclie temperaturen van de dagen eener maand samentellende en door liet getal dagen, doelende, bekomt men do gemiddelde temperatuur van die maand. En de gemiddelde temperaturen van alle maanden van een jaar samentellende en deze som door twaalf dooiende, bekomt men de gemiddelde temperatuur Van dit jaar. Die gemiddelde temperaturen kunnen natuurlijk zeer uiteenloopen, niet alleen van dag tot dag, van maand tot maand, maar ook van jaar tot jaar. Men berekent daarom op gelijke wijze de gemiddelde temperatuur van eenige jaren, de gemiddelde temperatuur der verschillende maanden, dagen en uren van eenige jaren en bekomt op deze wijze oone gemiddelde jaarlijksche temperatuur, eene gemiddelde temperatuur van de maand Januari, Februari enz. van den l81611 Januari, van den l816» Januari 's morgens te 8 uur enz. Deze gemiddelde temperaturen doen ons dan den normalen gang van den thermometer in den loop van een' dag, in den loop van een jaar enz. veel beter kennen.
De verschillen met deze gemiddelde of normale temperaturen noemt men afimjlungen en onderscheidt die m regelmatige of pcriodixche (dagelijksclie on jaarlijksche en afwijkingen gedurende eenige jaren) en onregelmatige of niel-periodische.
Uit deze waarnemingen en berekeningen is gebleken, dat in de noordelijk gematigde luchtstreek de maand Juli over 't geheel de warmste maand en Januari de koudste is. Do warmste dagen van het jaar vallen dus evenmin samen met de langste dagen, als de warmste uren van den dag samenvallen met den lioogsten stand der zon. En evenmin is de kortste dag van 't jaar in den regel de koudste. De reden van dit verschijnsel is, dat op den langsten dag en eenige dagen daarna de aarde nog meer warmte van de zon ontvangt dan zij zelve uitstraalt. Eerst omstreeks het laatst van de maand Juli — in ons land ongeveer vijf weken na den langsten dag l) — is er evenwicht. Daarna begint de aarde weer meer warmte uit te stralen en gaat daarmede voort tot ongeveer drie weken na den kortsten dag -), wanneer er weder evenwicht is. Om dezelfde reden valt het warmste uur van den dag eenigen tijd na den middag — hier te lande te 1 a 2 uur.
Voor de verdeeling van de temperatuur op aarde verwijzen wij naar tabel 1, achteraan dit deel geplaatst, waarin tevens de ligging der plaatsen ten noorden of ton zuiden van den Aequator is opgegeven. Eene inzage van deze lijst doet zien, dat de temperatuur eener plaats geenszins alleen afhankelijk is van hare breedte-ligging. Zulks wordt veroorzaakt door verschillende storingen, waarvan wij de belangrijkste nu zullen nagaan.
10. Het writer. Hot water volgt wel de rijzing en daling van de temperatuur dei' lucht, maar minder met plotselinge overgangen. Dompelen wij op een' koelen zomerdag onze hand in het water eener sloot, of boter plaatsen
') Prof. Buijs Ballot vond zelfs uit de •lOOjarige waarneramgen te Zwanenburg den 5den Augustus als den gemiddeld warmsten dag, blijkens 30jailge waarnemingen van 1845—I«7i te Helder is '25 .juli gemiddeld bet warmst met 180.2lt;i.
2) Uit de waarnemingen te Zwanenburg werd gevonden 0 en 10 Jan. en uit die van Helder 12 Jan. met '2 .10 als de gemiddeld koudste dag.
68
wij er eeneu thermometer in, liet zal ons warm voorkomen. Op een' warmen dag is liet water daarentegen kouder dan de lucht. Over 't geheel genomen is de temperatuur van 't water meer gelijk gedurende een jaar. Zoo was, volgens elfjarige waarnemingen, de gemiddelde temperatuur van de lucht 's morgens om 8 uur te Vlissingen in Januari 20.71 en het zeewater op den N. Hinder 1°.SG, in Jidi daarentegen die der lucht 180.G2 en die van 't zeewater 160.21. Tusschen de temperatuur der lucht was dus een verschil van 15J.81 en tusschen die van 't water slechts S0.35 i). De oorzaak van dit verschijnsel moet gezocht worden in de groote warmtecapaciteit van 't water, dat is in zijn vermogen om eene grootere hoeveelheid warmte op te nemen, zonder dat zulks aan een' thermometer te zien is. Nemen wij tot voorbeeld 1 KG. water, l KG. drogen kleigrond en 1 KG. dampkringslucht. Om het eerste 1° C. in temperatuur te doen rijzen, zal er ongeveer viermaal zooveel warmte noodig zijn als voor dezelfde hoeveelheid grond of lucht. De zon zal dus ook onder dezelfde omstandigheden viermaal langer moeten schijnen -) of beter gezegd, viermaal meer warmte moeten geven om 1 KG. water evenveel in temperatuur te doen rijzen als eene gelijke hoeveelheid grond of lucht. Daalt het water daarentegen in temperatuur, dat is staat het warmte af, dan gaat de daling ook langzamer of met andere woorden: het water behoudt zijne temperatuur langer, omdat het meer warmte kan afstaan.
Eene tweede omstandigheid, die bij de verwarming van 't water op aarde in aanmerking dient genomen te worden, is de verdamping. Als het water in temperatuur stijgt, verdampt er ook meer water, en aangezien er voor die verdamping warmte verbruikt wordt, welke vooreerst aan het water wordt ontnomen, heeft ook dit ten gevolge, dat het water niet zoo spoedig in temperatuur rijst als de lucht.
Stellen we ons nu voor een land met eene menigte meren en plassen doorsneden of dat onmiddellijk aan zee gelegen is, of een eiland, dat natuurlijk geheel door water omringd is, in eene streek en in een tijd, dat, wegens den stand der zon, de temperatuur moet toenemen. Wat zal dan plaats hebben? Het land zal eerder warmer worden dan het water, de lucht boven het land daardoor ook spoediger dan die boven het water. De warmere lucht boven het land stijgt naar boven en wordt vervangen door de van het water naar het land stroomende koudere lucht. Het omgekeerde heeft plaats, wanneer de stand der zon aan den hemel lager wordt en de temperatuur dus in het algemeen moet afnemen. De warmere lucht boven het water stijgt naarboven of vermengt zich met do koudere lucht boven het land, die overigens naar het water stroomt.
Luchtstroomingen, winden, door ongelijke verwarming van de verschillende deelen der aarde ontstaan, hebben wel in het algemeen ten gevolge, dat de verdeeling dei' warmte op aarde meer gelijk wordt, maar inzonderheid heeft
1) Geneeskundige plaatsbeschrijving, stuk I, bl. 465.
2) Volgens Lorenz en Rothe, Lehrbuch der Klimatologie, S. 4;), kaatst eene watervlakte meer warmte terug dan de vaste aarde, maai' laat liet water ook warmte stralen door, zoodat bij 't beschijnen door de zon ook de diepere waterlagen, ja bij geringe diepte ook de bodem onder het water door de zon wordt verwarmd.
69
dit plaats, gelijk licht is in te zien, wanneer de ongelijke verwarming van twee plaatsen in elkanders onmiddellijke nabijheid geschiedt, gelijk in de aangehaalde voorbeelden plaats heeft. Een uitgestrekt vastland daarentegen, ver van de zee verwijderd, wordt des zomers snel verwarmd en koelt des winters spoedig af, en daardoor heeft de lucht hier des zomers eene veel hoogere temperatuur dan 's winters. Men maakt daarom onderscheid tusschen een xee- of kustenklwiaat en een vastelandsklimaat. Engeland en in 't algemeen de westkust van Europa en dus ook ons land bezitten het eerste, Midden- en Zuidehjk-Europa en Midden-Azië liet laatstgenoemde klimaat. Minder strenge winters en koudere zomers zijn liet kenmerkende van 't eerste, koudere winters en warmere zomers dat van het laatste. Vandaar dat het, in 't geheel door wateren omgeven, Groot-Brittan je en Ierland, waar het eigenaardige van een zeeklimaat nog sterker uitkomt dan hier te lande, zelden vriest, maar des zomers ook zelden warm genoeg is om druiven, augurken enz. te doen rijpen.
Op onderstaande kaart zijn, om dit duidelijk te maken, de lijnen die de plaatsen van gelijke zomertemperatuur (isotheren, de gestippelde) en die van gelijke wintertemperatimr (isochimenen. de doorgetrokkene) vereenigen, getrokken.
Volgt men den loop der lijnen, dan ziet men dat hot op IJsland en te Bergen in Noorwegen 's winters niet kouder is dan in 't zuiden van Rusland, 's Zomers is het op laatstgenoemde plaats echter even warm als in het zuiden van Spanje of op de noordkust van Afrika, (gem. temp. in Juli ± 25°)
zoodat hier de zoetste druiven geteeld kunnen worden. Op IJsland daarentegen wordt de tarwe, bij gem. 10° in Juli, in 't geheel niet en te Bergen wordt ze nauwelijks rijp.
Op deze hoogere wintertemperatuur in Engeland, op IJsland, aan de westkust van Noorwegen en min of meer aan de geheele westkust van Europa oefenen echter ook de zeestroomingen een grooten invloed uit. Zeestroomingen ontstaan door de ongelijke verwarming van 't water en andere oorzaken. Het warme water bij do Linie b.v. stroomt, ofschoon met verschillende afwijkingen over 't geheel noordwaarts. Takken van deze hoofdstrooming, in den Atlan-
70
tisehen Oceaan Golfstroom geheeten, dringen tot IJsland en verder door, bespoelen Engeland en in 't algemeen de westelijke kusten van Europa en dragen daardoor bij tot verhooging van de temperatuur dier streken. Inzonderheid verhoogt hij in den winter de temperatuur van IJsland, omdat hij in dit jaargetijde het verst noordwaarts dringt. De koude waterstroom, die van de Polen naar do Linie gaat (poolstroom) strijkt daarentegen langs de oostkust van Noordelijk Noord-Amerika en verlaagt do temperatuur dier streken aanmerkelijk , gelijk eene inzage van tabel 1 doet zien, zoodat tarwe, gerst, haver enz. in Amerika op verrena zoo ver niet naar 't noorden verbouwd kunnen worden als in Europa.
20. Winden. Ook de wind draagt er toe bij, dat de verdeeling der warmte op aarde eene andere is, dan zij volgens den stand der zon zou moeten zijn. Vooral wordt ook het groote verschil in de temperatuur op een en hetzelfde tijdstip van 't jaar daardoor veroorzaakt. Een oostenwind brengt ons 's zomers warmte, 's winters koude aan. In Oostelijk Amerika daarentegen gaat de westenwind in den regel des zomers met eene hoogere en des winters met eene lagere temperatuur gepaard.
30. Waterdamp, wolleen. Door eene grootero of geringere hoeveelheid waterdamp in do lucht en het al of niet aanwezig zijn van wolken, kan de temperatuur tijdelijk en plaatselijk aanmerkelijk gewijzigd worden. Terwijl de hoofdbestauddeelen der dampkringslucht, de stikstof en zuurstof, de warmtestralen grootendeels doorlaten, is dit met den waterdamp niet het geval. Tc dezen opzichte maakt het echter een groot verschil of het tevens lichtgevende stralen zijn, gelijk door de zon naar de aai'de uitgestraald worden, of donkere zooals de aarde uitstraalt. Deze laatste worden veel meer door den waterdamp der lucht geabsorbeerd. De tevens lichtgevende stralen der zon worden dus doorgelaten, maar wanneer ze als donkere warmtestralen weder van de aarde uitgaan, laat de vochtige dampkring ze slechts ten deele door. De dampkringslucht werkt dus als eene soort van val: zij geeft de warmtestralen wel toegang tot de aarde, maar laat ze niet weder ongehinderd in de oneindige ruimte uitstralen !). Hoe meer waterdamp de lucht nu bevat, des te meer warmtestralen neemt zij op, des te warmer wordt zij. De waterdamp in de lucht kan dus tijdelijk en plaatselijk de temperatuur van deze wijzigen.
Ook de helderheid der lucht oefent invloed uit op de temperatuur. Terwijl een bewolkte hemel de zonnestralen belet om tot de aarde door te dringen, belet hij ook liet uitstralen der warmte van de aarde. Bij een' helderen hemel ontvangt de aarde onder overigens gelijke omstandigheden meer warmte, maar zij straalt ook meer uit. Heldere nachten zijn daarom in den regel kouder dan donkere. Zie dauwvorming en nachtvorsten.
40. Bergen, hcrgkelens, bosschen. Ook deze oefenen invloed uit op de temperatuur van een land. Wij herinneren slechts, dat de temperatuur aan de zuidzijde van een' berg of bergketen aanmerkelijk hooger kan zijn dan die aan de andere, omdat de zonnestralen hier meer loodrecht de aarde treffen, bl. 65. Ook beveiligen bergketens een land dikwijls voor koude
1) Iets dergelijks heeft iu ecu' broeibak eu bij de druiventeelt achter vlak glas plaats.
71
luclitstroomen en houden do warmte tegen, zoodat liet klimaat aan de eonc zijde ruw, aan de andere zacht is en daardoor ook de landbouw, die aa,n weerszijden uitgeoefend wordt, aanmerkelijk verschilt. In Spanje, Italië en elders zijn daarvan vele voorbeelden aan te wijzen. — Aangaande den invloed van bosschen op de temperatuur van een land, is niet veel met zekerheid bekend. Volgens de onderzoekingen van Ebermayer in 't koningrijk Beieren, is de jaarlijksche gemiddelde temperatuur der lucht in een bosch iets lager dan op 't vrije veld. In den zomer is het verschil het grootst, (2.1°) in den winter het geringst (minder dan 0.5°). Des nachts daalt de temperatuur in een hosch nooit zoo laag als op 't vrije veld. Neemt men hierbij in aanmerking, dat de bodem en de lucht in een boschrijk land in den regel meer vochtig zijn, dan mag Ideruit het besluit getrokken worden» dat bosschen bijdragen tot eene meer gelijkmatige temperatuur en alzoo aan een land min of meer het eigenaardige van een knstklimaat te geven. Volgens waarnemingen in Zweden is de invloed van bosschen op de temperatuur echter niet zoo groot als velen wel meenen 1). Plaatselijk kunnen bosschen natuurlijk ook evenals andere hooge voorwerpen eene streek voor koude luclitstroomen beveiligen.
Wat do temperatuur der lucht in Nederland in het bijzonder betreft, zij het volgende opgemerkt. Wegens de ligging van Nederland in tie gematigde luchtstreek zijn de vier jaargetijden hier duidelijk te onderscheiden. Ue langste dag duurt er ruim I6I/2 uur, de kortste 71/2 uur. Niet de breedte ten noorden of ten zuiden van den Aequator bepaalt echter alleen het klimaat. De zon zendt jaarlijks naar deze streken evenveel warmtestralen als naar eene plaats van dezelfde breedte in Duitschland of elders; maar nu eens worden die stralen door een bewolkten hemel grootendeels onderschept , dan bij een helderen hemel grootendeels doorgelaten; nu eens wordt met den heerschendén wind een warme dan een koude luchtstroom aangevoerd enz. Geene aanzienlijke hoogten wijzigen hier de temperatuur van eenig belang. De machtigste factor daarvoor is de zee, die ons land van twee zijden begrenst en bovendien aanzienlijke inhammen in ons land maakt. Nederland bezit dus een kustenklimaat met het eigenaardige daarvan: betrekkelijk koude zomers en geene daaraan beantwoordende strenge winters. Daarbij komt de eigenaardige gesteldheid van onzen bodem. De veen- en kleigronden, ja ook de losse vlakke zandgronden houden eene grooterc massa water terug dan de steenachtige gronden met hunne kloven en hunne hollende ligging, welke men elders aantreft. Bovendien zijn vele onzer gronden met talrijke kanalen en slooten doorsneden, vele zijn slechts weinig boven het omringende water verheven en worden alleen door kunstmiddelen er boven gehouden. Ook dit water is van invloed op do temperatuur on maakt vooral den dampkring meer vochtig, waarvan dan weder een aanhoudend neerslaan van water, nu eens in den vorm van regen, dan van nevel, dauw enz. hot gevolg is.
In onderstaande tabel zijn de gemiddelde maandelijksche temporaturen van oenige plaatsen in ons land opgegeven.
') Landbouw-Couruui, 1800, 110. 21.
72
|
NORMALE THERMOMETERSTANDEN TE | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Uit de tabel ziet men, dat de meerdere of mindere afstand van do zeekust en de breedte eenei plaats reeds in ons land invloed hebben op hare temperatimr.
Op plaatsen onmiddellijk aan zee gelegen, zooals Helder en Vlissingen, is het des winters betrekkelijk minder koud dan op plaatsen verder van de zee verwijderd, zooals Maastricht; des zomers daarentegen minder warm. Het andere woorden; het verschil tusschen de gemiddelde temperatuur in Juli en Januari is te Maastricht grooter dan te Ylissingen en Helder; want op eerstgenoemde plaats bedraagt het 19.27, op do laatstvermelde 17.13 cn 16.24. Ook voor andere plaatsen, verder van de zee gelegen, geldt hetzelfde. Zoo is liet b.v. te Assen in de eerste dagen van Januari gemildeld kouder dan te Groningen, des zomers daarentegen wanner, ofschoon beide plaatsen slechts 5 uur gaans van elkander liggen.
Verder blijkt uit deze opgaaf, dat in de wintermaanden en in Maart op de meeste plaatsen de temperatuur gemiddeld beneden 5 graden blijft. En volgt men den dagelijkschen gang van den thermometer, dan blijkt dat ook in November gedurende slechts eenige uren van den dag eene temperatuur van 6 a 7 graden wordt bereikt. Daar nu de meeste landbouwgewassen en onkruiden eerst goed bij dezen warmtegraad beginnen te groeien, is het duidelijk, dat in genoemde maanden do plantengroei zeer onbeteekenend moet zijn.
De invloed van de nabijheid der zee is ook merkbaar in de dagelijksche afwisseling der temperatuur. Gaat men den stand van den thermometer in den loop van een' dag na, dan ontdekt men dat hij in den namiddag ongeveer het geheele jaar tusschen 7 en 8 uur, en 's morgens in de wintermaanden tusschen 9 en 10, in Maait, Sept., Oct. en Nov. tusschen 8 en 9 en van April tot Aug. tusschen 7 en 8 uur den gemiddelden stand aanwijst. Des daags staat hij natuurlijk hooger, des nachts lager. Neemt men nu de
gemiddelde verschillen van rle hoogste dagelijksdie thermometerstanden met de laagste van dezelfde plaats, dan blijkt dat die in het algemeen in den zomer grooter zijn dan in den winter. Te Utrecht b.v. is hot verschil in de wintermaanden 3 a 4 en in de zomermaanden 8 a 9 graden. En vergelijkt men de verschillen, vooral die van de zomermaanden, op twee plaatsen waarvan de eene aan zee, de andere meer binnenslands gelegen is, dan loopen deze vrij wat uiteen. Zoo is het verschil in die maanden aan den Helder ruim 5.5 graden en te Maastricht ruim 10 graden, dus bijna dubbel zoo groot, gelijk in onderstaande figuur graphisch wordt voorgesteld.
Ofschoon men dus vaak hoort beweeren, dat de temperatuur aan de kusten veel veranderlijker is dan binnenslands, blijkt uit deze opgaven dat het tegendeel 't geval is. Behalve aan den invloed van 't water moet zulks ook toegeschreven worden aan de helderheid der lucht, die aan de kusten geringer is en daardoor ook aan den oogenblikkelijken invloed der zon en aan de uitstraling des nachts, waardoor hot minimum niet zoo laag daalt. De grootere afwisseling in temperatuur vooral in de oostelijke plaatsen van ons land is voor den landbouw in 't algemeen niet zonder invloed. Terwijl de ontwikkeling der planten, wegens de hoogere temperatuur des daags goed vooruitgaat, kan onder gunstige omstandigheden de nachtelijke uitstraling zoo groot zijn, dat de temperatuur beneden hot vriespunt daalt on de nachtvorsten do meer toero planton of plantondeelen (boekweit, aardappels, bloei van rogge on van vruchtboomen) geheel of ten dooie doen sterven. Alhoewel ook volgens do geaardheid van den grond, — veen- of zandgrond b.v. — do nachtelijke uilstraling plaatselijk meer of minder groot kan zijn, hebben in 't algemeen do meer van do zee verwijderde streken daarom het meest van nachtvorsten te lijdon, omdat juist daar de grootste afwisseling in temperatuur heerscht.
Komen genoemde nachtvorsten, gelijk wol beweerd wordt, vooral in do eerste dagen van .Mei voor? Pancratius, Servatius en Bonifacius (12—14 Mei)
74
noemt men in Duitschland die drci gestrengen Tlrrrm, in Frankrijk lea trois saints dc (jlam, omdat dan do nachtvorsten het meest zonden heerschen. En volgens berekening van Prof. Dove, uit veeljarige waarnomingen, heeft or ook eene verlaging van de gemiddelde temporatuur omstreeks dien tijd plaats, die volgens hom :ian de grootere nachtelijke uitstraling bij den alsdan meer helderen hemel moet worden toegeschreven, maar volgens anderen wordt veroorzaakt door het smeltende ijs in de Dwina en andere rivieren, die in de Oostzee of hare golven uitmonden. Daar in 't laatst van April of 't begin van Mei het ijs losraakt, zou daardoor namelijk de temporatuur van het Oostzeewater en ook die der lucht aldaar verlaagd worden. Dr. Prestel en Prof. Buys Ballot hebben echter aangetoond, de eerste uit SOjarige waarnemingen te Emden, de laatste uit die over een gelijk tijdvak te Helder, dat op die plaatsen geene daling van de gemiddelde temperatuur plaats heeft. Prof. Buys Ballot vindt geen enkele datum in Mei, die gemiddeld kouder is dan zijn voorganger. Wel vindt hij dit in Februari, ook in Maart, ook nog in 't liiatst van April, maar niet in Mei. Echter is de rijzing in vijf dagen het geringst = 0.66 van 9 tot 14 Mei. Hij schrijft het verschijnsel grootendeels aan zinsbedrog toe. „In Mei klagen wij, omdat wij er veel van verwachten. Het aardrijk heeft een zoo geheel ander aanzien gekregen , dat wij ook eene andere temperatuur willen hebben. Do temperatuurs-verlaging wordt beter door ons opgemerkt, omdat de ontluikende bloemen en de ontplooide bladeren er door sterven en afvallen; anders zien wij dat zoo niet.quot;
Afwijkingen van de opgegevene normale temperaturen komen dikwijls voor. Des winters is het , vaak veel kouder, — want anders zou het, daar de gemiddelde temperatuur steeds boven 0° is, niet vriezen — des zomers niet zelden veel warmer en omgekeerd. Nu eens zijn deze niet-periodische afwijkingen van kortoren, dan van langoren duur, nu eens positief dan negatief, zonder regelmaat. Uit een onderzoek van Prof. Buys Ballot en anderen is het echter gebleken, dat gelijknamige afwijkingen elkander vaker opvolgen dan ongelijknamige, dat wil zeggen: op een te warmen dag volgt vaker een eveneens te warme dan een te koude, op eene te warme maand vaker weder eene te warme dan eene te koude. En zoo bestaat er ook meer kans dat op een' te kouden dag weder een te koude, op eene te koude maand weder eene te koude volgt, dan een te warme dag of eene te warme maand.
Zelfs is het niet zeldzaam, dat eenige koude of eenige warme jaren elkander opvolgen zonder dat te dezen opzichte eene bepaalde regelmaat ontdekt is.
Daarmede is geenszins in strijd het feit, 't welk wel eens waargenomen wordt, namelijk dat op een' zachten winter een koud voorjaar volgt of omgekeerd, ofschoon de statistiek leert dat op een' warmen winter vaker een warme dan een koude zomer en op een' kouden winter vaker een koude dan een warme zomer volgt. Maar als de wintermaanden te warm zijn geweest, dan is het ook zoo vreemd niet, dat nu eens eene te koude maand of eenige te koude dagen volgen.
Do oorzaak van die te hooge of te lage temperatuur is vooral afhankelijk van do windrichting. quot;Wanneer nu in Nederland en aanliggende streken onder den invloed van zuidwesten- en westenwinden, die niet zelden lang aanhouden
75
een zachte winter heersclit, dan heerseht er wellicht ten oosten of ten westen van ons, b.v. in Azië of Amerika, een min of meer strenge winter. 1 )c massa ijs, die dan in laatstgenoemde streken gevormd wordt, smelt des voorjaars. Daartoe wordt eene zekere hoeveelheid warmte verbruikt, waardoor de lucht aldaar afkoelt en in oostelijke of westelijke richting naar die plaatsen vloeit, waar de temperatuur reeds hooger is. De koude schrale noordoosten- en oosten-en de niet minder koude en vochtige westen- en noordwestenwinden, die ons klimaat in hot voorjaar (wellicht ook door ijsbergen) niet zelden minder aangenaam maken, zijn daarvan het gevolg.
Wij maken op deze afwijkingen opmerkzaam omdat zij nogaleens voorkomen, maar moeten tevens opmerken, dat op deze temperatuurverdeeling vele uitzonderingen bestaan. Nu eens heerseht er in geheel Europa een strenge winter, dan eens alleen in het noorden, dan in het zuiden, dan weder in een ander gedeelte, zonder dat hiervoor altijd bepaalde redenen opgegeven kunnen worden of zonder dat die afwijkingen door bepaalde verschijnselen worden voorafgegaan.
Evenals bij de dagelijksche en jaarlijksche periodische afwijkingen opgemerkt is, zijn deze niet-periodische afwijkingen echter niet overal even groot. Bijzonder groot zijn zij in Siberië en in Noord-Amerika. Hier komen jaarlijks wel 10—20 dagen voor, waarop de temperatuur 10°, ja soms 20 en 25° van do gemiddelde kan verschillen en wol 50 tot 60 dagen waarop hol verschil meer dan 6° is. Temperatuur-afwijkingen van meer dan 10° komen in do tropische gewesten daarentegen in liet geheel niet voor.
De buitengewoon hooge en lage temperaturen, die in elke maand in ons land van 1849—189G al waargenomen zijn, bevat het volgende lijstje:
|
Hoogste temperaturen: Laagste temperaturen i); | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Verder deelen wij hier nog mode de grootste positieve en negatieve afwijkingen van de gemiddelde maandelijkscho temperaturen, die in de bijgevoegde jaren zijn voorgekomen.
') Eene grooto koude in den winter gaat steeds vergezeld van een hoogen barometerstand, maar schijnt ook min of meer afhankelijk te /ijn van eene bedekking der aarde met sneeuw, die als slechte warmtegeleider de warmte der vaste aardkorst van de lucht afsluit. In buitengewoon koude winters 1788/80, 1829/30, 1879/80 vie vooraf in een groot gedeelte van Europa eene groote hoeveelheid sneeuw.
76
|
Grootste positieve afwijkingen: |
Grootste negatieve afwijkingen: |
Gelijk hierboven reeds werd opgemerkt , volgt de temperatuur van hei irater wel den jaarlijkschen gang der luchttemperatuur, maar de verschillen zijn minder groot. De dagelijksche afwisseling is vaak nauwelijks waar te nemen.
De temperatuur van het water der zeeën, die, gelijk bekend, drievierde gedeelte van de oppervlakte der aarde bedekken, is in do tropische gewesten het hoogst en neemt vandaar in het algemeen naar do Polen af, maar is nogtans in bij zonder] icden even onregelmatig verdeeld als de luchttemperatuur. Ongeveer 2/5 van de geheele oppervlakte der zee hoeft eene gemiddelde temperatuur boven do 24°. Dit geldt echter alleen van do oppervlakte; op aanzienlijke diepten is de temperatuur van het water slechts weinig boven 0° of zelfs daar beneden, ook in de tropische gewesten. De oorzaak van deze zoo lage temperaturen in de diepte wordt toegeschreven aan een machtigen stroom van koud water, welke van de Polen naar den Aequator stroomt ter vervanging van het warmere water, dat van daar naar plaatsen van hoogere breedten vloeit.
Wat ten slotte de temperatuur van den grond betreft, deze kan in eene en dezelfde streek zeer verschillend zijn. De kleur, samenstelling, ligging enz. van den grond oefenen hierop grooten invloed uit. Terwijl wij op deze en gene verschillen bij de behandeling van den bouwgrond zullen wijzen, meonen wij hier te kunnen volstaan met de vermelding, dat alleen de bovenste lagen der vaste aardkorst in de dagelijksche en jaarlijksche wisselingen der temperatuur doelen. Aan de oppervlakte zijn deze afwisselingen het grootst, ja grooter dan die der lucht. Zoo werd gevonden, dat terwijl de gemiddelde dagelijksche afwisseling der temperatuur van de lucht in de zomermaanden to Utrecht 8 a 9 graden bedraagt, die van eene grasvlakte in die maanden ruim 22 graden is. Des daags is de temperatuur van den grond dus aanzienlijk hooger, des nachts veel lager dan die der lucht. Alles wat de nachtelijke warmteuitstraling bevordert doet de verschillen grooter zijn, alleen bij betrokken of bewolkte lucht komt de temperatuur van den grond nagenoeg met die der lucht overeen. Op sommige plaatsen kan de temperatuur der aardoppervlakte soms aanzienlijk stijgen. Zoo is het bekend, dat het zand der Nubische woestijn des daags zoo warm wordt, dat men daarin eieren kan koken.
Met de diepte worden de verschillen tusschen de hoogere en lagere tem-
11
peraturen geringer en houden eindelijk geheel op. Ebermayer vond in Beieren, dat op eene diepte van 3 voet, op liet open veld, de dagelijksche afwisselingen bijna nul zijn, in een boseh reeds op eene diepte van 2 voet. Te Brussel vond men volgens vijfjarige waarnemingen den grond op eene diepte van 3.9 meter het koudst (9.5° C.) in April, hot warmst (14° C.) in October. Het verschil bedroeg dus nog slechts 4.5° C. Hoe dieper men komt des te later treden de hoogste en laagste temperaturen in. Forbes te Edinburg vond, dat in een zandgrond de hoogste temperatuur op 1 meter diepte den 31 Juli, op 1.9 meter den 24 Augustus, op 3.9 meter den 7 October en op 7.8 meter diepte eerst den 30 December inviel. Volgens Ebermayer staat de therinometer op eene diepte van 2 voet des namiddags te 5 urn1 steeds lager dan des morgens. In het voorjaar vond hij de oppervlakte van den grond warmer dan de diepere lagen; op 4 voet diepte bedroeg het verschil gemiddeld 3.2° op 't vrije veld en 2.1° in een bosch; in Mei zelfs 8.3° op 't vrije veld en 6.0° in een bosch, d.i. in Mei was de grond op 4 voet diepte 8°.3, resp. 0.0° koeler dan aan de oppervlakte. In den herfst heeft het omgekeerde plaats, d. i. de grond is in de diepte warmer dan aan de oppervlakte. Op welke diepte alle wisseling van temperatuur nu ophoudt, is niet met zekerheid bekend. Te oordeelen naar de waargenomen afneming mag men veilig aannemen , dat te Brussel -— en met ons land zal dit niet veel verschil geven — op eene diepte van 25 meter de temperatuur standvastig is. Daar de mede-deeling van de warmte aan de onderste aardlagen door geleiding geschiedt, en het warmtegeleidend vermogen van den grond naar zijne samenstelling verschilt, moet de temperatuurverdeeling in de verschillende grondsoorten echter zeer onderscheiden zijn. Bovendien is deze afhankelijk van de meerdere of mindere vochtigheid van den grond en van de temperatuur der lucht. Tusschen de keerkringen, op de kust van Malabar, waar de jaarlijksche wisselingen der luchttemperatuur gering zijn, vond men op eene diepte van 3.7 meter nog slechts een verschil van ééne graad tusschen de hoogste en laagste jaarlijksche temperatuur. In Siberië, te Jakutsk, waar de jaarlijksche gemiddelde temperatuur beneden het vriespunt daalt, is de grond op eene zekere diepte steeds bevroren, ofschoon de bovenste lagen gedurende den betrekkelijk warmen zomer ontdooid zijn. Door de inwendige aardwarmte neemt de temperatuur van de aardlagen, gelijk bekend is, met de diepte toe; voor 30 nieter diepte ongeveer 1 graad. In vulkanische streken wordt daardoor de temperatuur van den bouwgrond niet zelden geïnfluenceerd.
3. Drukking der lucht. Barometerwaarnemingen.
De drukking der lucht wordt genieten met den barometer, een werktuig, waarvan er verschillende soorten bestaan, die we van algemeene bekendheid mogen achten. Wordt de drukking der lucht grooter, dan stijgt het kwik in den kwikbarometer, daalt de roode vloeistof in den controleur of verplaatst de wijzer zich rechts van een' anéroïde- en wijzerbarometer. Men zegt dan, dat de barometerstand hooger wordt. Wordt de drukking der lucht geringer, dan heeft zij op den barometer eene tegenovergestelde uitwerking; de barometerstand wordt lager. De stand zelf wordt uitgedrukt door de lengte eener kolom kwik, die met de drukking der lucht evenwicht maakt. Een barometer-
78
stand van 761 mM. b.v. beteekent (Ins, dat de Incht eeno even groote drukking uitoefent als eene kolom kwik van deze lengte.
Aangezien liet aantal luchtlagen dat op het kwik van den barometer drukt, afneemt, naarmate hij boven de oppervlakte der zee geplaatst is, daalt naar die mate de barometerstand. Teneinde de barometerwaarnemingen onderling te kunnen vergelijken, worden ze daarom herleid als te zijn waargenomen aan de oppervlakte der zee. Het versehil bedraagt voor elke 11 meter hoogte ongeveer 1 m.M. Eene dergelijke herleiding is voor de temperatuur noodig.
Gaat men den barometerstand in den loop van den dag en gedurende eenige dagen, maanden en jaren na, dan merkt men dat hij aan gedurige veranderingen onderhevig is.
Deze veranderingen zijn deels regelmatig of periodiek, deels onregelrnntig of toevallig. Ter juiste beoordeeling dient men daarom den normalen of gemiddelden barometerstand eener plaats te kennen.
In onderstaande tabel zijn die van eenige plaatsen in ons land opgegeven.
|
NORMALE BAKOMETEKSTAXI) 's MORGENS OM 8 UUR. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De regelmatige veranderingen zijn dagelijksche en jaarlijkse]ic. Op de meeste plaatsen der aarde begint de barometer des morgens te 4 uur tot 10 ii 11 uur te rijzen, daalt dan tot omstreeks 4 uur in den namiddag, rijst vervolgens weder tot ongeveer 10 uur 's avonds, om van af dezen tijd tot 's morgens 4 uur weder te dalen. Deze tijden veranderen echter iets in den loop van een jaar: in den zomer vallen de laagste en hoogste standen des morgens en 's voormiddags vroeger, die van den namiddag en avond later in. Hot verschil tusschen den hoogsten en laagsten dagelijkschen stand is tusschen de keerkringen het grootst, 2 a 3 m.M.; daar zijn de dagelijksche veranderingen ook het regelmatigst; hier te lande bedraagt het verschil zelden meer dan 0.5 mM.,
79
en is het alleen met een gevoelig werktuig, b.v. een' controleur, waar te nemen. In den regel gaat deze verandering niet met eene plotselinge omkeering van de weersgesteldheid gepaard. Integendeel, hoe bestendiger het weer is, des te regelmatiger doet zij zich voor. Zij dient dus wel te worden onderscheiden van de onregelmatige veranderingen of afwijkingen, waarmede niet zelden eene verandering van het weer vergezeld gaat.
Dezelfde opmerking geldt voor de jaarlijksche regelmatige veranderingen. Uit bovenstaande tabel ziet men, dat op de meeste plaatsen in Nederland, en hetzelfde geldt voor de aangrenzende landen, de barometerstand een maximum bereikt in Januari, Maart, Juni en September en een minimum in Februari, April, Juli en November. De maxima omstreeks Januari en September en de minima in April en omstreeks het laatst van October zijn echter het best geconstateerd. De geheele jaarlijksche gang is hier ter nauwernood twee mM., terwijl zij op de oostkust der vastelanden als in Japan en Buenos-Aires acht en negen mM. bedraagt.
Ter beoordeeling van den barometerstand op een gegeven oogenblik dient men deze gemiddelden in aanmerking te nemen. Een barometerstand van 701 mM. b.v. is te Utrecht in de maanden Maart en September nog beneden den normalen, maar in November bijna 2 mM. te hoog. In vele dagbladen wordt daarom die van des morgeus 8 um' vermeld en worden voorts de waargenomen afwijkingen van den gemiddelden stand medegedeeld.
Het verschil in de gelijktijdig waargenomen barometerstanden op tie opge-gevene plaatsen moet hoofdzakelijk aan het verschil in de hoogteligging dier plaatsen worden toegeschreven. Als de barometers op genoemde plaatsen alle op dezelfde hoogte hingen boven de oppervlakte der zee als die te Utrecht, dan zou de jaarlijksche gemiddelde zijn: te
Groningen =759.34 — 0.66 = 76(J.00 mM.
Leeuwarden = 7 OU. 19 — 0.21 = 759.28 „
Helder = 7 60.40 0.18 = 7 60.58 „
Vlissingen =761.73 — 0.75 = 760.98 „
Maastricht = (gt;57.40 8.18 = 761.58 „
Onjuist is daarom ook veelal de plaatsing van do woorden, veranderlijk, mooiweer enz. naast de schaal van den barometer. Voor Vlissingen b.v. zou, — gesteld dat bij een' stand van 760 mM. al verandering van weer plaats had, 'twelk nog lang niet altijd zeker is, — het woord veranderlijk hooger of meer rechts, voor Maastricht lager of meer links geplaatst moeten zijn. Herleidt men de waarnemingen voor de verschillende plaatsen naar het normale oppervlak der zee, of gelijk lüerboven naar de hoogte, waarop de Utrechtsche barometer hangt, dan blijkt het, dat de gemiddelde barometerstand in hot noorden van Nederland iets lager is dan in het zuiden.
De onregelmatige veranderingen in de luchtdrukking (de toevallige of niet-periodische afwijkingen van den barometer) hebben nu eens eene groote uitgestrektheid, dan een kleiner gebied; nu eens gaat de rijzing of daling-plotseling, dan weer langzaam. Volgt men zijn' gang in don loop van een jaar, dan neemt men talrijke overgangen van positieve tot negatieve afwijkingen en omgekeerd waar. Het aantal dier wisselingen bedraagt 70 en meer. 's Winters zijn de rijzingen en dalingen in den regel grooter dan 's zomers.
80
Eene rijzing of daling van 10 mM. is geene bijzonderheid in het eerstgenoemde jaargetijde, maar wel in Juli en wijst dan op eene groote stoornis in den evenwichtstoestand, waarvan de gevolgen (b.v. onweer) niet achterwege blijven. Zulks blijkt ook uit de volgende opgaven van de hoogste en laagste standen gedurende 47 jaren te Utrecht waargenomen.
|
HOOGSTE EN LAAGSTE BAROMETERSTAND OVER 1849-1896 IN ELKE 3LVAND TE UTRECHT WAARGENOMEN. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Men ziet daaruit dat de hoogste maar ook de laagste standen in de wintermaanden voorkomen en dat het verschil in de zomermaanden op verrena zoo groot niet is.
Ook de grootste positieve en negatieve afwijkingen van den gemiddelden maandelijkschen stand gedurende 40 jaren, in het volgende lijstje bijeengevoegd, wijzen zulks aan.
Grootste positieve Grootste negatieve
afwijkingen van den gemiddelden maandelijkschen barometerstand in de jaren 1849—1889 te Utrecht waargenomen.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
wintennaanden. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Twee oorzaken vooral doen deze veranderingen in 't algemeen ontstaan:
10. verandering van de temperatuur der lucht. Daar de warmte, gelijk wij gezien hebben, de lucht doet uitzetten en zij daardoor lichter wordt, zal de drukking der lucht minder en de barometerstand dus lager worden. Vandaar ook dat de barometer in de tropische gewesten, tusschen de keerkringen, aan de oppervlakte der aarde lager staat dan op hoogere breedte of anders: de gemiddelde barometerstand hooger is naarmate de gemiddelde temperatuur daalt. Het daardoor verbroken evenwicht der lucht wordt, gelijk wij hieronder zullen zien, hersteld door toevloeien van koudere lucht naar de plaats van verwarming l).
20. verandering van de hoeveelheid waterdamp in de lucht of in 't algemeen van zijne spanning. De waterdamp van den dampkring draagt evenals zijne andere bestanddeelen er toe bij, dat het kwik in den eenen arm van een' hevelbarometer hooger staat dan in den anderen. Neemt op eene plaats zijne quantiteit toe, terwijl de temperatuur der lucht dezelfde blijft, dan wordt daardoor dus de drukking der lucht plaatselijk grooter en rijst de barometerstand; condensatie van waterdamp doet daarentegen den barometerstand dalen. Intusschen wordt, gelijk vroeger vermeld is, door verhooging van temperatuur de verdamping bevorderd (zie bl. G6). De quantiteit waterdamp en daardoor de drukking der lucht zullen dus onder die omstandigheden moeten toenemen. Daar echter, om de onder 10 vermelde reden, wegens de verhooging der temperatuur de drukking der lucht gelijktijdig minder wordt, kan het evenwicht blijven bestaan, of is het rijzen of dalen van den barometer afhankelijk van den kleineren of grooteren invloed, dien eene der twee genoemde oorzaken uitoefent. Op plaatsen met een droog klimaat wordt daarom 's zomers gemiddeld een lagere, op plaatsen met een vochtig klimaat, b.v. aan kusten en op eilanden, op denzelfden tijd een hoogere barometerstand waargenomen dan 's winters. Zoo is de gemiddelde maandelijksche barometerstand te Irkutsk (Aziatisch Rusland), in 't midden van een groot vastland, het laagst in Juli, het hoogst in Januari; te Keikiavik op IJsland daarentegen staat de barometer in de zomermaanden gemiddeld aanzienlijk hooger dan in den winter.
De temperatuur en de hoeveelheid waterdamp der lucht veranderen, gelijk door ons opgemerkt is. met de richting van den wind, waaruit volgt, dat ook de barometerstand, die van beide zoo afhankelijk is, met die richting eene verandering moet ondergaan. In den herfst is do invloed van de windrichting op den barometerstand liet grootst, in den zomer het geringst. In den winter ligt de windstreek, waarmede de hoogste barometerstand gepaard gaat, meer naar 't oosten, in 't voorjaar meer naar 't noorden; in het laatstgenoemde jaargetijde is de windstreek van den laagsten barometerstand meer zuidelijk in den winter moer westelijk gericht.
In December b.v. is bij noordoostenwind do gemiddelde barometerstand 760.61 mM., bij zuidenwind 759.15 mM. Komt de windrichting niet met den barometerstand overeen, rijst do barometer Ij.v. bij zuidwesten of westen wind.
') Omdat er lucht vau de koudere gewesten naar de Linie vloeit staat in de bovenste luchtlagen de barometer bij de Linie hooger dan b.v. op 40° breedte. reinuers, 1. Vierde drub. 0
82
clan bestaat er kans, dat de wind naar 't noorden of noordoosten zal gaan en omgekeerd.
Tusschen de drukking der lucht en den toestand der atmosfeer bestaat in 't algemeen eene nauwe betrekking. Een lage barometerstand gaat b.v. in ons land veelal met regenachtig, een hooge met helder droog weer gepaard. Aangezien de barometer deze veranderingen soms sneller aangeeft, dan de verschijnselen zeiven zich aan de oppervlakte der aarde vertoonen, wordt hij terecht als middel ter beoordeeling van de weersgesteldheid in de naaste toekomst, als weerglas, gebruikt.
Evenwel hangt de verandering van 't weer niet zoo zeer af van den absoluut lioogen of lagen barometerstand, maar van het verschil van zijn' stand met dien op andere plaatsen. Ter juister beoordeeling van liet weer worden daarom van de voornaamste plaatsen, waar meteorologische waarnemingen worden gedaan, de barometerstanden naar sommige centra, b.v. Utrecht, Hamburg, Brussel geseind, en eens per dag de gelijktijdige waarnemingen gepubliceerd in de dagbladen of op eene andere wijze bekend gemaakt, b.v. door het uitgeven van een kaartje !), waarop o.a. de plaatsen, die op dat oogenblik een gelijken barometerstand hadden, door lijnen ver-eenigd zijn. Deze lijnen worden isobaren geheeten. Uit het beloop dier lijnen ziet men dan dadelijk of er ergens een gebied van lage drukking, een depressie is, terwijl elders een gebied van hooge drukking kan worden aangewezen. Het verschil tusschen twee isobaren, die, loodrecht gemeten, eene graad (15 geograplüsche mijlen) van elkander gelegen zijn, in millimeters uitgedrukt, wordt gradient geheeten.
4. Winde n.
Bij een' wind onderscheidt men: richting, snelheid en kracht. De richting-der winden wordt bepaald naar de hemelstreek, waaruit zij waaien. Daarnaar onderscheidt men den wind in: zuiden-, zuidwesten-, zuidwestenzuidenwind enz. Het bepalen van de snelheid en der daarvan afhankelijke kracht van den wind gaat minder gemakkelijk. Gewoonlijk geschiedt dat bij schatting. Ter bepaling van de kracht, die de wind uitoefent, heeft men ook bepaalde toestellen, wind- of anemometers, uitgedacht. Uit de kracht van den wind kan dan zijne snelheid ten naastenbij berekend worden. In het schatten van de windkracht kan men door oefening vaardigheid verkrijgen. -De zeeman bepaalt die naar den loop van 't schip en benoemt ze naar de zeilen, die gereven moeten worden enz. De landbouwer kan zich daartoe van de in zijne omgeving voorkomende boomen bedienen. Van een' zekeren boom zullen bij weinig wind alleen de bladeren zich bewegen, bij meer wind de kleine, bij nog meer wind de groote takken en bij zeer veel wind de geheele stam. Ter vergelijking kan het volgend tafeltje dienen, waarbij de snelheid volgens 12 trappen geschat is, alsmede de snelheid die hij dan heeft, de drukking die hij ongeveer uitoefent en de verdere uitwerking van den wind zijn aangewezen.
') Hier te lande in het Utrechtsch Dagblad.
83
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Orkaan. De dikste ontworteld boomen worden en daken van de |
huizen arernkt.
100 en daarboven.
In sommige streken der aarde heeft de wind gedurende liet geheele jaar of gedurende eenige maanden steeds dezelfde richting. Schippers, die naar Amerika zeilen, kunnen zeker zijn, dat zij, op de hoogte van de Canarische eilanden komende, steeds een' noordoostenwind zullen ontmoeten, die hen naar de overzijde van den oceaan voert. Op het zuidelijk halfrond treft men een' voortdurenden zuidoostenwind aan (Passaatwinden). In de nabijheid van de Linie komt eene streek voor, waar 't bijna altijd stil is; slechts nu en dan wordt die stilte door hevige stormen, stortregens en onweders afgebroken Bij Voor-Indië heerscht van April tot October een zuidwesten, van October tot April steeds de tegenovergestelde noordoostenwind (Moessons). In de gematigde luchtstreken is de wind meer veranderlijk, dat is, waait hij nu eens uit dezen dan uit genen hoek.
De ongelijke verwarming der aarde van de Linie tot de Polen veroorzaakt twee hoofdstroomingen in de lucht, die door den naam van aequatoriale- en poolstroom worden onderscheiden. De warmere lucht bij den Aequator stijgt namelijk naarboven en vlooit naar de Polen; zij wordt vervangen door de koudere lucht, die aan de oppervlakte der aarde van de Polen stroomt. Brachten andere oorzaken Iderin nu geene afwijkingen teweeg, dan zonde er op het noordelijk halfrond aan de oppervlakte der aarde een noordenwind en daarboven een zuidenwind en op liet zuidelijk halfrond een beneden-zuiden en een boven-noordenwind moeten waaien. Op het noordelijk halfrond echter gaat de noordenwind allengs in een' noordoosten over, omdat de deelen der aarde ten gevolge van hare wenteling van 't westen naar 't oosten
0*
12
40
84
om eene denkbeeldige as, die door de Polen gaat, eene zeer verscldllende snelheid bezitten. Terwijl de Polen in rust zijn, neemt de snelheid der aarddeelen en dus ook die der lucht toe, naarmate men den Aequator nadert. Juist doordat de lucht en al wat zich op de aarde bevindt meedraaien, bespeuren wij daarvan niets. Wanneer wij echter van onze breedte plotseling op de Linie verplaatst worden, waar de aarde hare grootste snelheid heeft, dan zou het ons evenzoo gaan, als iemand, die van den wal op een bewegend vaartuig stapt: wij zouden een' stoot krijgen, in dezelfde richting als de beweging der aarde. Hetzelfde nu is liet geval met de lucht, die zich van liet noorden naar het zuiden verplaatsende, allengs in streken komt, waar de aarde zich sneller van het westen naar 't oosten beweegt. De lucht blijft hierbij ten achteren. De overige voorwerpen op aarde slaan als 't ware door de lucht heen, en dit geeft denzelfden indruk, alsof de wind uit het oosten waait. Aangezien hij tevens zijne richting uit het noorden blijft behouden, ontstaat hieruit een noordoostenwind. Door dezelfde oorzaak ontstaat uit de op het zuidelijk halfrond naar de Linie vloeiende lucht een zuidoostenwind. De lucht, die bij de Linie naar boven stijgt- en zich vooreerst als bovenwind naar de Noord- en de Zuidpool begeeft, heeft daarentegen eene grootere omwentelingssnelheid dan de plaatsen op hoogere breedte. Zij loopt de aardsche voorwerpen daarom allengs meer van het westen naar 't oosten vooruit en beweegt zich dus ten opzichte van die voorwerpen niet alleen van 't zuiden naar 't noorden,
maar ook van 't westen naar 't oosten, zoodat een zuidwestenwind ontstaat. Op het zuidelijk halfrond heerscht door dezelfde oorzaak een noordwesten bovenwind.
Deze windrichtingen komen op zee het regelmatigst voor. Want op het land en aan de kusten, vooral in de gematigde luchtstreken, worden zij door verschillende oorzaken gewijzigd.
In de tabel op de volgende bladzijde, is het aantal waargenomen winden opgegeven, en wel zoodanig, dat van twee Fig. 4. Verhouding tusschen het aantal winden de meest heerschende in eene honderdtluen4849-4878 vooraan en daarachter de tegen
overgestelde geplaatst is. Uit de tabel blijkt, dat de hoofdrichting van den wind gedurende bijna het geheele jaar tusschen het westen en zuidwesten in is gelegen; van Maart tot Augustus heeft hij echter eene strekking om nu en dan naar het noorden, van October tot Januari om van tijd tot tijd naar het zuiden te gaan; in April en Mei hebben de noorden- en de noordoostenwinden de overhand. Het aantal winden is voorts in Fig. 4 op eene eenvoudige wijze in honderdtallen — niet van de honderd als in de figuur staat — voorgesteld. In 30 jaar is namelijk de richting van den wind te Utrecht 32800 maal opgeteekend en daarbij waargenomen, dat zij 1500 maal noord, 1600 maal noordnoordoost was enz.
S6
quot;Waarnemingen met betrekking tot ile richting van den wind, op andere plaatsen hier te lande gedaan, hebben tot ongeveer hetzelfde resnltaat geleid. Alleen in de noordoostelijke streken van ons land schijnt do gemiddelde windrichting iets meer zuidelijk te zijn.
Van de menigte oorzaken, die de afwijkingen van deze hoofdrichtingen kmmen doen ontstaan, noemen wij als voor ons land van 't meeste belang:
n. de ongelijke verwarming van hel land en 't water. Des zomers stijgt de temperatuur van het land moer dan die der zee, dos wintQrs is de warmtegraad der zee hooger. Door dit verschil ontstaan zee- en landwinden, zooals de hierbovongenoemde moessons in Voor-Indië.
Eene dergelijke afwisseling in temporatuur hoeft aan de kusten dikwijls , in den loop van een' dag plaats, waardoor eene dagelijksche afwisseling in do richting van den wind het gevolg kan zijn. Inzonderheid wordt zulks hier te lande opgemerkt als do wind weinig kracht heeft en hot bestendig weer is.
In zijne hoofdrichting zuidwest of westzuidwest dan gaat hij in den loop van den dag, tengevolge van de sterkere verwarming van het ten zuiden en oosten van ons gelegen land, meer west- en noordwaarts. Des nachts koelt het land meer af en keert de wind langs denzelfden weg of door hot oosten en zuiden naar het zuidwesten terug. Is de hoofdrichting echter, b.v. in April of Mei noordoost, dan draait de wind om dezelfde reden des daags naar 't noorden en noordwesten, des nachts naar 't oosten en zuiden om langs denzelfden weg naar het noordoosten terug te koeren, of hij draait, naar het zuiden en westen gaande, het geheele kompas rond. Daarbij wordt niet zelden een regelmatig toe- en afnemen van de windkracht waargenomen, zoodat zij in den morgen en voormiddag stijgt, om omstreeks den middag of te één a twee uur haar maximum te bereiken, dan weder daalt en ongeveer met zonsopkomst haar minimum bereikt.
b. condensatie van waterdamp. Het gevolg hiervan moet zijn; vermindering van de dampkringsdrukking. Voor het herstellen van 't evenwicht vloeit lucht, dat is wind, naar de plaats waar condensatie plaats heeft.
c. toeneming van de spanning van den waterdamp, waardoor de totale drukking der lucht vermeerderd wordt en er voor het herstellen van 't ovenwicht lucht naar elders stroomt. De meerdere verdamping van water nabij de Linie en op den Oceaan en de condensatie van den damp op hoogere breedte en op het vasteland draagt daarom evenals de ongelijke verwarming zeker bij tot het veelvuldiger heerschen en de meerdere kracht der westelijke en zuidwestelijke winden hier te lande.
Slechts horizontale luchtstroomen (winden) worden door den windwijzer aangegeven. Naast deze komen er in den dampkring verticale (neerdalende en stijgende) luchtstroomen voor; de kennis daarvan is nog gebrekkig, maarzeker zijn zij van grooten invloed op de verandering van het weer.
Behalve de richting van den wind dient men ook zijne sterkte in aanmerking te nemen. Hoe heviger een wind is, des te korter blijft hij in den regel uit denzelfden hoek waaien. Uit waarnemingen te Utrecht, Helder, Vlissingen, Groningen en elders gedaan, is het voorts gebleken, dat de windkracht in den regel in Januari en Maart het grootst is. Zij is echter niet
87
op alle plaatsen even groot. Te Helfler en op andere aan fle zee gelegen plaatsen, waar de wind zijn vrijen loop heeft, waait in den regel een krachtiger wind dan op plaatsen, zooals Utrecht, die meer binnenslands gelegen zijn.
Hevige winden, stormen en orkanen ontstaan tengevolge van een groot verschil in den toestand dor atmosfeer op plaatsen, op eenigen afstand van elkander gelegen. Dan vooral wordt oen groot verschil in den barometerstand op die plaatsen waargenomen.
De meeste stormen komen voor in den winter en in 't voor- en najaar. Zoo werden er van 1849—1862 te Utrecht in de maanden Maart en October 110 en van April tot September slechts 27 stormen waargenomen. Meest alle stormen komen in het zuidwesten op: de wind gaat vervolgens meer naar 't westen, dat is hij ruimt, slechts zelden gaat hij meer naar 't zuiden of krimpt hij. Bij een' storm, in het noordoosten opkomende, krimpt de wind daarentegen meestal. Met deze verandering van windrichting gaat tevens veelal eene verandering van temperatuur gepaard.
Dat de windrichting afhankelijk is van een verschil in barometerstand en deze bij storm grootere positieve of kleinere negatieve afwijkingen van den normalen stand toont, is zóó waar, dat Buys Ballot daaruit eene wet heeft kunnen afleiden, die hij 't voorspellen van stormen en in 't algemeen van de windrichting van groot gewicht is blijken te zijn. Dezo wet kan aldus worden uitgedrukt: „Wanneer men zich den wind als een persoon voorstelt, die in dezelfde richting als hij zich beweegt, dan ligt de hoogste barometerstand (de grootste positieve afwijking) aan zijne rechterhand en de plaats, waar de barometer het laagst staat, aan zijn linker.quot; Met het oog daarop wordt de barometerstand in ons land op verschillende plaatsen b.v. te Groningen, Helder, Vlissingen en Maastricht dagelijks terzelfder tijd waargenomen en de afwijking van den normalen stand naar verschillende plaatsen geseind. Is dan de waargenomen barometerstand te Groningen betrekkelijk hooger dan te Maastricht, zoo kan een oostenwind verwacht worden, tenzij do wind reeds deze richting heeft. Is de afwijking tusschen Groningen en Vlissingen het grootst , dan volgt een zuidoosten- of noordwestenwind, is die tusschen Maastricht en Helder grooter, een noordoosten-of zuidwestenwind enz. Storm komt echter alleen dan voor, wanneer het verschil in den barometerstand op twee der genoemde plaatsen 4 mM. of. meer bedraagt of juister: de gradient, bl. 82, 5 mM. of meer is. Wegens de gemiddelde zuidwestelijke richting van den wind loopen, bij gelijke verschillen van stand, de oostelijke winden niet zoo geregeld en niet zoo sterk door.
Hot spreekt nu van zelf, dat van hoe meer plaatsen, ook van andere landen, men waarnemingen omtrent den barometerstand enz., terzelfder tijd gedaan, ontvangt, des te beter de windrichting kan opmaken. Kent men het gebied van lage drukking, eene depressie, dan volgt uit bovengenoemde wet, dat do wind uit alle streken naar dit gebied waait, maar daarbij eene draaiing ondergaat tegengesteld aan de richting der wijzers van een uurwerk. In het gebied van hoogo drukking is do richting van den wind juisf tegenovergesteld , dat is hij waait van uit dit gebied naar allo stroken, maar
88
gedraaül in dezelfde richting als die der wijzers van een uurwerk, gelijk in onderstaande figuur is aangewezen. In de bovenste luchtlagen heeft de lucht eene tegengestelde beweging, dat is zij stroomt als in de figuur is aangewezen, van het minimum af en naar het maximum toe. Er ontstaan alzoo kringvormige stroomen, doordien de lucht daar waar de drukking in het minimum is naar boven stijgt, in de hoogere luchtstreken naar het maximum van drukking vlooit om dan langs den aardbodem naar hot minimum van drukking te stroomen. Zie hieronder: vederwolken.
Uit deze gelijktijdige waarnemingen is tevens gebleken, dat de depressies zich min of meer regelmatig verplaatsen , meestal van het westen naar het oosten. Haar gewone weg is ten noorden van ons. Vandaar de meest heerschende zuidwesten-
en westenwinden hier te lande. Met deze verplaatsing moet echter eene verandering van windrichting gepaard gaan, en in verband met den weg dien do depressies gewoonlijk nomen, volgt dat de gewone draaiing van den wind moet zijn: van het Z.O. door het zuiden naar het N. W. Bevindt zich echter eene depressie die oostwaarts gaat, ten zuiden van ons, dan draait de wind van het Z.O. door het O. naar liet N.W. Vandaar ook dat bij een' storm, die in het zuidwesten opkomt, wat in den regel geschiedt, de wind ruimt, maar bij een' storm, die uit het noordoosten opkomt, de wind krimpt.
De hoedanigheid van den wind, dat is zijne temperatuur, zijne vochtigheid enz., heeft een' grooten invloed op de weersgesteldheid van het oogenblik, en daardoor oefenen de meest heerschende winden een' grooten invloed uit op het klimaat van een land, en de wind, die in een' zekeren tijd waait op de weersgesteldheid van dat tijdperk. Een belangrijk hulpmiddel om den toestand van het weer, gelijk die zich gewoonlijk bij eiken wind voordoet, te overzien, zijn de windrozen, tabellen namelijk, waarin naast elke windrichting do gemiddelde temperatuur, vochtigheidstoestand enz. der lucht, die daarbij zijn waargenomen, vermeld staan. Daaruit blijkt o.a. dat 's winters en 's zomers de invloed van den wind op de temperatuur liet grootst is. In het eerstgenoemde jaargetijde brengen de landwinden, ongeveer uit het noordoosten waaiende, hier koude aan, in den zomer de zeewinden uit het noordwesten en noordnoordwesten. De zuidelijke winden verhoogen in 't algemeen hier te lande de temperatuur; 's zomers heeft echter de zuidoostelijk of oostelijk gerichte landwind, des winters en in den herfst hebben de zuidwestelijk of westelijk gerichte zeewinden daarop grooteren invloed. In den
89
herfst, vooral in Soptomber en October is de invloed van de quot;windrichting op do temperatuur zeer gering. Er schijnt dan vele malen een zeker evenwicht in den dampkring te bestaan. Land en water zijn ongeveer even warm; overal rondom ons is de temperatuur min of meer gelijk: wij hebben dan het bestendige weer van den na- of Michiels zomer. In 't voorjaar, inzonderheid des morgens in April, is de invloed van den wind op de gemiddelde temperatuur om dezelfde reden ook niet groot. In Mei daarentegen is do graai I van wannte reeds zeer ongelijk, al naardat de wind van het ten zuidoosten van ons gelegen en warmere land, dan wel uit het noordwesten van de koudere zee waait. Voor verdere bijzonderheden dienaangaande meenen wij naar elders te mogen verwijzen l).
5. De vochtigheid van den dampkring. Verdamping, dauw, regen enz.
't Is bekend, dat het water aan of op de oppervlakte der aarde langzamerhand in damp overgaat, en dat de temperatuur op die verdamping een' grooten invloed uitoefent. Daar nu do verdeeling der warmte op aarde zeer ongelijk is, volgt daaruit reeds, dat onder dezelfde omstandigheden er veel verschil moet zijn in de hoeveelheid waterdamp, die op verschillende plaatsen der aarde gevormd wordt. Uit do zee tusschen de keerkringen, uit den wanneren Golfstroom en uit onzen vochtigen bouwgrond in den zomer verdampt er daarom meer water dan uit de zee op grootere breedte, uit den kouden Poolstroom en uit den grond hier te lande in den winter. Op die verdamping oefenen echter eeno menigte andere omstandigheden invloed uit, waarvan de kennis tevens ter verklaring van de menigte verscliijnselen, die met de vochtigheid der lucht in verband staan, onmisbaar is.
In de eerste plaats moet dan opgemerkt worden, dat de hoeveelheid waterdamp , dio in de lucht opgenomen kan worden, beperkt en mede afhankelijk is van de temperatuur der lucht. Zie het lijstje op de volgende bladzijde. Lucht of eene ruimte, waarin zooveel mogelijk damp opgenomen is, noemt men verxadvjd. Hierin kan geene verdamping meer plaats hebben, tenzij do temperatuur rijst. Daalt de temperatuur, dan wordt zij oververzadigd; de waterdamp wordt vloeibaar water en slaat als nevel, regen, dauw, hagel, sneeuw enz. neer; waarover later. Lucht waaruit gemakkelijk water neerslaat, noemt men vochtig. Als zoodanig kan men meestal de lucht in veestallen, in vele kelders, karnhuizen enz. beschouwen. Men ziet daar immers de vochtigheid tegen de koudere zolders, wanden of vloeren dikwijls neerslaan! De lucht kan echter veel vocht bevatten, zonder daarom het voorkomen te hebben, dat er voel vocht in aanwezig is. En omgekeerd kan ze beti-ekkelijk zeer vochtig zijn en toch weinig vocht bevatten. Zulks hangt van do temperatuur af. Men maakt daarom onderscheid tusschen volstrekte en betrekkelijke vochtigheid der lucht. Het lijstje op do volgende bladzijde wijst do hoeveelheid waterdamp aan, dio bij de aangegeven temperatuur in de lucht aanwezig kan zijn. Tevens wordt daarin opgegeven de spanning of de drukking, bl. 81, die do waterdamp dan uitoefent.
') Zie de Meteorologische Jaarboeken van 1868 en 1878 en de Algemeene statistiek van Nederland.
90
|
Temperatuur, Drukking of spankracht van Gewicht in grammen van graden C. ilen waterdamp in milli- den waterdamp in 1 M3 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Nemen wij nu tot voorbeeld de temperatuur van 10° C. Bij dezen warmtegraad kan er 13.7 gram waterdamp in de lucht zijn. Vindt men echter, dat
in 1 M3 slechts 6.85 gram aanwezig is, dan wijst de breuk ^ , die
men dus verkrijgt door de hoeveelheid waterdamp, in de lucht aanwezig, te deelen door de hoeveelheid, die er bij die temperatuur in bestaanbaar is, do betrekkelijke vochtigheid of den vochtigheidstoestand der lucht aan. De absolute vochtigheid daarentegen is de hoeveelheid waterdamp, die bij eene zekere temperatuur in de lucht aanwezig is. Zij is des zomers in den regel grooter dan 's winters. Daar de temperatuur in ons land in dit laatste tijdperk echter zooveel lager is, is het verzadigingspunt eerder bereikt en daardoor de betrekkelijke vochtigheid in den regel grooter. Men kan dit ook nog anders uitdrukken. In het bovenaangehaalde voorbeeld kan er bij 16° 13.7 gram waterdamp in de lucht aanwezig zijn. Bevat zij echter slechts 8 gram, dan is er 5.7 gram dampgchrek.
Het is nu licht in te zien, dat do vochtigheidstoestand der lucht invloed op de verdamping moet uitoefenen. Bevat de lucht betrekkelijk weinig waterdamp, is er dampgebrek, dan is de verdamping onder overigens gelijke omstandigheden grooter; is er betrekkelijk reeds veel vocht in de lucht aanwezig, dan behoeft er nog slechts weinig vocht te verdampen en het verzadigingspunt, waarbij alle verdamping ophoudt, is bereikt.
De vochtigheidstoestand van de lucht kan op verschillende wijzen beoordeeld en met behulp van hygro- en psychrometers bepaald worden. Stoffen, die begeerig vocht tot zich trekken, zoogenaamde hygroscopische voorwerpen, als gewoon keukenzout, potasch, chihsalpeter, gemalen koffie enz. worden nat of kleverig als do vochtigheidstoestand der lucht grooter is. Zij drogen
91
oil of verliezen haar aanhechtend vermogen, als de lucht heti-ekkelijk droger wordt en geven dus in meerdere of mindere mate aanwijzing omtrent den vochtigl leidstoestand.
In procenten uitgedrukt is do gemiddelde vochtigheidstoestand der lucht te Helder 84, te Utrecht 82, te Nijmegen 81 en te Maastricht 75, terwijl hij te Berlijn 76, te Peking 01 en op 't eiland Horkmn 86 bedraagt. Op eilanden en aan de kusten is hij (his grooter dan in het binnenland. Onder de landen, waar de lucht in den regel veel droger is dan Hor te lande, noemen wij verder do oostelijke staten van N.-Amorika.
Vooral in den zomer wordt hij onophoudelijk gewijzigd. Stijgt do temperatuur, dan zal, ofschoon door de meerdere verdamping de volstrekte hoeveelheid waterdamp toeneemt, de vochtigheidstoestand in den regel geringer worden, omdat er dan meer vocht in den dampkring aanwezig zijn kan. Daalt, de temperatuur, b.v. door eone veranderde windrichting, dan neemt de vochtigheidstoestand toe, ofschoon de quantiteit vocht dezelfde blijft. Hoe hij in den loop van een jaar gemiddeld te Utrecht is, blijkt uit de volgende opgave:
Normale vochtigheid der lucht in procenten te Utrecht:
Jan. Febr. Maait April Mei Juni Juli Aug. Sept. Oct. Nov. Dec.
89.5 86.4 80.1 72.3 70.8 84.1 75.3 78.0 81.3 85.9 88.2 90.5
Men ziet daaruit dat de lucht in de wintermaanden vochtiger is dan in de zomermaanden, terwijl hij ook in Juni een zeker maximum bereikt, en dat het voorjaar over 't geheel droger is dan de herfst. Eene dergelijke afwisseling wordt in den loop van den dag opgemerkt: in de morgen- en avonduren is de lucht gemiddeld vochtiger dan op den middag; op plaatsen, meer binnenslands gelegen als b.v. Maastricht zijn de avonden echter droger dan de morgens, op plaatsen aan de kust, als den Helder, is het omgekeerde het geval.
In den gemiddelden vochtigheidstoestand komen echter belangrijke storingen voor, want behalve van de temperatuur is hij zeer afhankelijk van de windrichting. Westen- en zuidwestenwinden zijn liier zoowel als in Amerika de meest heerschende. Hier aankomende zijn zij over de zee, maar aan do oostkust van Amerika over eene groote uitgestrektheid lands gestreken. Vandaar vooral ook de veelal grootere vochtigheid hier, de grootere droogte in 't oosten van Amerika. Bij een' oosten- en vooral bij een' zuidoostenwind daarentegen is de lucht hier droog en in Amerika vochtig. Er zijn waarnemingen bekend, volgens welke de lucht onder die omstandigheid hier te lande slechts 13 a 18 percent vocht bevatte van de hoeveelheid, die er bij de heerschende temperatuur in aanwezig had kunnen zijn.
Ook oefent de wind een' grooten invloed op de verdamping uit. Wordt ergens de met veel vocht bezwangerde lucht weggevoerd en door droge lucht vervangen, dan kan hierin meer waterdamp worden opgenomen. Is de als wind aangevoerde lucht daarentegen vochtig, dan wordt de verdamping weinig of niet er door bevorderd.
Wordt eene met waterdamp verzadigde lucht afgekoeld, dan kan het water niet als damp blijven bestaan, maar neemt den vorm van dunne blaasjes aan, die, wanneer zij zich in massa aan de oppervlakte der aarde vertoonen,
92
hekend zijn onder den naam van nevel, en den naam van wolken dragen, wanneer zij boven ons in 't luchtruim zweven. Do nevelvorming kan het best worden waargenomen op een' schoonen zomeravond, wanneer de aarde door uitstraling warmte verliest en ook de lucht daardoor afgekoeld wordt. Zij vertoont zich daar natuurlijk het eerst of het sterkst, waar do grootste afkoeling plaats heeft of de lucht het vochtigst is, dus nu eens sterker hoven het land, dat eerder zijne warmte verliest, dan eens boven de slooten, grachten enz. waar de lucht in den regel meer vochtig is.
Mist, xeedamp, in Zeeland ook xeevlam gehoeten, zijn vormen van gecon-denseerden waterdamp, op eene soortgelijke wijze als nevel, door afkoeling van de vochtige lucht, ontstaan.
Wanneer men dampkringslucht door watten filtreert en daardoor van de stofdeeltjes bevrijdt, heeft daarin geen nevelvorming plaats. Daaruit mag men besluiten, dat voor de nevelvorming, behalve eene met waterdamp verzadigde ruimte, ook dergelijke stofdeeltjes, die gelijk bl. 04 opgemerkt is, in menigte in do lucht voorkomen, noodig zijn. Vandaar ook de sterke nevels in plaatsen, waar veel fabrieken zijn b.v. Londen en andere fabrieksteden.
Dauw noemt men den gecondenseerden waterdamp, wanneer hij zich als water aan de oppervlakte van voorwerpen afzet. Daar planten in den regel reeds eene lagere temperatuur bezitten en meer warmte uitstralen dan de onbegroeide grond, heeft de dauwvorming hierop inzonderheid plaats, en in 't algemeen worden die voorwerpen het sterkst bedauwd, welke gedurende de nachtelijke uitstraling het meest hunne warmte verliezen. Dauwvorming geschiedt voorts vooral bij eenen onbewolkten hemel, omdat de warmte-uitstraling der aarde dan grooter is, en bij weinig wind, omdat de met waterdamp bezwangerde lucht dan niet weggevoerd en door meer droge vervangen wordt l).
') Opmerkelijk is, wanneer 't dauwt, het verschil in temperatuur der lucht onmiddellijk aan de oppervlakte der aarde en een paar meters daarboven, dat verscheidene graden bedragen kan. De reden hiervan is de weinige beweging in de lucht, die met de aarde iu onmiddellijke aanraking is; door hare meerdere zwaarte stijgt zij niet omhoog, en vermengt zich niet met de warmere lucht daarboven. De weinige beweging in de lucht verklaart ook de doodsche stilte in den nacht waarin 't dauwt. Des daags is dit geheel anders. De lucht, met de door de zon verwarmde aarde in aanraking komende, wordt warmer en daardoor lichter, stijgt naarboven en veroorzaakt eene voortdurende beweging in de luchtlagen, die wij op het vrije veld aan de eigenaardige golvingen op ver verwijderde voorwerpen, welke sterk door de zon beschenen worden, als dijken en daken, zoo dikwijls waarnemen.
Daalt de temperatuur der voorwerpen op aarde en van het onderste luchtlaagje beneden 0°, zoo treedt nachtvorst in, die wij dus onder dezelfde omstandigheden (bij een onbewolkten hemel en stil weer) te verwachten hebben. Tusschen den vochtigheidstoestand der lucht en nachtvorst is er ook eene zekere betrekking en wel in dezen zin, dat als de vochtigheidstoestand grooter is en dus het dauwpunt, dat is de temperatuur die een bevochtigde thermometer aanwijst, hoog gelegen is, er minder gevaar voor nachtvorst bestaat. Ook is, als het dauwpunt boven 0° gelegen, er minder nachtvorst te vreezen, omdat er bij het condenseeren van waterdamp warmte vrij wordt, die het verdere verlies door uitstraling kan dekken. Vindt men echter dat het dauwpunt kort voor zonsondergang beneden 0° is gelegen, dan kan als vrij zeker worden
93
Nevel- en dauwvorrning gaan aan cle oppervlakte der aarde dikwijls met elkander gepaard, wolkenvorming en regen daarentegen in de lioogere streken der atmosfeer. Worden namelijk de nevelblaasjes eener wolk sterker afgekoeld, dan wordt ook hier de gecondenseerde waterdamp vloeibaar en valt in druppels, als regen, neer.
De hoeveelheid regen, die op eenige plaats der aarde valt, wordt bepaald niet een' regenmeter, dat is een opene bak van cene bepaalde oppervlakte. Het water, dat liierin opgevangen wordt, verzamelt zich in eene buis, onder aan den bak bevestigd. Door do opening, waardoor het water uit den bak toegang tot de buis heeft, nauw te nemen, wordt de verdamping zooveel mogelijk tegengegaan. Van tijd tot tijd, b.v. alle 24 uur, tapt men het water uit de buis af en meet het, of leest met behulp van eene peilschaal of drijver zijn' stand in de buis af. Wanneer dan tevens de oppervlakte van den bale bekend is, leert eene eenvoudige berekening, welke hoogte (gewoonlijk in millimeters uitgedrukt) hot laagje water hoeft, dat in 24 uur gevallen is, en door berekening, op gelijke wijze als dit voor de thermometer- en barometerwaarnemingen vermeld is, vindt men de hoeveelheid regen, die maandelijks en jaarlijks valt, en komt men tot eene juiste bepaling van normale regenhoeveelheden, van natte en droge maanden en jaren, van natte en droge streken enz.
De hoeveelheid regen toch, die er valt, is voor verschillende tijden en plaatsen zeer ongelijk. De nabijheid der zee, de richting van den wind, de hoogteligging eener streek, de aanwezigheid en de richting van bergketens, bosschen enz. oefenen lüerop invloed uit. Terwijl liet in de woestijn de Sahara, in sommige streken van Amerika (Peru, Bolivia) en elders zelden of nooit regent, valt er op andere plaatsen, in West-Indië b.v., niet zeidén zooveel regen op één dag als liier te lande in een geheel jaar.
In ons land en in 't algemeen in Europa regent het vooral bij zuidwestenen westenwinden, in 't oosten van Amerika vooral bij oostenwind. In beide gevallen toch is de lucht over den Oceaan gestreken en heeft veel waterdamp meegevoerd. Op bergen valt, door de sterkere afkoeling der lucht, meer regen dan in de dalen. Merkwaardig is daarom ook de invloed, dien bergketens op de hoeveelheid regen kunnen uitoefenen. Te Borgen, op de westkust van Noorwegen, valt jaarlijks minstens viermaal zooveel regen als in het aan de andere zijde van 't gebergte liggende Christiania. De vochtige zuidwestenwind, die daar vooral den regen aanvoert, wordt namelijk dooide koude bergtoppen zoodanig afgekoeld, dat zijn waterdamp gecondenseerd
aangenomen, dat de thermometer in den volgenden nacht (altijd bij een helderen hemel enz.) tot dit punt zal dalen. Volgens Hebber is er alzoo nachtvorst te vreezen, als in den namiddag bij eene temperatuur van 14° -l^0 lO0 8^ 6quot; 4° 2° de droge en vochtige thermometer verschillen 5.8 4.9 4.0 3.1 2.3 1.5 0.1° en de betrekkelijke vochtigheid hoogstens bedraagt 30 44 50 58 66 75 81°.
Volgens Wollny zijn de uitkomsten om op deze wijze nachtvorst te voorspellen onzeker, juist wegens het groote temperatuurverschil in de luchtlaag op 2 meter hoogte en de onderste luchtlagen, waarop hierboven gewezen is. Volgens hem kan er dus nachtvorst zijn, ofschoon het dauwpunt in de lucht op 2 meter hoogte niet beneden het vriespunt daalt, gelijk uit de hygrometerwaarneming zou volgen.
94
wordt en hij eerst daarvan beroofd, over 't gebergte henen strijkt. Bosschen zijn niet alleen van invloed op de hoeveelheid regen maar ook op de wijze, waarop hij op de aarde valt, en kunnen vooral door dit laatste in een bergland van grooten invloed zijn op de vruchtbaarheid van den grond. Zijn toch de toppen der bergen of ten deele hunne hellingen niet met bosch begroeid, dan spoelt het daarop vallende en daarvan afloopende regenwater den lossen bouwgrond tot op de onvruchtbare rotsen weg. Op eene met bosch begroeide helling daarentegen wordt de val van 't water gematigd en stroomt het meer regelmatig naar beneden.
Wegens de lagere temperatuur is de betrekkelijke vochtigheid der lucht in een bosch grooter en het verzadigingspunt eerder bereikt. Daaraan moet waarschijnlijk de vermeerdering van regen door bosschen worden verklaard en de regenvermindering die men op sommige plaatsen, waar vele bosschen geveld zijn, als op sommige West-Indische eilanden (St. Thomas, Curarao) worden toegeschreven.
üe gemiddelde hoeveelheid regen, in de 12 maanden des jaars, te Utrecht, volgens 40jarige waarnemingen (1849—1896) is in mM. hieronder opgegeven. Daarbij zijn tevens de grootste positieve afwijkingen en de grootste negatieve afwijkingen, die in die maanden zijn voorgekomen, met vermelding van het jaar wanneer, gevoegd.
Gemiddelde hoeveelheid regen in;
Dec. Jan. Febr. Maart April Mei Juni Juli Aug. Sept. Oct. Nov. Gl.2 48.9 44.4 44.5 37.9 49.4 54.8 75.4 81.1 66.0 73.0 59.4 Grootste positieve afwijkingen in:
1854 1877 1893 1859 1853 1869 1861 1865 1870 1876 1852 1890 88.7 51.6 88.3 61.1 68.8 83.7 79.4 109.4 92.4 76.3 142.4 58.7 Grootste negatieve afwijkingen in;
1890 1861 1857 1854 1893 1857 1893 1885 1871 1863 1861 1853 56.2 39.4 38.4 30.6 37.4 43.6 41.4 68.9 61.2 58.5 70.5 55.5 In een jaar is de gemiddelde hoeveelheid dus 696 mM. en gemiddeld per maand 58.1. Maart en April zijn de regenarmste. Juli en Augustus de regenrijkste maanden. De grootste afwijking kwam voor in October; want, terwijl er in die maand gemiddeld 73 mM. water viel, was deze hoeveelheid in 1852 73 142.4 = 215.4 mM. en in 1861 slechts 73 — 70.5 — 2.5 mM.; alzoo een verschil van 212.9 mM. — In de eerste drie maanden des jaars was de afwijking het kleinst en bedroeg resp. 91.0, 92.5 en 91.7 mM.
De hoeveelheid gevallen regen kan dus in de verscliillende maanden, het eene jaar bij het ander, nog al uiteenloopen. De jaarlijksche hoeveelheid kan 500 mM. en minder, maar ook 900 mM. en meer bedragen. Ook plaatselijk is er eenig verschil in de hoeveelheid. Van 1S79—1888 bedroeg zij gemiddeld te Groningen 679.3, te Helder 654.8, te Amsterdam 675.8, te Vlissingen 627.1, te Maastricht 610.6, en gemiddeld van verscheidene plaatsen in ons land 682 mM.
Ter vergelijking voegen wij hierbij, dat de jaarlijksche gemiddelde hoeveelheid regen te Alexandrië 210 en te Astrachan slechts 140 mM. bedraagt; terwijl zij in vele tropische gewesten vele malen grooter, b.v. te Buitenzorg 4820, te Padang 4580 en te Cherrapunje (Hindostan) zelfs 12090 mM. is.
Niet alleen echter de hoeveelheid regen, maar ook het aantal regendagen achtereen of de duur van eiken regen zijn dikwijls machtige factoren, dio den landbouwer in zijne werkzaamheden ophouden.
Het aantal regendagen in een jaar bedraagt volgens waarnemingen te Utrecht ruim 200, maar wisselt af van 165 tot 250 dagen. Zondert men echter hiervan uit de dagen, waarop minder dan 0.5 mM. gevallen is, dan bedraagt het gemiddeld getal dagen over de jaren 1849—1879 slechts 160.
Soms regent het slechts een enkelen dag, soms meerdere dagen achtereen. Er bestaat echter meer kans, dat het twee of meer dagen achtereen zal regenen of droog zijn, dan dat de regen of droogte met één dag zal ophouden. Zulks blijkt uit de opgave op de volgende bladzijde, verkregen uit waarnemingen te Utrecht.
Laat ons ter vergelijking en ter verklaring de maand Augustus nemen. In deze maand is het in 30 jaren slechts 44 maal gebeurd, dat het op een zekeren dag regende en den volgenden dag niet, 36 maal dat het twee dagen achtereen regende, 15 maal drie dagen achtereen enz. Er waren dus:
44 regendagen één aan één,
72 „ twee „ twee,
45 „ drie „ drie,
100 „ vier „ vier,
45 „ vijf „ vijf enz.
In 't geheel waren er 508 regendagen en daarvan slechts 44, waarop hot den volgenden dag niet regende, 72 waarbij het telkens twee dagen achtereen regende enz., in October regende het zelfs eenmaal 30 dagen en tweemaal 26 dagen achtereen.
Hetzelfde geldt, ofschoon in mindere mate, van de droge dagen.
Deze tabel geeft ons tevens een beeld van do veranderlijkheid van 't weer, wat regen of droogte betreft, in de verschillende maanden.
Men ziet dat het in de wintermaanden zelden een 14 dagen achtereen droog is; meer kans op langdurige droogte is er in April en in October; maar daar tegenover staat dat in deze maanden ook soms lang aanhoudende regens voorkomen.
De hoeveelheid regen, die er bij een enkelen regenbui of op een enkelen regendag valt, is zeer ongelijk.
Als het in Augustus één uur regent, valt er dikwijls meer water, dan wanneer 't in Januari een dag regent. Do roden hiervan moet gezocht worden in de grootere hoeveelheid waterdamp, die de lucht dan wegens de hoogere temperatuur kan bevatten. Volgens hot lijstje op bl. 90 toch bevat de lucht, die met waterdamp verzadigd is, bij eene temperatuur van 18° C. in 1 M3 15.3 gram waterdamp. Wordt deze nu afgekoeld tot 16° C., dan moet noodzakelijk 15.3 — 13.7 = 1.6 gram gecondenseerd worden. Daalt daarentegen de temperatuur eener met waterdamp verzadigde lucht b.v. in den winter van 6 tot 4° C., dan wordt slechts 7.7 — 6.9 = 0.8 gram, dus slechts de helft gecondenseerd.
Eegens, waarbij er 20 mM. water, dat is 20 liter op den vierkanten meter, valt, zijn in ons land niet zeldzaam, ja er zijn regens waargenomen, die in een etmaal 50 tot 70 mM. water leverden. Om een juister denkbeeld te
|
O O Q | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
GO rf-
(X)
GO -1 O
Ö
rt
H
a
H
H
d h
a
H
O
97
geven van die hoeveelheid, zij hier herinnerd, dat 1 mil. regenhoogte gelijk staat met 10 000 liter por hectare. In de vermelde voorbeelden viel er dus 500 000—700 000 liter water in een etmaal op de hectare.
Ter beoordeeling van de kans op regen moeten verder de windrichting, de daarmede vaak samenhangende hoogere of lagere barometerstand en de vochtigheidstoestand der lucht worden waargenomen. Volgens waarnemingen te Utrecht regent het ongeveer 4 maal vaker bij winden die van liet zuiden tot noordnoordwest waaien dan bij winden uit het noorden tot zuidznidwesten komende. Verder werd opgemerkt, dat de wind bij de meeste regens draait en wel meestal met do zon, belialve als het uit het noorden of oosten regent: dan is er nagenoeg evenveel kans dat hij krimpt, dan dat hij ruimt. Niet zelden is de wind, als het regent, wankelend, dat is: draait hij nu rechts dan weer links. Een en ander bewijst de stelling „dat de wind eigenlijk den regen niet aanvoert, maar maakt door vermenging van don komenden luchtstroom met de lucht die aanwezig was of doordien verschillende luchtstroomen afwisselen.quot; Daarom wordt te Utrecht do windrichting vóór, onder en na het vallen van den regen opgeteekend en nu die regen als door die winden voortgebracht beschouwd. Blijft de windrichting onveranderd, dan moet liet volgens het gevoelen, in bovenstaande stelling uitgedrukt, niet regenen dan alleen doordien op eene andere wijze een weinig water gecondenseerd wordt of doordien twee verscliillende luchtstroomen boven elkander heenstrijken (waarvan de windvaan in de onderste luchtlagen niets merkt) en bij dit strijken gedeeltelijk langs elkander schuiven en elkander doordringen. Dan moet dus, gelijk de waarnemingen ook hebben geleerd, steeds weinig regen vallen. In de andere gevallen, waarbij verandering van windrichting waargenomen wordt, is die hoeveelheid grooter. Of er moer regen zal vallen als de wind krimpt of ruimt, hangt af van de streken van den horizon, waaruit de wind vóór den regen waaide, of hij een vochtigen, kouden ter linker- of ter rechterzijde heeft enz. Door vermenging van een warmen vochtigen wind met een kouden zal b.v. regen kunnen ontstaan; wanneer een vochtige koude wind met een drogen en wannen wind in aanraking komt, de lucht kunnen opklaren.
Wanneer de waterdamp plotseling beneden 0° C. afkoelt, neemt het water den vasten toestand, dien van sneeuw of hagel, aan. Sneeuw bestaat uit kleine ijskristallen, die in kleinere of grootere hoopjes vereenigd, op de aarde vallen, hagel uit ijskristalletjes, tot witte ondoorschijnende korrels aaneen-gebakken (winterhagel) of uit eene doorschijnende massa (zomerhagel). Evenals het vermengen van luchtstroomen dikwijls regen doet ontstaan, op dezelfde wijze veronderstelt men, dat er bij sterkere afkoeling van vochtige lucht door een kouden luchtstroom sneeuw of hagel gevormd wordt. Het laatste heeft in de gematigde luchtstreek evenwel slechts in het koudere jaargetijde in de benedenste luchtlagen plaats. In de bovenste koudere luchtlagen wordt in alle tijden van 't jaar en in allo hemelstreken sneeuw of hagel gevormd, 's Zomers en in de heote luchtstreek gedurende hel geheele jaar smelt de sneeuw, wanneer zij de benedenste luchtlagen bereikt. Alleen grootere ijs-brokken, gelijk er niet zelden bij onweersbuien gevormd worden, vallen ook in den zomer op aarde.
rkinuers, 1. VUrde druk. 7
98
quot;Water in den vorm van sneeivw viel er te Utrecht, volgons waarnemingen van 1849—1862, in alle maanden, behalve in Juni, Juli, Augustus en September; in Mei en October is die hoeveelheid zeer gering (in 14 jaar respectievelijk 2.8 en 0.1 mM.), in Februari het grootst (in 14 jaar 133.7 mM.). In laatstgenoemde maand kwamen ook de meeste sneeuwbuien voor.
Hagel viel er volgens diezelfde waarnemingen in alle maanden van 't jaar. Van de 130 hagelbuien kwamen 32 in den winter, 73 in do lente (43 in April alleen), 10 in den zomer en 21 in den herfst voor. De hagelbuien van den zomer, die dikwijls vergezeld gaan van onweer, zijn de meest gevreesde. Want de meestal doorschijnende hagelsteenen, — soms van de grootte van oen duive- of hoenderei, — die dan vallen, veroorzaken niet zelden aanzienlijke schade aan de landbouwgewassen, vooral aan tabak, boekweit, koolzaad enz. Do uitgestrektheid eener hagelbui is zeer verschillend. Evenals vele regenbuien in den zomer, trekt zij langs eene bepaalde streek, of met andere woorden: zij heeft eene veel grootere uitgestrektheid in de lengte dan in de breedte.
Het water, dat in den vorm van regen, sneeuw of hagel valt, stroomt deels van of door den grond in rivieren, kanalen, slooten enz., deels blijft het in den grond terug. Uit de rivieren, kanalen enz. stroomt het voor een deel naar zee, voor een ander deel verdampt het. Omgekeerd wordt soms zeewater (of boezemwater, waarover later) ingelaten om het in de kanalen voor de scheepvaart en in de slooten als schnttingsmiddel op de vereischte hoogte te houden. Het water, in den grond terug-blijvende, verdampt van hieruit rechtstreeks, of wordt door de planten opgenomen en verdampt langs deze in de lucht, tenzij het in de planten achterblijft.
Jaarlijks verdampt er dus eene zekere quantiteit water. Bepalingen worden dienaangaande wel gedaan, maar aangezien deze slechts betrekking hebben op de verdamping uit eene opene schaal en in de natuur niet slechts water uit kanalen, slooten enz., maar ook uit den grond verdampt, en deze verdamping zeer verschillend is, al naarmate de grond droog of vochtig, warm of kond is enz., — zie later onder het vochtbehondend vermogen van tien bouwgrond — kan geene opgave van de absolute quantiteit gedaan worden en moeten wij, met verwijzing naar hetgeen bl. 80 en volg. aangaande de verdamping gezegd is, ons tot het volgende bepalen.
De verdamping houdt, behalve vele afwijkingen door den vochtigheidstoestand der lucht en den heerschenden wind veroorzaakt, ongeveer gelijken tred met de temperatuur, 's Zomers en des daags verdampt er meer water dan 's winters en in don nacht. De poreuze bouwgrond en vele andere stoffen nemen zelfs des nachts, — en bij vochtig weer des daags ook, — door hare hygroscopi-citeit (vochtaantrekkend vermogen) vocht uit de lucht op. Ook dauw en nevel veroorzaken naast regen, sneeuw en hagel, dat de bouwgrond vergoeding-voor het verdampte water ontvangt. Uit waarnemingen, hier en elders gedaan, is gebleken, dat de hoeveelheid water die van eene watervlakte jaarlijks verdampt per M2 ruim zoo groot is als de hoeveelheid regen die op dezelfde vlakte valt — van Maait tot September is de verdamping grooter, in de overige maanden valt er meer regen — en aangezien het o.a. uit waai nemingen van v. d. Ster te Helder, verder gebleken is, dat uit den met planten begroeiden grond meer water verdampt dan van eene vrije watervlakte, zoo
99
volgt hieruit dat vooral do bouwgrond op eene andere wijze vergoeding voor het verdampte water moet ontvangen. Mon dient echter in aanmerking te nemen, dat met bijna eiken regen het water eener sloot b.v. niet alleen vermeerdert door hetgeen er rechtstreeks invalt, maar ook door hetgeen er van don grond af instroomt. De rivieren ontvangen bovendien water van elders. Eu de bouwlaag ontvangt niet alleen door regen enz. uit don dampkring, maar ook uit don ondergrond en deze uit de omringende wateren of van hooger gelegen gronden vergoeding voor hot verdampte.
C. Eenige andere verschijnselen in den dampkring.
a) Electrische verschijnselen. Het onweer. Hot verschijnsel, dat men onweer noemt, wordt veroorzaakt door electriciteit. Uit de waarnemingen, die dagelijks, in ons land te Utrecht en te Helder, omtrent den electrischen toestand van den dampkring worden gedaan, blijkt, dat do dampkring bijna altijd electrisch is en wol moestal positief, slechts zelden negatief. Tusschen dit eloctrisch zijn, gelijk liet met bepaalde, daarvoor uitgedachte, toestellen waargenomen wordt, en de electrische werkingen, welke zich bij het onweer voordoen, heeft men echter nog goonerlei verband kunnen ontdekken. Want juist in den tijd, dat de lucht hot minst sterk eloctrisch is (dos zomers), komen de meeste onwodors voor, 's winters en vooral bij mistig weer, ids hot zelden of nooit onweert, is zij het sterkst eloctrisch. Ook omtrent het ontstaan van de lucht-electriciteit is men nog in het onzekere. Eensdeels heeft men hare vorming trachten te verklaren door de verdamping van water en door don plantengroei, anderdeels verband meenen te bespeuren tusschen hare vorming en de condensatie van waterdamp.
Wanneer men een toestel, waarop electriciteit, hetzij positieve, hetzij negatieve is opgehoopt, b.v. den conductor eener electriseermachiue, ontlaadt, dat is zijne electriciteit met de tegenovergestelde op oen ander voorwerp, b.v. die onzer hand, doet voroenigen, dan springt er met een knal eene vonk over. Die vonk is des te schitterender en die knal des te heviger, naarmate de hoeveelheid opgehoopte electriciteit grooter is. Hetzelfde verschijnsel, maar op eene veel grootschere wijze, vertoont zich bij hot onweer; do bliksem is de vonk, do donder de knal van de ontlading der onweerswolk. Aangezien de voortplanting van het licht zeer snel geschiedt, mag men aannemen, dat do bliksem op denzelfden tijd gezien wordt, als hij ontstaat. Anders is dit het geval met den donder. Het geluid hoeft éene secunde noodig om eene ruimte van 330 meter te doorloopen of 16 secunden voor 5280 meter. Aangezien nu 5555 meter gelijk éen uur gaans is, mag men aannemen, dat, wanneer er Iti a 17 secunden vorloopen tusschen hot zien van den bliksem en het hooren van den donder, het onweer ongeveer éen uur van ons verwijderd is, of bij S secunden een half uur, bij 4 secunden een kwartier. De donder kan blijkens gedane waarnemingen op geen grooteren afstand gehoord worden dan 3 a 4 uur. De bliksem is op veel grooteren afstand zichtbaar. Bliksemt het echter achter eene wolk of op verren afstand, dan ziet men de stralen niet rechtstreeks, maar alleen hot weerlichten. Een dergelijk weerlichten zonder donder wordt ook dikwijls hoog in do lucht waargenomen en toegeschreven aan liet ontladen der electriciteit in de daar aanwezige ijle lucht, evenals zulks
7*
100
geschiedt, wanneer men in eene buis, waaruit de lucht gepompt is, met behulp van eene electriseermacliine eene vont laat overspringen.
Het overspringen van de groote electrische vonk, den bliksem, geschiedt tusschen twee wolken of tusschen eene wolk en een voorwerp op aarde. In het laatste geval zegt men, dat de bliksem inslaat.
De uitwerkselen van het inslaan van den bliksem zijn bekend; houten en andere brandbare voorwerpen ontbranden, metalen worden gesmolten, muren, boomen enz. gespleten, menschen en dieren gedood enz. Slaat de bliksem ergens in een zandigen grond, dan heeft men dikwijls waargenomen, dat eene buis van aanzienlijke, soms 10 meter lengte daarin geboord werd, wier wand, uit aaneengebakken zandkorrels bestaande, als verglaasd was.
Hoog uitstekende, spits toeloopende voorwerpen (kerktorens, masten van schepen en hooge boomen) worden het meest door den bliksem getroffen. Daarom is het altijd gevaarlijk bij of onder dergelijke voorwerpen eene schuilplaats te zoeken, als het onweert. Ook dient men zich verwijderd te houden van metalen voorwerpen als kachels en van stroomend of van neervallend water, van dakgoten en andere uitstekende kanten en hoeken.
De eigenschap der electriciteit, van dooi- de metalen goed geleid te worden, past men toe bij de bliksemalleiders. Op het hoogste gedeelte van het gebouw wordt één of worden eenige metalen spitsen geplaatst en deze door metalen draden of kettingen met de vochtige aarde, b.v. in eene gracht of sloot, in geleidend verband gebracht. Is deze metaalgeleiding overal goed — en hierop dient men vooral te letten — dan vereenigt de electriciteit der aarde zich langs den draad met die der onweerswolk, zonder eenige schade aan het gebouw te veroorzaken, in plaats van zijnen weg door het gebouw, van het eene goed geleidende voorwerp op 't andere, door muren en balken enz. te nemen en daardoor deze te doen ontbranden en gene te doen springen en allerlei andere schade of onheil te veroorzaken.
Houdt men bij eene geladene electriseermachine eene spitse punt, dan springt in den regel geene vonk over; maar vloeit de electriciteit onder den vorm van een zacht licht als 't ware uit. Iets dergelijks wordt met betrekking tot de luchtelectriciteit nu en dan waargenomen. Van torenspitsen, de masten van schepen, de ooren van paarden en andere voorwerpen ziet men soms licht uitstralen, 't Verschijnsel is het meest bekend onder den naam van St.-Elmsvuur en 't vertoont zich bij onweer en natuurlijk bij nacht het sterkst.
De verschijnselen, die een onweer gewoonlijk voorafgaan en bij het opkomen worden waargenomen, zijn bekend. Hevige stortregens gaan meestal, hagelbuien niet zelden met het onweer gepaard. Ook water- of windhoozen, waarbij de wind evenals bij de cyclonen der keerkringen eene draaiende beweging heeft, en waardoor het ontstaan van de eigenaardige kegelvormige wolken wordt verklaard, vergezellen een onweer soms. Na een onweer ontstaat dikwijls koude, die meestal een gevolg eener andere windrichting is. Neemt men daarbij in aanmerking dat de lucht vóór het onweer meestal warm en vochtig en daardoor drukkend is, dan komt men tot het besluit, dat vermenging van luchtstroomen van zeer verschillende temperatuur de naaste oorzaak van het onweer is. Hebben er b.v. gedurende den zomer een tijdlang zuidenen zuidwesten- of zuidoostenwinden gewaaid, dan wordt eene groote massa waterdamp in de lucht opgenomen. Valt hierin een koudere luchtstroom, b.v. uit de hoogere luchtlagen, dan wordt de waterdamp snel gecondenseerd: er worden wolken gevormd en de electriciteit der lucht, zich op die wolken ophoopende, krijgt eindelijk zulk eene groote spanning, dat zij van de eene op de andere wolk of op de aarde in den vorm eener bliksemstraal overspringt.
De meeste onweders komen voor in de heete luchtstreek; in den tijd der windstilte als eene warme vochtige luchtmassa naarboven stijgt, onweert het hier bijna dagelijks. In de gematigde luchtstreken zijn zij minder talrijk en hoofdzakelijk tot de zomer-
maanden beperkt. Van ilc quot;100 onweders hier te lande vallen er ongeveer 80 in de maanden April September. Verder naar het noorden worden zij nog zeldzamer en het veelvuldigs! in het koude jaargetijde.
Verder is waargenomen dat de meeste onweders voorkomen in de namiddaguren, en dat in de 80 van de 100 gevallen de barometer te laag en slechts '20 keer te hoog stond. Bij eene positieve afwijking van den barometerstand is dus slechts zelden een onweer te verwachten. Buys Ballot geeft als regel, dat het nimmer op een' dag onweert, waarop des morgens de barometer boven 765 mM. stond.
In welke lichting de onweders gewoonlijk opkomen, hoelang zij duren en in welke richting ze altrekken, is, naar liet schijnt, plaatselijk verschillend. Aan de zeekusten is men van gevoelen, dat ze naar zee, aan de rivieren, dat ze langs deze trekken. Let men op de windrichting vóór, tijdens en na het onweer, dan is die, in overeenstemming met den lageren barometerstand, meestal aequatoriaal. Na het onweer heeft de wind echter in den regel geruimd.
Onweders, in den winter en in 't voorjaar voorkomende, acht men gevaarlijker — en ile statistiek bewijst dat dit zoo is, — dan de onweders van den zomer. Bekend is vooral het onweer van den 19 Februari 18(50, waarbij de bliksem op verschillende plaatsen in Friesland en Noord-iïolland insloeg en in België niet minder dan 20 kerktorens trof.
b. Lwhtverschijnselen. De zon is niet alleen de hoofdbron van de warmte, maar ook van het licht op aarde. Ook het licht is voor do meeste gewassen onmisbaar. Terwijl aarde en lucht de grondstoffen leveren, waaruit eene plant wordt opgebouwd, zijn licht en warmte hare onzichtbare bouwmeesters. Evenals veel of weinig warmte een' machtigen invloed uitoefenen op het plantengebouw, dat hier of daar verrijst, hangt hot dikwijls ook van veel of weinig licht af, welke gedaante of welke samenstelling eene plant zal verkrijgen. Licht en warmte zijn trouwens zeer nauw verwante krachten of eigenaardige trillingstoestanden van eene stof, die men veronderstelt overal aanwezig te zijn, den aether. Terwijl echter, gelijk wij gezien hebben, do warmte in den dampkring eene menigte verschijnselen veroorzaakt, die op het klimaat van een land grooten invloed uitoefenen, is dit met het licht niet of in veel mindere mate het geval. Eene korte aanduiding van eenige lichtverschijnselen moge hier daarom voldoende zijn.
Wij mogen aannemen, dat de hoeveelheid licht, welke de zon uitstraalt, steeds dezelfde is. Alleen van den stand der aarde ten opzichte van de zon en van den toestand des dampkrings hangt het af, hoeveel licht eene plaats aan de oppervlakte der aarde bereikt. Evenals de warmtestralen worden namelijk de lichtstralen in meerdere of mindere hoeveelheid dooi' den dampkring geabsorbeerd, en aangezien de weg, dien zij door den dampkring moeten afleggen, nu eens langer, dan korter is, aangezien de lucht nu eens met waterdamp bezwangerd, dan weer droog, nu eens bewolkt dan helder is, bestaat er ook groot verschil in de hoeveelheid licht, die eene plaats jaarlijks ontvangt.
Maar wat is eene warmtestraal, wat eene lichtstraal? Wanneer men in een donker vertrek een' bundel zonnestralen op een glazen prisma laat vallen, dan neemt die bundel, door het prisma gaande, eene andere richting en een' anderen vorm aan. Plaatst men achter het prisma een scherm en vangt de gebroken zonnestralen hier op, dan ziet men eene min of meer breede streep, die de verschillende kleuren van den regenboog vertoont: rood, oranje, geel.
102
groen, blauw, indigo en violet. Een thermometer, in deze verschillende kleuren geplaatst, stijgt in liet rood het meest, maar nog meer wanneer men hem buiten de gekleurde streep naar de zijde van hot rood houdt. In hot indigo en 't violet rijst hij slechts weinig; deze stralen bezitten dus weinig warmte, maar oefenen daarentegen veel scheikundige werking uit, welke werking ook nog buiten de violette kleur wordt waargenomen. Do witte zonnestralen zijn dus niet allo van dezelfde soort. Zij zijn wel alle breekbaar, maar niet alle evenveel. Want juist daardoor vallen zij, door een prisma gaande, uiteen. Evenals er rood, wit enz. gekleurde lichtstralen zijn, zijn er ook verschillende warmtestralen: warmtestralen, die geen licht, warmtestralen die tevens rood, geel enz. gekleurd licht geven. Do donkere warmtestralen zijn hot minst breekbaar en wijken daarom, door een prisma gaande, ook hot minst van haren weg af; dan volgen de roodc, oranje, gele, groene, blauwe, indigo en violette lichtstralen en eindelijk nog stralen, die geone warmte en ook geen licht geven, maar wel scheikundige werking uitoefenen. Uit do voreeniging van do verschillend gekleurde lichtstralen ontstaat weder wit licht. Ontbreekt er een van, dan heeft men gekleurd licht. De donkere warmtestralen worden, zie bl. 70, het meest door den dampkring geabsorbeerd, de scheikundige stralen volgons Bunson en Roscoe niet evenredig mot do andere daardoor opgeslorpt.
Do voorwerpen op aarde stralen nu eons doze dan gene stralen uil. Eene kachel b.v., die verwarmd is zonder gloeiend te zijn, straalt donkere warmtestralen uit; is zij roodgloeiend, dan worden er ook roode en, zoo zij witgloeiend is, ook de andere lichtstralen door haar uitgestraald. Een geel gekleurd voorwerp straalt hoofdzakelijk gele lichtstralen uit, een groen gekleurd glas laat alleen de groene lichtstralen door, enz. Wij kunnen hier in geene nadere bijzonderheden treden aangaande de lichtverschijnselen in hot algemeen, maar moeten daarvoor naar de leerboeken der Natuurkunde verwijzen. Deze en gene hoofdbegrippen zijn echter noodig voor het begrijpen van de verschijnselen, die wij hier in het kort zullen aanduiden.
1. T)e regenboog. Evenals hot witte zonlicht door een glazen prisma in zijne zeven kleuren wordt ontbonden, geschiedt dit ook door do regendruppels bij hot verschijnen van een' regenboog. Een regenboog ontstaat daarom ook alleen dan, wanneer hot regent, en kan door ons alleen dan worden waargenomen , wanneer de regenbui aan deze en do zon aan gene zijde van ons zich bevinden. De gekleurde lichtstralen worden namelijk tevens door do regendruppels teruggekaatst en vallen zoo in het oog. Hoo lager de zon nu aan den horizon staat, hoe grootor de boog is, en omgekeerd. Bevindt de zon zich echter hooger dan 41?, graden boven den horizon — gedurende een groot gedeelte van :t jaar is dit op den middag steeds het geval — dan valt de boog beneden den horizon en kan hij door ons niet worden waargenomen.
2. Kringen en kransen om zon en maan. Bijzonnen en bijmanen. Een eigenaardig lichtverschijnsel in den dampkring vormen ook de kringen, die men niet zelden, bij een' oenigszins bewolkten hemel, rondom de zon of maan waarneemt. Aan de binnenzijde rood en irnn do buitenzijde violet gekleurd, ofschoon meestal niet zoo schitterend als de regenboog, beschrijven zij een' cirkel met een' straal van 22° tot 23° of soms hot dubbele van deze
103
longto. Soms wordt de kring lor weorszijden van zon of maan on op dezelfde hoogte als dezo boven den horizon door oene lichte streep doorsneden; daardoor ontstaat op de doorsnede een beeld, dat eenigszins op de zon of de maan gelijkt en daarom bijzon of bijmaan genoemd wordt. Loodrecht boven de zon of maan wordt dan, door aanraking van een gedeelte van een tweeden cirkel aan de eerstgenoemde veeltijds eeno derde bijzon of bijmaan waargenomen. Men verklaart deze lichtverschijnselen door aan te nemen, dat in de hoogere luchtlagen eeno menigte ijskristallotjes zweven, die evenals een glazen prisma of de regendruppels het licht ontleden. Terwijl de aanwezigheid van ijs in do hoogere luchtlagen er op wijst, dat hot daar koud wezen moet, is het niet onbelangrijk, dat uit een onderzoek van Dr. Krooke gebleken is, dat eenige dagen na het versclüjnen van een' kring do temperatuur vaker diialt dan rijst, en bestaat er dus na het verschijnsel meer kans op kond dan op warm weer. De koude is het eerst te verwachten indien de witte verticale of horizontale ring (bijzon of bijmaan) ontstaat, omdat die alleen wordt waargenomen als de ijskristallotjes dalen en daardoor voor een groot deel evenwijdig aan elkander zijn. Met de kringen moeten niet verward worden de kransen om zon en maan en die men om ieder licht ziet, dat door een beademd glas beschouwd wordt. De kransen worden dan ook veroorzaakt dooiden gedeeltelijk gecondenseerden waterdamp der lucht.
Een kring om de zon, den 15 April 1849 te Utrecht en elders in ons land en omstreeks dien tijd ook op andere plaatsen in Europa waargenomen, werd wel van zeer buitengewone verschijnselen in don dampkring gevolgd. Den 18 April begon het namelijk te Utrecht te sneeuwen, dat tot den 20sten aanhield, en eveneens heerschte er een sneeuwstorm in een groot gedeelte van het overige Europa. De temperatuur daalde aanmerkelijk, in Frankrijk zelfs zoo, dat de vijvers van hot paleis der Tuileriën met ijs bedekt en de veldgewassen grootendeels vernield werden.
3. Het flikkeren der sterren. Ook tusschen het flikkeren der vaste sterren — de planeten vertoonen het verschijnsel niet — en de weersgesteldheid in de naaste toekomst meenen vele waarnemers eeno bepaalde betrokking gevonden te hebben. Yolgens Montigny neemt hot flikkeren altijd toe, als er regenachtig weer in aantocht is, en kan men daaruit reeds eenige dagen vooraf regen voorspellen. Xa don regen vermindert het flikkeren.
4. Kleur der lucht. Morgen- en avondrood. Wolken. De blauwe kleur van den hemel of het uitspansel boven ons schrijft men toe aan de eigenaardige werking, die de waterdamp op het licht uitoefent, en waardoor slechts de blauwe lichtstralen worden teruggekaatst. Ook de roode kleur der lucht in het oosten, eenigen tijd voor en in hot westen, na den ondergang der zon, bekend onder den naam van morgan- en avondrood, wordt door den waterdamp, die echter eenigszins gecondenseerd moet zijn, veroorzaakt. Beziet men de zon door den stoom, die uit de veiligheidsklep eener locomotief ontsnapt, dan kan hetzelfde rood worden waargenomen. Het avondrood wordt als eone voorbode van mooi weer, het morgenrood als eene regenbode beschouwd. In beide gevallen bevat de lucht waterdamp, die echter bij het avondrood ton deele tot waterbolletjes gecondenseerd is, ten gevolge van de warmte-uitstraling der aarde, maar bij het morgenrood verdicht blijft, niettegen-
104
staande de zon de aaide en daardoor ook do lucht verwarmt. Do meerdere warmte is niot in staat om de waterbolletjes, welke de kleur veroorzaken, weder in onzichtbaren damp te doen overgaan; integendeel de lucht betrekt niet zelden en er volgt regen.
Hoe dikker de luchtlaag is, des te meer licht wordt door den dampkring geabsorbeerd en des te grauwer wordt de kleur des hemels. Wij kunnen daarom de zon bij haren op- en ondergang, zonder dat het ons hindert, aanzien; op den vollen middag, vooral in den zomer, is ons dit niet mogelijk. De hoeveelheid licht, die wij van de zon ontvangen, is overigens afhankelijk van do helderheid des hemels, dat is, van de af- of aanwezigheid van wolken, aangezien deze de zonnestralen verstrooien en ze verhinderen rechtstreeks de aarde te bereiken. Ter beoordeeling van het weer en het klimaat is het dus ook van belang de helderheid der lucht in aanmerking te nemen. Bij gebrek aan een geschikt hulpmiddel om deze te bepalen, wordt zij gewoonlijk geschat, b.v. van 0 tot 10 graden. Een geheel betrokken lucht duidt men dan aan door 0, eene geheel heldere lucht door 10; eene voor de helft met wolkon bedekte lucht door het cijfer 5.
Volgens de schattingen 's middags om 2 nur te Utrecht van 1850—1889 is de helderheid van den hemel gemiddeld in December het geringst en neemt vervolgens toe tot April en Mei, is in Juni weer geringer, neemt daarna weer toe tot September om van af dezen tijd tot December weder af te nemen, gelijk uit onderstaande opgave blijkt.
Geschatte helderheid over 1850—1889, in elke maand om 2 uur te Utrecht, •lan. Febr. Maart April Mei Juni Juli Aug. Sept. Oct. Nov. Dec. 3.5 3.7 4.2 4.6 4.8 4.5 4.6 4.6 4.7 4.2 3.7 3.3 In den loop van een' dag is de lucht gemiddeld het helderst 's avonds omstreeks 10 uur, het minst helder des voormiddags te 10 uur. In allo maanden blijft de gemiddelde helderheid beneden 5; zoodat de wolkenbedekking de overhand heeft.
Daar bij eene met wolken bedekte lucht de warmtestralen, die van de aarde uitgaan, worden teruggekaatst, daalt do temperatuur in den winter nooit zoo laag bij een bewolkten als bij een helderen hemel. Daarentegen verhindert een bewolkte hemel, dat de zonnestralen tot de aarde doordringen en blijft het inzonderheid in den zomer des daags kouder, dan wanneer hij helder is. Bij eene bewolkte lucht in den namiddag en den nacht blijft het langer warm, of met andere woorden: het verschil in temperatuur tnsschen dag en nacht is bij eene bewolkte lucht minder groot dan bij eene heldere.
Van grooten invloed op de bewolking of de helderheid der lucht is de windrichting. quot;Westen- en zuidwestenwinden voeren luer veelal de wolken aan. Vooral worden wolken gevormd, wanneer deze warme en vochtige winden zich met koudere polaire luchtstroomen ongeveer op onze breedte vermengen. De wolkenvorming is dan een gevolg van de afkoeling van den eersten door den laatstgenoemden luchtstroom. Eene ontmoeting van dergelijke luchtstroomen in do onderste luchtlagen veroorzaakt 's winters met zelden mist. Krijgt de koudere stroom de overhand, dan klaart de lucht op en volgt er soms vorst; in zoover kan nevel of mist als een voorbode van vorst beschouwd worden. Op gelijke wijze ontstaan de minder zware wolken, tuin onze kusten onder
105
den naam van zeeclampen bekend, wanneer de koudere zeewind met den wanneren landwind gemengd wordt of omgekeerd.
West- en zuidwest gerichte winden gaan dus veelal met eene vochtige en bewolkte lucht gepaard, de tegenovergestelde met een' helderen hemel en eene drogere lucht. Zulks blijkt het duidelijkst uit de volgende
WINDROOS.
|
VOOR DEN VOCHTIGHEIDSTOESTAND. | VOOR DE HELDERHEID DER LUCHT. VOLGENS WAARNEMINGEN TE UTRECHT VAN 1849-180S. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Gemidd. 83.8 G2.' 65.0 75.8 3.7 4.8 4.9 |
Men ziet uit de vette cijfers, die den vochtigheidstoestand en de helderheid boven het gemiddelde aanwijzen, dat deze twee windrozen eene sterke tegenstelling met elkander vormen. Terwijl de lucht het meest vochtig is bij winden, die van de zuid- en westzijde van 't kompas waaien, is zij als een gevolg daarvan dan hot minst helder. Daar, gelijk bl. 90 opgemerkt is, de verdamping van 't water zeer afhankelijk is van don vochtigheidstoestand der lucht, ligt het voor de hand, dat die bij winden, van de noord- en oostzijde van 't kompas waaiende, grooter zijn zal, dan bij die, welke van de zuid- en westzijde opkomen. Met het heerschen van een' oosten- of daaromtrent waaienden wind, gaat daarom het bekende drogende heldere weer van het voorjaar en don zomer, vooral in de maanden April en Mei, en meermalen ook in don herfst en winter gepaard.
Do wolken zelve brengt men op het voorbeeld van den Engelschen natuurkundige , Luke-Howard, tot eenige hoofdvormen. Deze zijn: de vederwolk (windveeren) of cirrus, de stapelwolk of cumulus, de laagswijxe wolk (bank) of stratus en de regenwolk of nimbus. Do vederwolken zweven het hoogst en wel in die luchtlagen, waar de gecondenseerde waterdamp noodzakelijk vast worden moet. De stapelwolken vertoonen meer een' afgeronden, maar overigens zeer verschillenden vorm. Zij zweven lager en worden naar den stand van
106
zon of maan zeer verschillend verlicht. Niet zelden zijn hare randen gekleurd. Do laagsgewijze wolkon of banken vertoonen zich aan of althans evenwijdig met don horizon, terwijl elke wolk, die zich in regen oplost, regenwolk wordt genoemd.
Behalve deze hoofdvormen kan men nog eenige tusschenvormen onderscheidon. Do bekende .schapenwolkjes kunnen als eene vereeniging van do vederwolk met de stapelwolk beschouwd worden. Eene rogenwolk ontstaat dikwijls uit een cumuluo-stratus, eene bank namelijk, waarboven zich stapelwolken bevinden, zoodat deze meestal voorboden van regen zijn.
De wolken worden bewogen met de luchtstroomen. Aan hare beweging kan men daarom de richting van den wind in de hoogero luchtlagen loeren kennen. In de laatste jaren is daarop moer bepaald de aandacht gevestigd, en met name op de richting der vederwolken. Aangezien deze het hoogst zweven on. gelijk reeds bl. 88 opgemerkt werd, in de hoogere luchtlagen de windrichting eene andere is, schijnt or verband te bestaan tusschen do richting der vederwolken en de windrichting aldaar. Volgens waarnemingen van Broun is de richting der vederwolken ongeveer 20° rechts (volgens do wijzers van een uurwerk) van die van den benedenwind. Beide wijken in hare richting ongeveer evenveel van de isobaren — lijnen van gelijken barometerstand — af, de eene naar rechts, de andere naar links, zoodat de isobaren eene richting hebben, tusschen die der vederwolken en die van den benedenwind in. Daar nu verder — zie fig. 5 bl. 88 — de benedenwind spiraalsgewijze naar eene depressie en de bovenwind (de vederwolken) naar het maximum van drukking gericht is, kan daaruit ten naaste bij de ligging van het minimum ten opzichte van het maximum van den barometer opgemaakt worden.
Ook uit dit laatste voorbeeld blijkt dat er een onmiskenbaar verband tusschen de verschillende luchtverschijnselen bestaat. Eene temperatuur, lager dan de normale, gaat in den regel mot eene verhooging van den barometerstand gepaard, eene betrokkene vochtige lucht met regen enz. Ter beoordeeling van het weer is het daarom van belang, de verschillende verschijnselen in verband mot elkander te beschouwen. Want het eene is een gevolg van het andere en daarom kan uit hot eene waargenomen verschijnsel niet zelden tot het andere besloten worden. Een enkel voorbeeld moge dit ophelderen. Volgens de windroos , hier voor opgegeven, hebben we in 't voorjaar, in April en Mei, bij noorden- of noordoostenwinden veelal eene heldere lucht, droog weer en een' hoogen barometerstand. Op een' zekeren dag echter begint de barometer tc dalen, de temperatuur stijgt, de lucht blijft nog helder, maar zij wordt langzamerhand vochtiger, kenbaar aan de vroeger daarvoor opgegeven midMen; de wind gaat door het oosten heen naar 't zuiden. Er vertoonen zich nu ook meerdere wolken; de lucht betrekt en ei' volgt regen. Na eenigon tijd rijst do barometerstand weder, de wind gaat meer en meer naar 't westen, de regen houdt op, do lucht wordt helder enz. Zoo ongeveer volgen de verschijnselen elkander meermalen op.
In hoever uit do waarnemingen van het oogenblik tot de weersgesteldheid in de naaste toekomst kan worden besloten, is door ons tor loops aangegeven. Zie bl. 82, 87, 88, 92, 95, 97, 101, 103, 104 en 106.
107
De barometer, thermometer en vochtigheidsmeter, maar bovendien oen practischo blik, — alleen door langdurige waarnemingen te verkrijgen, — kunnen daarbij tot gids tlionen. Niet een enkel verschijnsel, maar zooveel verschijnselen mogelijk dient men waar te nemen en in verband met elkander te beschouwen; niet alleen den barometer, maar ook don thermometer enz. dient men te raadplegen en hunnen stand te vergelijken mot den gemiddelden stand van den tijd des jaars en den heerschenden wind om eenigszins met grond hot weer te beoordeelen. Van veel belang zou het voorts zijn, dat do dagelijksche weerberichten, zie bl. 87, ook in de landbouwende stroken algemeen werden verspreid, b.v. door teekens aan torens gelijk dit in de voornaamste havens voor de scheepvaart geschiedt. In Noord-Amorika on ook in eenige landen van hot Duitsche rijk (Beieren) heeft dit roods algemeen plaats en wordt daarvan voel gebruik gemaakt. Het lijdt geen twijfel of ook de; landbouw hier te lande zal het ontvangen van dergelijke berichten mot der tijd op prijs weten te stellen, vooral in enkele gedeelten van 't jaar b.v. den oogsttijd.
In hot dagelijksch leven gelden wel is waar nog andere middelen om hot weer te voorspellen, zooals het geroep of geschreeuw van sommige vogels, het gedrag van enkele andere dieren enz., met opzet vermelden wij echter die zoogenaamd practische weerkundige regels niet, omdat ze niet door wetenschappelijke waarnemingen gestaafd zijn geworden en voor een groot deel hoogst onzeker zijn. Om dezelfde reden is hier geene melding gemaakt van den invloed der maan op het weer. Ofschoon de maan nog bij velen voor eene der oorzaken tot weersverandering geldt en ofschoon /.ij weliswaar eenige werking op den dampkring uitoefent, is de verandering in drukking enz., daardoor teweeg gebracht, zoo gering, dat men haren invloed bij meteorologische waarnemingen en bij weervoorspellingen geheel buiten rekening-kan laten.
Iets anders is het evenwel met eenige verschijnselen in het planten- en dierenrijk. Daar, gelijk wij gezien hebben, het leven van planten en dieren afhankelijk is van het klimaat en het weer, kunnen omgekeerd planten en dieren eenige aanwijzing omtrent het klimaat eener streek geven. Op aanwijzing van den Belgischen weerkundige Quetelet worden daarom in Nederland vooral door bemoeiing van wijlen Dr. Staring, jaarlijks vele aanteekeningen verzameld on in de Meteorologische Jaarboeken medegedeeld van do bladontplooiing , het begin van 't bloeien, het rijp worden der vruchten enz., van de aankomst on hot vertrek der zwaluwen enz. enz. Dat deze verschijnselen niet op alle plaatsen in Nederland en in alle jaren terzelfder tijd plaats hebben, ligt in den aard der zaak, maar dooi' deze waarnemingen jaarlijks te doen kan men ook hiervan gemiddelde cijfers bekomen. Zoo ontplooit, volgens waarnemingen van 1867—1872, de Bergamotpeer haar blad gemiddeld te Zaandam den 17 April, te Oostkapelle den 24 April, de Goudenregen te Zaandam den 22 April, te Oostkapelle den 18 April; de Yp laat te Zaandam zijn blad vallen den 21 October, te Oostkapelle den 29 October, te Aardenburg den 8 November, het Sneeuwvlokje ontplooit zijn blad to Zaandam den 3 Februari, te Oostkapelle den 17 December; de gewone Vlier laat zijn blad vallen te Zaandam den 2:-3 October, te Oostkapelle don 7 November enz. Ofschoon wij
108
het geenszins van belang ontliloot achten, dat de landbouwers ieder voor zich dergelijke aanteekeningen maken en vervolgens do gemiddelde datums berekenen , meenon wij echter dat deze waarnemingen eei-st dan goed met elkander te vergelijken zijn, wanneer voor de planten ook de standplaats, wat betreft de geaardheid van den grond (vochtig of droog b.v.), de omgevende voorwerpen, de soort van planten, de diepte waarop ze gepoot zijn enz., zooveel mogelijk dezelfde zijn. Vooral dient men zulks in aanmerking te nemen bij het maken van vergelijkingen tusschen den groeitijd enz. van de geteelde gewassen, omdat deze omstandigheden, gelijk bekend is, ook op eene en dezelfde plaats en op zich zelve reeds vrij wat verschil geven. Intusschen worden, juist door de waarnemingen op onderscheidene plaatsen en in verschillende jaren te doen, de versclüllen geconstateerd en komt men tot de vraag: waardoor wordt dit verooizaakt?
Op één punt meenen wij ten slotte nog opmerkzaam te moeten maken, namelijk op de afwisselingen van het weer en de zoogenaamde beslissende dagen. Eeeds bij de temperatuur en den regen is door ons opgemerkt (zie bl. 74 en 95), dat wanneer eene afwijking in deze of gene richting waargenomen wordt, zij in den regel eenigen tijd blijft bestaan. Met in alle tijden van 't jaar scliijnt de kans op verandering echter even groot te zijn. Volgens een onderzoek van W. Koeppen vallen er in het jaar twee tijdstippen voor: in het vroege voorjaar (aan de kusten tusschen Maart en April, meer binnenslands tusschen Februari en Maart) en in den laten zomer, waarop men bijna twee tegen één mag stellen, dat als de loopende maand te koud of te warm is, zulks ook in de volgende het geval zijn zal. Op twee andere tijdstippen in het jaar (in de maanden April—Mei, October—November), bestaat er echter evenveel kans, dat het weer veranderen, als dat het zoo blijven zal. Met dit verschijnsel in verband staat wellicht hetgeen men met betrekking tot de beslissende dagen , de „Lostagequot; der Duitschers, meent waargenomen te hebben. In Frankrijk zegt men en de Duitschers hebben eene dergelijke spreuk:
Als sinte Medardus (vroeger oude stijl, 20 .Inni, thans nieuwe stijl, 8 Juni) regen zendt,
Regent het de maand ten end ').
Hier te lande worden St. Margaretha (20 Juli), de voorjaarsnachtevening en de langste dag voor beslissende dagen gehouden, dat wil zeggen: men rekent, dat het weer op de volgende dagen ongeveer zoo zijn zal, als het op den daarvoor aangewezen dag is. quot;Wanneer men nu in plaats van één bepaalden dag, b.v. eene week of eenige dagen als Lostage stelt, dan mag het niet onbelangrijk geacht worden, deze dagen of deze tijdstippen van een jaar zooveel mogelijk te leeren kennen, om ook daarnaar de kans quot;welk weer het zijn zal te berekenen. Weerkennis berust grootendeels op kansrekening en ofschoon, wanneer er van kans sprake is, nooit zekerheid kan bestaan, heeft zij toch eene groote practische waarde, vooral voor den landbouwer, wiens geheele bedrijf nog grootendeels op eene kansrekening berust.
In het voorgaande hebben wij ons inzonderheid beijverd om ter aanduiding
') Huisvriend van J. J. A. Gouverneur, 1854.
109
ran het klimaat, gemidrlelde waarden mede te doelen. Want naar de gemiddelden, slechts in enkele gevallen naar de uitersten, moet het bedrijf eens landbouwers ingericht zijn; met de uitersten dient hij echter eveneens rekening te houden, want hieraan zijn veelal zijne gevaren verbonden.
i;
l;
HET WATER i).
Is het voortbrengen van landbouwgewassen, gelijk wij weten, afhankelijk van den grond, waarin de planten bevestigd zijn en voedsel vinden en van de lucht, die haar eveneens voedsel verschaft en waarvan de verschijnselen zoo zeer haren groei wijzigen, een niet minder grooten invloed oefent het water op den plantengroei uit.
Niet alleen maakt het een wezenlijk bestanddeel uit der levende plant, dat noodig is om haar eene zekere mate van stevigheid en afronding van vorm te geven, niet alleen dient het tot vorming van sommige andere bestanddeelen en dus tot voedsel van de plant, maar het is ook een van de middelaars, waardoor het opnemen en de verspreiding van dat voedsel door de plant en dus de voeding zelve, tot stand komt.
Zonder water geen leven, ook niet van een dier. Enkele lagere diersoorten mogen geheel uitgedroogd kunnen worden zonder het leven er bij in te schieten, in 't algemeen maakt het water een wezenlijk bestanddeel ook van een dierlijk lichaam uit, waardoor de stofwisseling, de opneming, de vertering van voedsel, in 't algemeen de voeding mogelijk wordt.
Op de voortbrenging van planten en dieren, het hoofddoel van het landbouwbedrijf, oefent het water dus den machtigsten invloed uit.
Zonder water dikwijls geene scheikundige werkingen: geene verandering in het mengvoer, waardoor dit meer gemakkelijk verteert, dikwijls geene verandering in den mest, waardoor deze meer geschikt ter bemesting, en geene verandering in den bouwgrond, waardoor deze vruchtbaarder wordt.
Tusschen zuiver water en water, zooals het in de natuur voorkomt, is een groot verschil. Naarmate dit laatste meer of minder met de lucht of den bodem in aanraking is geweest, is het verontreinigd met stoffen die er of in zweven of in opgelost zijn. Daarop berust hoofdzakelijk het onderscheid dat wij kunnen merken tusschen: regenwater, beekwater, rivierwater, pompwater enz. Maar ook tusschen eene en dezelfde soort van water, vooral van rivier-
1) Bij dit en voorgaande hoofdstuk vooral te raadplegen een Leerboek voor Scheien Natuurkunde en verder A. A. Beekman, De strijd om hel bestaan. Voor het onderzoek van water: Tiemann und Gartner, Die Chemische und Mikroskopisch-Bakterioloyische Untersuchung des Wassers en Dr. F. Fischer, Das Trinkivassev, seine Besclmffenheit, Untersuchung und Reiniging.
110
en pompwater is er niet zelden een groot verschil. Plinius heeft het reeds gezegd; Zoo de grond, zoo het water. In een landbouwbedrijf is nu eens deze dan gene watersoort meer geschikt voor het doel, waartoe het gebruikt wordt. Sommige wateren kunnen geacht worden schadelijk te zijn voor de gezondheid van mensch en dier door de ziektekiemen, soms ook door do vergiftige stoffen, die het bevat.
Uit een en ander volgt dat eene nadere kennismaking met het water voor den landbouw van belang moet zijn.
Een gewichtig punt, vooral voor ons land, is voorts de stand van 't water ten opzichte van den bodem, omdat meerdere of mindere voor- en nadeelen — zooals wij later zullen zien — voor dien bodem daaruit kunnen voortvloeien.
1. Samenstelling en eigenschappen van 't water.
De ouden hielden het water voor een element; zij beschouwden het als eene der grondstoffen, waaruit de ons omringende dingen bestaan. De aarde, de lucht en het vuur waren, meenden zij, de andere grondstoffen, waarvan de samenstelling niet alleen, maar ook de eigenschappen der ons omringende voorwerpen afhankelijk zijn.
Thans is het bekend dat het water geene scheikundige grondstof, geen scheikundig element is, maar eene samengestelde stof, eene scheikundige verbinding van waterstof en zuurstof, 't Aantal van die tegenwoordig bekende grondstoffen of scheikundige elementen bedraagt ongeveer 70. Behalve de genoemde en de stikstof, die we als een hoofdbestanddeel van de dampkringslucht ontmoet hebben, zullen we in 't vervolg nog van andere elementen melding maken. Het element de waterstof heeft juist zijn naam aan hot water ontleend. Evenals stikstof en zuurstof is het een gas, dat echter niet, zooals deze vrij in de natuur voorkomt, maar steeds met andere elementen verbonden.
Evenals er door verbranding van koolstof koolzuur (eene samengestelde stof, eene scheikundige verbinding van koolstof en zuurstof, zie bl. 02) gevormd wordt, zoo ontstaat er ook bij de verbranding van waterstof eene samengestelde stof: de scheikundige verbinding water. In hoofdzaak zien wij dit dagelijks.
Do stoffen toch, die we tot verlichting en verwarming gebruiken, — algemeen uitgedrukt onze brandstoffen, — bevatten behalve koolstof ook waterstof. Welnu de verbranding daarvan komt ten slotte in hoofdzaak neer op vorming-van koolzuur en water. Op de vorming van koolzuur daarbij hebben we vroeger gewezen; die van water (waterdamp) kan gemakkelijk aangetoond worden door een koud voorwerp boven de vlam eener kaars of lamp te houden. Daardoor toch wordt de waterdamp gecondenseerd en slaat als water tegen het koude voorwerp aan.
Hot water bezit belangrijke eigenschappen, waarvan wij hier eenige zullen vermelden, niet om het daardoor van andere stoffen te leeren onderscheiden, maar die noodig zijn te weten om de menigte verschijnselen te verklaren, waarmede wij ons achtereenvolgens zullen bezig houden. Bij vele veranderingen der stoffen is water in het spel. Droge stoffen veranderen weinig of niet en absoluut droge kunnen jaren lang onveranderd blijven. Toevoeging van water
1
Ill
is dikwijls voldoende ze te doen rotten, verteren of hoe die veranderingen ook mogen heeten. Droog hooi en vochtig hooi.
In sommige gevallen schijnt het water hierbij eenvoudig als oplosmiddel te werken, waardoor de deeltjes dio op elkander inwerken, meer met elkander in aanraking worden gebracht. Tot voorbeeld daarvan moge dienen het bekende bruispoeder en de poeders, die voor 't fabriceeren van spuitwater gebruikt worden. Zoodra er water met dit poeder in aanraking komt, heeft er scheikundige werking plaats, waardoor het koolzuur, dat de opbrnising veroorzaakt, zich ontwikkelt.
In andere gevallen ondergaat het water zelf eene verandering of met andere woorden, neemt het aan do scheikundige werking, die plaats grijpt, deel. Nu eens wordt hot daarbij als een wezenlijk bestanddeel oonor scheikundige verbinding opgenomen, b.v. bij het blusschen van kalk, dan eens in zijne bestand-deelen ontleed: de zuurstof en de waterstof gaan daarbij meestal nieuwe verbindingen aan l).
Vele vaste lichamen worden, met water in aanraking komende, er door bevochtigd; zij trekken namelijk de kleine deeltjes water meer aan (adhaesie) dan die deeltjes elkander onderling (cohaesie). Daardoor wordt ook verklaard, dat het water tegen de wanden van een vat min of meer op- en zijne oppervlakte bij die wanden niet vlak, maar min of moer hol-gebogen staat. Neemt men nu een nauw buisje of twee dicht bij elkander staande platen, dan ondersteunen de wanden elkander als 't ware in het opzuigen on staat het water daarin of daartusschen aanmerkelijk hooger dan in het vat, waarin men genoemd buisje of die platen plaatst. Men noemt dit opzuigend vermogen in nauwe buisjes daarom haarbuisjeskracht of met een vreemd woord capillariteil. Wordt een vast lichaam door het water niet bevochtigd, een glas waarvan de wanden met vet bestreken zijn b.v., of in 't algemeen wordt een vast lichaam door eene vloeistof niet bevochtigd, kwik in eene barometerbuis b.v., anders gezegd, wanneer do cohaesie der vloeistof grooter is dan de adhaesie tot eon vast lichaam, — zoo heeft het omgekeerde plaats, dat is het water staat aan do wanden niet hooger maar lager, niet hol maar bol en in een nauw buisje niet hooger maar lager. Het opzuigen van water door den bouwgrond, het moeilijk indringen van water in droog zand en menig ander verschijnsel, waarop in :t vervolg gewezen zal worden, wordt daardoor verklaard.
Andere stoffen worden door hot water niet alleen bevochtigd, maar daarmede vloeibaar, dat is opgelost.
Ïi •fevf.r
■
■
■ra] |
. f
'i|
lil
Pils '1 f
I m
ü^'lf;
m
iii
Do oplosbaarheid der stoffen in water is niet alleen van den aard dier stoffen zelve, maar ook van de temperatuur afhankelijk. Bovendien wordt die van de eene stof dikwijls gewijzigd door de tegenwoordigheid eener andere of veroorzaakt het gelijktijdig aanwezig zijn van twee of meer stoffen scheikundige werkingen, waardoor nu eens oplosbare dan onoplosbare stoffen gevormd worden. Teneinde dit duidelijk en tevens de hieronder voorkomende
') Bij al die veranderingen der stollen waarbij bacteriën of andere lagere organismen in het spel zijn, als het rotten, gisten enz. maakt water het leven van deze organismen eerst mogelijk en blijven deze stollen daarom in drogen toestand meestal onveranderd.
112
analysen van -water begrijpelijk te makon, zal het nooclig zijn de samenstelling rlier stoffen eenigszins nader aan te geven.
Reeds op bl. 110 is gezegd, dat alle stoffelijke voorwerpen uit ongeveer een zeventigtal elementen of grondstoffen opgebouwd zijn. De Scheikunde leert ons de eigenschappen daarvan, hun voorkomen in de natuur enz., de stoffen of verbindingen, die twee of meer met elkander vormen, enz. nader kennen !).
De alzoo uit twee of meer elementen opgebouwde stoffen of scheikundige verbindingen zijn bekend onder den naam van zuren, basen, zouten enz.
Wij zullen nu in de eerste plaats nagaan de al of niet oplosbaarheid van de verbindingen, bekend onder den naam van zouten. Het volgende lijstje bevat de voor ons belangrijkste dezer scheikundige verbindingen met hare nadere (zuuranhydrid en metaaloxyd) en naaste bestanddeelen (elementen) en de hoeveelheid ten honderd, daarin voorkomende, zuiver en watervrij. Dit laatste voegen wij hierbij, omdat de meeste zouten, inzonderheid die welke in den handel als meststoffen voorkomen, b.v. zwavelzure kali, gips, chili-salpeter enz. veelal niet geheel zuiver zijn, en andere zouten, zooals zij in den handel voorkomen, niet altijd watervrij zijn maar zoogenaamd kristalwater bevatten. Dit is b.v. het geval met de koolzure soda, die gekristalliseerd niet minder dan 62.8 0/o water bevat en de ongebrande gips met 20.9 0/o kristalwater. Wij hebben daarbij gevoegd de scheikundige formides waardoor de samenstelling wordt aangeduid, eveneens zonder het kristalwater in aanmerking te nemen.
|
1) De voor ons meest belangrijke elementen met hun atoomteeken en atoomgewicht zijn de volgende; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
enz. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
113
SAJlEJfSTELUXG DEI! ZOUT EX.
chloorcalcium, CaCIo .... chloormagnesium, MgClo. . .
joodkaliuin, KJ......
broomkalium, KBr.....
broomraagnesium, MgBr2. . . onoplosbaar iluorcalcium, CaFlo
(salmiak) gt; ammo- ƒ ammoniak . 31.8 NH|C1 1 nium \ waterstof
Chloornati-iuin, NaCl (keukenzout)
chloorkalium, KC1 . chloorammonium . [C'1
loor .
(chloor 1 natrium 1 chloor i kalium chloor I waterst. i stikstof waterstof 1 chloor 1 calcium [ cliloor I magnesium jodium kalium bromium kalium bromium magnesium i lluor calcium
00.7
39.3 47.0
52.4 00.3 (17.05) (82.35) 1.9
04 30
74.7
25.3
70.4 23.0 07.2
32.8
CO.3 1.8 1.9
5.(» '20.2
|
koolzure kali, KoCO-; koolzure soda, . X;io( O;; koolzure ammonia, (NH4)2C03 koolzure kalk. CaCOi koolzure magnesia, MgCO;; koolzuur ijzeroxydule, FeCOs |
31.8 0/0 08.2 0/0 41.40/0 58.0 o/o 40.8 o/o ammonia 52.2 o/o | 8.7 (27.3) 23.1 (72.7) 50.0 110 | koolzuur (kali J koolzuur \ soda koolzuur 29.8 ammoniak 33.1 water 19.1 | koolzuur 44 o/q 40 kalk 50 o/o |
| koolzuur 52.2 0/o \ magnesia 47.0 % ƒ koolzuur 38.0 o/0 l ijzeroxydule01.4 % i koolstof l zuurstof ( kalium ( zuurstof 1 koolstof 1 zuurstof 1 natrium ' zuurstof 1 koolstof I zuurstof j stikstof I waterstof j zuurstof i waterstof ( koolstof I zuurstof ( calcium I zuurstof j koolstof ' zuurstof j magnesium 29.0 ( zuurstof j koolstof ' zuurstof ( ijzer I zuurstof |
18.4 (40) 27.0 (00) 45
zwavelzure ammonia, (NlI.|gt;.SO,
[ammoniak 25.700/0 ! stl^stof I ' waterstof
21.21
water
zwavelzure kali. K2SO4
zwavelzure soda, (glauberzout) NaoS04
J zwavelzuur 40 % \ kali 54 o/0
. I zwavelzuur 1 soda zwavelzuur 00.01%
ammonia
zwavel
zuurstof
kalium
zuurstof
zwavel
zu urstof
natrium
zuurstof
zwavel
zuurstof
13.030/0 j ^u/stof
'u ( waterstof
KEiNDERS, I. Vierde druk.
114
zwavelzure kalk, . . fzwavelzuur 58.80/o.
(g'P8) »
(kalk 41.2 O/q.
CaSOi
zwavelzure magnesia. | zwavelzuur OG.7 0/(i. (bitterz. of Eng. zout),!
MgS04 ( magnesia 33.3 0/o .
zwavelz dnle (ij
FeSÜ.!
tuur ijzeroxy-| zwavelzuur 52.3 n/o. ijzervitriool), gt;
(ijzeroxydule47.7 quot;/o.
( zwavel ' zuurstof (calcium ( zuurstof i zwavel (zuurstof ( magnesium 10.0 I zuurstof j zwavel I zuurstof j ijzer 36.0
( zuurstof
20.4
•17 17.5
l c
35
7 5 f
saljieterzure kali . (gewone salpeter), KNO3.
salpeterzure soda, (cliilisalpeter), NaNOs
salpeterzure ammonia , NH4NO3
salpeterzure kalk, Ca(N0,'i)o
I salpeterzuur 53.5 0/o. \ kali 40.5 n/o .
I salpeterzuur G3.4ll/u • | soda 36.6 quot;/o •
salpeterzuur07.6 quot;/o.
ammoniak
ammonia:
water
ƒ salpeterzuur 65.8 0/o .
\ kalk 24.2n/o-
1 stikstof quot;13.0 (26) '(zuurstof 30.6(74) j kalium 38.6 ' I zuurstof
1 stikstof 16.4 ' I zuurstof j natrium quot; I zu u rstof 1 stikstof ' 1 zuurstof , 0/ 1 stikstof 'quot;(waterstof 100; 1 zuurstof 'n i waterstof
(stikstof 17 ' ( zuurstof (calcium quot; I zuurstof
|
bicalcium phosphaat. CalIPO^ zure phosphorzure kalk monocalcium phosph. CaH.jPoOs phospliorzure kalk . I phosphor/.. 4;).8 quot;/q . tricalcium phosphaat, { Ca3PoOs [kalk 54.2 quot;/0. onoplosbaar. C3 O. oplost). onoplosbaar. |
phosphorz. 52.2 0/o. kalk 41.20/0. water 0.0 0/o. phosphorz. 52.0 quot;/0 kalk 28.0 n/o. water -18.50/0. phosphorzure aluin- j phosphorz. aarde. ! AloPoOg [aluinaarde phosphorzuur ijzer- (phorphorz. oxyde. ! | ijzeroxyde |
t phosph. 20 (43.66) ' ( zuurstof 25.8 (50.34) 1 calcium quot; I zuurstof 1 phosphorus 22.8 ' ( zuurstof 20.4 1 calcium ' ( zuurstof 1 waterstof ' ( zuurstof (phosphorus 23 ' ( zuurstof 20.0 (calcium ' 1 zuurstof (waterstof ' (zuurstof 1 phosphorus ' 1 zuurstof j aluminium ' ( zuurstof j phosphorus ' ( zuurstof j ij261, ' I zuurstof |
( kiezel ( zuurstof ( kalium (zuurstof ( kiezel ( zuurstof (natrium ( zuurstof
I kiezelzuur I kali
I kiezelzuur | soda
kiezelzure kali.
oplosb.
kiezelzure soda.
kiezel
I zuurstof (calcium ( zuurstof l kiezel
' quot; I zuurstof
{ aluminium ' ' (zuurstof
Deze opgave zal wel geene nadere verklaring nootlig hebben. Eeno inzage van de tabel doet ons zien, welke zouten al en welke niet oplosbaar zijn, en dat liet keukenzout b.v. uit 60.7 o/o chloor en 29.3 0/0 natrium bestaat, de salmiak uit GG.3 % clüoor, 31.8 ammoniak en 1.9 waterstof. De ammoniak is echter geen element, maar in de 31.8 gewichtsdeelcn vindt men 2G.2 gew. d. stikstof en 5.0 gew. d. waterstof. De salmiak bevat dus 26.2 0/0 stikstof. De koolzure kali of koolzure potasch, IWJOo, bestaat uit 31.80/0 koolzuur, CO2, en 68.2 0/0 kali of potasch Iv^O of 8.7 % koolstof enz. Tusschen ( ) is nog aangegeven, dat de ammoniak, NII3 uit 17.650/0 waterstof en 82.350/,, stikstof, liet koolzuur uit 27.8 0/0 koolstof en 72.7 0/0 zuurstof bestaat en zoo ook voor enkele andere verbindingen. quot;Voor de meeste zouten is echter alleen opgegeven do hoeveelheid ton honderd van het element, dat uit een landbouwkundig oogpunt vooral waarde aan de verbinding geeft en waarop later zal worden teruggekomen. Van enkele verbindingen, wier samenstelling zoor onstandvastig is en waarbij liet voor de praktijk ook minder aankomt die hoeveelheid te kennen, is de procentische samenstelling niet vermeld.
In de later volgende analysen van water (en hetzelfde geldt ook van grond-, mestsoorten enz.), vindt men dikwijls niet de geheele hoeveelheid zouten, maar alleen enkele bestanddeelen daarvan opgegeven, b.v. zwavelzuur, koolzuur, stikstof, chloor enz. üit de tabel kan men dan zien, dat b.v. 60.7 gram chloor gelijk staat met 100 gram keukenzout, 21.21 gram stikstof met 100 gram zwavelzure ammonia, 16.4 gram stikstof met 100 gram chilisalpeter, 58.8 gram zwavelzuur met 100 gram gips enz. Voor eene andere hoeveelheid kan men natuurlijk gemakkelijk de gevraagde (juantiteit berekenen. Gesteld men vindt in 1 liter water 0.03 gram chloor, dan staat _ .... , 100 X 0.03 3
dit gelijk met-^ ^ = O.Oo gram keukenzout ongeveer.
Of er wordt opgegeven dat men 1 hectare land met 25 KG. stikstof moet , t , 100 X 25
bemesten, dan kan men daarvoor nomen ———-------- = 152 KG. ruim cliili-
^ 100 X 25
salpeter of —9Y9Ï— == zwavelzure ammonia. Omgekeerd kan men
met behulp van de tabel vinden, aan hoeveel zout hot eene of andere element of bestanddeel beantwoordt.
Wordt b.v. door een proefstation opgegeven, dat in eene soort beendermeel
18 proc. phosphorzuur voorkomt, dan beantwoordt dit aan — * =
40.t5
39.3 0/0 phosphorzure kalk of tricalcium phosphaat l).
■) Deze en dergelijke berekeningen kunnen ook uitgevoerd worden met behulp van de scheikundige formules en atoomgewichten, waarvoor wij naar een Leerboek der
8*
116
Do meeste zouten zijn bij eeno lioogoro temperatuur meer oplosbaar dan bij eeno lagere, lossen daarom in warm water ook gemakkelijker op dan in koud. Bij het keukenzout maakt dit echter weinig of geen verschil. Zoo lost in 1 liter water op
bij 15° bij 00° bij 75° bij 100°
gram. gram. gram. gram.
bij 0° gram.
|
39.0 59.4 26 240 38 bii het kookpunt minder oplosbaar 51.6 bij 38° 15.5 „ 104° 37 42.5 10.5 85 |
Om pekel, dat is eene oplossing van keukenzout te maken, helpt het ons dus weinig, ot we warm water nemen; daarentegen wel wanneer we salpeter of koolzure soda (gewone soda) willen oplossen. Hot laatste lost bij eene temperatuur van 88' het meest, bij eene hoogore temperatuur weer minder op.
Koolzure kalk, koolzure magnesia, koolzuur ijzeroxydule en phosphorzure kalk, die in zuiver water onoplosbaar zijn, lossen op in koolzuurhoudend water (spuitwater). Ook door toevoeging van andere zuren (azijnzuur, salpeterzuur, zwavelzuur, zoutzuur) bij water kunnen stoffen, onoplosbaar in zuiver water, oplosbaar worden gemaakt; waarover later. Gips. dat in zuiver water weinig oplost, is meer oplosbaar in water, dat keukenzout bevat; 1 liter eener verzadigde keukenzout-oplossing lost 8.2 gram gips op. Het amorphe, niet gekristalliseerde kiezelzuur, dat weinig in zuiver water oplosbaar is, lost wel op, wanneer het water koolzure kali, soda enz. bevat.
Voegt men bij water, waarin reeds een zout opgelost is, eene oplossing van een ander zout, dan wordt niet zelden een onoplosbaar zout gevormd en het water dus troebel. Zoo ontstaat er eene troebeling, wanneer bij putwater, dat gips bevat, eene oplossing van koolzure soda wordt gevoegd. Zwavelzure kalk (gips) geeft namelijk met koolzure soda zwavelzure soda (oplosbaar) en koolzure kalk (onoplosbaar).
Voorts zijn in water
|
ile Ijijtcnrle kali, KOU oplosbaar: i kalium I zuurstof i kali of ■' potascli ) ' water / soda j natrium ( /.uurstof \ water | calcium I zuurstof j calcium 1 zuurstof de bijtende soda, NallO |
onoplosbaar. . .. 1 r a (ijzer 09.2 0/o het ijzeroxyd, Fe.,0;; . . | zJuurstof :la8 % het waterhoudend j ijzeroxyd ijzeroxyd (ijzerroest) ( water het ijzeroxydule, FeO .(ijzer TT.I n/o (watervrij) (zuurstof 22.9quot;/o ld. verbonden j ijzeroxydule met water ( water en de meeste andere metaaloxyden en hunne verbindingen met water de ongebluschte kalk, CaO . de gebluschte kalk . / ______CalOH^ |water Scheikunde verwijzen. Bevat een zout kristalwater, dan moet dit natuurlijk in rekening worden gebracht. De hoeveelheid daarvan wordt in de formules door het aantal molecules aangegeven, b.v. de formule van de gekristalliseerde gips is Ca SO,, 2 UjO of Ca SO,, 2 aq., die van de gekristalliseerde soda NaoCOj, 10 aq. enz. |
117
Ook do stoffen, die in planton on dieren voorkomen of inzonderheid daarvan afkomstig zijn, de zoogenaamde organische (verbrandbare) stoffen, zijn deels in water oplosbaar, deels weinig of niet. Oplosbaar zijn b.v. suiker, gom, planteneiwit enz., onoplosbaar zetmeel, vet enz. De meestal bruin-gekleurde stoffen, die bij het vergaan van planten en dieren in water, in een' vochtigen bodem enz. ontstaan (zie bl. 48), zijn slechts voor oen klein gedeelte in zuiver water oplosbaar. Bovat het met deze stoffen in aanraking komondo water echter tevens kali-, soda- of ammoniazouten, dan worden niet zelden oplosbare verbindingen gevormd, die aan het water eono bruine kleur geven (gier, veenwater enz.). Men behoeft eene oplossing van koolzure soda slechts oenigen tijd met turfmolm in aanraking te brengen, om haar spoedig bruingeklourd te zien.
De oplosbaarheid van een gas (eene luchtsoort) in water is eveneens van haren aard en van de temporatuur, maar bovendien van de drukking, waaronder het gas staat of de spanning, die het uitoefent, afhankelijk. — Bij een mengsel van gassen hangt de oplosbaarheid niet slechts af van den aard, maar ook van de hoeveelheid van elk gas, in het mengsel aanwezig, of de gedeeltelijke drukking, door elk dor gassen uitgeoefend. Van de bestanddeelen des dampkrings b.v. is de zuurstof op zich zelve ongeveer tweemaal, het koolzuur ongeveer zeventigmaal meer oplosbaar dan de stikstof, maar aangezien er steeds meer stikstof aanwezig, of — om het zoo eens uit te drukken — omdat de kans, dat een deeltje stikstof met hot water in aanraking zal komen, zooveel grootor is dan dio van een deeltje zuurstof of koolzuur, vindt men toch in het wator der natuur steeds meer stikstof opgelost dan zuurstof en koolzuur. Alleen de betrekkelijke hoeveelheid zuurstof en koolzuur in hot water opgelost is grooter dan die der stikstof. Zoo kunnen in 100 liter water tot 5 liter dampkringslucht opgelost worden, maar deze bestaat niet, gelijk vroeger opgegeven is, uit 21 zuurstof, 79 stikstof en 0.03 koolzuur, maar uit 34 zuurstof, 64 stikstof en 2 koolzuur ten honderd. Daar, waar de lucht meer koolzuur bevat, b.v. in den bouwgrond en in aardspleten, vermeerdert de kans, dat er meer koolzuur in het daar aanwezige water zal oplossen, natuurlijk met die hoeveelheid, en zoo vindt men soms water, waarvan de opgeloste lucht 10 tot 20 procent koolzuur bevat.
Neemt de oplosbaarheid der zouten enz. in den regel mot de temperatuur toe, die der gassen neemt daarmede af. Brengt men een glas koud putwater in een warm vertrek, dan ziet men daarom niot zelden luchtbellen aan den wand van 't glas te voorschijn komen. Bij verwarming van water is in 't algemeen een van do eerste daarbij waar te nemen verschijnselen: hot ontwijken van de opgeloste lucht. Het volgend lijstje dat eenigo gassen bevat, welke sterk in water oplosbaar zijn, wijst bovendien de afhankelijkheid der oplosbaarheid van do temperatuur ten duidelijkste aan.
1 liter water lost op:
|
Ammoniakgas, NII3, . Zwavelwaterstof, H2S, Koolzuur, CO2, . . . |
bij 15° bij 0° 1140 liter .... 450 liter. 3.23 „ 1.00 „ 4.37 „ 1.79 „ |
2. Hot in cle natuur voorkomende water.
Wij hebben het water, gelijk het in cle natunr voorkomt, onzuiver genoemd. Gassen en vaste stoffen zijn er in opgelost, andere vloeistoffen niet zelden ermede vermengd. Bovendien zijn vele watersoorten troebel door daarin zwevende voorwerpen (aarddceltjes enz.); millioenen levende wezens, waarvan de meeste voor liet bloote oog onzichtbaar zijn, strekt het water der natuur niet zelden tot woonplaats.
Naar hunnen oorsprong en de wijze van voorkomen onderscheidt men de natuurlijke wateren in regenwater, rivierwater, staandwatcr, zeewater en pnt-oi pompwater (bron-, toel-, zakwater), naar hunne samenstelling in zachte en harde wateren, zoute-, zure-, hittere-, zwavelwateren enz.
a. regenwater. Van alle in de natuur voorkomende wateren is het regenwater nog liet meest zuiver. Bij liet vallen uit den dampkring en bij het staan aan de lucht vindt het echter gelegenheid lucht op te lossen, wier hoeveelheid in 100 liter tot 5 liter kan bedragen en die uit ongeveer 04 stikstof, 34 zuurstof en 2 koolzuur ten honderd bestaat. Die lucht bevat dus meer zuurstof eu meer koolzuur, dan gewoonlijk in den dampkring gevonden wordt. Het in de lucht meest als koolzure ammonia voorkomende ammoniak wordt eveneens door regen, sneeuw enz. opgenomen en in liet regenwater teruggevonden. In 100(1 liter water van regen heeft men van 1—0 gram, in 1000 liter water van nevel en dauw 2—C gram, in dat van sneeuw en hagel ongeveer evenveel ammoniak als in het eigenlijke regenwater gevonden. Ook bevat het salpeterzuur en salpeterigzuur (als salpeterzure en salpeterigzure ammonia, NH4NO3 en NII4XO2), in 1000 liter 1—G tot soms 10 gram. Tijdelijk en plaatselijk is deze hoeveelheid stikstofverbindingen zeer uiteenloopend, grooter b.v. in regen na lange droogte en in water in de steden opgevangen, geringer na veel regen en op het vrije veld. Nemen wij voor de gemiddelde hoeveelheid regen in een jaar 0!)0 mM., zie bl. 94, en veronderstellen we, dat al het regenwater, op 1 hectare land vallende, in den grond dringt, dan wordt dit G90 X 10 000 = 6 900 000 liter. Nemen we nu verder aan, dat in 1000 liter 1.5 gram ammoniak en 1.5 gram salpeterzuur voorkomt, dan wordt daarmede van elk 10.35 kilog. naar den grond gevoerd, of aangezien, zie bl. 113 en 114, het ammoniak 82.35 en het salpeterzuur 2G ten honderd
stikstof bevat, 10.35 X = 8.5 KG. en 10.35 x ^ = 2.7 KG., dus
te zamen 11.2 KG. stikstof, eene hoeveelheid, waardoor de vruchtbaarheid van een land niet onbelangrijk kan toenemen, gelijk later blijken zal i).
Op gelijke wijze wordt het stof der wegen enz., dat in den dampkring geraakt, met den regen naar de aarde gevoerd. Aan de zeekusten vooral en
1) Uit verschillende waarnemingen blijkt, dat de boeveellioid stikstof, die als ammoniak in het regenwater voorkomt, ongeveer 3 maal zoo groot is als die in salpeterzuur en salpeterigzuur. Volgens de waarnemingen in Engeland is de hoeveelheid stikstof, die een hectare daardoor jaarlijks ontvangt, gemiddeld 8.1 KG.; volgens de Duitsche en Italiaansche waarnemingen 11.4 KG., volgens die te Monsouris, bij Parijs 13.84 KG. In de tropische gewesten is de hoeveelheid grooter maar zeer ongelijk.
11!)
in de nabijheid van zoutmijnen vindt men om dezelfde reden do zouten der zee, vooral keukenzout in 't regenwater. Tn het aanslag togen vensterglazen na storm is het niet moeilijk keukenzout a;in te toonen. In het regenwater van een pannendak stroomende werd door ons tot 35 gram keukenzout per 1000 liter water gevonden. De commissie, door Z. M. den Koning in 18GG benoemd tot onderzoek van drinkwater, vond in 1000 liter regenwater 20 a 30 tot 80 gram keukenzout, en ofschoon enkele malen geen gips gevonden werd, bevatte b.v. regenwater te St. Annaland (Zeeland) en to Edam 40—90 gram van dit zout. Is. Pierre vond te Caen in 1000 liter 24.6 gram zouten en hierin 5.75 gr. keukenzout, Bobiorre te Xantes in 1000 liter 5—12 keukenzout. Ook voor het keukenzout dezelfde berekening makende als hierboven voor het salpeterzuur en don ammoniak, wordt dit jaarlijks per hectare 34.5—82.8 K.G., volgens de waarnemingen in Engeland 24.73—59.5 K.GL
De kiemsporên van microscopische planten en dieren, die steeds in de lucht en op do daken voorkomen, worden met hot water in onze regenbakken gevoerd, ontwikkolen zich daarin onder gunstige omstandigheden en sterven. Ook direct uit de lucht of van de daken, vooral van rieten daken, worden organische stoffen in hot water gevoerd. Deze en dergelijke voorworpen, die het rogenwater niet zeidon een kleur geven of troebel maken, kunnen niet anders dan schadelijk zijn, wanneer het als drinkwater gebruikt zal worden; het gehalte aan ammoniak en salpeterzuur neemt daardoor toe; liet water verliest zijn eigenaardige reuk on smaak en wordt stinkend. Aangezien deze stoffen bij langdurige droogte min of meer in de lucht opgehoopt worden en met den eersten regen, na die droogte, worden aangevoerd, is het van belang dit eerste water niet te verzamelen, maar het te laten wegloopen. Niet zelden wordt dan ook opgemerkt, dat het regenwater, het eerst na eeno langdurige droogte opgevangen, na eenigen tijd stinkend wordt, door de rotting van de mede aangevoerde organische stoffen.
De temperatuur van 't regenwater, gelijk het valt, is zeer verschillend en varieert in 't algemeen mot die der lucht; in bakken verzameld, is zijne temperatuur ook afhankelijk van de diepte dier bewaarplaatsen. Hoe minder diep deze zijn, dos te meer verandert do temperatuur met die dor lucht; hoe dieper des to meer constant zal onder dezelfde omstandigheden do toraporatuur van het regenwater zijn: des winters dus minder koud, des zomers minder warm dan de lucht. Daar nu het rotten van do zooevongenoemde organische stoffen tegengegaan wordt door eeno lagere temperatuur on hot water van eene constante temperatuur zicli ook overigens moor aanbeveelt dan wanneer het aan gedurige wisseling van temporatuur blootgesteld is, zijn om deze redenen diepe bakken te verkiezen boven ondiepe.
b. rivierwater. Hot water eener rivier is oorspronkelijk regenwater, hetzij rechtstreeks als zoodanig gevallen, hetzij afkomstig van do gesmolten sneeuw en het sneeuwijs der bergen. Dezelfde stoffen, die in het regenwater gevonden worden, komen dan ook in liet rivierwater voor. Dampkringslucht en daarvan inzonderheid zuurstof en koolzuur houdt het opgelost; ook geringe hoeveelheden ammoniak en salpeterzuur worden er steeds in aangetroffen. Het regen- of sneeuwwater stroomt echter, alvorens zich in de rivier te verzamelen on in het bod der rivier, over of door do aarde en lost daaruit
120
verschillende zouten op. Reeds bij het ontstaan van den bodem van jSTeder-land, bl. 51, is door ons opgemerkt, dat bij het verweêren der rotsen) waarop hot water zulk een' machtigen invloed uitoefent, sommige stoffen er in -worden opgelost, andere in liet water zwevende, als slib, worden medegevoerd. quot;Welke die opgeloste stoffen al zijn, blijkt uit de hieronder volgende analysen van hot water van twee onzer hoofdrivieren. In 't algemeen is hare geheele hoeveelheid niet groot en bedraagt zelden meer dan 150—200 gram in 1000 liter water. Koolzure kalk, keukenzout en gips zijn daarvan de hoofdbestanddeelen. Toch wordt met de massa water, die jaarlijks door de rivieren naar do zee stroomt, eene groote hoeveelheid zouten weggevoerd. Volgens eene berekening van Bischof b.v. gaat met het Rijnwater jaarlijks zooveel koolzure kalk naar zee, dat 332 539 millioen stuk oesters daaruit hare schalen kunnen opbouwen. Niet in alle tijden van 't jaar heeft het echter dezelfde samenstelling, niet op alle plaatsen in zijn verloop is het van gelijke hoedanigheid. Langs of door de steden stroomende, neemt het niet zelden rioolwater en allerlei andere vuile stoffen op, aan de monden wordt het met zeewater vermengd. Daar waar het rivierwater gebruikt wordt om te bevloeien, — waarover later, — of als drinkwater, is het dus van belang op deze omstandigheden te letten en is eene nauwkeurige kennis van zijne samenstelling vooral ook van de slib, die het meevoert — zie de tabel aan het eind van dit deel —• van groot gewicht. Ook dient men daarbij op zijne temperatuur acht te geven.
Het water der kleinere rivieren (beken) verschilt natuurlijk eveneens naar de bron, waaruit het afkomstig is; in ons land is het beekwater gewoonlijk arm aan vaste stoffen; neemt het uit hooge venen zijn oorsprong, zoo is het veelal bruin gekleurd door opgeloste humusstoffen.
c. Staand water {kanaal-, sloot-, vieerwater cnx.). Ook dit water is mot enkele uitzonderingen oorspronkelijk regenwater en in den regel slechts oppervlakkig met den grond in aanraking geweest. Toch is ook hier het gezegde van Plinius: „zoo de grond, zoo het waterquot; van toepassing. In het gebied der zeebezinkingen (Zeeland, Noord-Holland, Friesland en Groningen) is dit water niet zelden brak tot zout, in de veenstreken veelal bruin gekleurd. Evenals van het rivierwater is echter de geheele hoeveelheid opgeloste zouten niet groot. De bovengenoemde commissie tot onderzoek van drinkwater vond in 1000 liter sloot- en kanaalwater van 20—C00 gram keukenzout en van sporen tot 400 gram gips. In bewoonde plaatsen wordt het niet zelden met allerlei vuil verontreinigd. Vooral is dit het geval in de nabijheid van stijfsel (aardappelmeel-) en andere fabrieken, die haar spoelwater enz. in kanalen laten loopen. De rottingsproducten der daarin opgeloste eiwitstoffen bederven dan niet alleen dit water, maar ook door de daaruit opstijgende gassen o. a, door de zwavelwaterstof, de lucht. Steeds met de lucht in aanraking en aan de voornaamste warmtebron onzer aarde, de zon, blootgesteld, wisselt zijne temperatuur meer af dan die van vele andere watersoorten. Des zomers verdampt het daardoor ook niet zelden tot op een klein volume en wordt het overblijvende daardoor noodzakelijk rijk aan opgeloste zouten. Vele staande wateren, ofschoon overigens vrij goed drinkwater leverende, worden daardoor 's zomers brak en derhalve ongeschikt voor drinkwater.
121
Meer bepaald is dit met het water der Friescho meren opgemerkt i) dat des voorjaars zeer goed drinkbaar maar 's zomers om de grootere hoeveelheid opgeloste zouten daarvoor soms niet gebruikt kan worden. Soms wordt dos zomers, om het kanaalwater op peil te houden, ook zeewater ingelaten en liet daardoor brak.
d. Put- of pompwater {bron-, wel-, zakwater). Hieronder verstaat men water, dat in de aarde dringende en door de aardlagen trekkende, op eene andere plaats, bijv. in een' put weder te voorschijn komt. Eigenlijke bronnen, waarbij liet water in onderaardsche kanalen, tusschen de aardlagen door, stroomt en stroomende uit don grond opborrelt, zijn moer aan bergachtige streken, niet althans rotsachtigen ondergrond eiger en komen hier te lande slechts bij uitzondering voor. Wat hier ook wel eens bronwater genoemd wordt, beschouwen wij als le zijn welwater, als water namelijk, dat, in den regel oorspronkelijk regenwater, in de aarde dringt tot het eenn laag ontmoet, die het water moeilijk doorlaat en een dieper zakken dus verhindert, terwijl het door do daarboven liggende laag, gewoonlijk eene zandlaag (welzand) of eene grintlaag zijdelings heensijpelt en in den put dringt. Zakwater noemen wij meer bepaald regenwater, dat in de nabijheid van een' put gevallen is en meer rechtstreeks door den grond trekkende, zich in den put verzamelt.
Yan al de tot nog toe beschouwde watersoorten is het putwater 't meest met don grond in aanraking geweest en houdt het daarom ook veelal eene grootere hoeveelheid zouten opgelost dan hot regen-, rivier- of slootwater. Van de koolzuurhoudende lucht in den bouwgrond of in 't algemeen in de aarde voorkomende, (zie biz. G2 o. a.) heeft het veel koolzuur, van de veen-en darglagen bruine humusstoffen, elders heeft het van de kalksteen-, gips-of steenzout-(keukenzout) lagen of van deze in den ondergrond veelal meer voorkomende zouten, koolzure kalk, gips, keukenzout enz. opgelost.
Wij laten hier thans een paar analysen van rivier- en pompwater volgen.
In 1000 liter water komt voor:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geneeskundige plaal fibeschrj ving , Stuk It, Friesland. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
122
Hot putwater van steden en dorpen bevat niet zelden oeiio buitengewone hoeveelheid salpeterzuur, salpeterigzuur, ammoniak, soms zelfs phosphorzuur, (al deze bestanddeelen in den vorm van zouten) als ontledingsproducten vooral van de organische stoffen, waaronder de uitwerpselen van menschen en dieren, waarmede de bodem aldaar langzamerhand doortrokken is geworden, en organische stoffen zelve in ontleding cn ontbinding.
Voor het water, dat zich in onze putton verzamelt, kunnen vier bronnen worden aangenomen;
1. het door den grond zakkende regenwater in dc nabijheid van den put, 2. het water, dat elders vallende, zich door den poreuzen bodem hoeft verplaatst, 3. hot rivierwater, 4. het zeewater.
Dat op de eerstgenoemde wijze zich water in onze putten moet verzamelen is duidelijk, te meer daar hunne wanden, dikwijls slechts uit los opeengestapelde steenen, soms zelfs uit turf bestaande, het water gemakkelijk doorlaten.
Eon put, op deze wijze door zoogenaamd zakwater gevoed wordende, geeft bij veel regen eene genoegzame hoeveelheid water, maar bij langdurige droogte en veel verbruik vermindert het aanzienlijk; soms droogt do put geheel uit. Van hoe verren afstand hot al in don put dringt, hangt van de diepte van den put en van de hoedanigheid der aardlagen, waarin hij geboord is, af. Laten die lagen het water gelijkmatig door, dan dringt hot van alle kanton en op bijna elke hoogte den put binnen. Is dit niet het geval, wisselen lagen, die het water gemakkelijk doorlaten af met lagen, waarop hot staan blijft, dan sijpelt hot vooral door de eerstgenoemde lagen en boven de laatstgenoemde als eene wel in don put. Inzonderheid op het diluvium wordt dit verschijnsel waargenomen. Daar heeft men onder het zand mot grint en keien niet zeidon eene leomlaag, dio het water zeer moeilijk doorlaat. Hierop stuit het water dus, terwijl het zijdelings door het zand of de grint een' uitweg zoekt. Bestaat oeu bodem uit afwisselende klei- en zandlagen, dan zal men eene wol aantreffen in elke zandlaag, vooral als deze uit grofkorrelig zand (welzand) bestaat, terwijl hot op de kleilagen min of meer staan blijft. Bij het boren van Artesische (Norton-)pompen bekomt men daarom, al naar de diepte, water van zeer verschillende qualitoit. Van hoe verren afstand het water nu al naaiden put kan stroomen, hangt ook hier van de onderlinge ligging dier lagen af. Evenals onze bodem echter in 't algemeen aan de oppervlakte van het zuidoosten naar het noordwesten daalt, is dit ook met de onderliggende aardlagen het geval en zakt hot water dus ook in deze richting af. Hiermede in overeenstemming is het verschijnsel, 'twelk door putgravers niet zelden opgemerkt is, namelijk dat do wel moestal aan de zuidoostzijde van den put gevonden wordt.
Dringt aan de oevers der rivieren het rivierwater, aan onze zeekusten het zeewater, aan do boorden onzer kanalen, slooton enz. dit staande water in don grond en worden daardoor onze putten gevoed? Onmiddellijk aan onze hoofdrivieren, wier bed over eene groote uitgestrektheid uit zand, ja zelfs grof zand en grint bestaat, dat zich onder de aangrenzende kleigronden voortzet , is dit zeer zeker het geval. Bij hooge rivierstanden dringt het water zelfs onder do dijken door en veroorzaakt de zoogenaamde kwel, tenzij men zorg draagt den teen dier dijken genoegzaam te bekloien. Op gelijke wijze als dit kwelwater aan gindsche zijde der dijken do slooten vult en soms gehecle
123
lauden overstroomt, kan het ook in de flaar voorkomende putton vloeien.
Daar echter met een' hoogen stand van het rivierwater veelal veel regen valt en de afvoer van dit regenwater door dien hoogen stand wordt verhinderd, zal ook dit lüer evenals overal elders den put voeden. Toch schijnt het rivierwater en zoo ook het kanaal- en zeewater een bepaalden invloed op den stand van het water in een put uit te oefenen. Volgens Dr. Staring ligt de wel die de put in hot Soerensche bosch voedt, even diep als de oppervlakte der Zuiderzee beneden den grond aldaar gelegen is. Op de hoogten bij Arnhem zijn de welputten even diep, als de oppervlakte van den grond boven den quot;waterspiegel van den Eijn gelegen is. Volgens Stamkart en Matthes „is de rijzing en daling van den put op de Noordermarkt te Amsterdam, een verwijderd gevolg van den hoogeren en lageren stand van het IJ-waterquot; l). Ook in de' zeepolders is wel eens opgemerkt, dat, als het kanaalwater stijgt, zulks ook het geval is met het water van de nabijzijude dobben en slooten.
liet bodemwater dat in de putton dringt, schijnt dus in vele gevallen met het omringende rivier-, kanaal- en zeewater in evenwicht te zijn ofte trachten daarmede in evenwicht te komen. De put vormt met het kanaal, mot de rivier of met de zee, vaten die met elkander gemeenschap hebben. De gemeenschapskanalen zijn echter zeer nauw; zoodat van een eigenlijk stroomen daarin geen sprake zijn kan: het water ontmoet grooten tegenstand en kan in het eene vat aanmerkelijk hooger staan dan in het andere, zonder dat het evenwicht dadelijk hersteld wordt. Onze duinen houden immers het zeewater tegen. Op het eiland Rottum maakt men dijken van zeezand om het vloedwater te keeren. Daar en elders in de duinen geven de putten in het duinzand gegraven, uitmuntend water, ofschoon het zeewater dikwijls veel hooger staat dan het water in den put. Daar, waar de bodem bestaat uit klei- en zandlagen, die eene hellende ligging hebben en elkander afwisselen, zal eene kleilaag het hooger staande water ook kunnen afsluiten.
quot;Wanneer Dr. Staring dus zegt „in de waterrijke zee-aJluviën en de lage venen, ligt de oppervlakte van de wel even hoog als de omringende waterspiegel en rijst en daalt met dezenquot; dan geloovon wij, dat dit wel het geval zijn zal in de zand- en veenstreken, maar niet of veel minder in de zeeklei-landen 2).
Ofschoon de stand van het water in een' put dus gewijzigd kan worden door dien van het rivier-, kanaal- of zeewater, dringt er daarom nog geen rivier-, kanaal- of zeewater in den put of komt het putwater in samenstelling met genoemde watersoorten overeen.
Vooreerst toch wordt het aanwezige bodemwater in den grond eu daardoor ook in den put omhoog gestuwd en ten tweede lost het rivierwater enz., met de aardlagen in aanraking komende, evenals het regenwater, bestanddeelen uit den grond op en — mocht het ook in de putten dringen —, door aanraking met den bodem zal het toch in samenstelling gewijzigd zijn. Of dus het
') Rapport van de drinkwatercommissie.
-) Zie verder Verslag van de commissie tot onderzoek naar de mate, waarin water onder verschillende druklioogte door zandmassa's van verschillende samenstelling en breedte stroomt, uitgegeven door de K. A. v. W.
124
brakke tot zonto bodemwater, dat aan de kusten in de putten dringt, zeewater is, vermengd met hot door den grond zakkend regenwater en beide gewijzigd door aanraking met den bodem, dan of hot regenwater is, dat uit de in zeewater bezonken lagen het zout heeft opgenomen, hierop kan geen bepaald antwoord gegeven worden. quot;Weliswaar stijgt met de diepte van den put in vele gevallen hot zoutgehalte, — en hierop berust eigenlijk de veronderstelling, dat liet diepe bodemwater aan onze kusten zeewater is —, maar wij zullen hieronder zien, dat men o. a. in Noord-Holland tot op aanmerkelijke diepte borende, zoet water bekomt. Bovendien moet, als het in den put zakkende water oorspronkelijk slechts regenwater is, met de diepte noodzakelijk het gehalte aan keukenzout stijgen, omdat het met des te meer aardlagen in aanraking is geweest.
Graaft men in onze zeealluviën een' put van geringe diepte b.v. van 2 a 2.5 meter en zet de wanden met steenen of turf los op, dan is het water in den regel niet brak; maar graaft men dieper dan is dit wel het geval en wordt het in den regel des te brakker, naarmate men dieper graaft. Bevinden zich in den ondergrond darglagen, dan is hot ook niet zelden bruin gekleurd en heeft den zeer onaangenamen aan vuile eieren herinnerenden reuk van zwavel-waterstofgas.
Wij houden dit water voor zakwater, dat op verschillende hoogte in den put vloeit, met allerlei gronden, inzonderheid klei- en darglagen in aanraking geweest is en daaraan zijn onaangenamen reuk en smaak ontleend heeft. Ook welwater, van elders aangevoerd, rivier-, kanaal- en slootwater kan zich daarbij voegen. Zulks hangt van verschillende omstandigheden en inzonderheid van de ligging van den put, ten opzichte van genoemde wateren, den aard der doorboorde en omringende gronden af. In de steden en dorpen voegt zich daarbij soms rioolwater en een aftreksel van den met allerlei vuil vermengden bodem. Vandaar niet alleen meer zouten in dit water, maar daarbij ook salpeterzuur, salpetcrigzuur en ammoniak als ontledingsproducten vooral van de dierlijke of menschelijke uitwerpselen, enz., gelijk o. a. door bovengenoemde commissie in vele stedelijke putten gevonden werd, zoowel op het alluvium als op het diluvium !).
Dergelijk water is in den regel van zeer slechte hoedanigheid. Beter water wordt veelal verkregen wanneer men dit zakwater afsluit, door den put in goeden tras op te metselen en alleen het water eener wel toetelaten. Op de eenvoudigste wijze, vooral wanneer daartoe diepere lagen opgezocht moeten worden, wordt dit doel bereikt met de zoogenaamde Norton- en pulspompen. De eerste bestaan uit aan elkander bevestigde ijzeren buizen van ongeveer 0.5 c.M. diameter, waarvan de onderste van een stalen punt met openingen is voorzien, en die met een daarvoor bestemd ijzeren heiblok in den grond gedreven worden, de tweede uit aan elkander bevestigde wijdere cilinders van 1 a 2 d.M. middellijn, die door eene zware belasting in den grond worden geperst, en waaruit men de aarde met behulp van een klopboor (puls) naar boven werkt. Ofschoon de kans, dat men in deze putten goed drinkwater zal
') Meermalen weid iloor ons in zulk water ook phosphorznur gevonden.
bekomen niet altijd zeker is, blijkens ile ondervinding daarvan in verschillende streken van ons land opgedaan, is toch het resultaat, dat men op vele plaatsen o. a. in Noord-Holland, — waar hot water der gewone putten, ja ook dat van vele slooten brak is, — er mede verkregen heeft, zeer merkwaardig. Zoo heeft men b.v. te Purmerende twee van G2 en 75 meter diepte geboord (een derde mislukte) en één in de Beemster op het buiten van den heer N. Brantjes Marienheuvel van 25 meter diepte, die eene groote hoevoelhoid water leveren van goede qualiteit. Zoo geven die te Purmerende ongeveer 15 liter in de secunde. Bij die in de Beemster is do hoeveelheid nog grooter. Do wel van dezen put voerde het water op tot 0.25 meter boven den beganen grond, die 1.75 motor boven hot Beemster zomerpeil ligt. Voor de verzameling van dit water heeft men op eene diepte van ongeveer 2 meter beneden den beganen grond oen dubbelen houten vloer gelegd en daarop een gemetseld reservoir gemaakt van 1.5 meter diameter. Uit dit reservoir gaat eene buis naar den stal om door middel van eene pomp water te verschaffen aan 2(5 stuks vee. Verder loopt eene buis naar de pomp van het werkhuis voor de kaasmakerij en voorts eene bnis met pomp naar den tuin voor het begieten van bloemen enz. Al deze pompen bleken niet voldoende te zijn om het welwater te gebruiken en het reservoir zou uit elkander geperst zijn geworden, zoo nog niet eene buis aangebracht was om het overtollige naar eene sloot af te voeren.
In plaats van ijzeren buizen neemt men ook vierkante houten kokers, nit doelen samengesteld en geheel of gedeeltelijk met een spiraal van bandijzer beslagen. Om het heien of persen in den grond gemakkelijk te maken worden ze van buiten geschaafd en wordt de onderste koker toegespitst en met ijzer beslagen. De afzonderlijke kokers van ongeveer 10 voet lengte worden door inkepingen op elkander bevestigd, tot men op eene diepte van 20 a 30 meter in den grond gedrongen is, die binnen de kokers met behulp van eene klopboor naarboven gewerkt wordt. Van deze putten, die goed kunnen voldoen als de bovenste twee of drie kokers goed dicht zijn, nadat ze in den grond zijn gedreven en minder geld kosten dan de gewone Nortonpompen, heeft men verscheidene in Noord-Holland geboord. Inzonderheid zijn zij van belang voor de verschaffing van drinkwater aan het vee. Daartoe worden de putten in slooten of kommen, die in geen verband staan met den algemeenen waterboezem, gegraven —- en de kop des kokers zoo diep mogelijk onder don waterspiegel afgezaagd. Steeds houdt men die kommen daardoor met water gevuld, dat in 't algemeen één a een half meter beneden den beganen grond, ja soms nog hooger opdringt. Ook in de provinciën Gelderland en Utrecht zijn eene menigte dergelijke pulspompon — maar hier noemt men ijzeren kokers — met goed gevolg geslagen l).
De temperatuur van hot putwater is over 't geheel meer constant dan die van de tot nog toe beschouwde watersoorten. Men mag ook aannemen, dat evenals de hoogste en laagste temperatuur van den bodem later intreden dan die der lucht en het verschil tusschen beide geringer wordt met de diepte.
1) Soms bevat dit water zooveel moerasgas (brongas), dat het de moeite loont het voor verbranding en verlichting te gebruiken.
12G
zulks ook met het water 't geval zijn zal. dat met (lien bodem in aanraking is of geweest is i).
e. zeewater. Do zee is do algemcene verzamelplaats van het water, dat langs verschillende wegen, hetzij op eene natuurlijke, hetzij op eone kunstmatige wijze in de rivieren zicli verzamelt en daarin van liet land afstroomt. Een natuurlijk gevolg daarvan zou moeten zijn, dat bijna al liet water in de zeeën weldra samengeloopen on het land van water beroofd was, indien jaarlijks uit dio groote watervlakten niet eono groote massa water verdampte en de gevormde waterdamp, op of boven het land gecondenseerd, in den vorm van regen, sneeuw of hagel daarop neerkwam. Evenals zoovele andere stoffen heeft het water een' eigenaardigen kringloop. Uit de zee- en andere wateren destilleert het als :t ware over naar hot land; langs de rivieren stroomt liet weder naar de zee terug. Mot dat rivierwater wordt — gelijk wij weten — eene groote hoeveelheid zouten meegevoerd; wat de waterdamp daarvan terugvoert naar liet land, is van weinig of geene boteekenis. Een gevolg daarvan is dat deze zouten in het zeewater opgehoopt worden. En ofschoon enkele verbindingen gewoonlijk in geringere hoeveelheid voorkomen in het zeewater dan in het rivierwater, b.v. de koolzure kalk, die bij gebrek aan de noodige hoeveelheid koolzuur afgezet of in de schalen der zeedieren, b. v. oesters, opgenomen wordt, worden vele zouten in grootere hoeveelheid er in aangefroffen, vooral keukenzout en do magnesiumzouten, ja men vindt in het zeewater verbindingen en elementen, die in liet rivierwater niet of ternauwernood kunnen worden aangetoond b.v. van jodium, bromium, ja van koper, lood, zilver enz.
Niet overal heeft het zeewater dezelfde samenstelling. In de Oostzee b. v. waarin vele rivieren haar water zenden en waaruit weinig water verdampt, houdt het minder zout opgelost (0.0G—0.75 KG. in 100 liter) dan in de Noordzee, den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche Zee, die in 100 liter water 3.5 KG. en soms nog meer zout bevatten. Het i-ijkst aan zouten is wel het water der Doode Zee, waarvan in 100 KG. 15—25 KG. gevonden werd.
Door ons werd in 1 liter zeewater gevonden:
Bestanddeelen.
gram.
Van het quot;Wad achter Uit de Noordzee Warfum bij 't opko
men van den vloed.
gram.
Keukenzout
25.50 1.72 1.77 3.85 1.30 0.37
21.G3 0.52 2.07 2.40 0.52
0.47
Gips
Zwavelzure magnesia Chloormagnesium
Chloorkalium Broomnatrium Koolzure kalk
Samen
34.51
27.61
1) In andere streken kan het water ook eene hoogere temperatuur hebben dan de gemiddelde luchttemperatuur (warme bronnen).
127
Jacobi 1), die het water der Noordzee en der Zuiderzee op verschillende plaatsen onderzocht , vond ten noorden van de quot;Wadden-eilanden in 1 liter 83—345 gram zouten, in dat der Zuiderzee bij Enkhuizen 1 ö gram, op een paar andere plaatsen 20—28 gram per liter.
Dit geringer zoutgehalte op het Wad eu in do Zuiderzee moot, evenals hierboven vermeld is van de Oostzee, aan vermenging met het rivier-, kanaalwater enz. worden toegeschreven. Zoo vond ook Seelheim1) dat hot water der Westerschelde bij Veere in 1 liter 33.9 maar bij Bruinisse (bij vloed) slechts 29.8 gram zouten bevatte, en, de afzonderlijke bestanddeelen vergelijkende, berekende hij dat, terwijl het eerstgenoemde als zuiver zeewater kon worden beschouwd, het laatste uit een mengsel van 87.8 doelen zeewater en 19.2 deelen rivierwater bestond.
De hierboven vermelde watersoorten zijn of zachte of harde wateren. Men maakt namelijk deze onderscheiding naar de verschillende werking, die het water op eone zeepoplossing, bij het wasschen op het linnengoed en op de huid en bij het koken op verschillende groenten uitoefent. Water, waarin kalk- en magnesiazouten opgelost zijn, geeft namelijk met eone zeepoplossing een vlokkig neerslag, dat zich in het te wasschen linnengoed afzet en het stijf en onze huid bij het wasschen stroef maakt; het schuimt daarbij niet, erwten en andere groenten kan men in dit water niet gaar koken. quot;Water, dat weinig of geene kalk- en magnesiazouten bevat, wordt bij het wasschen met zeep wol min of meer troebel, maar het schuimt daarbij; liet linnengoed kan daarin schoon gewasschen worden en het blijft evenals onze huid lenig. Groenten worden er gemakkelijk in gaar gekookt. Hot eerstgenoemde water noemt men daarom hard, het laatstgenoemde week of zacht water.
De hardheid van :t water kan met behulp van eene zeepoplossing beoordeeld worden. De scheikundigen bereiden daarvoor eone oplossing van zeep in spiritus en bepalen daarmede zelfs ten naastenbij het gehalte van 't water aan kalk en magnesia. Neemt men b. v. l/10 liter water in een daartoe geschikt fleschjo en voegt van de zeepoplossing erbij, dan vormen de kalk en de magnesia mot het vetzuur der zeep, onoplosbare verbindingen (het vlokkig neerslag) eu geeft het water niet eerder bij het schudden schuim, dat eenigen tijd staan blijft, vóórdat al de kalk en de magnesia zijn neergeslagen. Hoe grootere quantiteit van deze oplossing dus aan het water moet worden toegevoegd, des te meer kalk en magnesia is er in aanwezig, des te harder is het wator.
Men maakt nog onderscheid tusschen totale, tijdelijke en blijvende hardheid. Do kalk (en ook magnesia) komt in het water voor als carbonaat (koolzure kalk) en als sulfaat (zwavelzure kalk). Het eerstgenoemde zout lost op, als het water tevens koolzuur bevat, het laatste is in zuiver water oplosbaar. De hardheid nu, veroorzaakt door de koolzure kalk, duurt slechts zoolang als het water koolzuur bevat. Zij is dus tijdelijk. Drijft men het koolzuur, door het wator te koken, uit, dan slaat de koolzure kalk neer en wordt het wator
) Archives neerlandaises des sciences naturelles, ■187'i-, S. 433.
128
zacht. Ook door toevoeging van kalkwater, eene oplossing van gebluschte kalk, dat met het vrije koolzuur oveneens koolzure kalk vormt, kan dergelijk water zacht gemaakt worden. Van beide middelen wordt dan ook gebruik gemaakt, ora van putwater b.v. geschikter waschwater te maken. Water, waarin gips opgelost is, noemt men blijvend hard: het kan noch door koking, noch door bijvoeging van kalkwater zacht gemaakt worden, maar wel door eene oplossing van koolzure soda, dat met de zwavelzure kalk zwavelzure soda en koolzure kalk (onoplosbaar) vormt. De hardheid wordt gewoonlijk in graden uitgedrukt. De daarvoor meest gebruikelijke schaal is de Duitsche, waarbij als eenheid is aangenomen 1 deel kalk (calciumoxyd) op 100 000 deelen water. Water van 12 graden hardheid bevat dus in 1 liter ongeveer 0.12 gram kalk (een gedeelte hiervan is magnesia). Bij de Fransche schaal is op 100 000 deelen water 1 deel koolzure kalk als eenheid aangenomen. Voor de herleiding van Fransche tot Duitsche hardheidsgraden moeten zij met 0.5G vermenigvuldigd worden. Bepaalt men nu met eene zeepoplossing de hoeveelheid kalk zonder het water vooraf te koken, dan verkrijgt men de totale hardheid, en daarna in het gekookte water dan bekomt men de blijvende hardheid, terwijl het verschil do tijdelijke hardheid aanwijst. Hot spreekt van zelf, dat liet water, wanneer het zoowel koolzure kalle als gips bevat, niet alleen tijdelijk maar ook blijvend hard is, en dat men, van een of van beide dor genoemde middelen gebruik makende, om het water zachter te maken, het gevormde neerslag moot laten bezinken en daarna hot heldere water afgieten.
Welke van de in de natuur voorkomende watersoorten nu hard, welke zacht zijn, zal na hetgeen hierboven van hare samenstelling gezegd is, niet moeilijk op te maken zijn: regen-, beok-, rivier- on liet zoogenaamd staand water zijn min of meer zacht, hot put- en zeewater min of meer hard.
Ook bij hot maken van stoom in stoomketels dient men met do hardheid van 't water rekening te houden, 't Is toch bekend, dat, wanneer wij in onze gewone ketdvonketels putwater koken, er langzamerhand eone korst in gevormd wordt. In nog grootore mate vormt zich die zoogenaamde ketelsteen bij liet gebruik van hard water in den stoomketel, daar hierin een groot gedeelte van het water verdampt on de oplossing dus geconcentreerd wordt. Niet alleen de koolzure kalk, die in de keukenketels hoofdzakelijk den ketelstoen vormt, maar ook do weinig oplosbare gips zet zich dan aan de wanden af en helpt mede die korst vormen, waardoor de ketel gevaar kan loopen van te springen en de verwarming zeer ondoelmatig wordt. Behalve de bovengenoemde worden dan ook nog andere min of meer doeltreffende middelen aanbevolen, om hot water voor stoomketels zacht te maken of de vorming van den ketelsteen te voorkomen !).
Van de watersoorten, die zich meer bepaald door de aanwezigheid van eene of meer stoffen onderscheiden, noemen wij slechts de bitterwateren, die veel zwavelzure magnesia (Epsom, (Engeland), Engelsch zout), de zwavohvateren, die veel zwavelwaterstof (Bentheim, Aken), de zure wateren (Pyrmont, Sel-ters), die veel koolzuur en de staalbronnen, die veel koolzuur ijzer bevatten.
!) Volgens Asselin is glycerine een eenvoudig middel daartegen: 1 deel glyceiine op 3000 a 4000 KG. brandstof. Een ander middel, door ons wel eens toegepast, is een mengsel van gebluchte kalk, bijtende soda en beetwortelstroop.
129
Deze zoogenaamde ininerale-bromvatereu meeneu wij echter verder met stilzwijgen te mogen voorbijgaan. Hier te lande komen dergelijke bronwateren slechts bij uitzondering voor (enkele staalbronnen, b.v. sommige Nortonpompen, op de Volnwe en in de Haarlemmermeer). Het meertje van Eockanje, nabij Hellevoetsluis, bevat, evenals het water te Karlsbad, veel koolzure kalk, zoodat voorwerpen, b.v. rietstengels, die er in staan of die men erin houdt, daarmede omkorst worden.
Reeds de Grieken, Romeinen en andere oude volken droegen bijzondere zorg voor goed drinkwater en brachten het daartoe in kolossale leidingen, — die echter later in verval geraakt zijn, — van elders in hunne steden. Eerst in deze eeuw, waarin liet der wetenschap gelukt is, meer verband tusschen drinkwater en ziekte en gezondheid te ontdekken, begint men opnieuw voor goed drinkwater meer zorg te dragen. Inzonderheid hoett het verscliijnen der cholera de menschen als 't ware doen opschrikken. En ofschoon de soort van drinkwater op zich zelve niet de oorzaak van cholera en vele andere ziekten moge zijn, door vermenging van de uitwerpselen der choleralijders met het drinkwater wordt deze ziekte zeer zeker verspreid, en van den aard van 't drinkwater (al of niet aanwezigheid van rottende dierlijke stoffen b.v.) hangt liet af, of die uitwerpselen een' vruchtbaren bodem tot uitbreiding der ziekte gevonden hebben, ja dan neon. Meer bepaald is dit verband tusschen drinkwater en typhus aangewezen. En moge het waar zijn, dat enkele personen, evenals zij in bedorven lucht kunnen leven, van slecht drinkwater niet ziek worden, in vele gevallen is zorg voor goed of slecht water eene (juaestie van doen leven of sterven. Voorbeelden daarvan zijn genoeg voorhanden. Slechts een paar uit vole. In de Milbank-gevangenis te London is, sedert het drinkwater niet meer uit den Theems, welks water met dierlijke uitwerpselen verontreinigd is, maar uit een' artesischen put op ïrafalgarsqnare genomen wordt, de sterfte van 09—82 tot op 4—9 op de 1000 inwoners verminderd; typhus en buikloop (dysenterie en diarrhee) zijn verdwenen. Een melkver-koojier te Londen bracht de typhus in 70 famüiën, doordien hij zijne melkemmers met onzuiver putwater spoelde of wellicht zijne melk daarmede vermengde.
Ook sommige ziekten van dieren, o. a. het miltvuur, schijnen door slecht drinkwater veroorzaakt of verspreid te kunnen worden i). En moge tot nog toe de aandacht hierop minder algemeen gevestigd zijn, in de zorg, die o. a. de Engelschen dragen voor liet drinkwater hunner uitmuntende dieren, kunnen zij ons ook hier tot voorbeeld strekken, en de bijzondere voorliefde, die vele
') In liet Tijdschrift voor veeartsenijkunde en veeteelt, •1874- bl. 138 cu 109 worden twee gevallen aangehaald, waaruit duidelijk het verband tusschen slecht drinkwatei-en ziekte van het vee, hier paarden, blijkt. In het eerste geval moest de dood van een veulen zeer waarscliijnlijk worden toegeschreven aan het drinken van sterk zwavel-waterstofhoudend pompwater. Hierbij werd opgemerkt, dat de melk der koeien , die van dit pompwater dronken, totaal onbruikbaar was door den aan vuile eieren herinnerenden reuk van liet zwavelwaterstofgas. Het tweede geval had betiekking op lendentyphus bij paarden, zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het gebruik van slecht putwater, hetwelk, behalve dat 't zeer brak was, eene groote menigte microscopische wezens (bacteriën) bevatte. reinders, i. Vierde druk. 9
130
dieren voor dit of gene water hebben, kan voor ons eone aanwijzing zijn, dat hot oog des meesters ooi; hier zelden onnoodig is.
Do verspreiding van ziekten door het drinkwater, do algomcene vrees voor besmetting daardoor hebben dan ook in bijna alle landen en steden commissiën doen vormen tot onderzoek van het drinkwater. Worden de ziekten door het drinkwater verspreid, of zijn sommige watersoorten schadelijk voor de gezondheid, waaraan — zoo heeft men gevraagd — zijn deze watersoorten dan te herkennen, of anders: wat is goed, wat slecht drinkwater'? Verschillende autoriteiten hebben deze vraag trachten te beantwoorden en kenmerken voor goed en slecht drinkwater opgegeven. En ofschoon zij in deze opgave min of meer met elkander mogen verschillen, komen de meesten hierin met elkander overeen, dat goed drinkwater frisch. helder, kleur- en reukloos moet zijn, niet te veel zouten — per liter b.v. niet meer dan 1/2 a 1 gram — en inzonderheid niet te veel sulfaten en nitraten, slechts sporen van salpetcrigznur en ammoniak, b.v. niet meer dan 1 a *2 milligram per liter, en weinig of geene organische voorwerpen of organische stoffen mag bevatten. Aanwezigheid van ammoniak, salpeterzuur en veel microscopisch kleine levende wezens (bacteriën), soms ook van keukenzout, doet vermoeden, dat vuil water mot allerlei plantaardige en vooral dierlijke stoffen er in gevloeid is, wat in geen geval mag plaats hebben.
Koolzure kalk acht men ook in grootere hoeveelheid minder schadelijk dan zwavelzure kalk, zwavelzure magnesia, potasch- cn sodazouten. In do beste welwateren heeft het eerstgenoemde verreweg do overhand boven de laatstgenoemde zouten. Voor het bereiden van spijzen (groenten, erwten en boonen) on van dranken (koffie en thee), en als waschwater is hard water (zie hierboven) echter weinig geschikt. Hetzelfde geldt als hot water in sommige fabrieken (branderijen, brouwerijen, suikerfabrieken cn papierfabrieken) gebruikt zal worden; ook dan verdient zacht water in het algemeen de meeste aanbeveling. In suikerfabrieken werken bovendien de sulfaten van kalium en natrium, alsmede nitraten nadeelig, omdat zij de stroop vorming bevorderen, cn in papierfabrieken is het ijzergehalte nadeelig. Bij de beoordeeling van het water dient men voorts op zijne temperatuur te letten, gelijk hierboven bij het regenen putwater reeds word opgemerkt. Volgens een onderzoek van het drinkwater in Hannover door Fischer, kwamen er steeds meer ontledingsproducten van organische stoffen in hot water voor, naarmate de temperatuur meer afwisselde.
Het onderzoek van de bovenvermelde drinkwater-commissie hoeft :ian 't licht gebracht, dat, terwijl de cholera in 18GG meer heerschte op alluviale dan wel op diluviale gronden, in 15 gemeenten, waar sloot-, gracht- of kanaalwater werd gedronken, op de 1000 inwoners 17.7 aan deze ziekte stierven, in 22 gemeenten, waar putwater in gebruik was, stierven 1G.8, in 18 gemeenten, quot;vvaar rncn rivierwater dronk 11.9 en in 1G gemeenten, wier inwoners regen-water dronken, slechts 5.3 of, buiten Amsterdam, in 15 gemeenten 0.4 op do 1000 inwoners. Het regenwater onderscheidt zich dus in dit geval gunstig.
Van do onderzochte watersoorten moesten vele als drinkwater worden afgekeurd, vooral sloot-, kanaal- cn rivierwater, waarvan van de 78 onderzochte soorten 71 niet voldeden.
17 van de 22 onderzochte rogenwatersoorten voldeden hoofdzakelijk om
131
dezelfde reden niet. Van de 171 onderzochte soorten van putwater quot;werden 109 minder geschikt geoordeeld om het gehalte of de soort van opgeloste zouten, 123 en 115 niet wegens onaangenamen reuk en smaak en 1(51 niet wegens het in verband staan mot rottende dierlijke stoffen.
Eene andere vraag, die onmiddellijk zich iüer aansluit, is deze: waardoor kan slecht drinkwater verbeterd worden of hoe kan men in goed drinkwater voorzien? En do naar omstandigheden min of meer practische middelen, daarvoor aangegeven, zijn: koking vooral met het doel om de organische voorwerpen onschadelijk te maken; filtreering door kool enz. om de in hot water zwevende of opgeloste organische stoffen, de daarin voorkomende organismen en enkolo zouten te verwijderen; het aanvoeren van goed water van elders; zorgvuldige verzameling van regenwater enz. Voor de zuivering van troebel water, inzonderheid rivier-, kanaal en ander staand water, kan ook gebruik gemaakt worden van het middel door do bovengenoemde drinkwatcr-commissie aangegeven, nl. ijzorchlorido. Eenige druppels eener oplossing daarvan geven namelijk in hot water een' neerslag, die do zwevende stoffen omhult en zo mee doet bezinken, zoodat het bovenstaande water helder wordt.
Met betrekking tot den bodem (hei land) neemt hot water der natuur con bepaalden stand in, die tijdelijk cn plaatselijk zoor verschillend is. Do stand van hot water eener rivier wordt gewijzigd door don meerderen of minderen aanvoer vanboven, de stand van het zeewater door eb en vloed, do stand van het kanaal-, sloot- en meerwater naar' de verhouding tusschen do hoeveelheid regen, de verdamping en do plaatselijk meerdere of mindere gelegenheid tot afvoer. In het bijzonder voor ons land, dat voor een groot doel door de zee begrensd is, welks bodem, gelijk wij weten, voor oen groot dool beneden de oppervlakte der zee gelegen is en dat door tal van rivieren wordt doorsneden, is die waterstand (waterstaat) van groot gewicht.
Tot grondslag voor hot bepalen van den waterstand dienen vcrschillondo peilen. Aan de zeekusten vergelijkt men dien met „volzeequot;, dat is do hoogte der gewone vloeden; bij den waterstaat in do prov. Groningen wordt tot ver-golijkingsvlak genomen hot waterpasse vlak. dat door het midden van don bol in den noordoostelijken vleugel van de groote sjülsluis te Groningen getrokken kan worden, welks midden het peil aangeeft van hot kanaal van Groningen naar quot;Winschoten, bekend onder den naam van quot;Winsehotorpcil (W. P.). Het meest algemeen gebruikte peil is echter het Amsterdamsche of A. P., (0.81 M. beneden W. P.), dat is de gemiddelde hoogte van don vloed in het IJ, vóór Amsterdam l). In 1812, door de zorg van Generaal Ivraijcnhoff nauwkeurig onderzocht, is dit peil op steenen in vier onderscheidene sluizen te Amsterdam aangewezen. Roods in de 17üe eeuw diende hot als „stadspeilquot; tot bepaling van de hoogte, waartoe hot water in de grachten van Amsterdam mocht worden ingelaten en „tot grondslag van berekening voor do hoogte waarop de zeedijk moest worden gehouden.quot; In 1818 word bij Koninklijk
') Volgens Stamkart, Verslagen en mededeelincjen der K. A. v. W., nfd. Natuurkunde, Deel XVII, 181)5. Moll beschouwde liet A. P. als de gemiddelde oppervlakte dei-zee. Daar het verschil tusschen eb en vloed bij Dungerdam, nabij Amsterdam, slechts 3 d.M. bedraagt, verschilt A. P. niet veel van de gemiddelde zeeoppervlakte.
9*
132
besluit bepaald, dat hot als grondslag- zou dienen voor do waarnemingen van den waterstand langs de hoofdrivieren des rijks, en sedert is liet langzamerhand niet alleen naar de onderscheidene provinciën maar ook in het buitenland tot in Posen overgebracht.
Het is ondoenlijk om hier met betrekking tot de hoogte van den grond en het water ten opzichte van dit peil in veel bijzonderheden te treden. Wij moeten daarvoor naar andere werken, b.v. de Algemeene Statistiek, het Jaarboekje v. Ingenieurs, de AVaterstaatskaart enz. verwijzen en zullen slechts enkele punten, hoofdzakelijk daaraan ontleend, aangeven.
Het zeewater op onze kusten rijst en daalt, gelijk bekend is, mot vloed en eb. Plaatselijk en tijdelijk zijn beide verschillend. Zoo is te
de gemiddelde vloed en de gemiddelde ebbe
en het verschil dus
Duur van den vloed Duur van de ebbe
|
Vlissingen. Ilellevoetsluis. den HeUler. Delfzijl. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Laagste waargenomen ebbe
Verder stroomopwaarts en in de inhammen wordt dit gemiddeld verschil tusschen eb en vlood geringer. Zoo bedraagt liet op de Ahuis en Merwede: te Brielle 1.4C, te Eotterdam 1.47, te Dordrecht 1.24 en te Gorinchcm 0.35 M.; in de Zuiderzee: bij Harlingen 1.23, bij Medemblik 0.01, bij Enkhuizon 0.55, bij Dungerdam (nabij Amsterdam) 0.45, bij Elburg 0.27, bij de Lommer 0.10 en bij Blokzijl slechts 0.06 M.; bij Rottum bedraagt het verschil 2.34, bij Zoutkamp 2.38, to Delfzijl 2.GS M.
Op dit verschil, dat voor den geregelden afvoer van 't binnenwater aan de kust van groot gewicht is, oefenen ook de heerschende winden invloed uit, die weder plaatselijk verschillend is.
Zoo is, volgens waarnemingen van 1849—1854, bij de winden die hot grootste verschil geven, te Delfzijl en Zoutkamp:
Gemiddelde stand in meters boven (-4-), beneden (—) „volzeequot;
bij vloed bij eb
Delfzijl. Zoutkamp. Delfzijl. Zoutkamp, met noordwestenwind -f- 0.510 -f- 0.510 — 2.212 —- 2.10S zuidoosten „ — 0.040 — 0.092 — 2.SG1 — 2.389
verschil 0.550 0.603 0.649 0.281
De invloed van den wind op den vloed is dus te Delfzijl en te Zoutkamp nagenoeg gelijk, op den ebbestand daarentegen niet onaanzienlijk verschillend. Bij een' zuidoostenwind kan hot binnenwater daarom onder dezelfde omstandigheden te Delfzijl beter afstroomen dan te Zoutkamp, bij noordwestenwind is dit nagenoeg gelijk.
De stand van het water onzer rivieren is niet minder verschillend. Het
133
rijst, gelijk bekend is, 's winters, wanneer do aanvoer door do voelvnldiger regens en vooral door het ontdooien van do sneeuw en het ijs grooter wordt; ijsdammen stuwen het dan soms plaatselijk op.
Van den oorsprong tot den mond daalt het langzamerhand. Zoo is do gemiddelde waterstand gedurende don zomer (van l Mei—1 Nov.) van den Rijn bij Arnhem ongeveer 9 M. A. P., te quot;Wijk bij Duurstede nagenoeg -1.26 31. A. P., die dor Maas bij Maastricht 42.8 M. A. P., te St. An-dries, waar zij zich met de Waal vereenigt, ongeveer 3 M. A. P., en bij Rotterdam 0.97 M. -1- A. P.
Do hoogte van den Nederlandschen bodem is begrensd tusschon 5 a (I motor bonoden (—) en 200 meter boven ( ) A. P. Zoo ligt
Vaals (Limburg) 200 M. A. I'. Bijlmermeer 3.00 — A. P.
St-Pietersberg 123 „ Schermer 3.26 „
Wageningscho borg 4(1 „ Pnrmer 3.80 „
't Hoogovoen te Zuidbarge 29 „ Haarlemmermeer 4.15 „
Helpman (Groningen) 5.50 „ Zuidplaspolder 5.61 „
Do Anna-Paulowna-poldor 0.23 — a 0.70 A. P.
Zijpe (Noord-Holland) 0.80 — a 1.33 „
liet Lagoland der prov. Groningen, b.v. in do omstreken van hot Damster-diep, Ten Boer, Bednm enz. ligt 0.3 -f- a 1.2 — A. P., hot Hoogoland, 1 a 2 -f- A. P. Ook de alluviale bodem van Friesland, Zeeland en do meeste andere provinciën ligt ton dooie boven, ten deelo benoden A. P., terwijl de diluviale gronden mot do daarop nog voorkomende of afgegraven hooge venen zich eenigo meters daarboven verheffen. Zie hierboven.
Daar nu het A. P. weinig verschilt van den gemiddelden zeespiegel, blijkt uit deze opgave, dat vele gronden, vooral in de westelijke provinciën, boneden ile oppervlakte der zoo gelegen zijn. Tenzij zulks op eene natuurlijke wijze door duinen geschiedt, moeten zij daarom kunstmatig door dijken tegen het indringen van 't zeewater beveiligd worden.
Ook langs de grootste lengte onzer rivieren zijn dijken noodig om het rivierwater uit hot land te houden, aangezien slechts op enkele plaatsen (Voluwzoom en do Maas in Limburg) do rivieren hooge oevers (heuvels) hebben, die op eene natuurlijke wijze het water koeren.
In de westelijke gedeelten van Nederland zijn de gronden langs do rivieren algemeen lager gelegen dan de gemiddelde rivierwaterstand, ja hier en daar zelfs lager dan do rivierbodem, en ofschoon in de oostelijke gedeelten de bodem veelal hooger is dan do gemiddelde waterstand der rivieren, zoude deze toch bij zeer hooge rivierstanden, die moest alle winters voorkomen en waarbij hot water niet zelden eenigo meters rijst, overstroomd worden, tenzij ook hier geene dijken waren aangelegd om do overstrooming tot de uiterwaarden te beperken.
Hebben nu de oostelijke gedeelten van Nederland cone natuurlijke loozing van hot overtollige regenwater, doordien zij hooger zijn gelogen dan do waterloopen, do westelijke en noordelijke gedeelten hebben dit veelal niet; hier moet het regenwater kunstmatig worden verwijderd om do gronden bebouwbaar te maken of de voordeelon van eene droge ligging to doen genieten. Vanaf oude tijden heeft men ingezien, dat tot het verwijderen van dit
134
water of tot liet beschermen tegen 't zee- of rivierwater de krachten van enkele personen te kort zonden schieten en dat vereeniging hier noodzakelijk is. De oprichting van waterschappen, waarover in de Landhuishoudkunde nader gehandeld zal worden, was daarvan een gevolg.
Eene van de voornaamste bepalingen in het reglement van een waterschap is het peil, in het bijzonder hot zomerpeil, waarop het water, binnen zekere grenzen, moet gehouden worden en het maalpeil, dat is de hoogte, waarop het water in het boezemkanaal mag worden opgevoerd. Deze peilen zijn voorde verschillende waterschappen zeer uiteenloopend; zij worden bepaald naar de gemiddelde hoogte van de gronden, naar de middelen tot watcrlossing, naar dc inzichten, die men heeft omtrent hot voor- of nadeel van een' hoogen waterstand enz. Omgekeerd moeten de middelen tot waterlossing: de kanalen, sluizen, molens enz. er op berekend zijn, om het water bij veel regen spoedig op het bepaalde peil terug te kunnen brengen. Deze middelen worden nader bij de grondverbetering besproken.
Uit de verhouding tusschen het peil van 't waterschap en de hoogte van den grond ton opzichte van A. P. volgt natuurlijk de mindere of meerdere droge ligging dier landen. Zoo is de gemiddelde hoogte van den Haarlemmermeerpolder = 4.15 — A. P. en het zomerpeil van dien polder — 4.75 — A. P. Die van de Schermer 3.25 — A. P. en het zomerpeil der afzonderlijke polders, waarin deze verdeeld is, ongeveer 4 a 4.25 — A. P. Vole landen in Noord-Brabant en Friesland liggen slechts 0.3 M. boven hot zomerpeil, dat meerendeols — A. P. gelegen is. Hot zomerpeil van het waterschap Hunsingoo in Groningen is 0.64 M. — A. P. (1.4:) M. W.P.), terwijl hot daartoe behoorende land deels boven, deels beneden A. P. gelegen is. En van de middelen tot afvoer van 't water enz. is de kans, of dc tot een waterschap behoorende landen langer of korter aan ecu' to hoogen waterstand lijden, afhankelijk.
Behalve middelen om het water af te voeren zijn van den anderen kant dikwijls middelen noodig om het op to houden, 't zij voor de scheepvaart, 't zij om molens in beweging te brengen, enz. Ook deze middelen zullen wij bij de grondverbetering nader bespreken.
DE SAMENSTELLING DEK PLANTEN.
Teneinde met kennis van zaken werkzaam te zijn aan tie voortbrenging der planten — liet hoofddoel van liet landbouwbedrijf — is het noodig hare samenstelling te kennen.
Wij ziillen hier de samenstelling der planten, meer in :t bijzonder die der landbouwgewassen, uit drieërlei oogpunt beschouwen. Zoo op het eerste gezicht merken wij aan de planten op: een wortel of wortels, een stengel of stengels, bladeren, bloemen, vruchten. Deze verschillende deelen maken het onderwerp uit van de Vormleer of de Morphologic der planten en uit dit oogpunt beschouwd, spreekt men van hare morphologische samenstelling. Aan die deelen kan men de planton dikwijls op het eerste gezicht onderscheiden; de plantkundigen maken daarvan gebruik om hare karakteristieke kenmerken aan te geven en haar te herkennen en te rangschikken. Wij dienen deze deelen te leeren kennen, want de landbouwer teelt de planten nu eens hoofdzakelijk om hot zaad (vrucht), dan eens (mangelwortels b.v.) om den wortel, vele boomen om den stengel (stam), appel- en pereboomen om de vrucht, gras- en klaversoorten in den regel om den stengel en de bladeren; ja hij moot — en hierin bestaat in vele gevallen de kunst van het bedrijf — deze deelen zooveel mogelijk veredelen en bevoorrechten, soms ten koste van de andere deelen.
Sedert eeuwen heeft de mensch zich daarop toegelegd. Hij heeft niet alleen die planten, welke hem tot voedsel konden verstrekken of op oeno andere wijze nuttig konden zijn, uitgezocht, boven andere planten (onkruiden) bevoordeeld of opzettelijk gekweekt, maar ook van oeno en dezelfde plantensoort juist die enkele planten gekozen, welke hem door het deel, waarom zij geteeld worden, het meest nuttig toeschenen. Wanneer er van verschillende variëteiten, soorten enz. van geteelde planten sprake is, dan verschillen deze dan ook juist in genoemde doelen van elkander. (Onze aard appel soorten verschillen weinig of niet in don vorm en in de gedaante van stengel, blad, vrucht enz.
') Men raadplege hierbij liet een of ander Leerboek voor Plantkunde, b.v. dat van S. P. Huizinga, Dr. II. I!os of van Ondemans en II. de Vries. Voor de physiologie ook fir. A. Frank, Pllanzenphysiolor/ie.
136
maar in don vorm en in de hoodanighoid der knollen; onze tarwe soorten verschillen hoofdzakelijk alleen in den vorm enz. der aren en der vrucht; onze koolsoorten brengen zaad van bijna gelijke gedaante voort, maar nn eens is de wortel verdikt (raapknollen), dan eens de stengel- of de bladmassa sterk ontwikkeld of de bloeiwijze op eene eigenaardige wijze vervormd (Koolrapen boven den grond, Witte en Savoije kool enz., Bloemkool). Alleen het Koolzaad en enkele zijner verwanten leveren meer en olierijker zaad. In al deze gevallen hebben we met ééne of eenige weinige soorten van planten te doen, die langzamerhand veranderen, maar juist omdat de mensch ze voor zijn doel uitgezocht, bevoordeeld, gekweekt heeft, tot meerdere volkomenheid zijn gebracht. Wij zullen er dan ook herhaaldelijk op wijzen, dat het bij de plantenteelt niet alleen er op aankomt om den grond vruchtbaar te maken, te zaaien, te poten enz., maar vooral ook op de keuze van het te zaaien zaad en dat men het doel, waarom men de planten verbouwt, steeds zooveel mogelijk voor oogen houde. Want om goede wortels, eene groote stengel- en bladmassa enz. voort te brengen, moeten — wij zullen het later zien — andere voorwaarden vervuld worden, dan om vruchten of zaad te produceeren. Of om een zeer bekend voorbeeld te nemen, do gekweekte gele of roodo Wortelen {Daiim* carota), die zicli in bijna niets anders van de bij ons in 't wild voorkomende onderscheiden dan door den onvertakten, meer vleezigen wortel, en door kweeking daaruit dan ook verkregen kunnen worden, dient men niet alleen in eenen voor wortelen passenden grond te zaaien, maar ook zaad te nemen van wortelen, welke zooveel mogelijk overeenkomen mot die, welke men wenscht te verbouwen.
Wij mcenen daarom in dit hoofdstuk vooreerst eene korte beschrijving te moeten geven van de verschillende deelcn eener plant, vooral met hot dool om die doelen te leeren kennen, waarom de voortbrenging geschiedt.
Elk van do genoemde plantendeelen bestaat echter uit nadere bestand-doelen. Twee richtingen kunnen bij dit onderzoek naar de nadere samen-stolling eener plant worden ingeslagen. Do eerste is die, waarbij van den microscoop gebruik gemaakt wordt, do andere is do scheikundige. Bij het microscopisch onderzoek zijn de plantkundigen gestuit op in plantkundigen zin ondeelbare (anatomische) bestanddeelen, de cellen of de elementaire organen dor plant. Deze cellen, op zich zelve beschouwd, of tot weefsels vereenigd, maken hot onderworp uit van de Anatomie dor planten en uit dit oogpunt beschouwd, spreekt men van hare anatomische samenstelling. Voor do kennis van do voeding, don grooi enz. der planten — hot onderwerp voor ons in hot volgende hoofdstuk — alsmede voor de beoordeeling van hare verteerbaarheid als dierlijk voedsel, van de zuiverheid der plantaardige voedermiddelen en van de methoden ter bereiding van andere producten daaruit, is eonige kennis van die anatomische samenstelling van groot gewicht.
Wij zullen daarom in de tweede plaats in dit hoofdstuk een kort overzicht lüer-van geven en tevens daarin de samenstelling der planten uit een scheikundig oogpunt beschonwen. Wij zullen daarbij vermelden, welke de nadere scheikundige, welke do elementaire bestanddeelen eener plant zijn om later zoo mogelijk met meerdere juistheid aan te kunnen toonen , welk voedsel do plant noodzakelijk moot ontvangen, en tevens nagaan hoe deze bestanddeelen in de plant verdeeld zijn.
137
Want niet zelden wordt do plaat juist om de oene of andere daarin voorkomende stof verbouwd. Do fabrieksaardappelen teelt men immers om hun zetmeel, do suikerbieten om haar suiker-, het koolzaad om zijn oliegehalte. Bij do teelt dezer gewassen komt het er dus niet enkel op aan om voel van de geheelo massa, maar oene groote hoeveelheid van het eene of andere bestanddeel, dat is b.v. aardappels met veel zetmeel, suikerbieten met veel suiker, koolzaad met veel olie voort te brengen enz.
I. MORPIIOT.OGISCHE SAMENSTELLING DER PLANTEN.
Beschouwt men eene onzer geteelde planten, b.v. eene vlasplant, dan kunnen daaraan do volgende hoofddoelen worden onderscheiden: een naar
beneden groeiend deel, de wortel en oen deel, dat juist in tegengestelde
•f---
richting met den wortel groeit en stengel genoemd wordt. Aan den stengel vindt men bladeren en aan zijn in eenige takken verdeelden top bloemen, waamit later de vrucht en hierin het zaad zich ontwikkelt. Deze hoofddoelen: wortel, stengel. bladeren, bloemen, vruchten en zaden vindt men min of meer in vorm en samenstelling mot die der vlasplant verschillende bij alle zoogenaamd zichtbaarbloeiende planten terug.
Aan het zaad onderscheidt men do zaadhuid en do kern. In de kern is de kiem eener nieuwe plant aanwezig. Laat men b.v. eene boon of eene erwt eenigen tijd in water weeken, dan kan do kern gemakkelijk in tweeën gespleten worden; de twee plaatjes waarin zij zich verdeelt. Fig. 0, noemt men zaadlobben /; de eigenlijke kiem, wsp, ligt daartusschen. Bij nauwkeurige beschouwing zijn aan de kiem reeds de beide hoofddoelen der plant; wortel w en stengel «, te onderscheiden. Aan den stengel komen mede een paar blaadjes p voor, alleen of met het stengeltje gewoonlijk pluimpje geheeten.
Laat men nu een zaad, b.v. oene Ikotii, door haar matig vochtig en op
ocno niet to lage temperatuur te houden, ontkiemen, clan groeit liet worteltje weldra uit en vertakt zich, Fig. 7. Iets later ontwikkelen zich het stengeltje en 't pluimpje, in eene richting tegenovergesteld met die van liet worteltje groeiende, tot een bebladerden stengel. Do zaadloliben zijn nog aanwezig, maar schrompelen weldra ineen en vallen af. Zij hebben tot het eerste voedsel voor het jonge plantje gediend, dat nu in staat is om met den wortel uit den grond en met de bladen uit do lucht voedsel op te nemen.
Eene dergelijke ontwikkeling kunnen wij opmerken bij de ontkieming van het Koolzaad en van vele andere planten. Bij liet opkomen van 't Koolzaad zien wij de zaadlobben als hot eerste paar blaadjes van een' eigenaardigen vorm. meestal nog met de zaadhuid bedekt, boven den grond verschijnen. In andere gevallen, b.v. bij Erwten, Waalsche boenen enz. blijven zij beneden de oppervlakte van den grond.
In vele opzichten verschilt hiervan de samenstelling van het zaad en do
het bloote 8,
de kiem van zich als een
Met
gezien, Fig.
139
Dergelijk kiomwit treft men in vole andere zaden aan, kv. in dio van het Vlas, do Boekweit en de Karwij. Fig. 9, B, C en D, waar hot do kiom omgeeft (uitwendig kiomwit) on bij dat der Bieten E, waar hot door do kiem omsloten wordt (inwendig laemwit). Tevens merkt mon op, dat, hoe kleiner de kiem, des te meer kiomwit aanwezig is, en omgekeerd.
Boonen, Erwten, Vlas, Koolzaad, Grassen, enz. jilanton zich door zaad voort. Eono andere voortplanting b.v. door knollen (aardappels), bollen, (tulpen), stekken enz. is weliswaar mogelijk en bij de toelt soms regel —• doch door het vermogen van kiembaar zaad voort te brengen onderscheiden
deze planton zich op oeno in 't oog vallende wijze van eene andere groep van planten, die zich niet door e zaad, maar meestal door zoogenaamde sporen voortplanten. Tot deze laatste groep van planten behooren het roest op 't koren, de paddestoelen, de schimmel die de aardappelziekte veroorzaakt enz.
Do planten kan men dus in twee groepen onderscheidon; in Zaadplanten en in Sporeplantm. Daar, gelijk wij hieronder zullen zien, het zaad een product is van meestal duidelijke bloemen, worden de eerstgenoemde ook wel zichtbaarbloeiende planten genoemd. Organen, met bloomen te vergelijken, komen bij sporeplanten ook weliswaar
Kig. 9. A Overlangsche doorsnede van eene tarwe- A0015 maai d(,ze zijn andeis korrel; Ji. dwai-sdoorsnede van een deelvruclitje; C, ingericht en veel minder in lijnzaad; links dwarsdoorsnede; rechts overlangsche 't 00gvallencl wa{lrom laatst-doorsnede: igt;, boekweit, dopvrucht, dwarsdoorsnede; 0 1
E, mangelwortel, lengtedoorsnede; r. worteltje; c, genoemde ook wol bedokt-stengeltje; p, pluimpje; s, schildje; ï, zaadlobben; ij]oci0n(j0 planten worden A. kiem: e, kiemwit; a, vruchthuid; b, zaadhuid.
geheeten. — In het zaad dor zaadplanten komen moestal één of twee zaadlobbon voor (zie hierboven): in enkele zaden echter, waartoe die der hier te lande voorkomende naaldboomon behooren, treft men er meer aan. Genoemde zaden onderscheiden zich ook nog door andere kenmerken van dio met ééne of twee zaadlobben en vooral lüerdoor, dat zij naakt, dat is niet van een vruchtomlmlsel omgeven zijn.
Wij verdoelen derhalve de planten volgens dit schema;
t -/ i i , , ■ , , i , ,, , ,, v a Tweozaadlobbigen
1. Zaadplanten (zichtbaarbloeiende) J 1 Bedektzadigen ; , ^ nn ,, •
1 v r. tvt i_l j- ' '' Eenzaadlobbigen.
I 2 JNaaktzadigen
If. Sporeplanten (bcdektbloeiondc).
Wij zullen thans do hoofddoelen van de uit zaad voortgekomen planten in cenigo bijzonderheden beschouwen, om later bij de behandeling van eenige plantenziekten enkele sporeplanten te loeren kennen.
1. de wortel. De wortel is een der belangrijkste organen dor plant, waardoor zij in don grond bevestigd is on voedsel daaruit opneemt. Er is echter een groot verschil tnsschen den oenen wortel en don anderen, gelijk trouwens eiken landbouwer bekend is. De wijze, waarop eene plant in den grond bevestigd en met de aarde, waaruit zij het voedsel opneemt, in aanraking is, moet dus ook zeer verschillend zijn. Allo wortels komen echter daarin met elkander overeen, dat zij aan liet benedeneinde aangroeien en nooit organen bezitten, waaruit zich stengels, bladeren en bloemen ontwikkelen. Zii ziin daardoor te onderscheiden van enkele andere organen der plant,
die, ofschoon eveneens in don grond voorkomende en tot bevestiging van de plant daarin bijdragende, zooals de wortelstokken der Kweek of liet Kweekgras {Triticum repens), Fig. 10, de dahliabollen (-knollen) enz., die tot den stengel behooren; waarover later.
Een wortel, die rechtstreeks uit de kiem te voorschijn komt, zooals bij de Boonen, Erwten, het Koolzaad enz. noemt men een hoofdwortel, alle andere aan eene plant voorkomende wortels, zooals de uit een' hoofd wortel voortkomende takken, do wortels van stekken, de fijne wortels aan een jong graanplantje enz. hjworteLs. — Een hoofd-wortel komt bij de meeste Tweezaadlobbige planten, zooals hot Koolzaad, hot Vlas, Erwten, Boonen enz. voor; hij ontbreekt, evenals bij do grassen en graangewassen, bij allo andere Eénzaadlobbige planten en onder do Tweezaadlobbigen bij do Komkom-merachtige planten (komkommers, augurken, zien, die in groene bladen over- meloenen).
gaan, waar de kweek boven den n i, , i i__ „vi .• i
grond komt; a, zijtakken van den Heeft lo A\ gt;ltcl Oen gelijkmatig Aeiloop,
wortelstok; ww, wortels. zooals bij hot Vlas, de meeste boomen, liet
Koolzaad, enz., dat is, is bij op de plaats, waar hij in den stengel overgaat, de hals, het dikst en neemt het lichaam tot liet benedeneind, de punt, in dikte af, dan heet hij paal- of penworlel.
Daarentegen noemt men de fijne takjes aan oen' hoofdwortel, die in hun geheele verloop bijna even dik zijn, wortelvexels, en do ongeveer op dezelfde wijze gevormde bijwortels der grassen, uien, komkommers enz. vezelir/r icorfeh, Fig. 11—13.
Do hoofdwortels dringen in den regel diep in den grond door en de planten, waaraan zij gevonden worden, zijn daarom veelal „diepwortelend.quot; Onder de
141
planten, die alleen bijwortels bezitten, zooals de Granen, Grassen, Komkommers, Uien enz. zijn er ook wel (Haver b.v.), dio niet hare wortels diep in den grond dringen, maar do wortel verspreiding is hier toch eene geheel andere dan b.v. bij mangelwortcls of het Koolzaad. Vele dezer wortels zoeken het voedsel hoofdzakelijk uit den bovengrond. Uien b.v., en do planten, waaraan zij gevonden worden zijn daarom „vJakwortelend.quot; In hoever men hierop te letten hooft bij de bemesting, de vrucht wisseling enz. en welken invloed de geaardheid van den grond en do bemesting op doze wortelversprei-ding uitoefenen zullen we later zien.
Soms wordt do vorming van bijwortels opzettelijk bevorderd. Zoo ontnemen
de boomkweekers niet zelden aan oeir boom den hoofdwortel. Do zijdeling-sche bijwortcls verspreiden zich dan meer in den vrnchtl laren bovengrond. De boom kan later gemakkelijk uit den grond opgenomen en verpoot, de mest gemakkelijker bij de wortels gebracht worden.
Aan takken van Wilgen, Populieren en andere boomen, die men in den grond steekt (stekken) of in den grond buigt (afleggers), tuin de over den grond voortkrui-pende ranken der Witte klaver en der Aardbeziën ontwikkelen zich, gelijk reeds opgemerkt is, eveneens bijwortels. Hetzelfde is het geval aan de wortelstokken (de Kweek, Fig. 10, en vele andere grassen, het Hoefblad, Fig. 18), de bollen en de knollen. Wat echter in hot gewone spraakgebruik graswortel genoemd wordt is geen ware wortel, maar een ondoraardsche stengel (wortelstok). De eigenlijke wortels ontwikkelen zich hieruit en wel op do zoogenaamde knoopen, gelijk Fig. 10 duidelijk aanwijst 1). Maar ook bij de jonge gras- en graanplanten, die uit zaad voortgekomen zijn, ontwikkelen zich de wortels, welke de planten later inzonderheid zullen voeden uit den stengel. De wortels, uit het zaad voortgekomen, gaan toch meestal te niet, terwijl de wortels uit den stengeiknoop, kroon, een weinig benoden de oppervlakte van den grond voortgekomen, later het groote wortelnet dezer planten uitmaken. Zie Fig. 11.
De bijwortels ontwikkelen zich altijd uit de inwendige dealen dor plant (endogeen), stengels eu bladeren aan de oppervlakkige déelen (exogeen).
142
Het uiteinde van een' groeieiulen woitel is bedekt met een mutsje of kapje, Kg. 12, dat de nieuw gevormde deelen voor uitwendige invloeden schijnt te beschermen, terwijl daarboven een menigte haartjes. Fig. 8, gevonden worden, die bij het opnemen van liet voedsel ceuc belangrijke rol spelen. Aan planten, die men in water laat groeien, Hyacinten b.v., is dit mutsje en zijn die
wortelhaartjes zeer goed te onderscheiden. Hij planten, die in don grond wassen, gaat dit minder gemakkelijk: de wortelhaartjes zijn zoo innig met do aarddoeltjos verbonden, dat zij afbreken wanneer men tracht den grond weg to spoelen. Fig. 12—14. Bij het verpoten gaan dan ook vele wortelhaartjes verloren, en do plant begint niet weder to wassen, voor nieuwe wort cl haartjes gevormd en met den grond als 't ware vergroeid zijn. Innige bedekking met losse aarde, zoodat do grond bij regen als 't ware om do wortels geslibd wordt, gelijk dit bij hot verpoten van vruchtboomen gebruikelijk is, het mede overbrengen van de mot do wortelhaartjes vereenigdo aarde, hot bodokkon van wortels van kool en andere planten mot slootaardo of slib zijn dan. ook middelen, die men gebruikt om do bestaande wortolharou to behouden of do vorming van nieuwe to bevorderen.
143
Ook bij planten, die om hare hoofchvortels geteeld worden, mangehvortels, suikerbieten enz. zijn liet de wortelharen, aan do menigte bijwortels die het voedsel inzonderheid verzamelen; de hoofdwortel is hier vooral een magazijn van stoften, waaruit na een tijdperk van rust nieuwe stengels, bladen en wortels gevormd en daarna zaad voortgebracht wordt, of waarvan do monsch tot voedsel enz. gebruik maakt.
nooit gevonden worden. Bovendien is hij in dikwijls duidelijke knoopen en leden verdeeld (Granen, Boekweit enz.).
Evenals men de wortels eener plant in hoofden bijwortels onderscheidt, verdeelt men op denzelfden grond de stengels in hoofd- en bijstengels. Een hoofdstengel is dus die, welke uit de kiem te voorschijn is gekomen; allo andere aan eene plant voorkomende stengels zijn bijstengels. Bij boomen wordt dc hoofdstengel gewoonlijk stam geheeten: de bijstengels noemt men hier takken en de jonge nog niet verhoute takjes hcijrjen. De bijstengels der Granen en Grassen ontwikkelen zich bij het uitstoelen uit de zoogenaamde kroon, waarvan wij zooeven de wortels vermeld hebben. Fig. 15 stelt een roggeplantje voor, zooals het zich in het voorjaar vertoont. Ter weerszijden van don hoofdstengel zijn in de oksels der bladen twee bijstengels gevormd. Later in het voorjaar vormen zich aan weerszijden van eiken bijstengel weder twee, zoodat het
enkel woord maken wij hior nog melding van de zoogenaamde lucht-, hecht- en zuigwortcls. Eerstgenoemde, aldus geheeten omdat zij aan do bovenaardsche stengels in de lucht zich ontwikkelen, treft men aan, onder anderen aan de bovenste stengel-knoopen van welig groeiende Mais en soms ook aan de Haver; de stengel der bekende Klimop is aan de eene zijde groepsgewijze bezet met wortels, waarmede zij zich aan boomen, muren enz. vasthecht (onechte woekerplant); de echte woekerplanten bezitten zuigwortels, welke zich in den wortel of den stengel van andere planten boren en hieruit voedsel zoeken. Van laatstgenoemde zullen wij later eenige voorbeelden, o.a. het bekende Warkruid (Cuseuta), woekerplant van de Klaver en het Vlas, vermelden.
2. de stengel, hollen, knollen, knoppen. Het deel der kiem, dat in tegengestelde richting met den wortel naarboven groeit , vormt den stengel der jonge plant. Do stengel onderscheidt zich echter niet alleen door de richting, waarin hij groeit, van den wortel, maar ook al spoedig doorliet bezit van bladen en later door het bezit van bloemen en vruchten, organen die aan den wortel
■lil
Overlangsche doorsnede eenor roggeplant, vroeg in het voorjaar: s, de plaats waar de korrel ontkiemd is; iv, kieinwortels; slj, de verdroogde zaadlob; g, eerste stengellid, dat zeer verlengd is; bij x, uitstoe-lingsknoop; li'] eerste, it)o tweede krans van kroon wortels; k, de vijf halmknoopen van den hoofdstengel, ter weerszijden daarvan ziet men de bijstengels; a, de jonge aar niet 25 telbare aartjes. Yergrooting tO maal.
ïtfi
H
n h li
■If i:|ll
in
i ü
[8 m
144
getal mi 7 1 «draagt. Hetzelfde kan zicli nogmaals iiorhalon. zoodat het getal stengels dan 15 bedrragt, enz. Niet allo koraon eeliter tot ontwikkeling; naaide meerdere of mindere vruclitbaarheid van den grond, de meer of minder ruime plaats, die do plant kan innemen, de ■weersgesteldheid enz. is dit getal grooter of kleiner, dat is do plant stoelt meer of minder. Mecclii vermeldt, dat op zijn' vrnclitbaren grond uit eéne tarwekorrel 30 tot 80 stengels voortkwamen.
Op dit uitstoelen, dat, gelijk bekend is op de productie een' grooten invloed uitoefent, komen wij later terug en vermelden alleon nu nog, dat elke bijsteugel op den uitstoelingsknoop (kroon) wol met den lioofdstongel verbonden blijft, maar onder gunstige omstandigheden zijn eigen wortels vormt en daarna, zonder te sterven van den hoofdstengel verwijderd kan worden. quot;Worden de bijstengels verhinderd wortels te schieten (bij droogte of als de plant los in den grond bevestigd is) of snijdt men hunne wortels onophoudelijk af, zoo is hunne ontwikkeling dan ook gering. Ligt het zaad zeer ondiep, dan is de uitstoelingsknoop onmiddellijk boven den zaadknoop gelegen en dus het eerste stengellid zeer kort. Vooral bij tarwe komt dit dikwijls voor, Fig. 17. Zaait men dieper dan worden de onderste stengelleden langer, Kg. 17. Bij Tarwe Rogge en Gerst komen dan ook uit de dieper liggende knoopen enkele bijstengels voort. Bij Haver heeft dit niet plaats.
Ook de grassen, de klavers en vele andere planten
stoelen uit, vooral wanneer vóór den bloeitijd de hoofdstengel wordt afgemaaid. Ook op dit uitstoelen komen wij bij do teelt dezer gewassen terug. Bij eerstgenoemde planton vormen de bijstengels hot ondergras der „bossen.quot;
Aan sommige planton, zooals het Madeliefje, de Paardebloem enz. schijnt do stengel te ontbreken. Vele dezer planten zijn overblijvend, 's Winters sterven de bovenaardsche doelen af en hot schijnt alsof dos voorjaars do dicht opeengehoopte bladen uit don wortel te voorschijn komen. Bij Mangel-
145
wortels, het Koolzaad en andere planten, die nog niet doorgeschoten zijn, vindt men de bladen op eene dergelijke wijze als eene zoogenaamde blad-roset geplaatst. In alle deze gevallen hebben wij met een zeer korten stengel te doen, die als het ware den top van den ponwortel dezer planten vormt. Zoo ook bij Distels, Schorseneren, Roode klaver enz. Hierbij is het boveneind van het in den grond voorkomend deel stengel. Daaruit komen des voorjaars of na het afmaaien of afrukken in den zomer, nieuwe stengels of bladen te voorschijn. Het afsteken dezer planten tot op liet worteldeel, waaruit geene stengels of bladen ontwikkelen, moet ze noodzakelijk te gronde doen gaan en is dus bij distels een meer afdoend middel voor hunne vernietiging dan het afmaaien.
Uit wortels komen geene stengels of bladen voort. Wanneer men dus zegt, dat de in den grond overgebleven wortels van onkruiden, grassen enz. weder uit-loopen, is dit onjuist. Het zijn of onderaardsche stengels (wortelstokken) of wortels
met een verkort stengeldeel. —• Dat de zoogenaamde kweekwortels eu vele andere zoogenaamde graswortels, die in eene weide „losse zodonquot; vormen, wortelstokken zijn, is Morhoven reeds opgemerkt. Hun verdeeld zijn in kuoopen en leden. Fig. 10, wijst de overeenkomst met den bovenaardschen stengel op
') Tijdschrift voor Landbouwkunde, Ie jaargang. reinuers, i. Vierde druk.
•10
146
het eerste gezicht aan. Evenals zicli aan den bovenaardschon stengel op de knoopen (de verdikkingen of in andere gevallen de insnoeringen) bijstengels, bladen of wortels ontwikkelen, kan elk stukje kweek, waaraan nog een knoop gevonden wordt, weder beginnen te groeien. Het is daarom raadzaam de kweekplanten in haar geheel mot eggen of andere werktuigen — waarover later —■ naarboven te brengen. Eene verdeeling in kleinere stukken, die moeilijk opgeraapt of aan de oppervlakte gebracht kunnen worden, en waardoor ook de verspreiding bevorderd wordt, moet zooveel mogelijk worden vermeden.
Dezelfde opmerking geldt voor andere wortelstokken, ook voor die van het Hoefblad (Tussilago Far faro). Wat ook lüor wortels genoemd worden, zijn in den regel wortelstokken. Do aanwezigheid van de met bladen overeenkomende schubben op de knoopen (insnoeringen), die ook hierbij soms duidelijk zijn waar te nemen, wijzen de stengelachtige natuur reeds op het eerste gezicht aan. Bovendien blijkt zulks uit do nieuwe stengels, bladen en bloemen die er zich uit ontwikkelen. Fig. IS stelt hot Hoefblad, gelijk het zich in het voor-
jaar en Fig. 19 in den herfst gewoonlijk vertoont , voor. De stengel S en de weinig ontwikkelde uit zaad voortgekomene hoofdwortel H, Fig. 18, van het vorig jaar, worden, om liet zoo eens uit te drukken, uitgezogen door de bloemen A, /gt;, C, en sterven na het voortbrengen van zaad af.
Er zijn echter in den vorigen zomer ook nienwe stengels (wortelstokken) gevormd, waaruit tijdens of kort na het bloeien, bladen R te voorschijn komen, om voor de verdere ontwikkeling voedsel uit de • lucht te trekken,
147
terwijl de wortels, waarmede de plant voedsel uit den grond opneemt, reeds aanwezig zijn en zich weldra sterker znllon ontwikkelen. Wij zien hier dus een gedeelte van den wortelstok afsterven, terwijl een nieuw gedeelte, dat bij de verdere ontwikkeling zich tot eene aanmerkelijke diepte in den grond kan verspreiden, daarvoor in de plaats treedt. In den herfst zijn daaruit, Fig. 19, nieuwe wortelstokken f72 en bloemen fl/j'l in knoptoestand gevormd. In den winter sterven de bovenaardsche deelen (bladen) af, in het voorjaar ontwikkelen zich de bloemen DLfl- en wordt de wortelstok TJ1 nitgezogen en vervangen door U'ï. Ook bij de kweek- en andere wortelstokken kan men dit opmerken.
Do doorsnede van den stengel is zeer verschillend. Die der echte grassen is min of meer rond. Deze kunnen daardoor gemakkelijk onderscheiden worden van de op natte weiden voorkomende Rietgrassen, die een driekanten stengel bezitten, evenals o.a. de Brandnetel door zijn' ronden (govoorden) van de Doovenetel, met een' vierkanten stengel verschilt.
Slechts enkele planten worden opzettelijk om den stengel geteeld. Bij vele voedergewassen, klavers b.v. tracht men weliswaar eene groote stengelmassa
te verkrijgen, maar het zijn hier hoofdzakelijk ook de Waden, waarop men het oog heeft gevestigd. Alleen de zoogenaamde woudboomen worden in hoofdzaak om het hout, dat de stam levert, geteeld. Hier tracht men dus goed ontwikkelde stammen te verkrijgen, terwijl do ontwikkeling der takken door het snoeien wordt tegengegaan. Bij de vruchtboomen wordt daarentegen niet zelden de ontwikkeling van den hoofdstengel verhinderd en eene verdeeling in takken bevorderd (piramiden, leiboomen) om ook daardoor de vruchtvorming in de hand te werken. Vlas en Hennep zijn voorts hier te lande onder de kruidachtige gewassen planten, bij wier teelt men de ontwikkeling eener doeltreffende stengelmassa in het oog houdt. In Italië en in eenigc gedeelten van Frankrijk verbouwt
men op gelijke wijze eene soort Zomertarwe om het stroo tot het fabriceeren van hoeden (Italiaansch stroo). De Koolrapen boven den grond, Fig. 20, die men voor dezelfde plantensoort houdt als de gewone quot;Witte kool, de Boerenkool (moes) enz., toonen voorts aan, hoe ook de stengel gewijzigd en tot een bepaald doel dienstig gemaakt kan worden.
Tot de stengelachtige organen worden ook gerekend de hollen en knollen. Bij de eerste. Fig. 21, vormt de zoogenaamde schijf, waaruit zich bij liet „trekken op waterquot; of na het poten in den grond de talrijke bijwortels ontwikkelen, het stengelgedeelte, terwijl de schubben bladachtige organen zijn. Deze vormen meestal de grootste massa eens bols; bij de knollen. Fig. 22, daarentegen, die men nog in stengel- en wortelknollen onderscheidt, treedt de stengelmassa meer op den voorgrond. Aardappels b.v. zijn stengel-knollen. De zoogenaamde oogen of kiemen, waaruit zich nieuwe stengels
10*
148
ontwikkelen, zijn knoppen en vertegenwoordigen min of meer het bladachtige orgaan. Een en ander zal ons later bij de anatomische samenstelling nog nader blijken. Bij de wortelknollen, waarvan de Dahlia's ons een goed voorbeeld geven, vindt men die oogen alleen op het bovenste gedeelte. Dit bovenstuk
moet daarom — zal er uit een dahliabol (knol) eene nieuwe plant voortkomen — altijd aanwezig zijn. Het ondereind van een dahliabol levert wel, evenals de aardappel en
de eigenlijke bollen in hunne schubben voedsel voor do jonge plant, maar is op zichzelf niet ontkiembaar, terwijl van een' aardappel elk stuk, als Fig. 22, h. waaraan slechts een oog aanwezig is, ontwikkelt.
Wij noemden die oogen zooeven knoppen. Wij meenen thans met een enkel woord geschikt melding te kunnen maken van deze orgcinen. Knoppen kunnen wij liet best des voorjaars waarnemen aan onze boomen en heesters en bloemplanten. Wij weten, dat uit die knoppen stengels en bladeren of bloemen te voorschijn komen. Eerstgenoemde worden gewoonlijk bladknoppen, laatstgenoemde hloemkuoppen geheeten. Ontwikkelt er zich uit een' knop zoowel een stengel met bladeren als eene bloem of bloemen, dan heet hij gemengd. De plantkundigen verstaan onder knop elk orgaan in zijn minst ontwikkelden toestand en spreken dus niet enkel van blad- en bloemknoppen, maar ook van wortel-, vrucht- zaadknoppen enz. De oogen of kiemen der aardappels zijn dxis om dezelfde reden knoppen.
De gewone bladknoppen treft men meestal ten getale van één in de oksels der bladen aan en zijn evenals deze regelmatig over den tak of stengel verspreid. Toevallige knoppen noemt men daarentegen die, welke meer ordeloos over den tak voorkomen en zich door bijzondere omstandigheden (na het afkappen b. v. uit de overgebleven stompen (hakhout) of tengevolge van het snoeien of afmaaien van het bovengelegen stengeldeel) ontwikkelen.
Enkele planten worden ook inzonderheid om hare knoppen geteeld. De roode en witte Sluitkool, Fig. 24, de Savoyekool, Fig. 23, de Brusselsche
149
spruitjes, Fig. 25, en do Bloemkiiol, Fig-. 26, Kropsla enz. zijn toch niets anders dan planten met organen, die door do cultuur gedwongen worden eenigon tijd in don knoptoestand tc blijven licstaan en bovendien zich monsterachtig te vorgrooten.
3. de bladen. De dienst, dien de wortels en vooral de wortelharen doen bij het opnemen van 't voedsel uit den grond, doen de bladen bij het opnemen
Fig. 25. Spruitkool. Fig. 2(gt;. Bloemkool.
van 't voedsel uit de lucht. Do bladen bohooren dus tot de meest belangrijke organen eener plant. Hoe zij daartoe ingericht zijn, zal hieronder bij de anatomische samenstelling der planton blijken.
Tot de bladen of bladachtige organen rekent men echter niet alleen de eigenlijke bladen, dat zijn de meestal vlakke groene deelen, die in onze streken jaarlijks aan de plant te voorschijn komen om na oenigen tijd weer af te vallen, maar ook de schubben (zie hierboven) en andere zijdelings aan den stengel voorkomende deelen. zooals de bloem- en vruchtbekleedsels enz. Men onderscheidt dus stengel-, bloem-, vruchtbladen enz.
Aan de meeste bladen merken wij op: een bladsteel en eene bladschijf. Het deel der bladschijf, waar zij aan den steel bevestigd is, heet voet, het daar tegenovergestelde deel top en de omtrek rand. Yoet, top en rand bepalen den vorm van het blad en daarnaar onderscheidt men: lijnvormige, eironde, ovale, niervonnige, hartvormige, pijlvormige enz. bladen. Verder merken wij aan een blad op de nerven of aderen, d. z. do uitwendig zichtbare vaatbundels,
150
die wij later zullen lcoren kennen. Bladen, die gelijk bij de klavers en de erwten, Fig. 27, nit enkele blaadjes bestaan, welke meestal oj) korte steeltjes,
lit
aan een gemeenscliappelijken bladsteel bevestigd zijn, noemt men sammgcsteld, ter onderscheiding van die, welke slechts uit een enkel blad met of zonder bladsteel bestaan en enkelvoudig genoemd worden.
Ontbreekt, gelijk bij vele Distels, het Koolzaad enz. de bladsteel, dan noemt men het blad zittend. Niet zelden omgeeft de bladschijf in dit geval den stengel minder of meer en wordt het blad stengelou/vattend of halfstengel-omvattend geheeten. In andere gevallen (b.v. bij de Boterbloemen) ontmoet men daar, waar de bladsteel aan den stengel bevestigd is, eene verbreeding, bekend onder den naam van hladscheede of kleine blaadjes van een anderen
151
vorm, steunhlaadjes geheeten, Fig. 27. Bij de Grassen en Granen omgeeft die liladscheede, op een der knoopen aan den stengel bevestigd, dezen als eene buis, Fig. 2S, om dan onmiddellijk in de bladschijf over te gaan. Deze inrichting dient ongetwijfeld om den halm sterker te maken en hem een loodrechten stand te doen honden. Bij den overgang van de bladscheede in de schijf vindt men dan veelal een klein blaadje van eene andere kleur, bekend onder don naam van bindseWfi, dat do ovengenoemde bladscheedebuis als het ware vanboven shiit.
De vorm van dit bindseltje is bij de verschillende Ginnen en Grassen zeer uiteenloopend. Daaraan kunnen sommige gemakkelijk van elkander onderscheiden worden. Zoo b.v. jonge Gerst, van jonge Tarwe en jonge Haver. Verg. Fig. 28 en Fig. 29.
Bij de Boekweit, Fig. 30, Ehabarber, Zuring enz. vindt men boven de plaats van aanhechting van den bladsteel aan den stengel een kokertje, aan het boveneind soms van haren voorzien, bekend onder den naam van tuitje.
r Hierboven is door ons gezegd, dat de bladen in den regel vlak zijn. Van eene geheel andere ' gedaante en geaardheid zijn de bladen van de zoogenaamde vet-planten (Huislook, St.-Janskruid enz.). Men noemt ze Hierboven is door ons gezegd, dat de bladen in den regel vlak zijn. Van eene geheel andere ' gedaante en geaardheid zijn de bladen van de zoogenaamde vet-planten (Huislook, St.-Janskruid enz.). Men noemt ze dikke bladen. De bladen van Uien zijn inwendig hol (buisvormig). Ook
Fig. 28. Het halmstuk. Fig. 20. Gedeelte de bladen der Dennen wijken links afzonderlijk afgebeeld, van een gersthalm, van (]en gewonen vorm af: zij is uit de bladscheede s ge- /i; s, bladscheede; sjt», .. ,
trokken; b is het volledige bladschijf; oo, de zeer langen dun en worden blad met al zijne deelen, nl. sikkelvormige uit- daarom gewoonlijk naalden ge-de bladknoop k, de blad- einden van het bind-
scheede s, liet bindseltje h seltje, die den halm neeten (JMaaldbOOmen).
en de bladschijf sp. omsluiten. Over de bladachtige organen
eener bloem zal later gehandeld worden. Hier vermelden wij alleen nog, dat aan den stengel behalve bladeren en bloemen dikwijls nog verschillende andere aanhangselen gevonden worden. Distels, Eozen enz. zijn met stekels, vele andere planten met haren bezet, die den stengel nu eens zacht, dan ruw op het gevoel maken. Ook op de bladen komen dergelijke aanhangselen voor. — Stekels en haren zijn meer bijkomende organen eener plant. Doornen en ranken noemt men vervormde organen, omdat zij in de plaats van andere organen der plant komen. Zoo zien wij ranken of klauwieren in de plaats der enkele blaadjes van het samengesteld blad bij de Erwten, Fig. 27, en in de plaats van een geheel blad bij de Komkommers, Kalabassen enz. Doornen in de plaats van takken (takdoc/rncn) treft men aan bij de Haag- en Sleedoorn; bij de Hulst en de Distels gaan de bladnerven in doornen over.
4. Bloem, bloeiwijxe. Terwijl de bladeren en wortels hoofdzakelijk dienen tot voeding van de plant, bevatten hare bloemen de organen, die voor de
152
153
Nog anders is de plaatsing van de meoldiaden bij de bloem van een Aardappel, een Primula veris, een Doovenetel, een Leeuwenbek enz. Hier zijn zij op de bloemkroon, die in deze bloemen uit één stuk bestaat, ingeplant en kunnen dus met deze van de bloem verwijderd worden.
Planten met zulke bloemen noemt men daarom Kroon-bloemigrn, terwijl men van Eémnanteligen spreekt, als slechts één bloemdek, zie hierboven, aanwezig is.
De namen: Kmishloemigen, Vlinderbloemigen, Lip-hloemigen, aan enkele plantenfamiliSn gegeven, zijn verder aan den betrekkelijken stand van deze beschut-tonde organen of aan den eigenaardigen vorm der bloemkroon ontleend; voor deze en andere bijzonderheden verwijzen wij naar een Leerboek der Plantkunde.
ï ï
■I J
lil
C
Fig. 32. Uloem en vrucht eener kruisbloemige plant. A, Overlangsche doorsnede der bloem. B, Hauw; n' en a1, de beide kleppen; /), het tusschen-schot; c, de zaden; st, de vroegere stempel. C, Dwarse doorsnede der hauw. De lijn Al! wijst de richting aan waarin zij zou moeten worden doorgesneden om haar als in fig. A te doen zien.
II
U 1! i
Aangaande de hoofddoelen eener bloem, de meeldraden en stamper, merken wij nog het volgende op. De meeldraden zijn de voor de voortplanting dienende mannelijke organen der plant. Aan eenen meeldraad, zie Fig. 30, onderscheidt men den hclm-drand en hot helmknopje.
Dat gedeelte van den helmdraad, 't welk door het knopje heenloopt en waarmede dit aan den draad bevestigd is, wordt helmhindsel geheeten, terwijl het uiterst
fijne poeder, dat in het knopje gevonden wordt en gelijk wij zullen zien, bij het bevruchten eene belangrijke rol speelt, stuifmeel wordt geheeten. Evenals de kelk en de bloemkroon blijkbaar van bladachtigen aard zijn, is dit ook met de meeldraden hot geval. De helmdraad kan men als bladsteel, het knopje
I ■ii
11:
■ in
■
154
zal men in de eerste 5 bloembladen met een groot getal meeldraden aantreffen, bij de gekweekte is het getal bladen aanmerkelijk vermeerderd ten koste van de meeldraden. Bij eene soort gekweekte Tulpen (Tournesol) kan deze overgang van meeldraden in meelbladen niet zelden duidelijk worden waargenomen. Ook in de bloem van de in moerassige streken voorkomende quot;Waterleliën ziet men de bloembladen van buiten naar binnen, al smaller en smaller wordende, in meeldraden overgaan. Zijn alle meeldraden in bloembladen veranderd, dan is de bloem niet meer voor de voortplanting geschikt, tenzij stuifmeel van eene andere bloem wordt aangevoerd.
liet stuifmeel, dat in den bloeitijd uit
Fig. 34. Aardappel: .4, bloem; /gt;, ile-(; helmknopje, hetzij door eene klep,
idem, verticaal doorgesneden; C, meel- ,
draad, waarvan de helmknoppen zijn 'loor poriën of door eene voor ontlast
opengesprongen en het stuifmeel nitstor- wordt. Fig. 34, bestaat uit een uiterst
ten; l). besvrucht; K, idem, dwars .... n /-gt; i i •
doorgesneden om de daarin gelegen .i'! poeder. Onder den microscoop gezien,
zaadjes te doen zien. blijkt dit poeder uit korreltjes (cellen),
soms tot klompjes van een bepaalde gedaante vereenigd, te bestaan. Aan zulk eene cel kan men dan onderscheiden •
den:
vrucht dwars doorgesneden. D, zaadkorrel, rechts van buiten, links van binnen gezien, zoodat de kiem zichtbaar is.
155
bij appel-, perebloesems enz. verscheidene. In 't algemeen bedraagt dit getal bij de Tweezaadlobbige planten 4, 5 of de veelvouden er van, bij de Eén-zaadlobbigen, zie Kg. 31 en 36 , uit 3 of een veelvoud van 3. Bij de Stokrozen, de Malva's enz. zijn alle meeldraden tot één bundel vereenigd: men noemt ze daarom éénbroederig; bij de meeste Vlinderbloemige planten. Fig. 27, treft men 10 meeldraden. 9 tot een bundel vereenigd en één afzonderlijk aan (tweehroederige meeldraden), terwijl bij de Samengesteld-bloemigen, zie hierachter, do helmknoppen met elkander vereenigd, maar de helmdraden vrij zijn (samenhelmig), Fig. 35, B, E en F.
De stamper of stampers, — want in sommige bloemen, b.v. de rozen, vindt men moer dan een stamper, — vertegenwoordigt in eene bloem het
156
157
alleen vergroeid.
Op den samengegroeiden bladrand (de buiknaad) zijn meestal de eitjes bevestigd. Hebben meer vrachtbladen tot het vormen van den stamper bijgedragen, zoo vindt men de eitjes in meerdere rijen in den eierstok, zie Fig. 32.
Behalve de genoemde organen, komen in sommige bloemen nog andere, bijkomende organen voor. Merkwaardig zijn daaronder de honigbakjes of honigkliertjes. De bloemen toch, welke deze organen bezitten, worden veelvuldig om den honig, dien zij afscheiden, door insecten bezocht , en aangezien bij sommige bloemen, gelijk wij later zullen zien, de bevruchting niet anders dan door insecten tot stand kan komen, dragen genoemde organen middellijk bij tot de bevruchting. Het best kunnen deze honig-b:ikjes of kliertjes waargenomen worden bij de Keizerskroon, op den voet van elk bloemdek-blad. Ook oj) de bloembladen der Boterbloemen en van de Boekweit zijn zij gemakkelijk te ontdekken.
Na deze beschouwing over de ver-opmerken, dat iu sommige bloemen
schillende bloemdeelen moeten we nog
158
Zoo zijn de bloemen van liet Koolzaad en van andere koolsoorten op kortere of langere steeltjes aan den algemeenen bloemsteel (bloemspil) geplaatst. Men noemt dien algemeenen bloemsteel met de gestoelde bloempjes, dat is dus deze bloeiwijze, een tros. (Duidelijker kan de tros worden waargenomen hij Aalbessen, de roode Ribes, bij de Krodde en de witte Mosterd). De onderste bloemen ontwikkelen zich liet eerst. Do bloeiwijze is dus onbepaald.
Voordat de bloemen van het Koolzaad open zijn, vindt men ze meer opeengehoopt : zij liggen min of meer in hetzelfde vlak en vormen dan, wat men noemt een scherm. Bij eene moes- of koolplant staan zij echter reeds in den knoptoestand meer uit elkander.
Hot Vlas bezit eene dergelijke bloeiwijze. Ook liier gaan de onderste bloemen aan den algemeenen bloemsteel het eerst open. Terwijl echter de stoeltjes der afzonderlijke bloemen bij het Koolzaad enz. ongeveer even lang zijn, zijn de onderste bloemsteeltjes bij het Vlas langer dan de bovenste: de bloemen (of de daaruit voortkomende vruchten) komen daarom bij het Vlas nagenoeg op dezelfde hoogte te staan, 'twelk aanleiding heeft gegeven om deze bloeiwijze, ter onderscheiding van don tros, bloemtuil te noemen. Bij Haver, Fig. 39, en duidelijker nog bij do Fig. 40. Karwij (Carnm Carvï). \. Waterweegbree, den Eschdoorn en som-
Vruchttak; 2, bloem, vergroot; 3, over- mige Grassen, zijn de onderste bloem-langsche doorsnede der bloem, vergroot; , , /t , • • , , n
stelen (die hier in den regel weder
4, vrucht, rijp zoodat de splitvruchtjes gescheiden zijn en aan het steeltje hangen, vergroot; 5, dwarsdoorsnede dei-vrucht, vergroot.
vertakt zijn) ook het langst en de hooger geplaatste korter. Do bloemen komen echter niot alle op gelijke hoogte te staan, maar de geheele bloeiwijze krijgt meer den vorm eener piramide en wordt pluim geheeten.
Eene aar treft men aan, behalve bij de meeste Granen en Grassen, zie hieronder, o. a. bij de Weegbreeën. Zij onderscheidt zich van den tros, doordat de afzonderlijke bloempjes aan den algemeenen bloemsteel ongesteeld of zeer kort gestoeld zijn; terwijl men in dit geval van een katje spreekt, als de bloempjes, zooals bij den Wilg, Hazelaar, Berk, Els enz. éénslachtig, dat is öf alle mannelijk öf alle vrouwelijk zijn {mannelijke en 'Vrouwelijke katjes). De bloeiwijze der vrouwelijke bloem van de Hop, de hoppebellen, Fig. 38, en van de Dennen wordt kegel, die der Karwij, Fig. 40, Wortels {Daucus carota), Peterselie enz. een scherm (Schermbloemige planten), die van Klaver, het Hoefblad enz. hoofdje geheeten.
Omtrent de beide laatsgenoemde bloeiwijzen nog het volgende. Bij een
160
scherm zijn de bloempjes op ongeveer even lange stelen geplaatst op den
top der algemeene bloemsteel of bloemspil: enkelvoudig scherm, vrb. Kers.
In vele gevallen echter dragen de eerstgenoemde stelen nog niet de bloempjes,
maar bloem steeltjes, en deze laatste de bloempjes of later de vruchtjes:
samengesteld scherm , Fig. 40. Een der bloempjes van eene schermbloemige
plant, die tijdens het bloeien de plaats dezer vruchtjes innamen, is daarbij afgebeeld.
Een hoofdje echter, zooals dat bij de Samengesteldblöemige planten voor-
komt, bestaat uit eene samenvoeging van ongesteelde bloempjes op een alge-meenen bloemsteel of bloembodem, Fig. 18 en 36. Een afzonderlijk bloempje van de Paardebloem is in Fig. 36, B afgebeeld; oenige vruchtjes ziet men bij C, terwijl E en F de afzonderlijke bloempjes van het Hoefblad doen zien. Een bepaalde bloeiwijze vindt men o. a. bij de Linde en de Hoornbloem, een gemengde bloeiwijze o. a. bij de Cichorei.
161
naam van omwindsel. Draagt eene plant, zooals eene Lelie, slechts eene enkele bloem, zoo is deze veelal van een blad omgeven, waarin de bloem, vóór het ontluiken, min ot' meer gedoken is. Een dergelijk blad heet bloem-scheede. Bij een tros, tuil en phdm vindt men aan den voet des algemeenen bloemsteels kleine blaadjes, die een anderen vorm hebben dan de gewone REiNDEKS, 1. Vierde druk. II
162
stengelbladen en schutblaadjes worden geheeten. In een kegel wordt rondom
elk bloempje een dergelijk schutblad gevonden. Deze schutbladen helpen na
het uitbloeien mede de vruchten vormen, maar blijven dan bij de Hop, Fig
38, vliezig en worden bij de Dennen houtig.
Wij hebben hierboven gezegd, dat de bloemstelen aan den algemeenen
bloemsteel voorkomende, weder vertakt kunnen zijn. Dit is niet alleen het
geval met eene pluim of een scherm maar inzonderheid met de aren onzer
Granen en Grassen. De pakjes, die samen in Fig. 41 eene pluim en in Fig.
42 eene aai vormen, bevatten meestal niet eene enkele bloem, maar meer
1 2 bloemen. Terwijl men nu de geheele bloeiwijze, in Fig. 41
\ 1 voorgesteld, eene pluim (vandaar pluimgrassen) en in Fig.
\ ] / 42 eene aar {cuxrgrassen) noemt, wordt elk pakje een
\ L l—aif aartje geheeten. Aan zulk een aartje, Fig. 41 en 42, treft
\ l ■ * -/ • men de volgende deelen aan. De beide onderste blaadjes,
% lö/ f[/ ^ waarvan het eene iets hooger ingeplant is dan het andere,
ml heeten kelkkafjes. Zij omsluiten de daarboven geplaatste
^2^3$? * bloempjes, waarvan het aantal in het pakje voorkomende
quot;■ / ia ill zeer verschillend is. Bij Vossestaart vindt men in elk
''I pakje slechts eene bloem, bij Beemd Langbloem Fig. 41,
a 7—8. Elk bloempje wordt ingesloten door twee kafjes.
Fig. 41 en 42, die men kroonkafjes noemt. Ook hiervan
■k is het eene, het buitenste, iets lager ingeplant dan het
andere en draagt meestal eene naald (kafnaald).
Op eene dergelijke wijze zijn de bloemen en later de
Fig. 44. Roggeaartje v™chten der Granen bijeengevoegd, zie Fig. 43. In een
met drie bloemen; 1 tarweaartje. Fig. 43 e, omsluiten de kelkkafjes 3—5
isquot; gesloten.60Uitmelk bloempjes, waarvan in den regel slechts 2—3 vrucht
dei- twee zijbloempjes geven; in een roggeaartje. Fig. 43 g en 44, treft men
hangen de meeldraden 9 (soms meer) aan, die beide vruchtbaar zijn; in een a aan de uitgegroeide v 7 .
helmdraden; k, kelk- aartje van Haver, Fig. 45 A, mede 2—4, en in een
tusschen ' de ^kl-oon S,erstaal'*quot;ie slechts één. Bij dit laatste graangewas zijn,
kafjes; asp, het bui-Fig. 43 a, drie aartjes bijeengevoegd, elk door priem-
tenste; isp, het bin- vormicre kelkkafjes omsloten. Van de hierin voorkomende nenste; h, boveneind .... .. ... „
van den halm. bloempjes is bij de tweenjige Gerst alleen dat van het
middelste aartje vruchtbaar, terwijl bij de vier- en zesrijige ook do zijdelingsche bloempjes vrucht geven en er dus later drie vruchtjes bijeenstaan.
Elk bloempje is ook bij de Granen door twee kroonkafjes omsloten en daarvan draagt het buitenste weder eene kafnaald. Zie de figuren. Bij Gerst en Haver omsluiten deze kroonkafjes later de vrucht en moeten daarvan afgepeld worden. Bij Tarwe laten ze los, als de vrucht rijp is.
De kelk- en kroonkafjes beschermen dus evenals de kelk en de bloemkroon de door hen ingesloten bloempjes en werden vroeger ook voor kelk en bloemkroon gehouden. Aangezien echter de kelkkafjes meestal meer dan eene bloem insluiten en de kroonkafjes nooit op gelijke hoogte voorkomen, 'twelk met de blaadjes eener bloemkroon steeds het geval is, beschouwt men ze tegenwoordig niet als deelen eener bloem maar van eene bloeiwijze.
163
5. de vrucht. Wanneer eene bloem ontloken is, gebloeid heeft, duurt liet
niet lang of zij verflenst: de bloembladen, de meeldraden, in vele gevallen ook de kelk of het bloemdek vallen af. Een deel der bloem blijft echter na de bevruchting bestaan en begint nu weldra zich te ontwikkelen. Dat deel is
11*
164
de stamper en hiervan steeds de eierstok. Het product van die ontwikkeling is de vrucht. Behalve de eierstok nemen ook niet zelden andere dealen aan de vrnchtvorming deel, waarop hierboven reeds gewezen is. In dit laatste geval spreekt men van valsche of schijnvruchten, ter onderscheiding van die, welke alleen uit den stamper gevormd zijn en ware vruchten genoemd worden.
A
Zoo zijn onze kersen en pruimen, de peulen der Erwten en de hauwen van 't Koolzaad ware vruchten. Een appel daarentegen is eene schijnvrucht, omdat ook de bloembodem mede uitgroeit, zie Fig. 33. Zoo ook eene aardbezie. Pig. 46, waarbij de uitgegroeide bloembodem zelfs de grootste massa van de vrucht uitmaakt. De ware vruchtjes bevinden zich als kleine uitstekende puntjes (dopvruchtjes, zie hieronder) aan de oppervlakte van het vruchtvleesch.
De vrucht van het Vlas (de vlasknop), die gelijk reeds, bl. 156, gezegd is, uit eenige vruchtbladen gevormd wordt, noemt men eene doosvrucht. Wanneer het quot;Vlas rijp wordt, laten genoemde vruchtbladen weer min of meer los. Evenwel moet bij het Ylas dat hier te lande, in Noord-Duitschland en elders verbouwd wordt, het in de doos bevatte zaad noodzakelijk uitgeslagen (gedorscht) worden (slag-lijnzaad). Bij eene andere soort of verscheidenheid van Vlas, in Zuid-Duitschland, vooral in Wurtemberg geteeld, springen de zaaddoozen van zelve open („Klang- of Springleinquot;). De vrucht van de Maankop, Fig. 47, is eveneens eene doosvrucht, waarbij echter de vruchtbladen , bij het rijpworden, niet loslaten, maar het zaad door kleine openingen,
165
poriën, }gt;, kan ontlast worden. Gemelde openingen ontstaan in het schild, waarmede hier de vrucht bedekt is en dat den vroegeren stempel vertegenwoordigt, doordien de verschillende vruchtbladen, waaruit deze doosvrucht gevormd is en die men bij eene doorsnede gemakkelijk ontdekt, hier weder loslaten. Het Koolzaad bezit eene vrucht, die uit twee vruchtbladen gevormd is, welke bij het rijpworden niet vanboven loslaten zooals bij het Vlas, maai van onderen, terwijl de zaden in vier rijen, twee ter rechter- en twee ter linkerzijde geplaatst zijn aan een vliezig tusschenschot. Een dergelijke vrucht wordt hauw geheeten, zie Fig. 32. Eene hauw is veel meer lang dan breed en daardoor te onderscheiden van hot kauwtje, dat meestal even lang als brood is eu ook voel minder zaden bevat. Laatstgenoemde vrucht komt voor bij Dederzaad, Huttentut en bij het zeer algemeen verspreide onkruid, de Herderstasch (Capsella bursa pastorius). Do hauwen van do Eadijs vallen in één stuk zonder zich te verdoelen, af, terwijl bij de van'^de^Mtuinkop•' quot;'.s/* Nv'^c Radijs, Herik of Kiek (Rhaphanis raplianistrum) stengel; /), poriën. do hauwen tusschen de zaden ingesnoerd zijnen zich hier verdoelen. Do Kiek is daardoor te onderscheiden van de K'rod de {Sinapis arvensis), in de provincie Groningen hier en daar en elders ook wel Herik geheeten. — Hauwen en hauwtjes komen alleen bij de Kruisbloemige planten (zie bl. 153) voor. De meeste vruchten van de Vlinderbloemigen (zie bl. 147) zijn peulen, vandaar de naam peulvruchten. Peulen treft men dus aan bij Erwten, Boonen, Wikken enz. Eene peul, Fig. 48, is uit één vruchtblad gevormd; de zaden, — indien er meer voorhanden zijn, — bevinden zich op de randen van hot vergroeide blad (de buiknaad). De eitjes, waaruit de zaden zijn voortgekomen, zijn slechts voor de helft ontwikkeld. Opent men b.v. de peul eenor Erwt, zie Fig. 48, dan ziet men de zaden met de onontwikkelde eitjes afwisselen.
Nog anders is de vrucht der Boekweit, Fig. 30, die der Samengesteld-bloemigen, der Hennep, Fig. 37, Rhabarber enz. In al deze vruchten is slechts één zaadje aanwezig, maar terwijl die der Samengesteldbloemigen, der Boterbloemen, der Hennep enz. uit één vruchtblad gevormd is, bestaat die der Boekweit, der Zuring, Rhabarber enz. uit meer vruchtbladen. Eerstgenoemde vruchten zijn bekend onder den naam van dopvruchtm, laatstgenoemde onder dien van notm. In sommige gevallen, zooals bij den Iep, den Berk en den Els zijn deze nootjes van vliezige aanhangselen voorzien en worden daarom vleugelvriwht geheeten, terwijl de dopvruchtjes der Samengostold-bloomigon gekroond zijn door een gestoeld of ongesteeld kuifje, hot zoogenaamde vruchtpluis, zie Fig. 36 D en 49, dat uit den kelk der bloem ontstaan is. Ook de vruchten der Schormbloemige planten zijn dopvruchten, die paarsgewijze tot ééne (dubbele dopvrucht) vereonigd zijn. Bij het rijpworden splitsen deze vruchtjes zich meer of minder gemakkelijk in tweeën: vandaar de naam splitwuchtcn. Zie Fig. 40 en 50. Ook bij den Eschdoorn komen dergelijke vruchten voor.
quot;Wat in het dagelijksch leven dikwijls vruchten genoemd worden, zijn niet
1C6
altijd vruchten in plantkundigen zin. En wat veelal zaad genoemd wordt is niet zelden eene vrucht. Vruchten toch noemt men niet zelden de geteelde planten, in haar geheel, bij welker teelt men het oog heeft nu eens inzonderheid op de vrucht met het daarin bevatte zaad, dan eens op het zaad alleen en nog in andere gevallen hoofdzakelijk op de stengels. En wat b.v. onder den naam wortel- en kar wij zaad in den handel komt zijn vruchtjes. De hierin bevatte zaadjes zijn innig met de vruchthuiden vergroeid, zoodat zij zich er moeilijk van
laten scheiden. In nog meerdere mate is dit het geval met de graanwucht. In den handel worden de zaden dus zeer terecht van de granen (graanvrnch-ten) onderscheiden. Het zaad van Koolzaad, Mosterd, Boonen, Erwten enz. is werkelijk zaad, maar wat onder den naam van granen verkocht wordt is
A 13 I
Fig. 50. Vrucht van den gewonen Wortel (Daucus carota): A, geheel; 13, in tweeën gespleten; C, in doorsnede.
eene vrucht, waarvan de huid innig met de zaadhuid vergroeid en alleen bij vergrooting daarvan te onderscheiden is. Zie Fig. 9, A en B. Ook boekweit-, sla-, schorsoneerzaad enz. is geen zaad maar vrucht, evenals het kanariezaad, dat tot de graanvruchten behoort.
De tot nog toe beschouwde vruchten:
de doosvrucht, de hauw en het kauwtje, de peul, de dopvrwihten, de nootjes en gevleugelde vruchten, de duhhele dopvruchten {splitvruchten) en de graanvrucht zijn alle droge vruchten, wegens hare droge consistentie alzoo
1G7
genoemd ter onderscheiding van de vleczige vruchten. Van deze laatste vermelden quot;wij alleen:
de appel- ol pitvrucht, die voorkomt bij Ajjpels, Peren en Kweeën; do steenvrucht bij Kersen, Abrikozen, Perziken, Pruimen, Haagappels enz.; de besvrucht bij Berberis, Aalbes, Kruisbes, Druiven, Aardappels, Fig. 34, enz. De zoogenaamde opeengehoopte vruchten hebben haar ontstaan te danken aan het samengroeien der eierstokken van eenige bloemen (eener bloei wijze) met do algemeene bloomspil. Hiertoe behooren de moerbeziën, de ananassen, de kegels van Hop, Els en Dennon, de vruchtkluwens van man gel wortels onzen de vijg. Ook de rijpgowordene „arenquot;, druiven- en bessentrossen, zou men, ofschoon hier eene minder innige vergroeiing hooft plaats gehad, opeengehoopte vruchten kunnen noemen.
6. het zaad. Met do vorming van het zaad houdt het leven van vele planten op; daarmede is haar einddoel bereikt. Alleen do zoogenaamde overblijvende planten, bijv. onze boomen en heesters en de planten, die met een wortelstok in den grond overblijven (sommige Grassen, Meekrap, Rhabarber) brengen meermalen zaad voort.
Als wij de deelen van het zaad willen opmerken, doen wij 't best ze in den onrijpen toestand te beschouwen. Opent men eone onrijpe peul, eene hauw of een appel, dan ziet men de zaden meestal met korte steeltjes aan den zoogenaamden zaaddrager bevestigd. Zie Fig. 48. Door dit steeltje, dat den naam van navelstreng draagt, ontvangt, gelijk wij later zullen zien, het zaad zijn voedsel van de overige deelen der plant. Is het zaad rijp geworden, dan vinden we daar, waar het aan den navelstreng bevestigd was, nog eene min of meer duidelijke, doffe plek, den navel, die bij de tuinboonen, de paardekastanjes enz. meestal lichter gekleurd en bij de veldboonen de bekende zwarte neus vormt. Dicht bij den navel treft men eene kleine opening aan, die meestal moeilijk is waar te nemen, maar bij de pronkerboonen duidelijk met het bloote oog te zien is en do grootte eener speldeprik heeft. Deze opening, die ook aan het eitje, waaruit het zaad is voortgekomen, kan opgemerkt worden en met de bevruchting (waarover later) in verband staat, wordt poortje geheeten.
Aan een zaad onderscheidt men: de zaadhuid en de kern. De zaadhuid of zaadschil bestaat meestal uit twee lagen; de buitenste en binnenste zaadhuid. Van deze is de binnenste vliezig en kleurloos, de buitenste niet zelden gekleurd en soms van verschillende aanhangselen voorzien. Zoo zijn de zaden van den Katoen- en van den Kapokboom {Eriodendron anfractnosmn) rondom met lange haren bezet, die de bekende katoen en kapok leveren, do wilgen-zaden met een kuifje van haren omgeven, de dennen- au spurriezaden van een vliezig aanhangsel voorzien. Het is deze uitwendige zaadhuid ook, welke bij het lijnzaad, de kweepitten en het sterkers-zaad do slijmerige stof bevat, welke deze zaden bij bevochtiging doet opzwellen en slijmerig maakt.
In de zaadkern treft men, gelijk reeds vroeger opgemerkt is, de kiem van het jonge plantje, dat onder gunstige omstandigheden zich daaruit ontwikkelt, aan. Bij Boonen, Erwten en in 't algemeen bij de Peulvruchten, alsmede bij de Kruisbloemigen en vele andere planten, bestaat de zaadkern uit de kiem alleen. In de zaden van 't Vlas, van de Boekweit, de Granen, Grassen enz.
168
vindt men naast lt;le kiem eene meestal meelachtige zelfstandigheid, bekend onder den naam van kiernwit. Naar de al of niet aanwezigheid van dit Mem-wit, 'twelk men nog in inwendig en uitwendig kiemwit, Fig. 9, bi. 136, onderscheidt, verdeelt men de zaden in kiemwitlooze en kiemwithoudende. Evenals de zaadlobben dient ook het kiemwit tot voedsel voor het jonge plantje, zie bl. 138 en 139.
In den vorm en in de grootte der zaden bestaat eene groote verscheidenheid, welke moeilijk te beschrijven en af te beelden is, en die men het best leert kennen door eene verzameling daarvan aan te leggen.
11. SCHEIKUNDIGE EN ANATOMISCHE SAMENSTEL!.ING DER PLANTEN.
Bij de behandeling van het water hebben we reeds eenige scheikundige verbindingen leeren kennen. Het water zelf, bl. 110, de zouten, bl. 112, eenige gassen, bl. 60 en 61, hebben we als zoodanig beschouwd en de elementen of grondstoffen, waaruit genoemde verbindingen bestaan, vermeld. Ook in de planton treft men dergelijke min of meer samengestelde stoffen aan; ook de planten bestaan uit scheikundige verbindingen, die soms meer van elkander gescheiden, meestal echter innig met elkander vermengd of vergroeid, bepaalde vormen bezitten, waaruit het plantenlichaam is opgebouwd en die wij hieronder als cellen, vaten enz. zullen leeren kennen. Wij zullen thans de nadere en naaste bestanddeelen der planten vermelden, maar bepalen ons daarbij tot de voornaamste.
Wanneer men gras, klaver en dergelijke planten op eene niet te lage temperatuur aan de lucht blootstelt, dan worden zij zoogenaamd luchtdroog.
Er ontwijkt daarbij eene zekere quantiteit water. Van hare andere bestanddeelen gaat, tenzij zij gaan rotten, weinig of niets verloren. — Het hooi of hoe deze plantenstof in luchtdrogen toestand ook heeten moge, is echter niet volstrekt droog, maar bevat nog water, dat eerst bij eene temperatuur van ongeveer 100° C. wordt uitgedreven. Zoo bevat het weidegras in verschen toestand gemiddeld 720(/0 water, het grashooi 130/o, roode klaver 79 0/0 en klaverhooi ongeveer 17 0/o, het dennenhout in verschen toestand 40 0/o en luchtdroog gemiddeld 200/o water. Een dergelijk gewichtsverlies heeft bij het drogen van andere planten plaats. Wij beschouwen dus het water als een der nadere bestanddeelen van de versche plant. Wij weten dat er planten met veel en met weinig water zijn en dat alleen in hare droge stof de waarde-gevende deelen voorkomen.
Verhit men nu de droge plant, terwijl zij aan de lucht blootgesteld is, op eene temperatuur hooger dan 100° C., dan verbrandt of ontwijkt als rook enz. het grootste gedeelte; slechts eene kleine hoeveelheid asch blijft als onverbrandbaar bestanddeel der plant terug. Honderd kilogr. weidegras b.v. dat volgens bovenstaande opgave 28 KG. droge stof bevat, laat bij verbranding gemiddeld 2 KG. asch achter, roode klaver 1.6 KG. enz.
Wij kunnen dus door eene plant te drogen en vervolgens aan de lucht te verhitten en 't gewichtsverlies, hierdoor ontstaan, te bepalen, reeds eenigermate over hare samenstelling oordeelen. Wij kunnen zeggen, de planten bestaan uit:
water, verhrandhare stoffen: onverhrandbare stoffen [asch).
169
Deze bepalingen doen ons echter de samenstelling der planten nog zeer onvoldoende kennen. Welke zijn de bestanddeelen van liet verbrandbare gedeelte, welke die van de asch der planten? Uit welke elementen of grondstoffen bestaan zij? In welke van de hierboven vermelde plantendeelen komen genoemde bestanddeelen voor? Ziedaar vragen, die wij als het ware van zelve doen en daarop bovenstaande bepalingen ons geen antwoord geven. Een nauwkeurig onderzoek heeft dan vooreerst aan het licht gebracht, dat onder bepaalde voorzorgsmaatregelen het verbrandbare gedeelte uit de elementen koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof bestaat, terwijl in de asch gevonden worden, naast de elementen koolstof en zuurstof: kalium, natrium, calcium, magnesium, ijzer, phosphorus, zwavel, silicium en chloor. Twee, drie of meer dezer elementen vormen scheikundige verbindingen, die hieronder als de in de plant voorkomende nadere bestanddeelen zullen worden vermeld. Nadere bestanddeelen der planten zijn h.v. de suiker, uit do elementen koolstof, waterstof en zuurstof bestaande, en de vooral in liet koolzaad en in 't lijnzaad, maar ook in vele andere zaden voorkomende oliën, waarin dezelfde elementen maar in eene andere verhouding gevonden worden. Bij verhitting aan de lucht nemen beide stoffen zooveel mogelijk zuurstof op, zij verbranden hoofdzakelijk tot koolzuur en water (zie hl. 110), zij behooren dus tot de verbrandbare bestanddeelen der plant. Ook de zeer algemeen in de planten verspreide maar vooral in de zaden opgehoopte eiwitstoffen, die uit de elementen koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof met eene kleine hoeveelheid zwavel en veelal met phosphorzure zouten vermengd, bestaan, verbranden voor het grootste gedeelte tot vluchtige verbindingen. Alleen de zwavel met zuurstof en met de metalen kalium, calcium enz., die steeds in hare nabijheid gevonden worden, verbonden, vinden wij als zwavelzure zouten nevens de phosphorzure zouten en een gedeelte van do koolstof als koolzuur zout in de asch terug. Iets dergelijks heeft plaats met de vooral in vruchten voorkomende zouten van organische zuren, als wijnsteenzuur, appelzuur enz. Ook deze verbranden voor het grootste gedeelte; de daarin voorkomende metalen kalium, natrium, calcium enz. vinden wij echter eveneens in de asch als koolzure kali, -soda, -kalk enz. weder.
Na deze voorafgaande opmerkingen zullen wij de voornaamste nadere bestanddeelen van de droge planten-zelfstandigheid afzonderlijk nagaan. Yoor een gemakkelijk overzicht nemen wij de volgende groepen aan:
1 celstof of cellulose.
2 zetmeel of amylum.
3 gom.
4 suikersoorten.
ó pectinestoffen.
6 organische zuren.
7 vetten, oliën en enkele andere verbindingen.
11. Stikstof houdende verbin- ƒ 1 eiwitstoffen.
dingen. 1 2 eenige andere stikstofhoudende stoffen,
in. Asch.
I. Stikstofvrije stuffen. 1. Celstof of cellulose, (CeHioO.^n. Wanneer men een dun schijfje van eenig plantendeel onder den microscoop beschouwt, Fig. 51,
koolhydraten.
I. Stikstofvrije verbindingen.
170
dan ontdekt men, dat liet uit min of meer regelmatige, ronde of hoekige lichaampjes, die wij hieronder als cellen, vaten enz. zullen leeren kennen, opgebouwd is, evenals een huis uit steenen, planken enz. is samengesteld. In haren natuurlijken toestand vormen de cellen blaasjes, de vaten buizen. Do stof nu, waaruit de wand dezer cellen of vaten hoofdzakelijk bestaat, en die dus min of meer liet geraamte van het geheele plantenlichaam vormt, is in de scheikunde bekend onder den naam van eelstof of cellulose. AVij kennen die stof in den moest zuiveren toestand als linnen, katoen, papier, enz.
Fig. 51. Lengte doorsnede van eenen aardappel, 200 maal vergroot: A'. knrklaag: KC, knrkcambium; /?, schors, nit cellen waarin zetmeel-korrels voorkomen bestaande; C, cambium; GB. vaatbnndelring; M, mergcellen, eveneens met zetmeel.
Onder den microscoop blijken de vezels, waarin deze stoffen zicli laten verdeden, uit buisjes van een eigenaardigen vorm met meestal dikke wanden en zeer nauwe holte te bestaan. — In water, verdunde zuren en andere oplosmiddelen, zooals alcohol, aether enz. is de eelstof onoplosbaar. Sterkere zuren zetten haar in andere verbindingen om. Met sterk zwavelzuur en daarna met eene oplossing van jodium bevochtigd, wordt zij blauw gekleurd. Door deze en gene eigenschap verschilt zij van het hieronder te vermelden zetmeel, dat door jodium direct blauw gekleurd wordt en door verdunde zuren, gelijk wij straks zullen zien, in gom en suiker omgezet en daardoor oplosbaar gemaakt kan worden. Door sterkere zuren gaat zij evenwel ook in suiker over en door fermenten in het darmkanaal in andere oplosbare of gasvormige verbindingen. Inzonderheid is dit het geval met de eelstof van jonge plantendeelen. Hierin vormt de celwand nog een uiterst dim vliesje, waarop genoemde oplosmiddelen gemakkelijk kunnen inwerken. De celfstof van jonge groenten en in 't algemeen van jonge plantendeelen b.v. van jeugdig gras en jonge klaver is daarom ook moer gemakkelijk verteerbaar. Bij den verderen groei der plant wordt de cel-wand echter door het afzetten van verscheiden lagen dierzelfde eelstof en vooral doordat zieh andere stoffen daar tusschen voegen, verdikt. Vele dezer tusschcn-gevoegde stoffen zijn onverteerbaar en aangezien zij de eigenlijke eelstof als het ware omhullen, veroorzaken zij ook, dat de genoemde oplosmiddelen niet gemakkelijk ermede in aanraking komen: zij maken daardoor ook de eelstof onoplosbaar en derhalve ook onverteerbaar. Zoo is in oude klaver en in oud gras b.v. de eelstof ten deele omhuld door kiezelzuur en in 't algemeen in de „houterigquot; geworden planten door eene andere eveneens onverteerbare stof, de honlslof (lignin). Plantendeelen, met zulke verhoute eeUen, verliezen ook hunne buigzaamheid; zij worden steviger gelijk wij dit kunnen opmerken niet alleen bij het hout der boomen, maar ook aan het houtgedeelte van 't Vlas b.v., terwijl het bastgedeelte van laatstgenoemde plant uit cellen (vezels)
171
bestaat, waarvan de wand hoofdzakelijk alleen door eelstof verdikt is en die dan ook hare buigzaamheid bohouden hebben.
Wanden van cellen, die zich aan de oppervlakte van een plantendeel, b.v. van de bladen bevinden, ondergaan cene dergelijke verandering. Hier gaat do eelstof in oene eveneens onverteerbare of althans moeilijk verteerbare stof, do kurkstof, Fig. 51, over of wordt daarmede omhuld.
Na deze opmerkingen zal het duidelijk zijn, dat do hoeveelheid eelstof in eene plant voorkomende, niet altijd dezelfde kan zijn, — in gedroogd weide-gras van de maand April werd b.v. 120/0, in dat van Juli en Augustus 18 a IQO/o aangetroffen, — maar dat ook de qualiteit met het oog op hare waarde als voedsel zeer verschilt l). In de voederanalysen wordt zij in den regel met
^Cn naaiu van 1,uwvezel of juister ruwe eelstof ^ ' •// aangeduid, om daardoor aan te wijzen, dat de stof, welke ermede bedoeld wordt, niet altijd zuivere eelstof is.
2. zeimed, (CgH^Cyn. Terwijl de eelstof het hoofdbestanddeel van den wand der plantencellen vormt, maakt het zetineel een groot gedeelte van den inhoud van vele cellen uit. Fig. 52. Ook in de cellen van een aardappelknol, Fig. 51, vinden wij zetmeel als het ware opgehoopt. In 't algemeen treft men het zetmeel, als de plantengroei stil-Doorsnede van staat, in die gedeelten der plant aan, waaruit zich eener^envt',6 800 maal^veT- bij haron vernieuwden groei, nieuwe deelcn ontwikkelen, derhalve in knollen, knoppen, wortels enz. Ook in de stammen van vele boomen wordt het dan aangetroffen (Sagopalm), alsmede in vele zaden. Hot dient hier namelijk als voorraadsstof tot voeding dezer nieuwe deelen of van het kiemplantje, dat zich uit het zaad ontwikkelt. En vooral ook om hun zetmeelgehalte zijn vele dezer plantdeelen als voedsel voor mensch en dier zeer geschat. Wrijft men genoemde plantendeelen, b.v. een aardappel, stuk, dan worden de celwanden verbrijzeld en vindt het zetmeel gelegenheid om uit de cellen te ontsnappen. In water aangeroerd, zinkt het op den bodem van 't vat; vandaar de naam zetmeel.
Zetmeel heeft eene dergelijke samenstelling als de hierboven vermelde cel-stof, dat is, het bestaat uit evenveel procenten koolstof, waterstof en zuurstof. In zuiveren toestand vormt hot een wit poeder, dat onder den microscoop uit korreltjes van een eigenaardigen vorm blijkt te bestaan, die voor bijna elke plantensoort verschillend is. Fig. 53. Aan den vorm der korrels valt hot dan ook niet moeilijk om te ontdekken van welke planten het zetmeel afkomstig is. In aardappels zijn zij eivormig en van duidelijke strepen voorzien, in tarwe, rogge en gerst zijn ze meer lensvormig en bezitten ze eene ster- of lensvormige spleet; in haver zijn verschillende korreltjes aaneengevoegd, die bij oene lichte drukking van elkander gaan; in erwten. Fig. 52, boonen en andere
') Wij geven hier slcclits eenige opgaven van hoeveelheden. Voor een beter overzicht zal eene tabel daarvoor latei' geplaatst worden.
172
peulvruchten zijn ze meer rondachtig en evenals in de tarwe van eene spleet voorzien, in rijst en mais meer hoekig. Ook de grootte der korrels is verschillend. Niet alleen komen in eene en dezelfde plantencel groote en kleine,
soms ook samengestelde korrels voor (zie Fig. 52 en 53), maar vooral verschilt do grootte van die der eene plant, vergeleken met die eener andere. Zij zijn het grootst in aardappels, 0.185 duizendste deelen van een millimeter (mmM.), in sago 0.07, in tarwe 0.05, in mais 0.03, in bieten, gele wortels en pastinaken slechts 0.004 m m M. Bijzonder klein zijn ook die in de bladeren voorkomende.
Bij de gewone temperatuur is zetmeel onoplosbaar in water. Bij eene hoogere temperatuur met water verhit, zwellen de korrels op, bersten open en vormen de bekende stijfsel. Langdurige verhitting doet ze oplossen. In drogen toestand op 160—200° verhit, gaat het in dextrine of kunstgom over. Met verdunde zuren, speeksel en het zoogenaamde pancreas-vocht, dat uit de pancreasklier in het darmkanaal wordt afgescheiden, wordt het mede in de hieronder te vermelden gom en daarna in eene suikersoort (maltose), die beide in water oplosbaar zijn, omgezet. Eene dergelijke verandering ondergaat het zetmeel bij 't ontkiemen van zaden of bij het uitloopen van knollen, bollen enz., waarin het als voorraadstof opgehoopt is.
Vroeger hield men de zetmeelkorrels voor eene enkele stof. Nagel i heeft echter aangetoond, dat zij uit twee stoffen bestaan, die hij met de namen zetmeel-celstof en zetmeel-granulose onderscheidt. Brengt men namelijk zetmeel in aanraking met speeksel, een aftreksel van mout of met verdunde zuren op eene temperatuur van ongeveer 45°, dan vertoonen zich de korrels onder den microscoop als 't ware uitgevreten, die van aardappels veel duidelijker en ook die van tarwe. Fig. 53, d, gestreept. Men houdt eindelijk een gedeelte over, dat met jodium bevochtigd, niet blauw gekleurd wordt. Voegt men er echter een druppel zwavelzuur bij, dan treedt dadelijk, evenals bij celfstof de blauwe kleuring in. Dat nu het zetmeel in zijn geheel blauw gekleurd wordt, wordt veroorzaakt, doordien slechts een klein gedeelte van eene korrel celstof is; de granulose, die eigenlijk met jodium eene blauwe kleur vormt, heeft verreweg de overhand. Daar nu de granulose veel gemakkelijker oplost en dus ook zeer waarschijnlijk gemakkelijker verteerd wordt dan de celstof, en de hoeveelheid van de eerstgenoemde stof in alle soorten van zetmeel niet even groot is (in tarwezetmeel b.v. grooter dan in aardappelzetmeel), volgt hieruit, dat de waarde van de eene soort zetmeel als voedsel verschillend zijn moet van die eener andere soort. quot;Wij dienen dus, evenals hierboven voor de celstof opgemerkt is, ook bij de beoordeeling van het zetmeel als voedingsstof in aanmerking te nemen van welke plant het afkomstig is.
173
Wat nu de hoeveelheid zetmeel betreft , die in eene plant of een plantendeel voorkomt, moeten we nog' opmerken, dat deze in een en 'tzelfde deel zeer verschillend zijn kan. Er komen aardappels voor met 9 maar ook met 27 0/o; er is tarwe met 55 eu ook van 65 0/o zetmeel enz. De plantenvariëteit, waarvan hot zaad of de knollen afkomstig zijn, de bemesting van den grond, het klimaat zijn hierop van invloed. Aardappels b.v. in een vochtigen en verschbemesten kleigrond geteeld, bevatten minder zetmeel dan die welke in drogen en niet verschbemesten zandgrond verbouwd zijn, en tarwe, in zuidelijke klimaten verbouwd, is eveneens armer aan zetmeel, maar rijker aan de hieronder te vermelden eiwitstoffen, dan die, welke in een kouder klimaat geteeld is.
In enkele planten, b.v. in de dahliabollen en de topinambourwortels komt weinig of geen zetmeel voor, maar eene in samenstelling en eigenschappen daarmede veel overeenkomende stof, die men met den naam van inulin bestempeld heeft. Inulin is in water oplosbaar en wordt door jodium niet blauw gekleurd. Het gaat echter evenals zetmeel onder verschillende invloeden in gom en suiker over. Topinambonrs (Helianthus f.uheroms) vormen dan ook in sommige streken een zeer geacht voedermiddel en worden in enkele departementen van Frankrijk, evenals hier te lande de aardappels, met voordeel gebruikt tot het fabrieeeren van spiritus.
3. Gomsoorteu (CoIIxoCyn. Uit kersen-, pruimen- en perzikboomen ziet men niet zelden, vooral na sterke bemesting en uit de wonden, dio opzettelijk of bij toeval hun toegebracht zijn, eene taaie vloeistof te voorschijn komen, die na eenigen tijd aan de lucht blootgesteld geweest te zijn, vast wordt.
Eene dergelijke stof zweet uit den stengel van vele Accasiasoorten in zuidelijk Azië en wordt onder den naam van Arabische gom in den handel gebracht. In 't algemeen kan men die stoffen gom noemen. Zij hebben, wanneer men eene kleine hoeveelheid asch, die bij de verbranding achterblijft, niet in rekening brengt, dezelfde samenstelling als de celstof en het zetmeel.
Deze zijn echter onoplosbaar in water, de gomsoorten daarentegen zijn daarin oplosbaar of vormen met water eene slijmerige opgezwollene massa. Zetmeel gaat, als reeds gezegd, door verhitting in eene dergelijke stof, kunstgom of dextrine geheeten, over. Een dergelijke overgang van zetmeel in gom heeft plaats bij het ontkiemen van zaad, gelijk reeds vroeger is opgemerkt, en waarschijnlijk ook in andere deelen der levende plant.
Tot de gomsoorten kan men ook rekenen de slijmige massa, waarmede het lijnzaad bij bevochtiging met water wordt omgeven. Dederzaad, kweepitten en vooral de saleb bevatten dezelfde stof. Die stof maakt ook het deeg van roggemeel slijmig. Wellicht komt zij in vele andere plantendeelen voor en is de naam plantenslijm, aan deze gomsoort gegeven, dus zeer gepast. Zij kan als een omzettingsproduct van do celstof worden beschouwd.
4. Suikersoorten. De suiker onzer huishouding is in de wetenschap bekend onder den naam van rietsuiker (C^H^Oix), een naam die de afkomst dezer stof — uit het in meer zuidelijke landen geteelde suikerriet namelijk — aanwijst. Bietsuiker wordt echter niet enkel in het Suikerriet, maar ook in Sm-kerbieten, ja in vele andere planten en plantendeelen aangetroffen. Minder algemeen bekend zijn de druivensuiker of dextrose (CqH^Oq) , die insgelijks in vele planten naast rietsuiker voorkomt, vooral gelijk de naam aanwijst, in druiven,
174
de vruchtensuiker of laemdose (CgHj^Og), mede in vele vruchten aanwezig, enz. Het zetmeel en andere koolhydraten worden onder opnoming van water, in deze of dergelijke suikersoort, omgezet, wanneer zij met verdunde zuren, met speeksel, een montaftreksel enz. in aanraking worden gebracht. Ook rietsuiker gaat onder genoemde invloeden in druivensuiker en vruchten suiker over.
Druivensuiker treft men inzonderheid aan in nog groeiende plantendeelen. De zoete smaak van de jeugdige stengels der Granen, vooral die der Maïs wordt door deze suikersoort veroorzaakt. Wanneer deze deelen nog groen zijn, en meer bepaald vóór don bloeitijd der plant, bevatten ze dan ook eene grootere hoeveelheid suiker en hebben derhalve een grootere waarde als groen-voeder, dan wanneer ze rijp zijn geworden. Ook het jonge gras in goede weiden voorkomende, heeft zijn zoeten smaak aan de daarin bevatte suiker te danken en is door den smaak kennelijk te onderscheiden van oud gras en van het zure gras der laagliggende weiden, dat, wegens zijn geringer suikergehalte en zijne meestal zure vochten eene veelal geringere voedingswaarde heeft.
Rietsuiker daarentegen wordt meer als voorraadstof in de planten vooral in sommige wortels en vruchten aangetroffen. De planten-variëteit, die geteeld wordt, de soort van grond en de bemesting hebben ook hier grooten invloed oj) de quantiteit. De als suikerbiet geteelde variëteit van beetwortel b.v. bevat soms tot 18 0/0, maar gemiddeld niet meer dan 11—15O/q suiker. Versclie bemesting, vooral met veel stikstofhoudenden mest, vermindert de hoeveelheid suiker en vermeerdert de quantiteit eiwitstoffen. — Daar rietsuiker door zuren in druivensuiker wordt omgezet, treft men in vruchten, die nevens suiker veel zuren bevatten, geen of weinig rietsuiker, maar betrekkelijk meer druivensuiker aan. Zoo vond Buignet in druiven 16 a 170/o, in aalbessen 0.4%, in kersen 10 0/q druivensuiker, maar geen rietsuiker; in ananassen daarentegen 2 0/q druivensuiker en 11 % rietsuiker, in abrikozen en aardbeziën 2.7 en 50/o van eerstgenoemde suikersoort en 6.8 en 6 van laatstgenoemde.
Kietsuiker en druivensuiker zijn beide oplosbaar in water, maar de eerstgenoemde meer dan laatstgenoemde. Rietsuiker is ook zoeter en kan niet gelijk de druivensuiker onmiddellijk door gisting in alcohol en koolzuur worden omgezet; maar moet daartoe eerst in druivensuiker en vruchtensuiker overgaan.
Behalve de genoemde komen in sommige planten nog andere suikersoorten voor, die wij hier echter met stilzwijgen meenen te mogen voorbijgaan. In samenstelling en eigenschappen komen ze ook veel met de vermelde overeen.
De tot nog toe beschouwde verbindingen worden gemeenlijk koolhydraten genoemd. Zij bevatten ongeveer evenveel koolstof, waterstof en zuurstof en beide laatstgenoemde elementen in dezelfde verhouding als in water (1:8), gelijk uit de formule en de procentische samenstelling blijkt.
koolstof waterstof zuurstof Celstof, gom en zetmeel (CgHioOy)!! 44.4 proc. 6.2 proc. 49.4 proc. Rietsuiker ^12^22^11 42.1 „ 6.4 „ 51.5 „
Druivensuiker CgH^Og 40 „ 6.7 „ 53.3 „
5. Pectinestoffen. Onder dezen naam vat men eene menigte stoffen samen, die evenals het plantenslijm van het lijnzaad niet zelden eene geleiachtige massa vormen. Van liet genoemde en andere koolhydraten verschillen ze door een grooter zuurstofgehalte. Voor zoover onze kennis daarvan reikt, kunnen
175
zij het best als geoxydeerde plantenslijmen beschouwd worden, die onder opneming van water zich laten splitsen in een zuur en een pentose i) of een koolhydraat. Volgens Grouveu, zijn zij voor een groot deel verteerbaar en mag hare waarde als voedingsstof evenhoog geschat worden als die der koolhydraten. De pectinestoffen worden trouwens ook gevonden in plantendeelen, welke in den regel gaarne door ons en de dieren genuttigd worden, vooral in die, welke tevens zetmeel of suiker bevatten. Vruchten, die bij koking eene gelei geven (aalbessen, kruisbessen enz.) of geleiachtig worden (peren, appels, wortelen en knollen) bevatten eene zekere hoeveelheid van deze stoffen en wel van de meest belangrijke, waarnaar ze alle genoemd worden, n.1. pectine. De pectinestof, die in onrijpe appels en peren voorkomt, wórdt peetose geheeten. Deze is niet geleiachtig. Bij het rijpworden dezer vruchten gaat zij echter ten deele in de geleiachtige pectine over. Kookt men genoemde vruchten, dan heeft de omzetting sneller en meer volledig plaats. Men behoeft slechts onrijpe appels te raspen, het verkregen moes uit te persen en te koken. Het heldere sap zal dan bij bekoeling eene gelei vormen. Deze omzetting wordt vooral bevorderd door verschillende zuren, zooals azijnzuur, zuur vruchtensap enz. Toevoeging van bessensap maakt onze stoofperen bij het koken geleiachtiger, niet alleen onmiddellijk door het toegevoegde sap, maar ook middellijk door den invloed, dien genoemde zuren, daarin voorkomende, op de pectinestoffen uitoefenen. Eene zekere hoeveelheid azijnzuur, citroenzuur enz. oefent daarop een dergelijken invloed uit. Ook door toevoeging van eenig zuur bij bovengenoemd appelsap, ziet men het bij koking veel spoediger geleiachtig worden en zal men zich dus proefondervindelijk van den invloed van 't zuur op de pectine-vorming kunnen overtuigen.
C. Zuren. De Zuring, de Ehabarber, de bladen van Mangel- en Suikerbieten en vele vruchten hebben kennelijk een zuren smaak, die door verschillende zuren of zuursmakende zouten veroorzaakt wordt. Ook in andere planten of plantendeelen komen, ofschoon in geringere hoeveelheid en daardoor niet gekenmerkt door een zuren smaak, dergelijke verbindingen voor. De scheikundigen hebben dan ook verschillende zuren in de planten ontdekt, wier namen als appelzuur, citroenzuur, wijnzuur, zuringzuur enz. hun plant-aardigen oorsprong verraden en onder den algemeenen naam van plantenzuren bekend zijn. De plantenzuren bestaan uit koolstof, waterstof en zuurstof: zij bevatten echter evenals de pectinestoffen eene grootere hoeveelheid zuurstof dan de koolhydraten. In sommige planten komen ze nu als zoodanig voor; in de meeste gevallen echter is een gedeelte van de waterstof vervangen door een metaal zooals kalium, natrium enz. en daardoor een zout gevormd. De zure smaak, die aan het vrije zuur eigen is, gaat daardoor in een min of meer zoutachtigen over, (wijnsteen, zuringzout enz.).
Na deze uitweiding over de samenstelling dezer verbindingen, voor welker nadere bijzonderheden wij naar een Leerboek der Scheikunde verwijzen, laten wij lüer de belangrijkste zuren en hunne wijze van voorkomen volgen.
!) Omler pentosen verstaat men de aldehyden van vijfwaardige alcoholen (C-iHyOII)-), waarvan verschillende, in de planten voorkomende, verbindingen (of bij splitsing daaruit ontstaan) zich laten afleiden; terwijl de koolhydraten kunnen afgeleid worden van zeswaardige alcoholen (C^II^OH),;), waarvan de aldehyden hexosen worden gelieeten.
176
Mierenzuur komt voor behalve in mieren en in de processierupsen, in Brandnetels en in de dennennaalden; zuringzuur in verschillende planten (Znring, bladen van Suiker- en Mangelwortels); loijnsteenzuur of wijnzuur in verschillende vruchten, inzonderheid in druiven; citroenzuur in citroenen, sinaasappels, aalbessen, kersen, aardbeziën en frambozen; appelzuur in appels, aalbessen, kruisbessen, pruimen, kersen, aardbeziën enz.; looizuur vooral in eikenschors, hop, enz.
7. Vetten, vette oliën enz. Terwijl de pectinestoffen en de plantenzuren rijker aan zuurstof zijn dan de koolhydraten, zijn de vetten en vette oliën armer aan zuurstof, gelijk onderstaand tafeltje aanwijst.
In 100 kilogr.
koolstof waterstof zuurstof
Rietsuiker 42.1 KGr. 6.4 KG. 51.5 KG.
Pectine 43 „ 5.4 „ 51.6 „
Wijnsteenzuur 32 „ 4 „ 64 „
Raapolie 77 ,, 11 ,, 12 „
Vetten en vette oliën bestaan niet uit eene enkele scheikundige verbinding-maar uit een mengsel van minstens drie: stearine, palmitine en oleïne. Stearine en palmitine zijn bij de gewone temperatuur vaste lichamen, de oleïne is eene vloeistof. Stearine komt vooral voor in de meest vaste vetten, zooals runder- en schapenvet, palmitine in de palmolie of het kokosvet der kokosnoten en de oleïne in de oliën. De vloeibare oleïne houdt als 't ware de vaste palmitine en stearine in eene olie opgelost. Alleen door afkoeling scheiden laatstgenoemde zich uit sommige oliën af. Uit de olijfolie b.v. zien wij 's winters de palmitine en de stearine als eene vaste, korrelige massa zich van de nog vloeibare oleïne afscheiden.
De vette oliën onderscheidt men nog in drogende en niei-drogende. Eerstgenoemde , waartoe de lijnolie en de papaverolie behooren, gaan, aan de lucht blootgesteld, door opneming van zuurstof in den vasten toestand over en drogen daardoor schijnbaar op; laatstgenoemde, waartoe behooren de raapolie, de hennepolie enz. doen dit niet.
Vetten zullen wij later als een hoofdbestanddeel van een dierlijk lichaam beschouwen. Vette oliën komen meer in de planten voor en zijn vooral opgehoopt in sommige zaden.
Winterkoolzaad bevat in 100 KG. 43.4 KG., in 1 liectol. 32.7 liter olie. Zomerkoolzaad „ „ 39.5 „ , „ 27 „ „
Lijnzaad ,, „ 39 „ , „ 28 ,, ,,
De hoeveelheid, in een en hetzelfde plantendeel voorkomende is echter ook hier weder zeer ongelijk. Het grofste koolzaad is gewoonlijk het vetst, het fijnste het magerst. Zoo bevat het Indische koolzaad, dat zeer fijn is, dikwijls niet meer dan 30 a 32 0/o olie.
De hoeveelheid olie of vet in andere plantendeelen is zeer gering, in wortels en knollen b.v. slechts 0.1—1.5 0/0; in de zaden, ofschoon geen oliezaden zijnde, steeds grooter, in haver b.v. 6 0/o en in erwten 2 0/0,
In onrijpen toestand bevatten de oliezaden ook geen of weinig olie, maar zetmeel. Men mag aannemen dat dit allengs bij het rijpworden van 't zaad in olie wordt omgezet. Als een oliezaad ontkiemt, heeft het omgekeerde plaats. Uit olie wordt weder zetmeel gevormd, 'twelk evenals wij zulks van het in
de granen voorkomende hebben vermeld, in gom en dmivensuiker overgaat, om bij liet groeien van 't jonge kiemplantje tot vorming van celstof enz. te dienen.
De vetten en vette oliën komen dus evenals het zetmeel in de planten hoofdzakelijk voor als voorraadstoffen ter voeding van de kiem. Juist om do olie dier zaden worden sommige planten verbouwd en het doel der teelt moet zijn niet alleen eene massa zaad, maar ook zaad met veel olie te produceeren.
Met de vetten en vette oliën moeten niet verward worden de zoogenaamde vluchtige oliën. In uitzicht daarmede veel overeenkomende, hebben ze echter eene geheel andere samenstelling en worden, daar ze gemakkelijk verdampen of bij de gewone temperatuur gasvormig zijn, vluchtiuc of aetherische oliën genoemd. De ronk aan vele bloemen en vruchten eigen, wordt door deze stoffen veroorzaakt, die overigens wegens hare geringere hoeveelheid als voedingsstof van weinig beteekenis zijn, ofschoon de rol die zij vervullen nog geenszins bekend isl). Nu eens heeft het plantendeel, waarin eene of meer dezer oliën voorkomen, daardoor een meer aangenamen reuk en smaak (karwij, peterselie enz.), dan eens een zeer onaangenamen. De vruchten of andere deelen van de zoogenaamde specerij-planten (Karwij, Peterselie enz. hebben vooral daardoor waarde. Opmerkelijk is het dat deze stoffen — en daarmede hare reuk —, wanneer de planten waarin ze voorkomen, door het vee genuttigd worden, in de dierlijke vloeistoffen, meer bepaald in de melk overgaan. Aan den reuk en smaak der melk en van don daaruit bereiden boter kan men niet zelden ontdekken, welk voedsel het vee ontvangen heeft.
Mot de aetherische oliën komen in do plant veelal verbindingen of mengsels van verbindingen voor, die men met den naam van harsen bestempelt. De meest bekende daarvan is de gewone vioolhars. Het is die stof, welke wij in het dennen- (vuren- en grenen-) hout kunnen opmerken, liet dikke vocht, dat uit deze boomen vloeit, wordt op sommige plaatsen verzameld, in Frankrijk uit Firms mnritirna. in Amerika uit Pinus austria, en gedestilleerd om de vluchtige olie, de terpentijnolie, te verwijderen, terwijl do hars achterblijft.
Eene voor de voeding der plant belangrijke stof is voorts het bladgroen of chlorophyll. De planten hebben daaraan hare groene kleur te danken en gelijk ~ wij in hot volgende hoofdstuk zullen zien, het vermogen om stoffen uit den dampkring op te nemen en tot bestanddeelen van haar zelve om te zetten. Onder den microscoop vertoont liet bladgroen zich in korrels, zie Fig. 54, die echter niet enkel uit de bladgroen-kleurstof bestaan, maar ook zetmeel, eiwitstoffen enz. bevatten. Omtrent de samenstelling dezer kleurstof zijn de scheikundigen het nog niet eens. Wij vermelden daarom alleen, dat het ijzer een wezenlijk bestanddeel ervan uitmaakt en dat aanwezigheid van licht oen noodzakelijk vereischte voor hare vorming is. Planten, die in een ijzervrijen grond gepoot worden, verblee-ken daarom, evenals die welke in de duisternis gehouden worden.
!) Waarschijnlijk zijn de aetlierisrlie oliën voor de plant zelve van belang, doordien daardoor schadelijke insekten of' andere schadelijke dieren geweerd worden.
REINDERS, I. Vierde druk. 12
178
11. Stikstofhoudende. verhindingen. 1. Eüvitstojfen. Do eiwitstoffen vormen een van de meest verspreide bestanddeolen der plant. Gelijk wij lüeronder zullen nagaan, wordt in alle jeugdige cellen eene kleverige, half vloeibare massa aangetroffen, waaruit of waarin nieuwe cellen gevormd worden en alle levensverschijnselen der plant als het ware schijnen uit te gaan. Deze stof, die in de planten-ontleedkunde den naam van plasma of protoplasma draagt, bestaat hoofdzakelijk uit eiwit. Eiwitstoffen worden dan ook in alle nog groeiende deelen der plant aangetroffen en vormen een dor meest wezenlijke bestanddeelen der plantencel. Bovendien zijn ze niet zelden in sommige [ilanteiideelen en bepaaldelijk in de zaden opgehoopt. Zie Fig. 52.
Den naam eiwitstoffen heeft men aan deze verbindingen gegeven wegens hare overeenkomst in eigenschappen en samenstelling met het wit van een vogelei. Zij zijn ook onder den naam van proteïnestoffen bekend. Behalve stikstof bevatten ze koolstof, waterstof en zuurstof, bovendien eene kleine hoeveelheid zwavel, terwijl phosphorzure zouten er soms innig mede vermengd of er mee verbonden zijn. Hare samenstelling is dus lang zoo eenvoudig niet als de tot nog toe beschouwde verbindingen. Hare elementen schijnen ook minder vast met elkander vereenigd te zijn, zoodat zij gemakkelijk veranderingen ondergaan en in andere verbindingen ontleed worden. Daar, waar wij van rotting, gisting enz. spreken, zijn het in den regel eiwitstoffen, waarmede die veranderingen beginnen, en, niet alleen zij zelve rotten gemakkelijk, ook de stoffen, die met haar voorkomen, slepen zij als het ware in die veranderingen meda Stoffen, waarmede eiwitstoffen vermengd zijn, zijn dus veel meer aan bederf onderhevig dan die, waarin ze niet voorkomen.
De eiwitstoffen der planten — over de in dieren voorkomende spreken wij later — komen deels in het plantensap opgelost voor, deels worden zij in onopgelosten toestand in de planten aangetroffen. Tot de eerste behooren: het planteneiwit of album ine,, oplosbaar in water en de plantenkamstof of legumine, oplosbaar o.a. in oplossingen van phosphaten; tot. de laatste de eiwitstoffen, die vooral in tarwe-, roggemoei enz. voorkomen. Eene bijzondere groep vormen voorts de zoogenaamde fermenten.
a. Planteneiwit. Deze eiwitstof heeft de grootste overeenkomst met het wit van een vogelei. Evenals dit bij eene temperatuur van ongeveer 70D vast wordt (stolt), gelijk wij zulks bij het koken van een vogelei waarnemen, stolt ook het planteneiwit bij deze temperatuur. Men behoeft slechts wortels, knollen, appels enz. te raspen, het verkregen moes uit te persen en het zoo noodig door filtreering geklaarde sap te verwarmen, om het eiwit in vlokken te zien stollen. Inzonderheid zijn de terecht als voedingstof hoog gewaardeerde groenten: salade, roode en witto kool enz. betrekkelijk rijk aan deze eiwitstof. In gras, klaver, de stengels der granen enz. komt zij vóór den bloeitijd iu grootere hoeveelheid voor dan na dien tijd. Zoo vond men in roode Klaver vóór den bloeitijd gemiddeld 3.3 0/o en na den bloeitijd 2.9 0/0 van deze stoffen. Deze hebben dan ook om deze reden in eerstgenoemd tijdperk eene grootere voederwaarde; vergelijk bl. 170. Evenals wij dit van de koolhydraten opgemerkt hebben, worden namelijk de eiwitstoffen vooral in het zaad opgehoopt, d. i. het in de stengels voorkomende eiwit wordt na den bloeitijd in het zaad verplaatst. Het wordt dan tevens meestal eenigszins gewijzigd, met andere woorden; gaat in eene andere eiwitstof over.
179
h. Plantenkaasstof of Icgumine. GrcJijk uit het voorgaande ons gebleken is, wordt het albumine veel in de nog groeiende plantendeelen aangetroffen, legumine daarentegen treft men als voorraadstof aan, opgehoopt in de zaden der Peulvruchten of Leguminosen (vandaar legumine) en ouder do granen in haver. Fig. 52 wijst aan, hoe zij in erwten met zetmeel vermengd in de cellen voorkomt. Plantenkaasstof heet deze verbinding wegens hare overeenkomst met de gelijknamige stof der melk. Evenals deze wordt de plantenkaasstof niet door koking, gelijk het albumine, maar wel door verdund azijnzuur (azijn), leb enz. gestold. In China wordt dan ook uit de legumine der erwten, op soortgelijke wijze als uit do kaasstof der melk, eeno soort van kaas bereid en onder den naam van Tao-foo in don handel gebracht.
c. De eiwitstoffen der granen enz. Wanneer wij tarwemeel in een doek onder water kneden, houden we op het doek eene samenhangende, elastieke massa over, die grootendeels de eiwitstoffen van het meel bevat en waaraan door den Italiaanschen geleerde Beccari den naam van gluten gegeven is, maar die ook onder den Nederlandschen naam van kleefstof bekend is. Nadat later verschillende scheikundigen met het onderzoek van deze stof zich hebben beziggehouden, heeft Eittliausen aangetoond, dat vier verschillende eiwitstoffen in deze kleefstof aanwezig zijn, die hij met de namen: gluten-fibrin, gluten-caseïne, gliadin en mucidin onderscheidt. Genoemde eiwitstoffen komen in alle tarwesoorten voor. De gliadin of plantenlijm vindt men echter inzonderheid in de zoogenaamde glazige of harde tarwe, die bij het malen de steenen smeerig maakt en bij het bakken een zeer taai deeg vormt. Gliadin doet de andere eiwitstoffen en het zetmeel samenhangen. Bij het drogen trekt zij zich meer samen en in een tarwekorrel voorkomende, maakt zij juist daardoor deze meer hard. — In de zoogenaamde zachte melige tarwe komt over 't geheel minder kleefstof en vooral weinig gliadin, maar meer fibrin en mucidin voor. Laatstgenoemde stoffen zijn op zich zelve minder samenhangend. Uit meel van weeke tarwe kan de kleefstof op bovengenoemde wijze daarom moeilijk worden afgescheiden. Dergelijk meel is ook minder geschikt tot het bakken van brood, omdat het deeg niet „staan blijft.quot; Meel van harde tarwe heeft tegenovergestelde nadeelige eigenschappen. Door vermenging van beide soorten bekomt men dus geschikter „bakmeel.quot; In rogge, gerst en haver, boekweit en de oliezaden komen dergelijke eiwitstoffen voor. Alleen gliadin ontbreekt meestal. Het meel dezer granen en van de boekweit is dan ook als deeg minder samenhangend en minder geschikt tot het bakken van brood.
Uit het bovenstaande blijkt, dat, ofschoon in alle granen eiwitstoffen voorkomen, er nog al verschil bestaat in de hoedanigheid dezer stoffen, wat zeer waarschijnlijk op hare verteerbaarheid als voedsel niet zonder invloed is. Ook de samenstelling verschilt, gelijk uit onderstaande tabel blijkt.
Dat voorts de hoeveelheid dezer eiwitstoffen, in eene graansoort voorkomende, niet altijd dezelfde is, is reeds terloops opgemerkt. Er zijn tarwesoorten met 10 en ook met 20 ,,/o eiwitstoffen. Steeds vindt men ze echter als kleine korreltjes, inzonderheid in eene laag cellen onmiddellijk- onder de zaadhuid gelegen. Fig. 55, wijst die cellen in eene tarwekorrel aan. In eene gerstc-korrel komen drie zulke rijen cellen, met kleefstof gevuld, onder de zaadhnid voor. Wordt nu de gerst sterk gepeld, dan gaan deze lagen ten deele in het
12*
ISO
afval, „de dustquot; of „bolsterquot;, over; deze wordt dan eiwitrijker, terwijl do gort eitwitarmer wordt. Aan grove gort en vele parelgort zijn de drie lagen nog te ontdekken, gelijk men zich door eene doorsnede als Fig. 55 van de tarwe kan overtuigen. In tarwe en rogge schijnt de eiwitlaag meer innig met de zaadhuid verbonden te zijn en blijft dus bij het malen ten deele aan de zemelen gehecht.
Wij laten tlians de samenstelling ten honderd van de bovenstaande eiwit-
|
stoffen volgen. |
bevat aan kilogr. | ||||
|
100 KG. |
koolstof |
waterstof |
zuurstof |
stikstof |
zwavel |
|
Albumine |
54 |
7.4 |
22.3 |
15.7 |
0.9 |
|
Legumine |
51.5 |
7 |
25.3 |
15.5 |
0.7 |
|
Ghiten-caseïne |
52.9 |
7 |
22 |
17 |
1.0 |
|
„ -fibrin |
54.3 |
7.2 |
20.0 |
16.9 |
1.0 |
|
„ -mucidin |
54 |
6.9 |
21.5 |
16.6 |
0.9 |
|
„ -gliadin |
52.7 |
7.0 |
21.4 |
18 |
0.8 |
|
d. De fermenten. Tot de |
eiwitstoffen |
worden in |
den regel ook |
gereke | |
eenige verbindingen, die in de planten met andere stoffen vermengd voorkomende, een bepaalden ÜESEïf invloed op de omzetting dezer BnH laatste uitoefenen en gewoonlijk ,wr—met den naam fermenten of gist-stoffen bestempeld worden. Zoo vindt men in gekiemde gerst eene eiwitstof, de diastase, volgens ui ui Dr. Wijsman l) een mengsel van . dextrinn.se en maltase, onder welks
(j Jl ë1 h ' 11 invloed het zetmeel in gom en
Fig. 55. Deel eener dwarsdoorsnede van eene suiker overgaat; in het mosterd-tarwekorrel, 160 maal vergroot: a—6, vrucht- zaa(J ]let myrosin en in bittere huiden, waarvan b vroeger chlorophyll bevatte;
C en d. zaad huiden; i, luchtholten; e. eiwit- amandelen het emidsin, die eene laag; ƒ, zetraeelhoudend weefsel; gr, zetmeel- dergelijke werking op andere in korrels; h, de daartusschen gelegen eiwitstollen. , , , ,
deze zaden voorkomende stoffen
uitoefenen, waardoor in het eerstgenoemde zaad bij het malen en 't bevochtigen met water, mosterdolie en hierdoor de eigenaardige mosterdreuk, en in de laatstgenoemde zaden de door haar reuk gekenmerkte bittere amandelolie en het vergiftige blauwzuur ontstaan. Wij zullen zoo aanstonds en in het vervolg meermalen gelegenheid hebben om op deze en gene omzettingen of ontledingen, inzonderheid ook van de eiwitstoffen, opmerkzaam te maken.
Het kan dan van belang zijn de middelen te kennen, waardoor deze en gene stoffen gemakkelijk aangetoond kunnen worden.
Gelijk wij nu in het jodium een middel hebben leeren kennen om zetmeel en in vereeniging met zwavelzuur celstof te ontdekken, dooi' de blauwe kleuring, die bet met deze stoffen geeft, zoo kan bet ook dienen ter ontdekking van eiwitstoffen, welke er geel dooi' gekleurd worden. Snijdt men b.v. een' aardappel door en bevochtigt, een der snijvlakken, na de uit de cellen
') H. P. Wijsman jr., De diastase, beschouwde als mengsel van maltase en dextrinase.
ISl
getreden zetmeelkorrel.s door afspoeling mot water verwijderd te hebben, met jodium, dan wordt zij bijna geheel blauw gekleurd. Alleen het buitenste laagje nabij do schil en eene kringvormige streep meer naar liet midden (de zoogenaamde cambiumlaag), waai- geen zetmeel maar eene grootere hoeveelheid eiwit geworden woidt, worden geel gekleurd. Vooral in fijne doorsneden onder den microscoop kan jodium ter herkenning van eiwitstoffen enz. gebruikt worden. In eene doorsnede als in Kg. 63 en (54 voorgesteld, zullen bij bevochtiging mot jodium de zetmcelkorreltjes blauw en de korrelige massa daartusschen , alsmede do lagen K en Cf, KC en C, geel gekleurd worden.
'2. Emigc andere stikstofhoudende stoffen der plant. Behalve de eiwitachtige lichamen treft men in de planten nog eenige andere stikstofhoudende stoffen aan. Stikstofhoudend zijn b.v. vele verbindingen, bekend onder den naam van glucosiden, alzoo geheeten, omdat zij bij splitsing onder andere producten glucose of druivensuiker leveren. Daartoe behoort b.v. do stof, welke in bittere amandelen, in perziken-, pruimen- en abrikozenpitten, in laurierkersen en in de knoppen en jonge spruitjes van verschillende andere planten inzonderheid van die, waarvan bovenstaande zaden afkomstig zijn, voorkomt en bekend is onder den naam van amygdalin. Het is deze stof, die — gelijk wij hierboven gezien hebben — onder den invloed van het emulsin naast druivensuiker, bittere amandelolie en blauwzuur levert. De sterk riekende mosterdolie, waarvan wij hierboven het ontstaan uit het mosterdzaad vermeld hebben, wordt gevormd uit een in dat zaad voorkomend glucosid, het myronzimr, dat zich onder den invloed van het myrosin splitst in bovengenoemde olie en in druivensuiker l).
In de jonge kiemplanten van Boonen, Erwten en andere Peulvruchten komt eene andere stikstofhoudende stof voor, reeds in 1H05 door Vauquelin en Robiquet in jonge aspergiescheuten ontdekt en met den naam van asparagin bestempeld. Deze en dergelijke stoffen, die men gewoonlijk met den naam xuuramiden en amidozuren aanduidt, komen in vele andere kiemplanten en in de uit wortelstokken enz. voortgekomene jonge scheuten voor. Zij vormen een tusschenproduct van de in de zaden enz. als voorraid stof opgehoopte eiwitstoffen en het eiwit van 't protoplasma, waaruit, gelijk wij reeds vermeldden, nieuwe cellen en nieuwe plantdeelen gevormd worden, of tusschen het eiwit, dat in sommige deelen der plant gevormd wordt, en het als reserve-stof dienende eiwit, dat b.v. in de vruchten wordt opgehoopt.
Stikstofhoudend zijn voorts de zoogenaamde akalmden. De meeste vergiftige plantendeelen bevatten eene zekere hoeveelheid van eene of meerdere dezer stoffen. Andere planten of plantendeelen b.v. de kinabast zijn hare geneeskrachtige, nog andere b.v. koffie, thee, tabak (?) hare opwekkende en nog andere b.v. het opium hare verdoovende werking daaraan verschuldigd. De belangrijkste alcaloïden zijn: nicotine in de tabak, coniine in de waterscheerling (Ciciita virosd), piperine in de peper, morphine in het opium (dat is het gedroogde melksap van den Slaapbol of Maankop (Papaver somnifervm), de
!) In de meekrapwortels wordt insgelijks een glucosid aangetrollen, het ruberilhrin-zuur, dat echter geen stikstof bevat en zich in de bekende kleurstof, alizarine, en in druivensuiker splitst.
182
strychnine, en hrucinc, in ile kraansoogen (de zaden eener uitheemsche plant, Strychnos nux vomica), chinine in de kinabast, caffeine en thcinc in koffie en tiiee.
in. Dc aschbestanddeelen. Elke plant laat bij de verbranding eene zekere hoeveelheid asch achter. Nog niet zoo heel lang geleden werd aan deze asch der planten niet veel beteekonis gehecht. Men meende, dat zij meer toevallig in do plant voorkomt en dat zij met haren groei in geenerlei verband staat. Do onderzoekingen omtrent don plantengroei in do laatste 50 jaren hebben echter ton duidelijkste aan het licht gebracht, dat zij daarbij oeno belangrijke rol vervult, ja dat hare bostanddeelen meerendeels volstrekt noodzakelijk voorden plantengroei zijn en naar het schijnt elk daarvan eono bijzondere functie bij dien groei uitoefent. Wij dienen dus liier die aschbestanddeelen nader aan te geven , terwijl wij in hot volgende hoofdstuk hunne noodzakelijkheid voor don plantengroei en de rol die zij daarbij vervullen, zooveel mogelijk in het licht zullen stellen.
Welke elementen in den regel in de plantenasch gevonden worden is roods bl. 169 vermeld, daarbij ook aangegeven hoe deze asch verkregen wordt en tevens opgemerkt, dat de scheikundige verbindingen, welke in de asch worden aangetroffen, niet altijd als zoodanig in de plant voorkomen.
De zwavel van do eiwitstoffen b.v. vindt men met zuurstof en metalen verbonden als zwavelzure zouten in de asch terug. Do zouten der organische zuren worden bij het verbranden ontleed en als koolzuur kalium, koolzuur calcium enz. in de asch teruggevonden. Men behoeft do asch van do oeno of andore plant slechts met oen zuur te overgieten om aan de opbruising het ontwijkende koolzuur (CO2) van die zouten te ontdekken. Daar dus het koolzuur eigenlijk van de verbrandbare bestanddeelon dor planten (b.v. van do organische zuren, zie bl. 175) afkomstig is, wordt het in eene analyse gewoonlijk niet vermeld. Tot voorbeeld hoe zulk eene analyse overigens wordt opgegeven (vergelijk de opmerkingen op bl. 115) en om eenigszins aan te toonen do hoeveelheid asch en hare voornaamste bestanddoelen in eenigo cultuurgewassen, moge do volgende tabel dienen. Voor eono juistere beoordoeling dezer hoeveelheden is de quantiteit water, die ongeveer in deze plantondoolon gevonden wordt, tevens vermeld.
In 1000 kilo,quot;ram.
1 f
§3-2
VI au
Turwe
JU
Paardeboonen Koolzaad
sfi oo , 'sa1' , zaad (peulen)
kor rels stroo zaad
stroo zaad stengel
kg-2 4
1.7 1.2
9
2.4 6.7 2
0.7
kg.
1.3 16.4 0.4 0.1 8.8 0.4 5.2 4.6 0.04
0.4 13 0.4
10.4 0.6 2.7 4.2
1.2 2 0 6 0.6 2 4 1.1 4.4 1.4 0.3
14
800
0.3 0.8 0.2 0.5 4.3 1.2 0.4 0.4 0.5
8.6 870
37 49 32 29 100 1 80 120 140
Zwavelzuur, S03 . . . 0.4 1.2 '1.5 0.1 1.2
Phosphorzuur, l^Or,. R.'i '2.8 tl.ö 4.-1 2.6
Kiezelzuur, SiO, . . 0.3 28.2 0.4 3.1 0.3
Chloor, Cl. ..... . — — 0.8 2.8 0.0
Kali, KjO..............5.5 4.9 12 25.0 35
Soda, Na20 ............0.6 1.2 0.4 2.2 1.3
Kalk, CaO............0.6 4.6 1.5 13.5 6.6
Magnesia, MgO. . . . 2.2 1.1 2 4.6 5.8
Uzeroxyd, Fe20:i. . . 0.2 0.3 — 0.6 0.2 Geheele hoevi-eilieid
3.7 2.7 2.6 4 10 4 10 2.3 0.0
kg. kg.
183
Uit deze tabel blijkt, dat niet alleen de geheele hoeveelheid asch maar ook die barer verschillende bestanddeelen zeer verschillend is. In liet tarwestroo komt b.v. meer asch voor dan in de korrels, in de vlasstengels echter minder dan in het zaad. Van eenig plantendeel bevatten de buitenste deelen in den regel meer asch dan de meer naar binnen gelegen deelen; de bladen en blad-scheeden van een graangewas of gras b.v. meer dan de daaronder gelegen stengel, de kafbladen en kafnaalden meer dan de vruchthuid; bij hot vlas meer in do vruchtdoos dan in het zaad, enz. Phosphorzurc zouten treft men in de plant inzonderheid in de nabijheid der eiwitstoffen, kalizouten in de nabijheid der koolhydraten, vooral bij het zetmeel, kiezelzuur lij de celstof aan. In de asch van plantendeelen, die veel eiwit bevatten, b.v. de granen en zaden, komt daarom veel phosphorzuur voor, on eene tarwesoort die rijker aan eiwit is, is ook rijker iian phosphorzuur. Plantendeelen met veel zetmeel, aardappels b.v., bevatten veel potasch (potasch- of kaliplanten); die met veel celstof, b.v. liet stroo der Granen, veel kiezelzuur (kiezelplanten). Bladrijke gewassen, b.v. Erwten , Boonen en Klaver, bevatten voel kalk (kalkplanten). Zie de tabel hierboven.
Do in de tabel opgenomen getallen zijn de gemiddelden van een groot getal analysen. Er komen daarvan vele afwijkingen voor. Welig groeiende planten bevatten eene betrekkelijk grootere hoeveelheid asch dan zwakke planten. Pierre vond b.v. in de droge stof van zeer zwakke koolzaad planten slechts 8 0/q, in die van krachtige planten 140/0 asch. Waarschijnlijk hangt dit samen met de hoeveelheid aschbestanddeelen die in een bodem voor de planten beschikbaar is en tot den meer weligen groei aanleiding geeft. Tot zekere grens, kan men zeggen, neemt de hoeveelheid aschbestanddeelen als phosphorzuur, kali en kalk in de plant toe wanneer deze groeit op een bodem die rijker' daaraan is. Ook verschilt de hoeveelheid naar de verschillende tijdperken van groei, .leug-dige planten zijn betrekkelijk rijker aan asch dan oudere. Pierre vond den 22 Maart b.v. in koolzaadplanten op 1 KG. droge stof 102 gram asch en den 20 Juni slechts 75 gram; in vlasstengels werd don 6 Juni 11 0/o en den 7 Juli slechts 3.13 o/0 asch gevonden. Kort na den bloeitijd neemt de goheolc hoeveelheid asch in eene plant niet meer toe. De plant moet zijne bestanddeelen dus voor dien tijd uit den grond opnemen. Zij worden dan echter van het eene deel naar het andere verplaatst. Zoo berekende Pierre, dat in do bladeren der tarwe van 1 hectare gevonden werd:
den 22 Juni 6.4 KG. phosphorzuur en 4.43 KG. kali en ,, _j.) Juli 1.15 ,, „ ,, 0.^ ,, ,,
daarentegen in de aren:
den 22 Juni 4.33 „ ,, „ 2.25 „ „
en „ 25 Juli 10.88 „ „ „ 13.79 „ „
Evenals do eiwitstoffen en do koolhydraten zijn hot phosphorzuur en de kali dus duidelijk van de bladen naar do aren en hier in het intusschen gevormde zaad overgaan i).
Aan het einde van ons onderzoek naar de scheikundige samenstelling der plant meenen wij nog met een enkel woord — zonder ons juist met do methoden van onderzoek in te laten — melding te moeten maken van do
1) J. Is. Pierre, Eludes theoriques et pratiques d'agronomie et de physique végétale.
184
') Deze figuur stelt eene schematische overlangsche doorsnede voor van een boomtak, ongeveer 200 maal vergr. De verschillende vormen van cellen en weefsels, die
185
|
wijze, waarop rlie samenstelling gewoonlijk wordt oiigegcven. Wij doen dit hot best door eenige analysen tot voorbeeld te nemon. In 100 gew. deelen van de onderstaande plantendeelen komen voor: Tarwe Paardeb. Koolzaad Witte klaver Mangel- | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Op welke wijze men de hoeveelheden water en asch bepaalt is reeds bl. 168 gezegd. Do hoeveelheid eiwitstoffen wordt berekend uit de bepaalde hoeveelheid stikstof. Daar men weet, dat de eiwitstoffen ongeveer IfiO/o stikstof bevatten, zie bl. 180, vermenigvuldigt men de gevonden quantiteit stikstof met 6.25, omdat als 16 KG. stikstof aan 100 KG. eiwit beantwoordt, 1 KG. stikstof beantwoordt aan 6.25 KG. eiwit. Door uittrekking met aether wordt de hoeveelheid vet, meestal door enkele stoffen, b.v. bladgroen, verontreinigd, verkregen en door uittrekking met water, alcohol, verdunde zuren enz. worden de koolhydraten, harsen enz. verwijderd. Men houdt dan eindelijk eene massa over, die hoofdzakelijk uit celstof bestaat. Men weegt ook deze, na droging op 100° en na mogelijke hoeveelheden eiwit on asch nog bepaald en afgetrokken te hobbon, drukt men de gevondene hoeveelheid in procenten uit. Op gelijke wijze worden de hoeveelheden water, eiwitstoffen, vet en asch in procenten uitgedrukt. TVekt men nu de som dezer procenten van 100 af, dan geeft het verschil een zeker getal procenten, die in de analyse onder den naam van stikstofvrije extractiefstoffen worden opgegeven, omdat deze stoffen door genoemde oplosmiddelen uit do plant getrokken worden. Deze bestaan dan hoofdzakelijk uit suiker, zetmeel, pectinostoffen, organische zuren enz.; zij bepalen, gelijk wij later zullen zien, met de eiwitstoffen en het vet hoofdzakelijk de waarde van eenig plantendeel als voedsel.
verschillende doorsneden te zien geven, zijn liior in écne teitkeniiif; bijeengebracht. Ook is de dikte van het bastgednelte (van e tot hp) veel te groot voorgesteld in vergelijking van het houtgedeelte (van h' tot gt;•). De collenchymcellen vindt men in jonge plantendeelen; hare wand is in de hoeken niet zelden verdikt en daardoor het weefsel, dat zij vormen, b.v. in de knoopen der grassen, steviger geworden, of tengevolge waarvan uitwendig kanten en ribben kunnen ontstaan, zooals bij sommige vierkante stengels het geval is. Veelal bevatten deze en vooral het daaronder gelegen schors-parenchyrn, gt;'igt;1. bladgroen, k—st steil den toestand voor, zooals die veelal bij oudere planten b.v. bij stammen en tukken van boomen en heesters voorkomt, waar de opperhuid door eene km-khuld vervangen wordt. De lagen b—bp vormen den bast, de lagen /i'—)• de meer verdikte hontcellen en vaten; in den bast vindt men veeal zeefvaten met door-boorde tusschenschotten, in het hout vaten wier wand ongelijkmatig verdikt is, waardoor zij verschillende teekeningen vertoonen. Tusschen het bast- en houtgedeelte vindt men de cambium- of teeltweefsellaag, waaruit aan den buitenkant nieuwen bast en aan den binnenkant nieuw hout ontstaat.
1S6
Uit het voorgaande is liet ons gebleken, dat de scheikundige verbindingen, waaruit het plantenlicliaam bestaat, niet ordeloos daarin voorkomen; maar veelal op bepaalde plaatsen opgehoopt zijn en niet zelden den vorm van cellen, vaten enz. bezitten, die op eene eigenaardige wijze gegroepeerd, ten slotte de gedaante van liet geheele plantenlicliaam bepalen. Wij moeten thans met betrekking tot dien inwondigen bouw der planten nog in eenige bijzonderheden treden.
Don grondslag voor dien bouw leveren de zooevengonoemde cellen, die men daarom als de elementaire organen der plant beschouwt. Fig. 51 . 52 en 55 doen ons eenige cellen in doorsnede zien. In werkelijkheid zijn het meestal ronde of hoekige blaasjes, die een' duidelijken wand en oen' inhoud bezitten. Slechts in jeugdigen toestand ontbreekt nog de wand, wanneer de cellen ouder worden niet zelden haar inhoud en zijn zij alleen met lucht gevuld. De wand der cellen bestaat, althans in jeugdigen toestand uit celstof; binnen dien
wand en dus in do cellen treft men verschillende stoffen aan, waaronder eene half vloeibare, min of meer kleverige massa, het reeds vroeger bl. 178 vermelde en voornamelijk uit eiwit bestaande plasma of jrrotoplasma, de eerste plaats bekleedt. In alle groeiende plantendeelen wordt deze stof in de cellen aangetroffen. Zij ontbreekt daarin slechts, wanneer het plantendeel met groeien ophoudt. In of met haar heeft do vorming van nieuwe cellen on stoffen plaats. Van haar gaat — om het zoo eens uit te drukken — het leven der plant uit. Eene bijzondere rol schijnt daarbij de zoogenaamde celkern met hot korn-lichaampje te vervullen. — In de cellen treft men voorts aan: het celvocht, dat is water waarin verschillende stoffen, zooals suiker, gom, zouten enz. opgelost zijn, alsmede de vroeger vermelde zetmeel-en eiwit-korrels en oliedroppels, benevens kristallen van sommige zouten, bladgroenkorrels enz.
In eene groeiende plant neemt hot aantal collen steeds toe; de vermeerdering gesclüedt öf door deeling öf doordat in eene cel een aantal nieuwe ontstaan, die in de plaats van de oude treden. Verder wordt de vorm van sommige cellen gewijzigd en worden hare wanden verdikt (bast- en houtcollen of vezels enz.).
Uit de vereeniging van gelijksoortige cellen ont-Zoo noemt men, zie Fig. 56, eene vereeniging van de langgerekte bast- en houtvezels het prosmchym. het aan of dicht aan de oppervlakte van eon stengel of wortel voorkomende uit meer platte cellen bestaande weefsel, kurkweefsd, een weefsel van cellen met een min of meer ronden of hoekigen vorm als b.v. in de zaden, parcnchym enz. Vaten ontstaan uit de cellen als van langwerpige cellen, in het verlengde van elkander gelegen, de aan elkander sluitende eindwanden opgelost worden en de zijwanden in elkaar groeien. Naar de soort der alzoo tot buizen vereenigde cellen of
staan weefsels en vaten.
187
naar haar inhoud onderscheidt men do vaten in hout- of hwlüvaten, hnst of ïxnfvalcn, mdluiapvalen onz.
Laatsgenoemde vaten, die men slechts bij een gering getal planten 011 dan meestal in don bast, maar soms ook in andere dooien aantreft (Melkdistels, Paardebloem, enz.) onderscheiden zich van de vorige, doordien zij, dikwijls in elkander overgaande, een netwerk van buizen vormen. Het daarin aanwezige melksap bevat behalve gom, eiwit, enz. niet zelden voor oene plantensoort kaïaktorestieko stoffen, b.v. alcaloïden (maankop), caoutchouc en gutta percha (in eenigo uitheemsche planten).
Eenmaal gevormd ondergaan de hierbovengenoemde weefsels weinig verandering meer. Men kan ze daarom blijvende weefsels noemen. Sommige dezer weefsels of hunne cellen dienen dan om aan de plant stevigheid te geven, b.v. do bast- en houtcellen, andere tot bewaarplaats van voedsel, b.v. de mergcel-len, enz. Daarentegen komen in groeiende plantendeelen weefsels voor, die onophoudelijk veranderen, doordien de cellen grooter worden, hare gedaante gewijzigd wordt en er nieuwe cellen in of uit de bestaande gevormd worden, die dikwijls onderling verschillen en elk voor zich den grondslag vormen voor liet ontstaan van nieuwe weefsels die voor bijzondere doeleinden moeten dienen. Een dergelijk weefsel treft men aan in do zoogenaamde groeipunten van stengels en wortels, b.v. in het topeinde van het stengeldeel vaneen' uitbottenden knop, in het uiteinde eens wortels onmiddellijk onder het woi'telmutsje. Fig. 57,
en in ecne laag tusschen den bast en het hout, het zoogenaamde cambium, Eig. 5(i. Bij de halmen der granen komt een dergelijk weefsel voor in de knoopon. Flier verlengt zich elk lid, dat gelijk Eig. 15 doet zien, in zijn aanleg zeer kort is; ook do aren groeien op gelijke wijze uit, terwijl de bladeren, die als op bi. 151, Fig. 28 gezegd is, op de knoopen zijn ingeplant, aldaar eveneens uitgroeien. Deze weefsels worden daarom, tor onderscheiding van de bovengenoemde blijvende
Fig. 58. Oppeihnidcellen van een weefsels, met den naam van leclt-, deelinf/s-
Beukeblad, onderzijde, met sluit- 0-f vormingsweeisels (moristeem) bestempeld, cellen en huidmondjes, vergroot. J
In vorm komen deze weefsels veel met het
zooevengonoemde parenchym overeen: zij worden daarom wel mot den naam
van oorspronkelijk parenchym (Oerparonehym) bestempeld.
Wij zullen thans in het kort nagaan, welke weefsels al zoo gevormd worden.
Uitwendig zijn de plantendeelen bekleed met eene laag cellen die men de opperhuid noemt. Hoe meer dit plantendeel aan de lucht en hot licht blootgesteld is, des te meer verschil is er tusschen deze cellen en de daaronder-liggende. Aan jonge bladen en jeugdige stengels zijn hare wanden nog dun en daardoor teer. Zij worden echter langzamerhand en inzonderheid aan de naar buiten gekeerde zijde verdikt en daardoor steviger. — In jeugdigen toestand zijn alle opperhuidcellen gelijksoortig en sluiten allo aan elkander. Weldra worden echter cellen gevormd, welke eene andere gedaante, meestal die eener halve maan hebben, dimwandiger en met bladgroen gevuld zijn.
188
zoogenaamde sluitcellen, en eenc ruimte, eene spleet, tussclien zicli laten, die huidmondje genoemd wordt, Fig. 58 en 59. Genoemde huidmondjes staan met eene holte, deze met de met lucht gevulde tnsschencelruimten /, en daardoor niet de inwendige deelen der plant in verband. Door haar heeft de wisseling tusschen de inwendige Incht en die van den dampkring plaats. Ue Inchtholten, waarmede zij in verbinding staan, zijn mode oorzaak, waarom de bladen dei-waterplanten op het water drijven.
Bij alle bladgroenhoudende planten worden huidmondjes aangetroffen, inzon-
derheid op de bladen maar ook op andere groene deelen. De bladen der Eénzaadlobbige planten bezitten ze aan beide zijden, de Tweezaadlobbigen meestal slechts aan de onderzijde. Zij ontbreken bij de planten in water gedompeld, en op de in 't water drijvende bladen komen zij slechts aan de bovenzijde voor. Hun aantal is zeer verschillend. Weiss telde op I mM2 aan de onderzijde der bladen van Haver '27, van Mais 158, van Erwten 216 en van den Zomereik 488. Hunne wijdte wisselt meestal af van 0.0002 tot 0.0008 mM.
Tot de opperhuid rekent men ook de vroeger vermelde bijkomende organen dei plant, zooals de haren aan bladen, stengels en wortels, de stekels enz.
Onder de opperhuid van den stengel of wortel eener zichtbaarbloeiende plant treft men verder eenige celrijen aan van eene min of meer regelmatige gedaante (parenehymcellen), die bij eenjarige stengels meestal met bladgroen gevuld zijn en daardoor aan dezen de groene kleur mededeelen. Genoemde collagen zijn bekend onder den naam van primaire schors. Is een plantendeel op de eene of andere wijze beleedigd geworden, b.v. een boomtak, dien men bij het snoeien heeft verwijderd, dan zien wij de overgebleven stomp van uit de bovengenoemde schorslagen langzamerhand en als met een wal vooruitschuivende, door een weefsel, hier lid-teekenweefsel geheeten, overdekt; en is van oudere deelen eener plant, vooral van overblijvende, de opperhuid verloren gegaan, dan ontstaat weer een ander weefsel, dat de binnenste deelen beschermt en kurkweefsel geheeten wordt. Fig. 56. Ook de aardappelknollen, wortelstokkon en oudere wortels of oudere gedeelten daarvan en andere min of meer saprijke organen der planten zijn eveneens door dergelijke kurklagen bedekt, Fig. 64. Hebben de cellen van dit kurkweefsel eene min of meer vierhoekige gedaante, zijn ze dunwandig en ontstaan in het daaruit gevormd weefsel min of meer diepe barsten, dan noemt men het eigenlijk kurk. Zijn de cellen meer afgeplat en meer verdikt, dan wordt het weefsel lederkurk geheeten. De eigenlijke kurk is zeer veerkrachtig, de lederkurk zeer taai. Eerstgenoemde kurk komt meestal slechts op enkele plokken, b.v. op de
i ^ m)*
l'ig. TiO. Doorsnede van een Iteiikelihul, vergr.: (in. opperlmid der bovenvlakte; ho , opperhuid der ondervlakte met huidmondje sp tusschen de sluitcellen; /, luchtholten, waartoe de hnidmondjes toegang geven: o, bovenste laag van het blad-moes, zoogenaamd palissaden weefsel; u, benedenste laag van het bladmoes.
ISO
eigenaardige oogjes (lenticellen) van eon' meerjarigen vliertak, en sloclits bij enkele stammen in eenigszins groote hoeveelheid voor (Kurkeik, Knrkiop); laatstgenoemde kurksoort vormt de samenhangende lagen, welke onze meei-jarige boomstammen of takken, na het verdwijnen van de opperhuid en zoo lang zij nog eene gladde oppervlakte hebben, omgeven. Evenals wij hieronder bij het hout zullen opmerken, groeit ook de lederkurk niet, zelden bij tijdperken en ontstaan afwisselende lagen met dik- en dunwandige cellen, die bij liet ouder worden der boomen afschilferen (Berk, Kers); Fig. 56, k. In :t algemeen zijn dns de eenjarige stengels en de twijgen onzer ooft- en woudboomen met eene opperhuid, de meerjarige takken met lederkurk, de oudere takken en de stam meestal door eene in de lengte veelvuldig gescheurde massa bedekt, die bekend is onder den naam van korst. Bij den verderen diktegroei van stammen en takken tocli splijt do kurklaag, daar zij de inwendig gelegen deelen niet meer kan omsluiten. Do vorming van nieuwe lagen gaat echter in meer binnenwaarts gelegen deelen voort, terwijl verdroogde kurkcellen afge-stooten worden, zoodat de korst steeds dikker wordt. Met alle stammen ver-toonen deze korstvorming in gelijke mate. Van sommige boomen, b.v. van den Beuk, blijft de stam, ook op vergevorderden leeftijd, glad.
Wanneer men de doorsnede van een jong stengeltje of worteltje onder den microscoop beschouwt, bespeurt men voorts in bundels gegroepeerde cellen, die in een blijvend weefsel overgaan of overgegaan zijn. Vezels, gewone cellen en vaten maken de bestanddeelen van dit weefsel uit en naar laatstgenoemd bestanddeel wordt het gewoonlijk vaathundelweefsel geheeten. Op lateren leeftijd kunnen de vaatbundels met het bloote oog niet zelden worden waargenomen. Breekt men don bladsteel eener grootbladige Weegbree, een aan' onze wegen zeer algemeen voorkomend onkruid, door, dan blijven de stukken meestal doo? die bundels aan elkander bevestigd of ziet men de bundels als zeer veerkrachtige draden uit het overige weefsel te voorschijn komen.
Evenals wij ze hier door den bladsteel heen zien loopen, loopen zij ook nu eens evenwijdig aan elkander, dan eens elkander kruisende door den stengel en don wortel der plant. Kleinere bundels gaan van de in den hoofdstengel voorkomende bundels in de bijstengels en van deze in de bladeren over, in welke laatste zij de nerven vormen. Op gelijke wijze splitsen zich de vaat-bundels, die in den hoofdwortel voorkomen, om in de bijwortels over te gaan. De vaten dezer bundels vormen alzoo met elkander samenhangende Imizen, die de plant van het eene uiteinde, den wortel, tot het andere, de bladeren, doortrekken.
Aan eiken vaatbundel onderscheidt men een bast-gedeelte en een houtgedeelte. Het eerste vormt het hoofdbestanddeel van den, onder de schors voorkomenden, bast (ook wel secundaire schors geheeten), hot tweede het hout der plant. Zie Fig. HG en G2.
Bij de Eénzaadlobbige planten en enkele Tweezaadlobbigen liggen de vaat-bundels meer verspreid. Hier gaat de vorming van bast en hout slechts voort, totdat al het cambium in deze blijvende weefsels is overgegaan. De diktegroei van den stengel (en van den wortel) houdt dan meestal op. Bij de meeste Tweezaadlobbige planten daarentegen zijn zij gewoonlijk kringsgewijze geplaatst en blijft er, tussehen den bast en het hout, eene laag cellen, die de eigen-
190
schap behouden om zich door deeling te vermenigvuldigen, dus teeltweefsel, zie bi. 187, over. Aan de vermeerdering van cellen in deze laag hebben, gelijk wij straks zullen zien, de stengels en wortels der overblijvende planten hun voortdurend toenemen in dikte te danken.
Het Aveefsel tusschen de vaatbundels en door deze en de schors ingesloten.
|
Fig. (gt;0. Dwarsdoorsnede van den stengel eener Eén/aadlobbige plant (Aspergie): vh, vaatbundels; m, merg. |
V.h c 6 Fig. 01. Dwarsdoorsnede van dim stengel eener Tweezaadlobbige plant (schematisch): o, opperhuid: s, schors; vb, vaatbundels, waarin b de bast; /i, het hout met vaten y en c het cambium; c' tusschenvaatbun-del cambium; ni, merg. |
vormt het merg en de mergstralen, Pig. 62. In vele gevallen echter is de ontwikkeling van het merg in verhouding tot het schors- en vaatbundolweefsel
zeer gering. Bij het dikker worden des stengels kan het die van laatstgenoemde weefsels niet volgen: liet wordt stuk gescheurd en de stengel daardoor hol
101
(vele schermbloemige planten, oudere koolzaaclstengels, uien, grassen enz.). Alleen op de kuoopen, waar eene of meerdere vaatlmndels iu de bladen overgaan of elkander kruisen, blijft de stengel dicht.
Wanneer wij het bovenstaande samenvatten, dan blijkt het, dat de stengel der Eén- en Tweezaadlobbige planten bestaat uit: 10. eene buitenste laag, do opperhuid. Onmiddellijk daaronder wordt gevormd: 20. de schors en hierin eene kurklaag, die in vele gevallen de opperhuid in hare functie om de teerdere, naarbinnon gelegen weefsels te beschermen, vervangt. Binnen de schors worden 30. merg en de vaatlmndels gevormd, die bij de Eénzaadlobbige planten meestal vespreid liggen. Fig. 6U, bij de Tweezaadlobbigen, Fig. 61, meestal kringsgewijze geplaatst zijn. Wanneer eerstgenoemde planton, b.v. onze Granen,
of do in warme landen voorkomende Palmen, hai'e lengte bereikt hebben, komt in de vaatbundels geen teelt-weefsel meer voor. De diktegroei van K _ den stengel houdt dan meestal op.
In den stengel der Tweezaadlobbigen _\i daarentegen blijft niet alleen in de • vaatbundels maar ook daartusschen ' / ! eene teeltweefsellaag als oen gesloten ( kring bestaan, waardoor de stengel, zoolang de plant leeft, in dikte kan toenemen. Uit de cellen, in deze laag ontstaan, wordt aan de binnenzijde hout (vaathout en tusscherivaathout) en aan de buitenzijde bast (vaatbast en tusschenvaat-bast) gevormd. Overblijvende planten, wier stengel jaarlijks niet afsterft (onze boomen en heesters) vertoonen nog het eigenaardige, dat op eene dwars-doorsnede de jaarlijksche [toeneming in dikte door de zoogenaamde jaarringen meestal duidelijk kan ontdekt worden; zie Fig. 62. Tolken jare worden er namelijk uit de cellen, die in de teeltweefsel- (cambium) laag
M------
ontstaan zijn, eene nieuwe laag hout en eene nieuwe bastlaag gevormd. Hot in den nazomer en herfst en dus in het laatste gedeelte van een jaar gevormde hout is echter dichter dan dat 'twelk in het voorjaar gevormd is on dat zich
102
gt;11 bij het poortje m de zaadknop of het plantenei cene dergelijke anatomische
binnendringen Aan .lei. ;aadk7P.^ a^: ^ samenstelling, waardoor do een vaatbundel; n de voet; n, de inwendige, ai, ue oi
uitwendige eihnid; e, de embryo- of kiemzak waarin overeenkomst met een' sten-k de kiem- of eicel, die bevrucht, b, de tegenover waar0p 1,1. 148 reeds is
gelegen kiemcel die met bevrucht won It. o ' i
gewezen, nader blijkt; maar hier is hot houtgedeolto weinig of niet ontwikkeld, daarentegen tieden het merg- en schorsgedeolto, welker cellen als bewaarplaatsen van vooriaadstof, hier van zetmeel dienen, daarin sterk op den voorgrond. Zie Mg. 03, die de hoofddoelen van een' aardappel aanwijst, terwijl Fig. 04 do bijzonderheden der weefsels van eenen aardappel doet zien.
aardappelknol heeft
193
De bouw der wortels Ivomt in hoofdzaak met dien des stengels overeen. Ook hier vindt men eene opperhuid, schors, vaatbundels en merg, en bij die der Tweezaadlobbige planten meestal eene laag teeltweefsel, waarin nieuwe cellen gevormd worden en waardoor de dikte des wortels toeneemt. In dit teelt-weefsel ontstaan ook de bijwortels, die de schors en de opperhuid doordringende naar buiten treden. Fig. 57. De wortelharen daarentegen, die, gelijk vroeger reeds vermeld is, zulk een belangrijken dienst doen bij het opnemen van voedsel uit den grond, ontwikkelen zich evenals de haren der bladen en stengels uit de opperhuid. — Fig. 57 kan ons tevens een denkbeeld geven, hoe de lengte der wortels toeneemt. De celvermeerdering heeft in het groeipunt gp plaats. De hier gevormde cellen worden deels als 't ware vooruitgeschoven en vormen het wortelmutsje, dat de jeugdige cellen bij het vooruitdringen in den grond beschermt, deels gaan zij in de opperhuidcellen, schorscellen enz. over. Eenige cellen plaatsen zich als 't ware in geregelde rijen en gaan eindelijk in vaten over, andere behouden het vermogen om zich te verdeden en vormen dus teeltweefsel, waardoor de wortel in dikte kan toenemen.
Iets dergelijks heeft bij de verlenging van den stengel plaats. De cellen, in het teeltweefsel van den top des stengels of bij de Granen in de knoopen, of voor den aanleg van een' knop gevormd, zijn onderling verschillend en vormen den eersten aanleg voor de hoofddeelen des stengels of van een zijner zijtakken; de opperhuid, de schors, dé vaatbundels en het merg.
De Waderen zijn, gelijk reeds vroeger opgemerkt is, aan weerszijden bekleed door eene opperhuid. In den bladsteel treft men een aantal vaatbundels aan, die zich in de bladschijf verspreiden en hierin de nerven vormen. Het zoogenaamde bladmoes bestaat uit cellen, die opgevuld zijn met bladgroenkorrels, welke bij de voeding der planten eene belangrijke rol vervullen en waaraan de bladen hunne groene kleur te danken hebben. Fig. 58 en 59.
Vruchten en zaden zijn op gelijke wijze uit cellen opgebouwd. Hunne wanden bestaan nog uit verschillende lagen, gelijk Fig. 55 doet zien. In do cellen van de zaadkern zijn eiwitstoffen, koolhydraten enz. bevat, die, gelijk wij weten, hierin opgehoopt worden; daardoor zijn deze cellen in eene doorsnede onder den microscoop duidelijk van die der zaadhnid te onderscheiden. Gelijk bl. 1G7 opgemerkt werd, bestaat die kern of alleen uit de kiem of uit de kiem en liet kiemwit. Beide zijn in eene doorsnede onder den microscoop zeer goed te onderscheiden, Fig. 9, bl. 139.
Fig. G5 kan ons eene voorstelling geven van hetgeen bij het bevruchten geschiedt en hoe uit het plantenei of de zaadknop het zaad wordt gevormd. Deelen van dit ei zijn; de binnenste en de buitenste wand, u en ai, die zich tot zaadhuiden ontwikkelen, de eicellen of de kiemblaasjes k, uit ecu waarvan, na de bevruchting door de stuifmeelbuis p, de Idem- of embryozak ontstaat, waarin behalve de kiem, het inwendig kiemwit, bl. 1G8, gevormd wordt, tenzij zij geheel door de kiem wordt ingenomen. Ook do cellen tusschen de eihuiden en de kiemzak breiden zich soms uit en vormen dan het uitwendig kiemwit, b.v. bij de Granen; in andere gevallen verdwijnen deze cellen on in dit geval bestaat de zaadkern enkel uit de kiem, b.v. eene boon of erwt, of uit de kiem met inwendig kiemwit, b.v. bij het zaad van Mangel wortels, bl. 139.
rkindkrs, i. Vierde druk.
194
DE VOORNAAMSTE LEVENSVERSCHIJNSELEN DER PLANT.
Heeft het vorige hoofdstuk ons geleerd, hoe de planten en meer bepaald onze landbouwgewassen in het algemeen samengesteld zijn, thans moeten wij nagaan, hoe de planten gevoed en vermenigvuldigd worden, hoe zij zich ontwikkelen, groeien en vruchten of andere deelen voortbrengen, welk voedsel zij daartoe gebruiken, welke krachten daartoe samenwerken, enz. Wij zijn daarmede tot een der meest belangrijke onderwerpen gevorderd, die in het bedrijf eens landbouwers hunne toepassing vinden.
Terwijl de landbouwer toch aan den eenen kant zijne cultuurgewassen tot op eene zekere hoogte doet groeien, doet voortbrengen en wel in eene richting als hem het meest doeltreffend voorkomt, gaat hij aan den anderen kant, bij de onkruiden, dat groeien, die ontwikkeling tegen. Om met kennis van zaken daartoe werkzaam te zijn, is het dus noodig te weten waarin dit groeien enz. bestaat en onder welke omstandigheden het plaats heeft.
Dat gedeelte der natuurwetenschap, 'twelk zich met de voeding, den groei der planten enz. bezig houdt, wordt met een vreemden naamphy.tiologie, d. i. de leer van het leven, van de levensverschijnselen, genoemd 1). Wij zullen ons lüer bepalen tot de belangrijkste dezer levensverschijnselen en hoofdzakelijk tot die, welke in tie praktijk van den landbouw hunne toepassing vinden. Wij zullen daartoe m de eerste plaats nagaan de verschijnselen, die bij het ontkiemen van zaad, het uitbotten van knoppen, enz. plaats hebben, met één woord, die levensverschijnselen, waarbij uit reeds gevormde organische stof nieuwe planten of plantdeelen ontwikkeld worden; in de tweede plaats, hoe de uit zaad voortgekomen kiemplant of de uit een wortelstok, een knol enz. voortgekomone scheut, nadat de daarin bevatte voorraadstof verbruikt is, wordt gevoed, en in de derde plaats, hoe de voortplanting en de daarmede gepaard gaande vermenigvuldiging geschiedt.
1. HET ONTKIEMEN VAN ZAAD, HET UITBOTTEN VAN KNOPPEN ENZ.
Bij de behandeling van de scheikundige samenstelling der planten is door ons er op gewezen, dat sommige bestanddeelen in bepaalde gedeelten dei-plant opgehoopt worden.
Wij weten reeds, dat in hot zaad niet alleen de kiem eener nieuwe plant, maar ook in zijne zaadlobben of in hot zoogenaamde kiemwit voorraadstoffen aanwezig zijn, die moeten dienen om liet jonge plantje, als dit zich verder
') Wij vatten hier liet woord physiologie in zijne oudste, algemeene beteekenis op. De meeste plantkundigen onderscheiden thans physiologie van biologie en begrijpen onder de eerste (dat is dan physiologie in eng er en zin) die verschijnselen in liet leven der plant welke zich tot physische en chemische werkingen laten terugbrengen, b.v. de scheikundige veranderingen en de verplaatsing van stoffen in de plant, terwijl zij onder biologie samenvatten die verschijnselen, waarbij zulks niet mogelijk is, b.v. de erfelijkheid, het aanpassen eener plant aan verschillende omstandigheden, enz.
195
zal ontwikkelen, to voeden, evenals de dooier in oen ei de kiem van een jong dier voedt. Na de voortbrenging van zaad sterven, gelijk bekend is, vele planten en wel meestal tegen hot voor haren groei ongunstige jaargetijde, den winter. Door het voortbrengen van zaad wordt dus op oene eigenaardige wijze voor de voortplanting gezorgd.
Het voortbrengen van zaad is echter slechts eene bijzondere wijze van voortplanting of, zoo men wil, van de wijze, waarop het blijven bestaan van de planten soort verzekerd wordt.
Wanneer men na een strengen winter een blik werpt op een gras- of klaverveld of een stnk karwij beziet, dan is al het groen, waarmede deze planten in den nazomer en den herfst prijkten, verdwenen; onze hoornen hebben hunne bladeren verloren; zelfs onze lastige onkruiden, de Distels en het Hoefblad b.v., zijn schijnbaar van het tooneel verdwenen. In al deze gevallen is echter niet minder voor het weder ontwikkelen dezer planten in het voor haren groei gunstige jaargetijde gezorgd; in al deze gevallen zijn, evenals in de knollen van Aardappels enz., in de bollen van Uien, in de knolachtige verdikking eener Koolraap boven den grond en in de wortels van de gewone Rajien enz., in de levende cellen van bepaalde plantendeelen, meestal wortelstokken of stengels, reservestoffen opgehoopt, die moeten dienen om, althans bij de eerste ontwikkeling, dat is bij de vorming van nieuwe cellen, voedsel te verschaffen.
Wij zullen thans de omstandigheden, waaronder die ontwikkeling, of zooals zij gewoonlijk heet, die ontkieming, uitbotting enz. plaats heeft, in eenige bijzonderheden nagaan.
a. liet ontkiemen van xaad. Vier voorwaarden moeten vervuld worden, wanneer de ontkieming van hot zaad zal kunnen plaats hebben. Het zaad moet: 1. het vermogen om te ontkiemen bezitten (kiemkrachtig zijn);
2. water kunnen opnemen;
3. aan de inwerking van den dampkring (zuurstof) blootgesteld zijn;
4. een' zekeren graad van warmte bezitten.
Op de eeretgenoemde voorwaarde komen wij latei- bij de keuze van het zaaizaad in de Algemeene Plantenteelt terug. Wij willen er hier alleen op wijzen — gelijk trouwens van algemeene bekendheid is — dat door verschillende oorzaken (hot dorschen, vochtige bewaring enz.) de zaden hun kiemver-mogen kunnen verliezen en vermelden hier slechts, dat onder gelijke omstandigheden het ontkiemen des te sneller en krachtiger plaats heeft, de Wemenergie grooter is, naarmate de kiem meer ontwikkeld en de hoeveelheid voorraad stof, die zij bevat, of die haar in den vorm van kiem wit omgeeft, ruimer is. Bekend is het verder, dat grootere en zwaardere zaden in 't algemeen grootore kiem-planten leveren dan kleinere. Dit geldt niet alleen voor do zaden van verschillende plantensoorten ■— men vergelijke b.v. die van Klaver of Tabak met die der Paardeboonen — maar ook voor die van eene en dezelfde soort van planten. Hit groote en zware zaden komen, gelijk talrijke proeven geleerd hebben en waarvan wij in de Algemeene Plantenteelt eenige zullen vermelden, veel krachtiger kiomplanten voort, die ongunstige invloeden, door het weer, don bodem enz. veroorzaakt, veel beter weerstaan dan uit kleine en lichte zaden.
Wanneer men bedenkt, dat die kiem zelve tot plant wordt en de omringende voorraadstoffen haar tot voedsel dienen, zal hiervoor wel geene nadere
-13*
196
verklaring noodig
') Nobbe, Handbuch der Samenkunde.
197
week, en er hebben weldra scheikundige veranderingen met de bestanddeelen plaats. Het opgezogen water is niet alleen noodig om deze tot stand te doen komen (vergel. bl. 109), maar ook om ze te onderhonden en de stofverplaatsing mogelijk te maken.
Zaden, waarbij de ontkieming begonnen is, moeten derhalve vochtig blijven. Eene plotseling invallende droogte kan daarom vooral voor kleine zaden, die reeds ontkiemd zijn, en — gelijk wij later zullen zien, weinig diep ondergebracht mogen worden, — gevaarlijk worden. Ongekiemd kan het zaad, zonder nadeel, eenigen tijd in don grond blijven liggen, maar is de ontkieming eenmaal begonnen en ontbreekt dan de noodige hoeveelheid water, zoo sterft het kiempje meestal. Volgens proeven van Trautphoeusl) zijn haver-, maïs-, boo-nen-, lupinen en erwtenzaden hiervoor zeer gevoelig, tarwe, gerst, raapzaad en wikken iets minder, vooral wanneer het worteltje bij het ontkiemen niet langer dan 1 a 2 mM. geworden en het pluimpje nog niet voor den dag is gekomen. Graan of zaad, dat ontkiemd en daarna gedroogd is, heeft dus als zaaizaad weinig waarde, omdat het zijn kiemvermogen geheel of althans voor een groot deel verloren heeft.
Daar de hoedanigheid der zaden, vooral wat hunne huid betreft, zeer verschillend is; daar vele zaden zooals zij gezaaid worden, gelijk wij weten, bovendien door eene vruchthuid omgeven zijn, valt het niet moeilijk om in to zien, dat de hoeveelheid water, voor de ontkieming noodig, zeer verschillend zijn moet. Schleiden vond, dat die hoeveelheid bij tarwe 250/o, bij haver 31, bij rogge 37, bij koolzaad 46, bij paardeboonen 58, bij wikken 78, bij erwten 85, bij roode klaver 124 en bij 't dederzaad 276 0/q (?) van het gewicht van 't zaad bedroeg. quot;Weliswaar had ontkieming ook bij opneming van eene geringere hoeveelheid water plaats, maar zij geschiedde dan minder snel en krachtig. In 't algemeen kan men aannemen, dat het zaad bij 't ontkiemen ongeveer evenveel water opneemt, als het, volwassen zijnde, bij het rijpworden verliest.
Het in de aarde gebrachte zaad kan dat water opnemen uit de vochtige lucht, die door de aarddeeltjes ingesloten is, vooral omdat bij de temperatuurwisseling er water aan zijne oppervlakte gecondenseerd wordt. Hot is echter meer waarschijnlijk dat de zaadhuid uit den vochtigen bouwgrond water opzuigt. De zaadhuid moet derhalve ook een' grooten invloed op het meer of minder spoedig ontkiemen uitoefenen. Bij sommige zaden is de huid gemakkelijk doordringbaar voor water; deze zwellen, in water gelegd, dus spoedig op en daarbij kan het ontkiemen onder overigens gunstige omstandigheden spoedig beginnen. Soms echter schijnt de zaadhuid geheel ondoordringbaar voor water te zijn. Nobbe vond onder 1000 zaden van roode Klaver, nadat zij bij eene temperatuur van 18°—21° C. 156 dagen in water gelegen hadden, 20 nog niet opgezwollen, en wil aan dit ondoordringbaar zijn der zaadhuid voor water het vooral toegeschreven hebben, dat sommige zaden van Mosterd, van Klaver enz. jaren lang op den bodem van slooten bewaard kunnen blijven, zonder hun kiemvermogen te verliezen. Om zulke zaden te doen ontkiemen raadt Haberlandt aan; kleine zaden met scherp zand te schudden en groote tusschon ver van elkaar geplaatste molensteenen te laten gaan, om de zaadhuid te krassen.
') Wollny, Saai und P/lege der landw. Knlturpflanzen.
108
Voldoende toetreding van dampkringslucht of, juister uitgedrukt, van de daarin aanwezige zuurstof, is echter eveneens noodig, wanneer de ontkieming van een zaad plaats zal hebben. Zaden onder water gedompeld of diep in den grond begraven, kiemen ook daarom moeilijk of in het geheel niet. Leidt men echter zuurstof in het water of houdt liet reeds van nature dit gas opgelost, dan neemt het zaad dit hieruit op en kan de ontkieming plaats hebben. Proeven hebben overigens ten duidelijkste bewezen, dat in eene omgeving van stikstof of waterstof de ontkieming niet plaats kan hebben. Zuurstof alleen is eveneens nadeelig. In een mengsel van zuurstof en waterstof gaat de ontkieming volgens Dehérain en Landrin echter even goed als in de dampkringslucht. Eenige honderste deelen koolzuur, bij het mengsel gevoegd, waren echter voldoende om de ontkieming te doen ophouden bijna onmiddellijk nadat het worteltje is te voorschijn gekomen. Is de hoeveelheid koolzuur aanzienlijk, dan beginnen de zaden te rotten zonder te ontkiemen. Daar nu, gelijk wij zoo aanstonds zullen zien, bij het ontkiemen zuurstof verbruikt en koolzuur gevormd wordt, moet niet alleen dampkringslucht kunnen toetreden, maar ook de lucht vernieuwd, dat is, het gevormde koolzuur weggevoerd kunnen worden.
De opneming van zuurstof door het zaad staat met de daarin plaatsgrijpende scheikundige veranderingen in het nauwste verband. De in het zaad aanwezige voorraadstoffen voor de voeding der kiem hebben wij reeds Merboven, bl. 1(59 en volg., leeren kennen. Eiwitstoffen en zetmeel of in plaats van laatstgenoemde stof, olie, zijn daarvan de belangrijkste. Zoodra nu het zaad water opgezogen en bij toetreding van lucht op eene niet te lage temperatuur gehouden wordt, ontdekt men, nadat het worteltje te voorschijn is getreden, dat in een zetmeel houdend zaad (tarwe, gerst, enz.) uit het zetmeel gom en suiker gevormd zijn. De zetmeelkorrels zijn als 't ware uitgevreten. Het zaad krijgt door de suiker een zoeten smaak.
Ook in een oliezaad hebben dergelijke omzettingen plaats. Volgens Sachs en anderen gaat de olie eerst, althans ten deele, in zetmeel en deze vervolgens in suiker over. De celstof van den celwand lost eveneens op.
De eiwitstoffen ondergaan dergelijke veranderingen, b.v. de in de granen aanwezige kleefstof wordt opgelost en eigenaardige fermenten worden gevormd, die bovengenoemde omzetting van zetmeel in gom en suiker veroorzaken. Vooral in ontkiemende erwten, boonen en andere peulvruchten treft men het vroeger vermelde stikstofhoudende asparagin of andere amiden aan, die blijkbaar uit de eiwitstoffen dezer zaden ontstaan zijn. Met één woord: de in het zaad aanwezige stoffen worden als 't ware opgezogen door de zich tot eene plant ontwikkelende kiem, waaraan na den wortel ook het stengeltje buiten het zaad te voorschijn treedt. Uit eiwit of amiden enz. vormt zich dan in de zoogenaamde groeipunten weder protoplasma en hierin, naar het schijnt, uit suiker eerst weder zetmeel en daarna cellulose voor den wand der cellen.
Wij zien dus dat de voorraadstoffen in het zaad als materiaal gebruikt worden om cellen, vaten enz. te vormen tot opbouwing van het jonge plantje. Langs welke wegen en hoe die stofverplaatsing b.v. van de zaadlobben naaide groeipunten geschiedt, laten wij hier vooreerst in 't midden. Alleen merken wij nog op, dat de aschbestanddeelen van het zaad bij de oplossiug en verplaatsing wellicht eene belangrijke rol vervullen. Het moet ons daardoor duidelijk
190
worden, dat niet alleen een goed zetmeel- of olie- en eiwitgehalte maar ook een goed aschgelialte van belang is voor de ontwikkeling van het kiemplantje l).
quot;Welke rol speelt mi de zuurstof bij het ontkiemen? Om deze vraag te beantwoorden, merken wij vooreerst op, dat niet de geheele in 't zaad aanwezige stofmassa in de jonge plant overgaat. Weegt men eenige ontkiemde graankorrels, na ze gedroogd te hebben, dan vindt men het gewicht steeds geringer dan dat van 't droge zaad. Bij gerst werd het gewichtsverlies 20 0/0; bij boonen 25 a 30, bij hennep zelfs bijna 50 0/0 gevonden. De volgende analyse wijst bovendien de hierboven vernielde stof verandering gedurende de ontkieming ten duidelijkste aan. 22 inaïs-korrels ontwikkelden zich in 8 weken tot jonge kiemplanten en ondergingen daarbij de volgende veranderingen in hare enkele bestanddeelen.
|
Korrels |
Kiemplanten |
Verschil. | |
|
Drogo stof |
8.64 gr. |
4.53 gr. |
— 4.11 gr. |
|
Zetmeel en |
gom 6.39 „ |
0.78 „ |
- 5.61 „ |
|
Suiker |
o „ |
0.95 „ |
0.95 „ |
|
Olie |
0.46 „ |
0.15 „ |
- 0.31 „ |
|
Cel stof |
0.52 „ |
1.32 „ |
0.80 „ |
Terwijl nu genoemde omzettingen plaats grijpen en zmtrstof opgenomen wordt, verbrandt een gedeelte der organische stof. Koolzuur en water worden gevormd. Warmte — bij het laten ontkiemen van gerst zeer goed waar te nemen — wordt vrij. Voor deze gedeeltelijke oxydatie, die niet alleen bij het ontkiemen, maai ook gelijk wij straks zullen vermelden, bij het uitbotten eener knop enz. plaats heeft, en noodig is voor het verrichten van arbeid in de plant, wordt dus zuurstof verbruikt (zie blz. 60) en is toetreding van dampkringslucht noodzakelijk. Bij het ontkiemen van oliezaden wordt bovendien zuurstof verbruikt om de olie in het zuurstofrijkere koolhydraat (zetmeel of suiker) om te zetten. (Zie de lijst op bl. 176). Oliezaden behoeven dus bij de ontkieming meer zuurstof en dus onder dezelfde omstandigheden eene ruimere toetreding van dampkringslucht dan de zetmeelhoudende granen en peulvruchten. F. Schulze vond b.v. dat 10 gr. tarwekorrels, die zoo ver kiemden als bij de moutbereiding gebruikelijk is, 0.063 gr. zuurstof verbruikten, terwijl door een gelijk gewicht koolzaad in denzelfden tijd en onder dezelfde omstandigheden 0.19 gr., dat is meer dan 3 maal zoo veel, werd opgenomen. Ook Dehérain en Landrin vonden dat voor vlas en koolzaad, en Detmer dat voor hennep eene 2 a 3 maal grootere hoeveelheid zuurstof noodig is dan voor het ontkiemen dor granen. Eene sterke zaadbedekking bij het zaaien werkt daarom ook inzonderheid voor oliezaden nadeelig voor het goed en geregeld opkomen van 't zaad, en afsluiting der lucht is wellicht eene der redenen waarom deze zaden soms zoo lang hun kiemvermogen behouden.
In de vierde plaats is de ontkieming van de temperatuur afhankelijk. Het opnemen van water, en volgens Dehérain en Landrin vooral het opnemen van zuurstof, heeft reeds eene verhooging van de temperatuur van 't zaad tengevolge, in enkele gevallen hoog genoeg om do ontkieming te doen beginnen. Bovendien wordt er — gelijk wij gezien hebben — ten gevolge van de oxy-
') Zie Wollny, Saat und Pflege, bl. 148.
200
datie gedurende de ontkieming warmte vrij. Daardoor kan liet verklaard worden, dat, gelijk Ulotli waarnam, gerstkorrels in liet ijs vastgevroren en in een' kelder mot eene luclittemperatuur van 0° gebracht, konden ontkiemen.
Wij moeten dit echter als een bijzonder geval beschomven. Meestal wordt de warmte, bij liet begin of gedurende de ontkieming vrijgekomen, te spoedig aan do omgeving medegedeeld en moet de lucht of de aarde, die hot zaad bij liet ontkiemen omringt, op eene temperatuur hooger dan 0° zijn, wanneer de ontkieming beginnen en geregeld plaats zal hebben.
Do temperatuur, waarbij zulks geschiedt, is niet voor allo planten dezelfde. Zij mag noch te laag, noch te hoog zijn. Voor pronkers en andere tuinboonen, tabak-, augurkenzaad eiiz. is zij hooger dan bij erwten, granen, vlaszaad enz. Is de temperatuur te laag, dan ondergaat het zaad niet zoo spoedig verandering; bij eene te hooge temperatuur heeft er evenmin ontkieming plaats: het zaad ondergaat dan echter andere veranderingen en verliest dientengevolge meestal zijn kiem vermogen spoedig.
Volgens proeven van Sachs, Haberlandt en anderen, ontkiemen de zaden van de meeste landbouwgewassen nog bij eene temperatuur van ongeveer 5°. Bij 4.7 5° kwam het worteltje te voorschijn bij witte Mosterd in 2, bij Hennep in 3, bij Dederzaad en Rogge in 4, bij Erwten in 5, bij Tarwe, Gerst, Koolzaad, Wikken en Linzen in 6, bij Haver, Paardeboonen in 7, roode Klaver in 7.5, bij Vlas, Boekweit en Herfstknollen in 8, bij Luzerne en het Eng. Raygras in 10, bij de Suikerbieten eerst in 22 dagen. Boven deze tem-peratuur en beneden 10.5° ontkiemen nog Maïs, Gierst, Timothygras, Zonnebloemen, Karwij, Wortelen, Esparcette en Snijboonen; tussclien 10.5° en 15.6° beginnen te kiemen de zaden van Tabak en Kalabassen; tusschen 15.°6 en 18.05 Augurken en Meloenen. 25° en 30° schijnt de temperatuur te zijn, waarbij de zaden het snelst ontkiemen. Tarwe en Rogge b.v., die volgens bovenstaande opgave bij 4.075 eerst na 4 a 6 dagen begonnen te kiemen, deden dit bij eene temp. van 25quot; in 32 uur, roode Klaver, Luzerne en Boekweit bij deze temp. in 24, Vlas in 23 uur. —De hoogste temperatuur waarbij geene ontkieming meer plaats had, werd gevonden;
tusschen 25° en 31° bij het Dederzaad en de Koriander.
„ 31 „ 37° „ Tarwe, Rogge, Gerst, Haver, Raygras, Timothygras, Wikken, Paardeboonen, witte Mosterd, Rapen en Koolzaad, Karwij, Wortels, Vlas, Tabak enz.
,, 37.5—44° „ Snijboonen, roode Klaver, Boekweit, Spurrie.
„ 44—50° „ Maïs, Gierst, Hennep, Kalabassen, Au
gurken en Meloenen.
De laagste en de hoogste temperaturen, waarbij nog ontkieming plaats heeft, liggen dus bij sommige zaden, b.v. Hennepzaad, verder (3°—50°) uiteen dan bij andere b.v. Snijboonen, 10.5°—44°.
Ontkieming bij eene hoogere temperatuur b.v. 30 a 40° is niet voordeelig, omdat dan meer reservestoffen voor de verbranding verbruikt en kleinere kiemplanten verkregen worden.
Onder sommige omstandigheden kan in eene vochtige atmospheer eene
201
afwisselende temperatuur, b.v. die van dag en nacht, de ontkieming bevorderen, maar dit komt, omdat dan waterdamp op de zaden gecondenseerd en daardoor opgezogen wordt.
De invloed van het licht op de ontkieming is van weinig of geene lie teekenis. Wij sluiten weliswaar het zaad, door het met aarde of andere stoffen te bedekken, van het licht af, maar het dool daarvan is niet zoo zeer afsluiting van licht, als wel om het tegen uitdrogen, tegen het wegrooven door vogels enz. te beschermen en wellicht om het indringen van 't worteltje in den grond te bevorderen. Als kiemkrachtig zaad behoorlijk vochtig en op eene behoorlijke temperatuur gehouden wordt, dan heeft de ontkieming meestal even goed plaats, of het zaad al dan niet aan het licht blootgesteld is. Al of niet aanwezigheid van licht heeft nogtans invloed op den vorm en de ontwikkeling van het kiemplantje. Aan het licht blootgesteld, blijft het stengeltje in den regel korter, het worteltje wordt langer. Het eerste wordt spoedig groen en begint voedsel uit den dampkring op te nemen, waardoor het in gewicht toeneemt. Van het licht afgesloten, kan het slechts uit het zaad gevoed worden; het kan eerst dan voedsel uit de lucht opnemen en in gewicht vermeerderen, wanneer het boven den grond verschenen en groen geworden is.
Wanneer wij al het bovenstaande in aanmerking nemen, dat is het duidelijk, dat er met betrekking tot den tijd, voor het ontkiemen noodig, een groot verschil moet bestaan. Nu eens is de grond te droog, om aan het zaad spoedig de noodige hoeveelheid vocht te verschaffen, dan eens de temperatuur te laag, in andere gevallen de toetreding van de dampkringslucht niet ruim genoeg om de ontkieming snel en geregeld te doen plaats hebben. Slechts zelden zal het in de praktijk voorkomen, dat de temperatuur te hoog is. Alleen bij het zaaien van Koolzaad, van Stoppelknollen of van Spurrie in den zomer zou dat mogelijk zijn, maai- in dit geval is de grond in den regel te droog om de ontkieming te doen plaats hebben en in drogen toestand kunnen de zaden zeer zeker eene hoogere temperatuur verdragen, alvorens hun kiemver-mogen te verliezen. Is de grond vochtig, dan wordt door de verdamping zooveel warmte gebonden, dat de grond slechts zelden en dan maar voor een korten tijd deze temperatum- bereikt. Wanneer men echter bij het beproeven van 't kiemvermogen van zaaizaad kunstmatig de temperatuur verhoogt, zal hierop dienen gelet te worden.
Dat in sommige tijden van het jaar, inzonderheid in het voorjaar, de ontkieming sneller zou plaats hebben, gelijk men wel beweerd heeft, wordt door Nobbe ten sterkste tegengesproken. In alle tijden van 't jaar vond hij dat zulks even snel plaats heeft, wanneer de voorwaarden voor de ontkieming: eene niet te lage temperatuur, vochtigheid en toetreding van lucht, maar vervuld zijn.
De middelen waardoor overigens de ontkieming kan bevorderd worden en de omstandigheden die daarop van invloed kunnen zijn, znllen in de Algemeene Plantenteelt besproken worden. Het spreekt ook wel van zelf, dat slechts bij normaal gevormd zaad de ontkieming een normaal verloop heeft, maar dat gekwetste of op eene andere wijze veranderde zaden öf niet öf niet regelmatig ontkiemen. Zoo ontkiemen Tarwe en Rogge als in Fig. 67 is voorgesteld, Eogge meestal met vier kiemwortels; Gerst en Haver als in Fig. G8, Haver gewoonlijk slechts met drie kiemwortels. Tarwe kan echter ook als in de laatste
202
Fig. aangewezen ontkiemen en tot eene regelmatige plant opgroeien; maar blijft het halmpje in de korrel vast zitten, als in Fig. 69, gelijk niet zelden plaats heeft als onrijp, ineengeschrompeld zaaizaad genomen wordt, dan is de ontkieming-geheel onregelmatig en komt er van het plantje gewoonlijk niet veel terecht.
h. het uitbotten van knoppen. Wij hebben de ontwikkeling eener nieuwe plant uit zaad eene bijzondere wijze van voortplanting, van vermenigvuldiging genoemd. Inderdaad uit zaad niet alleen, maar ook uit een wortelstok, uit bollen, knollen enz. kan zich eene nieuwe plant ontwikkelen en wel uit de knoppen, die op of in genoemde plantdeelen worden aangetroffen. In vele opzichten komt deze ontwikkeling met die uit zaad overeen. Ook in dit geval toch worden de zich uit deze knoppen ontwikkelende deelen gevoed met stoffen, die vroeger in genoemde organen opgehoopt zijn geworden en die wel niet, gelijk bij het zaad in drogen toestand bewaard worden, maar toch eveneens eenigen tijd in evenwicht, in rust gehouden worden om daarna, evenals bij het ontkiemen van het zaad, te veranderen en door de zich tot stengels, wortels enz. ontwikkelende nieuwe plantdeelen als 't ware te worden opgezogen. Een zeer duidelijk voorbeeld daarvan is reeds vroeger door ons gegeven van het Hoefblad, maar ook bij het uitloopen van vele Grassen, van Klaver, van Koolzaad enz., die des voorjaars uitloopen, of van JLangelwortels, Rapen, Sluitkool of Uien, die wij voor de zaadwinning in het voorjaar uitpoten, heeft hetzelfde plaats; bij al de zoogenaamde overblijvende kruidachtige planten, alsmede in boomen en heesters zijn in bepaalde deelen vooiraadstoffen opgehoopt, die bij het uitbotten der knoppen het eerste voedsel verschaffen.
Vochtigheid, eene zekere temperatuur en toetreding van dampkringslucht zijn voor liet uitbotten der knoppen op genoemde deelen eveneens noodig. Water is in deze deelen veelal aanwezig en behoeft in den regel slechts, naarmate het verbruikt wordt of uit de ontwikkelende bladeren verdampt, aangevoerd te worden. Dat ook een zekere graad van warmte noodig is, weet ieder die de ontwikkeling van het plantenleven in het voorjaar, als de temperatuur van den bodem en de lucht stijgt, gadeslaat.
Minder waarneembaar is de noodzakelijkheid der toetreding van de zuurstof des dampkrings. Terwijl wij echter hieronder zullen vermelden, dat zonder zuurstof geen plantenleven mogelijk is, willen wij hier eenige feiten aanhalen, die er op wijzen, dat de dampkring ook lüer invloed uitoefent.
203
De natuur zelve wijst die min of meer aan. Waar treft men toch deze met voorraadstoffen opgehoopte plantendeelen aan? Immers even beneden of aan de oppervlakte van den grond, waar de dampkring gemakkelijk toegang kan vinden. Diep in den grond begraven ontkiemen onze aardappels niet en loopt de Kweek enz. niet nit. Niet omdat de temperatuur lüer zooveel lager is, niet omdat hier gebrek aan water, maar omdat Ider geene genoegzame hoeveelheid zuurstof is. Vele werkzaamheden worden in de plantenteelt dan ook verricht om althans ten deele die toetreding van den dampkring te bevorderen. Of heeft het loseggen eener dichte, met oud gras bezette graszode, en op sommige plaatsen zelfs het opensnijden daarvan met eene mesegge of extirpator, het loseggen of losschoffelen van de harde korst, die het land der wintervruchten bedekt, enz. niet ten deele ten doel den toegang van den dampkring tot de deelen, die moeten uitloopen, te bevorderen?
Men kan hier tegen inbrengen, dat toch ook de wortelstokken van vele moeras-en waterplanten uitloopen, ofschoon zij van don dampkring afgesloten zijn. Wanneer men echter bedenkt, dat ook deze niet diep in den modder der slooten enz. zijn weggedoken, maar zich aan de oppervlakte daarvan bevinden en in het water ook zuurstof opgelost is, dan zal die twijfel spoedig opgeheven zijn.
Dat een goede voorraad van voedingstoffen ook in deze deelen voordeelig zijn moet, dat nit krachtige wortelstokken en wortels kloeke scheuten of planten zich knnnen ontwikkelen, zal wel geen betoog behoeven. Het kaalafweiden van de jonge klavervelden gedurende den herfst of van de graslanden in den winter kan niet anders dan eene slechte ontwikkeling van deze planten in het voorjaar ten gevolge hebben. Dan heeft zich b.v. in den vlak onder den grond verdikten wortel of stengel der Klaver weinig voedsel kunnen ophoopen, dan blijft de Klaver des voorjaars lang sukkelen. Maar, zal men tegenwerpen, Koolzaad in den herfst vroeg gezaaid en welig gegroeid, staat des voorjaars met zelden slechter dan het Koolzaad, dat later gezaaid is en zich minder sterk heeft ontwikkeld. Wij kunnen daartegen aanvoeren, dat aan alles eene grens is. De praktijk moet naar de gegeven omstandigheden beoor-deelen wat het beste is. Die vroeg ontwikkelde planten beginnen houterig te worden en hare bestanddeelen gaan daardoor deels in eene zelfstandigheid over, die niet gemakkelijk weder in andere stoffen kan worden omgezet. Die grootere planten bezitten in hare bladeren als 't ware een overmaat van voedingstoffen, waardoor zij lichter gaan rotten en de geheele plant doen bederven. De gewone Sluitkool is ook eene opeenhooping van voorraadstoffen, die in dezen vorm bewaard, des voorjaars verbruikt kunnen worden om zaad voort te brengen. Door de cultuur zijn hierbij kooien (knoppen) van groeten omvang verkregen. Wil men dio 's winters bewaren, dan loopt men groot gevaar, dat ze gaan rotten. Daarom worden de planten, die men tor zaadwinning bestemt, later gepoot. Men bekomt dan weliswaar kleinere kooien, maar deze kunnen beter bewaard worden. Zoo ook met het Koolzaad.
Merkwaardig is ook deze ophooping van voorraadstoffen bij overblijvende planten, dio eerst na eenige jaren Woeien, b.v. de Ayavc nmcricana, en in de vruchttakken en knoppen bij vruchtboomen, waaromtrent wij hier echter niet in bijzonderheden kunnen treden.
204
2. DE VOEDING, DE GROEI EN DE ONTWIKKELING DER PLANTEN.
quot;Wanneer de ontkieming afgeloopen on do voorraadstoffen, ten behoeve van liet kiemplantje verbruikt zijn, moet dit, om te blijven groeien, zich op eene andore wijze van voedsel kunnen voorzien, of, om het zoo eens uit te drukken, op eeno andere wijze het noodige bouwmateriaal voor zijne verdere ontwikkeling ontvangen, dat tot nog toe door het zaad of oen ander plantendeel werd geleverd. Tot nog toe kon er eigenlijk van geene voeding sprake zijn; 't was slechts eene verandering en verplaatsing der stof van het zaad in hot plantje. Als deze voorraadstof verbruikt is, moet het kiemplantje voedsel van buiten af opnemen en daaruit gescliikt bouwmateriaal bereiden. Wij hebben reeds meermalen opgemerkt, dat het daartoe een wortel of wortels on bladeren bezit, waarmede het stoffen uit don grond en uit do lucht kan opnemen, die de grondstoffen voor dit bouwmaterieel kunnen leveren. Do wijze, waarop die voeding in het algemeen geschiedt en de voorwaarden, waaronder zij plaats hooft, welke stoffen de plant al uit den grond en de lucht opneemt enz. zullen wij thans nagaan.
quot;Wij mogen als bekend veronderstellen, dat, behalve een vruchtbare bouwgrond en de dampkringslucht, daartoe noodig zijn: water, licht en eene zekere temperatuur. Om tot do kennis van deze voedingsverschijnsolon te geraken, is het echter noodig geweest, het kiemplantje op eene andere wijze te doen groeien dan bij de cultuur in het groot geschiedt.
Teneinde do stoffen te loeren kennen, die de plant noodzakelijk uit den grond moet kunnen opnemen, heeft men twee verschillende methoden gevolgd. De eerste en oudste dezer methoden is dio van don vorst Salm-Horstmar, (in Duitschland later vooral door Hollriegel gevolgd). S.-Horstmar plaatste hot kiemplantje in koolpoeder, Hollriegel in uitgegloeid en mot zuren uitgetrokken zand, stoffen derhalve waarvan men waet, dat zij door de plant niet kunnen worden opgenomen. De voor den groei noodige stoffen of stoffen, waarvan men wil nagaan of zij voor den groei noodig of nuttig zijn, en de veroischto hoeveelheid water worden hieraan toegevoegd. Bij de tweede methode, die vooral door Sachs, Knop en vele anderen is gevolgd, laat men het kiemplantje groeien in eene waterige oplossing van genoemde stoffen. Zeer eenvoudig is b.v. de volgende door Knop aanbevolono oplossing. In 1 liter water lost men op; 1 gr. salpeterzure kalk, 1/4 gr. zure phosphorzure kali, 1/4 gr. gekristalliseerde zwavelzure magnesia en 1/4 gr. chloorkalium of 1/4 gram salpeterzure kali. Hierbij voegt men zooveel, ongeveer 0.02 gr. phosphorzuur ijzoroxyde, dat de vloeistof troebel schijnt. Deze oplossing wordt in eene daartoe geschikte flesch gedaan, die men mot donker gekleurd papier beplakt of in een blikken cilinder plaatst om het licht af te sluiten l). Tusschen boomwol en een paar stukken kurk geklemd, wordt dan het plantje, dat mon vooraf uit het zaad heeft laten ontkiemen, in de oplossing gezet, zoodat hot worteltje in de vloeistof reikt. Het verdampende water wordt van tijd tot tijd aangevuld en zoo noodig do oplossing vernieuwd.
Eene menigte proeven zijn met dezen kunstmatigen plantengroei genomen
') De beschutting tegen liet licht heeft geen ander doel dan om het groenworden van het glas en der wortels te voorkomen, door de ontwikkeling der groene wieren, waarvan overal sporen aanwezig zijn, tegen te gaan.
205
en het is gelukt op deze wijze planten te telen, die, wat hare opbrengst en hot uiterlijk voorkomen betreft, in geen enkel opzicht verschilden van de in een vruchtbaren bouwgrond gekweekte. Het is daaruit gebleken, dat, behalve hetgeen de plant uit do lucht opneemt, voor don groei van volo onzer landbouwgewassen (Boekweit, Gerst, Rogge enz.) onontbeerlijk zijn; zouten van kali, kalk, magnesia, ijzeroxyd, phosphorzuur, zwavelzuur, salpeterzuur of van eeno andere stikstofverbinding b.v. ammonia en chloor of anders, do elementen: kalium, calcium, magnesium, ijzer, phosphorus, zwavel, stikstof en chloor?, in bepaalde verbindingen aanwezig. Genoemde stoffen vormen, gelijk wij weten, zie bl. 113 en 114, de nadere bestanddeelen van de hierboven vermelde zouten der oplossing van Knop. Ontbreekt een der genoemde zouten of beter een zout, waarin een harer nadere bestanddeelen niot aanwezig is, in de oplossing, zoo is de ontwikkeling niet normaal. Bij afwezigheid van ijzeroxyd b.v. worden de planten geel, omdat dit element voor do vorming van het bladgroen noodig is; bij afwezigheid van kali of phosphorzuur blijven zij dwergachtig klein en sterven geheel of gedeeltelijk af.
Omtrent de noodzakelijkheid van chloor is men nog in hot onzekere. Wol heeft men normaio planten gekweekt, zonder eeno chloorverbinding in de oplossing te doen, maar in het zaad is reeds eeno kleine hoeveelheid chloor aanwezig, die wellicht voldoende is om de plant haren normalen levensloop te doen vol-brengen, en bovendien van den anderen kant opgemerkt, dat wanneer chloorkalium in do oplossing gedaan wordt, dit, althans bij eene boekweitplant, de zaadvorming bevordert. Door ons word in bovengenoemde Knop-sche oplossing, waaruit chloor was weggelaten, witte Klaver geteeld; slechts een enkel schraal bloempje, dat echter geen zaad voortbracht, kwam er aan te voorschijn. Een ander klaverplantje, dat in dezelfde oplossing onder toevoeging van chloorkalium geplaatst was, bracht eene menigte bloemen met goed zaad voort.
Genoemde verbindingen moet de plant dus uit den bouwgrond kunnen opnemen, hoe, zullen wij hieronder zien. Behalve de stikstof, die bij de verbranding in de lucht ontwijkt, worden hare elementen later in de asch teruggevonden.
Vergelijkt men deze stoffen echter met eene aschanalyse, bl. 182, zoo treft men daarin, behalve de genoemde, nog kiezelzuur en soda aan. Beide stoffen, die steeds in de plantenasch gevonden worden, zijn evenwel, gelijk bovenstaande proeven geleerd hebben, niet volstrekt noodig voor den plantengroei. Schadelijk zijn zij echter, gelijk Nobbe, Schroder en Erdmann gevonden hebben, niet, en het is mogelijk dat in sommige gevallen soda de rol van kali ten deele overneemt. Aan sommige zee- en strandplanten, b.v. de Zeekraal {Salicornia herhacea), waarin eene grootere hoeveelheid soda als chloornatrium voorkomt, geeft dit aschbestanddeel het eigenaardige gezwollen voorkomen, zoodat dozo planten in eene oplossing zonder chloornatrium geteeld aanzienlijk dunner, in plaats van geelgroen donkergroen van kleur worden en hare doorzichtigheid en hot vleezige uitzicht verhezen. En ook het kiezelzuur, dat, gelijk wij weten, zie bl. 183, vooral in de halmen en bladeren van Granen en Grassen gevonden wordt, kan, ofschoon men zeer goed planten in eene waterige oplossing zonder kiezelzuur kan kweeken, bij do teelt in het groot nuttig zijn, omdat door de meerdere hardheid van stengels en bladeren slakken of andere schadelijke dieren geweerd kunnen worden.
206
Dat de plant behalve de volstrekt noodige ook nog andere verliimlingen, b.v. van soda en kiezelzimr, soms ook aluminium- en mangaanverbindingen (sommige boomen en heidestruiken b.v.) opneemt, moet lüeraan worden toegeschreven, dat zij wel van het eene meer, van het andere minder, maar niet zoo bepaald, gelijk de dieren, eene keuze uit do haar aangeboden stoffen kan doen. Bevat een grond of eene oplossing b.v. koper- of zinkverbindingen, dan worden ook deze opgenomen en later in de asch teruggevonden. Ook voor haren groei schadelijke stoffen b.v. lithiumzouten, ijzeroxydulezouten enz. neemt de plant op. Zij neemt ook, nu eens eene grootere dan weer eene kleinere hoeveelheid van de noodzakelijke stoffen op al naar de hoeveelheid, die aangeboden wordt of die hare wortels vinden. Zoo werd gevonden, bij kweeking in een kalkrijken kalkgrond en een kalkarmeu maar kalirijken kleigrond , in procenten van de asch van
|
kalk |
kali | |||
|
ƒ 01» |
den kalkgrond |
43.60 |
12.34 | |
|
Koolzaad |
„ kaligrond |
19.48 |
25.42 | |
|
Roode |
/ V |
„ kalkgrond |
43.32 |
9.60 |
|
Klaver |
l „ |
„ kleigrond |
29.72 |
27.20 |
Eene aschanalyse hoeft daarom eene zeer betrekkelijke waarde. Men kan er niet uit opmaken, welke voedingstoffen de plant al behoeft en evenmin hoeveel daarvan voor haren groei noodig is. Vandaar ook het groote verschil dat in de aschanalysen voorkomt.
Hebben deze proeven dus aan het licht gebracht welke elementen door de wortels der plant uit den grond worden opgenomen, zij hebben ook eenig licht verspreid omtrent de functie, die hunne verbindingen in de plant uitoefenen, gelijk wij hierboven reeds vermeldden en omtrent den vorm, dat is de soort van verbindingen, waarin zij deze elementen opnemen. Wat den vorm betreft , kan men in het algemeen zeggen, dat de planten slechts zouten opnemen en dat voor hare normale ontwikkeling deze zouten zich in hun hoogsten graad van oxydatie moeten bevinden, dus de zwavel niet als zwaveligzuurzout of als zwavelmclaal maar als zwavelzuurzout, het ijzer niet als ijzeroxydulezout maar als ijzeroxydzout, eene belangrijke aanwijzing dus, dat door mime toetreding van lucht in den bouwgrond, deze zouten in hun hoogsten graad van oxydatie ook gebracht moeten worden.
Lijdt de plant gebrek aan eene der genoemde stoffen, dan is dit haar door eene niet normale ontwikkeling uitwendig aan te zien. Over 't geheel blijven de planten bij gebrek aan eene der voedende stoffen tenger en klein en, vormen zich nieuwe bladen, dan geschiedt dit dikwijls ten koste van de onderste die afsterven. Vooral werd dit waargenomen bij gebrek aan kali of kalk, terwijl gebrek aan stikstof of phosphorzuur zich ook verraden door de gele of geelroode kleur die de bladen aannemen. De verschijnselen schijnen echter niet bij alle planten dezelfde te zijn, wat afhankelijk kan zijn van het reserve-voedsel dat in de zaden aanwezig is. Zie ook het hoofdstuk over Bemesting.
De bouwgrond levert dus behalve do grondstoffen voor de aschbestanddeelen der plant ook de stikstof, die zij, gelijk wij weten, o. a. voor de vorming van eiwitstoffen noodig heeft eu naar het schijnt hot best in den vorm van
207
een salpeterzuur zont opneemt1). De vrije stikstof der lucht, ofschoon die ongeveer het 4/g deel daarvan uitmaakt, dient niet tot planten voedsel. Tot voor weinige jaren gold dit als een algemeene regel in de plantenphysiologie. op grond van proeven een 50 jaar geleden door Boussingault en anderen genomen. Hellriegel heeft echter aangetoond, dat Lupinen, Erwten, Klavers en naar het schijnt alle Peulvruchten in uitgegloeid zand zicli zeer goed ontwikkelen ook zonder eene stikstofverbinding b.v. een salpeterzuur zout, als slechts de andere zouten aanwezig zijn en liet zand besmet is met eene kleine hoeveelheid aftreksel van een grond, waarin Lupinen of eene andere peulvrucht gegroeid zijn. Er vormen zich dan aan de wortels dezer planten kleine knolletjes waarin eene bacil (Bacillus radicicola, Beyerinck), die door de besmetting is aangevoerd, in gemeenschap {symbiose) met de peulvrucht leeft en waardoor de omzetting van vrije stikstof (alle stikstofverbindingen ook uit de lucht waren bij deze proeven buitengesloten) in gebonden stikstof mogelijk wordt gemaakt en als bestanddeel der plant kan worden opgenomen. Alleen schijnt eene kleine hoeveelheid van een salpeterzuur zout gewenscht te zijn, om de plant het eerste stadium van ontwikkeling, waarin de wortelknolletjes gevormd worden, te doen doorloopen. Van genoemde bacil schijnen verschillende variëteiten of soorten te bestaan, waarvan de eene met deze, eene andere met gene peulvrucht in symbiose leeft. Voor de Peulvruchten dus zeker en volgens Frank, Schlösing en Laurent en Petermann ook voor sommige in den bouwgrond voorkomende lagere organismen (volgens S. en L. vooral Nojlocaceae, tot de groep der Blauwwieren behoorende), dient derhalve de vrije stikstof der lucht, als afwijking van bovengenoemden algemeenen regel, wel degelijk als plantenvoedsel.
De voornaamste stoffen, waaruit de plant voorts hare verbrandbare bestand-deelen bereidt, zijn koolzuur en water. Het water neemt zij uit den bouwgrond op, liet koolzuur hoofdzakelijk uit de lucht. Reeds in hot laatst, der vorige eeuw sprak Priestley het vermoeden uit, dat de lucht, door de ademhaling der dieren en door de verbranding bedorven, weder geschikt gemaakt werd door de planten om tot ademlialing en verbranding te dienen. Ingenhouss toonde aan, dat de lucht, die door de planten uitgeademd wordt, meer /.uur-stof bevat dan de dampkringslucht, maar dat zulks alleen liet geval is, wanneer de planten aan het zonlicht blootgesteld zijn. Senebier sprak 't eerst hot duidelijk uit, dat de planten het opgenomen koolzuur ontleden, de zuurstof (een der elementen van 't koolzuur, zie bl. 61 en 113) weder in den dampkring doen ontwijken, terwijl de koolstof als een liarer bestanddeelen achterblijft. Latere onderzoekingen van de Saussure en vooral van Boussingault en anderen hebben dienaangaande nog meer licht verspreid.
Wij vermelden hier slechts enkele resultaten en eene der proeven van
!) Volgens sommige onderzoekers nemen de planten ook ammoniak en enkele andere stikstofverbindingen uit den grond of zelfs uit de Inehtop; maar dienaangaande bestaat nog veel onzekers, althans in hoever deze tot de voeding bijdragen. In de meeste gevallen schijnen de ammoniak en andere stikstofverbindingen, in den vorm van kunstmest in den grond gebracht of daarin uit den stalmest enz. ontstaande, in salpeterzure zouten te worden omgezet en als zoodanig te worden opgenomen. Volgens Brial gaan in afgesneden plantendeelen de nitraten in ammoniak over. Zie ook de noot op blz. 208.
208
Bonssingault, waaruit ten duidelijkste de opneming van liet koolzuur blijkt. Hij plaatste b.v. een' tak van een' wijnstok in een' grooten ballon, stelde dien aan hot zonlicht bloot, en liet vervolgens langzaam eeneu stroom lucht door den ballon gaan. Terwijl nu de dampkringslucht in de omgeving lu^uu koolzuur bevatte, werd in de lucht, die door den ballon gestroomd was, slechts yooiro koolzuur gevonden. Blijkbaar was de hoeveelheid koolzuur dus minder geworden. Voorts werd gevonden, dat de ontleding van het koolzuur door de plant geschiedt onder den invloed van het zonlicht, vooral van de gele en de roode stralen; dat zij toeneemt met de sterkte van het licht en in de duisternis geheel ophoudt.
De opneming van do koolstof uit het koolzuur en het weder uitademen van de zuurstof wordt gewoonlijk assimilatie geheeten. De omgekeerde werking, opneming van zuurstof en uitademing van koolzuur, gewoonlijk ademluiliny geheeten, heeft ook plaats en is eveneens voor het leven der plant noodig, maar kan slechts in het duister, als de assimilatie ophoudt, worden waargenomen. In eene atmospheer van enkel koolzuur is dan ook geen plantenleven mogelijk. Het koolzuur dient de plant tot voedsel, de zuurstof tot andere doeleinden, gelijk straks nader zal blijken.
Evenwel alleen de bladgroenhoudende planten nemen koolzuur op. Schimmels, paddestoelen en dergelijke lagere planten, die geen bladgroen bezitten, verkrijgen do koolstof harer koolstofverbindingen uit overblijfselen van andere planten (humus) of voeden zich, gelijk de schimmels der aardappelziekte, het roest op 't graan enz., van de levende plant zelve; zoo ook voor een groot deel het Warkruid (Ouscutasoorten) op het Vlas, de Klaver, Luzerne en enkele andere planten, de Bremraap (Orohanche ramosa) op do Hennep en andere zoogenaamde woekerplanten. Deze bezitten dan ook meestal geen of weinig bladgroen in hare bladen; bij het Warkruid zijn zelfs bijna geene bladeren te bespeuren !).
') Volgens Frank (Pflanzenphysiologie) nemen ook andere planten humnsstoCfen 0|i, hetzij direct, hetzij door symbiose, dat is samenleven met lagere organismen b.v. schimmels. Genoemde schimmels, die in eiken bodem, welke humus bevat, voorkomen, nestelen zich op de wortels der planten en vormen met de fijne haarwortels een eigenaardig orgaan, door Frank mycorhiza geheeten. Van hieruit gaan draden in den humus, op sommige plaatsen zijn de draden als het ware met den humus vergroeid; zij nemen voedsel daaruit op en brengen dit in de mycorhiza en vandaar in de wortels der planten over. Merkwaardig is het ook dat b.v. eene beuk met zulke beschimmelde wortels geene wortelharen bezit en beter groeit dan in een' bodem waarin de schimmels gedood of niet aanwezig en de wortels als gewoonlijk van wortelharen voorzien zijn. Hetzij dus zelfstandig (autophaag), hetzij door andere organismen (door symbiose) kunnen verschillende planten zich op deze wijze uit den humus voeden en b.v. verschillende organische stikstofverbindingen, als ureum, urinezuur, hippurzuur, glyco-coll, kreatin, asparagin, leucin, tyrosin enz. die in den mest kunnen voorkomen, of daaruit ontstaan, opnemen.
Ook Dehérain, Annates agronomiques, 1890, is van oordeel dat er nog eene andere betrekking tusschen den humus en de planten, die in den humushoudenden bodem groeien, bestaat, dan de middellijke werking die men aan den humus of zijne ontledingsproducten meende te moeten toeschrijven (zie hierachter onder Kennis van den Bouwgrond). De zoogenaamde humustheorie van Thaer schijnt dus niet geheel verworpen te kunnen worden.
Brial, Annates agronomiques, 1897, heeft door proeven aangetoond dat de plantenwortels ammoniak absorbeeren en dat zij uit humus ammoniak doen ontstaan.
209
Op het opnemen van koolzuur door de plant, hoe belangrijk ook voor haxe productie, behoeven wij niet verder de aandacht te vestigen. De cultuur zelve kan hier slechts in zoover invloed uitoefenen als zij door andere middelen voor flink ontwikkelde planten met goed gevormde bladen zorgt, die elkander niet te veel beschaduwen, om daardoor de assimilatie te bevorderen. Het koolzuur en de zuurstof der lucht zelf zijn „gemeen goedquot;, mochten zij op enkele plaatsen meer door de planten worden weggenomen dan op andere, zoo worden zij toch zeer spoedig, door de eigenaardige bewegingstoestand der gas-deeltjes, zie bl. G1, weder aangevuld.
Geheel anders is het met de elementen, die de plant uit den grond opneemt. Behalve water, dat niet zelden in beperkte hoeveelheid daarin aanwezig is, moet zij daaruit meestal de stikstof voor hare stikstofverbindingen, alsmede de aschbestanddeelen, die noodig of nuttig voor haren groei zijn, verkrijgen. En deze komen in den bouwgrond weliswaar in den regel voor, maar nu eens en wel meestal in geringe hoeveelheden en daarbij veelal in moeilijk oplosbare verbindingen, zoodat slechts zeer geringe hoeveelheden kunnen worden opgenomen , te gering om de planten welig te doen groeien; dan wellicht in te groote hoeveelheden, zoodat de plant niet groeit, gelijk men dit verlangt (te geil wordt b.v.). In andere gevallen kunnen te gelijk schadelijke stoffen worden opgenomen. Dan moet de landbouwer tusschen beide komen, om deels door bemesting, deels door bewerking van den grond te zorgen, dat de planten daarin het noodige voedsel kunnen vinden maar haar geene schadelijke stoffen worden aangeboden. Bij de leer der bemesting en de bewerking van den grond komen wij hierop terug.
Als voedsel voor de bladgroenhoudende planten dienen dus:
dat zij opnemen voor het leveren ter vorming
van van
|
1. Koolzuur 2. Water 3. Zouten, waarin a) salpeterzuur |
uit den dampkring uit den grond |
koolstof zuurstof en waterstof |
koolhydraten, organische zuren, vetten en oliën. |
en misschien ammonia en enkele andere stikstofverbindingen , die in den mest of in de overblijfselen van planten (humus) voorkomen.
eiwitstoffen, enz.
uit den grond
stikstof
b) Zwavelzuur
zwavel, phosphorus , enz.
aschbestanddeelen.
c) Phosphorzuur
d) Kali e) Kalk
f) Magnesia g) Uzer h) Clüoor, kiezelzuur
en soda?
Heinders, i. Vierde, druk.
210
De van -vvortclknolletjes voorziene Peulvruchten en sommige Wieren nemen ook de vrije stikstof uit de lucht op voor het vormen van eiwitstoffen enz. bl. 207.
Op welke wijze worden deze stoffen uit den grond opgenomen en hoe worden zij door de plant geleid? AVelke veranderingen hebben er in de plant met de opgenomene voedingsstoffen plaats? Waartoe dient de ingeademde zuurstof? Welke krachten oefenen invloed op het groeien uit? Ziedaar vragen, die wij nog moeten trachten to beantwoorden. Wij zullen daartoe nagaan;
a. Het opnemen van water cn de voedingstoffen en de beweging van water met de daarin opgeloste stoffen door de plant. Een der eerste vereischten voor den groei der plant is, dat zij water op kan nemen. De levende plant toch bevat niet alleen eenc massa water als zoodanig en, naarmate zij groeit, heeft zij eene grootere quantiteit daarvan noodig, maar water is ook plan-tenvoedsel, inzoover hot de waterstof van vele liarer bestanddeelen levert. Bovendien, wanneer eene plant hare bladeren ontplooid heeft, verdampt daaruit eene groote hoeveelheid water, — hoeveel zal later worden vermeld — dat noodzakelijk weder vervangen moet worden, zal de plant niet „slap wordenquot;. Wij weten immers dat dit bij feilen zonneschijn niet zelden het geval is. Het water uit den grond opgenomen kan dan niet zoo snel worden toegevoerd, als de verdamping geschiedt. Alleen bij het vallen van den avond als de verdamping geringer wordt, krijgt de plant hare gewone gezwollenheid terug, ja niet zelden ziet men dan het water in druppels aan de uiteinden der bladeren verschijnen, aangezien nu meer toegevoerd wordt, dan de verdamping bedraagt.
Het verdampen en 't verbruik van water tot een bestanddeel der plant maken dus nieuwen toevoer noodig, en hebben eene zuiging van water naar de bladeren ten gevolge, die naarmate de verdamping of het verbruik grooter is, toeneemt. Maar ook afgescheiden van de verdamping heeft er eene opstijging van vocht in de plant plaats. Ontneemt men eene plant in den groeitijd hare bladeren en snijdt den stengel tot op eene zekere hoogte af, terwijl de overgebleven stomp op de gewone wijze in den grond bevestigd blijft, dan ziet men na eenigen tijd uit de gemaakte snijvakte water te voorschijn komen, dat bij sommige planten (Wijnstok, Aspergies enz.) dagen kan aanhouden. Bevestigt men eene glazen buis luchtdicht op den stomp, dan stijgt het water hierin tot eene aanzienlijke hoogte.
Het opstijgen van laatstgenoemd water wordt aan den zoogenaamden wortel-druk toegeschreven, 't Is namelijk, alsof het uitwendig in de wortels en van uit deze in den stengel geperst wordt. Wij komen hieronder daarop terug. Door de cellen van de wortelopperhuid en vooral door die welke zich met het bloote oog als haren vertoonen, opgenomen, verplaatst zich het water door de parenchymcellen der schors naar de vaten (in de naaldboomen naar de met hof stippels voorziene vezels) en stijgt hierin op naar de verschillende deelen der plant. — Eene eenvoudige proef kan ons die beweging door de vaten doen zien. Men plaatse in, met het bekende anüinrood gekleurd, water een min of meer doorschijnend stengeltje, b.v. van eene Erwt. Men ziet dan na eenigen tijd aan de roode kleur der „aderenquot;, dat do vloeistof tot in de vaten der bladeren is opgestegen.
211
Op welke wijze wordt mi het water uit den vochtigen bouwgrond opgenomen; waardoor wordt die zoogenaamde worteldruk veroorzaakt? Alvorens deze vragen te beantwoorden, merken wij op dat de cellen, ook die der opperhuid van den wortel, geslotene blaasjes vormen. Het water moet dus noodzakelijk door de eelwanden heengaan om, zich van cel tot cel verplaatsende, in de vaten te dringen, waarin het natuurlijk meer ongedwongen in de plant kan opstijgen. Dat zulk eene vochtverplaatsing van cel tot cel mogelijk is, kan ons de volgende proef leeren. Eene trechterbuis wordt aan den mond gesloten met eene blaas, door deze er stevig om te spannen en aan vast te binden, en tot op zekere hoogte gevuld met eene suikeroplossing of nog beter mot eene oplossing van kopervitriool. Plaatst men nu die buis in een glas met water, zoodat de vloeistof in de buis even hoog staat als het water in 't glas, dan ziet men dat dit na eenigen tijd niet meer het geval is, maar de vloeistof in de buis is gestegen. Er moet dus water door de blaas in de buis zijn gekomen. En omgekeerd, daar het water in 't glas blauw gekleurd is geworden, moet er ook van de blauwe vloeistof hierin zijn overgegaan. Laatstgenoemde hoeveelheid is echter geringer. Vandaal- dat de vloeistof in de buis stijgt.
Dergelijke verschijnselen, waaraan men don naam van osmose geeft, hebben er nu ook in de plant plaats.
De wand der cellen of juister het daartegen aangelegen zoogenaamd wand-standig protoplasma, vormt een dergelijk vlies als de blaas in onze proef. In de cellen treft men water aan, waarin verschillende stoffen, o. a. zouten, opgelost zijn. Bevinden zich nu twee cellen in elkanders nabijheid, welks inhoud niet dezelfde oplossing bevat, dan zal dit eene strooming van de eene cel naar de andere en omgekeerd ten gevolge hebben. Maai- in de cel, die meer zout bevat, zal meer water overgaan, dan in de cel wier inhoud minder geconcentreerd is. Denken wij ons verder eene opperhuid-cel van een worteltje met den vochtigen bodem of met eene zeer verdunde oplossing van eenig zout in aanraking en de vloeistof, in de cel, meer geconcentreerd dan het bodem-vocht of de oplossing. Wat zal dan plaats hebben? Er zal meer water in de cel treden. Om dezelfde reden gaat er water in de daaraangrenzende schorscellen als de inhoud hiervan meer geconcentreerd is en vervolgens in de vaten over. Duizenden ja millioenen celletjes werken aldus op dezelfde wijze samen en veroorzaken alzoo, dat het water met eene betrekkelijk groote kracht in de vaten naar boven geperst wordt.
Door osmose wordt het water dus evenals in de proef, die wij hierboven vermeldden, in de vaten geperst en door gestadigen toevoer meer en meer omhoog gestuwd. De verdere geleiding van het water geschiedt in het houtgedeelte der plant, dat daarvoor zoowel door zijne vaten als andere deelen bijzonder ingericht is. Er is dan ook eene zekere betrekking tusschen de houtontwikkeling en de hoeveelheid water, die uit de plant verdampt. Moeras- eu waterplanten b.v., waaruit weinig water verdampt, zijn in het algemeen weinig verhout, boomen enz., waaruit veel water verdampt, in sterke mate.
Maar, zal men vragen, hoe bekomt de plant het water uit den weliswaar vochtigen bodem, maar waarin het toch niet als eene vloeistof is waar te nemen ? Om dit te verklaren, herinneren wij aan hetgeen vroeger aangaande
li*
212
de bevestiging der wortels in den grond gezegd is, zie bl. 142. De fijne wortels en de wortelharen zijn als 't ware met de gronddeeltjes vergroeid. Elk gronddeeltje moet men zich nu met een zeer dun laagje water omgeven denken en de wortelharen hiermede in aanraking (zie hierachter de vochtigheid van den bouwgrond). Is dit laagje door den wortel opgezogen, zoo wordt het langzamerhand weder aangevuld door het water van de naburige aard-deeltjes. Want — en dit zal men zich licht kunnen voorstellen — is de aarde in de nabijheid van het worteltje droger geworden, dan begeeft zich hierheen water van de meer vochtige deelen. Versch verpote planten worden derhalve slap, zelfs in een tamelijk vochtigen bodem, tot zoolang nieuwe wortelharen gevormd en met de gronddeeltjes vergroeid zijn. Hieruit blijkt tevens dat liet juist de nieuwere met wortelharen bezette worteltjes zijn, die het water opnemen; de oudere gedeelten der wortels (zie Fig. 13, bl. 142) zijn met eene kurklaag bedekt en doen dit weinig of niet.
Met dit water worden dan ook de overige voor den groei der plant noodige stoffen uit den bodem opgenomen. Zijn deze in het water opgelost, dan zal het na het bovenstaande niet moeilijk zijn te begrijpen, dat zij in de cellen der wortelharen en Meruit in de andere cellen kunnen overgaan, en dat met het water ook de daarin opgeloste stoffen naar de wortelharen zich begeven. De meeste voedingstoffen komen echter, gelijk wij later zullen nagaan, in onopgelosten toestand in den bodem voor. Uiterst kleine hoeveelheden worden daarvan maar door het water opgelost. Zij kunnen dus niet met het Avatei naar de wortels toe gezogen worden, waaruit nogmaals de noodzakelijkheid eener innige vereeniging van de wortelharen met den grond blijkt. Toch kunnen deze in het bodemvocht onopgeloste stoffen door de wortels worden opgenomen. Tengevolge namelijk van de osmotische werking van het celvocht en het bodem-vocht, treedt er ook van het eerste in het laatste over. In dat celvocht nu komen zuren voor, o. a. koolzuur, waarin die voedingstoffen oplossen om daarna in de cellen te treden. Onmiddellijk aan de oppervlakte der cellen, daar dus, waar zij met den bodem vergroeid zijn, worden deze stoffen dus wel opgelost en opgezogen, maar zij kunnen zich niet, zooals het water en de daarin oplosbare zouten, naar de wortels toe verplaatsen. Voorbeelden: salpeterzure kalk en zwavelzure kalk zijn in vele bouwgronden voorkomende, oplosbare zouten; deze kunnen dus met het water naar de wortels toevloeien. Daarentegen komen het phosphorzuur, de kali en het ammoniak in den grond veelal in onoplosbare verbindingen voor, die de wortels als het ware moeten opzoeken.
Om deze laatste wortelwerkzaamheid te doen zien, is de volgende proef van Sachs zeer leerzaam. Eene gepolijste marmeren plaat of een glad geslepen stuk osteolith (versteend been), dat veel phosphorzuren kalk bevat, bedekt men met eene laag zand en laat lüerin het een of ander zaad kiemen. De wortels bereiken dan weldra de plaat en groeien onmiddellijk hierover heen; na eenige dagen vindt men een beeld der wortels in ruwe lijnen op de plaat geëtst: het zure celvocht, waarmede de celwand bevochtigd is, heeft namelijk op de plaats van aanraking een weinig van den koolzuren of phosphorzuren kalk opgelost.
De planten zijn dus in het opnemen der voedingstoffen beperkt en het zal
213
duidelijk zijn van welk belang eono groote massa fijne wortels en de daaraan voorkomende haartjes, die in alle richtingen den grond doorkruisen, vóórhaar moeten wezen. Dat de planten te dezen opzichte verschillend ingericht zijn, is ons vroeger reeds gebleken.
De mycorhiza der beschimmelde wortels (zie noot bl. 208) en de daaruit gaande schimmeldraden schijnen nog bijzondere inrichtingen te zijn om ook uit humus water en voedingsstoffen op te nemen.
Wij zullen later zien (bij den bouwgrond, de bemesting en de vruchtwisseling), in hoever men in do praktijk hiermede rekening dient te houden.
b. Het vormen van nieuwe hestanddeelen uit de opgenomenc voedingstoffen (het assimileeren) en de stofwisseling in de De eigenlijke bewerkers
van het door de bladeren en de wortels opgenomen voedsel der plant zijn vooreerst de bladgroenkorrels. Zij kunnen beschouwd worden als kleine fabrieken, waarin onder den invloed van licht en warmte dit plantenvoedsel bereid en geschikt gemaakt wordt, om als bestanddeel der plant te worden opgenomen. Zoodra een stengel met zijne aanhangselen, de bladeren, 't zij hij uit zaad, 't zij uit een bol of knol voortgekomen is, boven den grond verschijnt, is het vormen van bladgroen — blijkbaar aan hot groenworden dezer deelen — dan ook hot eerste waar te nemen verschijnsel. In de meeste gevallen is hij zelfs reeds van bladgroen voorzien, voordat hij zich aan ons oog vertoont.
Beschouwt men nu zulk een van bladgroen voorzien plantendeel, nadat liet eenigen tijd, bij eene niet te lage temperatuur, aan 't licht blootgesteld geweest is onder den microscoop, dan ontdekt men in hot bladgroen meestal kleine zetmeelkorrels, Fig. 54. In het duister worden deze niet gevormd. Integendeel, wanneer de plant in het duister gezet wordt, of als de nachtelijke duisternis intreedt, verdwijnen de onder den invloed van 't licht gevormde zetmeelkorrels en kunnen nu in de meer binnenwaarts gelegene cellen aangetoond worden. Onder den invloed van 't zonlicht wordt aldus des daags voortdurend zetmeel (of een ander koolhydraat b.v. druivensuiker) gevormd, dat des nachts weder opgelost en in de andere deelen der plant geleid wordt. Daar wij nu het zetmeel (en de andere koolhydraten) kunnen beschouwen als te zijn samengesteld uit koolstof en water, zullen wij eenvoudigheidshalve aannemen, dat het koolzuur ontleed, de koolstof zich met water tot zetmeel (of tot een ander koolhydraat) verbindt en de vrijgewordene zuurstof in den dampkring ontwijkt. Daarmede in overeenstemming zijn do vroeger vermelde prooven van Boussingault en anderen, dat do plant koolzuur uit den dampkring opneemt en zuurstof daaraan afstaat.
En wat heeft er nu — om bij dit eenvoudig voorbeeld van assimilatie vooreerst te blijven — met het in de bladeren gevormde zetmeel plaats'? Nemen wij, om ons de zaak meer aanschouwelijk te maken, eene aardappelplant. AVij weten dat deze meestal uit knollen zich ontwikkelde planton eerst gevoed worden van de eiwitstoffen, het zetmeel enz., in die knollen opgehoopt. De knollen kunnen wel in een' donkeren kelder ontkiemen en betrekkelijk lange stengels vormen, maar die stengels assimileeren dan niet; zelfs zijn hunne bladeren evemüs die eener woekerplant zeer weinig ontwikkeld. Eerst wanneer de knollen in een' vruchtbaren grond geplaatst worden, ontwikkelen zich uit de stengels bij wortels, voor de voeding uit don grond, en.
214
aan 't licht blootgesteld met bladgroen voorziene stengels en bladeren, waardoor voedsel uit de lucht kan worden opgenomen. Dan kan de plant blijven groeien en hare stofmassa doen toenemen. Gelijk nu zoo even opgemerkt werd, vormt zich in het bladgroen dier bladen zetmeel. Wordt daarna de plant eenigen tijd in liet donker gehouden, dan komt in de bladgroenhoudende cellen der bladeren enz. geen zetmeel meer voor. Onderzoekt men echter de bladsteelen, de schors enz. dan wordt het hierin, nu eens als grootere dan als kleinere korrels aangetroffen. In zijne plaats ontdekt men ook niet zelden suiker, (waarin het, gelijk wij weten, gemakkelijk kan worden omgezet), in deze deelen; maar noch suiker noch zetmeel worden in den regel in deze deelen in aanzienlijke hoeveelheid opgehoopt. Het is hier, deels in suiker omgezet, om het zoo uit te drukken, op weg daarhenen geleid te worden, waar nieuwe cellen zullen ontstaan, om hier verbruikt te worden om deels celstof, deels andere stoffen voor den opbouw der cellen te vormen. Evenals dus bij het ontkiemen uit het, als voorraadstof aanwezige zetmeel, celstof gevormd wordt, heeft dit ook plaats met het zetmeel, dat in de bladeren bereid is. Is de aardappelplant eindelijk zoo ver gewassen, dat zij begint knollen te zetten, dan wordt het zetmeel hierin opgehoopt.
Wij hebben hier een eenvoudig voorbeeld van assimilatie (vorming van bestanddeelen der plant uit het opgenomene voedsel), van verbruik van de opgenomene (geassimileerde) stoffen als bouwmateriaal tot vorming van nieuwe cellen en van ophooping van de gevormde stof als reserve om in een volgend jaar tot vorming eener nieuwe plant te dienen. Op gelijke wijze wordt bij onze graan- en peulvruchten het in de bladeren gevormde zetmeel (of een ander koolhydraat) naar de zaden gevoerd. In de suikerbieten wordt daarentegen rietsuiker, in de dalüiabollen en de tojiinambours inulin opgehoopt, maar ook in deze gevallen is het koolhydraat , dat in deze verbindingen is omgezet, in de bladeren ontstaan.
Meer ingewikkeld is de vorming van andere niet minder belangrijke bestanddeelen der plant, b.v. de eiwitstoffen. Deze ontstaan waarschijnlijk veelal uit de in de bladeren gevormde koolhydraten onder medewerking van de salpeterzure of ammoniakzouten (voor de stikstof) en de zwavelzure zouten (voor de zwavel). Bij de meeste planten treft men de salpeterzure en zwavelzure zouten in verschillende plantdeelen verspreid aan, en waarschijnlijk wordt in dit geval daaruit en uit het aanwezige koolhydraat direct eiwit gevormd; bij andere planten vindt men daarentegen alleen in de wortels salpeter; dan ontstaan waarschijnlijk eerst amidachtige lichamen, die zich in de andere deelen der plant verspreiden en hier in eiwit worden omgezet; in planten die symbiotisch door schimmels met humus stik stof gevoed worden (bl. 206) treft men in het geheel geen salpeterzuur aan, ook dan ontstaan waarschijnlijk eerst amidachtige lichamen. Hoe de vrije stikstof in organische verbindingen wordt opgenomen, bl. 207, is nog onbekend.
De andere uit den bodem opgenomene zouten dienen weder tot vorming van andere stoffen, de ijzeroxydzouten b.v. tot vorming van het ijzerhoudende bladgroen; do kalizouten en phosphaten schijnen vooral naast of met do eiwitstoffen werkzaam te zijn bij de vorming van het protoplasma of tot verplaatsing van de gevormde stoffen als koolhydraten en eiwit. Vergelijk bl. 182.
215
De opgenomen zouten zelve worden daarbij dikwijls ontleed en andere inzonderheid zouten van organische zuren gevormd. Wordt b.v. zwavelzure en salpeterzure kalk door de plant opgenomen en wordt de daarin voorkomende zwavel en stikstof verbruikt tot vorming van eiwit, dan schijnt liet tevens gevormde oxaalzuur te dienen om de basis kalk van de evengenoemde zouten vast te leggen. Zoo althans laat zich de aanwezigheid van de onoplosbare en gekristalliseerde oxaalzuur kalk in de cellen van vele plantendeelen, vooral van de bladeren, verklaren.
Uit een en ander volgt dus dat uit het opgenomen voedsel verschillende verbindingen ontstaan, die weder in andere verbindingen omgezet worden, dat er eene gedurige stofwisseling en verplaatsing van stoffen in de planten plaats heeft. Voor deze omzettingen, voor die stofwisseling is toetreding van zuurstof een even noodzakelijk vereischte, als bij de ontkieming, het uitbotten enz. Gelijk er dan een gedeelte van de voorraadstof verbrandt en er koolzuur uitgeademd wordt, heeft dit ook plaats, wanneer uit de geassimileerde stoffen andere gevormd worden. Gelijk er dan warmte vrij wordt, heeft dit ook plaats bij de omzettingen gedurende den groei der plant. Vooral bij het ontplooien van sommige bloemen (Aronskelken b.v.) is die warmteontwikkeling aan het stijgen van een daarin geplaatsten thermometer zeer goed waar te nemen i).
Uit het bovenstaande volgt verder, dat aangezien de verbindingen in bepaalde gedeelten der plant, b.v. in de bladeren ontstaan en in andere gedeelten verbruikt of opgehoopt worden, zij zich in de plant moeten bewegen, en dat de richting dier beweging van beide plaatsen afhankelijk moet zijn. Van de bladeren bewegen zij zich dus overal daarhenen, waar nieuwe cellen gevormd worden of de bestaande in grootte toenemen, dus naar de groeipunten van stengels en wortels en naar de cambiumlaag, waaruit hout en bast gevormd worden, enz. Daar de bladeren gewoonlijk de buitenste en bovenste gedeelten eens stengels vormen, kan men inzoover van een' dalenden vechtstroom spreken , in tegenstelling met den stroom van vocht, die van de wortels naar de bladeren gaat. jSTiet alle geassimileerde verbindingen ontstaan echter in de bladen en daarom dient de leer van een' dalenden vochtstroom niet te streng opgevat te worden. Bovendien gaat het vocht, waarin het geassimileerde voedsel, waar dan ook gevormd, opgelost is, deels naar beneden, deels naar boven, al naar de ontwikkeling der plant dat vereischt. In den tijd der zaad-vorming is de stroom van voedingsvocht hoofdzakelijk naar de vrucht gericht. Dan gaan de stoffen, tot nog toe in de stengels en bladeren verspreid, in het zaad over. Zelfs het bladgroen verdwijnt ten slotte uit do bladeren; deze verliezen daardoor hunne groene kleur; zijne bestanddeelen, in andere ver-
1) Wij mogen aannemen, dat liet zuurstofverbruik voor die oxydatie, evenals in het dierlijk lichaam of wil men in eene stoommachine, met het verrichten van arbeid door de plant in verband staat. Dat de vorming van koolzuur in de plant niet altijd een oxydatieproces is, blijkt hieruit dat een plantendeel, zoolang het in leven is, ook in eene atmospheer, die vrij van zuurstof is, b.v. in stikstof of waterstof, koolzuur uitademt. Men noemt dit intermoleculaire ademhaling, omdat dit koolzuur ontstaat door splitsing b.v. van druivensuiker, waarbij dan tevens een weinig alcohol ontstaat.
216
bindingen omgezet, hoopen zich insgelijks in het zaad op. Als de zaadvorming begint, houdt de ontwikkeling van wortels, stengels en bladeren meestal op, tenzij men door de cultuur aan den groei der plant eene richting geeft, waarbij eene groote stengel- en bladmassa voortgebracht wordt (bij de bemesting met veel stikstofhoudenden mest, verschen stalmest b.v.) of wanneer dooi-ongewone omstandigheden de beweging der geassimileerde stoffen eene andere richting neemt (het doorwassen van sterk gelegerd koren b.v.). Met dit ophouden van stoftoevoer en dus ook van de ontwikkeling der wortels is ook in overeenstemming de waarneming, dat dan geene minerale bestanddeelen meer uit den grond worden opgenomen, bl. 183. Het opnemen daarvan staat toch in onmiddellijk verband met den groei der wortels. Deze schuiven langzamerhand in den grond vooruit, de wortelharen vergroeien met den bodem. Zijn deze eenigen tijd werkzaam geweest tot het opnemen van voedsel, dan sterven zij af; de wortel is dan met eene kurklaag bedekt (vergelijk Fig. 11 en 13). Worden nu geene stoffen meer naar de wortels gevoerd, kan kunnen geene nieuwe wortelharen meer worden gevormd en kan de plant geene aschbestand-deelen meer opnemen.
Bij de overblijvende planten is in den herfst de stroom van het geassimileerde voedsel naar die deelen gericht, waarin dit bewaard wordt: bij de Aardappels dus naar de knollen, bij de Mangel- en Suikerbieten naar den wortel, bij de boomen naar het merg, bij de Grassen (Kweek, Beemdgras enz.) en meer andere planten, die met een wortelstok overblijven, naar den wortelstok of naar den uitstoelingsknoop. Als in den herfst de koudere dagen komen, dan houdt het assimileeren niet alleen op, maar het geassimileerde met bladgroen en al gaat in genoemde deelen over. Dan vallen de bladeren af, dan „kruipt het gras in den grondquot;, dat is de bladeren worden slap, hun voedings-vocht gaat in de onderaardsche deelen over. Merkwaardig is ook de ophooping van het geassimileerde bij die overblijvende planten, welke niet alle jaren bloeien en vruchten voortbrengen of dit slechts na verloop van een zeker aantal jaren doen, b.v. de zoogenaamde honderdjarige Aloë {Agave americand) en bij onze vruchtboomen. De Agave heeft verscheidene jaren noodig om in zijne vleezige bladen genoeg voedsel te verzamelen en dat eindelijk tot ontwikkeling van zijn eenige meters hoogen bloemstengel en zijne talrijke bloemen te gebruiken. Bij onze vruchtboomen heeft niet minder zulk eene ophooping in het vruchthout plaats. Dit moet noodzakelijk eerst goed ontwikkeld zijn, alvorens het vruchten kan voortbrengen. Bij Perziken, Abrikozen enz. sterft zulk een vruchttak, nadat hij „gedragenquot; heeft, af. Het daarin opgehoopte voedsel is dan verbruikt; hij kan weggesnoeid worden om plaats te maken voor een anderen tak, „het vervangingshoutquot;, waarin in hetzelfde jaar, waarin de vruchttak gedragen heeft, voor de vruchtvorming dienende stoffen opgehoopt zijn.
De wegen, langs welke de door de plant geassimileerde voedingstoffen zich naai- de verbruiksplaatsen begeven, zijn wat de koolhydraten en het vet aangaat, het parenchymweefsel van de schors en het merg. Voor het vervoerder eiwitstoffen dienen daarentegen hoofdzakelijk de zeefvaten der bast en de melksapvaten. Dat ook hier de verplaatsing meestal slechts in opgelosten toestand plaats heeft, is duidelijk, daar zij veelal slechts van cel tot cel geschiedt.
217
De oorzaak (lezer sapbeweging moet dan ook deels in de vroeger vermelde osmose, deels in de verschillende spanning, waarin de onderscheidene cellen en weefsels zich bevinden, gezocht worden. Om dezelfde reden als er eene uitwisseling van vocht plaats heeft tusschen dat van den bodem en de cellen der wortelharen en tusschen deze en de aangrenzende cellen, heeft er ook overgang van vocht plaats van de eene cel in de andere in het parenchym-weefsel van het merg, wanneer deze niet dezelfde oplossing bevatten. Veel draagt tot dezen vochtstroom bij het verbruik van het voedingsvocht zelf en de ophooping zijner bestanddeelen in de zaden enz. Wordt toch in een zich ontwikkelend zaadje uit de opgeloste suiker zetmeel of olie of celstof gevormd, dan wordt daardoor, wijl deze onoplosbaar worden, het evenwicht tusschen den oplosbaren inhoud der cellen verbroken. Uit de naburige cellen, die nu meer suiker in oplossing bevatten, gaat deze in het zaad over. Daardoor wordt ook het sap van laatstgenoemde cellen verdund; uit de hieraan grenzende cellen wordt echter weder suiker toegevoerd enz. Het verbruik van het voedingsvocht of de ophooping zijner bestanddeelen heeft dus eene beweging van het vocht in de richting van dat verbruik en die ophooping ten gevolge.
Het verschil in spanning of druk, waarin of waaronder de onderscheidene cellen en weefsels zich bevinden, is mede eene oorzaak der beweging van het voedingsvocht. Do opperhuid en de kurklagen eens stengels b.v., die een min of meer veerkrachtigen band rondom de daaronder gelegene parenchym-cellen, zeefvaten en melksapvaten vormen, persen het vocht als het ware uit de cellen dezer deelen daar henen, waar eene geringere spanning is, dat is vooral naar de groeipunten van wortels en stengels, wier weeke bekleeding nog niet dien druk vermag uit te oefenen. Wij behoeven de bloemsteel eener Paardebloem of de stengel eener Melkdistel slechts door te breken om het witte melksap uit deze deelen te zien vloeien: een bewijs dus, dat het onder eene zekere drukking staat. De boomkweekers maken ovorlangsche insnijdingen in de schors aan die zijde eens taks, waar zij de vorming eener knop in de hand willen werken. Zij verminderen daardoor de spanning in dit deel en bevorderen zoodoende hierheen eene strooming van het voedingsvocht. Zeer waarschijnlijk heeft „het rollenquot; van een welig gewas en het knikken van de stengels bij 't legeren der granen om eene dergelijke reden eene wijziging in de richting van het voedingsvocht ten gevolge (Doorwassen).
Met de eiwitstoffen en de koolhydraten worden ook de phosphorznre zouten en de kalizouten in de plant verplaatst en werken tot dit vervoer wellicht mede. Zie bl. 182. Dehérain brengt het verplaatsen van de eiwitstoffen en de koolhydraten uit de benedenste deelen in de bovenste en van daar in het zaad in verband met de verdamping. Volgons p'oeven, door hem genomen, verdampt er uit de onderste, oudere bladen minder water dan uit do bovenste. Als nu ten tijde van liet vormen der zaadkorrels en vooral tegen het rijp-worden, het opnemen van water uit den bodem geringer wordt, en eindelijk geheel ophoudt, verplaatst zich volgens hem het water en daarmede de daarin opgeloste stoffen uit de onderste deelen naar de bovenste. Helder, droog weer werkt daarom de ontwikkeling van het zaad zeer in de hand, want dan verdampt er meer water uit de bladeren, vooreerst omdat de luchtruimte het sneller opneemt en ten tweede omdat bij eene heldere lucht de planten meer
218
licht ontvangen en volgons proeven, door liem genomen, het licht de verdamping bevordert. Vochtig weer en eene betrokkene lucht zijn daarentegen nadeelig voor de zaadvorming en het rijpworden der zaden, omdat het vervoer van stoffen nit de onderste naar de bovenste bladen en verder naar de vrucht dan in geringere mate plaats heeft. quot;Warmte oefent hier, volgens Dehérain, minder invloed uit, omdat de verdamping door de bladen minder van de temperatuur dan van het licht afhankelijk is. Daarmede in overeenstemming is het bekende gezegde, dat „een noordenwind zwaar koren geeftquot;, of zooals men in Bourgogne zegt ,,que la bise est la mère nourricière des coteauxquot;, dat is de noordenwind is de minnemoeder der wijnbergen. quot;Want een noordenwind geeft in den zomer, zie bl. 105, helder, droog weer. Veel droogte en eene heldere lucht vóór of kort na den bloeitijd, als de planten nog voedsel opnemen en assimileeren, is schadelijk, want dan heeft die stof verplaatsing te snel plaats (het te vroeg beloopen van 't graan). Voor den grasgroei daarentegen is warmte en vochtigheid zeer dienstig; want dan wordt eene grootere bladmassa gevormd en schiet het gras niet zoo spoedig in 't zaad.
c. Invloed van licht en warmte op den plantengroei. De invloed van het licht op den groei der plant is ons niet alleen zoo aanstonds maar ook reeds vroeger gebleken. Immers is reeds door ons opgemerkt, dat voor 't vormen van bladgroen en de ontleding van 't koolzuur en de daarmede gepaard gaande vorming van verbindingen, b.v. zetmeel, het licht een noodzakelijk vereischte is. Voor de vorming van het laatste schijnt echter sterker licht noodig te zijn dan voor die van het eerste. Want planten, b.v. boonen, die men in het zwakke licht eener kamer groen zag worden, vormden nog geen zetmeel in haar bladgroen; zij deden dit wel, toen ze voor 't venster waren geplaatst en gedurende een gedeelte van den dag direct het licht dor zon ontvingen, en veel meer toen zij buiten meer van alle kanten door de zon werden beschenen. Ook op de ontwikkeling van de versclüllende organen oefent het licht invloed uit. Planten, in de schaduw gegroeid, blijven niet alleen bleeker, maar wassen ook meer in de lengte, dan de planten, aan het zonlicht blootgesteld. Hare stengels en bladeren, — welke laatste niet zelden veel kleiner blijven, — worden minder stevig (blijven malscher). In dergelijke planten worden de celwanden minder verdikt on minder verhout; juist daarom zijn deze planten minder stevig en gaan spoedig legeren. Daarop oefent echter ook de door den schaduw vertraagde verdamping invloed uit, bl. 217. Gebrek aan licht werkt derhalve op de meeste cultuurgewassen schadelijk. Echter schijnt de bijzondere aard der planten te dezen opzichte ook van invloed te zijn. Planten, die aan schaduw gewoon zijn, sommige onkruiden b.v. en vele boschplanten, gaan te gronde, wanneer zij op het open veld geplaatst worden.
Als een gevolg van den invloed van 't licht op den plantengroei moet ook het zoogenaamde heliotropisme of zontrekkend vermogen beschouwd worden. Daaronder verstaat men de eigenschap of het vermogen van plantendeelen om zich naar de zon toe (positief heliotropisme) of soms van de zon af te buigen (negatief heliotropisme). Tengevolge van den minder of meer sterken lengte-groei van die cellen, welke naar do zon toegekeerd zijn, buigt zich namelijk b.v. de stengel öf naar deze óf naar gene zijde. Daar de van de zon afgewende zijde des stengels minder licht ontvangt dan de naar de zon toegekeerde en
219
de cellen aan gene zijde in den regel dus meer in de lengte groeien (zie hierboven), heeft dit eene kromming van den stengel naar de zon toe ten gevolge. Daarbij werken echter ook nog inwendige oorzaken mede. Bladeren b.v. die aan hun eene zijde veel bladgroen bevatten, ziet men bij eenzijdige belichting met die zijde naar het licht toe krommen.
Dat ook de warmte invloed uitoefent op den plantengroei, is van algemeene bekendheid. In 't algemeen geldt dienaangaande de volgende wet; Elke levens-verrichting heeft slechts jilaats, wanneer de plant of eenig plantendeel een' zekeren graad boven het vriespunt van het plantensap gestegen is; zij houdt op bij eene bepaalde temperatuur boven het vriespunt, die bij de meeste planten tusschen 40 en 50 graden C. gelegen is. Ofschoon men dus mag aannemen, dat de levensverrichtingen bij temperaturen tusschen 0 en fiO0 plaats hebben, is van den invloed der warmte op de levensverrichtingen in bijzonderheden nog weinig bekend. Welken invloed de temperatuur op liet ontkiemen uitoefent, is hierboven reeds medegedeeld. Voor de voeding der plant, dat is dus voor het opnemen van de bestanddeelen uit den grond en uit de lucht en voor liet verwerken dezer stoffen schijnt eene hoogere temperatuur noodig te zijn als voor het ontkiemen. Zoo heeft men gevonden, dat van verder ontwikkelde planten de wortels van Tarwe en Lupinen ophouden te groeien bij 7.5°, die van Erwten bij 6.8, van Maïs bij 9.0° C. Heeft dus het ontkiemen bij eene lage temperatuur plaats gehad en stijgt deze niet, dan blijft het kiem-plantje allicht in zijne ontwikkeling stilstaan. Soms schijnt die te lage temperatuur, wanneer zij niet te lang duurt, geene schadelijke gevolgen te hebben, in andere gevallen wel.
Het groenworden der bladgroenkorrels heeft bij Maïs, Koolzaad en Tuin-boonen eerst boven 6° plaats; het uitstoelen der Granen houdt bij 8.8° C. op. Door te lage temperatuur wordt het Koolzaad 's winters rood, de Boerenkool niet zelden wit van kleur.
De bijzondere aard der planten is hier natuurlijk ook van invloed. Rogge ziet men b.v. 's winters nog groeien en eene groenere kleur houden, als vele andere planten daarmede hebben opgehouden en min of meer geel zijn geworden. Planten in een koud klimaat, b.v. de in de nabijheid der eeuwige sneeuw groeiende Alpenplanten, schijnen eerst bij 0°, die in warme landen daarentegen reeds tusschen 10 en 15° C. do grens van haren groei bereikt te hebben.
Evenals het ontkiemen bij eene zekere temperatuur het snelst geschiedt, zoo is er ook eene temperatuur waarbij de planten het snelst groeien. Men heeft b.v. gevonden dat de kiemwortels van Erwten het snelst groeien bij 26.06, die van witte Mosterd en Vlas bij 27°, van Maïs bij 33.5° en van Komkommers bij 87 quot;2 C.
Het snelle groeien bij die temperaturen is echter voor do planten geenszins altijd gunstig, daar de groei dan een geheel ander karakter krijgt. Terwijl b.v. het graan bij eene constante temperatuur van 10° C. weliswaar langzaam groeit, vormen zich dan sterke wortels, krachtige dikke halmen en betrekkelijk korte maar breede bladen. Daarentegen worden als bij eene hoogere temperatuur het groeien zoo snel mogelijk geschiedt, steeds dunnere wortels gevormd, dunnere en spichtiger halmen, lagere en smallere bladen; bij 30.5 C. reeds zien de wortels er uit als viltachtige draden. Zie ook bl. 198.
220
Ook de ademhaling der planten, dat is het opnemen van zuurstof en de daarmede gepaard gaande stofwisseling in de plant, wordt door de temperatuur bevorderd. Volgens Dehérain en Moisson is de verbranding in de plant dan meer volkomen: er wordt meer koolzuur gevormd, dat uitgeademd wordt, terwijl bij eene lagere temperatuur verbindingen, die minder zuurstof bevatten, als wijnsteenzuur, appelzuur enz. ontstaan, welke in de plant achterblijven. Vandaar dat de druiven in een kouder klimaat geteeld, meer zuur bevatten, dan die der zuidelijke landen, bl. 59 !).
Het zoetworden der aardappelen bij eene lage temperatuur, wanneer, zooals men 't noemt, de vorst er over gaat zonder dat zij eigenlijk bevriezen, iaat zich mede op deze wijze verklaren. Des winters wordt namelijk in een aardappelknol een weinig zetmeel in suiker omgezet, die echter onder gewone omstandigheden door do ademhaling, bl. 215 steeds verbruikt wordt. Bij eene lagere temperatuur vermindert echter de ademhaling, terwijl de suikervorming voortgaat of met andere woorden het verbruik der suiker houdt dan geen gelijken tred met de vorming daarvan. Vandaar dat de aardappels zoet worden. Brengt men ze in eene ruimte waar de temperatuur boven 10° C. is, dan neemt de ademhaling toe, wordt alzoo meer suiker verbruikt en verdwijnt de zoete smaak.
Hoe hooger temperatuur, des te sneller zijn de levensverrichtingen afgeloopen, des te korter duurt dus het leven der plant. Volgens deze wet zal dus Rogge, in Zeeland geteeld, een anderen groeitijd moeten hebben dan b.v. de in Limburg geteelde, die in Groningen en Friesland een andoren dan die in Noord-Holland. Vergol. bl. 72. Om te dezen opzichte tot eene vergelijking te komen, vermenigvuldigde Boussingault het aantal groeidagen met de gemiddelde temperatuur der plaats in den groeitijd, en vond nu voor Tarwe te
|
groeidagen Eisass Parijs Kingston 137 160 122 |
Gem. temp. Product. 2055 2146 2198. 15° C. 130.4 17.2 |
Dergelijke berekeningen hebben ook Hoffmann, Krutzsch en anderen gemaakt. Daar hot groeien echter niet slechts van de warmte, maar ook van hot licht, de vochtigheid enz. afhankelijk is, hebben deze getallen slechts eene betrekkelijke waarde. Bovendien is niet alleen de temperatuur der lucht, maar ook die van den bodem hier van invloed. Uit den bodem moeten de planten o. a. water opnemen. En ook dit begint eerst bij eene bepaalde temperatuur. Boomen met diepgaande wortels (Eiken b.v.) ontwikkelen zich daarom des voorjaars later dan boomen, wier wortels minder diep gaan, b.v. Beuken, omdat de diepere grondlagen kouder zijn. In den herfst blijven om dezelfde reden eerstgenoemde planten langer groeien, daar de onderste lagen dan warmer zijn. Vergl. bl. 76. Door den grond rondom de boomen met stroo enz. te bedekken en dezen daardoor langer koud te houden, gaat men in Pruisisch-Lithauen de
1) In warme zomers krijgen de ooftvruchten ook meer geur (aroma). Bij de intcr-moleculaire ademhaling, zie noot bl. 215, die dan sterker is, wordt uit suiker een weinig alcohol en koolzuur gevormd, welke alcohol met de organische zuien samengestelde aethers vormt, die den geur veroorzaken.
221
ontwikkeling der kerseboomen tegen, wier bloei bij eene te vroege ontwikkeling gevaar loopt door de nachtvorsten vernield te worden.
Als de luclittemperatimr aanmerkelijk hooger is dan die van den bodem, heeft dit voor sommige planten niet zelden den dood ten gevolge. Jonge tabaks- en komkommerplan ten heeft men in een vochtigen bodem slap zien worden, als de temperatuur van den grond 3 a 5° C. bedroeg, omdat het water, dat nit de bladen verdampte, niet werd aangevuld. Ook het sterven van jonge denneboompjes in het voorjaar kan daaraan worden toegeschreven. Daarmede in verband staat ook het geel worden der granen, 't welk in liet voorjaar niet zelden waargenomen wordt, aangezien de wortels dieper in den grond dringende, steeds koudere lagen ontmoeten.
Eene temperatuur, hooger dan 40 a 50° C., is in het algemeen doodelijk voor de planten. Do meerdere of mindere waterrijkheid schijnt echter daarbij ook van invloed te zijn; droge zaden toch kunnen veel meer verhit worden, zonder hun kiemvennogen te verliezen, dan vochtige. Hetzelfde geldt voor lage temperaturen. Knoppen b.v., waarin het voorjaarsvocht nog niet is opgestegen , vriezen minder spoedig dood dan knoppen, die op het punt staan zich te ontwikkelen. Droge zaden kunnen ver beneden het vriespunt afgekoeld worden — men heeft ze zelfs tot —80° C. afgekoeld — zonder dat zij hun kiemvennogen verliezen, vochtige zaden niet.
Uitgezonderd boomen en heesters en de planten, die met een wortelstok in den grond overblijven, kunnen betrekkelijk slechts weinig zichtbaarbloeiende planten eene temperatuur beneden 0° C. verdragen en vriezen dus 's winters meestal dood. Of die dood een gevolg is enkel van de koude is niet met zekerheid bekend, omdat het nog niet gelukt is eene plant door sterke afkoeling werkelijk te dooden. Zeker is het, dat vele planten of plantendeelen niet door het bevriezen, maar door de wijze, waarop zij ontdooien, sterven. Het in de bevrozen plant gevormde ijs bevindt zich namelijk niet in de cellen maar in de intercellidaire ruimten. Geschiedt nu het ontdooien langzaam, dan schijnen de cellen weder vocht op te kunnen nemen en zich te herstellen, maar heeft het ontdooien plotseling plaats, dan worden de weefsels stuk gescheurd, de planten worden slap en sterven. Men kan zich hiervan gemakkelijk overtuigen door b.v. bevrozen koolplanten langzaam en plotseling te laten ontdooien. Ook door het zoogenaamde opvriezen van den grond kunnen jonge graanplantjes sterven, waarover later.
Naast warmte en licht oefent ook de zwaartekracht invloed op den plantengroei uit. Zij veroorzaakt onder anderen, dat de stengel eener plant meestal naarboven en de wortel naarbeneden groeit. Hoe de zwaartekracht daarbij werkt, is echter niet met zekerheid bekend. Plaatst men een' stengel horizontaal, dan kan men zich voorstellen, dat de onderzijde onder den invloed der zwaartekracht zich sterker ontwikkelt dan de bovenzijde en hij zich daardoor naarboven kromt; dat bij een wortel juist het omgekeerde het geval is, en deze zich naar beneden buigt; maar de reden waarom de stengel zich dan aan den onderkant en de wortel aan den bovenkant het meest ontwikkelt, weet men niet met zekerheid.
Dat intusschen bij het oprichten van een stengel verschil in groei plaats heeft, kan men duidelijk waarnemen bij een omgebogen of omgevallen graan-
222
halm. Steeds geschiedt dit oprichten bij een bladknoop, Fig. 69, dat is het groeipunt van een blad en, gelijk ook de fig. aanwijst, ziet men duidelijk dat
J| de onderzijde der knoop meer gekromd is dan de bovenzijde. | Zie ook bl. 219.| de onderzijde der knoop meer gekromd is dan de bovenzijde. | Zie ook bl. 219.
Wij hebben hiermede de voornaamste groeiversehijnselen der
I.....quot; planten afgehandeld. Bij die behandeling hebben we vooral
| onze landbouwgewassen op het oog gehad en enkele malen er op gewezen, hoe door de teelt, dat is door de opzettelijke leiding van den mensch, die groei gewijzigd wordt. Wij zouden || thans die voeding nog in verband met de cultuur moeten beschouwen. Menig landbouwer zal, na het bovenstaande gelezen te hebben, ook de opmerking maken; al die groeiver-Fic. 09. Op- schijnselen zijn zeer interessant, maar zij zijn grootendecls richting van een onafhankelijk van onzen wil. Ik moet als landbouwer weten, bladknoop'fc' lloe inijn grond en mijne planten te behandelen, om daarvan de grootst mogelijke opbrengst te verkrijgen overeenkomstig het doel, dat ik mij met liare teelt voorstel. De landbouwwetenschap moet mij zulks aanwijzen. Deze opmerking zou ten deele juist zijn. Het spreekt toch van zelf, dat aangezien de ontwikkeling afhankelijk is van de voeding, deze gewijzigd moet worden naar het doel waartoe de landbouwer zijne planten teelt, dat is naar de wijze hoe hij ze wil laten ontwikkelen. Evenals hij zijn mestvee ander voedsel geeft dan zijn melkvee en zijne paarden anders voedt dan de varkens, zoo heeft ook een gras- of klaverveld andere eischen dan een tarweveld, niet alleen omdat wij hier met de voeding van verschillende planten te doen hebben, maar ook omdat in liet eerste geval eene groote stengel- en bladmassa en in het tweede geval inzonderheid zaad voortgebracht zal worden. Maar gelijk de voeding van het vee, wat de hoofdzaak aangaat, op dezelfde wijze geschiedt en er slechts verschil gemaakt wordt in de hoeveelheid en in de verhouding der bestanddeelen van liet voedsel, zoo ook komt de voeding der planten, onverschillig welke, in hoofdzaak op hetzelfde neer. Do algemeene beginselen nu, waarop die plantenvoeding berust, hebben we nagegaan. Om met goed gevolg de bijzondere voeding der planten en de middelen, die den landbouwer daarbij ten dienste staan aan te wijzen, dienen wij vooraf den bouwgrond, de meststoffen enz. te leeren kennen.
3. DE VOORTPLANTING EN VERMENIGVULDIGING.
Het leven eener plant is aan een zekeren tijd gebonden. Er zijn planten, die slechts eenige dagen, er zijn andere, die verscheidene jaren leven. Alle sterven ze echter na een zeker tijdsverloop. Intusschen is nu eens op deze dan op gene wijze voor hare voortplanting, dat is voor het voortbrengen van planten van gelijke soort gezorgd. De meeste zichtbaarbloeiende planten doen dit door zaad, de bedektbloeiende meestal door sporen voort te brengen. Andere wijzen van voortplanting zijn die door klisters (vooib. Hyacinthen), uitloopers (voorb. Aardbeziën), wortelstokken (Hop, Kweek), stekken enz. Deze wijze van voortplanting kan men in 't algemeen die door knoppen noemen.
Met de voortplanting in het nauwste verband staat de vermenigvuldiging.
223
Het voortbrengen van zaad b.v. is bij eene plant niet alleen een middel om zicli voort te planten, dat is hare soort in stand te houden, maar ook tot vermeerdering, in vele gevallen ook tot verspreiding. Vele zaden zijn daartoe bijzonder ingericht, b.v. die der Distels door het zoogenaamde vruchtpliüs.
De voortplanting door knoppen wordt vooral in de ool'tboomteelt en bij de teelt van bloemen en sierplanten toegepast, omdat op deze wijze niet alleen de soort, maar ook de variëteit wordt voortgeplant. Wij komen hieronder daarop terug. Deze voortplanting geschiedt deels op eene natuurlijke, deels op eene kunstmatige wijze. Natuurlijk, door het voortbrengen van klisters bij Hyacinthen, Tulpen enz., van broedknoppen bij do zoogenaamde Vuurlelies, van uitloopers bij witte Klaver, Aardbeziën enz., van onderaardsche stengels (wortelstokken) bij verschillende Grassen, het Hoefblad, de Kweek, Hop enz., omdat de knoppen met of zonder aanhangende deelen op eene natuurlijke wijze van de planten verwijderd worden en, in daarvoor gunstige omstandigheden gebracht, dadelijk beginnen te groeien, 't Spreekt van zelf, dat ook liierbij de vermenigvuldiging kunstmatig b.v. door liet verdoelen van een' wortelstok, kan bevorderd worden.
Slechts door toedoen van den mensch en derhalve geheel kunstmatig is de voortplanting door stekken en afleggen en bij het enten, oculeeren, copuleerr.n en zuigen, 't Is bekend, dat onder onze boomen de Wilgen, Populieren en andere met week hout het best door stekken vermenigvuldigd kunnen worden. Steekt men de daarvoor bestemde takken in den grond, dan overdekt zich de wonde met zoogenaamd lidteekenweefsel, terwijl in zijne nabijheid uit de cambiumlaag bijwortels ontstaan, die deels dit lidteekenweefsel, deels do schors doorbrekende, in den grond dringen. Ook de vleezige bladeren van sommige sierplanten (Begonia's b.v.) kunnen ter voortplanting dienen. Bij het afleggen wordt een tak, terwijl hij met de moederplant verbonden blijft, gedeeltelijk in de aarde gebogen en hier van kerven voorzien en met aarde overdekt. Op deze plaats ontwikkelen zich dan op gelijke wijze daaruit bijwortels, en na eenigen tijd kan hij van de moederplant verwijderd worden. Een stek moet noodzakelijk voorraadstoffen voor de vorming van liet lidteekenweefsel en de bijwortels in zich bevatten: 't geschikte tijdstip tot deze voortplanting is dus het voorjaar. Afleggen kan ook in den zomer, in den tijd dus dat de plant voedsel opneemt en assimileert, plaats hebben. Het geassimileerde wordt dan dadelijk gebruikt tot vorming van de bij wortels. De inkervingen hebben ten doel om de spanning op dit deel te verminderen en den stroom van voedingsvocht hier heen te leiden.
Met het enten, oculeeren enz. stelt men zich ten doel eene veredeling van andere planten l); men tracht daarbij een edel lot of een edelen knop, dat is een takje of een knop van eene plant, die als edel beschouwd wordt, omdat zij betere vruchten enz. voortbrengt, verder te doen ontwikkelen op eene plant, die zich te dezen opzichte minder gunstig onderscheidt. Enten noemt men dan het plaatsen van een van onderen toegesplitst takje in eene spleet op den top der takken van den te veredelen boom (wildeling), die tot op eene
') Bij lei-vruchtboomen worden door oculatie ook wel knoppen van dezelfde variëteit. overgebracht, om ledige plaatsen op de gesteltakken aan te vullen.
zekere hoogte afgesneden zijn (spieetenten). Of men plaatst een takje met een stnk schors tusschen de losgemaakte schors op den geknotten stam (kroonenten). Gopuleeren heet de handelwijze als een schuins afgesneden tak op een anderen op dezelfde wijze afgesneden en daarop nagenoeg passenden tak geplaatst wordt; xuigen als twee takken van verschillende boomen op elkander bevestigd en beide op de moederplant gelaten worden, tot eene vergroeiing heeft plaats gehad. Bij het oculeeren wordt een knop, met een schild-of pijpvormig stuk schors door middel van eene T-vormige insnijding onder de schors of, doordien men een gedeelte der schors rondom den te veredelen tak heeft weggenomen, met liet dan pijpvormig stuk schors overgeplant. In al deze gevallen moeten de gemaakte wonden op de plaats der bevestiging met was (entwas) overdekt worden, om ze van de lucht af te sluiten en steeds de cambiumlagen van de beide plantdeelen met elkander in aanraking worden gebracht. Bij de celvorming, die dan tusschenbeide plaats heeft, worden beide aan elkander verbonden. De verbindingsplaats vormt de grens tusschen het edele deel en den wildeling. Alles wat zich daarboven ontwikkelt, behoort tot het veredelde gedeelte; wat beneden de plaats van aanhechting uitgroeit, tot den wilden stam.
Het overbrengen van knoppen (of takjes) op andere planten gelukt echter slechts dan, wanneer de planten van dezelfde soort of nauw verwant zijn. Men kan b.v. wel Perziken en Abrikozen op Pruimen, Mispels en Rozen op Haagdoorn enten of oculeeren, maar b.v. geen Rozen op Eiken.
De voortplanting door middel van sporen of van zaad, die men ook geslachtelijke voortplanting kan noemen, verschilt van de hierboven vermelde, omdat daartoe twee verschillende cellen noodig zijn, die elk voor zich ongeschikt ter voortplanting zijn, maai' waarvan de eene door inwerking van de andere zich tot kiem ontwikkelt. Die inwerking zelve noemt men bevruchting, het bevruchtende het mannelijke, het bevruchtwordende het vrouwelijke element. Wij bepalen ons hier tot de zichtbaarbloeiende planten en hebben reeds vroeger de daarvoor dienstige organen eener bloem vermeld. De vroeger vermelde stuifmeelkorrels der meeldraden zijn mannelijke cellen, de zaadknop of eigenlijk de daarin aanwezige eicellen of de kiemblaasjes, zie Fig. 70, de vrouwelijke. Komt de uit eene stuif-meelkorrel zich ontwikkelende buis, met eene eicel in aamaking, wordt laatstgenoemde er door bevrucht, dan ontwikkelt zich deze tot kiem; de zaadknop ontwikkelt zich tot zaad. Zie ook Fig. 65.
Wanneer men bedenkt, dat het aantal stuifmeelkorrels in eene bloem meestal zeer aanzienlijk en slechts ééne dezer korrels noodig is om een eitje te bevruchten, dan is het duidelijk, dat de natuur liier ruimschoots voor de voortplanting zorgt. Bovendien is de stand der meeldraden ten opzichte van den stamper niet zelden zoodanig, dat de uit de helmknopjes vrij gewor-dene stuifmeelkorrels gemakkelijk op den stempel kunnen vallen, die met een
225
kleverig vocht bedekt is, waardoor de korrels worden vastgehouden. De wind en het talrijk heir van insekten, dat de bloemen, bezoekt, zijn voorts middelen, waardoor het stuifmeel op den stempel overgebracht wordt. Noodzakelijk worden laatstgenoemde middelen bij de éénslachtige bloemen, dat zijn die, waarin of alleen meeldraden of alleen stampers voorkomen, inzonderheid wanneer deze tweehuizig zijn, dat is de mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten gevonden worden, (Hennep, Wilgen enz.).
Bij de tweeslachtige bloemen, dat zijn die welke én meeldraden èn stampers bezitten, kunnen zich drieërlei gevallen voordoen: het stuifmeel kan 10 uit de meeldraden deizelfde bloem, 20 uit de meeldraden eener andere bloem, maar van dezelfde plant, en 30 uit de meeldraden van eene bloem eener andere plant afkomstig zijn. Heeft nu eene bevruchting plaats met het stuifmeel van dezelfde bloem of van eene bloem derzelfde plant, zoo heet dit zelf bevruchting, terwijl men van kruishewuchting spreekt als het stuifmeel van eene bloem eener andere plant afkomstig is en dus twee planten tot de bevruchting samenwerken i).
Ofschoon men nu zou vermoeden en uit het bovenstaande ook zou volgen, dat bij de tweeslachtige bloemen zelibevruchting regel is, hebben nauwkeurige onderzoekingen aan 't licht gebracht, dat zulks bij vele planten niet geschiedt, maar dat het eitje van de eene bloem door het stuifmeel eener andere van dezelfde plantsoort bevrucht wordt; dat er dus eene kruising plaats heeft. Ja — het was Conrad Sprengel, die dit reeds in 't laatst der vorige eeuw uitsprak — de natuur schijnt het in vele gevallen niet te willen hebben, dat eene bloem door haar eigen stuifmeel bevrucht wordt. Vooreerst komt het toch voor (bij verschillende Samengesteldbloemigen, de Malva's, Schermbloemigen, Geraniums enz.), dat de meeldraden en de stempel van eene en dezelfde bloem niet te gelijk rijp zijn {dichogame bloemen), dat is, als de stuifmeel-korrels in de helmknopjes volwassen zijn en dus „uitvallenquot;, ia de stempel van dezelfde bloem nog niet ver genoeg ontwikkeld om het te ontvangen (proiandrisclie bloem) of omgekeerd, als de stempel het stuifmeel kan ontvangen, valt dit van dezelfde bloem nog niet uit {protogynisdie bloem). quot;Wanneer het eitje dus bevrucht zal worden, moet dit geschieden door het stuifmeel eener andere bloem, waarin het terzelfder tijd rijp is. Men heeft nu opgemerkt, dat juist deze bloemen veelal honigkliertjes bezitten en daarom veelvuldig door insekten bezocht worden. Deze nemen, van bloem tot bloem vliegende, natuurlijk onbewust , het stuifmeel van de eene bloem en brengen het over op den stempel eener andere. In de tweede plaats heeft men waargenomen, dat sommige bloemen zoodanig ingericht zijn, dat zij niet anders dan door insekten bevrucht kunnen worden, tenzij door tusschenkomst van den mensch, gelijk b.v. mot de gekweekte Vanille in broeikassen, wijl hier de insekten
') In deze ruime beteekenis wordt het begrip kruisbevruchting gewoonlijk in de Plantkunde frenoinen. In de Landbouwkunde is liet begrip minder ruim en verstaat men onder kruisen het vermengen van twee individu's der/.elfde soort maar tot verschillende rassen of variëteiten belioorende, terwijl men van bastardeering of hybridisatie spreekt, als de planten, die onderling bevrucht worden, tot verschillende soorten behooren.
reinders, i. Vierde druk. 15
226
ontbreken. Bevruchting met het stuifmeel derzelfde bloem is hier mogelijk, maar het is meer waarschijnlijk, dat ook in dit geval door de insekten het stuifmeel van de eene op den stempel eener andere bloem wordt overgebracht. Een opzettelijk onderzoek naar de wijze, waarop de insekten de bloemen bezoeken, heeft dienaangaande vele bijzonderheden aan 't licht gebracht. In sommige gevallen zijn de bloemen daartoe ook bijzonder ingericht. Vergelijkt men b.v. de bloemen der Boekweit, Fig. 30, dan zijn in die van sommige planten de meeldraden langer dan de stampers, in die van andere planten is juist 't omgekeerde het geval. Gesteld nu eene bij bezoekt eerst eene bloem met kortere stampers, om uit de kliertjes, aan den voet der bloembladen, honig te zuigen, dan raakt zij noodzakelijk de meeldraden aan; het stuifmeel blijft aan haar lichaam hechten en terwijl zij nu, daarmede beladen, naar eene bloem met langere stampers en kortere meeldraden gaat, schuift zij om dezelfde reden langs den stamper; het stuifmeel blijft hieraan hechten en zij brengt dit dus onwillekeurig van de eerste op de tweede bloem over. — Ook door den wind wordt vele malen bewerkt, dat er eene kruising plaats heeft. Om slechts één voorbeeld te noemen: ieder landbouwer kent het stuiven der Rogge gedurende den bloeitijd. En wat is dat anders dan dat het stuifmeel van de eene bloem naar de andere verplaatst wordt? Maar ook afgescheiden daarvan, bevruchten de stuifmoelkorrels hier toch niet het eitje derzelfde bloem. De meeldraden steken toch zoover buiten de kafjes, die den stempel omhullen, dat het daaruit vallende stuifmeel wel in de lager geplaatste bloemen derzelfde aar of in die der nabijzijnde aren, maar niet in dezelfde bloem kan komen, Fig. 44. 't Is echter duidelijk, dat de wind hier kan medewerken, inzonderheid om ook de bovenste bloemen in eene aar te bevruchten. Dat droogte in den bloeitijd lüer van belang is om eene volledige bevruchting tot stand te brengen, terwijl regen en stilte nadeelig zijn, zal wel geene nadere verklaring behoeven.
De natuur schijnt er dus vele malen voor te zorgen, dat de zelfbevruchting zoo niet onmogelijk gemaakt, dan toch bemoeilijkt wordt en dat er ruimschoots gelegenheid tot eene kruising zij. De voortplanting in de naaste verwantschap, dat is hier zelfbevruchting, is ook bij de planten evenals bij de dieren niet zelden nadeelig voor de vorming van een goed product, dat is het zaad. Verschillende proeven toch hebben geleerd, dat door kruisbestuiving steeds zaden verkregen worden, die bij het ontkiemen krachtige en normale planten leveren, terwijl uit zaad, door zelfbevruchting ontstaan, niet zelden zwakkere planten voortkomen, die in een of ander opzicht bij de eerste ten achteren staan.
Of de mensch ook hier tusschenbeide komen moet, om tot eene hoogere productie te geraken, dan of hij aan de natuur de bevruchting kan overlaten? Op deze vraag kan nog moeilijk een bepaald antwoord gegeven worden. Men meent te hebben opgemerkt dat, nu de bijenteelt minder uitgeoefend wordt dan in vroegere jaren, de bevruchting van sommige planten, o. a. dor ooft-boomen, daaronder lijdt, doordat do bloemen daarvan minder door bijen bezocht worden. Dit is dan ook een der redenen, waarom de bijenteelt thans aangemoedigd wordt. In het klein wordt eene kunstmatige kruisbevruchting dikwijls gedaan bij de bloementeelt om nieuwe variëteiten en inzonderheid (bij bastardeering) dubbele bloemen te verkrijgen, en ook bij andere gewassen, b.v.
227
Granen, is men in de laatste jaren begonnen haar met dit doel in het klein toe te passen. Van eene bloem, die men kunstmatig wil bevruchten worden dan de meeldraden eerst verwijderd (castreeren der bloem) en nu met een pincet of een penceel het stuifmeel eener andere bloem op den stempel overgebracht. Om voorts te beletten dat door insekten stuifmeel wordt aangevoerd, is het noodig de bloem in eene glazen buis te plaatsen of haar met een stolp van gaas te omgeven.
Behalve tusschen plantvormen van dezelfde soort of variëteit kan er ook eene bevruchting plaats hebben tusschen twee verwante soorten en vooral gemakkelijk tusschen de variëteiten van eene en dezelfde soort. In de bloementeelt wordt hier vooral kunstmatige bevruchting dikwijls toegepast. De uit hol aldus verkregen zaad voortgekomene planten, bastaards geheeten, hebben nu eens meer kenmerken van de eene dan eens van de andere plant; meestal echter zijn beide stamouders er in te herkennen. Draagt de eene plant b.v. witte en de andere roode bloemen, dan zijn die der bastaards niet zelden bont of draagt de eene tak witte, de andere roode bloemen. Een dergelijk verschil wordt opgemerkt als b.v. zwarte en witte Haver gekruist worden. Wordt tweerijige met vierrijige Gerst gekruist, zoo zijn de aren der nakomelingen gedeeltelijk twee-, gedeeltelijk vierrijig, gedeeltelijk gemengd. Daarbij voegen zich niet zelden nieuwe kenmerken; de bastaards groeien b.v. dikwijls weliger, krijgen langere stengels, grootere bladeren, mooiere en grootere bloemen van een aangenameren geur, enz. Bastaards tusschen verschillende „soortenquot; zijn nog weinig verkregen. Soms is de vermenging daarbij meer volkomen, zoodat b.v. uit witte en roode bloemen licht-roode bloemen verkregen worden. Vele dezer bastaards zijn echter onvruchtbaar: de meeldraden zijn niet zelden in bloembladen overgegaan en daardoor de bloemen dubbel geworden (vergelijk hierboven); de stampers zijn niet zelden zonder eitjes. Vele bastaards toonen ook neiging tot verandering. Zie hieronder.
Terwijl dus deze verbastering door wederzijdsche bevruchting soms gewenscht kan zijn, werkt zij in andere gevallen hoogst schadelijk en moet zorgvuldig vermeden worden. Bij de teelt van tuinzaden, als van sla, kool, wortels, moeten de planten van de verschillende variëteiten (snijla, kropsla; witte-, roode-, savoije-, bloemkool, enz.), die ter zaad winning uitgepoot zijn. niet te dicht bij elkander geplaatst worden. Eene verbastering, die anders licht plaats kan hebben, zou hier veelal schadelijk zijn, omdat men dan kropsla-zaad, dat slechte kroppen zet, en geene roode-koolzaad, maar bonte-koolzaad zou kunnen verkrijgen enz.
De zichtbaarbloeiendo planten, waartoe onze cultuurgewassen en de meeste onkruiden behooren, planten zich dus of door zaad öf door knoppen voort. Niet zelden hoort men echter de opmerking maken of de vraag opwerpen, als sommige planten plotseling en soms in groot aantal te voorschijn komen op plaatsen, waar ze te voren niet gezien werden, of do planten nog niet op andere wijzen kunnen ontstaan? Op de pas aangeslijkte gronden ziet men b.v. na eenige jaren witte Klaver en verschillende Grassen; Wintergras (Alopecurus agrestis) in een veld, waar het te voren niet gezien werd. Ofschoon liet nu soms moeilijk is bepaald aan te wijzen, hoe daar b.v. zaad gekomen is of een stukje wortelstok, waaruit genoemde planten zich zouden kunnen ontwikkelen,
15*
228
zoo zijn dit tocli de ecnige middelen tot voortplanting. Neemt men echter in aanmerking, dat de zaden op verschillende wijzen verspreid kunnen worden: door den wind, door vogels, met het zaaizaad enz., dan wijst dit de draad aan voor de verklaring van dit oogenschijnlijk wonderbaar verschijnsel. Bovendien kunnen sommige zaden op den bodem van slooten en diep in den grond begraven, lang hun kiemvermogen bewaren en dus later, in daarvoor gunstige omstandigheden gebracht, nog ontkiemen. Krodde heeft men zoo uit de sloot-aarde en in eene gescheurde weide, het Bilzenkruid uit de aarde van vergraven dijken zien ontwikkelen in streken, waar deze planten grootendeels van het tooneel verdwenen zijn, omdat nog kiembare zaden in den vergraven grond aanwezig waren.
Dat men vooral Brandnetels en niet zelden in massa ziet groeien op plaatsen, waar veel puin of ascli aangevoerd is, Melden op een ziltigen aardwal, het Varkensgras bij schuttingen en dammen waar het vee gemolken of doorgevoerd wordt of aan wegen, do Ganzerik {Potentilla anserina) op plaatsen, waar kippen, eenden en ganzen zich veelal ophouden, komt niet, omdat die planten uit de asch of het puin of den ziltigen grond ontstaan of door het vee of de kippen aangevoerd zijn, maar omdat zij zich juist daar gunstig ontwikkelen, dat zij daar beter willen groeien dan andere planten. In eene goed gemeste weide ziet men ze niet; daar kunnen de andere planten „in den strijd om het levenquot;, het wel tegen haar volhouden.
Niet minder onjuist is de meening, dat eene plant plotseling in eene andere soort, b.v. Gerst in Drep (Bromus secalinus) zou kunnen veranderen, of het Wintergras op eene andere wijze dan uit zaad zou kunnen ontwikkelen. Beide planten, in geringe hoeveelheid voorkomende, worden dikwijls over 't hoofd gezien, mnar als het koren, wegens te natte ligging of schraalheid van den grond, niet goed voort wil, dan winnen deze minder kieskeurige onkruiden het op 't graan.
De nieuwe plant, 't zij uit zaad ontkiemd, 't zij uit een' knop ontwikkeld, heeft veelal de grootste overeenkomst met de plant, waaruit zij is voortgekomen. Hare eigenschappen zijn erfelijk; vandaar dat men haar als van dezelfde „soortquot; beschouwt. Bij nauwkeurige beschouwing zal men intusschen geen twee planten aantreffen, die volkomen gelijk zijn; ook kunnen zij in enkele opzichten van de moederplant verscldllen. Meestal zijn deze afwijkingen slechts gering, b.v. in de kleur en in den vorm der bladeren en bloemen, en de planten, uit het zaad, dat zij produceeren, voortgekomen, gelijken niet zelden weder meer op de grootmoeder dan op de moederplant of met andere woorden: de eigenschappen slaan op de voorouders terug (atavismus of terugslag).
In andere gevallen evenwel zijn de afwijkingen grooter; ook kunnen zij blijven bestaan, zoodat de volgende geslachten dezelfde kenmerken bezitten. Men zegt dan, dat de verandering erfelijk (constant) is geworden, dat eene „variëteitquot; ontstaan is.
Naast het vermogen der erfelijkheid bezitten de planten dus ook dat der veranderlijkheid.
In 't algemeen ontstaan nu eerder veranderingen of variëteiten als de planten zich door zaad dan wel door knoppen voortplanten en de variëteiten , door knoppen verkregen , behoudt men dikwijls niet wanneer liiervan zaad gewonnen
229
on dit ter voortplanting gebruikt wordt. Zoo zijn de groote menigte variëteiten van aardappels — er zijn verzamelingen bekend van meer dan 1000 — verkregen, nadat men sedert 1845 begonnen is deze door zaad voort te planten, teneinde exemplaren, vrij van de „sporenquot; der ziekte, te bekomen. Ook de vele verscheidenheden van aardbeziën zijn door zaad verkregen. Om de ver-kregene variëteiten te behouden, moet men de aardappels door stengelknollen, de aardbeziën door uitloopers voortplanten. Heesters met bonte bladeren moeten om dezelfde reden door stekken of door enting vermenigvuldigd worden.
Niet alle plantensoorten vertoonen even groote neiging tot verandering en het vormen van variëteiten. Yan Rogge kent men b.v. slechts eenige weinige, van Tarwe en Haver en vooral van sommige koolsoorten daarentegen eene groote menigte variëteiten. De genoemde veranderingen komen plotseling voor den dag, zonder dat er eene bepaalde oorzaak voor is aan te wijzen, behalve in het hierbovengenoemde geval van basterd vorming, wat ook in de natuur zonder kunstmatige bevruchting kan plaats hebben en waartoe de bevruchting-van planten onderling (bij dichogamie en dimorphic) wellicht bijdraagt.
Ofschoon uitwendige invloeden als schaduw, sterke bemesting enz. den planten tijdelijk wel een geheel ander aanzien geven, zijn deze veranderingen niet dadelijk erfelijk, zoodat jJanten, uit het zaad hiervan voortgekomen, onder gewone omstandigheden geteeld, weder hare vroegere kenmerken bezitten. Toch mag men aannemen, dat dergelijke invloeden, bij den strijd om het leven, de oorzaak zijn, zoo niet van het ontstaan dan toch van het behoud der verkregen nieuwe eigenschappen. Immers niet alleen de planten van verschillende soort betwisten, in het wild groeiende, niet zelden elkanders standplaats , maar ook die van dezelfde soort, en alleen de meest geschikte hiervan blijven over. Planten nu met nieuwe eigenschappen, die haar onder de gegeven omstandigheden nadeelig zijn, zullen in den strijd om het bestaan te niet gaan, terwijl die met eigenschappen, welke haar voordeelig zijn, blijven bestaan, en wanneer zich zulks in eenige geslachten herhaalt, zal telkens do voor-deeligste vorm bevoordeeld worden en zich ten koste van de andere vormen kunnen ontwikkelen en vermenigvuldigen.
Aan deze bevoorrechting van de meest geschikte individuen door de natuur heeft men den naam natuurkeus gegeven, en het is duidelijk, dat op deze wijze, dus door de natuurkeus, nieuwe constante vormen onder de in het wild groeiende planten kunnen ontstaan.
Ook worden de planten gewijzigd door en voegen ze zich naar het klimaat waaronder zij groeien, gelijk ons in de Algemeene Plantenteelt nader zal blijken.
Meer nog dan de natuurkeus is de teeltkeus van invloed geweest op het verkrijgen van nieuwe variëteiten. De landbouwer heeft onwillekeurig zijne aandacht op de veranderingen gevestigd en planten met bijzondere kenmerken uitgezocht, omdat zij hem van dienst waren. En, tengevolge van de betere levensvoorwaarden door de teelt, hebben de uitgezochte planten het niet alleen moeten winnen tegen andere, die zich te dezen opzichte minder gunstig onderscheidden, maar de verandering is ook tot meerdere volkomenheid gebracht. De veranderingen hebben daarom ook vooral betrekking op die deelen, waarom de planten geteeld worden, b.v. bij de Granen op de aren en de zaadkorrels, bij de variëteiten van de Kool [Brassica oleracea) op de stengels
230
en bladeren, bij Aardbeziën, Appels, Peren, Kruisbessen enz. op de vruchten. Hoe bij deze teeltkeus (veredeling) in bijzonderheden gehandeld wordt, zal ons in de Algemeene en Bijzondere Plantenteelt blijken. Want dat men ook thans nog met eene goede keuze zijn voordeel kan doen, blijkt uit de vele nieuwe variëteiten granen, zaden enz. in de laatste jaren in cultuur gekomen.
Als voorbeeld moge het volgende, door Fritz Miillerl) waargenomen, dienen. Bij eene maïs-soort, in Zuid-Amerika veelvuldig gekweekt, staan de korrels in de vruchtkolven meestal in 12 of 14 rijen, zeer dikwijls ook in 10, zelden in 8 of 16, zeer zelden in 18 rijen. Müller vond onder 100 kolven slechts ééne achttienrijige. Hij zaaide hiervan uit en onder de 205 kolven, die ervan geoogst werden, kwamen reeds 22 met 18 rijen en bovendien ééno voor, die boven 18 en onder 20 rijen had, alsmede eene met 18 rijen van boven, 20 in 't midden en 22 van onderen. In het volgend jaar werden onder de 460 kolven uit 18-rijig zaad geteeld 18.2 0/0 18-rijige, 4.4 0/0 20-rijige en 0.2 0/0 22-rijige verkregen; terwijl in het daaropvolgend jaar uit het zaad van de 22-rijige eene kolf met 26 rijen gekweekt werd. Uit dit voorbeeld blijkt dus, dat de verandering niet slechts bestaan bleef, maar in dezelfde richting-voortging.
') Dr. H. Muller, Die Jiefruchtumj der Bltwien (lurch Insecten.
III. KENNIS VAN DEN BOUWGROND ').
Bij de behandeling van den Bodem van Nederland , in de Algemeene Inleiding, hebben we reeds opgemerkt, wat onder bouwgrond wordt verstaan en de verschillende bouwgronden, die hier te Jande voorkomen, leeren kennen. Die kennismaking was echter zeer oppervlakkig. Slechts een overzicht werd daarvan gegeven en alleen van hunne samenstelling melding gemaakt, in zoover men gewoon is genoemde gronden op het eerste gezicht daarnaar te onderscheiden en te benoemen en om hun ontstaan uit de verweerde rotsmassa of uit de overblijfselen van planten begrijpelijk te maken. Wij hadden daarbij meer hunnen oorsprong op het oog dan wel hunne geschiktheid om do planten te voeden. Ook van hunne eigenscliappen meenden wij slechts dan melding te moeten maken, als zij een gemakkelijk middel ter onderscheiding aanboden en zich gemakkelijk uit de verkregene kennis lieten opmaken.
Thans nu wij de planten, inzonderheid onze cultuurgewassen, als zoo vele voorwerpen, die op dien bouwgrond standplaats en voeding vinden, hebben leeren kennen; nu wij weten, hoe deze samengesteld zijn en gevoed worden, zal het ons gemakkelijk vallen de samenstelling en eigenschappen van den bouwgrond meer opzettelijk te behandelen en ook om den invloed na te gaan, dien de plantengroei daarop uitoefent.
quot;Wij onderscheiden daarbij de bouwlaag van den ondergrond. Eerstgenoemde, waarin de wortels der planten veelal doordringen, verschilt door de donkerder kleur van laatstgenoemde. Het bovenste gedeelte der bouwlaag, dat gewoonlijk door den ploeg omgewerkt wordt, heet houwvoor.
De kennis aangaande onze bouwgronden is nog zeer gebrekkig; want slechts op enkele plaatsen zijn zij meer nauwgezet onderzocht. In veel bijzonderheden zullen wij dus ook niet kunnen treden en in vele gevallen ons moeten bepalen tot de samenstelling en eigenschappen der bouwgronden in 't algemeen, wanneer wij die in de eerste plaats behandelen en het begrip trachten te ontwik-
1) Dr. Ad. Mayer, Lehrbuch der Agriculturchemie; Dr. .1. M. van Beminelen, Bouwstolfen tot de kennis der kleigronden in de provincie Groningen; Dr. J. M. van Bern melen, Verhandeling over de zure en andere zee-kleigronden, in do werken der K. A. van Wetenschappen en in de Landwirtschaftliche Versuchsslalionen; Lawes, Over vruchtbaarheid en uitpuiling van den grond in Journal of the 1 tog al Agricultural Society of England, Vol. IX, Part. I en II; Dr. Tli. Iquot;. van derGoltz, Hand-huch der gesammten Landwirtschaft, Band II.
232
kelen, dat wij aan een' vruchtbaren en aan een' onvruchtbaren grond dienen te hechten. Daarna zullen wij de middelen bespreken, die den landbouwer ten dienste staan om den grond vruchtbaai- te maken of vruchtbaar te houden.
SAMENSTELLING VAN DEN BOUWGROND.
Reeds een oppervlakkig onderzoek doet ons zien, dat een bouwgrond uit een mengsel van verschillende stoffen bestaat. Deze stoffen zijn grovere en fijnere deelen, gewoonlijk door de namen zand en klei onderscheiden; soms ook schelpen, grint en steentjes; overblijfselen van planten, die nog als wortels, stengels enz. aanwezig zijn of als eene half verteerde, zwarte of bruine massa, in den grond voorkomende, hem eene min of meer donkere klem-geven , alsmede eene grootere of kleinere hoeveelheid water.
Elk landbouwer kent deze stoffen, althans bij name. Daarnaar onderscheidt hij de verschillende gronden; daarnaar beoordeelt hij niet zelden hunne meerdere of mindere vruchtbaarheid. Gemakkelijk waar te nemen bestanddeelen zijn voorts; de koolzure kalk en het ijzeroxyd. Bij aanwezigheid van liet eerste bruist de grond namelijk op, wanneer hij met een verdund zuur overgoten wordt. Het laatste geeft hem eene min of meer rosse kleur en bruine aders, strepen, plekken enz. Hot uitwendig aanzien en zijne zoogenaamde natuurkundige eigenschappen, als samenhang, losheid, kleur enz. worden dan ook in de eerste plaats door de vermelde bestanddeelen bepaald.
Ofschoon nu deze onderscheiding in grovere en fijnere deelen (zand en klei), meer aan de praktijk ontleend, uit een wetenschappelijk oogpunt beschouwd, niet altijd juist is en soms tot verkeerde voorstellingen aanleiding geeft, meenen wij toch het best te doen onze beschouwing over de samenstelling van den grond hieraan vast te knoopen. Met behulp van hetgeen het scheikundig onderzoek van den grond heeft geleerd, hopen wij dan het begrip, dat men aan deze verschillende bestanddeelen moet hechten, nader aan te geven. Wij beginnen met:
a. het water van den bouwgrond. De hoeveelheid water, in den bouwgrond voorkomende, is zeer variabel: 's zomers in den drogen tijd veelal gering, 's winters niet zelden zoo groot mogelijk, dat is de grond is dan met water verzadigd. Zelfs kan het dan door den hydrostatischen druk in den bouwgrond „staanquot;, ja tot boven zijne oppervlakte stijgen. Dit laatste beschouwen wij echter als een bijzonder geval, dat bij eene goede ligging, slechts zelden mag voorkomen. Wij noemen den bouwgrond met water verzadigd, als hij, bij goede gelegenheid tot afvoer, niets meer kan opnemen; zoodat het meerder aangevoerde wegloopt, en verstaan onder zijne capaciteit voor water het aantal kilogrammen, dat 100 KG. droge grond tot aan dit verzadigingspunt opneemt. Zij bedraagt voor verschillende kleigronden, volgens van Bemmelen, 60 a 95; zij is grooter bij veen, geringer bij zandgronden. Volgens bepalingen door mij
233
gedaan, is zij voor een grintgrond uit den Wageningsclien berg 17, voor een zavelgrond van den Negenboerenpolder (Ivloosterbnren) 46, voor klei van den Noordpolder (quot;Warfum) 52.3, voor zand gemengd met veen van Zuidbroek 63, voor een veengrond uit Blijham 108. Zie hieromtrent nader bij de natuurkundige eigenschappen van den grond.
Luchtdroog heet de grond, als hij eenigen tijd aan de droge lucht in een vertrek is blootgesteld geweest. Hij bezit dan nog eenige procenten water, dat hij gedeeltelijk bij verdere droging, b.v. boven zwavelzuur, afstaat, gedeeltelijk sterker gebonden houdt en eerst bij verhoogde temperatuur, 100° of nog hooger, loslaat.
De bouwgronden trekken meer of minder gemakkelijk de vochtigheid uit den dampkring tot zich en drogen onder dezelfde omstandigheden niet even gemakkelijk uit. Wij onderscheiden daarnaar het vochtaantrekkmd en het vochtbehondend vermogen van den grond; terwijl men van zijn capillair-opzui-gend vermogen spreekt,, als het water door de haarbuisjeskracht uit den ondergrond in den bovengrond stijgt. Op deze eigenschappen komen wij straks terug.
h. De organische stoffen van den honwgrowl. Humus. Hoe uit overblijfselen van planten geheele aardlagen kunnen ontstaan, is ons uit de veenvorming gebleken. Eene dergelijke veenstof ontstaat in don bouwgrond uit de wortels, stengels en bladeren der planten, die in of op don akker na eiken oogst overblijven, of met den stalmest, liier trouwens reeds in veel veranderden toestand, op het land worden gebracht. Het zal niet moeilijk te begrijpen zijn, dat genoemde plantondeelen in den bouwgrond en in den mest, waar zij grootendeels van de lucht zijn afgesloten, eene dergelijke verandering moeten ondergaan als bij de veenvorming in het water. Er worden bruin tot zwart gekleurde stoffen uit gevormd, die aan de bouwlaag eene min of meer donkere kleur geven, waardoor deze van den veelal lichter gekleurden ondergrond duidelijk te onderscheiden is, en bekend zijn onder den naam van humus of humusstoffen.
De samenstelling van de humusstoffen loopt zeer uiteen en is nog zeer onvoldoende bekend. Zoo geeft Eggerts i) die van zoogenaamd milden humus, uit 13 versclüllende bouwgronden getrokken, als volgt op:
Koolstof 40.8 — 56.18 0/0 Kiezelzuur 0.37 — 10.47%
Waterstof 4.33 — 6.63 „ Phosphorus 0.15 — 7.58 „
Zuurstof 25.00 — 37.98 „ Zwavel 0.55 — 2.09 „
Stikstof 0.37 — 10.47 „ Uzeroxyd en aluinaarde 0.38 — 3.90 „
Zeker is het, dat de humus niet uit eene enkele scheikundige verbinding maar uit een mengsel van verscheidene, nog niet goed bekende stoffen bestaat. Naar G. J. Mulder, die deze stoffen het eerst onderzocht hoeft, worden de bruine of licht geklemde humusstoffen ulmine of, wanneer ze zich met bases als kalk, potasch enz. verbinden, uhninezuur genoemd en de zwarte of donkergekleurde humusstoffen humine of huminezuur. Verder onderscheidde Mulder nog het crenzuur (bronzuur) en het apocrenzMur {hr onaf zet selzuur). Laatstgenoemde zuren komen namelijk behalve in den bouwgrond in sommige
') Jahresberichl der Agrikultur-Cheniie, 1880, S. 47.
234
bron- of putwateren voor. In 't algemeen kan men die zuren humuszuren noemen.
Naar het schijnt Avorrlen uit de plantenoverblijfselen eerst de bruine ulmine-en daarna hnminestoffen gevormd. De asch der planten blijft dan ten deele bij den humus en vormt daarmede humuszure zouten i). Het bronafzetselzuur en zijne zouten zijn eveneens bruin gekleurd, terwijl het bronzuur en zijne zouten kleurloos zijn. Zouten van eerstgenoemd zuur komen in die gedeelten van den grond voor, waar de dampkringslucht toegang heeft, die van het laatstgenoemde in de diepere lagen, waar de lucht geheel is afgesloten. Beide kunnen in elkander worden omgezet. Uit het bronzuur wordt door opneming van zuurstof bronafzetselzuur; uit het laatste, door verlies van zuurstof, bronzuur gevormd. Ook in het rootwater van vlas scliijnt het laatste voor te komen. Men heeft toch waargenomen, dat op het oogenblik dat het vlas uit 't water wordt gehaald, dit laatste nog weinig gekleurd is (dan bevat het bronzuur), maar na eenigen tijd bruiu gekleurd wordt, doordat uit liet bronzuur bronafzetselzuur gevormd wordt.
Meer uit een praetisch oogpunt onderscheidt men den turfaclüigen zuren humus, die, evenals bij de veenvonning, bij afsluiting der lucht, b.v. in een' vochtigen bodem ontstaat en een' onyruchtbaren grond kenmerkt en den milden humus, in het Duitsch ook Mull geheeten, die een bestanddeel van een' vruchtbaren bodem vormt. De verschillende omstandigheden, waaronder beide ontstaan, zullen de oorzaak van dit verschil in samenstelling en eigen-schappen zijn; een belangrijk verschil is echter, dat de eerste minder verzadigd is met bases, waardoor haar zuur karakter verklaard kan worden. Toevoeging van bases als kalk is dan ook het beste middel om in dergelijke gronden, evenals in de eigenlijke veengronden, den zuren humus langzamerhand in milden om te zetten.
De humuszure zouten zijn deels in water oplosbaar deels daarin onoplosbaar. Oplosbaar zijn die van het kalium, natrium en ammonium, onoplosbaar die van 't calcium, magnesium, ijzer enz., tenzij een overmaat van humuszure alkaliën aanwezig is, waarmede behalve kalk- en magnesiaverbindingen ook die van ijzeroxyd, aluinaarde enz. in oplossing kunnen treden. Opgeloste humuszure zouten treft men vooral aan in het bruine aftreksel van stalmest, de gier, in den bouwgrond slechts in geringe hoeveelheid. Daar de meeste bouwgronden van genoemde metalen het calcium en liet ijzer in overwegende hoeveelheid bevatten, wordt hierin vooral onoplosbare humuszure kalk of humuszuur ijzeroxyd en aluinaarde gevormd. Ook de humuszure kali enz. van de gier wordt in den bouwgrond in onoplosbare humuszure kalk enz. omgezet, en in 't algemeen blijven de bruine stoffen van gier, mest enz. in den bouwgrond hangen, daar zij liier onoplosbare verbindingen vormen. Vandaar dat alleen de bouwlaag en niet de ondergrond eene donkere kleur heeft. Ook het draineerwater is om dezelfde reden in den regel vrij van organische stoffen (humus). Daarentegen zijn pompwater, dat met ondergronden (arm aan koolzure
') Evenals de humuszuren hebben ook de humuszure zouten geene constante samenstelling; meestal zijn het mengsels die niet verder te scheiden zijn.
235
kaJk en rijk aan humus) in aanraking is geweest en veenwater veelal bruin gekleurd door opgeloste liumusstoffen, bl. 120 en 124.
De hoeveelheid organische stoffen (humus) in den bouwgrond verschilt veel. Terwijl de veengronden grootendeels hieruit bestaan, tot 80 a 90 proc., bedraagt hare hoeveelheid in de luchtdroge klei- en zandgronden gewoonlijk niet meer dan 3—10 proc.
Worden de humusstoffen aan de inwerking der lucht blootgesteld, dan verteren zij langzamerhand geheel, dat is zij nemen zooveel mogelijk zuurstof op en gaan dan in gasvormige verbindingen of vloeistoffen, als koolzuur water enz. over. Tot die vertering werken lagere organismen mede. Telken jare wordt echter uit de overblijfselen der planten eene nieuwe hoeveelheid humus gevormd en het hangt nu van dien nieuwen toevoer en het verlies door de vertering af, of de hoeveelheid humus zal toe- of afnemen.
Verhit men een' bouwgrond aan de lucht, dan verbranden de overblijfselen der planten en de daaruit gevormde humusstoffen en uit het gewichtsverlies, daardoor ontstaan, kan men ten naastenbij de hoeveelheid dezer stoffen bepalen l).
c. Grovere en fijnere deden. De verweeringsgronden, bl. G, de grintgronden, bi. 31, en ook vele zandgronden bevatten grootere of kleinere steenen en steentjes (puin of grint), die door uitzoeken met de hand of nadat de grond verdeeld is, door zeven, b.v. van 1—5 m.M. maaswijdte, er uit verwijderd kunnen worden. Men houdt dan de zoogenaamde fijnaarde over 2). In vele bouwgronden van Nederland komen geene steenen of steentjes voor; zij bestaan dus enkel uit fijnaarde. Toch ontdekt men reeds bij het wrijven tusschen de vingers in vochtigen toestand ook in deze bouwgronden en in het algemeen in de fijnaarde naast grovere fijnere of naast fijnere grovere deelen, al naarmate men een zand- of een kleigrond onderzoekt. Beter merkt men deze deelen op, wanneer men den grond in een glas doet, met water overgiet en omroert. De grovere en zwaardere deelen zakken dan het eerst op den bodem, de fijnere blijven het langst in de vloeistof zweven en, door afgieting van het troebele water, kunnen de fijnere deelen van de grovere gescheiden worden.
Deze zoogenaamde slibbing, waarvoor verschillende methoden bestaan, past men dan ook veelal toe bij de bepaling van het kloi- en zandgehalte van den bodem. Een van de eenvoudigste toestellen, die daarvoor in gebruik zijn, is dat van Kühn. Het bestaat uit een cilindervormig glas van 30 c.M. hoogte en 8.5 c.M. wijdte. Op 5 c.M. van den bodem is een uitloopbuisje aangebracht, dat met een kurk gesloten kan worden. Van de te onderscheidon
') Deze bepaling is — zonder meer — niet geheel juist; want vooreerst neemt bij het gloeien de grond zuurstof op en ten tweede ontwijkt daarbij het sterker gebonden water en bij aanwezigheid van koolzure kalk en koolzure magnesia ook koolzuur. Zie voor eene juistere bepaling: Prof. .1. M. van Bemmelen in Landw. Versuchs-Stationen, Bd. 37.
■) In Frankrijk en België noemt men fijnaarde wat door een zeef van 1 m.M maaswijdte, in Duitschland veelal wat door een 2 m.M. zeef gaat. Knop gebruikt ter afscheiding der fijnaarde een zeef van 0.3 m.M., terwijl weer anderen een zeef grooter dan '2 m.M. maaswijdte gebruiken. Wij zullen als fijnaarde beschouwen wat door een zeef van i m.M. maaswijdte gaat.
236
aarde worrit nu 50 gram in luchtdrogen toestand afgewogen, zoo veel mogelijk bij zachte drukking of wrijving fijn gemaakt en onder gedurig omroeren met een houten staafje een half uur of langer met water gekookt, om de grovere deelen van de aanhangende fijnere te bevrijden. Na bekoeling wordt die gekookte aarde in het glas overgebracht, en dit nu tot op ongeveer 2 c.M. van den bovenrand met regenwater aangevuld en met een houten staafje omgeroerd. Men laat het nu 10 minuten rustig staan, waarna men de troebele vloeistof, door de kurk uit het buisje te trekken, tot op dit buisje laat afloo-pen. Hot glas wordt daarna op dezelfde wijze met water gevuld, de inhoud omgeroerd en nu na vijf minuten wachtens op dezelfde manier uitgelaten.
Deze handelwijze wordt zoolang voortgezet, totdat de bovenstaande vloeistof, na steeds vijf minuten wachtens, helder blijft. De in liet glas achtergebleven grovere deelen spoelt men nu in een schaaltje, verwijdert liet bovenstaande water nog zooveel mogelijk door afgieting, droogt en weegt. In sommige gevallen (zware, humushoudende klei en zoogenaamde roodoorn-gronden) is öene slibbing niet voldoende. Do kleideeltjes hechten hier zoo vast aan elkander, dat stukjes klei met het zand naarbeneden dalen. Wrijft men deze nu echter tusschen de vingers fijn, dan kunnen ook deze afgeslibd worden. Zijn bij het nietafslibbare overblijfselen van planten aanwezig, dan kan men deze door te gloeien en daarna weder te wegen bepalen. De rest geeft dan het zandgehalte van den bodem aan, terwijl men, door aftrekking van dit gewicht van 50 gram, het kleigehalte vindt.
Bij deze methode wordt dus gebruik gemaakt van de eigenschap, dat zwaardere en grootere gronddeeltjes eerder bezinken dan lichtere en kleinere. Verschillende onderzoekers hebben nu verband gezocht tusschen de valsnelheid en de grootte der gronddeeltjes 1), en getracht door eene bepaalde valsnelheid aan te nemen, deeltjes van eene bepaalde grootte te scheiden. Sikorsky heeft daarvan gebruik gemaakt bij zijn toestel, Fig. 71, dat, ofschoon op hetzelfde Fig. 71. Slibtoestel van Sikorsky, beginsel berustende als dat van Kühn, gemak-M, merk; S en A', caontcliouc- kelijker in de behandeling is en juistere uitkom-btoppen, C, verdeelde bms. gten geeft. Zooals men ziet bestaat dit toestel
uit een glazen cilinder, met van boven en beneden kegelvormige stukken
') Dr. F. Wahnschaffe, Anleitung zur wissenschaftlichen Bodenuntersuchung, Berlin 1887. Zie ook: W. R. Williams, in Fomchungen (tuf dom Gebielc der Agrikullurphysik, Bd. 18, S. 225.
237
voorzien. Bij K, jiiist 20 c.M. beneden het punt M, is een zijdelingsche tubus aangebracht, die evenals de bovenste opening- met een caoutchouc-stop gesloten kan worden, terwijl van onderen een verdeelde buis C is aangebracht, die in een metalen hals er af- en aangeschroefd kan worden.
Naar het voorschrift van Sikorsky wordt met liet toestel aldus gewerkt. 10 gram luchtdroge en fijngemaakte aarde, door een zeef van grove plantendeelen en steentjes gt; 2 m.M. bevrijd, — wij gebruiken een 1 m.M. zeef — wordt 1/2—1^/2 uur met water in een porceleinon schaal gekookt, onder gedurig omroeren en zacht wrijven met een houten staafje. Hot slibtoestel wordt intus-schen in een stander geplaatst en tot een weinig boven de caoutchoucstop K met regenwater of zacht pompwater gevuld. Men onderzoeke daarbij of de stop K goed sluit en van binnen mot don binnenwand des cilinders gelijk staat.
Nadat de aarde den aangegeven tijd gekookt en behoorlijk bekoeld is, wordt zij met het water (dat men door bijvoeging op ongeveer hetzelfde volume heeft gehouden) in het toestel gebracht en dit verder tot het merk M niet water gevuld. Het toestel wordt nu met de stop S gesloten, uit den stander genomen en eenige keeren in horizontalen stand geschud om de deeltjes aarde van elkander los te maken en in het water te verdeden, daarna ineens verticaal geplaatst en in den stander gezet, terwijl men tevens den tijd waarneemt. Na 1000 seconden of 16 min. 40 sec. wordt de stop S afgenomen en laat men 20 c.M. vloeistof, door uittrekking der stop K. afloopon in een bij den uitloop gehouden glazen vat. Daarna brengt men de stop K weer op haar plaats, vult met water tot Ji, sluit met stop S, schudt en brengt het toestel weer in den stander. Na 1000 seconden laat men het water weer afloopen, vult den cilinder op nieuw tot M enz., tot zoolang dat de vloeistof, telkens na 1000 seconden wachtens, boven K nagenoeg helder is geworden. Al de deeltjes lt; 0.01 m.M. in middellijn, of met eene valsnelheid lt; 0.2 m.M. per seconde (door Sikorsky en anderen klei geheeten) zijn dan afgeslibd en de deeltjes gt; 0.01 m.M. met een valsnelheid = of gt; 0.2 m.M. per seconde, beneden K bezonken (zand). Men wacht nu tot deze zich in de verdeelde buis verzameld hebben, daarbij zorg dragende dat geen deeltjes in het kegelvormige deel blijven hangen, en leest het volume, dat zij in de verdeelde buis C innemen, af. Daarop wordt de verdeelde buis afgeschroefd en zijn inhoud in een getareerd porceleinen schaaltje overgebracht. Na eenigen tijd is het zand bezonken en kan de heldere vloeistof worden afgeschonken; de rest wordt op een waterbad droog gemaakt en na eenigen tijd in het schaaltje gewogen. Bij aanwezigheid van groven humus moet de inhoud van het schaaltje nog gegloeid worden.
Ook kan het bij de eerste slibbing achtergebleven zand door eene snellere slibbing nog in grovere en fijnere deelen worden gescheiden, en wel in:
1. stoffijn zand, van 0.01—0.05 m.M. grootte, dat blijft zweven bij eene valsnelheid van 2 m.M. per seconde of 100 seconden voor de 20 c.M.
2. zeer fijn zand, van 0.05—0.10 m.M. grootte, dat blijft zweven bij een valsnelheid van 7 m.M. in de sec., dus 29 seconden over de 20 c.M.;
3. fijn zand, van 0.10—0.20 m.M. grootte, dat blijft zweven bij een valsnelheid van 25 m.M. of 1 seconde voor de 20 c.M.
4. min of meer grof zand van een grootte boven de 0.2 m.M., dat ten
238
slotte in de verdeelde buis achterblijft en nog door zeven van 0.5 en 1 m.M. maaswijdte kan worden gesclieiden.
Na elke volledige afslibbing van de genoemde zandsoorten wordt het volume van het me£-afgeslibde in de buis afgelezen en uit het verschil met de vorige aflezing het volume van het afgeslibde gevonden.
Voor eeno berekening in gewicht heeft Sikorsky bepaald dat;
1 cM3 stoffijn zand
1 „ zeer fijn zand
1 „ fijn zand
1 „ min of meer grof zand
weegt 1.328 gram. „ 1.448 „
„ 1.515 „ „ 1.6121) „
Bij de slibmethode van Schone, bij de proefstations in gebruik, wordt gebruik gemaakt van een opwaartschen waterstroom van bepaalde snelheid om de fijne deeltjes af te scheiden 2).
Waaruit bestaan nu deze grovere deelen, die gewoonlijk met den naam van zand bestempeld worden, waaruit de fijnere, waaraan men gewoonlijk den naam van klei geeft? liet zand onzer bouwgronden bestaat grootendeels uit kwartskorrels, zoogenaamd kwartskiezelzuur; voorts treft men er glimmerplaatjes, kleine stukjes veldspaath, augit, hoornblende en andere mineraalbrokjes, in het zand der rivier- en zee- bezinkingen en van de duinen dikwijls ook stukjes schelpen en schelpjes aan.
Kwarts is eene verbinding van silicium en zuurstof van de formule SiO-j; do korrels zijn hard, glashelder maar meestal door aanhangend ijzeroxyd geel gekleurd.
Glimmer, veldspaath en de andere hier genoemde mineralen zijn dubbel-silieaten, waarvan de samenstelling niet altijd door eene eenvoudige formule kan worden aangegeven.
Van glimmer onderscheiden wij hoofdzakelijk; kaliglimmer of muscovit H4 K2 A]6 Sie O24, en magnesiaglimmer of biotii (KII)2 (MgFe)2 (AlFe^ SisC^. De glimmer vormt plaatjes die zich gemakkelijk laten splijten en bij de kaliglimmer kleurloos of licht gekleurd en bij de magnesiaglimmer donker gekleurd zijn.
Van do veldspaathsoorten onderscheiden wij vooreerst; kaliveldspaath of orthoklas, K2 AI2 Si6 016, natronveldspaath of alhit. Na^ Ak Si6 016 en kalk-veldspaath of anorthit Ca AI2 Si2 Og, en verder oligoklas en labrador, dat zijn ismorphe mengsels van laatstgenoemde twee, in de moleculaire verhouding van 3 ; 1 of van 1 ; 3, dus natronkalk- of kalknatronveldsfiaath.
Jloornhlende en augit zijn zwaardere en donkerder gekleurde mineralen, die uit een mengsel van calcium-, magnesium-, ijzer- en aluminium silicaten bestaan. Zij vormen een hoofdbestanddeel van basalt en andere donker gekleurde gesteenten, terwijl de klei die er door verweering uit ontstaat door aanhangend ijzeroxyd bruin gekleurd is.
Uit de veldspaathsoorten, die een hoofdbestanddeel van graniet, gneiss, porphyr, trachyt enz. vormen, ontstaat door verweering lichter gekleurde
i) Deze cijfers gelden waarschijnlijk niet voor alle grondsoorten; liet is daarom wenschelijk ze door weging van liet afgeslibde te controleeren.
') Zie daarover Ad. Mayer in liet Landbouwkundig Tijdschrift, IV.
239
klei, terwijl de glimmersoorten, omdat zij moeilijk verweeren, van genoemde mineralen naast kwarts vaak nog het veelviüdigst in het zand voorkomen.
Uit het oogpunt der plantenvoeding zijn de kalihoudende orthoklas en de kaliglimmer de belangrijkste mineralen in het zand.
De schelpen bestaan in hoofdzaak uit koolzure kalk, CaCOs.
Aangezien het soortelijk gewicht van de bovengenoemde mineralen min of meer uiteenloopt kunnen zij met behulp van een zware vloeistof (bromoform, kaliumkwikjodidoplossing enz.) min of meer gescheiden worden.
|
Het soortelijk gewicht |
van |
. orthoklas |
is |
2.50—2.60 | ||
|
V |
11 |
ii |
ii |
albit |
11 |
2.61—2.63 |
|
T) |
11 |
ii |
ii |
oligoklas |
11 |
2.62—2.65 |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
kwarts |
11 |
2.65 |
|
11 |
li |
ii |
labrador |
11 |
2.68—2.72 | |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
anorthit |
11 |
2.73—2.75 |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
muscovit |
11 |
2.83—2.90 |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
biotit |
11 |
2.80 -3.20 |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
hoornblonde |
11 |
3.10—3.30 |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
augit |
11 |
3.80—3.40 |
|
11 |
11 |
ii |
ii |
schelpen |
11 |
ongev. 2.7 |
|
loeistof |
met een |
soortelijk |
gew. van 2.7 |
bl |
ijven dus kwarts en do | |
andere lichtere minoralen zweven, terwijl de overige zinken, in eene van ruim 2.G zinken kwarts, oligoklas enz., terwijl het meest kali- bevattende orthoklas dan nog blijft zweven.
De fijnere deelen, die afgeslibd zijn, wier hoeveelheid gewoonlijk uit het verschil bepaald wordt en die met den naam klei bestempeld worden, bestaan wel is waar ten deele uit klei, dat is waterhoudend kiezelzure aluinaarde i) van de formule Al2Si207,2H20, maar daarbij voegen zich verschillende andere stoffen, die de kleideeltjes omgeven of, een even fijn poeder vormende als de klei, mede weggeslibd worden, als ijzeroxyde, andere kiezelzure verbindingen (zeolithen), amorph kiezelzuur, koolzure kalk, humusstoffen enz., alsmede fijne kwartskorreltjes (kwartsmeel, vooral in de leemgronden), glimmerplaatjes enz. die in het water bleven zweven. Do slibbing bewerkt dus wel eene scheiding in grovere en fijnere deelen, maar de scheiding dor verschillende verbindingen, in den grond voorkomende, daardoor, is zeer onvolkomen of met andere woorden: hot afgeslibde gedeelte is geene zuivere klei, maar een mengsel van zeer verschillende stoffen, en wat als zand terug blijft niet enkol uit kwarts maar uit een mengsel van kwarts en eene grootere of kleinere hoeveelheid vooral van do andore hierboven genoemde mineralen. Ook de koolzure kalk treft men ten deele bij de afgeslibde klei ton deele bij het zand aan. Zoo werd door mij in het op bovengenoemde wijze afgeslibde fijne gedeelte eenor soort rivierklei 3.75 % on in hot zand 1.33% koolzure kalk gevonden. In een zavelgrond kwam 1.74 O/q bij de afgeslibde klei en 1.66 0^ bij het zand voor. Hot is daarom beter om do gronden die koolzure kalk bevatten,
') Volkomen zuivere kiezelzure aluinaarde komt in do natuur slechts zelden voor; meestal is zij met andere silicaten vermengd of bevat nog andere bases als kali, magnesia enz. Tiet zuiverst is de porceleinaarde.
240
vóór liet slibben met verdimrl zont zuur te beliandelen, en de koolzure kalk te verwijderen en te bepalen, zooals tegenwoordig ook aan de proefstations liier te lande geschiedt.
Het resultaat der zoogenaamde mechanische analyse van den luchtdrogen bouwgrond wordt dan opgegeven als uit onderstaand voorbeeld van een grond blijkt;
Water (bij verhitting b.v. op 110° uitgedreven......4.00 proc.
Gloeiverlies (humus)............... 6.00 „
Koolzure kalk.................2.00 „
Zand..................... 45.00 „
Klei (uit het verschil berekend)........... 43.00 „
Een ander inzicht in de samenstelling van den grond geeft ons eene scheikundige analyse. Deze berust op het behandelen van den grond met verschillende oplosmiddelen en het onderzoek naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der stoffen, die in de daartoe gebruikte vochten opgelost zijn. De oplosmiddelen , hiervoor in gebruik, zijn: water, koolzuurhoudend water en andere zwakke of verdunde zuren (azijnzuur, zoutzuur), geconcentreerde (niet of weinig met water verdunde) en sterke zuren (zoutzuur, koningswater, dat is een mengsel van salpeterzuur en zoutzuur, zwavelzuur, fluorwaterstofzuur) en alkaliën. Onderzoekt men nu de stoffen, die lüerdoor uit den grond getrokken kunnen worden, dan vindt men dat opgelost worden;
in de alkaliën: amorph kiezelzuur, humusstoffen, enz.
I chloorverbindingen b.v. keukenzout. chloorverbindingen b.v. keukenzout.
zwavelzure zouten „ gips.
salpeterzure „ „ salpeterzure kalk, enz.
koolzure „ koolzure kalk en koolzuur ijzer-
in het koolzuur- oxydule.
houdend water: phosphorzure „ „ phosphorzure kalk.
Idezelzure „ „ kiezelzure kali, enz.
In de zwakke of verdunde zuren (azijnzuur, verdund zoutzuur) komen dezelfde zouten in oplossing, maar in grootere hoeveelheid. Het koolzuur ontwijkt daarbij: vandaar eene meer of minder sterke opbruising, naarmate er meer of minder koolzure zouten (hoofdzakelijk koolzure kalk) in den grond voorkomen.
In (joconcenireerd zoutzuur lossen dezelfde stoffen op, als in het verdunde zuur, maar en vooral bij koking grootere hoeveelheden kiezelzure zouten (silicaten) en humuszure zouten (humaten). Hot kiezelzuur dezer zouten komt slechts voor een klein gedeelte in oplossing; er kan nu echter eene grootere hoeveelheid door alkaliën uit den grond getrokken worden, dan vóór de behandeling met het zuur, pen bewijs dus, dat zich kiezelzuur uit eene verbinding heeft afgescheiden; want alleen zulk kiezelzuur en niet het gekristalliseerde kiezelzuur, dat als kwarts-ldezelzuur in den grond voorkomt, is in alkaliën oplosbaar. Yan de phosphorzure en zwavelzure zouten (in sommige zeekleigronden door koningswater ook sulfiden b.v. zwavelijzer) lossen ook grootere hoeveelheden op dan in het verdunde zuur. Het is bijna niet mogelijk deze verschillende zouten geheel in oplos-
sing te brengen. Bij herhaalde behandeling met dit zuur komen steeds nieuwe, ofschoon slechts kleine hoeveelheden in oplossing.
Zwavelzuur. Wordt de grond, die met zoutzuur zooveel mogelijk uitgetrokken is, met zwavelzuur verhit, dan worden weder andere silicaten ontleed, vooral Hezelzure almnaarde, dus wat men gewoonlijk klei noemt; in de oplossing vindt men dan zwavelzure aluinaarde met kleine hoeveelheden kalium, natrium, magnesium en calcium, terwijl het kiezel zuur wordt afgescheiden en met behulp van alkaliën kan worden uitgetrokken. Fluorwaterstofzuur of fluorammonium. Nadat eene grondsoort met genoemde zuren achtereenvolgens behandeld en het afgescheiden kiezelzuur steeds met alkaliën verwijderd is, houdt men nog eene zekere hoeveelheid stof over, die ontleed kan worden door het zeer sterk werkende fluorwaterstofzuur of dooi- fluorammonium te gelijk met een ander zuur b.v. zwavelzuur. Een nader onderzoek leert, dat do nu ontleede stof hoofdzakelijk uit kiezelzuur bestaat, waarvan het silicium als fluorsilicium ontwijkt, en dat kleinere of grootere hoeveelheden aluminium, calcium, magnesium, kalium, natrium enz. in oplossing zijn gebracht.
Eene volledige scheiding der verschillende stoffen is echter ook op deze wijze niet mogelijk, omdat het oplosmiddel van het eene bestanddeel ook gedeelten van een ander oplost of zijne ontleding veroorzaakt. quot;Wij kunnen dus alleen dit zeggen:
Er komen in den bouwgrond stoffen voor, die noch in water, noch in koolzuurhoudend water, noch in zoutzuur, noch in zwavelzuur gemakkelijk oplossen, maar wel in fluorwaterstofzuur of daardoor worden ontleed. Wat door laatstgenoemd zuur ontleed is, is hoofdzakelijk kwartskiezelzuur; het aluminium, calcium, kalium enz., dat daardoor in oplossing is gekomen, is afkomstig van mineraalbrokjes als veldspaath, glimmer, enz. Want kwarts, veldspaath, glimmer enz. lossen in zoutzuur enz. in geene noemenswaardige hoeveelheden op, maar wel in fluorwaterstofzuur of worden er door ontleed.
Vergelijkt men hiermede hetgeen bl. 51 van den oorsprong onzer klei- en zandgronden gezegd is, hoe namelijk uit de verweerde rotsmassa's, die mt verschillende mineralen als veldspaath, glimmer enz., vergelijk bl. G, opgebouwd zijn, slib wordt gevormd, dat hier is aangespoeld, dan klinkt het zeker zoo vreemd niet, dat tusschen die slib nog kleine brokjes van deze mineralen gevonden worden. In die mineralen of de gesteenten, waarvan zij een bestanddeel vormen, komen ook dezelfde grondstoffen b.v. ook phosphorus voor, die in het onverbrandbare gedeelte onzer bouwgronden gevonden worden. Bij hunne verweering, zie bl. 51, zijn zij tot een min of meer fijn poeder van kwarts, glimmer, koolzure kalk enz. uitgevallen of zijn er verschillende verbindingen uit gevormd als in zoutzuur oplosbare silicaten, ijzerroest, klei enz.
Vatten wij het bovenstaande samen, dan blijkt, dat behalve water en organische stoffen (humus) in het algemeen l) in een' bouwgrond voorkomen: enkele zouten als gips, keukenzout, salpeterzure zouten enz., die in water oplosbaar zijn; zouten, als koolzure kalk, koolzure magnesia en phosphorzure
') Natuurlijk kuiineii ook enkele dezer bestanddeelen, b.v. koolzure kalk, ontbreken en Imnne hoeveelheden zeer verschillend zijn.
nuiNDERS, I. Vierde druk. 10
242
zouten, die in kleine hoeveelheid in koolzuurhoudend water oplossen; zouten en verbindingen, die in koolzuurhoudend water in geringe hoeveelheid, meer echter in azijnzuur en zoutzuur oplossen of er door ontleed worden, inzonderheid in laatstgenoemd zuur, wanneer de grond daarmede gekookt wordt. Hiertoe behooren kiezelzure verbindingen van aluinaarde, ijzeroxyde, kalk, magnesia, potasch, soda en ammonia (zoogenaamde zeolithen), moeilijk oplosbare verbindingen van zwavelzuur en phosphorzuur b.v. van ijzeroxyd en aluinaarde. Verder vindt men in den grond klei, dat is in hoofdzaak kiezelzure aluinaarde, die in zwavelzuur oplost, en kwarts, stukjes veldspaath, glimmerplaatjes, augiet, hoornblende enz., die door fluorwaterstofzuur worden ontleed. Vooral laatstgenoemde stoffen blijven bij de slibbing als grovere deelen, als zandt), achter, maar daarbij is ook een deel der koolzure kalk, dat die deeltjes met een dun laagje omgeeft of als stukjes kalksteen, schelpen en schelpjes er mede vermengd is. Overgiet men deze deelen na do slibbing met zoutzuur of azijnzuur, dan ontdekt men bij aanwezigheid van koolzuren kalk deels opbruising aan alle deelen, wanneer de zanddeeltjes namelijk met koolzure kalk omgeven zijn, deels opbruising op enkele plekken, die langer aanhoudt. In laatstgenoemd geval is zoogenaamd kalkzand, dat zijn stukjes koolzure kalk, aanwezig. Ook ijzeroxyd kleeft niet zelden aan de zanddeeltjes en kleurt hunne oppervlakte bruin. Humusstoffen zijn soms zeer moeilijk, b.v. in den zoogenaamden roodoorn en in de zware rivier- en zeeklei, door slibbing van liet zand te scheiden, omdat de klei- en zanddeeltjes daardoor onderling en met elkander vereenigd zijn. Zie hierachter bij de Eigenschappen van den bouwgrond.
Schlösing1) heeft daarom eene andere scheidingsmethode ingevoerd, die thans in Frankrijk en België veelal gevolgd wordt. Hij trekt eerst den grond uit met zeer verdund zoutzuur of salpeterzuur om de koolzure kalk en eenig los ijzeroxyd te verwijderen, en brengt daarna do humusstoffen met verdunde kalilaag of verdunde ammonia in oplossing. De grovere (zwaardere) en fijnere (lichtere) deelen hechten nu minder aaneen en kunnen door wrijving en slibbing in gedestilleerd water en verder door fijne zeven gescheiden worden. Wat daarbij na 24 uur in het water blijft zweven, wordt als klei beschouwd. De verhouding tusschen Mezelzuur en aluinaarde is volgens Schlösing daarin nagenoeg dezelfde als in zuivere klei; maar de hoeveelheid, ook in de eigenlijke kleigronden, is veel geringer dan bij de bovengenoemde slibbingen van Kühn, Schone enz. wordt verkregen.
Door Van Bemmelen is de bovenvermelde gang der analyse en daarbij Schlösings slibmethode in hoofdzaak gevolgd bij het onderzoek van de zeeklei uit do Zuiderzee en het IJ. Eenige uitkomsten daarvan zijn in tabel H, achter dit deel geplaatst, bijeengevoegd.
Eene aandachtige beschouwing van de lijst der verschillende in den grond voorkomende verbindingen doet ons zien, dat hierin dezelfde elementen aan-
Zie L. Grandeau, Anleitung für agrikultur-chemischen Analysen.
243
wezig zijn, welke in do plantenaseh gevonden worden en noodig zijn voor de voeding der plant; zie bl. 182 en 20quot;). Die elementen komen in den bouwgrond in verbindingen voor, welke deels in water, deels in koolzuurhoudend water, deels in andere zuren of in alkaliën oplosbaar zijn. Zij vormen het voedend materiaal van den bouwgrond. Daarbij voegen zich verschillende andere verbindingen, die met de voeding rechtstreeks weinig of niet temaken hebben, als kwarts en de zuivere klei, of daarvoor van geringer beteekenis zijn als koolzure kalk en de humusstoffen, laatstgenoemde althans in zoover ze in den bouwgrond geene zouten vormen of geen stikstof bevatten i).
Kwarts met eenige onverweerde silicaten (mineraalbrokjes), klei, koolzure' kalk en humus maken in den regel zelfs do grootste massa van een bouwgrond uit. De voedingstoffen zijn daarmede innig gemengd; wij kunnen ons voorstellen, dat zij evenals de humusstoffen en de koolzure kalk, de kwarts en de kleideeltjes omgeven. Zand (kwarts en mineraalbrokjes), klei, koolzure kalk en humus kan men het geraamte van den bouwgrond noemen. Zij bepalen door hunne betrekkelijke hoeveelheden en bijzondere eigenschappen vooral het verschil in losheid, waterhoudend vermogen enz. van den grond. Zij dragen daarom even goed als deze bij tot zijne vruchtbaarheid. En met de betrekkelijke hoeveelheid zand, klei en humus verandert niet zelden do iiuantiteit voedingsstoffen, b.v. phosphorzuur. Want kleigronden zijn over 't, geheel rijker hieraan dan zandgronden, gelijk straks nader zal blijken.
Kwarts ondergaat in den bodem weinig verandering maar wel de andere mineraalbrokjes als veldspaat h enz.; zij verweeren langzamerhand evenals de mineralen van de gesteenten, waarvan zij afkomstig zijn, bl. r)2. Daardoor en ook- door de inwerking van de wortels, althans van sommige planten, vormen zij eene voortdurende, zij liet ook slechts een geringe, bron van planten-voedsel.
EIGENSCHAPPEN VAN DEN BOUWGROND. VRUCHTBARE EN ONVRUCHTBARE GRONDEN.
Op de vraag, welke eigenschappen een grond moet bezitten om vruchtbaar te zijn, is hot niet gemakkelijk een bepaald antwoord te geven. Fn 't algemeen kan men zeggen: dat hij vochtig, maar niet te vochtig, los maar niet te los, warm maar niet te warm moet zijn, en dat hij het noodigo voedsel voor de plant dient te bevatten. Eene te groote hoeveelheid daarvan kan evenwel ook weder schadelijk zijn. Ten aanzien van do hoeveelheid plantenvoedsel kan men de gronden in rijke on arme onderscheiden. Rijk is dan een grond wanneer hij veel, arm wanneer hij weinig plantenvoedsel bevat. Een rijke grond is echter niet altijd vruchtbaar; daartoe dient er eono zekere verhouding in
') Sommige plantonphysiologen beginnen in den laatsten tijd weer meer gewicht te hechten aan den humus; zie hierachter en ook bl. 20S.
10*
244
liet plantenvoedsel te zijn, mogen er geene scharlelijke stoffen bij voorkonien en moet de grond ook de geschiktheid bezitten, dat de plantenwortels er in door kunnen dringen, en deze moeten hot voedsel lamnen opnemen. Een betrekkelijk arme grond kan wel eens zeer vruchtbaar zijn, wanneer hij maar do noodige geschiktheid voor den plantengroei bezit en het aanwezige voedsel gemakkelijk kan worden opgenomen. Nog hoort men niet zelden spreken van een' krachtigen grond of van een' grond met veel vaag, en bedoelt daarmede, dat hij veel gemakkelijk opneembaar plantenvoedsel bevat, wanneer hij dus wel in staat is om de planten te voeden, evenals men van krachtig voedsel of krachtvoer spreekt. Wij zullen deze oneigenlijke uitdrukkingen niet gebruiken, omdat zij licht tot verwarring aanleiding kunnen geven. Wanneer de landbouwer dus zegt: „dat land bezit kracht genoegquot;, „de kracht is er nog niet uitquot;, „er is nog oude kracht in,', „er is veel vaag in den grondquot; of „do vaag is er uitquot; en dergelijke uitdrukkingen meer bezigt, dan zullen wij ons aldus uitdrukken: dat land bezit voor het te telen gewas nog genoeg of niet genoeg opneembaar plantenvoedsel.
Twee hoofdpunten komen dus bij het beoordeelen van de vruchtbaarheid van den grond in aanmerking:
1. zijne geschiktheid om de planten tot woonplaats te verstrekken;
2. zijn vermogen om de planten te voeden.
Het eerste is vooral afhankelijk van den natuurkundigen toestand van en de natuurkundige verschijnselen in den grond, het tweede van zijn scheikundigen toestand en de daarin voorkomende scheikundige verschijnselen.
i. NATUURKUNDIGE TOESTAND EN NATUURKUNDIGE VERSCHIJNSELEN.
GESCHIKTHEID VAN DEN GROND.
a. De structuur en samenhancj der gronddeeltjes. Ieder landbouwer weet, dat de gronddeeltjes nu eens weinig samenhang bezitten en een los poeder vormen, dan eens tot harde groote stukken (kluiten) samengebakken zijn, dat zij nu eens eene menigte holten tusschen zich laten, dan weer tot eene dichte massa als het ware ineengeslibd zijn.
De verschillende grondsoorten (klei- en zandgronden b.v.) zijn te dezen opzichte verschillend, maar ook de bewerking van den grond en hot weer hebben op die verschillende toestanden invloed: de zandgronden zijn over 't geheel meer los dan de kleigronden, maar ook de zandgronden kunnen klmterig, de kleigronden tot een fijn poeder gemaakt worden. Noch die groote losheid, noch die groote kluiterigheid, noch die samenslibbing van de verschillende deelen wordt als de gewenschte toestand van den grond voor den plantengroei beschouwd. Men wenscht, dat de grond bij het omwerken eenigs-zins kluiterig blijft, maar dat die kluitjes ook in drogen toestand eene poreuze massa vormen en zich gemakkelijk laten verdoelen. De grond moet min of meer veerkrachtig zijn; zoodat hij, als men er op loopt, niet ineen geperst wordt, maar ingedrukt zijnde, weder eenigszins rijst. Dan zegt men dat de grond geschikt is, dat hij eene goede structuur heeft. Ongeschikt is de grond, als die kluiten bij het omwerken eene samenhangende massa en na het drogen eene harde massa vormen. Ongesclükt ook, wanneer hij dicht ineengeslibd is.
In een min of meer onnatunrlijken toestand bevindt zich de grond na het bewerken, ook wanneer hij de bovengenoemde gewenschte hoedanigheid bezit. De gronddeeltjes, in meer of minder groote kluitjes aaneengevoegd, bevinden zich veelal in een' wankelbaren evenwichtstoestand: de eerste de beste regen doet ze kantelen; zij vallen dichter ineen, en men zegt dan dat do grond zich weder „gezetquot; heeft. Met dit zetten van den grond moet niet verward worden het ineenslibben van do deeltjes, wanneer zij, na geheel door water omgeven en min of meer in liet water zwevende te zijn geweest, weder bezinken. In dien dichtgeslibden toestand bevindt zich niet zelden het bovenste laagje grond en hot zand onzer voetpaden en wegen. Ook de geheele bouwvoor kan bij te sterke verkrmmeling in dien toestand geraken. Wij meenen echter, dat een bouwgrond van goede structuur, ook na gezet te zijn. eene poreuze massa met grootere en kleinere holten moet vormen l), waardoor de lucht er in kan dringen en de wortels er zich in kunnen verspreiden. Niet voor dat indringen alleen, maar ook voor de toetreding der zuurstof voor scheikundige werkingen, is die poreusheid noodig, bl. 203.
De samenstelling van den grond, de wijze van bewerken, de vorst, de meer of minder droge ligging en de wijze waarop het overtollige water afgevoerd wordt, afwisseling van droogte en vochtigheid, de planten die geteeld zijn of worden, oefenen op de structuur van den grond invloed uit. Want van al deze omstandigheden is de samenhang der deeltjes, de losheid van den grond afhankelijk.
Dat de samenstelling hier van invloed moet zijn, ligt voor de hand. De grootste tegenstelling vormen de zand- en kleigronden. De zanddeeltjes bezitten ook in vochtigen toestand weinig samenhang. Do kloideeltjes héchten meer afin elkander en aan de zanddeeltjes enz. die er mede vermengd zijn. De klei of eene grondsoort die veel klei bevat, is daardoor vormbaar. Wordt een kleigrond geploegd, dan vertoonen de vurgen min of meer scherpe kanten, terwijl die van een' zandgrond meer rond zijn. Als vochtig zand opdroogt, verandert de ruimte, die het inneemt, weinig of niet. Klei daarentegen krimpt in. Een kleigrond vertoont dus, na het opdrogen, scheuren en baraten, een zandgrond niet.
Van de verhouding tusschen de hoeveelheid zand en klei, hangt de hoedanigheid van den grond, wat zijne structuur betreft, dus veelal af, maar ook stoffen, die met deze hoofdbestanddeelen den bouwgrond vormen en hierboven vermeld zijn, oefenen daarop invloed uit. In de eerste plaats de humusstoffen. Daar de samenhang hiervan veel minder groot is dan die der kloideeltjes en zij, gelijk reeds opgemerkt is, deze omgeven (omkorsten), volgt daaruit, dat zij een kleigrond minder samenhangend moeten maken. In een zandgrond voor-
') Men drukt dit ook zoo uit, dat de grond uit korrels of kruimels van aaneenge-hechte deeltjes fijnaarde moet bestaan, waartusschen zich holten bevinden, en dat de korrels zelve eveneens poreus, dat is van kleine holten voorzien moeten zijn (kruimel-structuur)-, maar dat niet nagenoeg elk deeltje der fijnaarde los moet wezen, zooals in een mottigen bodem {êénkorrelstrucluur), noch alle deeltjes door ineenslibbing, bewerking in vochtigen toestand enz. aaneengehecht moeten zijn (dichte structuur). Volgens een onderzoek van Wollny neemt het volume van den grond 15—40toe, als hij van de dichte in de kruimelstructuur gebracht wordt.
246
komende, werken de Immusstoffen als een cement om do zanddeeltjes aan elkander tc hechten; een zandgrond kan daardoor meer kluiterig gemaakt worden, in voohtigen toestand slibt hij niet zoo sterk ineen, bij droogte vertoont hij meer scheuren en barsten. Men vergelijke te dozen opzichte een zandigen ondergrond en een zandigen hnmushoudenden bovengrond. Kleigrond, die eene zekere quantiteit limnus bevat, is gemakkelijker te bewerken, daar de humusstoffen minder sterk aan het hout of 't ijzer der daarvoor dienende werktuigen kleven. Bij het opdrogen vertoont hij wel scheuren en barsten — daar de humusstoffen bij droogte niet minder inkrimpen dan de klei —, de kluiten, bij het omploegen ontstaan, vallen echter spoediger uiteen, ja hot is niet moeilijk een dergelijken grond poedervormig (mottig, mul) te maken. De landbouwer ziet dit ongaarne.
Niet allo humus is echter van dezelfde hoedanigheid. De kool- of turfachtige humus b.v., bl. 234, (o. a. voorkomende boven de grijze laag zand, eenige centimeters diep in onze heidevelden), die op zich zelf weinig samenhang heeft, werkt te dozen opzichte anders dan de humus, die uit eene oplossing zich rondom do gronddeeltjes heeft afgezet. Ook is het niet onverschillig welke stoffen tevens in den grond aanwezig zijn, gelijk straks (bij de scheikundige verschijnselen in den grond) zal worden vermeld. Yele humushoudende kleigronden zijn uitstekend vruchtbaar, maai' inzonderheid die, welke tevens koolzure kalk bevatten. Bekend zijn te dezen opzichte de zwarte gronden in het zuidoosten van Rusland (Tchernoïzem), de zwarte gronden van Texas (Noord-Amerika), de Dollardgronden enz.
Behalve dat bij aanwezigheid van koolzure kalk en andere verbindingen, do scheikundige toestand gunstiger is voor don plantengroei, komt ook de klei daardoor in een' anderen (door Schlösing zeer karakteristiek genoemd gestolden) toestand. Daardoor wordt de klei milder en bij het opdrogen minder hard (morgei). Andere zouten o. a. gips oefenen eene dergelijke werking uit.
Men kan zich van deze werking der kalk en van kalk- en andere zouten nog op eene andere wijze overtuigen. Wanneer men een zwaren kleigrond, die geen koolzure kalk bevat, in water verdeelt, blijft hij lüerin meestal lang zweven; voegt men echter oen weinig kalkwater of eene kleine hoeveelheid keukenzout er aan toe, zoo bezinkt hij zeer spoedig en vormt een vlokkig neerslag. Zulk een in vlokken neergeslagen grond laat zich ook gemakkelijk filtreeren, zonder troebel door te loepen; onttrekt men echter aan een' grond de oplosbare zouten b.v. door water of een verdund zuur en wascht hem dan uit, zoo filtreert hij uiterst moeilijk, doordien de fijne kleideeltjes door hot filter gaan en dit weldra verstoppen.
Doze eigenschap der kleideeltjes van vlokkig te worden door enkele verbindingen is van veel belang. Verliezen zij deze eigenschap b.v. door vochtige ligging, eene overstrooming met zeewater of eene sterke bemesting met chili-salpeter, waardoor vele zouten in oplossing worden gebracht, dan slibt de grond ook in de natuur ineen.
Als men een' zwaren kleigrond, die geen koolzure kalk bevat, met water kneedt en dan de massa laat drogen, krijgt men steenharde klompen. Voegt men echter 0.5 a 10/0 bijtende kalk bij de klei en behandelt haar dan op dezelfde wijze, zoo kan zij na droging gemakkelijker verkruimeld worden. Blijk-
247
baar verhindert de kalk de kleideeltjes om sterk aan elkander te hechten. Volgens een onderzoek van Wollnyl) krimpt oen kleigrond waarhij 1 0^ kahiun-of natrium-carbonaat gevoegd is, bij bevochtiging en daarna opdroging het meest in, iets minder als bij den grond keukenzout of chilisalpeter gevoegd is en het minst als er kalk is bijgevoegd. Na weder bevochtiging neemt het volume in de opgegeven volgorde weder toe, maar Biet kalk wordt het volume iets grooter en met de genoemde zouten blijft het kleiner als hot oorspronkelijk was.
Bij aanwezigheid van fijn verdeeld kiezelzuur, zoogenaamd meelzand, wordt de grond meer slemperig (leemachtig).
Ook de vochtigheidstoestand van den grond oefent hier een grooten invloed uit en die invloed is weder verschillend naar de betrekkelijke hoeveelheden van de andere stoffen. Inzonderheid dient die vochtigheidstoestand in aanmerking genomen te worden bij grondbewerkingen, die men doet om de structuur van den grond te verbeteren. Haberlandt vormde cilinders uit verschillende grondkruimels en plaatste hierop in verschillende toestanden van vochtigheid gewichten. Een cilinder, uit tamelijk grove kruimels2) samengesteld, kon bij o2.6 % vochtigheid 0.12 KGr., bij 13.1 0/o vocht 0.75 KG. en bij 2.4% vocht 0.17 KG. dragen; een dergelijke cilinder, uit aarde van gemiddelde fijnheid samengesteld, droeg bij 20 a 2ó0/0 vochtigheid 0.2 a 0.28 KG., bij lG.S0/0 vocht 0.5 KG., bij 3.10/o vocht 1.1 en bij 1.2O/q vocht 1.08 KG. en een, int zeer fijne kruimels gevormd, bij 33.4 0/o vocht 0.45 KG., bij 25.8 0/0 vocht 1.15 KG., bij 7 0/o vocht 1.9, bij 4.20/0 vocht 2.4 en bij 1.90/0 vocht 3.9 a 4.4 KG. Werd laatstgenoemde aarde echter bij het vormen tot een cilinder ineengeperst, dan kon zulk een cilinder bij een gehalte van 30/o vocht 12 KG. en bij 0.9 0/0 vocht meer dan 52 KG. dragen. Voegde hij bij genoemden fijnen grond eenige procenten zand of veen, dan braken de cilinders reeds bij een veel geringer gewicht. Zoo kon een cilinder uit 20 deelen van de fijne aarde en 50 deelen zand bestaande, bij 0.20/0 vochtigheid slechts
2.7 KG. en eene uit 90 deelen fijne aarde en 10 deelen veen bestaande, bij
1.8 0/0 vocht slechts 1.6 KG. dragen. De meerdere of mindere vochtigheidstoestand moet dus een grooten invloed hebben op de structuur, die de grond na het bewerken aanneemt. Want, evenals hier de cilinders eene zeer verschillende vastheid toonden, zullen ook de kluiten in verschillende toestanden van vochtigheid meer of minder gemakkelijk uiteenvallen of meer of minder groot zijn.
Als Haberlandt eene grondsoort verkruimelde, toen zij nog bijna 12O/q vocht bevatte, stonden de fijnere tot de grovere kruimels, die hij kreeg, als G3 tot 37, maar als hij hom op dezelfde wijze behandelde bij een gehalte van bijna 9.50/o vocht, als 39.4 tot 00.G. Deze cijfers zullen natuurlijk voor andere gronden anders zijn; 't verschijnsel, dat uit deze cijfers spreekt, is in de praktijk op onze gronden ook vrij wel bekend. Er blijkt hier evenwel uit, dat reeds kleine verschillen in don vochtigheidstoestand groote verschillen in
') Forsch. auf dem Gehiete der Agrikultur- Physik Dl. XXIV.
-) Deze kruimels werden verkregen iloor eeu mergelgrond, in behoorlijk vochtigen toestand te verkruimelen , aan de lucht te drogen en vervolgens door zeven van verschillende grootte te verdeelen. Zie Kr. Haberlandt, Wissemchafliich praktische Untersuchungen auf dein Gebiete des Pflnnzenbaues.
248
de structuur van den grond, na liet bewerken, b.v. het eggen, moeten geven.
Met betrekking tot het bewerken van den grond meenen wij hier niet verwijzing naar de volgende afdeeling te kunnen volstaan. Wij merken nu echter reeds op, dat, ofschoon veelal beweerd wordt, dat het bewerken van den grond noodzakelijk is om hem eene goede structuur te geven, ook liet omgekeerde 't geval kan zijn, namelijk dat door het bewerken de structuur van den grond bedorven wordt. Niet alleen het bewerken iu te vochtigen toestand kan voor kleigronden hoogst nadeelig worden, maar ook het herhaald ploegen en eggen in te drogen toestand is niet bevorderlijk voor zijne goede structuur, omdat hij dan bij invallenden regen licht ineenslibt.
De invloed der vorst op den bouwgrond is eiken landbouwer bekend. Gaat hot water tot ijs over, dan zet het zich uit en verwijdert de aarddeeltjes van elkander. De kluiten der taaiste kleigronden vallen daardoor tot een fijn poeder uiteen. Ook de veen- en humushoudende gronden, die evenals de kleigronden eene groote capaciteit voor water hebben, worden daardoor losser; ook deze vriezen op.
Die losheid, door de vorst veroorzaakt, is echter van zeer teeren aard. Droogt de grond na het ontdooien regelmatig op, dan blijft zijne structuur, ook bij bewerking, goed. Wordt hij echter in te vochtigen toestand geploegd of geëgd, zoo bederft men zeer licht weder zijne geschiktheid voor den plantengroei. Niet geheel zonder invloed is hierop ook de wijze van ontdooien. Gaat dit met veel regen gepaard, dan blijft het water niet zelden te lang op den grond staan, en zijne bovenste lagen slibben daardoor ineen. Nadeelig kan de vorst en vooral de nachtvorst daarbij ook werken op jonge planten. Bevriest de grond des nachts en zet hij zich dientengevolge uit, ontdooit hij des daags en bezinkt hij daardoor weder min of meer, dan kunnen door deze herhaalde uitzettingen en bezinkingen de jonge plantjes omhoog geheven en los in den grond bevestigd worden. Vooral wordt hun loven in gevaar gebracht, wanneer het stengeltje, Fig. 11, h, hl. 141, afbreekt, alvorens het met nieuwe bijwortels in den grond bevestigd is.
Eene dergelijke werking als de vorst oefenen ook afwisselende droogte en vochtigheid uit, vooral op kleigronden. Bi] droogte inkrimpende en bij vochtigheid zich weder uitzettende, wordt do grond los. Kleigronden, wier structuur wegens te vochtige bewerking bedorven is, worden juist door sterke uitdroging gedurende den zomer en daaropvolgende bevochtiging weder geschikter. Inzonderheid is die werking van de uitdroging en daaropvolgende bevochtiging zichtbaar bij ondergronden, die tor verbetering van den bouwvoor naarboven gebracht zijn. Laat men die gedurende een zomer, door ze boven te houden, en niet weder onder te ploegen, uitdrogen, dan verdoelen en mengen zij zich veel beter, dan wanneer zij, nog vochtig zijnde, worden ondergeploegd. Schlosing toonde door proeven aan, dat de grond onder deze omstandigheden vooral los wordt, als hij eene zekere quantiteit humus bevat.
De plantenteelt zelf verbetert de structuur van den grond. De meening, die men niet zelden uitgedrukt vindt, dat de grond door de teelt stijf wordt en hij daarom weder moet worden geploegd, geëgd enz., is grootendeels onjuist. Daarvoor bestaan andore redenen; zie het bewerken van den grond hierachter. Als de fijne wortels, vooral die der granen en klaversoorten, in den grond verrotten, blijven overal kleine kanaaltjes over. Een stoppelveld, dat men tot
249
het voorjaar zonder te ploegen laat liggen, is niet zelden veel poreuzer en daardoor droger, dan wanneer liet in den herfst geploegd is. In hot laatste geval verliezen de gronddeeltjes niet zelden het noodzakelijk verband, dat, quot;wanneer men den grond stil laat liggen, blijft bestaan. Ook de grond onder de bonwvoor, waartoe de wortels van vele planten doordringen, tenzij daarin harde lagen (banken) voorkomen, heeft daaraan zijne poreusheid te danken; behalve onmiddellijk onder do ploegvoor waar hij ineongednikt kan zijn, is hij niet zelden losser dan do bonwvoor zelf. Niet allo planten geven echter een even lossen grond. In 't algemeen kan men zeggen, dat de bodem van gras- en klavervelden het meest los is. Ook boonen- erwten- en koolzaad-stoppelsquot; zijn los, die van 't Vlas daarentegen meer stijf. Van de granen geeft Tarwe een meer lossen grond dan Haver en deze weer een losseren dan Gerst. Wanneer men bedenkt, dat de ontwikkeling der wortels en de wijze, waarop zij zich in den grond verspreiden, zeer ongelijk is, dan behoeft het ons niet te verwonderen, dat de structuur van den grond zeer ongelijk zijn moet, al naar 't gewas dat er op geteeld is. 't Spreekt van zelf, dat ook de wijze van oogsten hierop van invloed kan zijn; grond b.v. waarop mangel-wortels of suikerbieten staan, zou door de teelt dezer planten wel los kunnen worden, maar hij wordt door het oogsten in vochtig weer niet zelden vast-getreden.
Ton slotte vermelden wij, dat ook de in den grond levende dieren, met name de regenwormen, bijdragen tot do losheid en dus tot de structuur van den grond. Do regenwormen, in alle richtingen den bodem doorkruisende, maken gangen, wat voor de wortolontwikkeling der planten waarschijnlijk niet zonder invloed is, en zich met door aarde verontreinigde plantendeelen en overblijfselen van planten voedende, leveren zij cone groote hoeveelheid uitwerpselen, uit met humus vermengde aarde bestaande, die aan de oppervlakte gebracht of in de gangen afgezet, door hunne losheid zeker bijdragen tot de losheid van den bodem. Volgens eene berekening van Jenssen komen in 1 hectare grond niet zelden 133 000 wormen (Lumbrieus terrestris) voor; 1 worm leverde in 24 uur minstens 0.5 gram uitwerpselen, zoodat door het goheele aantal in een etmaal 6G.5 KG. por hectare geleverd zou worden.
b. JJe warmte van den grond. Op bi. 76 en 77 is vermeld, hoe de bouwgrond in de dagelijksche wisselingen der temperatuur lt;loeit, maar tevens opgemerkt, dat zijne kleur, samenstelling enz. een bijzonderen invloed daarop uitoefenen.
Als hoofdbron voor de grondwarmte kunnen wij de zon beschouwen. In vulkanische streken oefent ook de inwendige aardwarmte invloed uit. Bij de scheikundige werkingen, die in den grond plaats grijpen, o. a. de vertering, rotting, gisting enz. van den daarin gebrachten mest wordt weliswaar warmte vrij, maar deze is in een zeker tijddeel en in verhouding tot de groote stofmassa, die verwarmd moet worden, zoo gering, dat zij niet bepaald en in den regel buiten rekening gelaten kan worden. Alleen in broeikassen en broeibakken wordt, gelijk bekend, hiervan partij getrokken, en aangezien de grond door den mest mooi- los en derhalve zijn natuurkundige toestand er door veranderd wordt, kan de mest toch middellijk van invloed zijn op zijne warmte. Zie hieronder.
250
Drieërlei punten moeten Idj lt;1e verwarming van den bouwgrond door de zon in aanmerking worden genomen:
a. liet opnemen (absorptie) en het uitstralen (éinissie) van de warmtestralen;
b. de geleiding der warmte;
c. de soortelijke warmte en de omzetting der waimte in ander arbeidsvermogen.
O]) bl. CG is opgemerkt, dat de bouwgrond warmtestralen opneemt, maar tevens ook warmte uitstraalt; van de lioeveelheid, die opgenomen of uitgestraald wordt, hangt hot nu af, of zijne temperatuur zal toe- of afnemen. Niet allo bouwgronden nemen echter de warmtestralen even goed op. Heeft de grond eene helling naar het zuiden, dan vallen de warmtestralen meer loodrecht in en wordt meer warmte geabsorbeerd dan bij eene helling naar het noorden. Smalle ronde akkers, met eene ligging van 't westen naar 't oosten, worden daarom aan de zuidzijde meer bevoorrecht dan aan de noordzijde, 's quot;Winters ziet men niet zelden deze zijde nog bevroren, als gene reeds door,de zonnewarmte ontdooid is. Yoor eene gelijkmatige verwarming is daarom eene ligging zuidnoord meer gewenscht. Donkergekleurde gronden nemen moer warmte op dan lichtgekleurde. Schübler stelde velschillende grondsoorten bij eene luchttemperatuur van 25° C. aan do zonnestralen bloot en vond nu, dat grauwgeel en witgrauw zand en grauwgele klei eene temperatuur van 44.G0 aannamen, terwijl eene blauwachtige klei 45°, tuingrond 45.2 en zwartbruine humus 47.4° werd. Gasparin bedekte verschillende grondsoorten deels met magnesia om haar eene witte kleur, deels met houtskool om ze eene zwarte kleur te geven en vond nu, dat, bij blootstelling aan de zonnestralen, die met eene witte oppervlakte eene temperatuur van ongeveer 41 a 43° aannamen, terwijl die, met eene zwarte laag bedekt, 49 a 51° warm werden. Donkergekleurde gronden stralen echter ook meer warmte uit en zijn derhalve aan hunne oppervlakte aan grootere temperatuurverschillen onderhevig dan lichtgekleurde: des daags veelal warmer, des nachts kouder. Nachtvorsten komen derhalve op donkergekleurde gronden eerder voor dan op lichtgekleurde. Nu zal men zeggen; als donkere gronden meer warmte opnemen maar ook meer uitstralen, dan zullen zij wel aan een grooter tempera-tuurverschil onderhevig, maar gemiddeld niet warmer zijn. Toch is dit in den regel het geval. Het uitstralend en opnemend vermogen van warmtestralen is namelijk wel aan elkander gelijk voor dezelfde, maar niet voor verschillende stralen. Nu zijn onder de stralen, die door een' zwarten grond geabsorbeerd worden ook lichtgevende; die, welke uitgestraald worden, zijn alleen donkere. Bij de wit gekleurde gronden worden de lichtgevende stralen grootendeels teruggekaatst (vandaar juist de lichte kleur); zij kunnen derhalve iiiet bijdragen tot verwarming van den bodem, terwijl zij dit bij den zwarten grond wel doen. Daardoor wordt betrekkelijk meer warmte geabsorbeerd dan er uitstraalt en vandaar eene hoogere temperatuur van den zwarten grond.
Dit verschil in temperatuur heeft, echter in de eerste plaats slechts betrekking op de oppervlakte van den grond. De daaronder liggende lagen, wier temperatuur van meer gewicht is voor den plantengroei, moeten hare warmte van de bovenste lagen ontvangen door geleiding. Nu zullen grondsoorten, wier oppervlakte het sterkst verwarmd wordt, natuurlijk meer warmte aan de
251
daaronder liggende lagen kunnen afstaan, maar daarbij dient ook in aanmerking genomen te worden liet geleidend vermogen van den grond. En ook te dezen opzichte verschillen do grondsoorten evenzeer als, gelijk bekend, onderscheidene andere stoffen, die men daarom in goede en slechte geleiders onderscheidt. Te dezen opzichte hebben proeven van Haberlandt en Littrow geleerd, dat droge gronden de warmte slechter geleiden dan vochtige. De reden hiervan moot gezocht worden in de lucht, welke als slechter geleider dan water, in eerstgenoemde gronden meer aanwezig is. Losse gronden geleiden do warmte daarom ook slechter dan dichte. De scheikundige samenstelling schijnt van minder invloed te zijn dan de mechanische verdeeling. Alleen kalle- en magnesia-verbindingen werden bevonden slechter geleiders te zijn en inzonderheid de humus; kwarts geleidt de warmte het best en klei staat tusschen beide in. Geheel verkeerd worden de humusgronden derhalve als warme gronden beschouwd. Door hunne zwarte kleur nemen zij weliswaar meer warmte op, maar zij geleiden die slecht, vooral in drogen toestand. Zij zijn slechts warm aan hunne oppervlakte.
Bedekking met sneeuw houdt om dezelfde reden den grond warmer, gelijk uit de volgende waarneming van Bozet blijkt:
Luchttemp. Temp. van den grond onder sneeuw Temp. van den niet met sneeuw
bedekten grond.
— 1° C. 0°Ü C. 0o.0 C.
— 6 „ — 1.5 „ — 2.5 „
Zie verder voor de dagelijksche en jaarlijksche afwisseling der temperatuur van den bodem bl. 76 en 77.
In do derde plaats dient bij de verwarming van den grond de warmtocapa-citeit of de soortelijke warmte zijner bestanddeelen en de omzetting van warmte in een anderen vorm van arbeidsvermogen in aanmerking genomen te worden. quot;Wat daaronder verstaan wordt is bl. GS gezegd on de warmtecapaci-teit van klei in verhouding tot water reeds opgegeven. Pfaundler vond, dat die van kalk en zand ongeveer 0.2, van klei 0.25 en van humus 0.5 is, als die van water gelijk 1 gesteld wordt. Om 1 KG. water te verwannen is er dus respectievelijk 5, 4 en 2 maal zooveel warmte noodig dan voor 1 KG. zand of kalk, klei en humus. In 't algemeen worden vochtige gronden dus niet zoo spoedig warm als droge en vooral moet den vochtigon veengronden i) veel warmte toegevoerd worden, alvorens zulks aan een' thermometer of ook met ons gevoel waar te nemen is. Eenmaal warm zijnde, behouden zij echter onder dezelfde omstandigheden hunne temperatuur langer. Hunne temporatuur is minder afwisselend dan die van drogen grond; vergel. bl. 08.
Toch zijn vochtige gronden gemiddeld kouder dan droge. Do oorzaak hiervan moet gezocht worden in hot verbruik van de warmte voor de verdamping. Wordt dus een vochtige grond door de zon beschenen, dan zal hij altijd eenige graden lager in temperatuur blijven dan een droge, eensdeels omdat uit den eersten meer water verdampt dan uit den laatsten en anderendeels
') Naar het volume, b.v. per Ms, is de soortelijke warmte van veengrond veel geringer, omdat het volumegewicht van veen lager is.
252
omdat de watercapaciteit grooter is. Schübler stelde b.v. verschillende grondsoorten , en in vochtigen èn in drogen toestand, bij eene luchttemperatuur van 25° C., aan het zonlicht bloot en vond, dat zij in het eerste geval gemiddeld eene temperatuur van 44°.5 en in het laatste geval van 370.3 aannamen. Vatten wij nu liet bovenstaande samen, dan volgt daaruit:
10. dat vochtige gronden in don regel kouder zijn inzonderheid aan do oppervlakte. Zij geleiden de warmte echter betrekkelijk goed en nemen dus al spoedig in de diepte eene temperatuur aan, -welke weinig van die der oppervlakte verschilt. Zij behouden de warmte betrekkelijk lang.
20. Losse en droge gronden zijn over 't geheel warmer, maar vooral aan de oppervlakte, inzonderheid als die donker gekleurd is. De warmtegeleiding is betrekkelijk slecht en daarom neemt de temporatuur van do diepere lagen niet zeer spoedig toe; hunne temperatuur is meer afwisselend. Een droge veen-(liumus)grond vertoont dit verschijnsel hot sterkst, donkergekleurde gronden met een hoog soortelijk gewicht, b.v. een bazaltgrond of een huraus-achtige zandgrond, in mindere mate.
3°. Een matig vochtige grond, die, zonder een veengrond te zijn, eene donkere kleur heeft en nocli te veel ineengeslibd, noch te los is, is voor het opnemen van warmte en voor het bekomen van eene min of meer gelijkmatige temperatuur in den meest gunstigen toestand.
4°. Gronden die licht gekleurd zijn, een hoog volumegewicht hebben en weinig water houden (humusarme zand-, leem- en kleigronden) worden niet zoo gemakkelijk verwarmd; hunne temperatuur is daarom veelal lager dan de onder 3 genoemde, maar moor gelijk dan die onder 2 vermeld.
c. Dc vochtigheidstoestand van den grond. De noodzakelijkheid van liet water voor den plantengroei is ons meermalen gebleken. Ook voor de scheikundige werkingen in den grond is het water een volstrekt vereischte en daardoor een der machtigste factoren tot do vruchtbaarheid des bodems. Enkel gebrek aan vocht kan overigens uitstekenden grond onvruchtbaar maken. Maar, is eene behoorlijke hoeveelheid vocht een volstrekt vereischte, eene te groote hoeveelheid kan zeer schadelijke gevolgen hebben en eveneens eene oorzaak van onvruchtbaarheid zijn. Daaraan lijden niet minder overigens vruchtbare gronden. Vele grondbewerkingen hebben dan ook ten doel den vochtigheidstoestand te regelen, dat is, eensdeels te voorkomen, dat er zich te veel water in den grond ophoope, anderdeels te zorgen, dat het water zooveel mogelijk bewaard of eene nieuwe hoeveelheid toegevoerd worde.
Ter juiste beoordeeling van het bodemvocht en de verschijnselen, die daarmede plaats hebben, zullen wij in de eerste plaats nagaan, hoe het in den grond voorkomt. Vooreerst dan treft men liet water (behalve eene zekere hoeveelheid in min of meer sterk gebonden toestand) in den bouwgrond aan als een dun laagje rondom do aarddeeltjes. Door de adhaesie wordt dit vastgehouden evenals aan elk ander lichaam dat bij bevochtiging „natquot; wordt. Maar ook, zonder juist nat aan te voelen, dat is in luchtdrogen toestand, zijn de grond-deeltjes van een dun laagje vocht omgeven (hygroscopisch water). In de tweede plaats kan liet water, evenals in een nauw Indsje de capillaire ruimten van den grond vullen en in de derde plaats door den hydrostatischen druk in den grond „staan.quot; In het laatste geval zijn niet alleen de kleine ruimten,
253
b.v. in de kruimels, maar ook allo grootere tnsschen de grondkruimels enz. met water geruid.
Het in den grond voorkomende vocht moet beschouwd worden als te zijn regenwater, water dat als dauw gecondenseerd wordt en water dat door de bouwlaag uit den ondergrond wordt opgezogen. Eigenlijke bronnen, waarbij hot water, uit de diepte opgestuwd, de bouwlaag vochtig maakt, gelijk in bergachtige streken niet zelden het geval is, komen hier slechts bij uitzondering voor. Verg. hl. 121. Het wordt uit den grond verwijderd, deels doordien het er doorsijpelt of afstroomt, deels doordien hot door de planton opgenomen wordt of verdampt, 't zij uit den grond zeiven 't zij middellijk door de planten.
In den herfst en winter hoopt zich wegens de geringe verdamping eenc grootere hoeveelheid water in den grond op; dan is hij in don regel het vochtigst en niet zelden met water verzadigd; in hot voorjaar droogt hij op en is in den nazomer in den regel het droogst.
De vochtigheidstoestand van den grond is voorts afhankelijk:
aa. Van zijne capaciteit voor water. Zie daarvoor de opgaven op bl. 232 i). Hoeveel water een grond al kan opnemen, wordt vooral bepaald door zijne adhaesie en capillariteit. Hoe fijner de aarddeeltjes zijn, des te grooter is hunne gezamenlijke oppervlakte, en des te meer water kan hieraan blijven kleven. Vandaar dat klei- en vooral veengronden eene grootere watercapaciteit bezitten dan zandgronden. Maar ook — en dit wordt vele malen voorbijgezien — de structuur van den grond is hierop van invloed. Haberlandt vond dat een bouwgrond, los in eene buis gedaan, 59 0/q water terugliield en slechts 37.90/0, toen hij daarin vast ingestampt werd. Zeer fijn zand nam onder eerstgenoemde omstandigheid 36.1, zeer fijn veen 2210/o water op, maar in de buis gestampt, bleven in eerstgenoemde grondsoort 24.4O/,! en in laatstgenoemde slechts 132.7 0/o water achter.
Klei- en veengronden nemen dus des winters of in 't algemeen in een natten tijd meer vocht op dan zandgronden, en wel eene hoeveelheid, die veelal te groot is om zo dan te kunnen bewerken. Hot overtollige moot noodzakelijk verdampen en, daar voor die verdamping warmte verbruikt wordt, zijn zij veelal kouder. Zie hierboven de warmte verschijnselen in den grond. Des voorjaars kunnen genoemde gronden niet zoo spoedig bewerkt worden en blijven dan langer koud dan zandgronden. Veel vochtiger en daardoor kouder blijven echter de gronden, wanneer hot water daarin „staanquot; blijft. Zie daarvoor hieronder hot verschil tusschon een gedraineerden en een niet godrainoorden grond.
hh. Van hd vochthéhoudend vermogen van dm eirond, rn zijn vermoeien om den waterdamp uit de lucht te verdichten {condensatieverniofien). Wij voegen deze eigenschappon bij elkaar, omdat zij wezenlijk van elkander afhankelijk
') Door de Duitsche lamlbonwscheikiimiigen wordt de watercapaciteit gewoonlijk in volnmeprocenten uitgedrukt. Ad. Maijer, Lehrbuch der Aqriculhir-Chemie, onderscheidt eene grootste of volle en eene kleinste ol' absolute watercapaciteit. t)e laatste heeft betrekking op eene kolom aarde welke zich boven eene andere kolom aarde, welke reeds met water volgezogen is, in een buis bevindt en evenals deze met water bevochtigd wordt en gewogen als er niet meer afloopt.
254
|
zijn. Een grond, die de waterdamp het best verdicht, behoudt ook het water 't best, dat is doet het water 't minst er uit verdampen. Wij verwijzen hierbij naar hl. 91, waar over het verdichten van waterdamp gesproken is. Em. Wolff stelde verschillende grondsoorten, in vochtigen toestand, gedurende eenige dagen aan het zonlicht bloot. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Veen- en kleigronden verdichten dus meer waterdamp uit de lucht en doen die niet zoo spoedig verdampen als zand- en zavelgronden. Eseri) vond echter dat uit humus het meest, uit zand liet minst verdampt, dat klei tusschen beide in staat, en dat ook de kleur daarop van invloed is; hoe donkerder hoe meer water er uit verdampt.
Deze proeven hebben dan ook in zoover weinig beteekenis en leiden allicht tot verkeerde gevolgtrekkingen, omdat de structuur van den grond hierbij niet in aanmerking genomen is. En deze is hierop van zeer groeten invloed. Als zware kleigronden b.v. hun water door verdamping verliezen, vertoonen zij niet zelden diepe scheuren en barsten, waardoor het water in dampvorm kan ontwijken. Zij drogen daarom allicht meer uit dan de zandgronden, waarin die scheuren niet ontstaan. De waarneming leert dan ook dat de planten op kleigrond dikwijls eerder gebrek aan vocht hebben dan op zandgrond. Zie ook de proeven van Sachs op hl. '258.
Is de bovenlaag van den een of anderen grond verkruimeld, dan beschermt deze de daaronderliggende lagen meer voor verdamping dan wanneer de oppervlakte gesloten is, omdat het water dan door de haarbuisjes naarboven geleid wordt en hier kan verdampen, terwijl dit niet of in mindere mate geschiedt, als het bovenste laagje verkruimeld is.
Het vermogen van den grond om zijn vocht voor verdamping te bewaren is in den drogen tijd eene van de belangrijkste eigenschappen van dei: grond. Poreusheid is daartoe eene eerste vereischte, want daardoor wordt zijne oppervlakte, waarop het vocht in verdichten toestand wordt neergeslagen en vastgehouden, vergroot. Als kleigronden echter in vochtigen toestand bewerkt zijn, dan worden deze, vooral als zij geen koolzuren kalk bevatten, zie hierboven, door de vormbare (plastische) eigenschappen der klei gedeeltelijk ineengeperst. Bij veel regen blijft dan het water er licht op staan; zij zijn.
') Forschungen auf d. Geb. der Agric. Phys. 13J. VII, 51 en 52.
255
ofschoon hunne capaciteit voor quot;water geringer wordt (zie hierboven de proeven van Haberlandt) veelal vochtiger (de relatieve vochtigheid is veelal grooter); maar opdrogende, vormen zij cene harde, dichte massa, waaruit het water spoedig verdampt en waarin weinig waterdamp verdicht wordt. De planten, hier op groeiende, krijgen dus veel eerder gebrek aan vocht, dan wanneer de grond eene goede strnctmir heeft i).
In een eveneens ongunstigen toestand bevindt zich de grond, die van boven gesloten, dichtgeslempt is, gelijk dit door stortregens met een te veel verkruimelden kleigrond licht plaats kan hebben. Dut dichte laagje bevordert dan de uitdroging van den geheelen grond, omdat daarin liet water uit de dieper gelegen lagen naarboven kan stijgen; bovendien ontstaan daarin scheuren , waardoor het water uit die diepere lagen rechtstreeks kan verdampen.
Een grond, die van boven verkruimeld is, vangt ook het regenwater beter op. Bij weinig regen dringt liet derhalve dieper er in door; bij stortregens en inzonderheid als de grond eene helling heeft, loopt het niet zoo gemakkelijk er van af. Een' dergelijken invloed heeft eene bedekking met stroo, mest, dennennaalden enz., ook deze houdt do verdamping tegen, zoodat de grond daaronder vochtiger blijft dan wanneer hij onbedekt is.
Niet onbelangrijk zijn verder de waarnemingen door Babo en Hervé Mangon, bij het condenseeren van den waterdamp in den grond gedaan, naniolijk dat de temperatuur daarbij aanmerkelijk stijgt. Babo hing een zakje met droge humushoudende aarde in eene flesch met vochtige lucht. Een thermometer, midden in de aarde geplaatst, steeg, terwijl de grond de vochtigheid opnam, van 20 tot 31°, in een' zandachtigen grond slechts tot 21°. Volgens Hervé Mangon stijgt ook de temperatuur wanneer bij een' drogen grond, waarvan de ingesloten lucht niet met water verzadigd is, vloeibaar water gevoegd wordt; daaraan moet volgens hem de verhooging van temperatuur worden toegeschreven, die men in don bouwgrond waarneemt, als er na droogte regen valt, zelfs als de regen kouder is dan de grond zelf.
cc. Het capillair-opzuigend en het waterdoorlatend vermogen kan eveneens van grooten invloed op den vochtigheidstoestand van den grond zijn. Do verschillende gronden zijn ook te dezen opzichte zeer ongelijk.
Meister vulde eenige glazen buizen met onderstaande grondsoorten in liicht-drogen toestand en plaatste ze daarna loodrecht in water.
|
De hoogte waarop het water steeg is in de volgende tabel in m.M. opgegeven: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
') Brengt men eene plan', die, in een' bloempot met aarde geplaatst, begint te verwelken, in een vochtige atmospheer, dan kan zij zich niet weer herstellen, door den condenseerenden waterdamp. |
256
Hieniit blijkt dus dat een klei- en veengrond het water beter opzuigen dan b.v. een zandgrond. Wij meenen echter te moeten opmerken, dat verschillende omstandigheden ook hier het resultaat van dergelijke proeven kunnen wijzigen. Als een veengrond b.v. geheel uitgedroogd is, wordt hij zeer moeilijk weer vochtig, zuigt dan slecht het water op en laat het moeilijk door. Giet men b.v. op oen' drogen veengrond in eenen trechter water, dan kan dit verscheidene dagen daarop blijven staan. Hetzelfde geschiedt, ofschoon in mindere mate, met een' drogen zandgrond en sommige kleigronden, b.v. roodoorn. Is een veengrond echter eenmaal bevochtigd (nat geworden), dan zuigt hij het water evenals een zandgrond, goed op. Ook de structuur van den grond is liier weder van invloed. Als Haberlandt bij dergelijke proeven de aarde vast in de buis stampte, steeg het water 2 a 3 maal zoo langzaam naar boven als wanneer hij de buizen met losse aarde vulde. Komen in den grond dus dichte lagen (banken) voor, dan zal hierdoor hot opzuigen van 't vocht uit don grond aanmerkelijk vertraagd worden. Is de grond meer los (poreus), dan wordt het sneller opgezogen en kan de toevoer van water dus van eenige beteekenis worden. In hoever overigens de bouwlaag door dit opzuigen van vocht kan worden voorzien, hangt natuurlijk ook van hare ligging ten opzichte van het omringende water (van het grondwater) af.
Niet slechts van beneden naar boven, maar ook omgekeerd beweegt zich het water in den grond, 't Laatste heeft in den zomer, als de grond tot zekere diepte uitgedroogd is, en daarna door regen bevochtigd wordt, plaats. Een goed opzuigend vermogen is ook dan van belang. Want het vocht, dat de regen geeft, wordt daardoor meer voor eene spoedige verdamping beveiligd.
Met de beweging van dit water gaat ook eene beweging van de voedingsstoffen in den grond gepaard. Droogt de bouwlaag des zomers uit, dan wordt water uit den ondergrond opgezogen en daarmede ook de stoffen, die in dit grondwater opgelost zijn. Met het regenwater, dat naar beneden zakt, spoelen bestanddeelen uit de bouwlaag naar de diepte.
Aanwezigheid van dichte lagen (banken) is niet alleen nadeelig voor het opzuigen en 't doorlaten van den grond door capillariteit, gelijk wij zooeven gezien hebben, maar ook en vooral omdat het Avater daardoor licht in den grond „staanquot; blijft. Dan moet eene grootere hoeveelheid water verdampen en blijft de grond dus kouder; dan wordt de lucht geheel afgesloten en ontstaan allicht voor de planten schadelijke stoffen in den grond enz. Maar ook zonder dat er bepaald banken gevormd zijn, laten toch alle gronden het water niet even gemakkelijk door; kleigronden b.v. niet zoo gemakkelijk als zandgronden. Veel hangt hier echter van hunne bijzondere structuur af. In zandgronden komen even goed niet-doorlatende lagen voor, zie bl. 34, als in kleigronden. De laatste kunnen bij eene goede behandeling (doeltreffende bewerking) zeer goed doorlatend zijn.
't Vermogen het water goed door te laten is dus vooral voor de kleigronden in ons vochtig Nederland van hot uiterste gewicht. Het zijn echter vooral de ondergronden, die hier van invloed zijn. Voor den vochtigheidstoestand van de bouwlaag zijn zandige en veenhondende ondergronden derhalve in den regel meer gewenscht dan zware kleigronden.
dd. Van de planten, die geteeld worden. Niet zelden is de meening geuit.
257
dat een bouwgrond, met planten begroeid, meer voor verdamping beveiligd is, en derlialve vochtiger moet zijn, dan een onbegroeide grond. Bladrijke planten als Klaver, Luzerne, Erwten enz., zoogenaamd beschaduwende gewassen, heeft men gezegd, houden den grond vochtiger, omdat zij het water voor verdamping bewaren. Dit vochtiger houden heeft echter slechts aan do oppervlakte plaats, op zekere diepte is de met planten begroeide grond droger. Op bl. 98 is reeds vermeld, dat uit een met planten begroeiden grond meer water verdampt en op bl. 210 dat de planten eene groote massa water uit den bouwgrond opnemen en dit niet alleen voor hare opbouwing gebruiken, maar ook doen verdampen. Daaruit volgt reeds, dat een met planten begroeiden grond droger moet zijn dan een onbegroeide. Breitenlohner en Wilhelm vonden dan ook een braakland vochtiger dan een stoppelveld en dat bladrijke gewassen, als Klaver, Luzerne, Grassen aan den boven- en ondergrond meer vocht onttrekken dan b.v. do Granen. Volgens Vogel verdampte van eene vierkante voet oppervlakte in 108 dagen bij eene temperatuur van 15.2°, uit een onbe-zaaiden bodem 7044 gram, uit een met Haver bezaaiden 21C92 gram en uit een met Tarwe bezaaiden 20169 gram.
Volgens Dietrich brengt eene en dezelfde plantensoort dos te meer planten-zelfstandigheid voort, naarmate meer vocht uit haar verdampt en omgekeerd. Op 1 KG. voortgebrachte droge plantenstof verdampt er volgens hem door
Boekweit....... 420 KG. water
Klaver.......410 „ „
Lupinen, Boonen en Haver 360 „ „
Zomerrogge en Tarwe . . 300 „ „
Gerst........ 260 „ „
Nomen wij nu een boonenoogst van 2000 KG. zaad en 1800 KG. stroo van de hectare, dan is hierin ongeveer 3150 KG. droge stof aanwezig en om deze voort te brengen is dus 3160 x 360 KG. = 1 137 600 KG. water noodig. Een gerstoogst van 2000 KG. zaad en 3000 KG. stroo, of ongeveer 4320 KG. droge stof onttrekt aan den grond daarentegen 4320 x 260 = 1 12.'! 200 KG. Voor beide oogsten is dus nagenoeg evenveel water noodig.
Deze verschillende punten dienen bij het beoordeelen van den vochtigheidstoestand van den grond in het algemeen in aanmerking genomen te worden.
Voor het beoordeelen van den vochtigheidstoestand op een' zeker tijdstip en in eene bepaalde streek, dient er rekening gehouden te worden met de vochtigheid van het klimaat, de gemiddelde hoeveelheid regen, de weersgesteldheid, den stand van 't omringende water enz. Gronden, die spoedig hun vocht verliezen, zullen in eene streek met een vochtig klimaat nog uitstekend vruchtbaar kunnen zijn, terwijl zij in een droog klimaat of in een' drogen tijd onvruchtbaar worden. Ook bij het ontginnen van gronden dient men er op te rekenen of zij de noodige hoeveelheid water kunnen leveren voor den weligen plantengroei, dien men er van verlangt.
Maar ook, zonder dat de planten nu juist verwelken, werkt te weinig vocht reeds nadeelig. In 't algemeen blijven de planten in een' drogen bodem klein. Men merkt dit b.v. aan de Granen, als het in den tijd van liet doorscliieten te veel droogt; men bekomt dan kort stroo. Zoo werd ook gevonden, dat de bladeren van Gerst in een en denzelfden grond gegroeid:
RKINUEHS, I. Vierde druk. -17
258
,, „ „ » 40 „ „ „ „ „ „ 166.3 9.1
gt;gt; u » gt;! 20 „ „ ,, „ „ „ 138.7 6.9
jï ÏI » li 10 „ „ „ ,, 7i 93.7 o.O
Over de groote natleeleu van te veel vocht in den grond zullen wij niet verder behoeven uit te weiden: het zijn de daardoor veroorzaakte koude, vorming van voor de planten schadelijke stoffen in den grond, te groote verdunning van het voedingsvocht, ineenslibbing van de gronddeeltjes tot ondoorlatende lagen. Wij komen daarop Ideronder nogmaals terug.
Hoeveel water eèn grond noodzakelijk moet bevatten, als de planten daarin nog kunnen groeien en niet verdorren, schijnt van verschillende omstandigheden , inzonderheid van den aard der gronden afhankelijk te zijn. Op een' humusrijken zandgrond, welks capaciteit voor water 4G bedroeg, zag Sachs tabaksplanten verdorren, toen de grond nog 12 0/0 water bevatte; in een' humusarmen zandgrond, met eene water-capaciteit van 21, verwelkten zij eerst toen de hoeveelheid water tot op 1.5 O/q gedaald was. Schuhmacher nam waar, dat gronden die het slechtst vochtigheid uit den dampkring tot zich trekken, juist die zijn, waarin de planten met de minste hoeveelheid water nog kunnen groeien.
Naar het schijnt kunnen de plantenwortels het water uit sommige gronden dus niet meer opnemen, omdat het te sterk door de fijne gronddeeltjes wordt vastgehouden. Ook de aard der planten en de wijze, waarop zij hare wortels in den grond verspreiden, is hierop voorzeker van invloed, en 't zal, behalve aan het verschil in den vochtigheidstoestand van den grond en in de hoeveelheid water die de planten absoluut noodig hebben, aan het verschil in de wijze waarop de plantenwortels het water uit den grond opnemen, moeten worden toegeschreven, dat Rogge en Boekweit b.v. beter op zandgrond tieren en Tarwe op kleigrond.
c. De zwaarte van den grond; zijn soortelijk gewicht. Kleigronden noemt men zware, zand en veen lichte gronden, omdat de eerste moeilijker te bewerken zijn dan laatstgenoemde. Deze onderscheiding moet dus niet verward worden met die naar de werkelijke zwaarte of het volume- en het specifiek gewicht van den grond, want
in drogen toestand in vochtigen toestand
Een liter samenperst zand klei humus zand klei humus, weegt ongeveer 2.04 KG. 1.38 KG. 0.63 KG. 2.49 KG. 2.13 KG. 1.43 KG.
Dit is dus onder deze omstandigheden het volumegewicht, dat is het gewicht van 1 liter in KG., terwijl het soortelijk gewicht van zand 2.6 a 2.7, van klei 2.5 en van humus ongeveer 1.3 is. Moge dus kleigrond zwaarder, dat is moeilijker te bewerken zijn, te verwerken en vooral te vervoeren is zand veel moeilijker.
Zijn het volumegewicht en het soortelijk gewicht van eene grondsoort bekend, dan kan daaruit het volume der met lucht gevulde tussclienruimten (poriën of capillairen) berekend worden. Gesteld het vohune van den grond met de tusschenruimten is V, dat der aarde alleen V' en dat der tussclien-
259
ruimten Vquot;, clan is Vquot; = V — Y. Is nu het gewicht van dit volume aarde
G G G en het soortelijk gewicht G', dan is V' = —— en dus Vquot; = V--^r. Uit
onderzoekingen van Ad. Mayer en Wollny is gebleken, dat het luchtvolume in den drogen grond des te grooter is naarmate de gronddeeltjes fijner zijn, dus van fijn zand grooter dan van grof zandl). Van de meeste grondsoorten is het volumegewicht 1.5 ü 1.7, het soortelijk gewicht 2.4 a 2.5. Daaruit Iaat zich berekenen dat het volume der tusschenrmmten 28 a 400/o van het geheele volume bedraagt. Enklaar vond deze voor wit uitgegloeid zand 23 a 240/0, voor grove donkere leem 31, voor fijne grijze leem 34, voor veen-achtigen zandgrond 3G, voor zwarte hmnusrijke klei 37 en voor bruine knipklei 440/0; Seelheim voor zandkorrels van gelijke grootte 37 en van ongelijke grootte 29 O/o 2), Natuurlijk is ook de structuur van den grond hierop van grooten invloed. Ramann 3) vond in het humusachtige gedeelte van een bosch-grond (versch, niet gedroogd) liet volume der tusschenruimten over de 500/o en naarbeneden gaande, naarmate de kruimelstructuur afneemt, verminderende, maar in het dichtste gedeelte van den ondergrond bedroeg liet nog altijd 35 o/q. De hoeveelheid lucht, die in een matig vochtigen grond aanwezig kan zijn, is dus aanzienlijk.
d. Be lucht in den bouwgrond, absorptie van gassen. Uit deze opgaven blijkt, dat de lucht ook in een matig vochtigen grond aanwezig, aanzienlijk kan zijn. Omtrent de samenstelling dier lucht is bl. 62 het noodige gezegd. Hier zij nog opgemerkt, dat door den grond, inzonderheid door sommige zijner bestanddeelen, vooral door het ijzeroxyd, den humus en de klei ver-schillende gassen als ammoniak en koolzuur worden opgenomen. Volgens proeven van Amnion ■i) nam 100 c.M? van de volgende stoffen in drogen toestand, in eene atmospheer van ammoniak gebracht, op, bij 10°
IJzeroxyd 35096 cM3.
Humus 22930 „
Kaolin 2165 „
Gips 10360 „
Kwarts 1071 „ ;
terwijl Döhring vond, dat het gas, door ijzeroxyd, langen tijd aan do lucht blootgesteld, opgenomen, 950/^00^11111- bevatte. Amnion meent zelfs gevonden te hebben, dat bij absorptie van stikstof en zuurstof door ijzeroxyd salpeterzuur gevormd wordt.
Omtrent de beweging der gassen in den grond is nog weinig bekend, zeker is het, dat veranderingen van luchtdruk en temperatuur eu vooral de regen daarop van invloed zijn.
') Theoretisch is er geen verschil in het volume iler tusschenruimten of eene ruimte met kleine of met groote kogels gevulil wordt, wel wonlt dit kleiner wanneer de tusschenruimten van grootere kogels door kleinere worden aangevuld.
. 2) Zie Verslag van de commissie tot onderzoek naar de mate water onder verschillende drukhoogte door zandmassa's van verschillende samenstelling en breedte stroomt in de Werken der K. A. v. VV.
•') Forschungen anf dein Gebiete der Agric.-Physik, ti XI, 209.
'') Idem, Bd. 11, 1.
17*
260
2. SCHEIKUNDIGE TOESTAND EN SCHEIKUNDIGE VERANDERINGEN
IN DEN GROND.
Hierboven, bl. 232 en volg. is een overzicht gegeven van ile scheikundige verbindingen, die gewoonlijk in den bouwgrond voorkomen. Wij hebben daarbij opgemerkt welke verbindingen het geraamte van den grond vormen en groo-tendeels zijn natuurkundigen toestand bepalen en dat de voedende verbindingen deels in het bodemvocht opgelost kunnen voorkomen, voor het grootste gedeelte echter als vaste stoffen innig met de geraamte-vormende verbindingen vermengd zijn en hare eigenschappen wijzigen. Wij moeten thans de scheikundige verbindingen, die het voedsel der planten, vormen nog nader leeren kennen en trachten na te gaan, lioo van deze verbindingen de vruchtbaarheid van den grond afhankelijk is.
Nogmaals merken wij op, dat, evenals de kleideeltjes de zandkorrels omgeven en gelijk de humusstoffen in een zwarten, het ijzeroxyd in een' roestigen en de koolzure kalk in een' mergelgrond vooral aan de klei- maar ook aan de zanddeeltjes hechten, ze als het ware omkorsten, ook de voedingsstoffen of juister de verbindingen, waarin vooral de voedende elementen voorkomen , innig met de klei en het zand en den humus gemengd zijn, daarmede als het ware een geheel vormen.
Laat ons eerst nagaan, in welke scheikundige verbindingen die voedende elementen al in den grond kunnen voorkomen, in welken vorm ze waarschijnlijk het gescliiktst door de planten kunnen worden opgenomen, welke veranderingen zij kunnen ondergaan en in welken vorm ze bepaald schadelijk zijn. Vergelijk hierbij de lijst op bl. 113. Wij herinneren hier, dat behalve water, de voedende elementen van den bouwgrond zijn; stikstof, zwavel, phosphorus, kalium, calcium, magnesium en ijzer, maar dat de planten behalve deze ook chloor, silicium en natrium en soms ook andere elementen uit den grond opnemen, ofschoon ze volgens de proeven in waterige oplossingen niet bepaald noodig zijn.
De stikstof1) komt in den bouwgrond voor als salpeterzuurzout, in ammo-niakverbindingen en in enkele meer samengestelde stoffen (humus b.v.). In dezen laatsten vorm spreekt men gewoonlijk van organische stikstof. De vorm, waarin zij het gemakkelijkst door de planten kan worden opgenomen en dus in het algemeen het best als voedsel kan dienen, zijn de salpeterzure zouten en in enkele gevallen misschien de ammoniakzouten. Sommige planten nemen haar wellicht ook uit andere verbindingen b.v. humus op. De hoeveelheid stikstof in den bodem is zeer uiteenloopend: in sommige humusrijke gronden 1 a 2 0/,,, in zeekleigronden 0.15 a 0.3 0/0, in de tabaksgronden op Java en Deli 0.2 a 0.3 0/o, volgens Warington op een diepte van 2 dM. in eene weide 0.25 0/0, op dezelfde diepte in goed akkerland 0.15 0/0, in een klei-ondergrond 0.05 O/q. Slechts een gedeelte daarvan is direct opneembaar voor de planten.
Zwavel wordt in den bouwgrond aangetroffen vooral als zwavelzuur, verbonden met kalk en, in verbinding met ijzeroxyd of aluinaarde, als zoogenaamd
Hier wordt natuurlijk alleen bedoeld de stikstof als bodembestanddeel, niet de stikstof der lucht in den bodem.
moeilijk oplosbare, basische zouten. Bij afsluiting der lucht en aanwezigheid van organische stoffen wordt de zuurstof aan deze zouten niet zelden onttrokken en er ontstaat zwavelcalcium, zwavelijzer enz. In andere gevallen wordt het voor de planten in eenigszins groote hoeveelheid schadelijke zwavelzuur ijzeroxydule of andere sulfaten gevormd of ontstaat vrij zwavelzuur, die aan den grond eene zure reactie geven. Als meest gesclükte verbinding tot voeding-der plant beschouwt men zwavelzure kalk. Do hoeveelheid zwavelzuur l) in don grond voorkomende is zee; ongelijk. Meestal bedraagt zij niet meer dan eenige honderdsten van procenten; alleen in poldergrond, pas aan de zee ontwoekerd, is zij grooter, nl. U.60/o, maar aangezien de zwavelzure zouten gemakkelijk oplossen, spoelen ze weldra uit en na eenige jaren is nog slechts de ondergrond rijker aan sulfaten. In de zure zeekleigronden kan zwavelzuur opgehoopt zijn.
Chloor vindt men in den grond in meestal gemakkelijk oplosbare verbindingen met natrium, calcium, magnesium enz. Wij mogen dus aannemen, dat het in een dezer vormen gemakkelijk door de plant kan worden opgenomen. Bij te groote hoeveelheid zijn vooral laatstgenoemde (calcium- en magnesium-) zouten nadeelig voor den plantengroei. Slechts zelden schijnt het chloor in moeilijk oplosbare verbindingen in den grond voor te komen. De meeste zijner verbindingen zijn gemakkelijk in water oplosbaar, en, evenals die van zwavelzuur in een' nieuwen zeepolder in grootere hoeveelheid, 0.5 a 1 0/0) als keukenzout voorkomende, spoelen zij spoedig naar den ondergrond, zoodat ten slotte in de bouwlaag eene dergelijke hoeveelheid chloor voorkomt, dat is slechts hondersten van procenten. Daar het regenwater hier te lande keukenzout bevat, zie bl. 119, wordt daarmede jaarlijks eene zekere hoeveelheid chloor in den bodem gebracht.
De phosphorus treft men in den grond aan als phosphorzure zouten: phosphorzuur ijzeroxyd, phosphorzure aluinaarde en phosphorzure kalk zijn daarvan de belangrijkste2). Alle drie zijn onoplosbaar in zuiver water, maar wanneer dit koolzuur bevat, lost het laatstgemeld zout en zoo daarin ook koolzure kalk in opgelost is, of keukenzout, koolzure potasch of enkele andere zouten aanwezig zijn, ook kleine hoeveelheden van de eerstgenoemde zouten op, en in eene of meerdere der daarbij ontstaande verbindingen kan het dan door de plant worden opgenomen. Maar moge het ook veelal in onoplosbare verbindingen voorkomen, het zure vocht, dat de plantenwortels, innig met de gronddeeltjes vereenigd, doortrekt, werkt osmotisch hierop in, waardoor phosphorzure verbindingen uit den bouwgrond in de planten overgaan. Zie bl. 212. De hoeveelheid phosphorzuur in den grond bedraagt veelal niet meer dan 0.1 a 0.2 proc., in terpaarde en tabaksgronden soms iets meer, in schrale zandgronden veel minder.
Het kalium maakt in den bouwgrond inzonderheid een bestanddeel uit van
') Onder zwavelzuur wordt hier ver staan zwavelzunr-anhydrid omdat in dezen vorm de hoeveelheid zwavelzure zouten gewoonlijk wordt aangegeven, zie biz. MB; zoo ook onder phosphorzuur het phosphorzuur-anhydrid, onder potasch of kali kaliumoxyd enz.
5) Waarschijnlijk maakt phosphorus ook een bestanddeel van den humus uit, maar hoe hij daarin voorkomt is niet met zekerheid bekend; zie bl. 230 en ook Comptes rend us de V Académie des Sciences, T. 11'2.
262
de waterhoudende silicaten of zeolithon, voor een deel ook als bestanddeel van de eigenlijke klei en der mineralen van het zand. Ook humuszure kali, bij de vertering van de plantenoverblijfselen gevormd of met gier enz. in den grond gebracht, kan voorkomen, inzonderheid in veengronden, alsmede koolzure en salpeterzure kali. Laatstgenoemde verbindingen zijn oplosbaar in water, terwijl de zeolithen daarin onoplosbaar zijn. Koolzuurhoudend water, vooral als dit koolzure kalk houdt opgelost, brengt hieruit koolzure kali in oplossing. Zoo ook lossen gips, keukenzout, chilisalpeter enz. het kalium hieruit op. Verdunde zuren werken op gelijke wijze. Ofschoon het kalium dus grootendeels in onopgeloste verbindingen in den grond voorkomt, kunnen door deze verschillende inwerkingen toch kleine hoeveelheden in oplossing worden gebracht en voor de planten ter beschikking gesteld worden.
Waarschijnlijk gescliiedt de opneming van het kalium ook op eene dergelijke wijze, door osmotische werking, als hierboven van den phosphorus is vermeld.
De veldspaathbiokjes, glimmerplaatjes enz. bevatten ook weliswaar kalium; men mag echter aannemen, dat niet alle planten dit element uit deze moeilijk oplosbare verbindingen gemakkelijk kunnen opnemen. Eerst wanneer die brokjes vcrweeren en het kalium in andere verbindingen is overgegaan, kan het meer algemeen tot planten voedsel dienen. Overigens is er nog weinig bekend omtrent de hoeveelheid mineralen als veldspaath in onze bouwgronden en evenmin van welke beteekenis liet daarin voorkomende kalium voor den plantengroei is. Elders o. a. in België heeft men gevonden dat het kalium wel degelijk in zulke moeilijk oplosbare verbindingen als veldspaath in den grond kan voorkomen, en dat de planten, o. a. aardappelen, het ook uit dergelijke verbindingen opnemen. De hoeveelheid kalium als potasch of kali bedraagt in rijke kleigronden 1 a 20/0) waarvan 1/3 of 1/4 gemakkelijker oplosbaar, in schrale zandgronden slechts 0.01 0/n.
Het calcium komt, behalve als bestanddeel van do zeolithen, hoofdzakelijk als koolzure kalk in den bouwgrond voor. Ook als humuszure-, phosphor-zure- zwavelzure en salpeterzure kalk kan hot erin worden aangetroffen en in de beide laatstgenoemde verbindingen, wijl zij in enkel water oplosbaar zijn, hot gemakkelijkst worden opgenomen. Maar ook het koolzuurhoudende water van den bodem brengt koolzure- en phosphorzure kalk enz. in oplossing; keukenzout werkt op genoemde onopgeloste verbindingen in en er wordt dan het gemakkelijk oplosbare chloorcalcium gevormd. En bovendien kan, gelijk bl. 212 reeds opgemerkt werd, het calcium evenals het kalium en de phosphorus door de wortel werkzaamheid worden opgelost. De grond van nieuwe zee- en rivierpolders bevat tot 10 O/q koolzure kalk, met den tijd vermindert deze hoeveelheid van bovenaf door uitspoeling, volgons Van Bemmelen ongeveer 1 0/0 in 20 a 25 jaar; zoodat oudere polders, b.v. de oudste Dollardpol-ders, geen koolzure kalk meer bevatten, meestal echter in den ondergrond (woelklei), tenzij door aanwezigheid van oude veenlagen, ook hier de koolzure kalk is uitgespoeld (zure gronden). In de diluviale zandgronden, uitgezonderd eenige mergelgronden, en in de veengronden komt evenmin koolzure kalk voor. In enkele provinciën, 0. a. in Noord-Brabant treft men intusschen onder de veenachtige graszoden koolzure kalk, bekend onder den naam van Wiesen-
kalk aan. Verder vindt men koolzure kalk in do dningronden (meestal als schelpgnds) en in de Limburgsche klei. In zeekleigronden, die geen koolzure kalk meer bevatten, komt nog ongeveer 0.5 a 1 % kalk in andere verbindingen voor. In zand- en veengronden is deze hoeveelheid veel minder, 0.03 a 0.1 %.
Magnesium komt in dergelijke verbindingen als het calcium maar meestal in geringere hoeveelheid in den bouwgrond voor, gewoonlijk niet meer (magnesia) dan 1/3 of 1/4 van de hoeveelheid kalk. Het kan op gelijke wijze in het bodemvocht opgelost zijn of in onopgelosten toestand voorkomende, oplosbaar worden gemaakt.
Menigvuldig zijn ook de veranderingen, die met de scheikundige verbindingen, waarin het ijzer in den grond voorkomt, kunnen plaats hebben. De meeste dezer verbindingen zijn gekleurd en deeleu hare kleur ook aan den bouwgrond mede; zoodat men daaraan min of meer zal kunnen zien, welke ijzerverbinding in den grond gevonden wordt. De zoogenaamde roode (roestige) gronden hebben hunne kleur te danken aan ijzerroest (waterhoudend ijzeroxyd), de blauwe kleur van vele klei-ondergronden en vooral van het in de zeebe-zinkingen voorkomende en meestal niet schelpen vermengde blauwe zand aan phosphorzuur ijzeroxydoxydule; in do witgekleurde ondergronden komt veelal het kleurlooze koolzuur ijzeroxydule, in de groen-grauw gekleurde zwavelzuur ijzeroxydule voor; de zwarte sloot- of gootaarde, de zwarte grond onder eene mestvaalt en de zwarte laag onder de slib onzer zeestranden hebben hunne kleur veelal aan het zwarte zwavelijzer te danken. De meeste landbouwers zullen die kleuren aan den grond hebben waargenomen, maar dan tevens hebben opgemerkt, dat zij bij blootstelling aan de lucht veelal in eene andere en wel in eene min of meer bruine overgaan. Het duidelijkst is deze kleurs-verandering waar te nemen met. het blauwe zand op voetpaden of wegen gebracht, met de zwarte slootaarde, vooral van eene zoutwatersloot, die uitgegraven is, en aan den witten of blauwen ondergrond, die naarboven is gebracht. De oorzaak dezer veranderingen moet worden toegeschreven aan de inwerking van de zuurstof des dampkrings, waardoor de blauwe, groene of kleurlooze ijzeroxydule zouten in ijzeroxydezouten of in het ijzeroxyd overgaan, die eene min of meer bruine tint hebben. Het zwarte zwavelijzer gaat bij blootstelling aan de lucht eerst in groen zwavelzuur ijzeroxydule over en daarna in basisch zwavelzuur ijzeroxyde. Is echter tevens koolzure kalk aanwezig, dan geeft dit met zwavelzuur ijzeroxydule zwavelzure kalk en koolzuur ijzeroxydule, welke laatste verbinding zeer spoedig zuurstof en water opneemt, maar tevens zijn koolzuur verliest, zoodat het bruine waterhoudende ijzeroxyde achterblijft en het koolzuur ontwijkt. Wij komen hieronder op deze scheikundige verschijnselen nog terug, 't Zij hier genoeg om aan te wijzen dat het ijzer in zeer versclullende verbindingen in den grond gevonden wordt en dat de kleur van den grond dit min of meer reeds aanwijst. De grootste hoeveelheid komt echter meestal als ijzeroxyd, met eene grootere of kleinere hoeveelheid zwavelzuur en phosphorzuur verbonden, voor. Ook van de zeolithen maakt het ijzer een bestanddeel uit. In de geringe hoeveelheid ijzer die de plant voor haren groei noodig heeft, wordt veelal ruimschoots voorzien. De bouwgronden zijn derhalve niet onvruchtbaar wegens gebrek aan dit element, maar niet zelden doordien het in eene verbinding b.v. als koolzuur- of zwa-
264
velzuur ijzeroxydule er in voorkomt, die door do plant opgenomen wordende, voor haren groei nadeelig is.
Het silicium wordt door de planten waarschijnlijk opgenomen als kiezelzuur of kiezolzuurzout, dat in het koolzuurhoudende bodemwater opgelost voorkovr. i. Voorts treft men verschillende silicaten in den grond aan, die van den eei:;n kant ontleed, waarbij geleiachtig kiezelzuur vrij komt, van den anderen ksnt opgebouwd worden uit het aanwezige kiezelzuur en de kalk, kali enz., die er mede iu aanraking komen. Het kwartskiezelzuur wordt echter niet opgenomen door de planten en evenmin noemt het weinig of geen deel aan de scheikundige werkingen, die in den bouwgrond plaats hebben.
Het natrium komt in dergelijke verbindingen als die van het kalium in den bouwgrond voor. De belangrijkste daarvan is het keukenzout of chloornatrium; ook vormt het natrium een bestanddeel van de silicaten. Behalve in nieuwe zeepolders, waarin het vooral als chloornatrium voorkomt, is de hoeveelheid in den regel minder dan die van het kalium.
Uit het bovenstaande blijkt, dat er in den vorm waarin de verschillende voedende elementen kunnen voorkomen, eene groote verscheidenheid bestaat. Die verbindingen zijn ook niet onveranderlijk in den grond aanwezig, maar onder den invloed van het in 't bodemwater opgeloste koolzuur (bij de voortdurende vertering van de organische stoffen (vergelijk bl. 235) gevormd of met het regenwater aangevoerd), de zuurstof der lucht en de wisselwerking, die er tusschen de eene verbinding en de andere plaats heeft, aan voortdurende veranderingen onderhevig; zoodat wel gezegd kan worden, welke verbindingen er in den grond kunnen voorkomen, maar niet altijd welke op een gegeven oogenblik werkelijk er al in worden aangetroffen. Een en ander hangt vooral af van den vochtigheidstoestand van den bodem en van de meerdere of mindere hoeveelheid van sommige stoffen. In oen kalkrijken bodem zal het phos-phorzmir b.v. ten deele aan kalk, in een ijzerrijken bodem meer aan het ijzer gebonden zijn. Eene scheikundige analyse geeft dienaangaande wel eenige aanwijzing, maar geene zekerheid. Bij die analyse worden ook niet onmiddellijk de zouten, maar wel hunne nadere bestanddeelen of enkele bestanddeelen bepaald en in de opgaven vermeld, gelijk vroeger bl. 113 door ons is aangewezen. In eene analyse is b.v. wol aangegeven, hoeveel phosphorzuur in den grond gevonden wordt, maar niet of dit als phosphorzuur ijzeroxyd of als phosphorzure kalk er in voorkomt, wel hoeveel kali er in aanwezig is, maar niet altijd of het daarin voorkomende kalium gemakkelijk door de plant kan worden opgenomen, enz. En toch hangt het er veel van af, in welke verbinding eene voedingsstof in den grond voorkomt, of zij al dan niet tot voeding der plant kan dienen. De hoeveelheid voedingstoffen, door eene scheikundige analyse bepaald, geeft daarom ook niet altijd zekerheid van de vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van den grond.
Nochtans hebben de scheikundige onderzoekingen van den bouwgrond veel wetenswaardigs aan 't licht gebracht en blijft het steeds van belang, dat de landbouwer wete, hoeveel phosphorzuur, kalk, kali enz. zijn grond bevat. Wij wijzen hier slechts op het onvolmaakte eener grondanalyse en dat deze niet — gelijk dikwijls verlangd wordt — de grondslag voor de practijk kan zijn, maar, met oordeel gebruikt, een dier vele grondslagen, waarop de practijk gebaseerd is.
265
Waarin de scheikundige analyse van den bouwgrond bestaat, is vroeger aangegeven. Eertijds meende men, dat een waterig uittreksel de hoeveelheid beschikbaar plantenvoedsel aangaf. Maar nu wij weten, dat hot zure sap der plantenwortels, innig met de gronddeeltjes in aanraking komende, alsmede het koolzuur en wellicht kleine hoeveelheden van andere zuren en verschillende zouten oplossend op het plantenvoedsel werken, heeft deze bepaling weinig of geene waarde meer. Yan meer beteekenis is daarom een uittreksel mot een verdund zuur (azijnzuur of zoutzuur)!). Wat hierin oplost kan worden beschouwd als gemakkelijk opneembaar voor de plantenwortels, terwijl hetgeen eerst in meer geconcentreerd zoutzuur en vooral door het fluorwaterstofzuur uit den grond opgelost wordt, moeilijker wordt opgenomen en meer in de toekomst voor de planten beschikbaar is.
Wat nu de hoeveelheid plantenvoedsel betreft, in dezen of genen vorm opgegeven en door dit of dat zuur opgelost, zij nog het volgende opgemerkt. Gelijk uit de cijfers hierboven opgegeven blijkt, bedraagt de hoeveelheid plantenvoedsel gewoonlijk slechts eenige percenten van het geheele gewicht der aarde. Uzeroxyd en soms ook kalk komen weliswaar in grootere hoeveelheid voor, maar deze vormen als koolzure kalk en ijzerroest, naast klei, kwarts, humus enz. mede het geraamte van den bouwgrond. Met zoozeer als voedende stoffen, maar als deel van het geraamte en door hunne werking op de andere grondbestanddeelen oefenen deze invloed op de vruchtbaarheid van den grond uit. En inzonderheid het ijzer kan ook in eene voor de planten schadelijke verbinding in den grond voorkomen. Als plantenvoedsel hebben onze bouwgronden aan deze twee bestanddeelen veelal minder gebrek. Aan zwavelzuur en chloor heeft de grond ook veelal minder behoefte en bij genoegzame hoeveelheid kalk is in den regel ook genoeg magnesia aanwezig. Om kiezelzuur en, soda behoeft de landbouwer zich evenmin te bekommeren, e minder omdat het twijfelachtig is, of deze stoffen wel noodig of nuttig voor den plantengroei zijn. Er blijven dus nog over: phosphorzuur, potasch (kali) en eene stikstofhoudende stof (salpeterzuur of ammonia). Van deze komen beide eerstgenoemde in vrij groote hoeveelheid in de asch der planten voor. Vergelijk de opgaven op bi. 182. In de hoogst vruchtbare IJpolders werd van het eerste echter slechts 0.17 0/o en van het laatste slechts l0/o, meer of minder gemakkelijk opneembaar, in een zavelgrond van het eerste niet meer dan 0.1 0/0 en van het laatste 0.2 0/0 aangetroffen. In een schralen zandgrond zijn die hoeveelheden nog geringer, resp, 0.02 a 0.010/o. Aan beide stoffen heeft een grond dan ook niet zelden behoefte en — wij zullen het bij de bemesting zien — om b.v. een schralen zandgrond vruchtbaar te maken, komt het, naast kalk, op het aanvoeren van deze twee stoffen in do eerste
') Schlösing gebruikt, voor het bepalen van liet opneembaar kaligehalte, /.eer verdund salpeterzuur (op 100 gram aarde en 800 cM3. water, na oplossing van het calciumcarbonaat met salpeterzuur nog 5 cM3. salpeterzuur), Petermann, voor het bepalen van 't opneembaar phosphorzuur, ammoniacaal citroenzure ammonia. Dyer, voor het bepalen van 't opneembaar kali- en phosphorzuurgehalte, I O/q citroenzuuroplossing. Aan de proefstations hier te lande wordt, voor het oplossen, gewoonlijk 5(l/o zoutzuur (voor de phosphorzuur bepaling 11 0/n salpeterzuur) genomen, in Duitschland vaak lOO/o zoutzuur gebruikt.
266
plaats aan. Daarbij l(omt, dat zij voelal in onopgelosten toestaiul in den grond voorkomen en eene vrij groote hoeveelheid daarin aanwezig moet zijn, als de plantenwortels genoeg daarvan zullen kunnen opnemen. — De hoeveelheid opneembare stikstof, in den grond aanwezig, wisselt meer af met zijne tijdelijke vruchtbaarheid of zijn zoogenaamden „krachttoestand.quot; Gebrek aan opneembare stikstof is dan, naar wij meenen, eene der voornaamste oorzaken van onvruchtbaarheid. Zie hieronder i).
Veelvuldig zijn de scheikundige veranderingen, die een bouwgrond ondergaat en waardoor zijne vruchtbaarheid kan toe- of afnemen. Door bemesting, vermenging niet aarde enz. wordt de voorraad plantenvoedsel vermeerderd, door herhaalde oogsten enz. verminderd. Bedraagt het verlies door het laatste meer dan de winst door het eerste, dan pleegt de landbouwer, wat v. Liebig genoemd heeft, roofbouw; in het omgekeerde geval wordt de grond verrijkt. Maar afgescheiden van de verandering in de quantiteit van het plantenvoedsel door bemesting, herhaalde oogsten enz. hebben er scheikundige veranderingen met dat plantenvoedsel plaats, waardoor zijne qualiteit gewijzigd en de grond öf vruchtbaarder öf onvruchtbaarder wordt. Men kan mesten, zonder dat men ooit iets van de uitwerking van den mest ontdekt. Men kan sommige gronden zonder bemesting vruchtbaar houden. Vele gronden zijn onvruchtbaar of althans „schraalquot;, ofschoon eene scheikundige analyse aanwijst, dat nog eene genoegzame hoeveelheid plantenvoedsel aanwezig is en de natuurkundige toestand niet te wenschen overlaat.
Vraagt men nu, wanneer een grond, wat zijn scheikundigen toestand betreft, vruchtbaar is, dan is het niet gemakkelijk hierop een antwoord te geven. In de meeste gevallen is het gemakkelijker te zeggen, wanneer en waarom eene grondsoort owvruchtbaar is. Wij zullen, ofschoon we niet in idle bijzonderheden kunnen treden, de belangrijkste verschijnselen, die daarmede in verband staan, nagaan.
a. Onvruchibaarheid door schadelijke stoffen enz. In de eerste plaats mag men aannemen, dat bij voldoende hoeveelheid plantenvoedsel, veel afhangt van de verbindingen, waarin de voedende elementen in den grond voorkomen. Nu zijn de meeste elementen, die de plant uit den grond opneemt, slechts dan een nuttig plantenvoedsel, in zooveel mogelijk geoxydeerden toestand, dat is, als zij zoo veel mogelijk zuurstof hebben opgenomen. Daarom is het noodig dat de dampkringslucht vrijen toegang tot den grond hebbe. Bij afsluiting der lucht wordt toch in vele gevallen zuurstof aan deze verbindingen onttrokken en gaan zij in voor de planten schadelijke stoffen over.
Een paar voorbeelden mogen dit ophelderen. Wij hebben hierboven gezegd, dat calcium onder anderen als zwavelzure kalk in den grond kan voorkomen. Wordt nu zwavelzure kalk bij afsluiting der lucht met organische stoffen (stalmest of humus b.v.) in aanraking gebracht, dan onttrekken deze de zuurstof er aan en er blijft het vergiftige zwavelcalcium over 2). Uit een ijzeroxydzout
') Volgens Risler en .loulie {Diet. d'Agr. IV, p. 3*12) kan een grond, die 0.10/o stikstof, 5 0/o kalk, 0.30/n magnesia, 0.1 0/o phosphorzuur en 0.25% kali bevat, eene reeks van oogsten voortbrengen zonder mest noodig te hebben.
2) Zwavelcalcium maakt o. a. een bestanddeel uit van de versche gaskalk, die daaraan dan ook vooral zijne vergiftige eigenschappen te danken heeft. Zie mijne Verhandeling over het gebruik der bijproducten eener gasfabriek.
267
wordt onder dezelfde omstandigheden een schadelijk ijzeroxydnle zout gevormd ; maar heeft de dampkringslucht toegang, dan neemt dit dadelijk weer zuurstof op, het gevormde ijzeroxyde staat weer zuurstof af enz.; zoodat het ijzeroxyde als het ware de brug vormt, waardoor de zuurstof naar de organische stoffen wordt overgebracht, (het spoediger verteren van linnengoed, waarin ijzervlek-ken, hout waarin roestige spijkers voorkomen enz.). Soms wordt het gevormde koolzuur ijzeroxydule in het koolzuurhoudende water opgelost, en daarmede naar bepaalde plaatsen gevoerd, waar hot ijzer zich als ijzerroest weer afzet. (Het ontstaan van oerbanken en kanaaltjes in den grond op de plaats der plantenwortels, waarvan de wanden door ijzerroest verhard zijn). quot;Werken op zwavelcalcium koolzuur en water in, dan ontstaat koolzure kalk en het vergiftige zwavelwaterstofgas. Uit de organische stoffen zelve ontstaan bij afsluiting der lucht schadelijke verbindingen o. a. moerasgas en wellicht in plaats van koolzuur schadelijke zuren (zoogenaamd zure humus).
Door afsluiting van de dampkringslucht kunnen dus voor de planten schadelijke stoffen in den bouwgrond ontstaan en deze daardoor onvruchtbaar worden. In de meeste gevallen is liet bestaan dezer verbindingen slechts tijdelijk en meestal zijn zij slechts in de onderste lagen van den bouwvoor en van den ondergrond aanwezig. Door den grond om te ploegen of om te spitten en droog te leggen, stolt men die lagen aan de lucht bloot; genoemde verbindingen nemen weder zooveel mogelijk zuurstof op en daardoor kan hun vruchtbaarder worden bij blootstelling aan de lucht althans ten deele worden verklaard.
In vele gevallen hangt het ook af van de al of niet aanwezigheid van andere stoffen in den bouwgrond of genoemde verbindingen hem slechts tijdelijk of blijvend onvruchtbaar maken. Het zwavelcalcium b.v. waarvan hierboven melding is gemaakt, met het ijzerroest des bouwgronds in aanraking komende, g:iat in het onschadelijke zwavelijzer over. Wordt dit zwavelijzer aan de lucht blootgesteld, dan ontstaat hot hoogst schadelijke zwavelzuur ijzeroxydnle. Daaraan moet de aanvankelijk geheele onvruchtbaarheid van de zwarte sloot-aarde, althans ten deele worden toegeschreven. Bevat een grond echter tevens koolzure kalk, dan geeft deze stof met zwavelzuur ijzeroxydule in aanraking komende, zwavelzure kalk en koolzuur ijzeroxydule. Het laatstgenoemde zout neemt zeer spoedig zuurstof uit den dampkring op, waardoor weder het onschadelijke ijzerroest ontstaat. Genoemde omzetting heeft natuurlijk daar vooral plaats, waar veel koolzure kalk gevonden wordt. Schelpen, in een uitgegraven aardwal voorkomende, ziet men derhalve niet zelden met een laagje ijzerroest omgeven. Koolzure kalk is ook om deze reden eene zeer nuttige stof in den bouwgrond. Want bij hare afwezigheid blijft een zwavelzuur ijzerzout bestaan of wordt vrij zwavelzuur gevormd en de grond ook bij blootstelling aan de lucht onvruchtbaar. (Zure kleigronden in de nabijheid van de darglagen in de provincie Groningen, den Haarlemmermeer- en andere polders.) Kalkbemesting is voor dergelijke gronden dan ook het beste middel tot verbetering. Gronden die koolzure kalk bevatten bruisen op na bevochtiging met een verdund zuur (azijnzuur of zoutzuur) en zijn dus daaraan gemakkelijk te herkennen. Dergelijke gronden hebben éene alkalische reactie, dat is kleuren roode lakmoes blauw. Gronden die geen koolzure kalk bevatten reageeren niet zelden zuur,
26S
«lilt is malven de blauwe lakmoes rond, wat in den regel een ongunstig teeken is voor de vruchtbaarheid, althans voor de meeste landbouwgewassen.
Aanwezigheid eener te cjroote hoeveelheid van andere gemakkelijk oplosbare en overigens nuttige zouten kan den grond mede onvruchtbaar maken. Bekend is hoe door eene sterke bemesting met gier, urine enz. de planten b.v. eener weide gedood worden. Daarin komen zouten in opgelosten toestand voor. Het Viodom vocht dat door de planten opgenomen wordt, is dan, vooral als er weinig regen valt, te geconcentreerd aan zouten. De proeven van den plantengroei in waterige oplossingen hebben ten duidelijkste de schadelijke werking-van zidke geconcentreerde oplossingen aangetoond. Hetzelfde geschiedt wanneer keukenzout, chilisalpeter en andere oplosbare zouten in te groote hoeveelheid op het land worden gebracht. In dit geval gaat door osmose 't water uit de cellen naar het geconcentreerde bodem vocht over, in plaats van omgekeerd; de transpiratie vermindert of houdt op en de plant wordt slap evenals bij gebrek aan water.
Overstroomingen met zeewater maken den grond daarom ook onvruchtbaar, de grond bevat dan te veel chloornatrinm enz; bovendien slibt hij na het uitspoelen van deze zouten te veel ineen. In een' kleigrond met 0.010/0 chloor, als chloornatrium, chloorcalcium, chloormagnesium enz. aanwezig, zag ik het Koolzaad niet aanslaan, in een dergelijken grond met 0.40/0 chloor ontkiemde van verschillende granen en zaden geen enkele, in een anderen grond met 0.5 0/0 chloor zag ik de Gerst mislukken. Weinig bewerken en hem een paar jaar of langer bebouwen met klaver, Luzerne of een ander diep wortelend gewas, dat de grond poreus maakt en de uitspoeling bevordert, is het beste middel tot zijn herstel.
h. onvruchtbaarheid door uitputting. Wij hebben hierboven medegedeeld, welke elementen in den bouwgrond, wanneer daarin planten zullen groeien, noodzakelijk moeten voorkomen. Ook de verbindingen dier elementen, die het geschiktste plantenvoedsel vormen, zijn door ons vermeld, 't Zal nu ook duidelijk zijn, dat zoo één of meer dezer voedende elementen ontbreken of niet in genoegzame hoeveelheid aanwezig zijn, of ook in geval zij in verbindingen voorkomen, waarin de plant ze niet of niet in genoegzame hoeveelheid kan opnemen, de bouwgrond zoo niet onvruchtbaar dan toch weinig vruchtbaar moet zijn. De onvruchtbaarheid hangt dan af van de voedingsstof die in het minimum is. Gesteld een grond bevat genoeg phosphorzuur en kali maar geen voldoende hoeveelheid opneembare stikstof, dan baten eerstgenoemde voedingsstoffen de plant niets en eerst na eene bemesting b.v. van chilisalpeter kunnen ook zij worden opgenomen en de plant welig groeien.
Do planten nemen eene zekere hoeveelheid van de voedende elementen uit den bouwgrond op; wat in het stroo, in 't zaad of in de knollen enz. aanwezig is, wordt met de oogsten van het land gevoerd. Door de oogsten moet de aanwezige voorraad dus verminderen. En, wordt nu niet gemest, — de ondervinding leert het — dan worden de oogsten al schraler en schraler; zelfs de oorspronkelijk zeer vruchtbare gronden worden, gelijk men 't noemt, uitgeput.
Het woord uitputting komt echter in twee beteekenissen voor en heeft daardoor niet zelden aanleiding tot verwarring gegeven. Liebig verstond onder
269
uitputtenden landbouw (roofbouw) die, waarbij meer bestanddeelen als phos-phorzuur, kali, kalk enz. van het land eener boerderij worden weggevoerd dan in den vorm van mest er aan teruggeven wordt. In de practijk verstaat men onder uitputtenden landbouw in 't algemeen die bouwwijze, waarbij (gelijk de ondervinding leert) de vruchtbaarheid van het land afneemt, of zooals men 't noemt zijn kracht verliest, aangebouwd wordt. Beide moeten wel onderscheiden worden. Tot laatstgenoemde uitputting komt men het eerst, door, jaar in jaar uit, hetzelfde gewas, b.v. graan of bieten te verbouwen. Lawes teelde te Eothamsted in Engeland o. a. Tarwe en Gerst gedurende meer dan 20 jaren op hetzelfde veld, zonder eenige bemesting. Do Gerst die van 1832—'01 gemiddeld jaarlijks 20.1 hectoliter zaad van de hectare leverde, bracht van 18G2—'71 slechts 15.75 hectoliter gemiddeld jaarlijks op, terwijl bij eene bemesting met 35.000 kg. stalmest op de hectare de opbrengst in het eerstgenoemd tijdperk 40.5 HL. en in laatstgenoemd 48.35 HL. gemiddeld jaarlijks was of in de 20 jaar 44.4 HL. Dergelijke uitkomsten werden op een meer zandigen grond te Woburn (van 1876—1896) verkregen. Do opbrengst daalde bij onbemest in de laatste 10 jaren echter meer bij Gerst, 6.7 HL., als bij Tarwe, 3.1 HL., op de HA.
Veel langer kan de teelt van granen zonder bemesting worden volgehouden, wanneer niet elk jaar graan verbouwd wordt, maar wanneer dit wordt afgewisseld met peulvruchten. Als Lawes, gedurende zestien jaar, om liet andere jaar Tarwe en Boonen, dus 8 jaar Tarwe en 8 jaar Boonen op een en hetzelfde veld verbouwde, zonder eenige bemesting, dan bracht de Tarwe in de 8 jaar bijna evenveel op als op een gelijk veld daarnaast in 16 jaar maar jaar in jaar uit met Tarwe beteeld. Daar in het eerstgenoemde geval behalve evenveel Tarwe vooral in de eerste jaren nog een behoorlijke oogst Boonen verkregen was, zon men mogen aannemen, dat hot veld veel moer uitgeput was geworden inzonderheid aan stikstof. En toch hield men liet veld daardoor in een beteren staat van vruchtbaarheid, ja zelfs werd eene grootere hoeveeldheid stikstof in den grond aldaar gevonden dan op het veld, waar alleen Tarwe was verbouwd.
Liebig leerde, in overstemming met zijne zoogenaamde mineraal theorie, volgens welke de planten hare stikstof, zoo niet onmiddellijk dan toch middellijk uit den dampkring ontvangen, zoodat alleen de aschbestanddeelen aan den bouwgrond vergoed behoeven te worden, dat gebrek aan aschbestanddeelen als phosphorznur, kali, kalk enz. in den grond de oorzaak van de onvruchtbaarheid van een zoogenaamd uitgeput land zou zijn. Wij meenen echter dat, wanneer er in de practijk op onze kleigronden sprake is van uitputting, gebrek aan opneembare stikstof in de eerste plaats de oorzaak daarvan is.
Hoe laat zich toch die uitputting bij achtereenvolgenden graanbouw verklaren? Als Lawes in plaats van het land onbemest te laten het elk voorjaar met 300 KG. chilisalpeter, eene mestsoort, die vooral om zijne stikstof waarde heeft, bemestte, was de jaarlijksche gemiddelde opbrengst der Gerst in de eerste 10 jaren 35.78 HL. en in de laatste 30.83 HL., dus aanzienlijk grooter dan onbemest. Minerale mest zonder stikstof verhoogde de opbrengst slechts weinig of niet, gelijk uit de volgende opgave blijkt. Op een ander van Lawes proefvelden, (Stachyard Field, te Woburn) was namelijk de opbrengst van Gerst en Tarwe, 20 jaar (1877—1896) achtereen op hetzelfde land verbouwd;
270
Tarwe. Gerst.
Zonder bemesting gemiddeld.........ruim 13.G HL. ruim 'IS.S HL.
Met minerale mest zonder stikstof, elk jaar. . . . „ 13.4 „ 20.0 „
„ chilisalpeter alleen .... „ „......21.0 „ 31.7 „
„ „ en minerale mest „ „ . ruim 27.7 „ 407 „
„ chilisalpeter en minerale mest om het andere jaar. . 30.3 „ 43.8 „
„ Stalmest, elk jaar.......24.2 „ 35.5 ,,
Er zijn voorts voorbeekloii bekend in Engeland, dat jaar in jaar uitstekende graanoogsten verkregen zijn, wanneer tusschenbeide gebraakt wordt. En dat braken bevordert volgens de onderzoekingen van Bonssinganlt juist de salpeter-vorraing in den grond. Zoo was de opbrengst van een van Lawes proefvelden, dat in 15 jaar niet bemest was, in 1SG3 na een braakjaar 40 HL. tarwe. Laat men do Granen met Klaver, Boonen of andere Peulvruchten afwisselen, dan wordt, daar deze planten stikstof uit de lucht opnemen, bl. 207, de hoeveelheid stikstof in den grond vermeerderd. Wordt later die klaverzode of worden die boonenstoppels omgeploegd, dan worden do daarin voorkomende stikstof-verbindingen in salpeterzure zouten omgezet. Door opneming van Klaver, Boonen en andere Peulvruchten in de vruchtwisseling wordt de hoeveelheid stikstof in den grond dus grooter, wordt het land niet zoo spoedig aangebouwd, blijft het langer in goeden staat van vruchtbaarheid.
Naast deze bestaan voor deze gunstige werking der Peulvruchten voorzeker nog andere oorzaken, b.v. de meerdere losheid van den grond door de groote wortelontwikkeling dezer planten en de ophooping van aschbestanddeelen uit don ondergrond in de bovenste grondlagen. Langzamerhand vergaan die wortels en dan worden uit hunne aschbestanddeelen zouten gevormd, die door andere planten gemakkelijk kunnen worden opgenomen. Maar wij herhalen hot; als do grond aangebouwd of uitgeput is voor een graangewas, meenen wij do oorzaak daarvan te moeten zoeken in de eerste plaats in gebrek aan opneembare stikstof in den grond, en in het bovengenoemde geval is deze door de Peulvruchten geleverd.
Bij de teelt van sommige andere gewassen heeft men dezelfde ondervinding opgedaan. Om b.v. Koolzaad te verbouwen, moet men zoogenaamd krachtig land hebben, b.v. klaverland of land, dat nog onlangs met stalmest is bemest. Dan bevat de grond opneembare stikstof (salpeterzuur of ammonia). Maar eeno bemesting met chilisalpeter (waarin salpeterzuur) werkt hier ook uitstekend en soms beter dan stalmest, vooral op wendeakkers en in 't algemeen op stijven kleigrond, waar de stalmest of de klaverwortels moeilijk verteren on geene natuurlijke salpeter vorming plaats heeft.
't Is waai' eene stof als chilisalpeter werkt ook oplossend op de andere grondbestanddeelen en men heeft hare nuttige werking op de vruchtbaarheid van den grond daaraan niet zelden vooral toegeschreven. Dergelijke veel stikstof bevattende kunstmest heeft men daarom drijvende mest genoemd en zelfs tegen zijn gebruik gewaarschuwd, omdat hij zeer uitputtend zou werken. Wij ontkennen dit niet; keukenzout, kalk en vele andere stoffen werken op gelijke wijze, en wij komen hieronder daarop terug. Maar wij vinden de nuttigheid van eene stof als chilisalpeter in de eerste plaats hierin, dat zij den grond van een hem ontbrekend plantenvoedsel (stikstof), in een gemakkelijk opneem-
271
baren vorm voorziet. Lawes en Gilbert zeggen dan ook: „De resultaten door ons verkregen bij de teelt van Gerst, zoowel als bij Tarwe, hebben aangetoond, dat, terwijl eene behoorlijke hoeveelheid aschbestanddeelen in den grond aanwezig moet zijn, de opbrengst meer afhankelijk is van eene bemesting met opneembare stikstof dan van eenige andere plantenvoedende stof.quot;
De uitputting (roofbouw), iu de beteekenis door Liebig eraan gegeven, heeft, gelijk gezegd, slechts betrekking op de aschbestanddeelen dor planten. Vergoeding van de stikstof achtte Liebig niet noodig. Uit het bovenstaande is ons de onjuistheid daarvan, althans wat Granen en Koolzaad betreft, gebleken , maar tevens hoe door eene gepaste vruchtwisseling hier veel verholpen kan worden. Neemt nu de vruchtbaarheid van den grond at, wanneer hij niet bemest wordt met stoffen, waarin genoemde aschbestanddeelen als phosphor-zuur, potasch enz. aanwezig zijn? Zeer zeker wordt de grond armer aan planten voedingsstoffen, wanneer men er jaarlijks oogsten van trekt en niet bemest; maar v. Liebig en zijne navolgers hebben door eene eenzijdige beschouwing van hetgeen aan een grond door de plantenteelt onttrokken en in den vorm van mest teruggegeven wordt, eene soort van schrik onder het landbouwend publiek verspreid en van den anderen kant het vertrouwen in een overigens juist beginsel aan het wankelen gebracht. Zij hebben het onvruchtbaar worden van gronden in geheele streken, o. a. in Italië en in Klein-Azië, aan roofbouw willen toeschrijven en daarom hunne waarschuwende stem tegen dien roofbouw meenen te moeten verheffen, terwijl de werkelijke oorzaak zeer waarschijnlijk meer in verandering van het klimaat, door het opruimen van bosschen, enz. moet worden gezocht1). Als een uitvloeisel van Liebigs uitputtingsleer kan men dan ook de zoogenaamde Stofforsatzwii-thscliaft beschouwen, volgens welke men een veld datgene moet teruggeven, wat de oogsten er aan hebben onttrokken. Ook deze leer, die in Duitschland nog vele aanhangers telt, moge op schrale zandgronden toegepast kunnen worden, maar wanneer een landbouwer haai' op onze rijke kleigronden, b.v. de bekende Dollardgronden in de provincie Groningen, zou willen toepassen, zou hij zeker eene slechte rekening maken. Het beginsel, dat bij deze loer ten grondslag' ligt, is wel juist: wanneer de grond niet verarmen zal, dient men hem terug te geven, wat door de oogsten er aan ontnomen of op eene andere wijze (b.v. door uitspoeling) er uit verdwenen is; maar men dient daarbij in aanmerking te nemen dat vele gronden eene vrij groote hoeveelheid plantonvoedsel bevatten. Waarom zou men dit er niet aan mogen ontnemen, wanneer het mogelijk is hem in een goeden staat van vruchtbaarheid te houden?
Dat sommige gronden echter ook onvruchtbaarder worden door gebrek aan sommige aschbestanddeelen, kunnen ons weder do proeven van Lawes op hot proefveld te Rothamsted leeren. Als hij een gedeelte van het veld, voortdurend met Gerst beteeld, behalve met chilisalpeter met 437 KG. superphosphaat (voor het phosphorzuur) op de hectare bemestte, was do opbrengst van de hectare in het eerste tiental jaren jaarlijks 44 HL. en in het tweede tiental 44.G6 HL., dus gemiddeld evenveel als bij den stalmest; zie bl. 2G9 bovenaan. Eene bemesting op een ander gedeelte, waar behalve stikstof en phosphorzuur
) Deliórain, Cours de Chimie ayricole, |». iV77.
272
nog do andere voedingsstoffen in den vorm van kunstmest aan het land werden teruggegeven, verhoogde de opbrengst echter weinig of niet. Dergelijke resultaten werden bij eene twintigjarige tarweteelt verkregen. Naast stikstof was dus voor deze Granen en op dezen grond in die 20 jaren slechts toevoeging-van phosphorzunr noodig om het veld vruchtbaar te houden. Langzamerhand li leek echter do eenzijdige toevoeging van phosphorzuur ook niet voldoende te zijn; de opbrengsten tegenover een veld dat behalve met zwavelzure ammonia (voor de stikstof) en superphosphaat nog mot zwavelzure kali was bemest, gingen in de volgende 20 jaren meer en meer achteruit. Vooral in ongunstige jaren bleken de planten door gebrek aan kali niet gezond te zijn en nam het hoctolitergewicht der tarwe af, en terwijl het verschil in opbrengst der tarwe, met of zonder kalizout bemest, in de eerste 10 van de 40 jaren slechts 4 HL. per HA. bedroeg, was dit in de laatste 10 jaren ruim 8.5 HL. gemiddeld jaarlijks l).
Dat echter de vruchtbaarheid niet onderhouden kon worden met most. waarin alleen de aschbestanddeolen voorkomen, werd evenals op het later aangelegde proefveld (zie hierboven) bewezen door de bemesting van een ander veld, waar de stikstof in don mest was weggelaten en waarvan de opbrengst dor tarwe in de eerste 13 jaren 16.35 HL. en in de volgende 19 jaar slechts 10.C8 HL. jaarlijks was.
Ook Meruit blijkt derhalve, dat de Stoffersatzwirthschaft onmogelijk van algemeen practischo toepassing kan zijn, maar dat met den oorspronkelijken rijkdom van den bodem rekening moet worden gehouden, dat het geen regel is, dat do bodem voor alle aschbostanddeelen, die hom door de oogsten zijn ontnomen, dadelijk na den oogst weder vergoeding moet ontvangen, maar dat het in sommige gevallen voldoende is, dat hem naast stikstofhoudende stoffen, enkele aschbestanddeolen, in den vorm van mest teruggegeven worden.
De verschillende gewassen gedragen zich te dezen opzichte zeer ongelijk. In 1848 werd te Rothamsted nog een ander proefveld aangelegd en hier elk jaar niet hetzelfde gewas verbouwd, maar eene vierjarige vruchtwisseling toegepast. Een gedeelte werd onbemest gelaten, een ander deel met mineralen most zonder stikstof en een dorde met mineralen mest en stikstof (ammoniak-zouton en raapkoek) bemest. Op de eene helft van elk doel werd de bekende
') Dyer vond, dat in de gronden dezer proefvelden te Rothamsted, die gedurende 40 jaar steeds gelijk bemest en beteeld zijn, door 1 c/q citroenzuur (zie bl. '2(15) werd opgelost uit de bouwvoor van 1 HA.
Phosphorzuur.
Steeds onbemest 150 KG.
,, met superphosphaat bemest 1310 „
„ „ stalmest „ 1044 „
Kali.
Steeds onbemest lOS KG.
„ met zwavelzure kali bemest 1037 „
„ „ stalmest „ 749 „
Uit twee andere gronden, die als proefveld met kalimest voor gerst zouden dienen, werd met sterk zoutzuur uitgetrokken van a 0.18ü/o, van h 0.14O/d kali, dus weinig verschil, terwijl 1% citroenzuuroplossing in oplossing bracht van n 0.0150/o, van b 0.007 O/o kali. Op de grondsoort a oefende de kalünest geen werking uit op de opbrengst, terwijl deze mest op b de opbrengst aanzienlijk verhoogde.
273
vierjarige vrucht-wisseling; Turnips of Zweedsche rapen, Gerst, roocle Klaver (Boonen) en Tarwe toegepast en op de andere helft werden dezelfde gewassen verbouwd maar geen Klaver; in de plaats daarvan werd het land in dat jaar gezomerbraakt. Het is nu opmerkelijk, dat in 40 jaar, waarin op elk veld dus 10 keer Gerst en 10 keer Tarwe is verbouwd, de opbrengst van deze gewassen op het onbemeste gedeelte gemiddeld niet minder dan 27 HL. voor Gerst en 25 HL. voor Tarwe bedroeg. Do Granen geven dus ook bij niet-bemesting onder deze omstandigheden nog eene redelijke opbrengst. Geheel andere was het resultaat bij de andere gewassen. Daar het reeds bekend was, dat de roode Klaver niet alle vier jaar kan terugkeeren, werd zij slechts om de 10 jaar verbouwd en in de andere jaren door Boonen vervangen, zoodat men in de 40 jaar 4 keer roode Klaver en 6 keer Boonen had. De opbrengst der Boonen nu was op het onbemeste veld slechts 10 HL., en de Klaver bracht in 1874 in drie sneden slechts 3175 KG. hooi op, en toch was hier in geen 23 jaar Klaver verbouwd. De opbrengst der Tarwe na Klaver was op het onbemeste veld slechter dan na braak. Nog slechter was do opbrengst van het wortelgewas op de onbemeste velden; van den eersten oogst waren de knollen niet grooter dan radijsjes en in do volgende 9 jaar geheel waardeloos. Op de bemeste velden daarentegen brachten de Zweedsche rapen in 1880 55.000 KG. en de Klaver in 1882 10.000 KG. hooi op. Terwijl de oogst der knollen op de onbemeste velden geheel waardeloos was, gaf eene bemesting met superphosphaat alleen eene opbrengst van 18000 a 20000 KG.; van Klaver was de opbrengst liier ook veel grooter, niet die van Boonen, en Tarwe gaf na Klaver of na braak een ongeveer gelijke opbrengst van 30 HL. Men ziet dus, dat de grond met betrekking tot de asch- of minerale bestand-deelen veel eerder uitgeput is voor Wortelgewassen en Klaver dan voor Granen, liet Granen kan men het lang volhouden als de grond maar stikstofhoudend voedsel bevat, met Klavers en andere Peulvruchten en tot zekere hoogte ook met Wortelgewassen is liet juist omgekeerd. Ofschoon deze niet zooals de Granen jaren achtereen op denzelfden grond verbouwd kunnen worden — daarvoor schijnen nog andere redenen te bestaan — zijn zij, althans de klavers, weinig dankbaar voor stikstofhoudenden mest, wel voor mineralen mest. Daaraan schijnen zij den grond spoedig van het voor hen opneembare te berooven. Men ziet dit het best door de bemesting van een weiland. Gebruikt men daarvoor mineralen mest b.v. een mengsel van superphosphaat en kaïniet, dan ontwikkelen zich de Peulvruchten, Klavers b.v., zeer welig en onderdrukken min of meer de Grassen; gebruikt men stikstof-houdenden mest; gier, chilisalpeter enz., dan verdwijnen de klavers omdat zij geen voedsel genoeg vindende, onderdrukt worden door de weliger groeiende grassen.
Wordt er ook in Nederland roofbouw gedreven in de beteekenis door Liebig daaraan gegeven'? Van Bemmelen heeft voor eenige jaren in een zeer belangrijk opstel l) aangetoond, dat zulks voor de meest belangrijke voedingsstoffen, phosphorzuur en kali, op sommige boerderijen wel, op andere niet of minder het geval is, maar te gelijk aangewezen, hoe overdreven de voorstelling van
') Roofbouw in Nederland, Tijdschrift voor Volksvlijt. rkinüers, i. Vierde, drul;.
-18
274
Liebig was. Wel verarmt de grond, wanneer men daaraan pliosphorzmir, kali enz. ontneemt en niet weder vergoedt, maar als men bedenkt dat volgens eene berekening van v. B. er 280 jaren zonden moeten verloopen om b.v. van den Finsterwolderpolder, een der Dollardpolders in de prov. Groningen, bij de tegenwoordige bouwwijze, zonder bemesting. 1/3 van liet pliosphorzmir uit eene laag van 1 Meter weg te nemen, dan is het duidelijk dat hier van uitputting nog wel geen sprake behoeft te zijn l).
Toch is het van belang de aandacht op deze belangrijke questie te vestigen. Ongetwijfeld heeft daar waar iets weggenomen wordt en niets of niet zooveel bijkomt, uitputting in den zin van Liebig plaats, en 't is van belang, dat de landbouwer zich er rekenschap van geve hoe zijn grond is samengesteld en van hetgeen aan aschbestanddeelen uitgevoerd of ingevoerd wordt, of hij dus zijn grond verarmt of verrijkt. Wanneer men weet waarmede een grond in een zeker aantal jaren bemest is en hoeveel er in dien tijd van geoogst is, dan is. niet behulp van de achter dit Deel geplaatste tabellen, zoodanige berekening niet moeilijk te maken. Maar het is bovenal van belang dat de landbouwer wete, waaraan zijn grond het meest behoefte heeft. Een' bouwgrond uit te putten, 'tzij door hem te veel van stikstof, 't zij hem van aschbestanddeelen voor de planten te berooven, is in de meeste gevallen niet verstandig, maar even onverstandig is het den grond te verrijken met stoffen, waaraan hij volstrekt geene behoefte heeft. Het eenvoudigste middel om tot deze kennis te komen is het nemen van bemestingsproeven. Dergelijke proeven in het noorden van Groningen en elders genomen 2) hebben dan ook aan 't licht gebracht, dat, om op vele gronden aldaar welige klaver te kunnen verbouwen, evenals Lawes in Engeland vond, eene bemesting met phosphaten bepaald noodig is, dat dus uitputting aan phosphorzuur, in den zin door ons daaraan gegeven, aldaar is ingetreden. In de Groninger Veenkoloniën, waar veel aardappels verbouwd worden en de bodem met Groninger compost bemest wordt, is proefondervindelijk aangetoond — en eene berekening deed dit ook vermoeden — dat de grond vooral behoefte heeft aan kalimest, enz.
c. de salpeterzuurgisting en andere gistingsverschijnselen in den bouwgrond. Reeds lang was het bekend dat zich in den bodem uit ammoniak of andere stikstofverbindingen salpeterzuur of salpeterzure zouten vormen, en Boussin-gault leerde al verschillende omstandigheden kennen, waaronder die salpetervorming bevorderd wordt. Eerst aan Schlösing en Müntz 3) gelukte het aan te toonen, dat de salpeterzuurvorming een bepaald gistingsverschijnsel is, afhankelijk van de aanwezigheid van lagere organismen. Wordt dus de bodem gedurende eenigen tijd op ongeveer 120° verhit (gesteriliseerd) of vergiftige stoffen b.v. een weinig zwavelkoolstof of chloroform er aan toegevoegd, dan worden deze organismen gedood en houdt de vorming van salpeterzuur op. Vooral door Warington is deze gisting nader bestudeerd en gevonden dat zij
') Zie ook Marcker, /icsnmmensetzunr/ mid Dnngerbedürfnis Oldenburg er Marscherden.
2) Zie mijn opstel'over Bemestingsproeven in liet Tijdschrift r. Landbouwkunde, Deel I.
3) Comptes rendus, T. 84, 85 en 86.
275
het best ia het donker geschiedt l), hij eene temperatuur van 37° het snelst plaats heeft, onder 5° nog slechts zeer gering is en bij 55° geheel ophoudt. Verder werd gevonden dat het gevormde salpeterzuur aan een basis gebonden moet worden; aanwezigheid van koolzure kalk schijnt daarom noodig of althans wenschelijk te zijn1). Aan de oppervlakte der aarde en in de bovenste aardlagen zijn de salpeterzuurorganismen (door Winogradsky geïsoleerd en met den naam Bacterium nitrifican* aangeduid) nagenoeg overal aanwezig, maar natuurlijk daar het meest waar eene sterke salpetervorming plaats hoeft, ook in het water, b.v. verontreinigd sloot-, gracht- of putwater. Warington vond ze niet in den ondergrond tot op zekere diepte.
Daar het nu bekend is, dat salpeterzure zouten eene der belangrijkste voedingsstoffen van vele planten, b.v. Granen en wortelgewassen vormen, ja van hunne aanwezigheid niet zelden de vruchtbaarheid van den grond afhankelijk is, volgt daaruit liet gewicht dat men nader de omstandigheden kent, waaronder de salpetervorming in den grond plaats heeft. Wegens de hoogere temperatuur van den grond moet zij in den nazomer het snelst gaan en in den winter geheel ophouden. Koolzure kalk en misschien ook het ijzeroxyd in den bodem zullen haar bevorderen, eene zure reactie van den grond haar kunnen verhinderen. Bovenal is ruime toetreding van lucht noodig. Yandaar de gunstige invloed der braak en in 't algemeen de bewerking van den grond op de salpetervorming, gelijk Boussingault reeds aantoonde en Lawes kon bevestigen. Volgens een onderzoek van Déherain is ook de vochtigheid van den bodem van grooten invloed. Vandaar dat de salpetervorming in braakland dikwijls sterker is dan in een bodem met planten begroeid, omdat de grond in liet eerste geval niet zoo zeer uitdroogt, bl. 2572).
Voor de salpetervorming is verder noodig aanwezigheid van stikstofverliindiu-gen, 'tzij in den vorm van mest in den grond gebracht, 'tzij in de stoppels daarin achtergebleven, voor een deel ook met het regenwater, bl. 118, aangevoerd.
Vooral de klaverstoppels zijn rijk aan zulke stikstofverbindingen. Daarom groeien de Granen of het Koolzaad, die daarop volgen, dan welig en blijkt nader het nut van het opnemen dezer gewassen in de vrucht wisseling.
quot;Wordt echter zoo'n klaverstoppel of ook een veel humus bevattende grond, b.v. nieuwe Dollardgrond veelvuldig en diep geploegd, dan bevordert men de salpetervorming te zeer en worden de opvolgende granen „te geilquot;, evenals eene eenigszins sterke salpeterbemesting dit zou doen.
Zijn het voorjaar en de voorzomer koud, dan groeien ook daarom de Granen enz. slecht, omdat dan de salpetervorming ongunstig is, en in 't algemeen zijn de Granen dankbaar voor eene salpeterbemesting, omdat zij zich meer in den voorzomer, als nog weinig salpeter in den grond gevormd is, ontwikkelen; wortelgewassen hebben onder dezelfde omstandigheden eene salpeterbemesting minder noodig, omdat zij meer in den nazomer groeien en er dan meer salpeter in den grond ontstaan is.
Behalve de salpeterzuurgisting komen er nog andere gistingen in den grond
18*
J) Koolzure potasch, — soda of— ammonia zouden hier den/.elfden dienst kunnen doen.
) Annates agronomiques, T. 23, p. 241.
276
voor, die over 't geheel echter nog- zeer onvolledig bekend zijn. Als men een grond b.v. steriliseert, dat is op 120° verhit, dan heeft daarna de vertering-dat is de langzame verbranding van organische stoffen, bl. 235, blijkbaar aan de geringere koolzunrontwikkeling, in veel geringere mate plaats. Laurent l) nam waar dat in zoodanigen bodem, ook wanneer de noodige voedingstoffen aanwezig zijn, de planten veel minder welig groeien.
Dergelijke gistingen, waarbij zuurstof uit de lucht wordt opgenomen, mogen als min of meer voordeelig voor den plantengroei beschouwd worden; zij hebben plaats bij toetreding der lucht. Nadeelig evenwel mag men die gistingen beschouwen, welke meer bij afsluiting der lucht plaats hebben door zoogenaamde aneroïde organismen, als de moerasgasgisting (zie later bij den stalmest), en vooral die waarbij de salpeterzure zouten tot ammoniak of zelfs tot vrije stikstof gereduceerd worden, zooals door Schlösing en anderen is geconstateerd2). quot;Vooral op laatstgenoemde gisting dient de aandacht gevestigd te worden, omdat deze tot een aanzienlijk verhes niet alleen in den grond maar ook, gelijk wij later zullen zien, in den stalmest, wanneer deze niet goed behandeld wordt, aanleiding kan geven. Uit het bovenstaande blijkt intusschen, dat afsluiting der lucht in den grond ook om deze reden nadeelig moet zijn.
Met het totaal gemis aan de voedende elementen, maar nu eens door te geringe hoeveelheid, dan doordien zij in verbindingen voorkomen, waarin zij moeilijk door de planten kunnen worden opgenomen, is in vele gevallen oorzaak van de onvruchtbaarheid van den bouwgrond. Door bemesting wordt hierin voorzien, maar ook door de inwerking van de zuurstof des dampkrings, ondersteund door eene doeltreffende bearbeiding van hot land (braken), wordt het aanwezige plantenvoedsel meer oplosbaar of althans meer opneembaar gemaakt en de grond derhalve vruchtbaarder. De organische stoffen des bodems verteren dan langzamerhand: uit de wortels der planten, die van den vorigen oogst op het land zijn achtergebleven, worden humusstoffen gevormd, uit humusstoffen wellicht kleine hoeveelheden andere organische zuren en voorts koolzuur. De stikstof dier wortels of van dien humus vormt met het calcium, het kalium enz. des bodems of uit de aschbestanddeelen der planten en de zuurstof der lucht salpeterzure zouten; uit die aschbestanddeelen ontstaan voorts andere oplosbare zouten. Het koolzuur, de gevormde humaten, nitraten. enz., in het bodemvocht opgelost, werken weder oplossend op de andere voedingstoffen: uit de zeohthen wordt een kalizout, uit het phosphorzuur ijzeroxyd, een ander phosphorzuurzout in oplossing gebracht. Met eiken regen worden die oplosbare stoffen door den grond verspreidt en elk gronddeeltje daarmede omgeven. Als het koolzuur bij het droger worden van den grond ontwijkt, worden sommige dezer stoffen wel weder onoplosbaar, maar zij zijn nu wegens haar meer verdeelden toestand voor de planten opneembaarder geworden.
Ook den eigenaardigen natuurkundigen toestand, waardoor een vruchtbare o-rond gekenmerkt is, meenen wij daaraan ten deele te moeten toeschrijven: het aanhechtend vermogen der kleideeltjes is door een zeer dim laagje zouten
') Emile Laurent, les Microhes du Sol.
2) Gayon et Du petit, la Reduction des nitrates par les infmement petits en Annates agronomiqiies, T. 23.
277
dat zich daartusschen gevoegd heeft, min of meer opgeheven, de zandkorrels zijn meer samenhangend gemaakt.
De grond is wat de Duitschers noemen gaar geworden. Evenals de gist bij het meelbeslag gevoegd, het deeg doet rijzen, zoo wordt ook de bouwgrond dan min of meer uitgezet: „hij bruist op.quot; Reeds in den len druk. 1877, schreven wij; „Wij kunnen ons voorstellen, dat ook hier eene soort gisting heeft plaats gehad.quot; Dooi1 de onderzoekingen van Schlösing en Müntz en anderen is bewezen, dat er feitelijk gistingen in den bodem zijn. Welke scheikundige werkingen daarbij al plaats hebben, is geenszins in alle deelen bekend. Wij mogen aannemen, dat eene menigte wisselwerkingen tusschen de verschillende verbindingen daarbij plaats grijpen, waardoor nu eens deze dan gene zouten van koolzuur, kiezelzuur, phosphorzuur, zwavelzuur, salpeterzuur en chloor aan den oenen kant en kalk, magnesia, potasch, soda, ijzoroxyd en aluinaarde aan den anderen kant ontstaan. Vergelijk bl. 260.
c. Het vormen van onoplosbare en oplosbare verbindingen in den bodem (Absorptievermogen van den grond). Aan deze wisselwerking tusschen de verschillende scheikundige verbindingen moet ook het zoogenaamde absorptievermogen van den bouwgrond worden toegeschreven. Daaronder verstaat men namelijk do eigenschap van den grond, om stoffen, die b.v. als most of in eene oplossing er aan worden toegevoegd, op te nemen en vast te leggen, zoodat zij niet kunnen worden uitgespoeld of met het water afloopen. Reeds in het begin dezer eeuw toonde Davy aan, dat kleigronden dit vermogen in meerdere mate bezitten dan zandgronden en de oudere landbouwkundigen, b.v. Thaer, zeiden, dat kleigronden den mest beter bewaren dan zandgrond. Een eenvoudige proef, door iedereen gemakkelijk uit te voeren, kan dit vermogen aantoonen. Men vuile een bloempot of eene flesch, in den boden van eene opening voorzien, met aarde en overgiete die met gier. Do afloopende vloeistof is dan veelal minder gekleurd en heeft de stinkende reuk, aan gier veelal eigen, verloren.
Een groote strijd heeft zich daarna onder de landbouwscheikundigen ontsponnen over de vraag, waaraan dit absorptievermogen van den grond moet worden toegeschreven. Eenigen zochten de oorzaak in vlakteaantrekking, evenals b.v. kleurstoffen aan een doek blijven hechten, anderen in scheikundige werkingen tusschen de mestbestanddeelen en de stoffen van den bodem.
Om te dezen opzichte tot klaarheid te komen, zijn eene menigte proeven genomen, die de epiaestie wel hoofdzakelijk ten voordeele van de scheikundige werking hebben beslist, maar waarbij toch ook verschijnselen plaats hebben, die meer aan eene natuurkundige dan wel aan eene scheikundige werking doen denken. Wij kunnen hier aangaande deze proeven in geene bijzonderheden treden, maar vermelden slechts de resultaten, die ze gegeven hebben en die voor de kennis van den bouwgrond en voor de leer der bemesting van het meeste gewicht zijn l).
't Spreekt van zelf, dat, om tot de kennis van dit verschijnsel te komen, het noodig was de verschillende stoffen, die als mest aan den grond worden
) Zie hieromtrent Dr. J. M. van Bern melen, Landw. Versuchs-Stationen, Rrl. 21, 23 en 35.
278
toegevoegd, afzonderlijk te onderzoeken. In plaats van den stalmest of kunstmest heeft men de verschillende zouten, die hierin voorkomen, met den bodem in aanraking gebracht en van den anderen kant de bestanddeelen van den grond afzonderlijk op hun absorptievermogen onderzocht. Hieruit nu is gebleken, dat inzonderheid dc voor de voeding der planten belangrijke stoffen; de potasch (kali) en 't phosphorzmir door don bodem worden vastgehouden. Ook ammonia wordt er door geabsorbeerd. Zoodra dit echter tot salpeterzuur geoxydeerd is geworden, wordt het uitgespoeld evenals het salpeterzuur, dat direct b.v. als chilisalpoter in den grond wordt gebracht. Magnesia, kalk en natron worden minder door den bouwgrond gebonden dan kali; ook het absorptievermogen daarvan voor zwavelzuur en chloor is geringer. Verder werd gevonden dat uit eene geconcentreerde oplossing betrekkelijk meer van de genoemde bases en 't phosphorzuur werd opgenomen dan uit eene verdunde, en wordt een grond, die genoemde stoffen heeft geabsorbeerd, met water overgoten, dan treden zij weder voor een deel in oplossing.
Hoe moeten wij ons de werking bij de absorptie van den grond voorstellen? Als men een kleigrond met eene oplossing van chloorkalium of een ander kaliumzout overgiet, dan vindt men in liet afloopende water bijna evenveel chloor als in de oplossing; de hoeveelheid kalium, daarin aanwezig, is echter aanzienlijk minder: in dc plaats daarvan vindt men in hol afloopende water hoofdzakelijk calcium on wol ongeveer evenveel als do door den bouwgrond opgenomen hoeveelheid kalium in de scheikundige verbindingen vervangen kan (daarmede equivalent is). In de waterhoudende kiezelzuurverbindingen (zeolithon) van aluinaarde, kalk enz., of door de humuszure zouten, b.v. de humuszure kalk wordt dan een gedeelte van het bijgevoegde kalium opgenomen en daarvoor calcium afgestaan; zoodat wij voor een gedeelte van het bijgevoegde chloorkalium, chloorcalcium krijgen, dat, in het water opgelost, afloopt. Voegt men in de plaats van chloorkalium eene oplossing van zwavelzure of salpeterzure potasch aan den grond toe, dan wordt ook hieruit kalium door genoemde verbindingen opgenomen, terwijl men in het afloopende water zwavelzure kalk en salpeterzure kalk vindt.
Dergelijke verschijnselen hebben er bij toevoeging van een ammoniumzout plaats. Wordt echter een natrium-, of een calcium- of een magnesiumzout aan den grond toegevoegd, dan hebben er ook wel dergelijke wisselwerkingen plaats; door chloornatrium wordt b.v. kalium en calcium in oplossing gebracht, maar de hoeveelheid, die van de elementen natrium, calcium en magnesium, in deze zouten aan den grond toegevoegd, wordt opgenomen, is veel minder.
De absorptie van genoemde bases moet hoofdzakelijk aan de zeolithen, bl. 240, en de humusstoffen (humaten), bl. 234, worden toegeschreven 1), maar ook het aanwezige atnorphe kiezelzuur, het ijzeroxyd en de aluinaarde kunnen daartoe medewerken; door deze zoogenaamde colloïde stoffen worden ook zouten in haar geheel uit eene oplossing geabsorbeerd en dus niet enkel de basis of het zuur.
') Volgens Konig hebben de bruine (ulmine) stollen een grooter absorptievermogen dan de zwarte Immine, die gelijk bl. 246 opgemerkt is, o. a. voorkomt in de grijze laag in onze heidevelden en die zich dus ook daardoor van eene ongunstige zijde doet kennen.
279
Van een oplosbaar phosphorzunrzout wordt dus het phosphorzimr door den bouwgrond opgenomen, dat is vormt met den aanwezigen koolzuren kalk, het ijzeroxyd enz. of de humaten van deze metalen, b.v. humuszuurijzer onoplosbare vérbindingen; voegt men b.v. hot tegenwoordig veel als meststof gebruikt wordende superphosphaat, waarin de in water oplosbare zure phos-phorzure kalk (monoealciumphosphaat), aan don grond toe, dan wordt dit zout wel eerst in het bodemwater of het vallende regenwater opgelost, en verspreidt zich derhalve door den grond, maar het vindt hier zeer spoedig ijzeroxyd of een calciumzout en vormt daarmede de in water onoplosbare verbindingen: phosphorzuur ijzeroxyd en phosphorzure kalk (bi- en tricalcium-phosphaat).
Van den anderen kant kunnen echter ook weder kleine hoeveelheden phosphorzuur in oplossing worden gebracht door koolzure potasch, koolzure soda enz. Dehérain voegde b.v. bij 2 gram phosphorzuur ijzeroxyd, 4 gram koolzure potasch in 1 liter water opgelost, schudde herhaalde malen en vond nu, na 48 uur, 0.158 gram phosphorzuur als phosphorzure potasch in de oplossing. Koolzure kalk in koolzuurhoudend water opgelost, werkt op gelijke wijze. Zoo ook salpeterzure soda (chilisalpeter) en oplosbare humusstoffen.
Wordt nu een bouwgrond met kunstmest, waarin een of meer van genoemde zouten voorkomen, bemest, dan hebben er dergelijke werkingen tusschen dien mest en do grondbestanddeelen plaats ids hierboven is aangegeven. Eensdeels tracht men daardoor de hoeveelheid plan ten voedsel in den grond te vermeerderen. Kali-, phosphorzure-, ammonia- en salpeterzure zouten zijn dan de belangrijkste, De kali, liet phosphorzuur en de ammonia, daarin voorkomende, gaan dan grootendeels in onoplosbare verbindingen over, waaruit zij minder gemakkelijk door de plant kunnen worden opgenomen. En — 'tzij hier in het voorbijgaan gezegd — dit kan een van de redenen zijn, waarom men soms niets van de uitwerking dezer meststoffen ontdekt. Maai- als de bouwgrond een goed absorptievermogen bezit, is dit voor 't kalium en 't phosphorzuur nog geen direct verlies, omdat zij in den grond bewaard blijven en de latere vruchten, onder andere omstandigheden, er hun voordeel mede kunnen doen. Van de ammoniak-zouten is dit minder zeker, omdat doze in salpeterzure zouten overgaan, zie bl. 274, die bij genoegzame hoeveelheid vocht in oplossing blijven niet alleen, maar bij veel regen ook in den ondergrond, buiten het bereik der plantenwortels, spoelen. Wil men met een salpeterzuur zout, b.v. chilisalpeter, mesten, dan moet dit slechts kort voor den tijd, dat de planten er van kunnen profiteerén, geschieden, dus niet of slechts in geringe hoeveelheid in den herfst maar in het voorjaar, in Maart of April. Talrijke bemestingsproeven hebben dit bewezen. Daar deze zouten gemakkelijk opgelost worden, kan men in een niet al te drogen tijd reeds na eenige dagen den invloed op don plantengroei bespeuren. Mot ammoniakzouten kan iets vroeger gemest worden.
Anderendeels worden die kunstmeststoffen moer gebruikt om hare indirecte werking op den grond. Daartoe behooren kalk- en soda zouten. Zij brengen uit do in den grond voorkomende onopgeloste verbindingen zeer kleine hoeveelheden kali, phosphorzuur enz. in oplossing, verspreiden die meer door den grond en stellen de plantenwortels dus meer in de gelegenheid ze op te nemen.
280
Door bemesting van een bouwgrond mot stalmest beoogt men nagenoeg hetzelfde doel en verkrijgt men ongeveer dezelfde verschijnselen. Alleen zijn zij hier veel meer samenloopend, als een gevolg van do zeer verschillende verbindingen, die in den stalmest voorkomen of bij de vertering in den bouwgrond daaruit ontstaan.
Völcker bracht van eenige grondsoorten 1.2 KG. in aanraking niet 1 gallon (ruim 4.5 liter) gier.
na geloopen te zijn
Deze bevatte vóór de aan- door een kleigrond, door een zandgrond, raking met aarde rijk aan kalk zeer arm aan kalk
Wij zien ook uit deze proef, dat de eerstgenoemde drie stoffen vooral worden opgenomen, door den kleigrond echter in grootere hoeveelheid als door den zandgrond. In laatstgenoemde grondsoort bleef de kalk ook gedeeltelijk achter, terwijl uit den kleigrond, met 10.8 0/o koolzure kalk eene vrij groote hoeveelheid in oplossing werd gebracht.
Van alle grondsoorten is het absorptievermogen dus niet even groot. Van kleigronden en kalkhoudende veen-(humus-)gronden is hot grooter dan van kalk- en humusarme zandgronden, omdat in eerstgenoemde meer zeolithen, meer fijn verdeeld ijzerroest, koolzure kalk of humuszure zouten, inzonderheid humuszure kalk, voorkomen, die de kali, de ammonia en 't phosphorzuur binden. Knop wil het absorptievermogen als maat voor de vruchtbaarheid van een grond beschouwd hebben. Wij kunnen dit niet toegeven. Wij honden het absorptievermogen in 't algemeen wel voor eene zijner nuttige eigenschappen, omdat de belangrijke voedingsstoffen als kali, phosphorzuur en ammonia als in een magazijn er door bewaard en bij kleine hoeveelheden aan de planten afgestaan worden, maar ondergronden, die, gelijk H. v. Liebig aantoonde, soms een groot absorptievermogen bezitten, zijn niet zelden onvruchtbaar, juist omdat de voedende stoffen in te moeilijk oplosbare verbindingen overgaan. Daarom vereischen deze eene ruime bemesting met stalmest. Daarom werkt het branden hierop gunstig, want dan vermindert, gelijk Eichhom aantoonde, het absorptievermogen.
Een schoon bewijs, dat sommige stoffen in den grond bewaard, andere meer uitgespoeld worden, leveren de ontledingen van draineerwater. Van de daarin opgeloste zouten maken salpeterzuur en kalk en vervolgens magnesia, soda, zwavelzuur en chloor veelal het hoofdbestanddeel uit, maar kali, ammonia en phosphorzuur komen slechts in zeer geringe hoeveelheden er in voor. De onderzoeldngen van Völcker en anderen hebben dit ten duidelijkste aangetoond. Draineerwater, opgevangen van land, dat vele jaren achtereen met phosphorzuur- en kali-houdenden mest was bemest, bevatte deze stoffen in geene grootere hoeveelheid dan van, sedert jaren onbemest land. Ammonia kwam eveneens slechts in onbeteekenende hoeveelheden in 't water voor, maar wel salpeterzuur, ook daar, waar met ammoniakzouten en stalmest was gemest,
281
maai' inzonderheid daar, waar chilisalpeter op 't land was gebracht. De ammonia als zwavelzure ammonia ter bemesting gebruikt , wordt dus wel eerst vastgelegd, maar gaat langzamerhand in salpeterzuur over en wordt dan uitgespoeld. Hetzelfde heeft met stalmest plaats. Uit de stikstofverbindingen, daarin voorkomende, ontstaan eerst ammoniakzouten en daarna salpeterzuur. In poreuze gronden hebben genoemde omzettingen het snelst plaats. Dan kon, bij veel regen, spoediger oene grootere hoeveelheid salpeterzuur in 't draineer-water aangetoond worden dan in moer gesloten, meer dichte gronden.
Daarom kan veel of weinig regen in den winter of het voorjaar ook van grooten invloed zijn op de vruchtbaarheid van den grond. Na een drogen winter was de tarweoogst in Engeland in 1854 en 1863 een der beste van deze eouw, ofschoon het weer in don groeitijd dor tarwe niet zoo bijzonder gunstig was, na eon vochtigen winter in 1871 slecht. Do oorzaak daarvan mag voor een groot deel worden toegeschreven aan het uitspoelen van de in den grond gevormde nitraten. Een merkwaardig verschil werd toen ook opgemerkt in de opbrengst der Tarwe op de hierboven, bl. 269, vermelde proefvelden van Lawes, of de Tarwe namelijk na braak of na Boonen volgde. In 1863 was de opbrengst in HL. per hectare;
Onbemest Minerale mest Volledige mest
Na braak....... 40.5 41.4 47.3
Na Boonen...... 30.5 30.9 41.4
Dus op het braakland meer 10.0 10.5 5.9
In 1871 daarentegên was de opbrengst der Tarwe
Op het onbemeste Op het veld met mineralen
Dus na Boonen meer . . . 8.2 7.2
Op het braakland waren in den vorigen nazomer (bl. 275) nitraten gevormd en deze in den drogen winter van 1803 mei, in 1871 ivcl uitgespoeld. De vorming van nitraten uit de in den grond achtergebleven boonenstoppels had daarentegen ook later, in den volgenden zomer, plaats, en deze zullen nu de Tarwe ten goede zijn gekomen; de voorafgaande vochtige winter was hier dns van minder ongunstigen invloed dan op het braakland.
Belangrijk zijn ook de onderzoekingen van Dehérain l) omtrent hot uitspoelen van salpeterzuur met het draineerwater in den herfst en winter. Onder anderen blijkt daaruit, dat uit braakland, niet met planton begroeid, zolfs in een drogen herfst eeno groote hoeveelheid salpeterzuur wegspoelt, in 1895 gemiddeld 110.9 KG. pei' HA; terwijl op denzelfden en op gelijke wijze bemesten grond, maar met graan beteeld, de drains toen niet liepen en derhalve geen salpeterzuur verloren ging. De transpiratie der planten had hier den bodem voldoende droog gemaakt, bl. 210 en 257, om het vallende regenwater vast te kunnen houden.
') Annates a/jronoraiques, T. XXII.
282
(1. Hei ontstaan van harde lagen (banken), en de vorming van enkele mineralen in den hodem (pandoer, ijzer oer, spaathijzersteen, mergel, vivianit, pgr it).
Uit het voorgaande is ons gebleken dat de bouwgronden de eigenschap bezitten om vele stoffen vast te houden en voor. uitspoelen te bewaren. Dit is nogtans niet met alle stoffen het geval. Immers is door ons opgemerkt, dat do nitraten, sulfaten en chloriden, oplosbaar zijnde, wel uitspoelen. Maar ook andere in de bodem voorkomende zouten zijn niet geheel onoplosbaar, en te dien opzichte gedragen de gronden zich ook niet alle gelijk. Met name verschillen de zandgronden met betrekking tot dit uitspoelen van de kleigronden. Vooreerst nomen do zandgronden meer regenwater op of juister; er trekt, ook omdat hunne watercapaciteit geringer is, meer water door, en bestaat er derhalve meer gelegenheid tot oplossing en tot verplaatsing van stoffen uit den bovengrond in den ondergrond dan bij kleigronden; en in de tweede plaats kan in een zandgrond do lucht veelal beter toetreden, daardoor is de oxydatie van organische stoffen en de vorming van koolzuur grooter en dientengevolge ook de oplossende werking van het koolzuurhoudende water.
Door mij werd in een zandgrond gevonden: in de bovenste laag tot l(j cM. diepte 0.116 0/0, in de laag van 16—50 cM. 0.110 % en in dc laag van 50—92 cM. 0.164 % phosphorzuur.
Ook uit de analyses van een paar zandgronden door het proefstation te Wagcningen blijkt dat de ondergrond daarvan rijker kan zijn aan phosphorzuur als de bovengrond, wat wel niet anders verklaard kan worden dan dat de bovengrond het phosphorzuur niet voldoende vasthoudt. In de rijk bemeste tabaksgronden vindt men zelfs in den ondergrond het hierna te vermelden phosphorzunr-houdende mineraal vivianit, waarvan de vorming ook niet anders verklaard kan worden dan dooi' aan te nemen, dat het phosphorzuur uit do bouwlaag is gespoeld. Sommige zandgronden absorbeeren dus het phosphorzuur en zeker ook de kali niet voldoende.
Ook mechanisch worden waarschijnlijk in de zandgronden fijne klei- of lecmdeeltjes verplaatst, waardoor zich laat verklaren dat het leemgohalte van deze gronden in den regel tot zekere grens met de diepte toeneemt.
Onderzoekt men intusschen een goed gecultiveerden zand-bouwgrond, zij hot dan ook niet zoo rijk bemest als de tabaksgronden, dan bespeurt men dat ook hier de voorwaarden aanwezig zijn voor absorptie van voedingstoffen voor de planten. De bouwlaag heeft in dit geval eene aanzienlijke dikte en eone vrij gelijkmatige bruine kleur, die echter van boven naar beneden steeds lichter wordt. Zij bevat eene tamelijk groote hoeveelheid milden humus, die met het zand als het ware één geheel vormt. Met dien humus en door dien humus worden gewis ook de voedingstoffen grootendeels geabsorbeerd.
Anders wordt reeds het geval wanneer op zekere diepte, b.v. van 4 a 5 d.M. eene grintlaag voorkomt. Dan wordt daardoor het verband met den ondergrond verbroken en de bouwlaag- van te geringe dikte; hij houdt niet genoeg water terug en absorbeert de voedingsstoffen niet in voldoende mate, kortom hij blijkt dan weinig vruchtbaar te zijn.
Onvruchtbaar of weinig vruchtbaar is ook de bouwlaag, wanneer zich op zekere diepte in den bodem een harde laag, een bank gevormd heeft. Wij verstaan daaronder, afgescheiden van de harde laag die zich in eiken bodem,
283
onmidflellijk nnder de hcmwvoor, vormt, door liet vasttreden van den grond, wanneer steeds op dezelfde diepte geploegd wordt, óf zandoer of jzeroer.
Zandoer, ook wel meer bepaald dr hank of als deze donkerbruin van kleur is, koffiebank geheeten, bestaat grootendeels uit hurausstoffen of uit zand, dat door humusstoffen en humuszure en kiezelznre zouten tot een harde massa aaneengchecht is. De bank is van verschillende geaardheid en dikte (meestal 2—5 dJI.) en komt op sommige plaatsen in den diluvialen zandbodem, veelal op eene diepte van 0.5—1 M. voor. Hij blootstelling :mn de lucht valt het zandoer uiteen, zoomede wanneer men het in aanraking brengt mot ammonia of bijtende kali, waarin de humusstoffen oplossen, niet door verdund zoutzuur. Bij verhitting aan de lucht verbranden de humusstoffen en houdt men nagenoeg
wit zand over.
Do hoofdmassa van hot ijzeroer is waterhoudend ijzeroxyd, maar bovendien komen er in voor, behalve zand- en kleideeltjes, overblijfselen van plantendeelen (humusstoffen) en zouten van kiezelzuur, phosphorzuur enz. Men vindt het op verschillende diepten, meestal op 0.5 a 1 M., en in verschillende gronden maar het meest in de laagten tusschen de hooger gelegen zandgronden , waar de bodem moerassig is, de beekjes hunnen weg vinden, en de bodem aan de oppervlakte uit moerasveen of eene beekbezinking bestaat. Men noemt het daarom ook wel moerasijzererts. Dij blootstelling aan de lucht valt het niet uiteen, noch door verhitting, en evenmin na behandeling met ammonia, wel door zoutzuur dat het ijzeroxyd oplost.
30
v-4
Ook op de plaatsen in de heidevelden of in de bosschen, waar zich zandoer heeft gevormd heeft de bodem eene min of meer vochtige ligging, waartoe waarschijnlijk eerst het dichtslibben van den ondergrond door fijne deeltjes uit den bovengrond en later de bank zelve aanleiding heeft gegeven. Die vochtige ligging geeft aanleiding tot vorming van turfachtigen zuren humus, die boven het zandoer aan do oppervlakte voorkomt. De humusztiren en humuszure zouten daarvan loogen het daaronder
gelegen zand uit, dat daardoor wit, evenveel door bijgemengde humusdeeltjes grijs of gemarmerd van kleur wordt. Onder die grijze laag worden de opgeloste stoffen door overmaat van bases weder vastgelegd, zij hechten de zanddeeltjes aaneen en vormen zoo de bank. Fig. 72, die het profiel van oen zandoerbank voorstelt, doet ons de opvolgende lagen zien. De turfachtige humus, de grijze laag en de oerbank reageeren in den regel zuur.
284
Dat de grijze laag nitgelongfl is blijkt uit de geringe hoeveelheid stoffen, die daarin, in verdund zoutzuur oplosbaar, voorkomt. Door ons werd gevonden dat daarin ojilost van bovenstaande bank: uit den bovengrond tot 2 ïi 2.5 dM. diepte 0.87 0/o; uit de grijze laag tot 3 a 3.5 dM. 0.66 0/q; boven de bank, nog niet vast O.OfiO^, de bank 1.66%. Ramann vond in een zandoerbank in Noord-Duitschland, dat in verdund zoutzuur oplost: van de grijze laag (Bloi-zand) 0.1646 0/o, van de bank 2.07% en van het geelbruine zand onder de bank 0.8950/0. De grijze laag is zeer onvruchtbaar, terwijl in de bank voedingsstoffen, als kali en phosphorzuur, zijn opgehoopt, geabsorbeerd; aan do oppervlakte gebracht of los gemaakt en met kalk bemest, kan deze zeer goed tot grondverbetering dienen. Zie de volledige analysen van een paar banken achter dit Deel.
Ofschoon niet voldoende onderzocht, blijkt toch uit verschillende verschijnselen , dat ook het ijzeroer een uitloogingsproduct van de hooger gelegen gronden is. Bij afsluiting der lucht wordt namelijk hot ijzeroxyd door organische stoffen gereduceerd. Er vormt zich langzamerhand ferrobicarbonaat, dat in water oplosbaar is en met het grondwater naar lager gelegen plaatsen stroomt. Welt dit hier in slooton of poelen op, dan wordt het ferrobicarbonaat ontleed, het koolzuur ontwijkt en zuurstof on water worden opgenomen; er wordt alzoo waterhoudend ijzeroxyd gevormd, dat in bruine vlokken, oerslib, veelal aan plantendeelen en vooral aan de zoogenaamde ijzerbactoriën (Cronotrix soorten) zich afzet. Dit oerslib spoelt echter bij hoogeren waterstand weg. Voor zoover het onderzoek reikt, vormt zich daaruit dus geen oerbank. Wel geschiedt dit wanneer het ijzerhoudende water in den bodem opwelt; dan hecht het genoemde ijzeroxyd zich ook aan plantendeelen, wordt echter bij opdroging vast en alzoo voor wegspoeling bewaard en over het eens gevormde laagje vormen zich telkens nieuwe lagen.
Heeft de opwelling plaats in een veenachtigen bodem, dan kan het koolzuur ontwijken maar blijft de oxydatie achterwege. Er zet zich dan ferrocarbonaat af, het zij amorph, zooals de witte klien in de hooge venen van Oost-Drente, hetzij gekrisstalliseerd, als siderit of spaathijzersteen, zooals door ons op een paar plaatsen gevonden werd (Edorveen en Haaksbergen) l).
Ook do koolzure kalk, die in den vorm van mergel en wiesenkallc op sommige plaatsen in den bodem van Nederland voorkomt, is waarschijnlijk een uitloogingsproduct, hetzij van schelpen, hetzij van kalksteenen. De koolzure kalk daarvan lost dan op in koolzuurhoudend water, en waar het koolzuur kan ontwijken, zet zich de koolzure kalk aan voorwerpen b.v. zandkorrels, of aan plantendeelen, zooals in het meertje van Rockanje, af.
Vivianii is oen blauw gekleurd mineraal, dat ook andere voorwerpen, waarmede het gemengd is, b.v. veen, eene blauwe kleur geeft. Het bestaat uit eenigszins geoxydeerd waterhoudend ferrophosphaat. Afgescheiden van de lucht, in den bodem voorkomende, is de kleur van dit mineraal wit, en bestaat dan waarschijnlijk uit Ferrophosphaat, Fe^P^Os^ 8H2O, maar aan de lucht gebracht wordt het eenigszins geoxydeerd en dan blauw van kleur. Men vindt het in
') Zie meerdere bijzonderheden over zandoer en ijzeroer, mijne Verhand. K. A. v. W. Dl. 17 en 2de Sectie Dl. 5.
285
terpen, tabaksgronclen, hoog-en laagvcen, in ijzeroor, op plaatsen waar beenderen of lijken begraven zijn enz., in 't algemeen daar waar phosphaten op de eene of andere wijze in oplossing en met eene ijzerverbinding, bij afslniting der lucht, in aanmerking zijn gekomen. Als het water, waaruit zicli ijzeroer afzet, tevens eenig phosphorzuur bevat, wat door ons van een paar plaatsen kon aangetoond worden, is het voor zijne vorming noodige phosphorzuur met dit water waarschijnlijk aangevoerd. Op sommige plaatsen wordt het vivianithoudende oer om zijne blauwe kleur voor blauwsel gebruikt; liet heeft om zijn phosphorzunrgehalte ook mest waarde.
Fyrit of inarkasit, li'eS2, komt in knollen voor in do tertiaire leemgronden en in korrels in sommige veen- en kleiondergronden, vooral wanneer deze met zeewater in aanraking zijn geweest. Zijne vorming is nog niet voldoende opgehelderd, maar staat in verband mot de reductie van zwavelzure kalk door organische stoffen bij afsluiting der lucht, bl. 261 en 267. Aan de lucht blootgesteld wordt het geoxydeerd tot zwavelzuur en ferrosulfaat, welk laatste zout daarna in basiscli ferrisulfaat overgaat (zure gronden).
3. DE BOUWGRONDEN VAN NEDERLAND, HUNNE RANGSCHIKKING (KLASSI PICA TIE) EN VOORNAAMSTE EIGENSCHAPPEN.
Bij het rangschikken der gronden kan men van verschillende beginsels uitgaan. De oudere landbouwkundigen (Thaor, Schwerz en anderen) namen daarvoor de gewassen, die er het best geteeld kunnen worden. Zij verdeelden de bouwgronden in tarwe-, rogge-, gerstgronden enz. Eono dergelijke verdeeling naar het gewone gebruik is ook bij het opmaken van 't kadaster gevolgd en vroeger door ons opgegeven. Daarbij wordt het land naar de vermoedelijke opbrengst (huurwaarde) verder in klassen verdeeld. De namen tarwegrond, roggegrond, weiland, woeste grond enz. geven ons echter geen juist begrip van den aard en de hoedanigheid dezer gronden; want de ondervinding leert, dat vele weilanden zeer goed tot bouwland gebruikt en vele woeste gronden ontgonnen kunnen worden en niet alleen op de klei, maar ook op het zand kan tarwe geteeld worden. De nieuwere landbouwkundigen hebben daarom een anderen grondslag tot verdceling genomen: do scheikundige en geognostisch-goologische samenstelling. Op dien grondslag zijn of worden in verschillende landen, naast de kadastrale kaarten, agronomisch-geohgische kaarten vervaardigd.
Eene volledige opgave van de bouwgronden, die hier te lande al voorkomen, kan nog niet gegeven worden. Eene goede rangschikking, op bovengenoemden grondslag, is evenmin mogelijk. Enkele bouwgronden zijn in deze richting weliswaar onderzocht, maar de methoden van onderzoek, daarbij gevolgd, waren niet altijd dezelfde. De lezer beschouwe dus het volgende slechts als eene proeve, hoe de verschillende gronden gerangschikt zonden kunnen worden.
Zoogenaamde oorspronkelijke gronden, waarbij de bouwgrond door verweering uit de daaronderliggende rotsmassa ontstaan is, komen hier te lande niet voorl). De bouwgronden van Nederland zijn, behalve de veengronden, van
') In dit geval treft men, zie bl. G, onder de bouwlaag een vast gesteente aan; uit de samenstelling hiervan kan veelal tot die van de bouwlaag besloten worden.
286
elders aangevoerd; het zijn aangespoelde of afgespoelde gronden en bestaan das uit een mengsel van zeer verschillende afkomst. Naar de verschillende tijdperken, waarin zij ontstaan zijn, zal men ze knnnen verdoelen in:
Naast deze grondsoorten, wier hoofdmassa tot eene en dezelfde geologische vorming behoort, komen enkele gronden voor, die door vermenging van grondmassa's van zeer verschillenden oorsprong verkregen zijn. Wij zullen die toebereide gronden noemen. In het gedeelte over den Bodem van Nederland zijn eenige voorbeelden daarvan gegeven, b.v. de ontgonnen dalgronden, de veen-zandgronden in de omstreken van Haarlem enz.
Naar hunne scheikundige samenstelling zal men bij deze hoofdgroepen een of meer van de volgende grondsoorten kunnen onderscheiden:
I. Kleigronden; meer dan 300('q afslibbare deelen, (klei) 1)
bestanddeelen ten honderd
|
klei meer dan 60 50—60 1 Zware kleigronden 2 Gewone „ 3 Zandachtige „ {zavelgronden) minder dan 50 i Mergelachtige ,, meer dan 30 5 Humusachtige |
zand minder dan 30 meer dan 30 meer dan 40 minder dan 60 meer dan 30 minder dan 60 f minder dan 10 ( II. Zandgronden: minder dan HO0/q afslibbare deelen, (klei) |
In den regel minder dan 10 meer dan 10 Gewoonlijk koolzure kalk liumus(veeii) |
In den regel minder dan 10 meer dan 10 |
1 Geivone zandgronden minder dan 20
2 Kleiachtige „
(zavelgronden)
3 Mergelachtige „
In den regel minder dan 10
meer dan 10
In den regel minder dan 10
Gewoonlij k
4 Humusachtige „
5 Grinthoudende „
20—30 minder dan minder dan 30 j
/U minder dan 10
minder dan 30) 611 quot;quot;^61 Minder dan 10 Meer dan 10 : onder het zand minstens lOO/o grint1). III. Leemgronden: minstens 200/q afslibbare deelen, voor een gedeelte uit fijn kwartszand (meelzand) bestaande en door ijzerroest veelal bruin gekleurd, te onderscheidon in:
1 kleiachtige leemgronden met minder dan 70 zand.
I
701
meer dan 70
') De opgaven omtrent het klei- en zandgehalte van gronden loopen nogal uiteen, omdat zulks afhangt van de methoden die bij de scheiding gebruikt zijn. Zoo werd dooi' mij gevonden in woelklei van Schildwolde met het toestel van Sikorsky 31 0/o zand, met dat van Schone (2 cM. waterdruk) 40 0/o zand en volgens de methode van Schlösing; 2—5% grof zand, 55.5 0/o fijn zand en 0.6 0/o klei.
Ook de grens tusschen klei- zavel- en zandgronden getrokken is niet altijd dezelfde. Bij de rangschikking van de grondmonsters der Kriesche Wadden en der Zuiderzee zijn door Ad. Mayer (zie Nota 6 der Zuiderzee-vereeniging) genoemd:
klei die met minder dan 600/(| zandgehalte
60—80 80—90 00
20 ,
zavel
lichte zavel
zand
veen
humusgehalte.
) Ook rivierklei bevat dikwijls eenig grint, 1 a 2 0/i); zeeklei niet.
287
2 zandachtige leemgronden met meer clan 70 0/q zand.
De leemgronden zonden ook bij de klei- en zandgronden als leemachtige klei- en zandgronden kunnen worden ingedeeld.
IV. H u m u s- (v e e n-) g r o n d e n: meer dan 30 0/o verbrandbare deelen, te onderscheiden in;
1 kleiachtig veen, als van liet onverbraudbare meer dan 30 O/q afslibbaar is.
2 zandachtig „ ,, „ „ ,, minder „ 30 „ „ „
V. Mergel- en kalkgronden: meer dan 20% koolzure kalk, te onderscheiden naar de meerdere of mindere hoeveelheid afslibbare deelen in kleiachtige en zandachtige mergelgronden.
't Spreekt van zelf, dat allerlei overgangen en vereenigingen hiervan kunnen bestaan. Een grond, die b.v. 400/o klei, 42 0/0 zand, 50/q koolzure kalk en 13 0/0 humus bevat, kan men een humus-, zandachtigen kleigrond noemen enz.
Als typen van eenige der bovengenoemde grondsoorten kunnen de volgende dienen, waarvan de eerste 7 met het op bl. 235 vermelde toestel van Kühn geslibd zijn:
Benaming en afkomst. Bestanddeelen ten honderd op 100° gedroogd.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Na hetgeen hierboven van de eigenschappen van klei, zand en veen (humus) is medegedeeld, zal het minder noodig zijn lang bij de eigenschappen van onze kleigronden, zandgronden, veengronden en de verschillende wijzigingen, die lüervan al voorkomen, stil te staan. Wij zullen nog op enkele punten de aandacht vestigen. |
2S8
De vruchtbaarheid van den grond wordt, inzoover deze van den natuurkundigen toestand afhankelijk is, vooral bepaald door eene gunstige verhouding tusschen klei, zand, koolzure kalk en humus. Volgens Masure is een grond, die 20 a 30 0/o klei, 50 a 70% zand, 5 a 10 O/q koolzure kalk en 5 a 100/o humus bevat, wat zijn physischen toestand betreft de meest vruchtbare. Deze laat het water goed door, is vochthoudend maar niet te koud, scheurt bij droogte niet veel, is in gewone omstandigheden niet moeilijk te bewerken enz. Bij grooter klei-gehalte is de grond onhandelbaarder, droogt des voorjaars niet zoo spoedig op, scheurt des zomers en droogt daardoor sterker uit. Inzonderheid is dit het geval, als de grond weinig of geen koolzure kalk en weinig humus bevat. Een dergelijke grond wordt in de provincie Groningen knik, in Friesland knip geheeten. Een grooter humus-gehalte is alleen niet voldoende, om den natuurkundigen toestand dezer gronden goed te maken, zooals de roodoorn in de prov. Groningen bewijst. Ook speelt het ijzerroest in deze gronden wellicht eene belangrijke rol. Een grooter zand- of kalk-gehalte, als hierboven opgegeven, is minder nadeelig voor den natuurkundigen toestand, maar dan is het wenschelijk, dat het humus-gehalte grooter zij om zijne capaciteit voor water en zijne absorptie-vermogen te vermeerderen. Toebereide veen-en zandgronden, 't Zou verkeerd zijn de vruchtbaarheid van den grond, wat zijn natuurkundigen toestand betreft, slechts naar het resultaat eener slib-analyse, de hoeveelheid organische stoffen en koolzure kalk te willen beoordeelen. Daarbij moeten ook de min of meer droge ligging ten opzichte van het omringende water, of dit gemakkelijk afgevoerd kan worden en of de grond gedraineerd is of niet, de wijze hoe hij gewoonlijk bewerkt wordt en, wat vooral zijne tijdelijke vruchtbaarheid betreft, de planten die geteeld zijn, enz. in aanmerking genomen worden.
De vruchtbaarheid van den grond is voorts afhankelijk van het planten-voedsel. Dat plantenvoedsel is voor een klein gedeelte in het bodemvocht opgelost, voor een grooter gedeelte komt het in onopgeloste, maar in zoutzuur of salpeterzuur min of meer gemakkelijk oplosbare verbindingen in den bouwgrond voor (zeolithen, phosphorzure verbindingen enz.). Vergelijk bl. 240 en volg. Deze verbindingen vormen evenals de klei een fijn poeder en zijn gelijk de humusstoffen en de koolzm-e kalk inzonderheid aan de klei gehecht en worden er mede afgeslibd. Zij hechten veel minder aan het zand. Vandaar ook, dat zij bij het ontstaan van den bouwgrond met de klei, minder met het zand zijn afgezet. Toch komen ook bij het zand mineralen voor als veld-spaath en glimmer die plantenvoedsel bevatten, dat echter in zout- of salpeterzuur onoplosbaar is. Omtrent de hoeveelheid dezer mineralen en in hoever zij tot de vruchtbaarheid van den grond bijdragen is nog weinig bekend. Nog een ander gedeelte van het plantenvoedeel komt in of met de organische stoffen gemengd voor (stalmest, humus, veen). Bij de langzame vertering daarvan in den bodem worden hieruit opneembare zouten gevormd; dan komt er, zooals men 't noemt, meer vaag in den grond. Worden die organische stoffen verbrand, zoo levert de asch plantenvoedsel (asch van veen bij het veenbranden als bemestingsmiddel).
Voor de samenstelling van eenige gronden verwijzen wij verder naar tabel II achter dit Deel geplaatst.
IV. GRONDBEWERKING EN GRONDVERBETERING '). WERKTUIGEN1).
Met liet bewerken van den grond komen wij meer op liet gebied der practijk van den landbouw. Hebben wij toch in de vorige afdeeling aangegeven, waarvan de vruchtbaarheid afhankelijk is en waardoor eeu veld onvruchtbaar kan zijn of worden, thans moeten wij nagaan hoe een veld vruchtbaar gemaakt of gehouden wordt. En een der eerste middelen daartoe is het bewerken. Bij de plantenteelt komt het er echter niet enkel op aan, om den grond vruchtbaar te maken, te bepoten, te bezaaien enz., maar veelal ook om de planten te beschermen tegen schadelijke invloeden en inzonderheid tegen wat men hare vijanden kan noemen; de onkruiden en schadelijke dieren. Ook daarom wordt de grond niet zelden bewerkt.
Twee hoofdzaken meenen wij hier te moeten onderscheiden; de bewerkingen hebben öf ten doel eene meer algemeene en blijvende verbetering van den grond, öf zij keeren bijna elk jaar terug en hebben ten doel den grond voor een gewas in hot bijzonder geschikt te maken. Tot de eerste groep behooren: het ontginnen, het droogleggen, het veranderen van de ligging enz. (iili/enieeue verbeterinyen); tot de laatste groep rekenen wij het ploegen, eggen, enz. (periodische bewerkingen).
Voor het bewerken van den bouwgrond zijn werktuigen noodig. Wij komen daarmede op het gebied van Werktuigkunde en Werktuigkennis, en 't zou wellicht niet ondienstig zijn, de beginselen dezer wetenschappen hier aan te geven. Wij vreezen echter daardoor al te uitvoerig te zullen worden en meenen ook onder verwijzing naar daarvoor bestaande werken a), te kunnen volstaan met eonige punten te vernielden, die bij do beoordeeling van hot een of ander werktuig, bij den landbouw in gebruik, in aanmerking dienen genomen te worden.
De werktuigen dienen om de krachten, waarover de landbouwer te beschikken heeft, op ile meest doeltreffende wijze aan te wenden. Met hunne hulp kunnen
) Dr. Carl Reitlechner, Lehrbuch der landwirthschnftlichen Machinenlehre; Emil Perels, Tiathjeher hei Wahl nnd Gebrauch lanUwirlhschaftticher Gerathe und Machine»; Dr. A. VViist, Landwirlhschnftlicher Mnchinenkunde. (Irootere werken zijn: Henry Stephens, Hooi; of farm implements and machines; liervé Mangon, Travanx, Instruments et machines agricoles; Emil Perels, Landivirthschaftlicher Machinen nnd Gerathe, en .1. VVeissbach, Lehrbuch der Ingenieur- nnd Machine-Mechanil;.
reinüers, i. Vierde druk. 19
290
die krachten evenwicht of beweging veroorzaken in eene geheel andere richting dan die, waarin zij werken. Daarbij moeten veelal verschillende weerstanden (wrijving, samenhang der deelen) overwonnen worden. Een ploeg b.v. door den grond getrokken, wordt niet slechts verplaatst en daarbij de losgemaakte aarde omgekeerd, maar ook de samenhang der gronddeeltjes verbroken.
De te overwinnen weerstanden kan inen onderscheiden in nuttige en schade-delijke. In ons voorbeeld is het losmaken en omkeeren van den grond de nuttige weerstand, de wrijvingsweerstand van den ploeg over den grond eu die der aard deeltjes langs het rister de schadelijke. Laatstgenoemde kunnen niet vermeden, maar moeten in den regel zoo gering mogelijk zijn.
De krachten, waarover de landbouwer gewoonlijk beschikt, zijn die van mensehen en dieren en de stoomkracht, op enkele plaatsen ook electriciteit (electromotoren 't zij door stoom of stroomend water gedreven; in de laatste jaren ook gas- en petroleummotoren (verbrandingsmotoren). Hare grootte wordt bepaald door zoogenaamde krachtmeters, Fig. 73 en 74. Als éénheid van kracht wordt aangenomen het gewicht van 1 KG.
Met het begrip kracht moet niet verwisseld worden dat van arbeid. Daaronder verstaat men het product van de kracht met den afgelegden weg in de richting der kracht. Als éénheid daarvan wordt genomen de arbeid, die verricht wordt om 1 KG. 1 meter hoog op te heffen (Kilogrammeter (Kg.M.).
Als een arbeider dus 1 hectol. koren van 60 KG. op een zolder draagt, die 5 meter hoog is, heeft hij een arbeid van 60 X 5 = 300 kilogrammeter verricht. Wordt een ploeg, waarvan de gemiddelde trekkracht 200 KG. is, 100 M. voortgetrokken, dan is er 20 000 Kg.M. arbeid verricht. Om den
arbeid van meer samengestelde werktuigen b.v. van eene dorschmachine te meten, waarvoor een krachtmeter, hierboven aangewezen, niet voldoende is, dienen meer samengestelde machines, zoogenaamde dynamometers.
Evenals de weerstanden in nuttige en schadelijke worden onderscheiden, zoo maakt men ook onderscheid tusschen nuttigen en schadelijken arbeid. Met den arbeid in liet eerste van bovengenoemde voorbeelden wordt slechts nuttige bedoeld. Deze kan niet verricht worden of er is tevens schadelijke bij. Zoo moet in genoemd voorbeeld de arbeider ook zijn eigen gewicht tot gemelde hoogte
291
ophoffcn. Trekt hij liet koren met behulp van eene katrol naar boven, dan bestaat de schadelijke arbeid, dien hij verricht, in het omdraaien van de katrol enz.
Do werktuigen kunnen worden onderscheiden in enkelvoudige en samengestelde. Enkelvoudige zijn: de hefboom, de katrol, het windas, de schroef en het hellend vlak. De samengestelde bestaan uit eene vereeniging van enkelvoudige. Bij olk werktuig kan men onderscheiden: het deel, waarop de kracht
aangrijpt en het deel, waardoor de nuttige arbeid verricht wordt. In een samengesteld werktuig dienen do tusschen-gevoegde werktuigen om de richting dei beweging te veranderen, eene grootere snelheid of eene grootere kracht te verkrijgen. Daarbij geldt de wet: wat men in kracht wint, verliest mon in snelheid on omgekeerd. Aan sommige werktuigen zijn voorts inrichtingen aangebracht om hevige schokken
Arnhem: I in rust, II samengedrukt, Hl met dubbele te voorkomen: veeren aan veei. De wij/.erplaat is aan liet raam, de staaf, aan ... 1
welks uiteinde de gebroken hefboom als wijzer zit, rijtuigen, buffers aan spoor-aan de veer bevestigd. In de wijzerplaat is eene gleuf, W0gwao'0ns enz. Tot n'oliik h, waarin de arm a van den hefboom zich beweegt'). , ,? ' ,
dool dienen de zoogenoemde
schokbrekers, nl. om een meer geregelden gang van een werktuig to verkrijgen
of de trekdieren voor hevige schokken tc bewaren. Fig. 74. De bovengenoemdo
wet is daarop toepasselijk: Ook lüerbij blijft do arbeid dezelfde, maar wordt
de krachtsinspanning meer verdeeld.
Ter beoordeeling van een werktuig dient voorts gelet te worden: a. op liet dool, waartoe 't gebruikt wordt en hoe hot hieraan beantwoordt. Bij de te vermelden werktuigen zullen wij dit trachten aan te geven.
b. op de stof of stoffen, waaruit het gemaakt is;
c. op de grootte en den vorm der verschillende doelen, de wijze hoe zij aan elkander bevestigd zijn en do daarvan afhankelijke sterkte on het to verwachten onderhoud;
d. op de wijze, hoe do beweging overgebracht en de daarvan afhankelijke eenvoudigheid;
e. op don piijs.
Op enkele dezer punten van meer landhuishoudkundigen aard komen wij later terug. Voorloopig verwijzen wij dienaangaande naar de op bl. 289 aangehaalde werken.
') Behalve deze eenvoudige krachtmeters leveren Sack en andere fabrikanten ook zelfregistreerende krachtmeters, waarbij de wijzer van een potlood is voorzien, dat op eene door een uurwerk regelmatig bewogene reep papier een zoogenaamd diagram maakt, waaruit de gemiddelde trekkracht kan worden opgemaakt.
19*
292
1. ALGEMEENE VERBETERINGEN DOOR TIET BEWERKEN.
A. HET DROOGLEGGEN (INDIJKEN, DROOGMAKEN, DRAINEEREN).
Wij vatten hier liet droogleggen van een' grond in zijne ruimste beteekouis op en verstaan daaronder dus niet enkel het afvoeren van hot op t land vallende regenwater, maar ook het indijken of onikaden, het verlagen van den stand der omringende wateren en het droogmalen van moerassen, meren enz. Het een staat met het ander in onmiddellijk verband. Is toch het indijken van bnitendijksche gronden of het droogmaken van een moeras of veenplas een eerste middel om den voortdurend of van tijd tot tijd overstroomden bodem tot bouwland te maken, vele gronden zijn slechts in zoover drooggelegd en tot bouwland te gebruiken, als zij wel is waar boven het water verheven zijn, maar gedurende een groot gedeelte van 't jaar in de bouwlaag met water volgezogen zijnverlaging van den waterstand is ook liier een dei voornaamste middelen om het voortbrengend vermogen van den grond te ver-hoogen. En het droogleggen in engeren zin, dat is het afvoeren van hct hemelwater, is vooral van dien waterstand afhankelijk.
Het indijken en droogmaken zelf, de wijze waarop het drooggemaakte land verkaveld, de waterstand geregeld wordt enz. zijn zoo uiteenloopend en bovendien van meer waterbouwkundigen aard, dat wij hier dienaangaande in geene bijzonderheden kunnen treden. Slechts op enkele punten willen wij hier wijzen. De afvoer van het overtollige water geschiedt in den regel of door beken die meestal in de rivieren uitmonden, welke op hare beurt het water naar de zee voeren, óf door slooten, tochten of wateringen met ruime kanalen in verband gebracht, waaruit het of naar eene rivier of onmiddellijk naar de zee wordt gevoerd.
Maar wat is overtollig water? Daaronder wordt verstaan de hoeveelheid water, die in een betrekkelijk korten tijd verwijderd moet worden, wanneer de bouwgronden geene schadelijke gevolgen ervan zullen ondervinden. Men noemt het ook, vooral met het oog op polders, het waterhezwaur. Hoe groot is deze hoeveelheid? Deze is zeer verschillend. Vooreerst hangt zulks af van de hoeveelheid regen en in de tweede plaats van den stand van het grondwater. In de meeste polders zal de normale stand van het grondwater ongeveer gelijk zijn aan dien van hot peil (bi. 131), waarop het water gehouden wordt en daarmede rijzen en dalen. Buiten do polders, b.v. op de diluviale gronden, is de grondwaterstand meestal veel dieper, tenzij ondoordringbare lagen, b.v. leem- of oerbanken het doen verhinderen naar beneden te vloeien; maar overigens geldt hier dezelfde regel, dat is rijst en daalt het grondwater met dat der omgeving, zie bl. 123. Vooral in de rivierpolders kan de stand van het grondwater ook gewijzigd worden door de kwel, bl. 122.
Het spreekt nu van zelf dat hoe lager het aangenomen peil of de stand van het. omringende water is ten opzichte van de oppervlakte van den grond, des te meer water in don grond, om het zoo uit te drukken, geborgen kan worden, des te minder hot waterbezwaar gevoeld zal worden.
Hoe groot is nu deze hoeveelheid overtollig water of het waterbezwaar?
293
De gemklflelrle overmaat rog-en boven 'le verdamping in de wintci-maanden kan hier moeilijk tot maatstaf dienen; het zijn meer de Imitengewone regens, waarop gerekend moet worden, en dan gebeurt het bijna elk jaar, dat er b.v. in eene week 40 a 60 m.M. water valt, of 40 000 a 60 000 liter per hectare. Is liet mi herfst of voorjaar en de grond nagenoeg met water verzadigd, dan zal dus, als men liet water op peil wil houden, deze hoeveelheid in een korten tijd verwijderd moeten worden. Is de grond niet met water verzadigd, dan blijft natuurlijk een gedeelte in den grond achter en, ais gezegd, onder dezelfde omstandigheden des te meer naarmate liet peil lager is, waaruit dus het voordeel van een laag peil volgt. In de polders die i/o a 1 meter boven het peil of het grondwater gelegen zijn, wordt het waterbezwaar van 1000 hectare geschat op 900 liter por seconde; deze hoeveelheid moet dus in denzelfden tijd verwijderd worden. In het oosten van ons land echter voeren, volgens de waarnemingen van Stieltjes, de kleine rivieren in zeer natte zomers en natte winters van dezelfde oppervlakte en in denzelfden tijd slechts 100 a 200 liter water af, ja in buitengewone gevallen niet meer dan 200 a 300 liter. Daarentegen voeren deze riviertjes — en men kan hetzelfde aan bijna elke beek op liet diluvium waarnemen — zelfs in de droogste zomers, als er weinig of geen regen valt, nog altijd water af. De laag grond, boven het grondwater, werkt hier als overal elders als regulator, als een reservoir, dat bij veel regen het water opneemt, en in den grond verschillende weerstanden ontmoetende, slechts lajigzamerhan.1 weer afstaat, zie bl. 122.
Hoe wordt nu het overtollige water verwijderd? Is er genoegzaam verval, gelijk op de hoogore gronden, dan redt de natuur zich zelf en behoeft do afloop slechts eenigszins geleid te worden; bij kanalisatie, als in de veenkoloniën , moet de afloop door schutsluizen ook worden tegengegaan, om het water op iieil te houden. Maar in de polders, wier oppervlakte weinig boven de oppervlakte der zee of zelfs daar benoden gelegen is, moet hot min of meer kunstmatig- worden verwijderd. Vooreerst is er dan kanaal- en slootruimte noodig om liet water voorloopig te bergen l).
Is nu de polder onmiddellijk aan de zee, een zeeboezem, of een riviertak met eb en vloed gelegen, zoo maakt men gebruik van den lagen stand van het buitenwater bij eb om het water te laten afstroomen. De afwatering,«sluis wordt dan bij eb geopend en bij vloed weer gesloten.
Maar in de binnen polders en in het algemeen als het aangenomen polder-peil lager gelegen is dan de ebbestand, moet het water kunstmatig worden opgemalen (door tonmolens, centrifugaal- of andere pompen door den wind of door stoom in beweging gebracht) in een boezemkanaal, dat dan op ovengenoemde wijze in de zee uitwatert, maar soms nog eerst in een tweede hooger gelegen boezem moot worden opgevoerd, om het noodige verval te verkrijgen.
1) Is a de oppervlakte van ilen grond in hectares en h de gemiddelde regenhoe-veelheid van hevige regens in millimeters, dan bedraagt, in geval de bouwgiond mot water verzadigd is, b.v. 's winters, de af te voeren hoeveelheid water 10000 ah liters. Deze hoeveelheid moet dus geborgen worden, tenzij er onmiddellijk afgevoerd kan worden. Is verder de gemiddelde kanaal- en slootoppervlakte 'jn van het aantal hectares, zoo stijgt het water hierin nh millimeters.
294
Do oudste daarvoor in gebruik zijnde molens zijn die met schepraderen; zij kunnen het water 1.5 tot 2 meter hoog opvoeren. De later uitgevonden ton-of vijzelmolens voeren het 3.5 tot 4 meter en soms nog hooger op, en met de nog latere centrifugaalpompen, door stoom gedreven, kan het in eens 4 a 5 meter worden opgevoerd.
Stoomwatennolens komen meer en meer in gebruik, omdat men daarbij niet afhankelijk is van den wind en dus ten allen tijde het overtollige water kan opmalen. Om dan de vroeger opgegeven hoeveelheid water, 900 liter per seconde voor 1000 hectare, 1 meter hoog op te voeren, is eene stoommachine van 12 paardekracht noodigl). Een kapitale of kloeke windmolen met 25 meter vlucht (dubbele lengte der wieken) kan gelijk gesteld worden mot eene stoommachine van 3 paardekracht. Valt derhalve de bovengenoemde hoeveelheid water b.v. in 5 dagen, dan kan met eene stoommachine van 12 p.k. liet water in denzelfden tijd 1 meter worden opgemalen eu met een windmolen eerst in 20 a 25 dagen.
Welke de meest gewenschte stand van het omringende water ten opzichte van de oppervlakte van den bodem is, hangt zeer zeker nog van verschillende omstandigheden, de geaardheid van den grond en de te telen gewassen (bouw-of weideland b.v.) af. In den regel is die stand eerder te hoog dan te laag. Eene ligging van den grond 1 M. a 1.5 M. en meer boven het zomerpeil wordt het meest wenschelijk geacht.
Is dus in de middelen om het van 't land stroomende water te bergen en weg te voeren en het buitenwater (rivier-, kanaal- of zeewater) tegen te houden, voldoende voorzien, dan moet nog voor liet afleiden van 't water van af of van uit het land zelf gezorgd worden. Vele gronden toch zijn uit hunnen aard niet zoo doorlatend, of liet overtollige water moet ook hier kunstmatig worden verwijderd, zoo de bouwgrond niet de nadeelige gevolgen er van zal ondervinden.
Wij hebben reeds meermalen op het nadeelige van te veel vocht in den bodem gewezen, maar zullen om liet belang eener droge ligging des te beter te doen inzien, de voordeden daaraan verbonden hier in het kort samenvatten.
Een goed drooggelegde grond kan moer geregeld bewerkt worden, vroeger in het voorjaar, later in den herfst. Hij is in den regel warmer, omdat het overtollige water anders moet verdampen en hiervoor warmte verbruikt wordt, die tot verhooging zijner temperatuur zou gediend hebben.
Bij to veel vocht in den bodem wordt de lucht meer afgesloten: het gezaaide zaad ontkiemt daardoor dikwijls niet en er ontstaan licht voor de planten schadelijke stoffen b.v. ijzeroxydule zouten, zwavelverbindingen enz. Blijft hot water in een bodem „staanquot;, dan slibt de grond meer ineen en er ontstaan licht banken. Ook wordt het schadelijk geacht, dat de planten het voedsel, in het bodemwater opgelost, in cone te verdunde oplossing bekomen.
Elk practisch landbouwer weet bij ondervinding, van welk belang eene goede droge ligging voor het bouwland is, hoe de vruchten daarbij beter
*) Een paardekracht is 75 arbeidseenheden, bl. ^OO, dus in staat om 75 IvG. in 1
900
seconde i meter op te heffen, derhalve voor 900 liter water gelijk 000 KG., — 12 p.k.
295
staan en niet zoo gemakkelijk door het onkruid overmeesterd worden, hoe ook op drooggelegd grasland, — ofschoon eene grootere vochtigheid hier minder nadeelig en tot zekere hoogte voordeelig is (zie bl. 257), — betere grassen groeien dan op lage vochtige weiden.
Sedert lang reeds heeft men hier te lande, althans op vele plaatsen, het belang eener droge ligging ingezien. Men heeft een goed getal slooten gegraven en het land daardoor in stukken van een meestal klein getal hectares verdeeld, waardoor het water van het land stroomende in de voor de waterlossing bestemde kanalen of in eene rivier kon worden gevoerd. Daar men dit nog niet voldoende achtte, werden van afstand tot afstand kleine slootjes (slinken of sjmiten) gegraven en, teneinde voorts het afloopen van 't water te bevorderen , werd het land ten opzichte van die slooten en slootjes bol gelegd. De aarde werd zorgvuldig van de kanten naar het midden gebracht, zonder zelfs te bedenken, dat men het veld aan die kanten van zijne bouwlaag beroofde en — zonder kennis van min kostbare middelen om deze te gemoet te komen, — ze jarenlang tot onvruchtbaarheid doemde. Het land werd voorts, ook al voor den afvoer van 't water, in smalle ronde akkers geploegd en van afstand tot afstand dwarsgoten gegraven om het, uit de min of meer diepe voren, tusschen de akkers, stroomende water in de slooten en slinken te doen uitloopen.
Zoo ongeveer werd liet land veelal, 10 a 50 jaar geleden, drooggelegd; zoo geschiedt het nog op vele plaatsen in ons land.
Aan deze wijze van droogleggen zijn echter vele nadeelen verbonden, en bovendien wordt het land daardoor zeer onvolkomen drooggelegd.
In de eerste plaats toch gaat met dit groot getal slootjes vrij wat grond verloren. Die kleine slootjes vooral zijn ware kweekplaatsen voor onkruiden. Door de ronde ligging van het veld in zijn geheel en van eiken akker in het bijzonder wordt het land zeer ongelijk. Als de grond in 't midden van 't veld of in 't midden van den akker reeds droog is, zijn do kanten en voren nog vochtig, 't Gevolg is, dat, aangezien het niet bij gedeelten bewerkt kan worden, die kanten en voren allicht in te vochtigen toestand of het midden in te drogen toestand wordt bewerkt. Datzelfde verschil openbaart zich later bij de vruchten: daar alle gedeelten van quot;t veld niet oven vochtig, dus ook niet even warm en veelal ook om andere reien niet even vruchtbiiar zijn, worden ze bijvoorbeeld niet terzelfder tijd rijp en 't gevolg is, dat als het eene gedeelte gezicht of gemaaid mag worden, het andere nog niet rijp genoeg is of omgekeerd.
Aangezien het water van 't land afstroomt, wordt daardoor de mest veel meer uitgeloogd en van zijne nuttigste bestanddeelen beroofd of in de lagere plaatsen, de voren, gevoerd. Door de beweging van 't water in de voren slibt de grond aldaar dicht. Een veld met ronde akkers kan ook moeilijk met eene machine bezaaid of machinaal gemaaid, niet zoo goed overdwars bewerkt worden, enz.
Het voornaamste bezwaar tegen deze manier van droogleggen door opene greppels is echter, dat het droogleggen zelf zeer onvolkomen is, aangezien wel het water van de bovenste grondlagen wordt weggevoerd, maar in de diepere gedeelten van do bouwlaag en van den ondergrond opgehoopt blijft;
296
dat wel liet water wordt afgevoerd, wat men ziet, maar niet hetgeen men niet ziet. En juist dit laatste kan even schadelijk, zoo niet schadelijker zijn dan het oppervlakkige water.
Eene der belangrijkste verbeteringen in onzen landbouw van de laatste 50 jaren is dan ook, dat men eene betere wijze van droogleggen, waarbij het water niet vanboven maar vanonderen wordt afgevoerd, heeft leeren kennen: wij bedoelen het zoogenaamde draineer en.
Sedert onheugelijke tijden moeten op deze wijze reeds drooggelegd zijn do tuinen van eenige boerderijen te Maarssen in Utrecht, door namelijk van afstand tot afstand driezijdige pijpen, uit drie planken samengesteld, min of meer horizontaal in den grond te begraven en in eene sloot te doen uitmonden. Elders trachtte men onderaardsche kanalen voor den afloop van 't water te verkrijgen, door in gegraven greppels van 6 a 8 d.M. diepte, zoden of turven tegen elkander op te zetten of een nauwer gootje onder in de greppel met een turf te bedekken. Ook takkebossen en rijzen zijn daarvoor wel gebruikt, hetzij men die alleen, hetzij op kruiswijs onder in de greppels geplaatste paaltjes legde, en daarna de greppels eerst met zoden en vervolgens met aarde weder vulde; zoo ook veldsteenen en andere steenbrokken, om onder in de greppels holten voor den afloop van 't water te verkrijgen. Eenige dezer wijzen van droogleggen zijn ook hier en in andere landen met meer of minder goed gevolg beproefd en in gebruik genomen, zoo b.v. met turf op de zware kleigronden in het Oldambt. Het draineeren, gelijk het thans veelal uitgevoerd wordt, door steenen buizen namelijk, moet als eene Engelsche uitvinding beschouwd worden. Omstreeks het midden dezer eeuw is men hiermede begonnen l).
In 't algemeen komt deze wijze van droogleggen, of gelijk zij gewoonlijk genoemd wordt, dit draineeren hierop neer, dat van afstand tot afstand en meestal evenwijdig aan elkander, greppels gegraven en hierin steenen buizen van ongeveer 3 d.M. lengte en 3 a 4 c.M. inwendige wijdte gelegd worden, zoodanig, dat de uiteinden goed aan of in elkander sluiten of de onderlinge verbinding door daarom passende, soms doorboorde steenen ringen verzekerd wordt. De greppels worden daarna weder met aarde gevuld en zoodoende wordt een onderaardsch kanaal gevormd. Het in den grond „staandequot; water sijpelt dan langzamerhand, voor een gedeelte door den poreuzen wand, volgens een onderzoek van Krocker voor het grootste gedeelte echter door de openingen , die er overblijven, waar twee buizen aan elkander sluiten, in dit onderaardsche kanaal en stroomt zoo bij voldoende helling der buizen van het land af.
De wijze echter, waarop het uit deze buizen, gewoonlijk zuigbuizen geheeten, stroomende water weggevoerd wordt, is niet overal dezelfde. In de provincie Groningen b.v., waar het land door eene menigte slooten in kleine stukken verdeeld is, laat men elk der rijen buizen soms aan het eene einde, maar soms ook aan beide einden in eene sloot uitmonden. Elders, b.v. in den Wilhelminapoldor, prov. Zeeland, waar de stukken lands grooter zijn en de afscheiding niet door slooten maar door heggen geschiedt, laat men de rijen buizen, die het water uit den grond moeten opvangen (do x/uighuixeri) uit-
') Dr. W. C. H. Still ing, liet droogleggen van landerijen.
monden in één, twee of meer rijen wijdere 1 raizen (verxamelhuixen) en voert het water langs deze in eene sloot of afwateringskanaal. Laatstgenoemde wijze van draineeren is ook in 't buitenland do meest gebruikelijke en wordt inzonderheid daar toegepast, waar het terrein zeer ongelijk van lioogte is. Zij wordt ook daarom vooral aanbevolen, omdat men slechts één of enkele nitloopen noodig heeft, die op eene min kostbare wijze met zorg onderhonden kunnen worden, terwijl dit bij meerdere nitloopen natuurlijk kostbaarder wordt. Laat men echter al de rijen zuigbuizen in eene sloot uitkomen, dan kunnen de hierna te vermelden verstoppingen beter opgespoord worden en vervallen de duurdere vorzamelbuizen, zoodat de kosten geringer worden.
Maar 'tzij de zuigbuizen direct in eene sloot, 'tzij ze in andere buizen uitmonden, mot de ligging van het terrein moet steeds rekening gehouden worden, niet alleen om aan de rijen buizen des te geschikter de noodige helling te kunnen geven, maar ook omdat voor den toeloop van 't water in de zuigbuizen het doelmatiger is ze in do richting van de helling te leggen.
Worden namelijk de buizen in de richting loodrecht op die dor helling gelegd, zoo vloeit het water, aan de zijde van het hooger gedeelte intredende, aan die van het lager gedeelte voor een deel weer uit de buizen en houdt men den grond hier vochtig. Worden echter de buizen in de richting der helling gelegd, zoo vloeit het water, tusschen de rijen vallende, zijwaarts en in do richting van de helling af en bereikt hot de buizen dus oven goed, zij het ook in een lager gedeelte van het terrein.
Eene beoordeeling van do ligging en, bij grootore en zeer oneffone oppervlakten, eeno nauwkeurige waterpassing van het terrein moeten dus voorafgaan. De verzamelbui-zen worden dan in de laagste gedeelten van hel terrein gelegd of als dit noodig is evenals de zuigbuizen in de richting van het verval, terwijl wanneer de zuigbuizen onmiddellijk in eene sloot zullen uitmonden, men de rijen zoo legt, dat zij zoo immer mogelijk naar het laagste gedeelte van het land nitloopen, Fig. 75.
Do diepte, waarop de buizen gelegd worden, verschilt zeer naar de geaard-
licit! van den grond, naar den onrlerlingen afstand der rijen, naar rlo ligging van het droog te leggen veld ten opzichte van het peil van 't waterschap waartoe 't behoort, enz. Eene gemiddelde diepte van 1 a 1.5 M. wordt hier te lande veelal voldoende geacht. De zware kleigronden in Engeland draineert men niet zelden tot eene nog grootere diepte.
Komt in den ondergrond eene harde bank voor, die het water niet doorlaat, dan is het verkieslijk de buizen tot aan de bank toe te leggen, tenzij deze, kort onder de bomvvoor voorkomende, door eene diepe bewerking van den grond kan worden verwijderd. Wordt in den ondergrond eene zandlaag aangetroffen, die het water oji eene natuurlijke wijze afvoert, dan is het wenschelijk de buizen tot aan de zandlaag te leggen.
Bij het draineeren van veengronden tracht men den vasten, zand- of kloi-achtigen ondergrond te bereiken en legt hierin de buizen. Daarbij dient men rekening te houden met de belangrijke inklinking, soms i of ,1-, die een veengrond, na het droogleggen ondergaat.
Is de veenlaag te dik, om den vasten ondergrond te bereiken, dan worden, aangezien een veengrond aan de buizen geene genoegzame vastheid geeft, de greppels 1 a 1.5 d.M. dieper gegraven, tot op deze hoogte met zand aange-vuld en nadat dit eenigszins ineengeslibd is, hierop de buizen gelegd. Ook wanneer in andere gronden de buizen niet vastliggen of bij aanwezigheid van welzand, dat licht in dc buizen dringt, raad Vincent aan, de gemaakte greppels tot zekere hoogte op gelijke wijze met grof zand of grint te vullen.
Ook de afstand der rijen buizen is van invloed op de diepte, waarop zij gelegd moeten worden en omgekeerd. Te dezen opzichte geldt de regel: hoe dieper de buizen, dos te grooter kan de afstand der rijen genomen worden. Gewoonlijk bedraagt die hier te lande, bij eene diepte van 1 a 1.5 meter 10 meter. Voor zand- en lichte zavelgronden kan de afstand iets grooter worden genomen. Om zwaardere kleigronden goed droog te leggen is het wenschelijk den afstand niet grooter dan 8 a 9 meter te nemen. Het water van den grond tusschen de rijen toch moet zijdelings naar de buizen loopen en dit gaat veel gemakkelijker in zand- dan in kleigronden. Om dezelfde reden wil Vincent de buizen in kleigronden dieper gelogd hebben dan in zandgronden. Bij eene diepte van 1.25 nieter acht hij voor de zavelgronden van Noord-Duitschland 15 a 1G meter, dus een 12-voudigen afstand voldoende. Worden do buizen tweemaal zoo diep . gelegd, dan is volgens hom een 17-voudigo afstand toereikend. In klei- en leemgronden moet de afstand geringe]- zijn.
Een vaste regel kan dus noch voor de diepte noch voor den afstand gegeven worden. In 't algemeen is een behoorlijk diep leggen verkieslijk omdat de afstand dan grooter genomen kan worden. De kosten' worden daardoor natuurlijk geringer en de drooggelegde laag aarde wordt grooter. Daardoor wordt ook het gevaar voor bevriezen der buizen geringer, de plantenwortels kunnen dieper in den bodem dringen en eene grootere hoeveelheid water en voedsel komt voor haar beschikbaar. De buizen dieper te leggen, dan de grond boven het zomerwaterpeil verheven is, baat echter niet en daardoor is men veeltijds genoodzaakt op eene geringere diepte te draineeren, als wel wenschelijk zou zijn. Ook ondiepe oerbanken in den grond voorkomende, kunnen een beletsel zijn, dat men niet tot de gewenschte diepte kan gaan. Door loodrechte gaten
299
in den grond te boren of te slaan, en deze b.v. met draineerbuizen te vullen, hoeft men getracht het water hier van af te leiden. Wij mogen echter aannemen, dat dit middel slechts dan baat, als de onder de bank voorkomende grond het water goed doorlaat, gelijk dit b.v. met de rivierkleigronden het geval is. In hoeverre eene gewone draineering in verband met deze loodrechte doorboring van de bank toepasselijk is, durven wij niet beslissen. Ligt do bank niet zeer diep, zoodat zij met een ondergrondsploeg te bereiken is, dan is het verbreken van de harde laag daarmede, na hot draineeren, zeker een van de minkostbare middelen om den grond ook tusschen de rijen buizen droog to leggen.
De helling, aan de buizen te geven, is eenigszins verschillend naar hare wijdte, daar de weerstand, dien het water bij het stroomen door de buizen ondervindt, des te geringer is naarmate zij wijder zijn. Bij buizen van 3 iï 4 c.M. wijdte wordt eene helling van 1 a 2 op de 1000 voldoende geacht ; bij buizen van 10 c.M. wijdte eene helling van 1 a 2 oj) de 2000. Eene grootere helling schaadt echter volstrekt niet, en liet hangt grootendeels van de ligging en de grootte van het terrein af, of die iets meer of minder groot kan of moet genomen worden. Zijn do afmetingen van een horizontaal veld b.v. niet groot en kunnen de buizen, wegens den waterstand, diep genoeg gelogd worden, zoo kan eene grootere helling gegeven worden, dan wanneer de afmetingen van het veld langere rijen buizen vereischen. Te klein mag die helling echter niet zijn, omdat de waterafvoer dan te langzaam plaats heeft en ingestroomde aarddeeltjes kunnen bezinken en aanleiding tot verstopping-kunnen geven. Volgens Vincent mag de stroomsnelheid in de buizen die van de helling afhankelijk is, niet minder dan 0.15 M, per seconde zijn i).
De verbinding van de zuiglmizen met do verzamelbmzen, die steeds lager gelegd moeten worden, heeft, om den weerstand van hot daarin strooniende water minder te doen zijn, zooveel mogelijk onder een scherpen hoek plaats; zie Kg. 7ó. Voor die verbinding worden afzonderlijke kniestukken geleverd of anders gaten in de verzamelbuizen geslagen, waarin de eind-znigbuis past. Vincent wil de zuigbuizen over de verzamelbuizen heen gelegd en op de plaats, waar zij op elkander vallen, beide van gaten voorzien hebben, om het water in do verzamelbuizen te doen loopen.
Omtrent de practische uitvoering van het draineeren nog hot volgende. Nadat het draineer-plan vastgesteld is en do benoodigde buizen aangevoerd zijn, worden de greppels gegraven. Men begint met die voor de verzamelbuizen, daarna met die voor de zuigbuizen en, om het mogelijk instroomende regenwater af te kunnen laten loopen, steeds aan de laagste gedeelten, tenzij de waterstand in de sloot te hoog is. Voor dit uitgraven zijn in Engeland en elders een stel schoppen van verschillende afmetingen in gebruik, of worden daarvoor althans aanbevolen om zoo weinig mogelijk grond behoeven te ver-
') Is h liet verval in proc. en d de middellijn der buizen, dan is de theoretische ■ / dh
stroomsnelheid in buizen 3.6 |/ ^ ^ ^; werkelijk bedraagt deze In buizen van 3 c.M.
middellijn slechts 2/3, in buizen van 5 c.M. en in buizen van 10 c.M. 5/6 van de theoretische snelheid.
werken. Op de kleigronden van Groningen worden deze als onbruikbaar beschouwd, en wordt van zoogenaamde boorschoppen gebruik gemaakt. Do eerste steek der greppel wordt dan h.v. 1 meter breed, de tweede iets minder breed enz. en ten laatste slechts ter breedte van een steek gegraven. Om aan de gaten de noodige helling te geven, worden, langs deze op het terrein, paaltjes geslagen tot zulk eene hoogte, dat hunne koppen de helling aanwijzen. De arbeider graaft de greppel dan zoo diep, dat zij steeds b.v. 2 meter beneden den kop van het in zijne nabijheid aanwezige paaltje diep wordt, waartoe hij steeds een maatstok bij de hand heeft. Eenvoudiger wordt het die helling te vinden, wanneer het droog te leggen veld door slooten met gelijken waterstand omringd is en do zuigbuizen direct daarin zullen uitmonden. Zijn dan de gaten tot op den laatsten steek na uitgegraven, zoo worden tegenover do beide uiteinden in de slooten baken geplaatst, bestaande uit een lat, van boven van een dwarslatje voorzien. Zullen de buizen nu aan beide einden uitmonden of met andere woorden naar beide einden bellen, dan
f worden genoemde baken op gelijke hoogte boven worden genoemde baken op gelijke hoogte boven
het water der slooten geplaatst en een derde baak-in de greppel, midden tusschen de beide andere gezet on wel zoo dat zijn kop even hoog als of waterpas met de beide andere staat. Vervolgens
trekt men de middelste baak zoo ver naarboven als de huizenrij helling zal hebben en plaatst nu tusschenbeide nog eenige baken, wier koppen met die van de middelste en de uiterste in de sloot geplaatste in dezelfde rechte lijn liggen. De arbeider voorziet zich bij hot verder uitgraven van eene losse baak en zorgt dan dat de greppel steeds eene diepte bekomt, dat de kop der losse baak, daarin geplaatst, met die dor andere in dezelfde rechte lijn valt. Zullen de buizen slechts naar eene
helling zal hebben en handelt vervolgens door het plaatsen van tusschenbaken enz. op gelijke wijze.
Is eene greppel op deze wijze tot do vereisehte diepte en met eene zuivere grondvlakte gegraven, dan wordt daarin met eene zoogenaamde buizenboor. Fig. 7C, waaraan de steel in plaats van, zooals in de fig. onder een' scherpen
301
ook wel onder een' stompen hoek bevestigd wordt, een gootje gegraven, waarin de bnizen juist passen, en met het leggen kan nu worden begonnen. Dit leggen vereischt de grootste nauwkeurigheid, en alleen vertrouwbare en geoefende arbeiders mogen hiermede worden belast. Zij zorgen daarbij zoo weinig mogelijk in de greppels te loopen en daar, waar de buizen gelegd zullen worden, de aarde niet vast te treden. Soms worden de buizen daarom met eene haak gelegd. Fig. 77. Men begint met het leggen in het hoogste gedeelte der greppel. De eerst gelegde buis wordt aan het eene eind met een' steen gesloten en daarna eene tweede buis, zoo goed mogelijk sluitend tegen of in liet andore eind geplaatst en zoo vervolgens. Eenigszins krom getrokken buizen worden met hare krommingen noch naar boven noch naar beneden maar zijwaarts gelegd en gezorgd dat de volgende buis hieraan past. Hot juist te pas leggen der buizen is eene eerste vereischte oin verstoppingen te voorkomen, omdat bij eene opening water kan instroomen en daarmede zand. Is eene rij buizen gelegd en heeft men zich van de juiste ligging verzekerd, dan worden de buizen eerst voorzichtig met aarde bedekt en de greppels verder gevuld. Ten einde het verstoppen der buizen door loop- of welzand te voorkomen, wordt wel aangeraden een laagje stroo tusschen do buizen en do opgebrachte aarde te voegen.
In sommige gevallen kan het van belang zijn de uitgegraven aarde ter verbetering van de bouwvoor gedeeltelijk boven te houden. Zij wordt dan tusschen de rijen verspreid en om den ontbrekenden grond voor do greppels te verkrijgen, worden deze later dichtgeploegd.
Eene bijzondere zorg vereischt nog het leggen der eindbuizen, dat zijn die waarmede de rijen zuig- of verzamelbuizen in eene sloot, of een kanaal, uil-monden. Soms worden hiervoor langere steenon buizen genomen en, om ze eene meer vaste ligging te geven, door een eind plank ondersteund. Ook maakt men die eindbuizen wel van hout. Laat men de zuigbuizen in verzamelbuizen uitmonden, dan wordt het getal eindbuizen natuurlijk geringer. In dit geval wordt hare vaste ligging wel door eenig metselwerk verzekerd.
De vraag, op welke gronden deze methode van droogleggen al toegepast kan worden, is nog moeilijk te beantwoorden. Zeker is liet, dat zij op de klei- en zavelgronden het meest doeltreffend is, minder op zand- en veengronden , die op zich zelve het water veelal goed doorlaten. Toch moet. ook hier het overtollige water afgevoerd eu in geval van niet-draineering door het graven van slooten en greppels daarin worden voorzien. Zeer waarschijnlijk wegen ook hier do kosten van draineeren op tegen de jaarlijkse he uitgaven voor het graven van slooten en greppels en het voordeel, dat de te bebouwen oppervlakte grooter wordt en de grond beter en gemakkelijker bewerkt kan worden, te meer wanneer men bedenkt, dat de afstand der rijen hier veel grooter genomen mag worden dan op kleigronden. Hoe men op veengronden met het graven der greppels handelt, is hier boven opgegeven.
Op het verstopt geraken der buizen door bet loop- en welzand is zooeveu reeds gewezen. De ondervinding heeft geleerd, dat, waar dit loop- of welzand voorkomt, een nauwkeurig leggen der buizen, zonder ringen, het beste middel is om zulks te voorkomen. Vooral ook hot verstoppen der buizen heeft in latere jaren aanleiding gegeven de buizen zonder ringen te leggen. Ook
302
een goed openhouden der einden is wenselielijk, daar het water anders in de buizen kan blijven staan en het medegevoerde zand bezinken. Bedekken met een laagje stroo enz. is een zeer onzeker middel daartegen.
In veel kalkhoudende gronden zijn verstoppingen met koolzure kalk, in veel ijzer bevattende gronden met ijzerroest voorgekomen, doch hier te lande slechts zelden waargenomen. Ook door de wortels van planten, vooral van boomen, geraken de buizen wel eens verstopt. Inzonderheid is dit waargenomen, als door de buizen het water van bronnen of zoogenaamd grondwater afgevoerd wordt en zij bijna altijd vol water staan. Bereiken haar dan de plantenwortels, zoo dringen deze door de kleine holten tusschen de buizen en vormen daarin weldra een fijn netwerk, dat, gelijk Mechi 't noemt, zich als een vossestaart voordoet, en de buizen zoo niet verstopt dan toch het uitstroomen tegenhoudt. Maar tenzij de buizen steeds vol water staan, is die wortelontwikkeling^ zeer zeker niet zoo groot als wel beweerd wordt. Tegen het verstoppen door koolzure kalk of ijzerroest raden de Engelschen aan nauwe buizen te nemen. Tegen dat door plantenwortels wil Vincent do buizen geteerd of met geteerd papier belegd hebben, maar dit middel is alleen voor do verzamelbuizen toepasselijk, 't Best zal zijn de buizen niet te dicht bij geboomte te leggen.
De kosten van het draineeren kunnen natuurlijk zeer uiteenloopen, naar do diepte en den afstand waarop de buizen gelegd worden, den prijs der buizen en dien der arbeidsloonen. Men kan die bij enkel gebruik van zuigbuizen, in rijen van 10 meter en op eene diepte van 1 a 1.5 meter gelegd, op ongeveer 100 gulden per hectare quot;rekenen. Laat men echter de zuigbuizen in de duurdere verzamelbuizen uitmonden, dan worden de kosten 120 a 130 gulden per hectare.
Die kosten worden echter ruimschoots vergoed door de belangrijke voordeden aan deze wijze van droogleggen verbonden. Niet alleen tocli kunnen, gelijk reeds opgemerkt is, vele slooten en greppels dan gemist en dus eveneens bebouwd worden, maar men kan aan het land ook eene vlakke ligging-geven. Het kan daardoor in alle richtingen en ook door min geoefeuden bewerkt en veel gemakkelijker machinaal bezaaid of gemaaid worden. Daar, waar liet draineeren in zwang is, zijn de landbouwers van geene enkele andere landbouwverbetering zoo algemeen overtuigd. Kleigronden vooral worden daardoor veel losser (poreuzer); zij kunnen des voorjaars soms meer dan 14 dagen vroeger bewerkt worden en zijn in den regel warmer dan wanneer ze niet gedraineerd zijn. De heer S. Huizinga T/.. te Middelstum nam o. a. den 14 Nov. van 1874 de volgende temperaturen waar:
a. in een grond, goed gedraineerd op 9 a 10 meter afstand en 1.4 meter diepte. h. in een grond, alleen gedraineerd door eene rij buizen in de dwarsgoot. Beide grondsoorten waren van gelijke hoedanigheid en met hetzelfde gewas (haver) beteeld geweest.
Terwijl de temperatuur der lucht 4.5° was, was die op eene diepte van 2 d.M. 3 d.M. 4 d.M. 5 d.M.
verschil quot; aG0^ 2.1° 2.2° 2.2°
In den eersten tijd, nadat de buizen gelegd zijn, ziet men hier en daar
303
nog wel water op liet land staan; is do grond echter gedurende een' zomer maar eens goed uitgedroogd of met lilaver begroeid geweest, dan komt dit bij eene goede, vlakke ligging zelden meer voor. Een gedraineerde grond blijft bij langdurige droogte in den zomer ook langer vochtig, daar door de grootore poreusheid zijn capillair-opznigend vermogen vermeerderd wordt en groote scheuren en barsten minder voorkomen. Vergel. blz. 254 en volg. Het water blijft minder in den grond staan en het ineenslibben of het vormen van banken wordt daardoor meer verhinderd. De plantenwortels dringen dieper naar beneden en daardoor wordt de bouwlaag steeds dikker, 't Gevolg van een en ander is eene hoogere opbrengst, die de rente van het aan deze verbetering besteede kapitaal ruimschoots vergoedt.
Als nadeelen van het draineeren heeft men aangevoerd: a. het te droog worden van den grond, h. het verlies, dat hij zou ondergaan door uitspoeling van planten voedsel. Wat het eerste punt betreft, blijkt uit het bovenstaande, dat het tegendeel 't geval is. Aangaande het tweede punt kunnen wij hier naar het op bl. 254 gezegde verwijzen. Alleen het uitspoelen van het in den grond voorkomende salpeterzuur en misschien van kalk en magnesia zou hier van beteekenis kunnen zijn, maar 't is de vraag, of dit bij draineering grooter is dan bij niet-draineering l).
B. HET ONTGINNEN.
Onder ontginnen verstaat men het in cultuur brengen van woeste gronden. Als zoodanig zijn vroeger door ons opgegeven: de heidevelden op de diluviale zandgronden met de daartusschen liggende zand stuivingen, vele duinen en hooge veengronden. Ook do kwelders, schorren en uiterwaarden van de zee-en rivierbezinkingen, alsmede vele lage veengronden en beekbezinkingen, ofschoon zij meer productief zijn dan de bovengenoemde zandgronden en door meer opzettelijke zorg voor afwatering enz. productiever zijn gemaakt, hebben niet zelden het karakter van een woesten grond. Zie bl. 11. Hetzelfde geldt van vele met bosch bezette gronden, waarbij de zorg alleen bestaat in het van tijd tot tijd wegkappen van het hout.
De wet van 26 Mei 1870, no. 91 onderscheidt echter: 1) woeste gronden en 2) huiten-, moeras-, of èroe/cgronden ea waterplassen. Terwijl nu de waarde en de daarvan afhankelijke belastbare opbrengst van de onder 2) genoemde gronden verhoogd wordt door bedijking, bekading, enz., wordt de waarde dei-woeste gronden verhoogd door ontginning. Een woeste grond heet dan ontgonnen, dat is in cultuur gebracht te zijn, als hij door bewerking en bomesting zoodanig is veranderd, dat hij regelmatig vruchten oplevert of tot bosch, erï of lustplaats aangelegd is. Onder vruchten zullen hier moeten worden verstaan die der gewone cultuurgewassen, ofschoon de wet ze niet met name noemt 2). Waar geene bewerking is geschied, zooals bij opslag van hout, ten gevolge
') A. Voelcker in Journal of the R. A. S. of England Vol. X, Part. I, p. 132. en Dehérain, Annalen agronomiques, T. XXIII.
'*) Men kan niet zeggen dat een heideveld geenerlei vruchten levert; want niet alleen dient de heide tot voedsel voor schapen, maar afgesneden, wordt zij ook tot bezems en de met heide begroeide plaggen worden tot strooisel voor het vee of tot mestbereiding gebruikt.
304
overbrenging' van zaad door den wind of door vogels, of de grond niet bestemd en ook niet geschikt is om voortduiend in cultuur te blijven, b.v. boekweitveen, is er, volgens de wet, geene ontginning. Dergelijke gronden worden dus nog als woest beschouwd.
Bij het ontginnen van een' grond komen verschillende zaken te pas. In vele gevallen is het droogleggen en het aanbrengen van plantenvoedsel in den vorm van mest eene eerste vereischte. Maar tevens moet het land veelal eene opzettelijke bewerking ondergaan, om er geschikten bouw- of boschgrond van te maken. Dit bewerken, waarmede wij ons hier meer opzettelijk moeten bezighouden, is verschillend naar de geaardheid en ligging zoowel van den boven- als ondergrond en naar het doel, waartoe de ontginning geschiedt: of een grond tot bouw- of weiland dan wel tot bosch aangelegd zal worden. Wij kunnen hier niet in alle bijzonderheden treden, maar zullen ons bepalen tot enkele hoofdzaken.
Wij onderscheiden daarbij:
1. het ontginnen van zandgronden in :t algemeen,
2. het veranderen van bosch- in bouwgrond,
3. het ontginnen van veengronden.
1. Ontginning van zandgronden (zandstuivingenduinen, heidevelden enz.).
Deze gronden zijn niet alleen onvruchtbaar wegens te geringe hoeveelheid plantenvoedsel, vergel. bl. 2G5, maar ook wegens den ongunstigen natuurkundigen toestand. Het zand dei zeeduinen en der zandstuivingen heeft te weinig samenhang; de zandkorrels vormen geen kruimels; elke korrel staat op zich zelf (éénkorrelstructuur); daardoor loopt hot te veel ineen, zoodat de grond niet poreus, niet los blijft. Do afwisseling van temperatuur is bovendien te groot en aan de oppervlakte vooral droogt de grond te voel uit. De duinpannen vertoonen wel een meer weligen plantengroei, maar zij lijden aan gebrekkigen waterafvoer; daar heeft zich eene veen- of hnmuslaag opge-hoopt, die evenmin als liet zand de noodige vastheid bezit en bovendien meestal vochtig en daardoor koud is en zuur, zoodat er slechts enkele onkruiden willen groeien. Ook de andere zandgronden, ofschoon met heide en enkele andere planten begroeid en met eene min of meer dikke huinns-korst bedekt, missen do natuurkundige eigenschappen, die aan een goeden bouwgrond gesteld mogen worden: zij zijn nu eens te vochtig, dan te droog en hun ontbreekt, ook wanneer die hnmuslaag met het zand vermengd wordt, den noodigen samenhang en juiste poreusheid; die humus verbindt zich met met het zand gelijk men het noemt; daartoe moet een gedeelte ervan opgelost en rondom de zandkorrels gespoeld worden, waardoor deze meer aan elkander en aan de overige humusdeeltjes hechten. Onder het zand — ook in de duinpannen — komt niet zelden eene oerbank voor, waarop het water staan blijft en die de wortels belet in den grond te dringen.
Het ontginnen dezer gronden bepaalt zich in den regel tot het aanleggen van bosch. In do eerste plaats is dit het geval met do zandstuivingen. Men tracht deze daardoor eenigszins productief te maken niet alleen, maar ook het verstuiven van 't zand en den nadeeligen invloed daarvan op do aangrenzende gronden te voorkomen. De zeeduinen kunnen op gelijke wijze met bosch bezet
305
worden l). De grove Don (Pinus sylvestris) wordt de moest gescliikte boom geacht, om op deze sclirale gronden geteeld te worden.
Nadat do grond eenigszins vlak gemaakt is, worden do denneboompjes, meestal op eon nabijzijnd heideveld of beter op een behoorlijk aangelegd kweekbed uit zaad gekweekt, gepoot. Teneinde deze voor hot onderstniven te bewaren, is veelal eene bedekking van den grond met plaggen, rijs enz. en soms eene omheining met rijs noodzakelijk.
Ofschoon genoemde gronden zeer weinig plantenvoedsel bevatten, is dit toch blijkens de ondervinding bij hot ontginnen er van opgedaan, voldoende om genoemde boomsoort te voeden. Ook Berken willen op deze schrale gronden goed voort. In andere gevallen wordt het zand mot Helm (Arundo arenaria) beplant, om het zand meer stilstand te geven. Dit is inzonderheid het geval op de zeediiinen, waar de meer hevige zeewinden en vooral ook hazen en konijnen, welke de jonge denneplantjes afbijten, eigenaardige beletselen voor de bosclicultuur zijn.
De omstandigheid, waaronder een heideveld kan verkoeren, is zeer verschillend. Soms wordt eene laag veen onder de heidokorst aangetroffen, te dun om er turf van te steken; in andere gevallen komt onder de heidezode eene oerbank voor, die het water niet doorlaat. Nog in andere gevallen vindt men in den ondergrond leem- of mergellagen en loont hot do moeite deze naarboven te brengen. Ook eene te droge ligging kan eene oorzaak van onvruchtbaarheid en een beletsel zijn bij sommige ontginningen. Alvorens met het ontginnen te beginnen, is dus een onderzoek naar de geaarheid van den ondergrond van veel belang.
De bouwlaag der heidevelden is niet enkel onvruchtbaar wegens schraalheid van den bodem, maar daartoe werken nog verschillende andore omstandigheden mede. Vooreerst de voor do planten schadelijke zure humusstoffen, welke in die laag zijn opgehoopt. Die turfachtige heidehumus is van andere geaardheid dan de humusstoffen, die in een vruchtbaren bouwgrond worden aangetroffen en wordt minder gemakkelijk als deze ontleed, bl. 2B4.
Om zich van de massa plantaardige stoffen te ontdoen, wordt do grond soms gebrand; beter is het ze met kalk te vermengen. Reeds in den len druk (1877) zeiden wij: „Naar hot ons voorkomt, heeft men op het stikstofgehalte dezer organische stoffen te weinig de aandacht gevestigd en daar dit, gelijk wij Meronder bij het ontginnen van veengronden zullen aangeven, waarschijnlijk niet onbelangrijk is, meenen wij het branden van den heidegrond, waarbij de stikstof ontwijkt, slechts dan aan te mogen raden, wanneer hij met nietswaardig kreupelhout en grove heidestruiken bezet is.quot; Latere onderzoekingen hebben deze meening geheel bevestigd 2). Het branden dor heide is inderdaad roofbouw; het stikstofgehalte der heide bedraagt 1 0/0 en dat der heidehumus mag op 0.5 a 0.8% gesteld worden, en deze gaat natuurlijk bij hot branden verloren. Vermenging van den humus met kalk werd reeds door Sprengel en ook door ons aanbevolen om de vertering te bevorderen en de schadelijke eigenschappen van den heidehumus weg te nemen. De kalk der gasfabrieken
') Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij, 1895.
2) Zie o. a. Dr. A. Sal fold, De ontginning der Nederlandsche heiden, bl. 1%. BiciNUKRS, I. Vierde druk. '20
30G
is hiertoe ook bruikbaar1). Do knik vormt mot do humuszuron Immnszuro kalk enz., welke térbinding ook om zijn absorbeerend vermogen, bl. 278, een nuttig bestanddeel van eiken bouwgrond vormt. De stikstof ontwijkt daarbij niet, maar vormt langzamerhand met de kalk en do zuurstof des dampkrings salpeterzure kalk. Eensdeels verkrijgt de grond daardoor dus geschikt planten-voedsel, en in 't algemeen wordt zijn scheikundige toestand er door verbeterd. Do humusstoffen krijgen onder den invloed van do kalk eene andere geaardheid. Zij worden, gelijk men 't noemt, meer mild. En door ze door ploegen en eggen met het onder de heidekorst voorkomende zand te vermengen en voor eene goede afwatering te zorgen, wordt de natuurkundige toestand van den grond veel verbeterd.
Een nadeeligen invloed op de cultuur dezer gronden kunnen voorts de zandoerbanken uitoefenen, die hot water niet doorlatende, licht aanleiding geven tot het ontstaan van schadelijke stoffen. Door den grond te riolen, dat is twee of meer spitten diep om te graven of door hot zoogenaamde spit-ploegen, dat is de door den ploeg gemaakte voor om te spitten, of met een grondwoelder tracht men die banken tc verbreken. Tegenwoordig worden de ploegen voor diepe grondbewerking daartoe gebruikt en bij het ontginnen in hot groot bewijst ook de stoomploeg daarvoor uitstekende diensten. Zie de ploegen van Eckert, Sack, Balsac enz. hierachter. Bij hot riolen is hot dan van belang, dat men op de geaardheid van den ondergrond acht geeft, zoodat die lagen, welke meer leemachtig zijn, naar boven worden gebracht en met den humushoudenden bovengrond vermengd. Ook liet boven brengen van do oerbanken geeft goede resultaten. Daar deze banken niet, zooals men vroeger meende uit door ijzerroest aaneengeheclite zandkorrels bestaan, maar meestal uit zand, dat door humusstoffen en hmnaten en silicaten tot eene vaste massa aaneengehecht is, vallen zij bij blootstelling aan de lucht spoedig uiteen. Zij bevatten bovendien meestal meer phosphorzuur en kali dan de bovengrond en vooral meer dan het tusschen beide gelogen grijze zand, dat liet schraalst is, bl. 284 -). Behalve het vermengen van de ongelijksoortige bestanddeelen is ook effenen der oppervlakte meestal gewonscht. Van do hoogten spoelen toch door do regens bestanddeelen van de bouwlaag naar do laagten, waardoor deze ten koste van de hoogten bevoordeeld worden en de grond niet van gelijke vruchtbaarheid blijft. Ligt eene oerbank te diep, dan is het beter den bodem oj) singels te leggen, dat is van afstand tot afstand diepe greppels te graven en de grond daaruit op de tusschen gelegen strooken te verspreiden. Een hinderpaal voor het regelmatig bewerken van de grint-zandgronden zijn voorts de hierin voorkomende keiön, maar hunne waarde vergoedt in vele gevallen ruimschoots de kosten van dolven.
Eene grintlaag kort onder de oppervlakte is ook nadeelig, omdat zij het verband tusschen bouwlaag en ondergrond verbreekt en de dunne bouwlaag in dit geval spoedig uitdroogt.
') Zie de proeven van H. Risselade in mijne verhandeling over liet gebruik van cle hijproducten eener gasfabriek ter bemesting van houw- en weiland.
5) Zie verder: De samenstelling en het ontstaan van de zoogenaamde oerbanken in cle Nederlandsche heidevelden, uitgegeven door do IC. A. v. W. en Tijdschrift der Kederlandsclie heidemaatschappij, le jaargang. Zie ook bl. 283.
307
Bovenstaande bewerkingen liebben lioofdzakelijk ton dool don natuurkundigen toestand van den grond te verbeteren. Ook zijn scheikundige toestand is er door veranderd in zoover de schadelijke stoffen weggenomen zijn en nu eenig geschikt planten voedsel aanwezig is. Maar mogo een aldus toebereide grond voor boschteelt uitstekend geschikt zijn, om er geschikt bouwland van te maken is het aanvoeren van mest en in don regel veel mest een noodzakelijk vereischte. Tot nog toe werd daartoe veelal die van schapen, op de naburige heiden of die van runderen op de nabijzijnde graslanden gevoed, het, meest gebruikt. Ook de menschelijke uitwerpselen, vooral belangrijk wegens hun phosphorzuurgehalte, alsmede hout- en turfasch on stratendrok wegens de potasch, voldoen daarvoor uitstekend. In latere jaren zijn ook kunstmesstoffen hier met succes beproefd, vooral kaïniet en het Thomasphosphaatmoel, in verband met eene gepaste vruchtwisseling en de teelt van lupinen en andere peulvruchten voor zoogenaamde groenbemesting. Op een en ander komen wij bij de bemesting terug.
Ofschoon dus op deze wijze van de heidevelden geschikt bouwland gemaakt kan worden, blijft de vraag natuurlijk altijd over, of die ontginning rendeeren zal. En aangezien zulks van verschillende omstandigheden afhankelijk en het resultaat min of meer wisselvallig isl), bepaalt men zich bij het ontginnen in don regel tot het aanleggen van bosch.
Do eenvoudigste wijze is dan hot heideveld door het graven van greppels op een afstand van 4 a 5 meter droog te leggen, do eerste steek aarde uit dio greppels op de aldus verkregen bedden te verspreiden, dennenzaad of' eikels te zaaien en het zaad mot do aarde eener tweede steek te bedekken. Op nog eenvoudiger wijze geschiedt dit door het zaad over het heideveld to zaaien en dan te bedekken met zand, dat verkregen wordt door b.v. op oen afstand van G meter een putje van 1/2 meter diepte te graven.
quot;Wil men echter althans goed opgaand hout verkrijgen, dan is het bovengenoemde diepe bewerken van den grond, tot één meter en moor toe, veelal noodig, daar do veelvuldig voorkomende oerbanken een belangrijke hinderpaal zijn voor do wortels der boomen en deze zich bij opgaand hout natuurlijk sterker moeten kunnen ontwikkelen. Daarbij kan van do later te beschrijven diepploegen van Eckert of Sack, als Fig. 78 doet zion, of van don stoomploeg gebruik worden gemaakt, 't Is ook hier beter het plantsoen op een afzonderlijk-bed te kweeken.
Welke boomen Mor aangeplant kunnen of moeten worden, hangt grooten-deels af van de geaardheid van den grond. Is deze schraal, dat is weinig
!) Salfeld, t. a. pl. bl. 99, zegt, ilat het bouwland slechts dau vergroot, dat is van de woeste heidevlakten bouwland gemaakt mag worden, indien: i. De grond eene vochtige ligging heeft of door een zeker leem- of veengehalte sterker waterhoudend is. 2. Natte grond door greppels of draineerbuizen voldoende kan worden ontwaterd. 3. De grondstukken, waarvan sprake is, niet te ver van de hofstede verwijderd zijn. 4. Men in staat is de nieuwe landerijen rijkelijk te bemesten, zonder aan de oude te kort te doen.
In de laatste jaren zijn door particulieren en corporation, vooral met het oog op werkverschaffing, eenige ontginningen ondernomen, maar over de finantieele uitkomsten daarvan kan nog niet geoordeeld worden. Thans heeft ook de Staat eenige honderden hectaren heidegrond en zandstuivingen aangekocht om ze te ontginnen.
20*
308
leem- ef raergelachtig, dan worden in den regel Berken en grove Dennen (Pums sylvestris), in ilo iiuitwto jaren ook enkele andere deniieiisoorten en do Larix {Pinus Larix) gepoot; oj) iets beteren grond Eiken, vooral voor hakhout, en is de grond van nog betere qnaliteit, dan worden ook wel Beuken enz. aangeplant.
Ton slotte merken wij nog op, dat boschaanpjanting op do heidevelden
tegenwoordig eene goede rente verzekert van het daarin gestoken kapitaal niet alleen, maar ook een gnnstigen invloed op liet klimaat en daardoor op de aangrenzende bouwlanden uitoefent, zie daarover bl. 94 en Salfeld t. a. p. bl. 1131).
2. Het veranderen van bosch in bouw- of weiland. Een heideveld, dat eenige jaren als bosch gelegen heeft, of in 't algemeen een op het diluvium voorkomend bosch geeft, na het uitrooien der boomen, beter bouwland dan de kale heide. De humnslaag is door de afgevallene bladeren, naalden , takken enz. aanzienlijk vermeerderd, wanneer tenminste liet afgevallene loof niet weggeharkt en als strooisel in de stallen gebruikt wordt. De boomwortels, in alle richtingen den grond doorkruisende, hebben eene zekere som zouten of aschbestanddeelen uit den grond opgenomen, die weliswaar voor een deel in het hout van het veld worden weggevoerd, maar voor het grootste gedeelte in de afgevallen bladeren enz. zijn opgehoopt en bij het langzamerhand verteren van den humus in den gemaaktcn bouwgrond voor de nu te telen bouwplanten ten goede komen. Do natuurkundige toestand is door de grootere hoeveelheid humus enz. verbeterd.
De werkzaamheden bij het ontginnen van boschgrond tot bouwland, bestaan
') Den belangstellenden lezer zij verder aanbevolen; G. E. 11. Tntcin Nolttie-nius, Handleiding foor het nan lend en en behandelen van ijrove- dennenbosschen.
309
hoofdzakelijk in het uitroeien der boomen en zooveel mogelijk van de grootste worteltiikkon, welke laatste hij het later bewerken, zoo zij in den grond blijven zitten, een belangrijke hinderpaal kunnen zijn. Hondt men na het verwijderen van het hout, veel ruigte op hot land over, dan ontdoet men zich hiervan 't gemakkelijkst, door die aan hoopen te zetten en na droging te verbranden. Bij vochtige ligging is, behalve goede zorg voor afwatering, eene vermenging met kalk wellicht wenschelijk om de zure eigenschappen van den humus weg te nemen. De belangrijkste ontginning dor laatste jaren van bosch tot bouwland is die van het op bl. 50 vermelde Beekbergerwoud op de Vel uwe. De nadeelige eigenschappen van den boschhumus zijn aldaar in de eerste bouwjaren ten duidelijkste aan het licht gekomen i).
3. Ontginning van veengronden. Tusschen veen- en heidegronden bestaan allerlei overgangen. Er zijn veengronden, waarvan de laag veen slechts eenige decimeters dik is, heidevelden met een dun laagje humus, maar ook andere met eene laag van eenige decimeters. Laatstgenoemde vormen dus den overgang tot do veengronden. Van de hooge venen, die althans ton deele ook met heide begroeid zijn, hebben we vroeger onderscheiden de lage-en moerasvenen, die meestal door eene andere flora, namelijk van Rietgrassen, eigenlijke Grassen enz. gekenmerkt zijn. De beide laatstgenoemde grondsoorten zijn veelal slechts weinig boven het omringende water verheven: zij hebben zelfs voor groenland, waartoe zij meestal gebruikt en door bemesting en afwatering meer geschikt gemaakt zijn, veelal eene te vochtige ligging. Waarschijnlijk kan op deze venen, na betere drooglegging, de hieronder te vermelden dam-ontginning worden toegepast. Eene nog andere soort van veengrond vormen de zoogenaamde broeken, zie bl. 12, duinpannen enz. die echter behalve uit veen, uit leem, zand enz. kunnen bestaan. Gebrek aan een' geregelden afvoer van water is meestal de eerste oorzaak van onvruchtbaarheid dezer gronden, een betere afvoer dus een eerste middel tot herstel. Veel van hetgeen hieronder over de ontginning van veengronden en over verbetering van kleigronden gezegd zal worden of liierboven over het ontginnen van zandgronden gezegd is, zal ook hier, al naar de geaardheid van den grond, toepasselijk zijn. Bij aanleg tot bosch worden de broekgronden en het laag- of moeras veen meestal met Elzen of Wilgen bepoot. Wij bepalen ons hier tot hot ontginnen van hoogveen.
a. liet veenbranden. Deze is de eenvoudigste methode om van hoogveen bouwland te maken. Men begint don grond door het graven van slooten en greppels droog te leggen. Op welke wijze zulks geschiedt hangt van de min of meer vochtige ligging en de gelegenheid tot afvoer van 't water af. Gewoonlijk wordt eene hoofdsloot of raai gegraven en loodrecht hierop dwarsslooten of zijraaien van mindere diepte. Door kleinere greppels wordt het veld voorts in akkers van 3 a 7 meter breedte verdeeld. De heidekorst wordt daarna (wanneer hij tenminste behoorlijk droog geworden is, anders laat men het veen nog een jaar stil liggen) mot don veenhouw in den herfst tot eene diepte van 1.5 d.M. afgehakt of los geploegd om hem 's winters door te laten vriezen. Soms is nog eene verdere verdeeling door handgereedschap, een houw of hak, of door eggen noodzakelijk.
') Bijblad van dc Landbouw-couranl, 1874.
BIO
Is het los gemaakte veen in den voorzomer, Mei of Juni, droog geworden, dan neemt liet veenbranden een aanvang. Een ijzeren pot, in den vorm van een afgeknotten kegel, die van boven open, op zijde getralied en in den platten bodem van ronde gaten, ter grootte van oen gulden, voorzien is, wordt met vuur en droog veen gevuld. Een arbeider gaat met dezen vuurpot, aan een' steel bevestigd, tegen den wind in over een' akker, terwijl een tweede arbeider het door de openingen vallende vuur met een' ijzeren schop daarover verspreidt. ISTa het branden wordt de verkregen ascli zooveel mogelijk verdeeld en het land daarna met Boekweit bezaaid. Dit branden en boekweit-telen wordt eenige (-i—S) jaren herhaald, waarna hot land uitgeput is en weder een tiental jaren, soms ook 20 a 30 jaar, woest moet blijven liggen om op nieuw met eene heidekorst begroeid te zijn, waarna weder gebrand en geboekweit kan worden.
Het veenbranden heeft hoofdzakelijk plaats op die hooge venen, wier veenlaag slechts weinig, b.v. 0.5 a 1 meter dikte heeft. Eene dikkere veenlaag wordt ook wel gebrand, maar zoo immer mogelijk later afgeturfd en do daaronder liggende zandgrond, vermengd met hot niet voor verturving geschikte veen, tot bouwland gemaakt of do dalgrond tot bosch aangelegd, gelijk o. a. in de omstreken van Hoogeveen veelvuldig geschiedt. Kan of wil men geen mest aanvoeren en geen bosch aaiüeggen, dan wordt ook na het afturven wel een gedeelte van de veenmassa verbrand en in den aldns toebereiden grond, op gelijke wijze als hierboven is aangegeven, boekweit geteeld. Hot branden heeft ook hier, evenals in de hierboven vermelde gevallen ton dool, om in den vorm van asch eenig plantcnvoedsel aan den grond te geven en voorts zijn natuur- en scheikundigen toestand te verbeteren.
Het veenbranden is een voorbeeld van zeer extensieve cultuur; de onkosten daarop vallende zijn gering, maar ook do opbrengst, als die over eenige jaren omgeslagen wordt, is niet groot (10 of hoogstens 20 HL. boekweit). Voortdurende en goede opbrengsten zijn op deze wijze niet van den grond te bekomen; van oen eigenlijk ontginnen kan ook nauwelijks sprake zijn, omdat de veengronden, na eenige jaren gebrand te zijn, weder woest moeten blijven liggen. Bij het kadaster worden zij dan ook niet als zoodanig beschouwd. Zal de vruchtbaarheid van den grond grooter en meer voortdurend verhoogd worden, dan moet noodzakelijk mest aangevoerd worden. Ook laat de natuurkundige toestand van den gebranden veengrond nog veel te wenschen over. Hij geeft aan de planten weinig vastheid (vergelijk bl. 248), daar hij bij vochtigheid uitzet en bij droogte aanmerkelijk inkrimpt. Do donkere losse grond straalt des nachts veel warmte uit en nachtvorsten komen er veelvuldig op voor. Ook laat do vochtigheidstoestand niet zelden te wenschen over.
Het veenbranden is bovendien, als hierboven, bl. 305, gezegd, roofbouw van de ergste soort, waaraan hoe eerder hoe beter een einde moest gemaakt worden. Daarvoor is des te meer reden, omdat men in de laatste jaren, door bemiddeling van liet proefstation te Bremen, eene ontginningsmethode heeft leeren kennen, die veel betere uitkomsten geeft en waarbij het veen tot blijvend bouw- of weiland wordt gemaakt. Deze is
h. Da bekallciii!jsmetliode. Men begint ook hierbij door hot graven van greppels hot veen droger te leggen. De kleinere greppels zijn GO c.M. diep
311
en 10 meter van elkaar; liet veen voor grasland bestemd wordt minder drooggelegd. Daarop maakt men de bovenste laag los en vermengt die in hot eerste jaar of do eerste twee jaren met 3 a 4000 KG. bijtende kalk por HA. Behalve de vroeger vermelde voordooien der bekalking op veen (humus) kunnen hier nog genoemd worden: do betere werking der later aangewende meststoffen en hot tegengaan van 't opvriezen cn den daardoor veroorzaakten dood der winterrogge. Als mest worden gebruikt; stalmest, straatvuil en faocaliön, of als deze niet te krijgen of te duur zijn, kunstmest, vooral kaïniet en ïhomas-phosphaat.
Do vruchtopvolging cn bemesting zijn: 10 Aardappelen, in den eersten tijd met kunstmest, later met stalmest; 20 Haver en hierin klaver en gras mot kunstmest en 4000 KG. torpaarde por HA.; 30 Klaver en gras mot kunstmest; 40 Idem tot St. Jan, dan zomerbraak; 50 Kogge met kunstmest; GO Paardeboonen op rijen met kunstmest en 4000 KG. torpaarde; 70 Rogge met kunstmest; 80 Aardappelen mot kunstmest, later stalmest, of Peulvruchten met kunstmest en 2000 KG. torpaarde, als ontaarde voor do peulvruchten; 90 Rogge met kunstmest.
De opbrengsten zijn op hoogveen van goede hoedanigheid, dat herhaaldelijk door branden uitgeput was, in do eerste jaren na de bewerking; 2356 KG. rogge, 2450 KG. haver, 1830 KG. paardeboonen, 22400 KG. aardappelen, 4720 KG. klaver-grashooi, en de kosten der bemesting voor rogge en haver /■ 61.50, voor paardeboonen /quot;33.20, voor aardappelen /quot;75.70, voor klavergras /quot;51.
Tegenwoordig wordt, op aanwijzing 'van het proefstation voor veencultuur te Bremen, in plaats van kalk veelal mergel gebruikt, en deze met een daarvoor dienenden ploeg ook met do grondlaag onder de bouwvoor tot 5 d.M. diepte vermengd. Veel gebruik wordt voorts gemaakt van groenbemesting, vooral met blauwe Lupinen en daarbij de eerste keer ontaarde gestrooid, dat is grond waarop blauwe Lupinen verbouwd zijn. Op do uitgestrekte proefveldon , van wege bovengenoemd station op hoogveen aangelegd, wordt getracht deze ontginnings-methode tot meer volkomenheid to brengen, zoowel voor do teelt van granen en aardappels, als voor die van voedergewassen on blijvend grasland of kunstwoidon. Daarbij wordt tevens onderzoek gedaan omtrent do doeltreffendste diepte van het grondwater, mot andore woorden de doeltreffendste drooglegging van het veen.
c. De ontginning van afgegraven hoogveen. Do vorenstaande ontginnings-mothoden worden toegepast op plaatsen, waar geen kanalen zijn voor den afvoer van turf en aanvoer van mest. AVaar doze bestaan on regelmatig in hot veen op verlengd knnnon worden, past men de methode too, die in de Groningsche en Drontsche Yeenkoloniën is en nog wordt gevolgd. Do gegraven kanalen voor den afvoer van turf zijn hier tevens bestemd om hot water af te leiden on mest aan to voeren. Nog steeds wordt hiermede voortgegaan. Het hoofdkanaal is in hot veen opgegraven en wordt naar behoefte, dat is naarmate er turf gegraven wordt, veilengd. To Veendam, quot;Wildorvank en Stadskanaal heeft men tweo paralolle hoofdkanalen, te Oude- en Kieuwc-Pokela, Borgercompagnie, Zuidwending, Kiel cn Kalk wijk slechts één hoofdkanaal. De woningen zijn langs de hoofdkanalen gelegen on do ruimte tusschen
312
do twee pa ral olio, niot vcr van olliaar verwijderde hoofdkanalen, devooraffen, veelal tninen aangelegd, Fig. 70. Aan weerszijden van oen hoofdkanaal vindt men een' weg, waarvan een hai'd gemaakt. Eechthoekig op oen hoofdkanaal graaft men zijkanalon „wijkenquot; of ^inwijkenquot;, 2 meter diep on G—10 meter breed, op oen ondorlingon afstand van ongeveer 1G4 meter. Deze inrichting maakt een groot aantal kleine bruggen, „battenquot;, over de wijken, voor hot verkeer langs don weg voorbij de landbonwerswoningen en, om op don harden weg te komen, hier en daar een brug of draai over het hoofddiep noodig. Daarom graaft men tegenwoordig in de nieuwe venen te Stadskanaal evenals vroeger te
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Fig. 70. Schematische voorstelling van eene veenkolonie volgens het tweekanalen-stelsel: AA en A'A', evenwijdige hoofddiepen, door één of meer dvvarsdiepen lgt; verbonden, met wijken lgt;b en !gt;'h'; NP, noorderplaatsen: ZP, zuidorplaatsen; cc, zwetslooteu tusschen de plaatsen; s-s scheisloot tusschen NP en XP; nn, noordervoor-all'en; zz, zuidervoorall'en; rr en r'r', rijwegen over de vooralïen met dwarslanen e en draaien dd' over liet dwarsdiep; vr en v'v', breede voetpaden met batten ff en ff over de wijken; hh en h'h', hoofddraaien over AA en A'A', voor verbinding van vu met en v'v' met r'r', meestal vermeerderd met eigen draaien; boerenplaatsen langs vv en v'v'; woningen met tninen voor neringdoenden langs rr en y.'r' op de vooiaffen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Hoogezand en Sappemeer, een achterdiep, dat op enkele plaatsen mot het hoofdkanaal in verbinding wordt gebracht, en laat hierin de wijken uitmonden. Het zand uit de wijken laat men voorloopig op de kanten liggen en regelt den waterstand door sluizen zoodanig, dat de oppervlakte van het water in deze wijken ongeveer 0.3 meter beneden het vaste zand, waarop het hoogveen rust, komt. Is nu het veen eener strook vertui fd, dan wordt deze door eene zwetsloot (de grond tusschen twee wijken wordt voor twee plaatsen of boerderijen aangelegd) in tweeën en verder door dwarslooten in stukken van ongeveer 1 hectare verdeeld, de daarop overgebleven veenmassa (do bonkaarde, zie bi. 9) over het land verspreid, heide en andere struiken uitgeroeid, enkele zand-hoogten af- en uitgegraven en met veen gevuld, de grond derhalve zooveel mogelijk gelijk en zijn oppervlakte zooveel mogelijk effen gemaakt. Daarna
313
wordt het zand der wijken er overgevoerd. De hoeveelheid hiervan bedraagt voor ieder heet. ongeveer 1000 M3, zoodat het veld met 1 d.M. zand kan worden bedekt. Tegenwoordig wordt iets meer genomen en wel zooveel dat de met kruiwagens over het land gebrachte hoopjes elkander raken („stort aan stortquot;). Door ploegen, gewoonlijk driemaal, met eenige tusschenpoos en eggen wordt het veen met het zand vermengd en vervolgens bemest. Als meststof voldoet hier, blijkens de ondervinding, vooral de stratendrek, die sedert jaren te Groningen en in lateren tijd ook in verscheidene andere steden verzameld en hier vooral gebruikt wordt; in de laatste jaren ook wel kunstmest. Bij de bemesting komen wij hierop terug. In het eerste jaar wordt Kogge gezaaid en hierin Klaver, waarna het eenige jaren groen blijft liggen; of men teelt het tweede jaar Erwten, daarna weder Kogge en hierin Klaver, of ook worden wel het eerste jaar, na eene zwakkere bemesting. Aardappels geteeld en daarna Kogge en witte Klaver of Erwten. Do klaver wordt dan één jaar geweid en in het vierde jaar wordt hot land weder met Aardappels betoeld.
Dat deze wijze van ontginnen het veen uitstekend vruchtbaar moot maken, laat zich zeer goed verklaren. Door de talrijke kanalen en slooten wordt het land goed drooggelegd; door hot vermengen van het zand met het veen en vooral ook door het bijvoegen van stratendrek, dat humuszure verbindingen bevat of met het veen vormt, is de natuurkundige en niet minder de schoi-knndige toestand geheel veranderd. Want stikstofhoudende stoffen, phosphor-zuur, potasch, kalk enz. zijn daarmede aangevoerd — hoeveel zal later worden vermeld — dus plantenvoedsel is in genoegzame hoeveelheid aanwezig. En de in den stratendrek aanwezige kalk hooft aan hot veen zijne zure eigenschappen ontnomen, om humuszure kalk te vormen, die, gelijk wij weten, ook om zijn absorbeerend vermogen een zeer nuttig bestanddeel van een' bouwgrond vormt.
Met onbelangrijk verschillend van bovenstaande methode is die dor Gro-ningsche veenbouwten, bl. 8. Niet overal in do Groninger hoogevenen, o. a. langs den ouden Dollard, heeft men namelijk evenveel werk gemaakt van het aanloggen van kanalen. Er worden b.v., evenals bij hot veenbranden, slechts hoofd- en zijslooten gegraven. Daardoor was men in den afvoer van turf beperkt en bepaalde die zich hoofdzakelijk tot eigen gebruik. Hier is op vele plaatsen nog veen, en jaarlijks wordt eeno kleine strook daarvan tot turf vergraven, maar inmiddels heeft men hot veen evenals den langzamerhand verkregen dalgrond tot bouwgrond ontgonnnon. Doze methode hoeft tot gevolg dat de bodem minder gelijk en meer oneffen wordt als bij do gewone afgravingsmethode. Ook voor aanvoer van stratendrek is hier minder gelegenheid en hooft men zich meest tot eigen gemaakton mest, dong of stalmest, moeten bepalen.
d. l)c damontginninfi of veendam-cidluur. Deze methode is uitgedacht of althans hot eerst in praktijk gebracht door Kimpau, bezitter van hot Kittergut Cunrau, Drömling, Altmarck, pruissische provincie Saksen. Zij is vooral toepasselijk op moorasvenen, met slechts eene dikte van 0.5 a 1 meter veen; ook schijnt zij met goed gevolg toegepast te kunnen worden op venen, reeds op de wijze der veenkoloniën ontgonnen en in cultuur gebracht. Zij verschilt vooral van de hierboven vermelde ontginningsmethodo, doordat het opgebrachte zand niet met het veen wordt vermengd. Bij de bemesting wordt rekening
gehouden met het groote stikstofgehalte van het veen, dat hier niet verturfd wordt. IIooMzalveiijk wordt sleclits met kunstmest (mot phosphaten voor het phospliorzimr en kalizouten voor do i)otasch) gemest.
In hoofdzaak komt deze methode hierop neer. Langs een hoofdkanaal, dat evenals in onze koloniën het veen doorsnijdt, wordt oen weg aangelegd. Fig. SO b. Rechthoekig hierop worden op een onderlingen afstand van 25 a 30 meter slooten gegraven, van hoven ongeveer 3 a 5 meter breed en van eeno diepte, die afhangt van de dikte der veenlaag en toereikend is om zooveel zand onder liet veen weg te krijgen, dat de tusschen do slooten overblijvende strooken (dammen), van 20 tot 25 meter breedte, mot eene laag zand van
Fig. 80 a.
Fig. 80 a doorsnede, Fig. 80 b plattegrond van oen ontgonnen vcendam. Do stippellijnen duiden de drains aan, waardoor de slooten, onder den weg door, met het afwateringskanaal in verbinding staan.
ongeveer 1,1 d.M. bedekt kunnen worden. Eerst wordt liet veen uit deze slooten over het veen der dammen gevoerd en deze vervolgens bozand. Ter besparing van kosten brengt men het uitgegraven veen soms in de slooten terug en gebruikt deze tot grasland, terwijl do kanten met Wilgen en vracht-boomon worden beplant, maar dit schijnt minder te voldoen.
Aan den kant der slooten wordt eene strook van 0.5 meter onbedekt met zand gelaten. Fig. SO a. Zit hot zand to diep en is in de nabijheid onbedekt zand aanwezig, zoo wordt dit ook wel hiervan over de dammen gevoerd. Het zand mag geen of slechts weinig pyriet (zwavelijzcr) bevatten, dat zeer nadeelig werkt, bl. 285. Do slooten monden niet onmiddellijk in hot afwateringskanaal uit. maar staan door draineerbuizen van 15 a 20 c.lt. wijdte.
315
onder don weg door, mot het kanaal in verbinding. Bij lange dammen — de gemiddelde lengte is 1000 motor — laat men in do slooten ook ■u ol dammen van 1 meter voor voetgangers en van 3 a 4 meter voor wagens zitten.
liet ontginnen is in de veonstreek DrömJing reeds sedert lang bekend. Vroeger werd het veen gebrand. Later werd do methode onzer koloniën gevolgd, dat is hot zand innig met liet veen vermengd. Daarbij ondervond men echter, dat hot zand spoedig in het veen wegzakte; do bodem verloor daardoor de noodige vastheid om er op te kunnen gaan en na eenige jaren moest eene nieuwe hoeveelheid zand er op gebracht worden. Daardoor kwam Eimpau op het donkbeeld het veen alleen met eene laag zand van gemelde dikte te bedekken. Alleen dit bovenste laagje wordt door hem bemest en bewerkt; hij vermijdt zorgvuldig, door dieper te ploegen, veen naarboven te brengen. Het bearbeiden van den grond is dus zeer eenvoudig en weinig kostbaar. Tusschen het veen en de zandlaag vormt zich een dichter laagje, dat van tijd tot tijd mot een ondergrondsploegje gebroken wordt, liet veen blijft onder het zandlaagje matig vochtig en bezit eene weinig afwisselende temperatuur. Do wortels dor planten dringen spoedig en diep in het veen door.
De bemesting is zeer rationeel. Volgens gedane analysen bevat het veen te Cunrau vrij wat plantenvoedsel, maar inzonderheid veel stikstof l); zoodat do laatstgenoemde stof niet of slechts in geringe hoeveelheid aangevoerd behoeft te worden. Stalmest voldoet minder goed, maar wel superphosphaat en kali-zouten, tegenwoordig ook de goedkoopere phosphaten en kaïniet, waarin de vooral ontbrekende stoffen phosphorzuur en kali worden aangevoerd. Door de vochtige ligging enz. bevindt zich de stikstof in het veen in niet opneembare verbindingen. quot;Wordt echter, na liet droogleggen, aan do lucht toegang tot het
proc. stikstof).
') Hot Dromlinger veen bevat; Organische stof .... 88.8 pet. (mot
Asch........11.2 „
100.0 „
Het overgohraehte zand bestaat uit:
Fijn zand......20.51 pet.
|
Van 100 deelen fijn zand wordt door koud zoutzuur opgelost. 0.02 0.01 0.10 0.10 0 40 0.04 0.04 0.03 en 1.36 organische stof en sterk cebouden water. |
31G
veen verleend, dan wordt dit ontleed en onder den invloed der toegevoegde zouten langzamerlumd salpeter gevormd. Door oene opzettelijke analye heeft men zieli van die salpetervormmg overtuigd. In liet eerst is do beschikbare hoeveelheid stikstof echter niet groot; dan moet met stalmest of mot Chilisal-peter bemest worden. Later is dit minder noodig, zoodat eene bemesting met phosphaten en kalizouten in hoofdzaak voldoende is en de verkregen stalmest ter bemesting van do tot de boerderij behoorende zandgronden gebruikt kan worden.
Do vruchten, die verbouwd worden, zijn velerlei, maar inzonderheid en in deze volgorde: Haver, Erwten, Koolzaad, (of Win tergerst, Zomergerst, Eaygras enz.). Aardappels, Erwten (of Zomergraan). De opbrengsten zijn uitstekend, b.v. van Haver en Gerst 52 a 60 hectoliter per hectare en 4000 KG. stroo, van Erwten 32 hectoliter en 5000 KG. stroo, van Koolzaad 44 hectoliter. Ook in de Princcpeel, Noord-Brabant, waar deze ontginning is ingevoerd, waren do resultaten aanvankelijk gunstig, b.v. de opbrengst van Koolzaad 25, Tarwe 30, Kogge 35, Erwten 25 a 30, Haver 50 hectoliter, klaverhooi lste snede 5000 KG., 2de snede 4500 KG. van de hectare. Tegenwoordig schijnt men liier echter aan andere methoden de voorkeur te geven. quot;Waarschijnlijk kan deze methode hier te lande op meer venen b.v. op laag- of moerasveen, dat veelal meer kalk bevat dan hoogveen, toegepast worden. Ook onze venen bevatten vrij wat stikstof, blijkens eenige gedane analysen van de Leeuw l); de bonkaarde in do Groninger Veenkoloniën echter eene geringerequot; hoeveelheid dan het veen uit de Princepeel, dat nagenoeg evenveel bevat als het Cunrauer veen. Ook het asch- en vooral bet kalkgehalte van de Groninger bonkaarde is geringer. De kosten van den aanvoer van mest, die bij straten-drek aanzienlijk zijn, zijn bij gebruik van kunstmest veel geringer cn daarom zal de veen-dam-cultuur daar vooral van toepassing kunnen zijn, waar do goedkoopste middelen van vervoer (scheepvaart) ontbreken.
De regeling van den waterstand is bij al de ontginningen van veengronden, welke methode ook gevolgd wordt, van groot gewicht. Het veen moet worden drooggelegd, maar op zekere diepte, te regelen door don stand van 't water in de omringende slooten en kanalen, grondwater aanwezig zijn. Juist doordat het veen meer vocht houdt, gelukken ontginningen hierop veel zekeider dan op de zandgronden. Bij eene te droge ligging wordt daarom bij de damont-ginning wel water van elders aangevoerd, en zorgt men in de Veenkoloniën door schutsluizen enz. niet enkel voor de scheepvaart, maar ook voor de vruchtbaarheid van den grond, doordat het water niet beneden een zeker peil daalt.
C. ALGEMEENE VERBETERINGEN VAN REEDS ONTGONNEN BOUWGRONDEN.
Vele bouwgronden, ofschoon ontgonnen, kunnen door eene opzettelijke bewerking aanmerkelijk verbeterd en productiever gemaakt worden. Zulk eene verbetering is hot droogleggen, waarvan wij reeds melding gemaakt hebben. In andere gevallen is eene verkeeide ligging of het aanwezig zijn van niet doorlatende lagen een grooto hinderpaal tot het verkrijgen van de grootst
') M. C. de Leeuw, Over de ontginning van veengronden.
317
mogelijke opbrengst, het veranderen van die ligging en het wegnemen of verbreken van die lagen een eerste middel tot verbetering. Eene andere, hiermede niet zelden gepaard gaande, verbetering is het vermengen van een' goeden ondergrond met do bouwvoor (hot woelen). Ook het aanvoeren van rivier- of zeeslib on slataarde, ofschoon dit meer hot karakter van bemesting heeft, kan hiertoe gebracht worden. Verder behoort tot doze algemeone verbeteringen eene bewerking, die niet zelden in het buitenland op zware kleigronden toegepast wordt, namelijk liet branden. En daar, waar hot braken geschiedt om oen geheel met onkruiden vermengden grond hiervan te zuiveren, krijgt ook dit hot karakter eener algemeone verbetering.
Wat het veranderen dor ligging botroft, bedoelen wij hier niet het veranderen der omheiningen of der slooten om do afmetingen van een stuk land zoo doelmatig mogelijk te maken, — ofschoon ook dit eene aanmerkelijke verbetering kan zijn — maar het veranderen der oppervlakte, wat hoogten en laagten betreft. Eene zooveel mogelijk horizontale of althans vlakke ligging beschouwen wij als de doelmatigste, tenzij de grond het water niet doorlaat of niet gedraineerd is. Voorts achten wij liet wenschelijk, dat zoo immer mogelijk de grond van een stuk land dezelfde samenstelling heeft, althans even vruchtbaar is.
De voordeelen eoner vlakke ligging zijn niet onbelangrijk. quot;Wij hebben daarvan reeds vroeger melding gemaakt, bl. 295. Het vlak maken van een
oneffenen bodem geschiedt in den regel het doelmatigst door het graven van greppels door en in de richting der hoogere gedeelten en het vervoer van de Idernit verkregen aarde naar de laagten. Die aarde wordt dan, na gewoonlijk eenigen tijd aan de lucht blootgesteld te zijn geweest, door ploegen en eggen met de aldaar aanwezige bouwvoor vermengd, terwijl do greppels zoo mogelijk door aanploegen weder worden gedicht. Tot het vervoer der aarde worden in den regel kruikarren of wipkarren, door een paard getrokken, gebruikt. Het molbord of schreebred, eene door paarden getrokken en van onderen met ijzer beslagen groote houten schop, of als het Amerikaansche, Fig. 81, geheel van ijzer, dat veelal hiervoor aanbevolen wordt en vroeger ook veelvuldig, althans in de provincie Groningen, daa1 toe gebruikt werd, om de aarde een-
318
vondig van de hoogten naar do laagten te voeren, verdient die aanbeveling in velo opzichten niet. ISTiot alleen moeten daarmede toch vele schadelijke weerstanden (wrijving) overwonnen worden, maar veelal wordt ook de bouwlaag daarmede geheel of grootendeels van de hoogere gedeelten verwijderd, zoodat de zoogenaamde koudere, veelal in hot eerst onvruchtbare, ondergrond aan de oppervlakte komt. Door het graven van greppels kan hetzelfde dool bereikt worden en blijft op de hoogten meer van do bouwlaag achter, zoodat deze meer gelijkelijk met den ondergrond wordt vermengd.
Het graven van zulke greppels door het land met het doel om do hoogten te verwijderen of ook ondergrond met de bouw voor te vermengen, wordt iu de provincie Groningen gewoonlijk tcoelcn geheeten. Niet overal komt dit woord echter in dezelfde beteekenis voor, en niet overal wordt bet woelen op dezelfde wijze uitgevoerd. Op de zand- en veengronden (oude veenbouwten) in het Oldambt verstaat men daardoor het effenen en zooveel mogelijk overal gelijk maken van de bouwlaag en van den ondergrond. Strooksgewijze wordt dan de bouwlaag niet zelden geheel weggenomen en op zij gezet. Nadat nu de ondergrond dezer strook geeffend is, wordt do bouwlaag weder gelijkmatig hierover gevoerd. Op deze wijze wordt zoo noodig hot geheole stuk land bewerkt en getracht de hoogst gelegen plaatsen, waar de bouwlaag in den regel dunner is, te verbeteren door het toevoegen van teelgrond van de lagere gedeelten en te gelijk dezen op te beogen met den ondergrond van de hoogere doelen, met dien verstande, dat ook hier de bouwlaag aan de oppervlakte blijft.
Behalve dit effen en gelijk maken van de bouwlaag, heeft het woelen veelal ten doel om door vermenging met den ondergrond de bouwlaag te verbeteren; het woelen krijgt dan de beteekenis van hetgeen ook wel kleidelven genoemd wordt.
Dwars door het land worden dan, meestal zonder glooiing, gaten (woel-gaten) gegraven van 0.7 a 1 meter en meer wijdte en 0.7 a 2 meter en meer diepte. De bovenste steken worden aan de eene zijde gelegd en de klei, die over hot land gevoerd zal worden (bij voorkeur de zoogenaamde koolzure-kalkhoudende blauwe woelklei, bl. 19) aan de andere zij. In andere gevallen wordt ook de bovenste steek over het land gevoerd en houdt men alleen die lagen aan de eene zij, welke men zoo niet schadelijk, dan toch minder geschikt acht.
De afstand, waarop deze wroelgaten gegraven worden, verschilt van 25—50 en meer meter en daarvan is de wijze, waarop de woelaarde over het land wordt gebracht afhankelijk: bij geringen afstand met de spade, bij grooteren met kruiwagens of wipkarren. De minder vruchtbare aarde, aan de eene zij liggende, wordt in het woelgat teruggebracht zoodanig, dat de beste daarvan zooveel mogelijk boven komt, waarna men de greppels van ter zijde met spaden en door aanploegen vult en daarna met de terzij gelegde bouwlaag bedekt, tenzij deze tusschen de woelgaten regelmatig verspreid is.
Komt de voor de verbetering van de bouwlaag geschikte kleisoort niet overal daaronder voor, maar op aanzienlijke diepte op enkele plaatsen, dan wordt de klei niet woelsgewijze maar putsgewijze gegraven, dat is van do plekken, waar zij voorkomt tot op) eeno diepte van 10 meter en meer naar boven gebracht. De afstand, waarop zij in dit geval vervoerd moet worden,
319
is veelal gTOoter on dan geschiedt het vevvoer daarom meestal mot wagons. Op hot belang, don ovor liot land verspreiden woelgrond niet dadelijk onder to ploegen, maar eenigon tijd aan de oppervlakte to honden, is bl. 248 reeds gewezen.
Op hot woelen of kleidelven, nit hot oogpunt dor bemesting beschouwd, alsmede op hot aanvoeren van zee- en rivierslib en terpaarde en van mergel komen wij later bij de bemesting nog met een onkel woord terug l).
Het ontstaan van ondoordringbare lagen (banken en op de ondo kleigronden van Groningen en Friesland do knik- of kniplaag, bl. 19) onder do bouwlaag, moet in de eerste plaats worden toegeschreven aan de vochtige ligging; eene betere drooglegging is dan ook een eerste middel tot herstel. Gelijk wij vroeger reeds opgemerkt hebben, baat echter, wanneer die bank niet weggenomen wordt, het droogleggen (draineoren) weinig. Yergol. bl. 298.
Oio bank te verbreken of weg te ruimen is dus van het uiterste gewicht, inzonderheid voor kleigrond, maar in don regel niet zonder groote kosten on moeite nit te voeren. Het diep omspitten van den grond, gelijk dit bij het ontginnen tot bosch op de zandgronden gebruikelijk is, zie bl. 306, zon ook hier het beste middel zijn. Maar 't is dan de vraag, of de grootero te verwachten opbrengst de gemaakte onkosten vergoodt. Zit do bank minder diep, dan wordt niet zelden van den ondergrondsploeg (grondwoeler) gebruik gemaakt om of haar eenvoudig te verbreken, of te gelijk aan de oppervlakte te brengen (rajolen). In beide gevallen wordt getweevoord, dat is de bonwvoor afgeploegd en, in do gemaakte voor de bank gebroken of bij het rajolen over de botiwvoor heengevoerd.
Komt onder do kniklaag goede koolzure kalkhondende woelklei voor, dan is woolen (zie hierboven) het boste middel. De harde laag wordt dan wel niet overal verwijderd, maar toch de waterafvoer verbeterd en door de vermenging-van de woelklei mot de bovenlaag en zoo mogelijk door diepe bewerking met de knik wordt deze langzamerhand van andere geaardheid.
Van het brakenzal bij de periodische bewerkingen melding worden gemaakt.
Als eene algemeene verbetering beschouwen wij ook het branden van den grond, dat, wanneer het niet te sterk of te zwak geschiedt, meermalen vooral op de zware kleigronden in Engeland, uitstekende resultaten heeft gegeven. De kleideeltjes verliezen namelijk door hot branden min of meer hunnen samenhang (vormbaarheid); de grond wordt dientengevolge poreuzer; de dampkringslucht krijgt meer toegang, zoodat of niet zoo licht schadelijke verbindingen er in kunnen ontstaan öf de bestaande weggenomen worden. Ook hebben opzettelijk genomen proeven o. a. van Völcker bewezen, dat o. a. kali meer ojrtosbaar wordt gemaakt. Maar dan moet de klei koolzure kalk bevatten of deze stof vóór het branden er aan worden toegevoegd. Bij aanwezigheid van organische stoffen wordt ook het phosphorzunr meer oplosbaar gemaald; zijn geene plantaardige stoffen in den bodem aanwezig, dan werd gevonden, dat het phosphorzunr eerder onoplosbaarder werd. quot;Wellicht moet de gunstige
') Zie verder over het woelen; C. J. Geertsema, Beschrijving van den landbouw in de districten Oldambt, Westerwolde en Fivehjoo en P. Ileidema en E. Dijkema, Beschrijving van den landbouw in het district Hunsincjoo.
320
werking- van hot bramion ook hioraan quot;worden toegeschreven, dat de grond, na het branden, niet zoo sterk absorbeerend meer is, gelijk proeven van Eichhorn geleerd hebben; zoodat de voedingstoffen, die in don vorm van mest worden aangevoerd, niet in moeilijk oplosbare verbindingen overgaan, maar meer dadelijk voor de plant beschikbaar blijven.
De wijze waarop dit branden uitgevoerd wordt, is niet altijd dezelfde. Soms worden slechts de met veel ruigte bezette kanten van een veld afgegraven, do zoden in de zon tor droging gezet en daarna gebrand. In andere gevallen schilt men de geheele ruwe bovenste korst van hot veld af, droogt on brandt die. Het branden geschiedt meestal door de verkregen zodon tuin hoopen te zetten, zoo noodig met brandstof te vorniengen en daarna in brand te steken. In andere gevallen heeft men ook opzettelijk daarvoor ingerichte ovens gebonwd.
Naai- liet ons voorkomt zal liet branden van kleigronden hier te lande slechts in zeer enkele gevallen toegepast kunnen of behoeven te worden en blijft het do vraag, of men zich van dio ruigte niet beter zal kunnen ontdoen door de afgeploegde of afgegraven zoden aan hoopen te zetten en met kalk te vermengen, waardoor toch do grond oone dergelijke verandering als bij het branden ondergaat, gelijk hieronder bij hot bemesten met kalk vermeld zal worden. Zie ook bl. 3051).
2. TERIODISCHE BEWERKINGEN VAN DEN BOUWGROND.
Deze hebben vooral plaats met hot bouw- of akkerland. Als hiervan de oogst verwijderd is en het op nieuw bezaaid zal worden, zijn er toch steeds verschillende werkzaamheden noodig. Want in slechts zeer enkele gevallen zal in do stoppels of in 't algemeen op liet van eone vrucht ontbloote land direct op nieuw gezaaid of gepoot kunnen worden.
Hebben deze bewerkingen dus ten doel den grond geschikt te maken voor hot opnemen van 't zaad, dit te doen ontkiemen on het daaruit verkregen gewas te telen, dat is den grond voor eon en ander vruchtbaar te maken, daarmede gaan in vele gevallen nog verschillende andere doeleinden gepaard, als het vermengen van den eveneens ter vruchtbaarmaking dienenden mest met den grond, het vernietigen van onkruid en schadelijke dieren enz.
Ter vruchtbaarmaking van den grond tracht men door het bewerken zijne structuur te verbeteren, nieuwe gronddeelttjes aan de lucht bloot te stellen en in 't algemeen de bouwvoor los en zoo mogelijk gelijkmatig vruchtbaar te maken.
De bovenste gedeelten van den grond tocli zijn, nadat hierop een gewas verbouwd is, min of meer ineen geperst geworden, en zij zijn meer met de lucht in aanraking' geweest dan do daaronderliggonde doelen. Sommige van de voedende bestanddoelen zijn meer naar beneden gespoeld, andore meer in de bovenste lagen blijven hangen. Verder zijn alle gronddeeltjes öf niet of
•) liet „roppenquot; en branden van den grond was in de prov. Groningen vroeger vooral in bet Dunrswold in gebruik, zie .1. Hora Siccama, Verslag over hel rappen. Thans verbetert men deze gronden zoo mogelijk niet klei- en wierdegrond.
321
niet gelijkelijk met de wortels der planten in aanraking geweest. Uit een en ander volgt, dat do bodem niet overal dezelfde samenstelling meer kan hebben. Keert men hem derhalve tot op zekere diepte om en vermengt zooveel mogelijk de losgemaakte aarde, zoo bekomt althans het alzoo bewerkte deel, de bouw-voor, eene meer gelijke samenstelling. Om dezelfde reden tracht men door het bewerken den mest, de stoppels enz. niet alleen zoo goed mogelijk te doen verteren, maar ook met den grond te vermengen.
Aan de verbetering der structuur van den grond door het bewerken wordt wel eens te veel gewicht gehecht, zie bl. 244. Laat men de wortels dei-planten, die van den oogst in den grond zijn achtergebleven op hunne plaats, dan blijft hij in vele gevallen poreuzer dan wanneer hij herhaaldelijk geploegd en geëgd wordt. Die wortels verteren toch langzamerhand en daar, waar zij gezeten hebben, blijft eene holte over. Door het bewerken wordt do grond niet zelden te veel verkruimeld en wanneer hot vochtige jaargetijde aanbreekt, slibt hij niet zelden meer ineen dan wanneer hij niet bewerkt was geworden. Men zou dus kunnen vragen: wanneer geen onkruid te vernietigen, geen mest met den grond te vermengen, geene stoppels van do oppervlakte te verwijderen waren, zou dan het bewerken van den grond wel noodig zijn of juister zou zijne structuur niet beter blijven, wanneer hij niet bewerkt werd?
Daar intusschen liet bewerken om bovengenoemde reden veelal volstrekt noodig of althans nuttig en het ook wenschelijk is, om hem gelijkmatig vruchtbaar te maken, dat hij gekeerd en gewend worde, gelijk hierboven reeds nader werd uiteengezet, moet men trachten dit zoo te doen, dat die structuur zoo goed mogelijk blijft. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden, dat niet het losmaken zelf den grond in den gewenschten vruchtbaren toestand brengt, maar meer de inwerking van do dampkringslucht, ondersteund door de noodige hoeveelheid warmte en vochtigheid op den grond en de mest-bestanddeelen. De bewerking heeft daarbij slechts ten doel de dampkringslucht toegang tot den grond te verschaffen. De grond moot daarom niet poeder-vormig maar min of meer kluiterig gemaakt worden, zoodat met lucht gevulde holten er in over blijven. En die kluiten met do plantenwortels doortrokken en met mest vermengd, moeten, door de inwerking der lucht daarop, poreus worden en min of meer uiteenvallen.
A. VERNIETIGING VAN ONKKUIDEN. DE VOORNAAMSTE ONKRUIDEN.
Onkruiden zijn in het algemeen schadelijk, omdat zij, evenals de cultuurplanten , voedsel uit den grond opnemen, laatstgenoemde beschaduwen en daardoor soms geheel onderdrukken: in droge gronden vooral omdat zij evenals de cultuurplanten veel water doen verdampen en er dus voor dezen eerdei-gebrek zal komen, en ten slotte ook den oogst verontreinigen, inzonderheid het zaad of de vrucht, waaruit de onkruidzaden dikwijls moeilijk verwijderd kunnen worden. Sommige onkruiden en hunne zaden zijn ook schadelijk voor het vee.
Bij het vernietigen van de onkruiden door het bewerken dient op hunne voortplanting en ontwikkeling te worden gelet. Sommige onkruiden planten zich alleen door zaad voort; Zaadonkruiden, één- of tweejarige planten.
RElNDERS, I. Vierde druk. '21
Van deze komen op bouwgrond i) vooral voor;
Kroon of Akkerboterbloem., Banunculun arvensis, op klei- en zavelgrond. Klaproos, Koornroos, Wilde henl of Kankerbloem, Papaper Rhocas, op zandige kleigronden.
Duivenkervel, Aardrook of Roode remke, Pumaria officinalis, op klei- en zavelgrond.
Krodde, Herik, Kiek of Gele Kiek, Sinapis arvensis, op kleigrond.
Herik, Wilde radijs. Kiek, Knopherik, Rap]/,anus Raphanistrum, moer op zandgrond.
Bolderik, Boldert, Bol of Nagelbloem, Agrostemna Githago, op klei- eu zavelgronden.
Mier, Muur, Witte Muur of Vogelkruid, Alsine media, op allo gronden.
Wilde Spurrie of Watergal, Spergnla arvensis, op zandgrond.
Ooievaarsbek, Geraniumsoorten, op alle gronden.
Smalbladige Wikke, Nachtwikke of Krok, Vicia angustifolia, oji zand- en zavelgronden.
Vogelwikke of Ringel wikke, Vicia Cracca, op klei- en zandgrond.
Ruige linze of Wikerwten, Ervum kirsidum, op zandgrond.
Eiberbek of Naaldenkervel, Seandex Pecten veneris, op zavelgrond.
Tongel, Rijpeltoeht of Kleefkruid, Galium Aparine, op alle gronden.
Veldsla of Koornsla, Vedia olitoria, op zavelgrond.
Eenjarige Hardbloem, Scleranthus annum, op zandgrond.
Koorn- of Roggebloem, BLauwbloem, Centaurea cganus, op zand- eu kleiige zandgrond.
Roerkruid, Gnaphalium-soovten, op veen- en zandgrond.
Gele Ganzebloem, Vokelaar of Wilde Goudsbloem, Chrysanthemum segeium, op zandgrond.
Wilde of Echte Kamille, Matricaria chamornilla, op allerlei grond.
Stinkende Kamille, Anthemus cotula, op meer vochtigen grond. Vergeet-mij-niet of Akkermuizenoor, Myosotis arvensis, op zand- en kleigrond. Steenzaad, Lithospermum arvense, op zavelgrond.
Akker Kromhals, Lycopsis arvensis, op zandgrond.
Eereprijs, Blauwbloempjes, Ferowica-soorten, op alle gronden.
Zwartkoorn, Wild of Dolik, Melampyrum arvense, op klei- en zavelgrond. Ratelen of Sehartelen, Rhinanthus-soorten, op zand- en veengrond.
Roode Basterdmuur of Roode Mier, Anagallis arvensis, op klei-en zavelgrond. Ganzevoet en Melde, Chenopodium en Atriplex-soovten op allerlei grond. Omslingerende Duizendknoop of Zwarte Winde, Polygonum Convolvulus, op allerlei grond.
Perzikbladige Duizendknoop, Platzaad, Wilde Wilg of Jezus gras, Hanepoot, Polygonum Persicaria, op allerlei grond.
Varkensgras of Vogel Duizendknoop, Polygonum avimlare, op zandgrond.
Wolfsmelk, Euphorbia-soortea, op allerlei grond.
Wilde haver, Vloghaver of Gat, Avena falua, op kleigronden.
') Die der graslanden vermelden wij later.
323
quot;Wintergras, Duist of Zwartgras, Alopecurus agrestis, op kleigrond.
Windhalm, Windvangend Stnüsgras of Muggepoot, Agroslis spica venti, op
vochtige zavel- en zandgronden.
Drep, Dreps of Dravik, Bromm secalinus, op vochtige gronden.
Dolik of Bedwelmd Raygras, Lolinm temulantum, op vochtige gronden.
Groene Naaldaar, Setaria viridis, op zandgrond.
Wild Panikkoorn, Egelgras, Vogelgras, Franiegras of Hanepoot Egelgras, Panicum crus galli, op zandgrond.
De volgende onkruiden planten zich èn door zaad èn door wortelstokken voort: Wortelonkruiden^ met een wortelstok overblijvende planten.
Aardakers of Aardnoten, Lathyrus iuherosus, op de klei.
Stekel, Stiekel of Akker vederdistel, Girsimn arvense, op de klei. Akker-melkdistel of Zeug-distel, Sonchus ar eens is, op klei- en zavelgrond. Hoefblad, Stinkblad of Tabak, Tussilago farfara, op klei.
Duizendblad, Achillea millefolium, op zand- en zavelgrond.
Klokjes Winde, Windsel, Liend of Lyn, Convolvulus arvensis, op zand- en zavelgrond.
Akkermunt, ook wel ofschoon ten onrechte Kruisemunt goheeten, Mentha
arvensis, op zand- en zavelgrond.
Fijnbladige zuring, Rumex acetocella, ojj zand- en veengrond.
Riet, Phragmitis communis, op vochtige kleigronden.
Kweek of Puingras, Tritieum repens, op zand- en zavelgrond.
Akker Paardestaart, Kattestaart, Roobol of Hermoes, Equisetum arvense, op zandige kleigronden, plant zich niet door zaad maar door sporen, bl. 139, voort.
Om het zaad van onkruiden te vernietigen tracht men dit door hot bewerken te doen ontkiemen en de kiemplantjes te vernietigen of hot diep met aarde te bedekken, zoodat geene ontkieming er van mogelijk is. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden, dat sommige zaden spoedig hun kiemver-mogen verliezen, andere dit lang behouden, sommige dadelijk na hot rijp-zijn kunnen ontkiemen, andere eerst na eenigen tijd. Dienaangaande is nog zeer weinig met zekerheid bekend. Verg. ook bl. 195. Ter vernietiging van de wortelonkruiden of beter de voor de voortplanting dienende wortelstokken, tracht men deze geheel of gedeeltelijk aan de oppervlakte te brengen en dooide zon te laten verdrogen; daarna worden ze soms bijeengeraapt (kweek), in den mest- of composthoop gebracht of tot strooisel gebruikt. Wij merken hierbij op, dat, terwijl liet vernietigen van onkruid niet het eenige doel van de grondbewerkingen kan zijn, van den anderen kant dit bewerken evenmin het eenige middel is om onkruid te verdelgen. Van die andere middelen, alsmede van het vernietigen van ongedierte zal later in do Algemeene Plantenteelt worden melding gemaakt.
li. DE LANDBOUWWERKTUIGEN VOOR GRONDBKWKRKING EN HET DAARMKDE VERRICHTE WERK.
Wij zullen thans de voornaamste bewerkingen van den bouwgrond, die moeten dienen om hem tot het opnemen van het zaad geschikt tc maken eu de daarvoor dienende werktuigen nagaan.
21 *
324
Terwijl in den tuinbouw daarvoor spaden, harken, plakbord enz. in gebruik zijn, worden in den landbouw meestal daarvoor ploegen, eggen, rollen enz. gebruikt. Alleen met laatstgenoemde werktuigen en liet daarmede verriclite werk zullen wij ons hier bezig houden.
1. De ploeg, het ploegen.
De ploeg dient om de bouwlaag tot op zekere diepte los te maken, te keeren en in zekere mate te verkruimelen.
Hij bestaat, zie Fig. 82, uit: den ploegboom, waaraan bevestigd zijn; het kouter of kleine ijzer, het lichaam van den ploeg of het huis met ploegschaar,
de staart of staarten en de trektoestel met regulateur; aan sommige ploegen zijn verder één of twee ondersteunende wielen of een voet bevestigd, nog andere van een voorstel of een kar voorzien.
De plopgboom., meestal van hout maar bij vele buitenlandsche ploegen van ijzer
Fig 83. Stalen ploegboom met Fig. 84. Ploegboom met kouter-
konter van Eckert's lichte ploegen. schijf aan Eckert's ploegen.
vervaardigd, heeft een min of meer gebogen vorm, zie de figuren; aan het
achtereind is liet lichaam en zijn de staart of staarten bevestigd, iets verder naar voren het kouter, - vervolgens de raderen, of in plaats daarvan een voet of een enkel rad en aan het vooreind de regulateur. Bij ploegen inet voorstel of kar voorzien, Fig. 101 en volg., rust de boom daarop.
Het kouter. Fig. 83, heeft den vorm van een groot mes, dat met de scherpe zijde naar voren, aan de linker- of de landzijde van den boom bevestigd is; het dient om do om te ploegen streep gronds loodrecht door te snijden. Hoe zijne bevestiging aan den ploegboom geschiedt, blijkt genoegzaam
325
uit de figuren. Om te voorkomen, dat liet bij den gcringstcn tegenstand van wortels, een steen enz. uit den grond gclicht worde en dus nadeelig te zijn voor den vasten gang van den ploeg, geeft men hot eene helling van 30 a 40 graden met de loodlijn naar voren. Het wordt voorts zoo geplaatst, dat het don grond evenwijdig met de gemaakte voor en in dezelfde lijn als het ploeg-lichaam of 5 ii 7 m.M. links daarvan doorsnijdt. Het laatste geschiedt om do landzijde van hot lichaam vrij, dat is zonder wrijving aan de vaste aarde, te doen loopen. Zijn punt plaatst men eenige millimeters hoven en ook wel een weinig vóór de punt van de schaar. Er blijft dus eenige aarde tusschenbeide, die
het kouter niet doorsnijdt, waardoor de vaste gang van don ploeg bevorderd en de trekkracht weinig grooter wordt.
Bij het ploegen van reeds vroeger losgemaakte aarde wordt het kouter gewoonlijk weggelaten, om reden dat het de kweek- cn andere wortelstokken doorsnijdt en hot beter is dat deze in hun geheel naar boven worden gewerkt; bij veel ruigte geeft liet ook aanleiding tot verstopping en kan een strijkijzer als Fig. 85 of een gesleepd gewicht. Fig. 89 van dienst zijn. Volgens Stepherts 'j
en klaver (groemnest).
draagt het kouter ook niet bij om de trekkracht van don ploeg minder te doen zijn, maar wol om een meer gladde vurg te ploegen. Soms, vooral bij het scheuren van grasland, wordt hot meer verticaal gezet of in zijne plaats eene zoogenaamde kouterschijf, Fig. 84, gebruikt, terwijl in sommige Ameri-kaansche en Engelscho ploegen, Fig. 87, de schaar van oon vooruitstekende kam voorzien is, die den dienst van 't kouter moet vervullen (vinploeg).
Teneinde de op het land voorkomende zode van klaver, gras of stoppols goed onder te kunnen ploegen, zijn de schilkoiiters of voorscharen (skimcoul-ters), soms met een kouterschijfje zeer dienstig. Fig. 80 en 87. Daarmede
') Bijblad van de Landbouw-courant. 1874.
326
wordt tie zode gedeeltelijk (aan den linkerkant van de te ploegen vurg) weg-
|
IB 1 j| : 3 LEVER NECK amp; SECULATINC BOLT |
COULTER CLIP S LOOPS. WHEEL SOCKETS S SET SCREWS. CROSS BAR amp; BEAM CLASP. SPANNER |
SIDE CAP
SLADE .
WROUGHT BREAST STAY FRAME S BREAST AND CLASP COUPLINGS
DRAG WEIGHT amp; CHAIN.
Fig. 80*). Zie de aanwijzing op de volgende bladzijde.
327
genomen, in de voor geworpen en daarna met de omgeploegde aarde bedekt.
Het eigenlijk werkende doel van den ploeg, het plorylichaatn, draagt: aan de voorzijde de schaar, Fig. 82; zijne rechterzijde vormt het ristcr of stryk-hord, het benedendeel, waarmede het op den grond rust, heet plonyzool,
for digging work
I'ig. 00. Kansoines verschillende ploegschureii, geschikt voor: Square work -- rechthoekige vingen, Fig. i'24 en 125; Crested work = kainvormige vurgen, Fig. 1 -(\ en 127; Stony land = stcenachtigen grond; Deep work = diepe vurgen; Paring = den grond te schillen (stoppelploegen); Skim point = punt van een vooischaar; Ridging = het ploegen aan ruggen; Subsoiling = hot ondergrondsploegen; Shares for digging work = scharen voor spitploegen (om dieper te ploegen dan gewoonlijk). Deze scharen bestaan uit '2, soms uit 3 deelen: een vleugelvormig deel, rechts achter (wing), eeu doosvormig deel (box), links achter en de daaraan bevestigde punt (box point), die uit gehard staal bestaat en vernieuwd kan worden. In sommige ploegen is die punt beitelvormig (slip point); de schaar rechts is van een kam voorzien, welke uit gehard staal bestaat en voor kouter dient. Skim coulters for digging work = voor-scharen voor spitploegen.
terwijl do linkerzijde hot molbord of de landzijde wordt genoemd. Uczo verschillende deelen zijn onderling en met het jplocijhoofd of de draagspil (breed-spil). Fig. 89 en 103, aan den ploegboom verbonden. Soms dient het voorste gcdoolle van het molbord tot verbinding van ploeglichaam niet den
*) Slijtbare en daarom vervangbare deelen (wearing parts) van een Engelschen (Hansomes) ploeg: Cast frame = gietijzeren hoofd of raam; Wrought frame = smeedijzeren hoofd; Coulter = kouter; Disc coulter = kouterschijf; Skim coulter - Voor-schaar; Disc skim coulter = Voorschaar kouterschijf; Lever neck and regulating bolt — Staaf voor het verbinden en stellen van de schaar met het rister, met stelhout; Side cap = Landzijde; Slade = Zool; Breast and rest = Rister of strijkbord met steun-bord; Wrought breast stay and clasp = Schoor en kram voor het smeedijzeren rister; Frame and breast couplings = Verbindingsstukken van t rister met het hoofd: Drag weight and chain = Sleepgewicht met ketting, wordt, aan het kouter bevestigd, in de voor gesleept om mest enz. beter onder te brengen; Coulter clip and loops = Klem en loopers voor het bevestigen van 't kouter: Wheel sockets and setscrews = Koppels en stelschroeven voor de wielen; Spanner = Schroefsleutel; Cross bar and beam clasp = dwarsbalk met sluithaak oin dezen aan den ploegboom te bevestigen; Hake and chain = Haak en ketting om de breedte en diepte van de voor te regelen; Axle = As van een der wielen; Furrow wheel and standard = Vorenwiel met staaf waarmede het wiel aan den ploegboom bevestigd wordt; Land wheel and standard — Landzijdewiel met idem.
328
lioom en dus tot ploeghoofd. In de Amerikaansche ai-ondploegen, b.v. die van Plansomes, Fig. U)0, vormt liet ploeglichaam een geheel met het rister.
Met de ploegschaar wordt de grond min of meer horizontaal doorgesneden. Hare snijdende kant vormt met de aan 't mol hord bevestigde of in 't algemeen met de landzijde een min of meer scherpen hoek: het scherpst ( 30°) aan de voor zware kleigronden bestemde Engelsche ploegen; minder scherp bij de voor do zandgronden bestemde ploegen (bij de Ruchadlo's 00°). Niet zelden wordt hare punt van een beitel voorzien, Fig. 90 en 100. Fig. 90 doet ons verder do verschillende Engelsche, door de firma Ransomes, Sims and Jefferies vervaardigde, en Fig. 91—96 eenige Duitsche ploegscharen zien. De linkerzijde van de schaar gaat onmerkbaar in de ploegzool, hare min of meer gewelfde bovenvlakte in het rister over. Naar den vorm van 't rister dient dan ook die van de schaar te veranderen. Zoodra toch de aarde door de schaar afgesneden is, wordt zij hierdoor opgenomen en naar het rister over
Fig. 01. Ploeglichaam met lang rister voor zware kleigronden. Het rister bestaat uit eene lange en breeile pantserplaat. Van R. Sack, Agent L. Nagel en Co., Arnhem.
gebracht. Elke onzachte overgang zou hier eene aanmerkelijke wrijving of tegenstand veroorzaken. Het rister dient dan om de door 't kouter en de schaar losgemaakte brok aarde te keeren en min of meer te verkruimelen. Het heeft daartoe veelal de gedaante van een schroef- of soms van een cilindervlak. De vorm en afmetingen van dit belangrijke deel van den ploeg, die
Fig. 93. Ploeglichaam met verstelbaar strijkijzer (zie Fig. 92), van achteren gezien. Van R. Sack . Leipzig-Plagwitz, Agent L. Nagel en Co., Arnhem.
men proefondervindelijk ids het meest doeltreffend heeft gevonden, zijn echter zeer verschillend al naar de grondsoort en het doel, waarmee geploegd zal worden. Een zeer lang rister bezitten de voor zware kleigronden bestemde Engelsche ploegen van Howard en andere fabrikanten. Fig. 82, enz. Bij deze ploegen, welke veelal zwaar gebouwd zijn, beweegt zich de aarde langs een vlak met geringe helling; zij wordt daardoor weinig gebroken maar zeer regelmatig gekeerd. Ook de ploegen van Sack, Eckert enz. worden, wanneer
329
zij voor zware kleigronden bestemd zijn, van een langer rister voorzien, lig. 91 en 92. Wenscht men echter dat de te ploegen ving meer gebroken worde, dan wordt een ploeglichaam met korter en steiler rister genomen, lig. 94 en 9o. Van nog eenigszins anderen vorm zijn de risters van de Dnitsche, zoogenaamde Ruchadloploegen. Deze risters zijn cilindervormig en de ploegen waaraan zij bevestigd zijn worden in grondsoorten gebruikt, die weinig samenhang bezitten; de aarde wordt hiermede minder gekeerd dan wel door elkander geroerd Fig. 104 en 109. Wenscht men met een Sackploeg kleigrond te ploegen zóu dat de vurg gebroken worde, dan dient men een met steiler rister te nemen als Fig. 94; maar dan is het gewenscht, om de wrijving te verminderen, waterleiding te gebruiken. Fig. 103. De ploegen, die hier te lande op klei- en zavelgronden als doeltreffend beoordeeld zijn, bezitten een rister, dat, wat zijn vorm en afmetingen betreft, tusschen genoemde uitersten in staat. Zie Fig. 97 en 100.
Fig. 05. Lichaam met nog steiler rister als in Fig. 04, voor mottigen grond, die licht voor den ploeg opeenscluilft.
liet gewicht van den ploeg rust nagenoeg geheel op de eenigszins uitgeholde ploegzool. Fig. 89, waarop hij door de gemaakte voor getrokken wordt. De ploegzool dient verder om aan den ploeg een loodrechten stand te geven. IIoo breeder zij is, des te minder diep zal zij in den grond dringen en minder slijten.
Het rnolbord of de landzijde, Fig. 103, dient eveneens voorden vasten gang van een' ploeg. Hot brengt den zijdelingschen druk, door den los geploegden
330
wertejirle, fc,,, ^ J0quot;m »*««quot;
TT •*'**•quot;»•3T^r*rrgt; quot;nquot;,,et £
!' ■S( 'aar en tan zijn achtereind wordon vp 'i \ 0f ^ gebre]fe hiervan op J0'quot; ^ i,et joegen meer of P ^ ^ -
tie afmetingen en den =f T 1 011 enz. - Ook in ,i ,
***■ *■ *■*' •»»» *»?££ fend, ais zij een langeren hefboom^ l egen Z1jquot; zoover doeltref-gemakkelijk Jcuat besturen 7ii w vormen) waarmede do pioec- -/u-h
quot;« » wJl r*nvMhto' - «'« ta
tr *»«* -w» ïï?r izn rrquot; ,kquot;,or
widen zy ook korter genomen. le ]lclltero EngeJsche pJoegen
'wn hot vooreind van
quot;V.«. «„.s„„,e t„llSi,eii ^ ik ^iwus
, , ......6quot;quot;quot;ë van den i.loequot;
don ploog bevestigde dooien r
M ilerhijve lt;le ,l„„ ,len *•?quot;*quot; quot;» te quot;1»»quot;«..
den ploeg over te 1,rongen- :*) (]en ^11quot;1^ v;lquot; het „tuigquot; op
breedte van do af te snijden Inrl lT', quot; ^ **«*' quot;at is quot;e dikte en pioeg trekken de paarfen aan den gekoSkn ? ^ 97 geelden
hoofd bevestigd is. Die stang Joopt tu, ho f' hier iWquot; het Ploeg-
he oog eener staaf, die in een dlar'quot; o t n len'T T ^ ^00quot;1 hnks „f rechts verplaatst en mot een schroef 1 7 ^ neer ^hroofd, quot;quot; 1 trekstang dalen, dan wordt Mj 1 t^ ^
ploeg jneer Jinks (in hot lanri) ^ i
saat ,10 jteg mm. quot;T*quot;. voorsepbepi. onlge.
™.n»r „e trebta(,. nieer ^ M 1« quot; » ,le „„ ^
ig- 88 en 100 wordt geen trekstam--opi -i J ',e hehtere ploegen
de paarden trekken, direct met'ketti^ ofV^*''T ZwinSeUlmt' ^raan' Uit de figuren ziet men dat het LsnW ^gulateur bevestigd.
aanspanningspunt nog op verschillende
331
andere .vijzen verplaatst kan worden; in 't nJgemeen komt ^
hierop neer, dat het rechts en links en op of neer kan worden gebracht
Is nu d^ ploeg naar do breedte en diepte der voor, die geploegd /.al worden goed gesteld, dan moet hij een vasten gang hebben De utMiug, waarin 'de paarden tokken en de resultante van de vorschM^^o (hct loodrecht en horizontaal doorsnijden van den de
het rister en het opheffen van do om te ploegen aarde, de ^njMng
Kig. 100. R;uisoiiies' Knjrelsch-Arne.ikaanscl.c /ool ci. inolbo.d uit écu stuk. Ploegen van /-22 cM. d.ep en
ploegzool enz.) moeten in ééne rechte lijn liggen. Do ploeger heeft dan slechts
e zorgen, wanneer de ploeg bij eenigen meerderen weerstand dieper o
willen gaan of bij minderen weerstand er uit zou loopen, iets op de staarten
te drukken of ze iets op te heffen, en op gelijke wijze, door eene meer o
minder zijdelingsche drukking op de rechter of Imker stort, ^ -aten .b
de breedte der voor steeds dezelfde blijft. De in Fig. 98 en 99 geüokken
lijnen kunnen dit duidelijk maken. Stelt .cl de richt.ug
die der gezamenlijke weerstanden voor, dan zullen deze b,., den gerogelden gang van den ploeg eene rechte lijn moeten vormen. Werd stang lager b.v. in .2 gesteld, dan zou de ploeg m de r.chting ^ getokken en het vooreind zoover worden opgeheven, dat de richting der ^nde' en die der trekknicht weder eene rechte lijn vormen, tenzij de ploegei doo de staarten iets op te heffen, ook de richting van don weerstand voortdurend volgons de lijn k-2 verplaatst. Om dezelfde reden zou liet vooreind moeten dalen of do ploeger voortdurend op de staarten moeten drukken als de tiek-stang in het punt .1 gesteld werd. Ook in een honzontaal vlak moeten de trekkracht en .le weerstanden in dezelfde richting zijn. Stelt de lijn « . b Fig 99, die richting voor, dan zou als do paarden in het runt r ol worden voorgespannen, de ploeg meer rechts of links uitwijken, ten/ij c ploeger door eene zijdelingsche drukking hem dwingt, dat hij m de jmstt
^rte'ploT'Sceert dus tusschen de door de trekdieren uitgeoefende kracht dc weerstanden en de kracht door den ploeger op de staarten uitgeoefen lt; wordt daarom balanceer- of balamplocg geheeten Hij is dduS meer zie Fig. 100, het eenvoudigst, maar vereischt om er mede te w erken,
332
goede bedrevenheid van den ploeger. Teneinde liet dezen gemakkelijk of den ploeg ook voor minder geoefenden bruikbaar te maken, voorziet men hom
veelal van een' voet, Fig. 97, die op zoodanige hoogte gesteld wordt, dat hij bij hot ploegen op de bepaalde diepte even den grond raakt. Voor hetzelfde doel wordt ook wol een rad gebruikt, Fig. 82. Een rad geeft gewoonlijk minder wrijving dan oen voet en vereisoht dus minder trekkracht , maar wordt onbruikbaar als in
vochtig weer or veel aarde tuin blijft hechten, omdat het dan gaat slepen.
Door een voet of één rad wordt een draaien om do lengteas van den ploeg niet verhinderd, daarom zijn vele Engelscho ploegen van twee ongelijke en verstelbare raderen voorzien, waarvan hot eeno, het grootero, in do voor (vorenwiel), het andere, kleinere (landwiel), over den vasten grond loopt. Fig. 86. Hot landwiel wordt gesteld naar de diepte waarop geploegd zal worden, en het vorenwiel zóó dat de jjloeg als hij loopt rechtop gaat. Bij het wondon laat men den ploeg ruston op het vorenwiel, terwijl bij liet ploegen van de laatste vurg, hot landwiel weg-genoinon of moor rechts wordt geplaatst. Van genoemde ploegen kan men de raderen of den voet ook afnemen en ze dus
als gewone balansploegen gebruiken, en dit is in don regel wonscholijk wan-
333
neer de bodem zeer oneffen is, omdat met de ouderstennsels, de oneffenheden van den grond volgende, ook het vooreind van den ploeg ojj en neer en derhalve de ploeg minder of meer diep gaat, 't welk de ploeger niet kan voorkomen. Zeer schadelijk worden de voet en de raderen, wanneer de trekstang niet goed, te hoog gesteld is, daar ze in dit geval op den grond gedrukt worden en eene aanmerkelijke wrijving kunnen veroorzaken. Begint liet land-wiel op vochtigen grond te slepen, dan is het ook hier beter een voet te nemen.
Overigens hebben de ploegen met twee raderen een vasten gang; bij het wenden moet echter het eene rad in do hoogte gebracht worden, wat natuurlijk meer kracht vereischt.
Om nu dit wenden gemakkelijker te maken en aan een ploeg een nog vasteron gang te geven, en bij het regelen der diepte of dor breedte, waarop geploegd zal worden, minder afhankelijk van den ploeger te zijn (wat bij ongeoefende ploegers en vooral bij diepe grondbewerking wenschelijk kan wezen) voorziet men de ploegen van een voorstel (kar). Zulke ploegen zijn b.v.
die van Sack, Fig. 101, Eckert, Fig. 108 en 109, de boogasploegen van Howard, Fig. Ill, en de zoogenaamde Bra-
bantsche ploegen, waarvan die van Bajac, Fig. 112, een goed voorbeeld geeft, alsmede de weinig doelmatige, op sommige plaatsen noü' in gebruik
zijnde, ouderwetsche radploegen.
Bij deze zoogenoemde kar- of radploegen rust do boom op oen verplaats-
334
baar knssen, dat in eene galg op de as van het voorstel bevestigd is. Het voorstel is voorts met eene of meestal met twee kettingen aan den ploegboom verbonden. Terwijl nu de trekdieren aan dit voorstel gespannen worden, wordt de door dezen uitgeoefende kracht door middel van de kettingen op den boom overgebracht, en mag op de as van het voorstel weinig of geene drukking worden uitgeoefend. In tegenstelling met de ouderwetsche radploegen kunnen,
met liet oog daarop bij de nieuwere, b.v. die van Sack, de raderen van het voorstel zeer nauwkeurig naar de breedte en de diepte van de voor worden gesteld. Fig. 105 wijst deze inrichting in de Sack's ploegen aan. Men ziet hoe de as van het voorstel, die steeds horizontaal moet zijn, hooger of Jager gesteld en hoe de ploegboom omhoog of omlaag en in Fig. 102 hoe ze verder naar voren of naar achteren gebracht kan worden. Hot hooger of lager stellen geschiedt met bengel en spie en van het kussen met pen en gat. Fig. 105; voor beide verplaatsingen kan ook een schroef en moer aangebracht worden,
van het linken-ad door middel van Fig. 10t), maar de inrichting wordt dan
een schroef' te stellen. i 4.1 i *11 t i
kostbaarcler. Alleen voor cliepploegen is
eene verplaatsing van het linkerrad noodig; voor het ploegen op gewone
diepte is een hooger of lager stollen van den ploegboom voldoende. Zijn deze
ploegen eenmaal goed gesteld, dan regelen zij zich zelf, zoodat zij weinig of
niet bestuurd behoeven te worden. De diepgang wordt geregeld door den
stand der raderen, door de
plaatsing van den ploegboom
op het kussen en door de
verlenging of verkorting van
de dubbele ketting, Fig. 105
111, waarvan de eene bij a
op hellend terrein of bij hot
dubbele
6oi ui korter
orden om den
een verticalen
Fig. 107. Voorstel van Sack's ploeg met diaai- stan(l to geven. Om liet rechts bare as voor liet ploegen op hellend terrein. In A . , .
wordt, van den toeschouwer af, de strook 1 en in of links uitwijken te voorden stad 1!, naar den toeschouwer toe, de strook komen dient de regulateur HL 1« geploegd. In beide gevallen is het middelstuk 0
der as horizontaal en even hoog geplaatst. De ver- den dwarsbalk op den
plaatsing der assen geschiedt met den hefboom n. dubbelen ploegboom zijn de
kettingen bevestigd. Loopt nu de ploeg uit of in het land, dan wordt eeno
der kettingen niet meer gespannen, zoodat slechts aan de andere getrokken
en daardoor de ploeg weder in zijn juisten stand gebracht wordt. Bij het
wenden behoudt hot voorstel zijn stand en wordt de ploeg op zij gelegd.
335
boom, thans van dubbel T-ijzer van dezen vorm vervaardigd, rust hierbij
op een beugel, terwijl hij bij de vroegere constructie. Fig. 78, op een stel-bout rustte. Bijzondere zorg wordt door Eckert ook aan de raderen besteed, waarvan de assen van bussen voorzien zijn om het indringen van zand en stof te voorkomen, Fig. 1 ft).
Meer daarvan verschillend is de inrichting van de boog-asploegen van
Howard, Fig. 111. De as van het voorstel is hier gebogen en van een verstelbaar kussen voorzien, waarop do ploegboom rust. Hoe dieper geploegd wordt, hoe verder men dit kussen rechts naar het kleine wiel brengt, zoodat het steeds horizontaal blijft. De diepte van den ploeggang wordt
336
voorts geregeld door de schroef en de bont, WcUiriiiede liet ploeglioofd cuni
den boom bevestigd is.
Van bijzondere constructie is voorts de ploeg in Fig. 112 voorgesteld, de
dubbele Brabantsche keerploeg (Brabant double a tète refoulante). Bij deze ploegen, die evenals de voorgaande een vasten gang hebben, kan men drie deelen onderscheiden: het voorstel, het eigenlijke lichaam, waaraan de dubbele risters met scharen, kouters en voorscharen bevestigd zijn en de aan het vooreind bevestigde regulateur met trekstang, die met zijn ander uiteinde boven de scharen aan het lichaam bevestigd is (tète refoulante)! De diepgang wordt geregeld door de schroef in het boogvormig raam op het voorstel geplaatst en voorts door den regulateur, waaraan de trekketting ook rechts en links verplaatsbaar is. Met dergelijke ploegen wordt steeds naar denzelfden kant geploegd en daartoe worden de deelen van hot lichaam. die in de teekening naarboven zijn gericht, op 't eind van den akker naar-beneden gebracht en de volgens de teekening werkende deelen naarboven. Het lichaam wordt derhalve omgekeerd en vandaar den naam „keet ploeg .
Te dien einde is het vierkante lichaam draaibaar om het ronde kussen (waarvan het verlengde deel, vóór do raderen geplaatst, in de figuur zichtbaar is); het wordt echter met betrekking tot de raderenas in een schuinschen stand gehouden door een grendel met veer, vlak boven die as geplaatst en die dooi den hefboom, waarvan het uiteinde rechts van achteren zichtbaar is, kan worden opgelicht. Bij het wenden op 't eind van den akker wordt de grendel
dus met behulp van den langen hefboom losgemaakt, het lichaam gekeerd en na verticaal geplaatst te zijn weder vastgezet. Bij het ploegen moeten de werkende deelen natuurlijk verticaal staan, terwijl van de gelijke raderen de
1|1
li | i-l
li
Fig. 112. Boog-asploeg van Howard, met boogvormige as in het voorstel, stel-schroef, voorschaar en kouter.
een in de voor, de andere op het ongeploegde land loopt, en krijgt de as dei-raderen derhalve een schuinschen stand met betrekking tot het lichaam.
4
m
170 ;.....
..r. Rnnlt;nmPS' Snlkv-oloen- met zitplaats voor den ploeger. De ploeg kan met iMg. 113. Ransomes buiitypioe i automatisch dooi- de trekdieren
den hefb00quot;' quot;^aSCT fJn jat fs dg boom met de daaraan bevestigde huizen opgebeurd buiten het weik r, • ' i00 , ploeo-er van zijne zitplaats worden geregebl.
Zij'Jloe-en wVt lö'cM. diep'en 36-45 cm. breed maar kunnen ook als tweehuizlge ploegen^geleverd worden en dan is, bij dezelfde diepte, de breedte 30 cM.
Als een bijzonderen vorm van ploegen vermelden wij nog do Amerikaansche Sulky-ploegen, waarvan de besturing eveneens gemakkelijk is en waarop rein deus , 1. Vierde druk.
338
bovendien de bestuurder plaats kan nemen. Door Eansomes wordt hieraan thans den vorm, als in Fig. 113 voorgesteld is, gegeven. In plaats van met een cilindervormig rister, als de afgebeelde, worden deze ploegen ook met een gewoon schroefvormig rister geleverd.
Aangaande liet materiaal, waaruit de genoemde ploegdeelen vervaardigd worden, meenen wij nog hot volgende te moeten opmerken. Terwijl de oudere ploegen grootendeels van hout werden vervaardigd, worden de thans meest
Fig. Ui. Stalen balans ploeg van wed. Massée en Zoon te Goes, voor één paard.
gerenommeerde grootendeels van ijzer gemaakt. Voor sommige deelen, b.v. den ploegboom, maakt dit nu, wat aangaat de deugd van den ploeg als werktuig, weinig verschil. Een smeedijzeren of stalen boom is weliswaar duurzamer maar ook kostbaarder dan een houten en kan onder het werken
verbogen wordende, onbruikbaar worden. Voor andere deelen daaientegen is ijzer meer aanbevelenswaardig. Ook heeft de goedkoopere en betere staalfabricatie aanleiding gegeven, dat thans veel ploegdeelen, als konter, schaar en risters ja ook de ploegboomen van staal gemaakt worden. Fig. 114. Door het rister van gietijzer te nemen, kan het weliswaar gemakkelijk (door hot gieten) den meest geschikten vorm gegeven worden, maar deze ijzersoort roest veel spoediger en wordt dan niet zoo gemakkelijk weer blank. Ook kan een rister van smeedijzer of staal lichter gemaakt worden dan van gietijzer en aangezien het thans ook niet moeielijk valt, bij gebruik van smeedijzer of staal door persing den gewenschten vorm aan het rister te geven, moet vooral de laatste ijzersoort als het geschikste materiaal voor het rister beschouwd worden. Van
33Ö
eene smeedijzeren schaar wordt de snede evenals die van 't kontor in den regel verstaald. Do beste scharen zijn die naar hot patent van Bansomes te Ipswich vervaardigd. Genoemde scharen van gietijzer of juister gietstaal zijn zoo vervaardigd, dat do bovenkant der snede woeker is en dus moer afslijt
dan de onderkant, waardoor, als er mede geploegd wordt, zij zich zelve scherpen. Fig. 115.
Door de Duitsche fabrikanten. Sack en Eckert, wordt voor het ploeghoofd
zeer hard staal gebruikt; dat voor de ploegen van Eckert wordt volgens octrooi vervaardigd en door hem Eckert's staal geheeten. Pig. 116; het rister dezer ploegen is met het harde pantserstaai bedekt of de meest slijtbare doelen van pantserplaten voorzien.
In het algemeen wordt voor elk deel dier stalen ploegen het meest passende, voor sommige deelen meer veerkrachtig voor andere meer hard, staal gebruikt. Sommige deelen kunnen ook omgekeerd worden. Fig. 117. Van vele fabrieksploegen kunnen verschillende deelen bijbesteld worden, zie Fig. 89. Tot nog toe vervaardigde Sack ook het rister uit verschillende deelen, die bijbesteld kunnen worden. Fig.
118; thans worden deze meestal door eene afzonderlijke pantserplaat vervangen, Fig. 91. Aangezien de Sack's ploeg als Universal|gt;loeg tevens voor andere doeleinden, b.v. als ondergrondsploeg en schoffelmachine kan worden ingericht , kunnen ook de daarvoor dienende deelen bijbesteld of afzonderlijk genomen worden. De trekkracht van den ploeg hangt, behalve van de grondsoort en do diepte en breedte der voor, die geploegd wordt, af van zijne geheele constructie en inzonderheid van den vorm des risters. Ook het materiaal, waarvan hij
22*
340
vervaardigd is en de van een en ander afhankelijke zwaarte zijn hierop van invloed. De deels van deze zwaarte, die de fabrikanten in hnnne catalogi opgeven, deels van de geheele constructie afhankelijke wrijving, dat is de schadelijke weerstond, dient natuurlijk zoo gering mogelijk te zijn, maar
theoretisch kan dienaangaande weinig bepaald worden en alleen de krachtmeter met zekerheid aanwijzing geven. Bij eeue beproeving van verschillende ploegen op de tentoonstelling te Huil, 1873, varieerde de trekkracht van 187.7 KG. tot 477.7 KG.; bij die op de tentoonstelling te Amsterdam, 1884,
van éénscharige ploegen voor kleigrond op 25 cM. diepte, van 340—490 KG. Ter vergelijking is het best de trekkracht aan te geven voor 1 dM;i verplaatsten grond. Aldus uitgedrukt, wisselde de trekkracht te Huil af van 31.2 KG. tot 51.2 KG. voor 1 dJP, voor genoemde ploegen te Amsterdam van 48—93 KG., en voor tweescharige ploegen aldaar van 34.9—52.6 KG.
Tn don vorm en de afmetingen der ploegen bestaat eene groote verscheiden-
341
zelfs elke provincie ja bijna * vr van den lan(lbouw wel van zeer ploeg, die naar den iap van d ^ van don te bebouwen grond verschillende volkomenheid, maai naar
aldaar toch min of meer doeltreffend ib. doeltreffende Amerikaansche,
Sedert de invoering en nabootsing dei meestal .loeit j ncl.,uin(,,
Engelschc, Duitsche en Fransche weiv.uig i , nloegvovmen en
althans wat de hoofddoelen betreft, meer eenheid
lijke behoeften eenigs-zins gewijzigde, meer algemeene pleegvormen op den voorgrond. Zulke vormen stellen onze figuren voor.
Een en ander zal tengevolge hebben, dat men langzamerhand , in plaats van
.... , do ploegen naar de
verschillende «e„,-
» —r in Z»r meest v» staal vervaardigd,
kunnen nog gevoegd worden hei . p g worden en die do moeste
weilte door oen hit of mmtel f; ^quot;on U4. Overigens ploegfabrikanten voor kleine efn^quot; ; Verschillende landen, nog zeer leveren deze febrilanten, lt;***gt;■
idteenlooponde plctógvoimen. -Ie . hebben vvii die van een paar
Bij de afbeeldingen van de mees^bokende^hebben ^
vormen gevoegd, namelijk de Brabantsche ploeg, bij de cultuur van suikerbieten in het noorden van Frankrijk veel in gebruik, en de veel in Amerika - -------^ _____________gebruikt wordende Sulky-
'T'eene .—.ng der
die eene nauwkeurige bestuung v besturing noodig hebben, wijl
of rad ploegen), die, eenmaal ges , Tusschenbeide
zij door hunne inrichting van zeiven een ^ f ^ hnom door een voet
staan do ploegen, Xfl™ «—l o.sohoo,, do inrloh-
overeenkomen. verder de in de laatste jaren
v™ de gewone ^ o, meerseharige) plee-
meer in gebruik gekomen twee- ot meernuizig v
342
gen, Fig. 119, 120 en 121, die op twee, soms op drie raderen rusten en ■waarmede twee of meer voren tegelijk geploegd kunnen worden en de twee-voor- of diepploegen, waarmede getweevoord dat is twee voren diep geploegd wordt, Fig. 101, 108, 111 en 112. Van de meei-scharige ploegen is het ploeg-hoofd langer, kan het geheele lichaam hooger of lager gesteld worden, en daarbij zijn verschillende risters in gebruik, Fig. 122. Bij de twee-voorploegen is men in de keuze van het rister meer beperkt. Van de tot een bijzonder doel dienende ondergrondsploegen zal hieronder en van de hak- en aanaard-ploegen in de Algemeene Plantenteelt worden melding gemaakt.
Waartoe het ploegen in hoofdzaak dient, is hierboven reeds gezegd. Fig. 123 en 124—127 kunnen een denkbeeld geven, hoe de aarde daarbij omgewerkt wordt. Stelt abed, Fig. 123, de doorsnede van de af te snijden streep gronds (de vurg) voor, dan is nb de breedte, hc de diepte daarvan. De door 't kouter en de schaar losgemaakte aarde wordt door het rister opgenomen en tengevolge van de hieraangebrachte kromming allengs gedraaid, zoodat zij in de standen abWd1, ab^c^d2 en eindelijk in den stand aMAamp;dï gebracht wordt. Do figuur wijst verder aan, welken weg het zwaartepunt daarbij neemt; daaruit is op te maken, dat het van stand 1 tot stand 2 rijst, van 2 tot 3 daalt en van 3 tot 4 weder rijst, dat is de brok moet, om te kantelen in den stand 3, eerst in stand 2 gebracht worden en wordt daarna nogmaals opgeheven om in stand 4 te komen. Hoe ver deze draaiing geschiedt , hangt af van de verhouding tusschen de breedte en de diepte waarop geploegd wordt. Wiskundig l) kan worden aangetoond, dat, zoo de breedte der voor
staat tot hare diepte als 1.414 : 1, de vurgen 135° gedraaid worden en zij onder een hoek van 45° tegen elkander komen te liggen. Bij deze verhouding wordt ook de grootste hoeveelheid
aarde aan de lucht blootgesteld en ontstaan de grootste holten in den grond. Wordt de aarde echter niet horizontaal, maar als in Fig. 126 afgesneden, dan verkrijgen de kammen nog grooter oppervlakte en worden ook de holten grooter. Ploegt men bij gelijke breedte eene minder diepe vurg, dan wordt de wending grooter dan 135°, bij meerdere diepte geringer.
't Spreekt van zelf, dat alleen met goed samenhangende aarde min of meer
') Stelt c3ef', Fig. 123, eenen bij het ploegen verkregen kam voor, dan is in don rechthoekigen driehoek, als L ec'-'f = 45 is, L efc3 ook gelijk 45° en de driehoek gelijk-beenig. Nu is c3f= h3e — ah, de breedte der voor = h en ef — c'sii = hc, de diepte der voor = o. In den rechthoekigen driehoek c'-'ef is verder (c'-'f)12 = (ef)1 (c3r)J of = a2 a2 = 2a2 of h = «I/ 2 = 1.414a. Uit de figuur blijkt verder, dat als het in kammen geploegde land vlak geëgd wordt, de kammen ter halver hoogte afbrokkelen en de voren ter halver hoogte vullen, omdat £/ = Vï is.
343
Zoo worden de vurgen als in Fig. 124 en 126 door oen lang, die in Fig. 125 en 127 door een kort rister verkregen. Eerstgenoemde wijze van ploegen, inzonderheid die in Fig. 126 voorgesteld, past men meer toe bij het scheuren van graslanden, laatstgenoemde is de meest gebruikelijke op bouwland. Om
dezelfde reden verkruimelt du grond beter als tie vurgen, bij eene bepaalde diepte, niet te breed genomen wordenl).
Evenals de Engelschen leveren de Duitscho fabrikanten thans risters van verschillende vormen om den grond bij het ploegen meer of minder te verkruimelen; Rud. Sack levert ook hoogere ploeglichamen voor het ploegen van zware gronden om mest, veel onkruid of hooge stoppels onder te kunnen brengen.
Aangezien van de breedte der schaar de breedte der af te snijden vurg
') Rosenberg Lipinsky, Der practische Ackerbau, 11, S. 131.
344
afhankelijk is, zou hieruit volgen, dat met een en dezelfde schaar slechts op céne bepaalde diepte geploegd kan worden, om de bovenvermelde gewenschte verhouding tusschen de breedte en diepte der voor te bekomen, en dat men dus voor de verschillende diepten waarop geploegd zal worden, ook verschillende ploegen, althans verschillende scharen zou moeten hebben. Toch is dit niet geheel juist, aangezien de schaar iets smaller kan zijn dan de breedte der voor. De Engelschen honden dit, vooral bij behoorlijk diep ploegen, zelfs voor doelmatig, aangezien in dit geval eene smalle strook vast blijft, waarom de vurg als een scharnier draait, 't welk voor den vasten gang van den ploeg bevorderlijk is.
Neemt men nu in aanmerking, dat dit strookje of in 't geheel niet behoeft te blijven zitten of iets meer of minder groot genomen kan worden; bedenkt men verder, dat het vormen van hooge kammen niet altijd even dienstig is, dan volgt hieruit dat voor het ploegen op verschillende diepte een en dezelfde ploeg toch bruikbaar kan zijn.
Omtrent de wijze, waarop een stuk land al geploegd wordt, in smalle of breede akkers, in ruggen of in ronde akkers of geheel vlak, treden wij in geene bijzonderheden. Op blz. 284 is door ons gezegd, welke naai' onze meening de doelmatigste ligging van een stuk land in 't algemeen is. Kan voor de teelt van sommige gewassen een ploegen in ruggen doeltreffend zijn — en liierop komen wij later terug — in 't algemeen achten wij het wenschelijk, dat het ploegen zoodanig plaats hebbe, dat het land, in de veronderstelling dat het goed drooggelegd (gedraineerd) is, na de opvolgende bewerkingen (het eggen enz.) zoo veel mogelijk vlak worde. Niet in smalle,
A Ö H V A' C' B' Y T CT B' Yquot; A'quot; Cquot;' Fquot; Fig. I'iS. Indeeling van een veld, dat in 20 meter breede akkers geploegd zal worden.
ronde akkers dns, maar in breede vlakke, want al de nadeelen eener ligging met hoogten en laagten gelden ook voor ronde akkers met daartnsschen liggende diepe watervoren. Zullen de akkers b.v. 20 meter breed zijn, dan wordt van den kant 20 meter afgemeten. Laat dit. Fig. 128, het punt A' zijn; verder wordt in B, op 10 meter van den kant een teeken geplaatst en dan eerst AB, te beginnen in het midden bij C, dns te hoop geploegd; daarna meet men van B tot B' 20 meter en ploegt A' B', te beginnen bij C', dus weder te hoop en vervolgens wordt A' B, te beginnen bij A' of bij B, dns uiteen geploegd, zoodat bij Y een voor blijft. Daarna gaat men Aquot; Bquot; ploegen, vervolgens Aquot; B' en zoo vervolgens. quot;Wcrdt later weder geploegd, dan begint men bij Y, de voor. Ook het zoogenaamde figuurploegen, waarbij rondom eene figuur, die de gedaante van het stuk land heeft, en in het midden daarvan getrokken is, geploegd wordt, in Duitschland vooral door Rosenberg Lipinsky aanbevolen, kan ook in sommige gevallen doeltreffend zijn.
2. De eg of egge en het eggen.
Geen landbouwwerktuig wordt tot zoo veel verschillende doeleinden gebruikt als de egge. Is dit de reden waarom zij als een der nuttigste werktuigen
345
wordt beschouwd en zeer algemeen quot;V trer^Wüllcnd'Ï
veelzijdig ^ 'TT
gewijzigd, met andere yoorden losgemaakte aarde te
In hoofdzaak dient de egge om de ^ den^p ^ ^
verkruimelen en effen te make . eploeo.(le zode of stoppels te vervlakte van den grond te brengen, de ^ ^ ^ ^ de deelen en uit elkander te scheuren, lt; e verbreken en de lucht daar-oppervlakte van den ^ ^ £ een of meer dezer door meer toegang te de te veld st£ian(ie vruchten en de gras-doeleinden worden ook m • . zaa(j met aarde bedekt, larien geëgd, «ismedc het l.'eedTOW B ' (te.e vetsehillondo Ofschoon ,m niet «M. w veel .«ogelijk in
materiaal, waaruit zij is vervaardigd. o£ kl.ümine
üe egge. Fig- 129, bestaat gewoonlijk mt o of
balken, die door dwarsliouten of daarniuir
zijn tanden bevestigd. De gedaan c v ^ vierkante, paralello-
onderscheidt men driehoekige, Mei loe' g Ofschoon het raam ge-
gram- en ruitvormige, tepezmmvormige egge^ - eren balkon
meerden ^t ^
346
van kleigronden, zijn de zwaardere geheel van ijzer vervaardigde eggen aanbevelenswaardig, Fig. 130. Eene eg met ijzeren balken verstopt ook minder licht, omdat hierbij wegens de geringere dikte der balken meer ruimte daar-tusschen overblijft, dan wanneer die van hout vervaardigd zijn.
Om eene eg dieper te doen gaan, wordt zij niet zelden met een blok hout bezwaard. De tanden mogen echter nooit zoo diep inzakken, dat de balken over den grond gesleept worden.
Wat aangaat het aantal en de plaatsing der tanden merken wij nog op,
dat dit getal niet te groot en de plaatsing zoodanig moet zijn, dat elke tand zijne eigene baan beschrijft, zie Fig. 132, 135 enz., en de afstand dier banen overal dezelfde is; want anders werkt de eg niet gelijkmatig en verstopt zij ook meer gemakkelijk. Voor haren regelmatigen gang is het voorts dienstig, dat zich aan weerszijden van de treklijn, dat is de lijn, die het aanspanningspunt in de richting waarin getrokken wordt doorloopt, evenveel tanden bevinden.
In Fig. 131 A en B wordt een voorstelling (diagram) van eene eg gegeven.
zooals zij niet moet zijn en niet moet werken. Wordt, als in A, het aanspanningspunt , dat evenvoudig aan de banen door de tanden beschreven, in het verlengde van het snijpunt der diagonalen van den vierhoek gelegen is, iets
347
meer naar links aangebracht, zoo beschrijven de 36 tanden feitelijk slechts l(i banen, waarbij de afstand wel vrij gelijk maar waarbij blijkbaar meer dan de helft der tanden overbodig is. Wordt het aanspanningspunt meer naar het midden verplaatst, zoo wordt het aantal banen wel grooter maar de afstand ongelijk en komen zij in het midden zoo dicht bijeen, dat hier weinig werking van de eg te verwachten is en licht verstoppingen zullen plaats hebben.
Het best kunnen de genoemde voorwaarden vervuld worden, wanneer aan het raam den vorm van eene ruit of van een paralellogram gegeven wordt.
Deze vorm heeft ook nog dit voordeel dat bij verplaatsing van het aanspanningspunt, Fig. 129, de afstand der door de tanden beschreven banen meer
of minder groot kan genomen worden.
Ook van de zig-zag eggen, het eerst door den Engelschen fabrikant Howard, maar thans ook door verschillende andere bnitenlandsche fabrikanten vervaardigd bestaan de onderdeden om dezelfde reden uit ruiten, die zig-zagvoi-mig 'met elkander vereenigd zijn. Genoemde eggen bieden voorts dit voordeel aan, dat zij, uit eene vereeniging van twee of meer smalle eggen, welke aan elkander gekoppeld zijn, bestaande, meer de oneffenheden van den grond
volgen. Fig. 132 en volgende.
Ook de eggen van Laacke, waarvan de balken S-vormig, lig 136 of onder een hoek van 60quot; gebogen zijn, Fig. 140 en 141, worden met gelijk doel bij
tweeën of drieën gekoppeld. 1 ,
Daar het gewicht der egge zijne ondersteuningspunten in de tanden heeft , zullen deze des te dieper ingrijpen naarmate bij dezelfde zwaarte hun aantal geringer is, en hoe meer tanden des te minder diep is de werking der eg.
De tanden worden van hout, smeedijzer of het best van staal gemaakt. De doorsnede der houten egge-tanden is meestal rond, die van smeedijzer of staal meestal vierkant, soms ook mesvormig (Sack) en aan het uiteinde of regel-
348
den grond, Fig. 140 en 141 zijn hol en öf cilindervormig met afgesneden einde öf kegelvormig; die van de Adler-egge, Fig. 142, bestaan nit hoekstaal
en zijn rechts en links van de op hooge kant geplaatste balken bevestigd , zóó dat de scherpe kant der holle tanden in de richting van hot trekpunt der eg gelegen is. Bij de hieronder te vermelden nieuwe werktuigen komen nog andere vormen voor. In de meeste gevallen zijn de tanden recht, soms ook gebogen met de punt naarvoren (kromme tanden).
De bevestiging der tanden in de balken is ook verschillend.
Zijn de balken van hout, dan worden de tanden eenvoudig in daar-voor gemaakte gaten geslagen, bij ijzeren tanden ook wel met schroef en moer Idaarin bevestigd, en dit is regel wanneer ook de balken van ijzer zijn,
Fig. 130 en volgende.
Bij de hierboven vermelde eggen van Laacke voor fijne verkruimeling van den grond geschiedt de bevestiging der tanden door eene conische, gespletene huls, die op het conisch toeloopendc kopeinde van do tand geplaatst is, en, in het daarmede correspondeerende gat van de eggebalk gesloten, daarin door een moer vastgezet wordt. Bij de oorspronkelijke zig-zag Fig. 136. l.aacke's S-vortnige akker- eggen van Howard, Fig. 133, geschiedt
eg 3 tweebalkige gekoppeld, worden ^ verbinding op de gewone wijze met ook drie- en vierbalkig en inet rechte ~ ^ a j
en kromme tanden geleverd door Gross schroef en moer, maar bij de latere
en Co. te Leipzig-Eutritzsch. „simplexquot; eggen. Fig. 135, vormt elke
tand één geheel met een dwarsbalkje. Zij worden met schroefbouten en zoo-
349
genaamde clips of sluitplaten aan de longtebalken van dnbbel T-ijzer bevestigd. Bij liet vervoer kunnen deze tanden losgemaakt en, 90° gedraaid, even-wijdig met de balken gelegd worden. Alsdan worden de drie of meer samengekoppelde eggen, die jnist op elkander passen, op elkaar gelegd, nemen
alzoo weinig ruimte in, terwijl de tanden niet beschadigd worden noch schade kunnen veroorzaken.
Evenals bij de gewone S-vor-mige eggen van Laacke, zijn bij de „Adlerquot; eggen en die voor fijne kruimeling van den grond de dwarsbalken weggelaten. De knie- of S-vormig gebogen balken vormen rechts en links met de treklijn eenen hoek van 60° en
3 of 4 dezer balken zijn voor en Fig. -137. Ransomes'gelede (jointed) stalen eg. achter door een dwarsstaaf tot
eene eg-afdeeling verbonden. Twee of drie dezer afdeelingen zijn verder door kettingen aan een gemeenschappelijken trekbalk gekoppeld. Fig. 140 en 142.
Be koppeling van twee, drie of meer van zulke afdeelingen of afzonderlijke smalle eggen dient, als reeds gezegd, om te maken, dat zij de oneffenheden Fis-1- van het terrein kunnen
volgen. Om dit ook voor de buiden van eene dwarsrij eener afdeeling mogelijk te maken, b.v. bij het over-Fig. 138. Voorstelling van de samenstelling en wei- dwarseggen, vervaardigt king van de gelede eg. Kansomes de dwarsbalken
van rondijzer en maakt ze eenigszins draaibaar in de lengtebalken, zoodat de tanden aan een en denzelfden dwarsbalk niet zijwaarts maar wel eenigszins op en neer kunnen gaan. Zie Fig. 137 en 138. Dergelijke gelede eggen
worden thans ook door andere fabrikanten vervaardigd.
De bevestiging der tanden in de balken geschiedt verder öf loodrecht öf schuins en in dit laatste geval in de richting van het trek-punt. In de „Adlerquot; eg kunnen de tanden hooger of lager gesteld worden en in de nieuwe stelbare
eggen van Gross en Co. te Leipzig-Eutritzsch, Kg. 143 en 144, zijn do tanden aan rondijzeren dwarsstaven bevestigd en daarmede ook stelbaar in een verticalen, schuinschen of horizontalen stand. In den laatsten stand, die er bij het vervoer aan gegeven wordt, rust de eg geheel op 4 raderen. De verstelling geschiedt met behulp van een hefboom.
Nog anders is de inrichting van de zoogenaamde kettingeggen, waarvan die van Howard het langst bekend zijn. Fig. 139. Zij bestaan uit eene vereeniging
350
van stalen drievoeten, waarvan de pooton de tanden der eg vormen. Deze tanden zijn nog verschillend ingericht en van gehard staal vervaardigd; bij de hier afgebeelde is de naarboven gekeerde spits korter dan die naar beneden en do rugzijde afgerond. Het is duidelijk diit deze eggen nog beter dan de gelede eggen de oneffenheden van het terrein volgen.
Het opnoemen van al de soorten van eggen zou eene lange lijst vormen.
Na het bovenstaande achten wij zulk eene opnoeming ook minder noodig. Slechts enkele opmerkingen voegen wij nog hieraan toe. Voor het ineggen van zaad wordt eene egge met rechte en met veel tanden genomen, zooals de rhomboïdaaJegge, Fig. 120, of oen zig-zagegge: die van Howard vooral op zware gronden; Gross en Co. leveren er een met ronde spitse stalen tanden, 10 cM. diep gaande, meer voor lichte gronden.
Om een goed gekruimeld zaadbed voor lichte zaden, als koolzaad en vlas
te vormen, dienen do eggen van Gross en Co. mot knievormig gebogen balken, vooral wanneer zij eerst overdwars en dan overlangs werken; in het eerste geval komen op 1 meter werkbreedte 28 en worden tanden A, in het tweede geval 40 tanden en worden tanden B gebruikt Fig. 140 en 141.
Voor het bovenhalen der kweek en andere onkruidwortels worden bij voorkeur eggen met kromme tanden, zoogenaamde kweekeggen gebruikt. Ook de gelede zigzag-eggen van Eansomes en die van Laacke met kromme tanden zijn daarvoor zeer doeltreffend, terwijl eggen als die van Howard met deels beitelvormige tanden. Fig. 134, en die van Gross en Co. met holle tanden en scherpen kant, Fig. 143, vooral dienen voor hot diep losmaken van den grond, b.v. in het voorjaar.
De kettingeggen worden hot meest gebruikt voor het verkruimelen en verdoelen van de over graslanden uitgespreide aarde en mest, maar ook voor het ineggen van lichte zaden; die van Howard wordt op bouwland omgekeerd, dat is met de kortere spitsen naarbeneden gebruikt.
Wanneer het eggen dienen zal om den grond te verkruimelen, is het van
351
't grootste belang- dat de vochtigheidstoestand van den bodem wel in acht genomen worde. Is de grond te vochtig, dan hechten de kluiten, zich ook soms verdeelende, toch weer aaneen of worden ineengeperst. Is hij te droog, dan laten zij zich niet dan met groote moeite verdoelen. Zie ook ld. 247. Jn andere gevallen woidt de grond door het eggen te veel verkruimeld.
Het eggen heeft gewoonlijk in de richting, waarin geploegd is, plaats. Wordt tweemaal achter elkander geëgd, dan geschiedt het tweede maal veelal overdwars. Ook wordt wel overhoeks geëgd en wel zoodanig dat do balken der egge evenwijdig met de voren loopen. Daardoor worden de lage plaatsen van het geploegde land beter getroffen.
Ofschoon de eg zonder opzettelijke hulp meestal eene schommelende beweging aanneemt, daar de weerstanden van den grond niet overal dezelfde zijn, tracht men haar, vooral wanneer geëgd wordt om het onkruid te vernietigen,
maar ook bij het ineggen van zaad, eene schuifelende of draaiende beweging te geven, zoodat de tanden niet steeds in eene rechte lijn voortgetrokken worden. Daartoe bevestigt men aan hare achterzij een zoogenaamd tebhont of tobber, waarmede de werkman haar opzij en omhoog kan halen. Tevens wordt, wanneer veel ruigte of veel kluiten op het land gevonden worden, hot verstoppen daardoor voorkomen, wijl de arbeider deze, door de eg opzij of omhoog te trekken, kan laten voorbijgaan. Ook
zijn hiertoe eggen in gebruik, waa?van de tanden schuins geplaatst en in het midden langer zijn (Zeeuwsche of springegge), en die zonder hulp van
352
den werkman vrij sterk in eeno op- on neergaande beweging geraken. De stootende beweging dezer eggen is echter zeer nadeelig voor de trekdieren, te meer daar deze — zal het eggen doel troffen — een niet te langzamen gang mogen hebben. Om deze reden wordt voor dit doel aan de eggen met se.luünsche of kromme, maar allo even lange tanden, tegenwoordig vooral op
de niet te zware kleigronden de voorkeur gegeven. Bij Howard's eg, Fig. 134, dienen de staarten om de tanden in den grond te drukken en zoo de eg dieper te doen gaan, of ook, bij verstopping, uit den grond te trekken om de tanden te kunnen zuiveren.
3. De rol en het rollen.
De rol, hot rolblok of de wentel wordt hier to lande meer gebruikt ter bewerking van het reeds bezaaide of mot planten bezette land, dan wel om den grond voor het opnemen van 't zaad geschikt te maken. Soms gebruikt men hem tot hot verbrijzelen van do kluiten vóór hot zaaien.
Do hier to lande meest gebruikte Fig. 145. Driedeelige gladde rol met rollen bestaan uit oen massieven of hol-disselboom van Gross en Co. te Leipzig- ]en houten cilinder; in hot midden der Eutritsch, van hout (of ijzer); die van , . n ,
hout 45quot; èn 50 cM. en die van ijzer 40 beide einden daarvan zijn tappen aan-c.M. in middellijn. Lengte2.00k2.30cM. gebracht, waarmede bij in een raam kan draaien. Een der rollen in Fig. 145 afgebeeld komt met deze inrichting het meest overeen. De holle rollen, van grooteren diameter als de kleino en daarom minder trekkracht vereischondo, zijn soms zoo ingericht, b.v. die van Eckert, dat zij niet eeno grootero of kleinere hoeveelheid water gevuld kunnen worden of is het raam van boven van een bak voorzien, waarin steenen geplaatst kunnen worden, of van oen zitplaats voor don drijver voorzien.
353
Fig. 146 en 147, om ze zwaarder te maken en al zoo de door den rol uitee-oefenden drnk te vergi-ooten. Op enkele plaatsen zijn ook rollen van zerk of zandsteen in gebruik.
Do meeste rollen echter, althans die in hot buitenland in gebruik, worden
tegenwoordig van gietijzer gemaakt. Ook zijn in dit oorspronkelijk eenvoudige weiktuig allengs verschillende wijzigingen aangebracht.
Vooreerst in de bespanning. Het eenvoudigst geschiedt dit mot een ketting
. -—O-, uc ui ij ver uen joop eemgs-
zms leidt. Gemakkelijker gaat die besturing echter wanneer aan hot raam een
aan het raam en hot zwengelhout; aan de tegenovergestelde zijde van het
lomoen of disselboom bevestigd is. Fig. 145 en 146. Bajac levert voor de betere besturing een raam met twee eenvoudige vóórraderen.
Een tweede wijziging is dat men twee of meestal drie kleinere rollen REINDERS, I. Vierde druk. ^3
354
bijeenvoegt om ile oppervlakte van den bodem, b.v. van ronde akkers, betei te kunnen volgen.
Verder heeft men rollen met een gladde en met eene ruwe oppervlakte. Fig. 149. Ook zijn in gebruik rollen waarvan het cilindervormig oppervlak-uit niet aan elkander sluitende eikenhouten ribben bestaat (Bajac).
Meer verschillend hiervan zijn de rollen welke uit een groot aantal schijven bestaan, die op ééne as bevestigd zijn. Men kan deze in het algemeen ring-
Fif. 151. Kluitenbreker of CambrMge rol van Eckert, Agent Kou veld te Amsterdam. De breedere gladde ringen zijn 38 cM. in middellijn en ^
breed de smallere getande ringen 42 cM. in middellijn en - cM. breed. Heide draaien los om de as, maar de tweede hebben in het midden eene grootere opening, die haar eene grootere speelruimte om de as veroorlooven.
rollen noemen en onderscheidt daarvan naar den vorm van de doorsnede der ringen nog verschillende soorten (Segment- en wigvormige, Croskill, Cambridge, Corbett, Spencer enz.). Bij de Segment-rollen Fig. 14G is de oppervlakte glad of do doorsnede rechthoekig, en deze werken als gewone gladde rollen, dat
is drukken don bodem min of meer gelijkmatig samen. Aangezien echter eik-segment onafhankelijk van de andere om de as kan draaien, geeft dit eene groote gemakkelijkheid bij het wenden en schuift de aarde daarbij minder op een hoop. Hetzelfde is het geval met die rollen waarvan de ringen wigvormig
855
of gegroefd zijn, Fig. 147 on 150, maar waarbij de bodcmoppervlakte minder vlak wordt als bij de bewerking met een gladden rol maar meer oneffen blijft.
Bij de overige ringrollen, die meer dienst doen als klmtenbreker, zijn öf alle ringen van scheurkies-vormige verhevenheden voorzien (Howard), öf geribd, voor een deel ook tangentiaal aan de zijden (Crosldll), Fig. 155, of ster- of kegelvormig (Kitster); öf ringen, met radiaal geplaatste tanden, wisselen of met gladde of met Croskill-ringen, Fig. 154 en 155. Ook deze rollen zijn öf enkelvoudig öf de ringen tot twee of als in onze figuren tot drie cilinders vereenigd. Zijn bij de ringrollen de ringen tot twee cilinders. Fig. 153, vereenigd, dan grijpen de scherpe kanten van den eenen cilinder in de holton tusschen twee ringen in den anderen, waardoor de aangehechte aarde verwijderd wordt.
spronkelijke Croskill's, dan zijn de ringen overeenkomstig hun doel veelal zwaarder.
Bij het gebruik dezer werktuigen tot het verbrijzelen dor kluiten moot ook zooveel mogelijk met don vochtigheidstoestand van den grond rekening Worden gehouden, bl. 247; en om hot samenschuivon der aarde op de wendeakkers te voorkomen, is hot gowenscht de verschillende gangen niet te dicht bijeen te nemen.
Over het gebruik van den rol bij hot zaaien en bij het verplegen van de te veld staande gewassen, zal in Deel II gehandeld worden. Hier merken wij nog op dat tengevolge van hot dichtrollen van den bodem, deze aan de oppervlakte meer vochtig blijft maar naar beneden meer uitdroogt dan wanneer hij met een verkruimeld laagje grond is bedekt, aangezien in hot eerste geval het verband met de capillairen in den ondergrond blijft bestaan, derhalve vocht aan de oppervlakte kan stijgen en hier verdampen, terwijl in het tweede geval dit verband verbroken wordt en het verkruimelde laagje wel sterk uitdroogt, maar do grond daaronder vochtiger blijft.
4. Eenige nieuwe landbouwwerktuigen en het daarmede verrichte werk.
De ploeg, de egge on de rol vormden, nog niet lang geleden, de eenige werktuigen tot bearbeiding van den bouwgrond; zij zijn hot nog daar, waaide landbouw op een geringoren trap van ontwikkeling staat. Langzamerhand zijn echter nog andore werktuigen daarvoor uitgedacht en veelvuldige wijzigingen in de bestaande aangebracht. Sommige hiervan worden wel enkel in de bergplaats des landbouwers of in landbouwverzamolingen aangetroffen of
zijn slechts onder enkele omstandigheden of voor bijzondere doeleinden te
356
gebruiken, b.v. de ronddraapnde egge, die bij het voorttrekken kromme banen beschrijft en de Noorweegsehe egge, waarbij de tanden op eene ronddi-aaiende as op een onderstel bevestigd zijn. Zoo ook Randall's kruimelaar die bestaat uit twee rijen schijven, welke op verschillende, ten opzichte van de richting waarin getrokken wordt verstelbare, assen geplaatst zijn. De schijven worden door hare zwaarte in don grond gedrukt, bij hot voorttrekken rondgedraaid
en schuiven de aarde op zij, mengen haar en verbrijzelen min of meer de kluiten. Yoor een dergelijk doel is ook eenige jaren geleden de Amerikaansche Acmé-egge aanbevolen. Bij dit werktuig zijn aan een raam messen bevestigd, die in den vorm van oen ploegrister gewonden zijn en, over den grond gesleept wordende, dezen verkruimelen en mengen. Onder den
naam van Iierse éerouteuse-éinotleusigt; leveit Bajac te Liancourt een werk-aan don omtrek van tanden voorzien
tuig, dat uit een viertal ronde staven en die in een raam kunnen draaien, bestaat.
Eene andere groep van werktuigen is reeds lang bekend onder den naam van extirpators, scarificators en cultivators. Van deze wordt het meest gebruikt een werktuig van den vorm ongeveer als Fig. 156, en dat wij onder den
meest algemeenen naam van cultivator zullen vermelden, maar dat ook wel extirpator of scarificator l) en eenigszins gewijzigd en ingericht voor eene diepere bewerking van den grond, vooral bij stoomcultuur, gewoonlijk (jruhher
') Extirpator beteekent uittrekker; de scharen hebben daarbij meer den vorm van een kromtand-egge, zij zijn spits of beitelvoimig en ami de voorzijde afgerond, omdat zij dienen om de wortels uit te trekken maar niet stuk te scheuren of af te snijden. Scarificator (Eng. scarifier) beteekent scholl'elwerktuig; de scharen daarvan eindigen in scholl'eltjes; met breedere scharen voorzien, heet hel werktuig in Frankrijk divhau-rneiise, omdat het dient om de bovenste laag aarde af te schillen.
Bajac te Liancourt levert een soort van universeelen cultivator, waaraan velschillende scharen of scharen met verschillende schoffels bevestigd kunnen worden, ook veerende tanden, zooals bij de hieronder te vermelden nieuwe cultivators; het werktuig heet dan piocheur-vibrateur.
357
de scharen, behalve geheel uit het werk, op verschillende diepte kunnen worden geplaatst.
Do cultivator wordt gebruikt om in plaats van hot zoogenaamde stoppel-ploegen , na den oogst, den grond oppervlakkig te doorwoelen, zoodoende de stoppels en onkruiden los te maken en hot onkruidzaad tot ontkieming te
358
brengen. Met 2 a 3 paarden bespannen wordt dan in denzelfden tijd niet slechts meer werk geleverd, maar het werk wordt ook beter geacht, daar de onkruidwortels minder stuk gesneden en in hun geheel naar boven worden
gebracht en de onkruidzaden beter ontkiemen. Hij verricht dus deels het werk van eene eg, deels van een' ploeg. Ook dient hij om den in den herfst geploegden maar onbe-zaaiden grond in het voorjaar door te werken.
Wegens de niet geringe trekkracht van den cultivator, geven vele landbouwers echter, vooral voor laatstgenoemde bewerking, de voorkeur aan eene beitelegge of zoogenaamden kruimelaar (Krammer), zijnde eene gewone ijzeren eg met schoffel- of beitelvormige tanden voorzien, waarvan Fig. 157 een denkbeeld kan geven. Ook deze kunnen op een stel met raderen bevestigd worden, waardoor de trekkracht geringer wordt en de diepte waarop de scharen in den bodem zullen dringen meer geregeld kan worden. Het werktuig komt dan vrij wel
overeen met een cultivator en kun dan ook dienen voor het bewerken der stoppelvelden. Fig. 158. Dieper kan de grond bewerkt en tevens min of meer gekeerd worden met de lapeleggc, een werktuig, dat tot ongeveer gelijk doeleinde wordt gebruikt als do hierboven vermelde beiteleggen, of ! ook eene eg waarvan de tanden den j vorm van een ossehoorn hebben i (oshoornegge). Fig. 159 stelt een dergelijk werktuig, de Schotsche lepel-eg voor.
Al deze werktuigen vereischen Fig. 161. Howard's cultivator, Macleoil's echter tamelijk veel trekkracht. De
patent, A front wed. Massée en Zoon, te betere staalfabricatie heeft nu geleid Goes. Voor/jen van omkeerbare scharen. , , , ,. . .
tot de vervaardiging van lichtere cultivators, waarbij aan veerkrachtige gebogen staven kleine scharen, nog van verschillenden vorm, bevestigd zijn en die niet als de gewone, bij wijze van een schoffel werken, welke min of meer op den bodem rust, maar meer op de wijze van een hak. De gebogen veerkrachtige staven ziju aan een stel op raderen bevestigd en kunnen met behulp van een hefboom uit en in het werk gezet worden.
Een dergelijk werktuig werd liet eerst in 1893 door de finna Massey-Harvis en Co. te Londen op de tentoonstelling te Chester gebracht. Het meest
359
komt daarmede overeen de cultivator thans door de firma Kansomes en Co. te Ipswich vervaardigd, de Ipswich steel mltimtor, Fig. 1G0. Op hetzelfde beginsel berustende, maai- eenvoudiger ingericht zijn de champion-cultivators van Howard, Fig. löl en die, van andere scharen voorzien, of als distelsnijder. Fig. 162, of voor liet aanaarden van aardbeziën en voor het bewerken van den grond in hoptuinen enz. kan worden ingericht.
Ook de onderr/rond.splocgcn en grondwoelers, die dienen om den grond onder de gewone bouw voor los te maken komen meer en meer in gebruik. Ofschoon
uitwendig veel overeenkomst met eenen ploeg hebbende, bezitten zij geen rister, maar aan hot lichaam is oene schaar bevestigd, die ongeveer de gedaante heeft van een gelijkbeenigen driehoek en. door den grond getrokken, dezen opbreekt en min of meer ter zijde schuift. Fig. 163 en 164 stellen onder-grondsploegen voor; zij worden meestal door tie geploegde voor
Kig. I(i'i. Howard's cultivator voor liet uit- getrokken, om deze 10—25 cM.
dieper los te maken. Naarmate
deze bewerking meer of minder diep zal gaan, worden soms nog verschillende scharen gebruikt.
Een ondergrondsploeg maakt den ondergrond eenvoudig los, zonder dien aan de oppervlakte te brengen. Wil men bovendien den losgemaakten ondergrond naarboven werken, dan dienen daarvoor do ploegen voor diepe bewerking (diepploegen) van Sack, Eckert, Bajac en anderen, Kig. 101, 108 en 111.
Ook kan de tweescharige ploeg van Sack, Fig. 120, zoo worden ingericht
300
die clus don boclem in de pas geploegde voor los niatikt, wat in zoover minder doelmatig is, omdat de trekdieren dezen bij don volgenden gang weder vast-
treden, en dit bij de ovengenoemde inrichting niet het geval is.
Ook de tweescharige ploegen kunnen als nieuwere werktuigen worden beschouwd. Zij worden als schilphegen gebruikt om de stoppels, vooral van klavers
Fig. 104. Sack's Universalploeg als ondergrondsploeg en graslanden, dunnetjes ingericht, Agent I.. Nagel en Co. te Arnhem. om te ploegen 0f te schil
len, of tot het onderploegen van zaaizaad.
Nog vestigen wij de aandacht op de sleepers, in enkele streken van Nederland in gebruik, en die dienen om den akker geschikt te maken voor het
zaaien met de zaaimachine. Wanneer het land namelijk daartoe met den ploeg of met een ciütivator bewerkt is, wordt het niet dadelijk geëgd en gerold, maai- eerst met den sleeper vlak gemaakt. Deze bewerking is weinig kostbaar en schijnt op een milden grond zeer doelmatig te zijn. De sleeper, ook sleep of akker-
Fig. 165. Grondwoeler (Grubberfuss) van sleep genoemd, hier te lande in ge-Eckert's éénscharige ploegen. bruik, is een zeer eenvoudig werktuig.
Stellen wij ons voor eene eenigszins groote ploegslede, ongeveer 1.20 M. breed en 1.80 M. lang, waarvan de ondersteuningsbalken niet twee, maar vier in getal zijn, zoo kan men zich ongeveer een denkbeeld vormen van den
sleeper, gelijk die o. a. op 't eiland Schouwen algemeen in gebruik is. De ondersteuningsbalken zijn echter kleiner dan die van eene ploegslede; tevens is er nog dit verschil, dat men de paarden er dwars voorspant, dus juist aan de lange en niet zooals bij eene slede aan de korte zijde.
361
3G2
en meer te allen tijde, b.v. in meer vochtigen toestand, te kunnen bewerken, doen in sommige streken de stoomcultuur meer en meer ingang vinden.
De ploeg, de cultivator (grubber), de egge en de rol zijn ook hierbij de meest belangrijke werktuigen. Fig. 168 kan ons een denkbeeld geven van de inrichting van eenen stoomploeg. Hij bestaat uit een ijzeren raam, dat juist in zijn zwaartepunt ondersteund wordt door een stel op 2 wielen. Ter weerszijden hiervan zijn aan het raam in eene schuinsche richting 3—8 ploeg-lichamen met daarbij behoorende kouters enz. bevestigd. Bij het ploegen, zie
Fig. 171, komt slechts ééne der rijen, door het gewicht van den bestuurder naar beneden gedrukt, in werking, terwijl de andere helft van 't raam met de daaraan bevestigde ploeglichamen, in do hoogte stijgt.
Aangezien echter een ploeg die juist balanceert, vooral wanneer weinig diep geploegd wordt, bij de snelle beweging licht gaat schommelen en het doel dat in do hoogte zweeft neiging heeft om het werkende deel uit den bodem op te heffen, brengt Fowler aan dergelijke ploegen tegenwoordig een versclmif-baar middenstuk (antibalance), dat automatisch verplaatst wordt en waardoor het deel waarop de ploeger zit en dat aan het ploegen is zwaarder wordt dan hot zwevende deel. Door die verplaatsing van het zwaartepunt wordt een vasteren gang aan don ploeg gegeven. Bij het wenden en omkippon aan de einden van 't veld wordt do ploeg door de trekkracht eersl weder in evenwicht gebracht en daarna, zoodra hij weder in hot werk gezet is, het zwaartepunt naar hot werkende deel verplaatst.
De slooin-ndlivators (grubbers) zijn zoor verschillend ingericht. In 't algemeen bestaan zij echter, evenals de hierboven vermelde voor paardenkracht, uit een raam, door drie wielen ondersteund en waaraan een 5- a 9-tal scharen bevestigd is. Zij bezitten dan eene eigenaardige inrichting, om, aan het eind der baan gekomen, te kunnen wenden (turning cultivators). Fig. 1G9. Do balanceerende cultivators (balance cultivators) daarentegen bestaan, evenals de stoomploeg uit een raam, dat op twee wielen belanceert en een dubbel stel scharen draagt. Deze behoeven dus, aan het eind der baan gekomen, evenals de stoomploeg, slechts omgewipt te worden.
363
Ook do stoom-eg' en de stoom-rol worden aan een, gewoonlijk voor beiden passend, raam bevestigd, dat door vier wielen ondersteund wordt. Beide zijn van aanzienlijke afmetingen, zoodat men daarmede een groote uitgestrektheid
364
Do voordoeion der stoomciütuur bestaan vooral hierin, dat de grond hierbij dieper, tot 3 a 4 dM. en meer bewerkt kan worden. Voor het diep losmaken van den grond wordt inzonderheid van de grabbers gebruik gemaakt.
Ook is hot bewerken van den grond in meer vochtigen toestand bij stoom-cnltuur minder nadeelig en kan men derhalve in den herfst langer hiermede aanhouden. Zij geeft namelijk het belangrijke voordeel dat geene trekdieren over den grond behoeven te gaan, waardoor deze, in te vochtigen toestand bewerkt, altlians plaatselijk, licht bedorven wordt.
Hij de stoomcultuur worden de werktuigen toch voortgetrokken door middel van een' draad, gewoonlijk staaldraad, die door een stoomwerktuig (locomobile) o]) een windas wordt gewonden. Naar de wijze waarop dat geschiedt, kan men hoofdzakelijk twee verschillende stelsels onderscheiden.
Bij hot eerste, hot twee-machiiies-stelsel, worden aan weerszijden van eon stuk land locomobiles geplaatst, waar of aan de onderzijde (stolsel Fowlor-Maagdeburg, Fig. 171) 5f aan hot achtereind (stelsel Howard-Bedford) de windassen, noodig voor het opwinden van den draad, bevestigd zijn.
De ploeg en de andere werktuigen bewegen zich van rechts naar links en omgekeerd tusschen deze locomobiles. Wordt de draad op het windas der
eene locomobile gewonden, dan gaat de daaraan bevestigde ploeg b.v. rechts; terzelfder tijd loopt de draad van het windas der andere locomobile af. Zoodra de ploeg aan het eind gekomen is, wordt laatstgenoemde locomobile (door de stoommachine zelve bewogen) zooveel verplaatst, als de breedte der geploegde voren bedraagt, de ploeg omgewipt en nu door de verplaatste locomobile naar het andere einde van 't land getrokken.
De voordeelen van dit wel is waar duurste stelsel zijn: dat het gemakkelijk vervoerd en verplaatst kan worden en, door de directe werking van de trekkracht op de gereedschappen, onnoodige wrijvingen en verlies van arbeid vermeden kunnen worden; het hoogste nuttig effect van de stoomkracht wordt alzoo verkregen, terwijl door den snellen gang der gereedschappen de bewerking van den grond des te beter wordt.
Voor het tweede stelsel, dat nog op verschillende wijzen uitgevoerd kan
365
worden en hot eerst loor Fisken en Harford en Perkins als round-about stolsel is ingevoerd, is slechts éene locomobile noodig.
Fowler voert thans dit stelsel op de volgende verschillende wijzen uit:
10. Stelsel A. De locomobile is van 2 windassen voorzien en staat op of nabij hot te ploegen veld. De ploeg beweegt zich tnsschen twee zoogenaamde anker-wagens O]) de wondoakkers geplaatst, en wel door het opwindon van don draad die van den [Joeg over oen der ankerwagens naar het eone windas der locomobile gaat. Terzelfder tijd loopt de draad, van hot andere windas over den anderen ankerwagen en den ploeg gaande, af. Heeft deze den eersten ankerwagen bereikt, zoo worden de ankorwagens automatisch door de locomobile verplaatst en nu de tweede draad opgewonden, terwijl de eerste afloopt en de ploeg don terugweg neemt.
20. liet stelsel 11. Do locomobile, van twee windassen voorzien, is op een dor wondoakkers geplaatst, daartegenover op den anderen wendeakkor staat een ankerwagen en voorts is een anker zoo geplaatst dat zijn stand mot dien der locomobile en van den ankerwagen een driehoek vormt. De draad loopt nu van hot eene windas der locomobile naar hot anker, van hier naar den ankerwagon en zoo terug naar het andere windas. In dit laatste doel van den draad is de ploeg gespannen, on aangezien nu de draad rechts of links op do windassen wordt gewonden, kan daardoor de ploeg hoon en terug bewogen worden. De locomobile kan door haar eigen stoomkracht verplaatst worden en door haar tevens de ankerwagen.
30. hrt round-about stelsel. Dit komt het meest mot het stelsel A overeen, maar terwijl bij do andere stelsels eon locomobile met dubbele windas wordt gebruikt, is bij het round-about stelsel eon afzonderlijke windaswagen in gebruik en dient oon gewone locomobile voor beweegkracht. Deze staat ook hier op den nabij zijndon weg of op don kant van het to ploegen land, tor-wijl de draad welke op de windassen der naast de locomobile staande windaswagen op- en afgewonden wordt, over de ankerwagens on over hot te bewerken deel van hot land loopt. Do ploeg of do andere werktuigen worden dan weder tnsschen do ankorwagens, van de eene zijde van 't land naar de andere getrokken.
Door eene eigenaardige inrichting wordt voorts ook hier bewerkt, dat de ankerwagens, die bij het ploegen vastgezet worden, beurtelings zich verplaatsen, zoodia do ploeg aan het eind gekomen is, en wol zooveel als de breedte van do geploegde voren bedraagt. Elke ankerwagen is namelijk van een windas voorzien, waarover een draad loopt die aan oen zoogenaamd klauwanker, op de hoekon van hot veld geplaatst, bevestigd is. Door dit windas te draaien wordt de draad ingekort en de ankerwagon in de richting van het anker verplaatst.
Van deze verschillende stelsels is het round-about stelsel 't minst kostbaar en beveelt zich bovendien aan, doordat do locomobile beter dan die van de andere stelsels voor andere doeleinden gebruikt kan worden. Hot is echter minder eenvoudig en wegens de groote draadlengte enz. zijn do onderhoudskosten van dit en do andere één-machine-stelsels in don regel grootor dan die van het twee-machines-stelsel, dat men ook door het vervaardigen van kleinere werktuigen in de laatste jaren steeds goedkooper hoeft trachten te
366
leveren, terwijl men de locomobiles te gelijk voor andere doeleinden heeft bruikbaar gemaakt. Het eenvoudigste is liet één-machine-stelsel B.
De hooge kosten van aanschaffing zullen echter steeds eene groote hinderpaal blijven voor het moer algemeen gebruik maken van de stoomcultunr. Om een denkbeeld van die kosten te geven vermelden wij, dat een compleet slol van Fowler voor twee machines van 16 paardekracht (compound-systeem) met toebehooren kost ruim /33000, dat met één machine, stelsel A, ongeveer f 16500, stelsel B, f 16800 en hot round-about stelsel, zonder locomobile, ruim f 6000.
Eene vijftienjarige waarneming op het landgoed Bellye heeft geleerd dat met het twee-machines-stelsel, met locomobiles van 20 paardekracht, in één dag 5.73 hectare diep geploegd, 6.34 hectare vlak geploegd, 11.36 heet. met den cultivator bewerkt en 15 hectare geëgd kan worden.
Ten slotte merken wij nog op dat Fowler thans ook zoogenaamde gang-stoomploegen vervaardigd, waarbij de ploeg, met eene ketting aan een locomobile bevestigd, daarmede direct over het veld getrokken wordt. Behalve op de mtgostrekto landerijen in enkele Staten van Noord-Amerika, zijn dergelijke stoomploegen in gebruik in Lombardyo, waar door het bevloeien de bodem zeer dicht wordt, zoodat de locomobiles daarover kunnen gaan zonder belangrijk in te zinken. In Amerika worden do raderen der locomobiles in dit geval van extra breede velgen voorzien.
T). nii BEARBEIDINGSMETHÜDEN.
Niet het ploegen alleen, maar dit eerst in vereeniging met vorsciiiHonde andere bewerkingen, hierboven vermeld, kan den bouwgrond iu den gewensch-ten toestand brengen. Door bearboidingsmethOde verstaan wij dan do vereeniging en opvolging van de verschillende bewerkingen van den grond cn de wijze waarop zij uitgevoerd worden, om tot hot gewenschte doel te leiden.
Naar do geaardheid van den grond en den aard van hot gewas, dat daarop geteeld is of geteeld zal worden, bestaat er een groot verschil in deze methoden. Hier wordt slechts eene onkole maal geploegd en geëgd, elders verscheidene malen; soms wordt de grond slechts weinig diep, elders zoo diep mogelijk bewerkt; nu eens wordt daarbij slechts van ploegen on eggen, dan eens meer ook van cultivators en van andere nieuwere werktuigen gebruik gemaakt.
Bepaalde voorschriften en regels kunnen dienaangaande moeilijk gegeven won Ion. Bijna olko streek heeft daarvoor zijne eigenaardigheden. En ofschoon de gewoonte niet zelden eene groote rol hierbij speelt, dient do landbouwer veelal naar omstandigheden, b.v. den aard van 't weer te handelen en het doel, waartoe een en ander wordt gedaan, steeds voor oogen te houden. Wat het doel der verschillende bewerkingen is, hebben wij hierboven in algemeene trekken geschetst; thans zullen wij eenigo methoden hiei-aan toetsen.
a. liet braken. Door braken verstaat men eene methode, waarbij hot land een tijd lang van vruchten ontbloot blijft en dan herhaaldelijk bewerkt wordt. In vroegeren tijd liet men het om het andere jaar, later om het derde jaar liggen, zonder er iets op te telen. Dat ledige jaar was het braakjaar. Dan
367
werd het land bearbeid en bemest en derhalve voor de teelt van een gewas weder vruchtbaar gemaakt. Bij de invoering der teelt van klaver en andere voedergewassen werd het braken echter geheel of grootendeels afgeschaft. Daartoe heeft wellicht ook de meer droge ligging, in latere jaren aati de landerijen gegeven, bijgedragen. Thans is het braken nog slechts in enkele streken en naar het ons voorkomt, zelden zonder voldoenden grond, in gébruik. Hier schrijft hot huurcontract een braakjaar voor, elders wordt uit gewoonte gebraakt en maakt het niet volgen van een goed stelsel van vruchtwisseling met daarbij passende grondbewerkingen of eene niet genoegzame drooglegging het braken noodzakelijk. Daar, waar de landbouw op een goeden trap van ontwikkeling staat, is het braken grootendeels afgeschaft. Slechts in enkele gevallen wordt het hier noodig geacht, namelijk wanneer aan hot land eene andere ligging zal worden gegeven, gedraineerd zal worden of als het geheel door onkruid verwilderd is. Het braken krijgt dan meer het karakter eener algemeene verbetering dan wel van eene periodieke bewerking.
Toch wordt in deze gevallen niet meer de volledige braak genomen, maar öf hot land in het voorjaar bewerkt en dan worden b.v. Mangel wortels gepoot, of Dederzaad of Mosterd gezaaid (voorjaarsbraak), of, nadat het land, met Klaver liggende, in het voorjaar en in den voorzomer geweid of eenmaal gemaaid is, wordt het gedurende den zomer bearbeid, om vervolgens met Koolzaad of Wintergraan bezaaid te worden {zomer- of St. Jakob* braak), öf de bewerking heeft in den nazomer en herfst, nadat de oogst van het veld is, plaats, wanneer het land het volgend voorjaar bezaaid wordt {herfxthrank). Nog in andere gevallen worden boonen op rijen geteeld, met eene tusschen-ruimte van 1 a 1.5 meter. De Boonen veroorloven dan eene oppervlakkige bewerking van het geheel, (door eggen) in het voorjaar, en eetie diepere bewerking (door ploegen) tusschen de rijen in den zomer, waarna gewoonlijk Koolzaad wordt gezaaid {halve braak in het Oldambt, provincie Groningen).
Bij de volledige braak daarentegen wordt de grond, in den herfst, nadat vooreerst de stoppels dun omgeploegd en geëgd zijn, nogmaals en dieper geploegd. Hij blijft dan ongeëgd liggen, totdat in het voorjaar liet gewone werk is afgeloopen. Dan wordt hij geëgd om de reeds ontkiemde onkruiden te vernietigen, nieuwe onkruidzaden te doen ontkiemen en de onkruidwortels aan de oppervlakte te brengen. Nadat de onkruidwortels verdroogd of van het land verwijderd zijn, wordt weder geploegd, daarna geëgd enz., en dit met eenige tusschenruimte gewoonlijk eenige keeren tot aan den zaaitijd herhaald. Intusschen heeft men ook de slooten gegraven, de hieruit verkregen aarde alsmede de mest over het land gebracht en ondergewerkt. Wat men hier door 4 a 5 keeren, ja soms nog vaker te ploegen en te eggen tracht Ie verkrijgen, beoogt men ook bij de bovengenoemde wijze van braken in een korten maar meer geschikten tijd en door minder vaak te ploegen. Vernietiging van onkruiden is hierbij hoofdzaak, maar terecht of ton onrechte worden gewoonlijk nog andere voordcelen van het braken vermeld. Veel is er echter dienaangaande niet met zekerheid bekend.
Zoo wordt gezegd, dat het herhaald ploegen en eggen de vorweering van den grond bevordert. Dit beteekent, dat zijne organische bestanddeelen langzaam verbranden, verteren, en ook anorganische bestanddeelen worden omgezet
368
en stoffen gevormd., die tot voeding der plant kunnen dienen. Wat nu het verteren der organische stoffen, de overblijfselen van planten enz. betreft, herhaalde onderzoekingen van Boussingault hebben aangetoond, dat dit onder dergelijke omstandigheden wel degelijk geschiedt en de stikstof dezer stoffen, met de zuurstof des dampkrings en de in den grond voorkomende metalen calcium, kalium, natrium enz. salpeterzure zouten vormt, vergel. bl. 274; die salpetervorming wordt voorts bevorderd doordat de niet met planten begroeide grond vochtiger blijft. Verder wordt koolzuur gevormd, dat, in liet water opgelost, onder anderen koolzure kalk oplost. Do opgeloste koolzure kalk lost verder phosphorzuur op enz., verg. bl. 276; kortom de scheikundige omzettingen die in het braakjaar in den bodem plaats hebben, komen, daar geen gewas hot bereide planten voedsel direct wegneemt, zeker het op het braakjaar volgend gewas te goede. Wat echter de eigenlijke verweering betreft, heeft naar het ons voorkomt het braken meer beteekenis voor oorspronkelijke gronden, bl. G, waarin veldspaath en andere steenbrokjes in grootere hoeveelheid voorkomen en die meer in den waren zin des woords verweeren. Vooralsnog is er te weinig bekend omtrent de hoeveelheid dezer verbindingen in onze bouwgronden, vergel. bl. 262, om te kunnen zeggen welke waarde het braken, als middel tot verweering der bodem-mineralen, heeft. Neemt men echter in aanmerking, dat door eene doelmatige vrnchtwisseling en betere drooglegging, tusschen de oogsten en liet weder bezaaien, in sommige jaren tijd tot bewerking gevonden en zoo noodig de voorjaars-, zomer- of herfst-braak toegepast kan worden; dat wanneer op deze wijze geene voldoende hoeveelheid salpeter in den bodem mocht gevormd zijn, daarin door eene bemesting met chilisalpeter kan worden voorzien; dat door de rijenteelt, goede bemesting en betere drooglegging vele onkruiden vernietigd, althans onderdrukt kunnen worden; en bedenkt men verder dat niet het veelvuldige ploegen en eggen, maar meer het bewerken op den geschikten tijd de basis der bearbeidingsmethode moet zijn, dan komt men tot het besluit, dat de volledige braak slechts in enkele gevallen toegepast behoeft te worden. tenzij door eene slechte drooglegging, het niet-bouwen op rijen en eene overigens slechte bewerking de ohkruiden spoedig meester worden.
}gt;. De behandeling der stoppelvelden enz. De gewone tijd voor liet periodiek bewerken van den bouwgrond is de nazomer en herfst, zoodra de oogst is binnengehaald. Vooral wanneer liet land vóór den winter opnieuw bezaaid zal worden, tracht men van den tijd tusschen het oogsten en het zaaien zooveel mogelijk gebruik te maken om het onkruid te vernietigen, het land te mesten enz. en wordt zoo spoedig mogelijk hiermede begonnen. Ook dan is de methode van bewerken niet altijd dezelfde. Kleigronden worden in den regel vaker geploegd dan zandgronden. Soms wordt slechts getweevoord, niet zoo zeer om diep te ploegen, maar om de stoppels goed onder te brengen. In den regel wordt echter eerst zeer ondiep geploegd en daarna geëgd, 0711 de onkruidzaden te doen ontkiemen en de stoppels en onkruid wortels (wortelstokken) af te snijden of los te maken. Zoo blijft het land eenigen tijd liggen. Zijn nu de onkruidzaden ontkiemd en de losgemaakte wortels verdroogd, dan wordt op nieuw en wel veelal dieper geploegd, teneinde de ontkiemde plantjes door bedekking met aarde te verstikken, de zaden, die in de nu bovenge-
360
brachte laag inocliton voorkomen, tot ontkieming en de daarin aanwezige wortels van onkruiden (kweek, distels, hoefblad) aan de oppervlakte te brengen. Thans wordt vooral van de kweekegge gebruik gemaakt, om genoemde onkruid-wortels uit de losgeploegde aarde te trokken. Zijn deze, door blootstelling aan de lucht, verdroogd en de onkruidzaden zooveel mogelijk tot ontkieming gebracht en de kiemplanten gedood, dan wordt op de volle diepte van 2 a 2.5 dM. geploegd, het land effen geëgd en gezaaid. Soms wordt, bij voel regen b.v., vóór het zaaien slechts twee keer, in andere gevallen ook wel 4 maal geploegd.
Meer tijd houdt men voor het bewerken van den grond over, wanneer het land in den herfst niet weder bezaaid wordt. Het bewerken krijgt dan meer het karakter van braken (herfstbraak). Na de laatste maal ploegen, 't welk gewoonlijk zoo diep mogelijk geschiedt, wordt dan niet geëgd, maar blijft het land op de ruwe vurg liggen, teneinde den grond meer kluiterig en daardoor meer holten er in over te houden. Dooi' den grond te eggen — zoo hij hiervoor' niet reeds te vochtig is — zou hij te veel verkruimelen, weldra met eene ineengeslibde laag bedekt en derhalve de lucht meer afgesloten zijn. Des voorjaars wordt, dan niet weder geploegd, tenzij nog veel onkruid (b.v. winter- of zwartgras) mocht opgeslagen zijn, maar de grond b.v. met do beitelegge geëffend en losgemaakt, of met den cultivator bewerkt.
Ofschoon nu de practijk zich overtuigd houdt, dat op deze of gene wijze de bouwgrond goed bewerkt en veel onkruid vernietigd wordt, worden toch ook niet zelden bedenkingen tegen deze methode, vooral tegen het herhaald ploegen van don grond gemaakt. Hot is inzonderheid Rosonberg-Lipinsky, die in zijn werk, „der praktische Ackerbanquot;, tegen de herhaalde bewerkingen tusschen dc zoogenaamde stoppel- en de zaadvurg te velde trokt. Volgens hem wordt door hot veelvuldig ploegen de structuur van den grond veelal niet beter, aangezien hij daardoor allicht in oen' min of meer pocdor-vormigen toestand geraakt. Hij wijst er op, dat niet zoo zeer do mechanische bewerkingen als wol de invloed dei1 dampkringslucht, bij een behoorlijken graad van vochtigheid en eeno niet to lage temporatnnr, don bouwgrond in oen vruchtbaren (geschikten) toestand brengt. Voor die inwerking dor lucht is oen zekere tijd noodig. Geeft men den grond geen rust, maar wordt hij onophoudelijk geroerd, dan worden do scheikundige werkingen, welke do gowonschte veranderingen veroorzaken, tegengegaan, evenals er voor hot rijzon van doeg, na de vermenging mot gist, rust noodig is. Hij wil, wanneer het land door onkruid (kweek) verontreinigd is, den grond vooreerst ook slechts oppervlakkig, ongeveer 4 cM. diep bewerkt hebben on gebruikt daarvoor oenen schilploog, dat is een ploeg mot 3 scharen, waarmede 7.8 cM. broed en l.G a 3.9 cM. diep geploegd wordt. De onkruidwortols worden dan afgesneden en verdrogen. Loopen de in don grond goblevone weder uit, dan wordt hun groei door herhaald eggen tegengegaan of, zoo dit niet mocht baten, hot land na verloop van 3 a 4 woken mot oenen cultivator 2.5 a 7.8 cM., dus ook nog weinig diep, bewerkt. Mocht er zich na oen' plasregen eene korst gevormd hebben, dan wordt zoo spoedig mogelijk weder geëgd. De structuur van den grond is onder dat losgewerkte en opengehouden laagje zoo goed mogelijk geworden. Als voorbeeld wordt door hom aangehaald, dat hij bij gunstig weer in op deze wijze bewerkt land, na verloop van 4 a G weken,
REINDERS, I. Vierde druk. 24
370
zijn stok gemakkelijk kon steken tot op eene diepte van 2 a 2.4 dM., terwijl hem zulks, vóór het bewerken, niet mogelijk was. Do in den grond voorkomende wortels zijn in dien tijd grootendeels verteerd; op hunne plaats worden nu holten gevonden, waardoor de grond poreus geworden is; er zijn verschillende oplosbare stoffen gevormd, die do gronddeeltjes omgeven en ze in zoogenaamd garen toestand hebben gebracht, vergel. bl. 277. Gunstig daarop zal ook hebben gewerkt de meerdere vochtigheid die de bodem onder het losgemaakte laagje aarde behoudt, bl. 355, en de grootere scheikundige en physio-logische werking der bacteriën die daardoor kan plaats hebben.
Na deze oppervlakkige bewerking ploegt Eosenberg-Lipinsky vóór het zaaien op de volle diepte. Voor een zomergewas blijft de grond natuurlijk na dit ploegen op de ruwe vurg, dat is zonder geëgd te worden, des winters overliggen.
Aangenomen nu, dat door deze methode de structuur van don grond zoo goed mogelijk wordt, doet zich de vraag voor: worden ook de onkruiden daardoor vernietigd? En dan meenen wij, dat, wat de onkruidzaden betreft, de vernietiging op deze wijze even goed, zoo niet beter plaats zal hebben dan door den grond drie- of meermalen te ploegen. Waar bevinden zich deze toch? Immers aan of dicht aan de oppervlakte, althans die welke in hetzelfde jaar rijp zijn geworden. Meestal zijn het kleine zaden, die, om te ontkiemen, slechts eene geringe bedekking noodig hebben. Met altijd zullen ze dadelijk ontkiemen. In allen geval doet zich de vraag voor: zijn ze wel ontkiemd, wanneer volgens de gewone methode voor de tweede maal geploegd wordt? Zoo niet, dan worden ze allicht zonder te ontkiemen met den grond vermengd, later weder aan de oppervlakte gebracht en ontkiemen dan op een tijdstip, dat de kiemplantjes niet meer vernietigd kunnen worden. Wordt intusschen de oppervlakkige bewerking langer voortgezet, dan vermeerdert daarmede vooreerst de kans, dat zij zullen ontkiemen en, mochten ze niet ontkiemd zijn, zoo worden zij bij het dadelijk ploegen op de volle diepte meer bepaald onder in den bouwvoor gebracht en minder met de geheele bouw voor vermengd.
Gelijk boven gezegd is, beveelt Eosenberg-Lipinsky gemelde methode in hot bijzonder ook aan om de onkruidwortels en vooral die der Kweek of het Puingras te vernietigen. Hij baseert zicli hierbij op 'het feit, dat deze noodzakelijk moeten sterven, wanneer het afgesneden gedeelte aan de oppervlakte gebracht wordt en verdroogt, en ook de in den grond gebleven stukken te gronde gaan, wanneer men slechts zorgt, dat de voor iiunne ontwikkeling noodige bovenaardsche stengels en bladeren vernietigd worden. Zelf heeft hij proeven genomen en daardoor aangetoond, dat, wanneer deze slechts eenige malen worden afgestoken, de kweekwortels sterven. Intusschen ontwikkelt dit onkruid zich zeer verschillend. In de lichtere gronden meer bossen vormende, vormt het in de zwaardere gronden meer op zich zelf staande wortelstokken (bos- en draadkweek). In liet eerstgenoemde geval wordt de kweek gemakkelijker vernietigd dan in het laatstgenoemde en hot is wellicht de zoogenaamde bos-kweek, die hier door li. L. bedoeld wordt. Andere landbouwers zijn van oordeel, dat de draadkweek niet anders dan door dieper te ploegen en de daardoor losgemaakte wortels door eggen aan de oppervlakte te brengen, kan worden vernietigd. Toch gelooven wij, dat de opmerking: door hot ploegen worden de kweek- en andere wortelstokken niet zelden te veel verdeeld,
371
vergel. bl. 146, niet geheel ongegrond is, en is het de vraag, of liet niet beter is den grond met eenen cultivator te bewerken.
Komt in een stoppelveld geen kweek voor, zoo laat R. L. dadelijk op de volle diepte ploegen, maar gebruikt dan eene voorschaar, Fig. 86, om de stoppels goed onder te brengen. Hier te lande worden gras- en klaverweiden (kunstweiden), tenzij veel onkruid voorkomt, op deze wijze veelal behandeld of get wee voord. Dit tweevoren dient dan niet om diep te ploegen maar om de zode goed onder te brengen. In Frankrijk en Duitschland daarentegen is het regel de op zulk land voorkomende zode vooraf dun af te ploegen, dooi' eggen te verdoelen en na eenigen tijd aan de lucht blootgesteld geweest te zijn, dieper onder te brengen. Rosenberg-Lipinsky handelt op gelijke wijze, maar gebruikt hiervoor meestal den schilploeg. Wij merken hierbij op, dat, naar het ons voorkomt, de in den grond aanwezige wortels dezer planten in den regel spoediger zullen verteren dan die van een dood gewas, stoppels van granen b.v., daar zij nog levend zijnde bij het omploegen, mot sappen gevuld zijn, die ze doen rotten, 't welk met een gewas, dat na het voortbrengen van zaad gestorven is, niet of minder het geval zal zijn. Welke dezer methoden intusschen de voorkeur verdient, durven wij niet beslissen.
c. Het diephewerken van dm bouwgrond. De diepte, waarop de bouwgrond gewoonlijk bewerkt wordt, bedraagt ongeveer 2 a 2.5 dM. Eene enkele maal en vooral voor sommige gewassen wordt het echter raadzaam geacht wat dieper te gaan. Want ploegt men altijd (dat is de laatste maal) even diep, dan vormt zich door het loopen van een der trekdieren in de voor en door het sleepen der ploegzool over den grond eene dichte laag', die door eene enkele maal b.v. tot 3 dM. te ploegen, weder weggenomen wordt. In dit geval wordt gewoonlijk getweevoord, dat is nadat een ploeg b.v. tot 1.5 dM. gegaan is, volgt onmiddellijk een tweede, die de door den eersten ploeg gemaakte voor nog 1.5 a 2.5 dM. dieper ploegt. Soms gebruikt men in dit geval een twee-voor- of diepploeg, bl. 342.
Intusschen wordt niet zelden eene in den regel diepere bewerking van den grond aanbevolen en vooral door de stoomcultuur hier en daar in praktijk gebracht. De vraag doet zich dus voor welke methode is het best, het diep bewerken (Tiefcidtur, deep-tillage) of het meer vlakbewerken van den grond. Deze vraag is ook daarom van belang, omdat van het meer of min voordeelige van 't diep bewerken het vooral afhangt, of de stoomcultuur al dan niet aanbeveling' verdient. Als voordooien van het diep bewerken worden in den regel genoemd: n, dat de plantenwortels dieper in den grond kunnen dringen en de geheele wortelontwikkeling der planten grooter wordt; h, dat eene grootere hoeveelheid jdantenvoedsel, in don bodem aanwezig, voor de planten ter beschikking wordt gesteld, aangezien de bouwvoor, waaruit zij haar voedsel hoofdzakelijk opnemen, grooter wordt; c, dat de planten niet zoo spoedig gebrek aan vocht zullen krijgen, daar, boe dieper do bouwvoor is, er dos te meer vocht voor de planten bewaard blijft, inzonderheid in do onderste lagen die minder aan uitdroging door verdamping' blootstaan; d, dat de onkruiden en schadelijke dieren beter vernietigd en als gevolg van eon on ander e, de opbrengsten grooter en zekerder worden. Daartegenover heeft men als nadoelen van bot diepbewerken gesteld: r«, de niet-onaanzienlijk meerdere kosten daaraan
'24*
372
verbonden, ook omdat men van oordeel is, dat eene diepe homvvoor meer bemest moet worden. Wordt eene dunnere bowvoor genomen, dan kan deze met dezelfde quantiteit mest beter vruchtbaar gemaakt worden. En h, de onzekerheid of do geheele vruchtbaarheid en de daarvan afhankelijke opbrengst wel toeneemt, daar er ook voorbeelden genoeg bekend zijn, dat dieper ploegen den grond aanzienlijk en zelfs eenige jaren lang minder vruchtbaar maakte. Op overigens vruchtbare gronden, b.v. die aan den Dollard, wordt ook wel beweerd, dat diepploegen de gewassen te geil maakt.
Zeker worden de voordeden van hot diepbewerken maar ook de nadeelen, omdat het dieper maken der bouwvoor op eene verkeerde wijze ten uitvoer werd gebracht, wol eens te veel uitgemeten. Vooral van goed drooggelegd land is do ondergrond geenszins onvruchtbaar. Immers, de wortels dor planten dringen tot eene aanzienlijke diepte daarin door en nemen voedsel eruit op; en bij eene goede vruchtwisseling enz. valt het, ook zonder diepe bewerking, niet moeilijk op deze gronden het onkruid meester te blijven.
Hot diep bewerken wordt vaak voor zware kleigronden aanbevolen, maar voor zandgronden minder noodig geacht. Rosenberg-Lipinsky wil juist hot omgekeerde hebben en naar ons inzien terecht: immers, door hot dieper bewerken wordt de voorraadskamer, tot bewaring van 't plantonvoedsol en de vochtigheid , grootor gemaakt en dit is juist voor do zandgronden met geringe water-capaciteit en gering absorptievermogen van veel belang. Yeel hangt hier o. i. ook af van de geaardheid van den ondergrond, ten opzichte van den bovengrond en van de wijze hoe het dioper-maken geschiedt. Do laag onmiddellijk onder de bouwvoor is soms van slechter hoedanigheid en althans niet dadelijk zoo vruchtbaar als do bovengrond. Wordt nu ineens te veel daarvan door dieper to ploegen aan de oppervlakte gebracht, dan kan do bouwvoor zeer zeker in de eerste jaren daardoor onvruchtbaarder worden. Wil men daarom door dieper te ploegen de bouwvoor vergrooten , zoo dient dat slechts langzamerhand te geschieden. Men doet dat het bost in den herfst. De nieuwe grond kan dan des winters en, door b.v. boonen te poten, ook den volgenden zomer, aan de oppervlakte blijven liggen. Tn 't algemeen gelooven wij, dat eene diepe bewerking, of althans een diep losmaken mot den grondwooler, niet elk jaar, maar van tijd tot tijd, om bovengenoemde reden aanbeveling verdient.
Vooral echter voor gewassen als suikerbieten die diep wortelen is eene diepe bewerking van veel belang, en nergens hoeft liet bewerken van den grond door middel van do stoomkracht meer toepassing gevonden dan in streken als b.v. Saksen waar voel suikerbieten geteeld worden. Do ervaring-dor laatste 30 jaren heeft daar ook geleerd dat, sedert de gronden dieper bewerkt worden, do opbrengsten niet onaanzienlijk zijn toegenomen, niet alleen van suikerbieten maar ook van granen.
Eene diepe bewerking van den grond is vorder van gewicht bij hoidoont-ginningen, bij het aanleggen van hoptuinen, boom-en wijngaarden, de cultuur van wilgen enz., en waar zulks eonigszins in hot groot geschiedt, wordt thans niet zelden van do stoomkracht gebruik gemaakt, om den bodem zelfs tot één meter toe los te maken; vergelijk bl. 3G3.
V. BEMESTINGSLEER. MESTSTOFFEN 'X
Behalve door liet bewerken tracht de landbouwer den grond ■vruchtbaar of vruchtbaarder te maken door het bemesten. Daaronder verstaat men het aan den grond toevoegen van stoffen, die dan den algemeenen naam van mest dragen.
Oorspronkelijk is de ervaring ook hier voorzeker de eenige gids geweest, maar daarbij heeft zich het begrip van betere voeding der planten door bemesting zeker al spoedig ontwikkeld. De overeenkomstige naam wijst er trouwens op, dat men door het bemesten van den bouwgrond iets dergelijks heeft trachten te bereiken als door het mesten van vee. Want gelijk een dier onder de hoede des menschen en door het toedienen van krachtig voedsel in den zoogenaamd gemesten toestand overgaat, zoo ook werd voorzeker gevonden, dat eene plant veelal eerst dan welig groeit, wanneer de bodem waaruit zij haar voedsel ontvangt, bemest wordt.
Het begrip, dat men echter sedert lang van de voeding der planten had, was niet zeer juist. Lang heeft toch de leer gegolden, dat het plantenvoedsel uit humus bestond. .Door den verbouw der gewassen wordt, zei men, het humusgehalte van den grond verminderd, door de bemesting vermeerderd; om tot voedsel te dienen moet de mest in humus overgaan enz. De naam humus diende echter tot niets anders dan tot dekmantel der onwetendheid en gaf geene nadere verklaring van do voedingsverschijnsclen evenmin als het aannemen eener bijzondere levenskracht eene nadere verklaring van hot leven geeft. En, uitgaande van deze zoogenaamde humusthoorio kon het niet anders, of ook in de leer der bemesting moesten vele dwaalbegrippen insluipen.
Intusschen hebben wij, bl. 204 en volg., het meest belangrijke dat thans aangaande de voeding en den groei der planten bekend is, vermeld. Daaruit is ons gebleken, welke stoffen de plant noodzakelijk in den grond moot kunnen vinden en opnemen, wanneer zij zich good zal ontwikkelen. Zie o. a. de tabel op bl. 209.
Op bl. 240 en volg. is ons voorts gebleken, dat deze voedende elementen ook in een vruchtbaren bouwgrond worden gevonden. terwijl zij in zooge-
') Dr. Ed. Heiden, Lehrbuch der Düngerlehre; Dr. A. Stutzer, Die Dungxmg des Bodens in v. d. Go 11Ifandhuc/t en Dr. A. Stutzer, Leitfaden der l)ïtnger~ lehre; A. G. Schmitter, Grundrisz der praktischen Düngerlehre; Emil Wolff, Praktische Düngerlehre, ook vertaald door Van l'esch; A. Rii m p 1 er, /Jie Kauflichen DüngerstoH'e. A. Müntz et A. Ch. Girard, les Engrais.
374
naamd schrale gronden, althans ten deolo in zeer geringe hoeveelheid worden aangetroffen. Zie o. a. bl. 260 en tabel II. Door enkele sprekende voorbeelden hebben wij verder, bl. 2GS en 270 aangetoond, dat een bouwgrond onvruchtbaar kan zijn door gebrek1) aan enkele stoffen of, door er voortdurend oogsten aan te trekken, onvruchtbaarder kan worden en tevens hoe door toevoeging van het ontbrekende of van het geroofde hij vruchtbaarder gemaakt of zijne vruchtbaarheid in stand gehouden kon worden.
Wij meenen dat bij do bemesting dit waarlijk eenvoudige beginsel op den voorgrond moet staan en als haar hoofddoel moet gelden het aan don grond toevoegen van verbindingen, waarin planten voedende elementen voorkomen, teneinde daardoor het in den grond in niet voldoenle hoeveelheid aanwezige plantenvoedsel aan te vullen. Daarmede gaan echter veelal nog andere doeleinden gepaard. Ja, soms wordt de grond bemest met stoffen die weinig plantenvoedsel bevatten of juist daarom aan den grond worden toegevoegd, maar die of den natuurkundigen toestand van don bodem moeten verbeteren, öf schadelijke verbindingen er uit moeten wegnemen, óf door hare inwerking-op de verbindingen, waarin plantenvoedsel voorkomt, tot de vruchtbaarheid van don bouwgrond kunnen bijdragen.
't Doel der bemesting is dus in hoofdzaak drieërlei: 1. den bouwgrond te voorzien van stoffen, waarin plantenvoedende elementen voorkomen; 2. zijn natuurkundigen toestand, 3. zijn scheikundigen toestand te verbeteren, dat is het plantenvoedsel, dat hij bevat, om te zetten, zoodat het meer gemakkelijk door de plant kan worden opgenomen, schadelijke bestanddeelen weg te nemen enz.
Sommige meststoffen verschaffen nu aan den bouwgrond meer bepaald plantenvoedsel, andere werken vooral gunstig op zijn natuurkundigen, nog andere meer op zijn scheikundigen toestand. Daarnaar onderscheiden wij de meststoffen in:
a. plantenvoedende, dat zijn die, welke om haar gehalte aan plantenvoedende elementen in do eerste plaats worden gebruikt: Directe meststoffen.
h. meststoffen, die weinig plantenvoedsel bevatten of althans hare waarde hieraan minder ontleenen, maar meer indirect de vruchtbaarheid van den grond verhoogen: Indirecte meststoffen.
Naar haren oorsprong onderscheidt men ze in plantaardige en dierlijke {organische) en minerale meststoffen.
Nog onderscheidt men den mest in natuurlijken en kunstmest en verstaat dan onder den eersten de uitwerpselen van verschillende dieren en die der menschen, meestal met verschillende plantaardige stoffen of allerlei afval gemengd, onder kunstmest delf stoffelijke of ook plantaardige en dierlijke producten, die in fabrieken eene opzettelijke bewerking ondergaan om ze tot mest meer geschikt te maken. Zijn deze rijk aan eene of meer plantenvoedende
') (rebrek in zoover als door toevoeging van eene stof, die noodzakelijk voor de voeding der planten is en in den grond aanwezig moet zijn, phosphorznur b.v., de vruchtbaarheid wordt verhoogd; er zal echter meestal reeds eene betrekkelijk groote hoeveelheid daarvan in den grond aanwezig zijn, omdat de grond eene veel grootere hoeveelheid voedingsstoüen moet bevatten als de planten verbruiken.
37 ó
stoffen, b.v. phosphorzimr of kali of stikstof, dan worden ze gewoonlijk (jcconcentreerdc meststoffen geheeton. Nog kan men do meststoffen onderscheiden in hoofd- en /«(ü/mieststoffen. Do stalmest is voor do meeste boerderijen de Aoo/Smeststof. Hij is ook in den regel de meest werkzame en de volledigste mest, omdat hij niet alleen al de plantenvoedende elementen bevat, maar ook gunstig werkt op den natuurkundigen toestand van den bodem; do chilisal-poter daarentegen is een luüpmest, omdat hij den bodem slechts van stikstofhoudend voedsel voorziet. In betrekking tot den bodem die bemest zal worden, komt echter niet alleen de vraag te pas met welke stoffen, maar ook met hoeveel daarvan geniest moet worden. Stalmest kan, wat zijne qualitatieve samenstelling betreft, volledig, maar quantitatief in betrekking tot een zekeren bodem een hoogst onvolledige mest zijn. Het begrip van volledigheid en onvolledigheid is hier zeer relatief. In het algemeen is het de vraag, wat moet aan den bodem toegevoegd worden, niet alleen wat de qualiteit maai' ook wat de quantiteit der stoffen betreft, om dien vruchtbaar te maken.
Gelijk reeds bl. 265 opgemerkt werd, hebben de meeste onzer bouwgronden behoefte aan stikstof-, phosphorzuur- en kalihoudende stoffen. Deze bestand-deelen geven daarom de meeste waarde aan den most, en in zoover kan men meststoffen, waarin deze in eene gunstige verhouding voorkomen, in betrekking tot de meeste onzer bouwgronden volledig noemen.
Hij de bemesting doet zich verder een dergelijk onderscheid voor, als wij hierboven bij het bewerken van den bouwgrond opgemerkt hebben: de bemesting kan namelijk eene blijvende of meer voortdurende verandering van den grond ten gevolge hebben of hare werking is slechts kort, en zij moet zoo niet elk jaar, dan toch na ommekomst van een klein getal jaren herhaald worden. Zoo is eene bemesting met kalk, woelklei, slib of terpaarde eene meer voortdurende verbetering; eene bemesting met chilisalpeter daarentegen werkt meestal slechts enkele maanden, die met stalmest enkele jaren. Na het behandelen der verschillende mestsoorten zullen wij de oorzaken van dezen verschillenden duur der werking trachten aan te geven.
1. DIRECTE MESTSTOFFEN.
A. DIERLIJKE EN PLANTAARDIGE 01quot; MEST VAN OHGANISCHEN OORSPRONG.
1. De uitwerpselen der huisdieren (koeien, paarden, schapen, varkens) en de daaruit bereide stalmest.
Do stoffen, die de dieren voor hunne voeding opnemen. ondergaan in het lichaam verschillende veranderingen. Om aan hare bestemming te beantwoorden , moeten zij zoogenaamd verteerd worden, dat is na in het darmkanaal met speeksel, gal, enz. vermengd te zijn, opgelost worden en in het bloed overgaan , om als bloed door het lichaam gevoerd, tot bouwstof te dienen voor het vormen van vleesch, beenderen, enz.
Niet alle stoffen, in het gewone voedsel dezer dieren aanwezig, zijn echter verteerbaar. Onverteerbaar zijn b.v. het bladgroen, do kurkstof en andere zoogenaamd incrusteerende stoffen. Van andere wordt slechts een gedeelte verteerd ; zoo van de celstof ongeveer de helft, van de eiwitstoffen in granen
37(3
ongeveer drie vierde, in hooi ruim de helft en in stroo soms niet meer dan een vijfde. Ook de aschbestanddeelen in 't voedsel worden voor een groot gedeelte niet verteerd.
Dat gedeelte nu van 't voedsel 't welk onverteerbaar is, of in 't algemeen niet in 't bloed overgaat, wordt weer uit liet lichaam verwijderd als zoogenaamd vaste uitwerpselen. Daarbij hebben zich gevoegd een gedeelte van do voo)' do vertering van 't voedsel dienende gal, het speeksel enz., en deze geven niet alleen de eigenaardige kleur aan de uitwerpselen, maar zijn ook van invloed op hunne samenstelling, gelijk ons hieronder nog zal blijken.
De in het bloed opgenomen, dus de verteerde stoffen van 't voedsel worden in het lichaam deels verbrand en leveren warmte en ander arbeidsvermogen, deels verschillende andere producten, b.v. die welke tot opbouwing van het lichaam moeten dienen. Tan den anderen kant worden verschillende verbran-dings- en afslijtingsproducten in het bloed gevormd of opgenomen, die er uit verwijderd moeten worden. Daartoe dienen de longen en de huid, waardoor grootendeels koolzuur en waterdamp verwijderd worden, die echter voor de bemesting niet in aanmerking komen, en de nieren, welke de pis of urine als vloeibaar uitwerpsel afscheiden. Aangezien de urine verschillende stikstofverbindingen o. a. ureum, bij grasetende dieren ook hippurzuur, en verschillende zouten o. a. kalizouten, vooral kaliumbicarbonaat, KHCO3, bevat, heeft zij voor de bemesting eene hooge waarde.
Om te doen zien hoe de droge stof van het voedsel daarbij over de verschillende producten verdeeld wordt, laten wij hier eenige resultaten volgen, door Lawes en Gilbert in Engeland bij het mesten van vee verkregen. Genoemde onderzoekers rekenen op grond van verschillende proeven, dat als een mestos 100 KG. in gewicht zal toenemen, hij daarvoor noodig hoeft 250 KG. koek, 600 KG. klaverhooi en 3500 KG. wortels (Zweedsche rapen). Schapen hebben om evenveel in gewicht toe te nemen noodig: 250 KG. koek, 300 KG. klaverhooi en 4000 KG. wortels, en varkens zullen om hetzelfde resultaat te verkrijgen 500 KG. gerstemeel moeten ontvangen.
Bij het toedienen van dit voedsel werd de mest- en gewichtsproductie per week op 100 KG. levend gewicht als volgt gevonden.
De ilieren Brengen voort
ontvangen voedsel (ilroog) Mest (ilroojr) Licliaamsgewicht
Ossen 12.5 KG. 4.56 KG. 1.13 KG.
Schapen.....16 „ 5.10 „ 1.76 „
Varkens.....27 „ 4.51 „ 6.48 „
Of van 100 KG. voeder (droog) wordt verkregen:
Lichaamsgewicht. Mest (droog)
Ossen........9.0 KG. 36.5 KG.
Schapen.......11.0 „ 31.9 „
Varkens.......23.8 „ 16.7 „
Onder mest (droog) wordt hier natuurlijk verstaan de droge stof in de vaste en vloeibare uitwerpselen, zonder strooisel. Van de 100 KG. droog voeder is dus bij mestossen 45.5, bij gemeste schapen 42.9 en bij mestvarkens 40.5 KG. in het lichaam en in den mest overgegaan; de rest is in het lichaam verbrand
377
en hoofdzakelijk als koolzuur en waterdamp door de longen en de huid in den dampkring ontweken.
Neemt men echter alleen het stikstofgehalte van het voeder in aanmerking, dan blijkt, dat van 100 gewichtsdeelen stikstof in het voeder, overgaan;
in het lichaam in ile vaste uit- in ilo vloeibare in de uitwerpselen
als vleesch werpselen uitwerpselen samen
Wat dus aan de stikstof niet in het lichaam wordt opgenomen, bekomt men in de uitwerpselen; door de longen en de huid ontwijkt daarvan niets.
Hetzelfde geldt van de aschbestanddeelen in het voeder, en daarvoor dezelfde berekening makende, vindt men, dat van 100 deelen, in het voedsel voorkomende , overgaan:
in het lichaam in de uitwerpselen
Men ziet dus dat bij deze gemeste dieren ongeveer 96 procent van de stikstof en nog iets meer van de aschbestanddeelen in den mest is overgaan. Slechts bij de varkens is dit minder, omdat van het geconcentreerde voeder (gerstemeel) meer vleesch en vet gevormd wordt.
Ontvangt een volwassen dier enkel onderhoudsvoedsel, zoodat zijn gewicht noch toe- noch afneemt, dan moet de quantiteit stof, in het voedsel aanwezig, in de vaste en vloeibare uitwerpselen en in 'tgeen door huid en longen wordt verwijderd, geheel teruggevonden worden.
Neemt het echter in gewicht toe, b.v. een jong dier, of zooals hierboven bij mestvee, dan worden voor de gewichtstoeneming stoffen uit het voedsel verbruikt en bij een dier, dat melk geeft of drachtig is, is eveneens een gedeelte van het voedsel noodig, om de melk of het jong voort te brengen en/,.
Een onderzoek naar de hoeveelheid heeft aan de Duitsche proefstations voorts geleerd, dat ongeveer de helft van 't droge voedsel in het lichaam verbrand en als koolzuur enz. door huid en longen verwijderd wordt. Dc gemiddelde cijfers zijn; 100 deelen droge stof in het voeder geven droge stof
bij een koe os schaap paard gemiddeld
in de vaste uitwerpselen 38.0 44.0 42.6 46.7 42.8
in de urine 5.8 6.3 6.8 5.7 6.2
Samen 43.5 50.3 49.4 ~52l 49.0
Met uitzondering van het varken kan men dus aannemen dat wanneer onze landbouwdieren 100 KG. voedsel, in drogen toestand gedacht, verbruiken, daarvan ongeveer de helft, dat is 50 KG. uitwerpselen, insgelijks in drogen toestond gedacht, verkregen worden; daarvan komt dan ongeveer l/g in de urine voor.
Deze cijfers zijn echter, naar den aard van 't voedsel enz. aan verschillende wisselingen onderhevig; zoodat als een dier veel moeilijk verteerbaar voedsel
378
ontvangt, eene grootere qmntiteit en bij gemakkelijk verteerbaar voedsel, als hierboven bij mestvee, eene geringe qnantiteit uitwerpselen verkregen wordt. Mtintz en Girard halen als voorbeeld aan dat paarden, enkel met haver, mais en boonen gevoed, dagelijks slechts 2—5 KG. vaste uitwerpselen gaven met een stikstofgehalte van 0.5—1.5 proe.; met hooi gevoed leverden zij 8—18 KG. vaste uitwerpselen met 0.2 a 0.3 proc. stikstof en op de gewone wijze met graan, stroo en hooi gevoed bedroeg de hoeveelheid vaste uitwerpselen 8—15 KG. mot een gehalte aan stikstof van ongeveer 0.3 proc.
Als van meer belang verdient nogmaals opgemerkt te worden, dat hetgeen door huid en longen verwijderd wordt, uit stikstofvrije en aschvrije stoffen bestaat; bij onderhoudsvoedsel bekomt men derhalve in de uitwerpselen al de stikstof en al de aschbestanddeelen, die ook in het voedsel aanwezig waren, maar van een dier, dat melk geeft of drachtig is, in de uitwerpselen zooveel minder aschbestanddeelen en stikstof als voor het vormen der melk of het jong noodig zijn. Jonge dieren gebruiken insgelijks een gedeelte van de asch en de stikstof des voedsels tot den groei van hun lichaam. Hunne uitwerpselen moeten dus ook betrekkelijk armer hieraan zijn. Bij een volwassen mestos is dit verlies het geringst, daar de toeneming van het lichaam grootendeels uit vet, eene stikstof- en aschvrije stof bestaat.
Verder blijkt dat bij mestossen en schapen ongeveer drievierde en bij varkens ongeveer tweederde van de stikstof in de urine overgaat, eti deze dus veel rijker daaraan is dan de vaste uitwerpselen.
Om verder een oordeel te vormen omtrent do bestanddeelen van de vaste en vloeibare uitwerpselen, laten wij hier de gemiddelde samenstelling ten honderd van beide, volgens Emil Wolffl), volgen:
|
Vaste uitwerpselen. Urine. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Ook hierbij dient men in aanmerking te nemen, dat dit slechts gemiddelde cijfers zijn, en dat de mest des te rijker wordt aan de waardegevende bestanddeelen als stikstof en phosphorzuur, naarmate het toegediende voeder rijker hieraan is, en omgekeerd, gelijk uit het bovenaangehaalde voorbeeld van Müntz en Girard, wat de stikstof betreft, blijkt.
De tabel geeft ons verder aanleiding tot de volgende opmerkingen: Do vaste uitwerpselen van 't paard en 't schaap bevatten minder water en
') Praktische Dimyerlehre, Berlin 188(5.
37!)
meer stikstof dan die van 't rund. Dit veelal grooter stikstof- en geringer watcrgehalte, in verband met de grootei'e losheid der uitwerpselen van 't paard heeft eeno snellere omzetting, een spoediger broeien er van ten gevolge dan die van 't rund. De uitwerpselen van 't schaap zijn, ofschoon eveneens droger en rijker aan stikstof, meer vast, de daarin voorkomende stikstofverbindingen zijn veelal van minder gemakkelijk verteerbaar voedsel afkomstig en worden in de uitwerpselen niet zoo spoedig ontleed. Do schapenraest broeit daarom niet zoo sterk als die van 't paard. De nmdermest is het rijkst aan water en het armst aan stikstof; hij broeit daarom niet zoo licht en kan in vergelijking-met dien van paarden en schapen koud genoemd worden. Ook do uitwerpselen van 't varken zijn waterrijk en vormen daarom een kouden mest. Ofschoon van geen dier het voedsel zoo zeer afwisselt en daarom ook de mest zoo veel uiteen kan loopen, is het stikstof-, phosphorzuur- en potascligohaite der vaste uitwerpselen van het varken veelal niet minder dan die van 't rund. — Evenals de vaste uitwerpselen zijn ook de vloeibare van 't paard en 't schaap het rijkst aan stikstof en in 't algemeen zijn de vloeibare uitwerpselen rijker aan stikstof en ook aan kali dan de vaste. Do urine bevat echter weinig of geen phosphorzuur. Wel gaan bij doze dieren phosphorzure verbindingen van het voedsel in 't bloed over, maar zij worden mot de gal enz. weder in 't darmkanaal afgescheiden en alzoo in do vaste uitwerpselen en niet in de urine, zooals bij de vleeschetende dieren ten deele het geval is, ternggevondon. Vergelijk hieronder gier.
De uitwerpselen der huisdieren worden of alleen, of in vereeniging met andere stoffen (strooisel) ter bemesting gebruikt. Het eerste heeft plaats als het vee in do weide loopt of geweid wordt. De eenige zorg, die dan aan de uitwerpselen wordt besteed, bestaat in het van tijd tot tijd uit elkanderslaan der hoopen, teneinde zo meer gelijkmatig over liet veld to verdoelen en in enkele gevallen in het verzamelen dier hoopen, om ze meer ter geschikter tijd over het land te verspreiden. Meer bepaald tracht men op deze wijze een veld te bemesten wanneer het vee op het veld nog toegevoederd wordt, gelijk in Engeland dikwijls met schapen geschiedt, en door hot perken of horden, waarbij het vee, ook meestal schapen, één of twee nachten, soms ook de warmste uren van den dag, op eene door verplaatsbare hekken omslotene ruimte wordt gehouden. Door verplaatsing der hekken gaat men aldus het geheele veld rond. Nagenoeg zonder strooisel gebruikt men voorts de uitwerpselen in vele veehouderijen ter bemesting van groenlanden. Zie hieronder. Regel is het echter, do uitwerpselen, die 't zij alleen des winters of bij zomerstalvoedering ook des zomers in of bij do boerderij verzameld zijn, met strooisel te vermengen en dus min of meer kunstmatig stalmest hieruit te bereiden.
Het streven, den dieren eene wanne droge ligging to bezorgen, heeft voorzeker in de eerste plaats tot het gebruik van strooisel aanleiding gegeven, 't Zij men dan het vee in zoogenaamde hokken of potstallen houdt on do mest onder de dieren laat liggen, 't zij op grupstalllen plaatst en den mest dagelijks verwijdert, het strooisel dient om de uitwerpselen als het ware op te vangen en tevens zoo goed mogelijk bijeen te houden. Verder wordt daarmede beoogd:
380
a. de snelle ontleding der uitwerpselen te voorkomen en daardoor het ontwijken van nuttige ontledingsproducten, o. a. ammoniak, tegen te gaan;
b. ook van stroo en andere stoffen geschikten mest te maken en derhalve zoo al niet de qualiteit dan toch de qnantiteit mest te vergrooten.
Afgescheiden van het conserveerend vermogen, zie hieronder, moet als zeer geschikt materiaal daartoe het stroo der graangewassen beschouwd worden. Door de adhaesie blijven de vaste uitwerpselen hieraan kleven, de holle halmen zuigen de vloeibare als 't ware op. Op zich zelve niet zeer spoedig veranderende en ter bemesting minder geschikt, worden zij na vermenging met de uitwerpselen sneller omgezet, maar vertragen, aangezien zij de warmte die bij de rotting van laatstgenoemde vrij wordt, mede opnemen, hunne snelle ontleding. Bij gebrek aan stroo van granen wordt ook niet zelden het stroo van andere gewassen, b.v. van Koolzaad, in veen- en heidestreken veen en plaggen, in boschrijke streken het afgevallen loof der boomen (bladeren. naalden en takjes) en mos, in andere gevallen zand, aarde en zaagmeel als strooi-materiaal gebruikt. In de laatste jaren is inzonderheid het turfstrooisel, dat is de met machines uitgeplozen en gezeefde bonkaarde (zie bl. 9) van hoogveen, daarvoor in gebruik gekomen. Houtwol wordt mede daarvoor thans aanbevolen.
Ter beoordeeling van de bruikbaarheid en de waarde dezer verschillende stoffen tot gemeld doel, dient, behalve op hare samenstelling, gelet te worden op haar vermogen om vloeibare of weeke stoffen op te zuigen. Wat de samenstelling betreft, komen het stikstof-, het phosphorznur- en het kaligehalte vooral in aanmerking, terwijl de hoeveelheid water die 100 KG. kan opnemen en de hoeveelheid organische stof min of meer als maatstaf kunnen dienen van liet vermogen de uitwerpselen op te nemen. De volgende tabel moge omtrent een en ander eenige aanwijzing geven;
|
•100 deelen | |||||||
|
1000 KG. bevatten |
gemiddeid |
in KG. |
nemen in | ||||
|
water |
organ, stof |
asch |
stikstof |
phosphormur |
kali |
24 uur water op | |
|
Tarwestroo |
■Kid |
824 |
40 |
4.8 |
2.2 |
4.0 |
220 |
|
Gerst „ |
1:13 |
701) |
71 |
5.7 |
1.0 |
0.4 |
285 |
|
Haver ,, |
136 |
811 |
53 |
7.3 |
1.0 |
8.0 |
228 |
|
Rogge ,, |
130 |
830 |
40 |
5.8 |
2.1 |
7.8 |
241 |
|
Koolzaad,, |
170 |
781 |
40 |
4.3 |
2.7 |
10 |
200 |
|
Hoon „ |
178 |
758 |
64 |
10.3 |
3.2 |
18.5 |
330 |
|
Eivvt ,, |
143 |
815 |
42 |
12.0 |
3.5 |
10.1 |
281 |
|
Heiilc |
200 |
760 |
36 |
10 |
2 |
5 |
100 |
|
Houtwol van naalilliont |
— |
— |
— |
1.6 |
0.15 |
0.40 |
175 |
|
,, „ loofhout |
— |
— |
— |
2.0 |
1.10 |
5.00 |
233 |
|
Turfstrooisel |
— |
— |
— |
2.00 |
4.00 |
0.60 |
800 |
|
Biezen |
ISO |
780 |
40 |
— |
1 |
3 |
— |
|
Plaggen |
— |
220 |
780 |
3.0 |
2.0 |
1.0 |
— |
|
Veen (bonkaarde) |
200 |
700 |
21 |
8 |
0.4 |
0.4 |
600 |
|
lieukenloof |
140 |
813 |
47 |
10.0 |
2.4 |
2,3 |
200 |
|
Eikenloof |
140 |
814 |
46 |
10.0 |
2.0 |
3.5 |
200 |
|
Dennennaalden versch |
472 |
520 |
8 |
5-0 |
1-2 |
0,3-1 |
175 |
|
Zeegras |
150 |
728 |
122 |
14 |
3.8 |
15,0 |
— |
|
Mos |
250 |
739 |
21 |
10.5 |
1.6 |
3.4 |
275 |
|
Zand |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
25 |
381
Volgens Breitenlohner neemt, als 100 gew. il. roggestroo 300 gew. d. gier opnemen, dezelfde qnantiteit boonstroo 380, zaagmeel 257 en tnrf 448 gew. d. oij.
Uit deze opgave blijkt voldoende, dat deze verschillende stoffen niet alle even bruikbaar zijn voor strooisel en zij ook do waarde van den mest niet allo evenveel verhoogen. Het stroo der granen wordt gewoonlijk voor een deel vervoederd en wat den dieren niet lust als strooisel gebruikt. Gerst en en haverstroo hebben de meeste voederwaarde en worden daarom bij voorkeur vervoederd. Ook stroo van peulvruchten heeft meer voederwaarde en slechts als dit beschimmeld is dient het direct tot strooisel. Van het strooisel uit bosschen is dat van loofhout (beuken, eiken enz.) beter dan van naaldhout (dennen), omdat het rijker aan phosphorzuur en kali is. Hot beste strooisel uit bosschen is versch mos. Turfstrooisel schijnt hot best voor paarden te passen, minder voor runderen en varkens — deze nemen het bij 't snuffelen op en raken daardoor den eetlust kwijt — en het minst voor schapen, daar het de wol vuil maakt. Daar het droge turfstrooisel niet gemakkelijk bevochtigd wordt, moet niet te veel in eens gebruikt en do bovenste laag eerst los gemaakt worden alvorens oene nieuwe hoeveelheid strooisel te geven; anders ontstaan droge plekken met sterke broeiing of te vochtige plekken, wat beide nadeelig voor de hoeven der paarden is. — Houtwol bevat weinig voedingsstoffen maar wordt volgens een onderzoek van Eamann gemakkelijk ontleed, het weekste hout is het best. Over het gebruik van aarde en plaggen, zie men hieronder.
Wat do hoeveelheid strooisel betreft kan men rekenen, dat, om den dieren eeno behoorlijk droge ligging te geven, aan stroo van granen dagelijks noodig is voor een paard 2—3 KG., voor een rund 2.5—5 KG., bij zomerstalvoedering G—8 KG., voor een varken 1 a 2 KG. en voor een schaap 0.5 KG. Soms echter worden, inzonderheid do uitwerpselen der paarden met eene veel grootere hoeveelheid stroo vonnongd dan noodig is, aangezien men ook van stroo mest tracht te maken; bij gebrek aan dit strooisel, wordt eene geringere hoeveelheid of een surrogaat daarvoor gebruikt, b.v. heide, boschstrooisel en plaggen, waarvan de hoeveelheid moeilijk in gewicht is aan te geven. Hij gebruik van turfstrooisel rekent men ongeveer 3 KG. voor een rund, 2—21/2 KG. voor een paard, 1/4 KG. voor een schaap en 1/2—3/4 KG. voor een varken. Voegt men aarde bij het strooisel dan wordt op 1.5 a 2 KG. stroo I/25 M3 aarde genomen. In de stallen der omnibusmaatschappij te Parijs werd een vergelijkende proef genomen, hoeveel dagelijks aan strooisel noodig was om een paard een goed droge ligging te geven en gevonden dat men toe kan met stroo; 4.8 KG., met turfstrooisel ruim 3.3 KG. en met houtzaagsel eveneens ruim 3.3 KG. Bij deze proef bleken het turfstrooisel en hot zaagmeel tevens een goedkooper strooisel te zijn dan stroo, nl. te Parijs.
Is er nu. gelijk wij zagen, reeds een aanmerkelijk verschil in do samenstelling der uitwerpselen, nog grooter moet het verschil zijn tusschen den verkregen stalmest , al naar de soort en de hoeveelheid strooisel die genomen wordt.
Do landbouwer dient, ter beoordeeling van den verkregen stalmest, zich daarom af te vragen: Van welke diersoort is de mest afkomstig, is het volwassen en wordt het eenvoudig onderhouden of wordt het gemest, geeft het melk, is het drachtig onz.; of is het niet volwassen 011 neemt het in grootte
382
toe? En bovenal: welk voedsel krijgen de dieren en welk strooisel wordt gebruikt? In 't algemeen oefenen het voedsel en 't strooisel toch den grootsten invloed op de qualiteit en de ([iiantiteit van den verkregen stalmest uit. Bij eene doeltreffende voeding wordt het voedsel immers gewijzigd niet alleen naar de diersoort, maar ook naar den toestand waarin eenig dier zich bevindt! Zonder grove fouten te begaan, zal men dus uit de hoeveelheid voedsel en strooisel de quantiteit en tie qualiteit (en de hiervan afhankelijke waarde) van den stalmest kunnen opmaken.
Van wolken invloed het voedsel op de waarde van den mest kan zijn, moge uit de volgende opgave van Lawes en Gilbert1) blijken, die rekenen, dat 1 ton (101G KG.) van de volgende voedermiddelen de nevenstaande mest-waarde in guldens geven, gevoederd aan:
|
Mestvee (ossen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hierboven is gezegd, dat de uitwerpselen aan droge stof ongeveer de helft van die des voedsels bevatten. Wordt deze helft dus opgeteld bij de hoeveelheid strooisel, eveneens in watervrijen toestand gedacht, dan geeft de somde hoeveelheid drogen mest. Daarin is nagenoeg al de stikstof en zijn al de aschbestanddeelen aanwezig, welke in 't voedsel en het strooisel voorkwamen, verminderd met hetgeen van deze stoffen in de melk werd afgescheiden of tot vorming van vleesch en beenderen enz. van een jong of een jong dier of tot voortbrenging van wol (haar) werd verbruikt. Ter beoordeeling van de hoeveelheid hiervoor noodig, kan dienen dat 100 KG. bevatten in KG.:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
') The Journal of the. Roijal Aijricullural Socieli/ of Enfiland ISfH. p. (HA en Idem i8f)8, p. iOS. Daarbij is ! KG. stikstof op 53 cent, I KG. phosplioiv.uur op ruim 22 ct. en 1 KG. kali op 10 ct. gerekenil, en bij melkkoeien dat de/.e 11.4 liter melk pei- dag en per stuk geven. |
Als voorbeeld, hoe men alzoo door berekening tot eene beoordeeling van de hoeveelheid en de hoedanigheid van den stalmest kan komen, stellen wij, dat gedurende den staltijd aan acht melkkoeien, wier gewicht weinig of niet veranderde, is gevoerd: 60 HL. haver a 46 KG. = 27 60 KG., 10000 KG. haverstroo, 5000 KG. gerststroo, 6000 KG. hooi, 400 KG. lijnkoeken, 10000 KG. mangel wortels en 5000 KG. mangelwortelbladeren; dat deze koeien in dien tijd 9000 liter melk gegeven en aan kalveren 200 KG. hebben voortgebracht en dat als strooisel 5000 KG. tarwestroo en 2000 KG. gerststroo is gebruikt. Wij hebben dan;
|
droog |
stikstof |
phosphorzuur |
potasch |
kalk magnesia | ||||
|
KG. |
KG. |
KG. |
KG. |
KG. |
KG. | |||
|
2760 |
KG. |
haver = |
2415 |
56 |
20 |
14 |
3 |
6 |
|
10000 |
haverstroo = |
8640 |
73 |
19 |
90 |
36 |
16.4 | |
|
5000 |
n |
gerststroo = |
4335 |
28.5 |
9.3 |
48 |
16 |
5.4 |
|
6000 |
n |
hooi = |
5124 |
37 |
24.7 |
78.8 |
51.6 |
19.5 |
|
400 |
lijnkoeken = |
352 |
18 |
6.5 |
5 |
1.7 |
3 | |
|
10000 |
77 |
mangelwortels = |
1300 |
19 |
7 |
45 |
3.4 |
3.8 |
|
5000 |
T) |
mangw. blad. = |
600 |
18 |
5 |
28 |
10 |
8.6 |
|
in het voedsel |
22766 | |||||||
|
in de uitwerpselen de helft |
11383 | |||||||
|
( 5000 KG. tarwestroo 4322 |
24 |
11 |
32 |
13 |
5.6 | |||
|
\ 2000 „ gerststroo |
1734 |
11.4 |
3.7 |
19 |
6.5 |
0.6 | ||
|
17439 |
285 |
106 |
360 |
141.5 |
69 | |||
|
9000 |
liter |
melk |
43 |
15 13 |
12 |
2 | ||
200 KG. kalveren 5 2.8 0.5 3.3 0.1
af 48 — 17.8 — 13 5 —-15.3_2.1
blijft 17439 237 88.2 346.5 126.2 6ëÜ)
Aangenomen dat er nu geen verhes plaats heeft — zie daarvoor hieronder — en de mest 70 ten honderd water bevat, dan bekomt men 58130 KG. met 237 KG. stikstof, 88.2 KG. phosphorz., 346.5 KG. potasch, 126.2 KG. kalk, 66.9 KG. magn., of de 1000 KG. met 4.07 KG. stikstof, 1.5 KG. phosphorz., 5.9 KG. potasch, 2.17 KG. kalk, 1.15 KG. magn., en per koe 7266 KG. mest en bij 200 dagen staltijd per dag en per koe 36 KG. ruim. Per jaar wordt deze hoeveelheid ruim 13000 KG. Paarden, die boven cle haver dagelijks KG. stroo en kaf aan voer en strooisel ontvangen, leveren per dag 37.5 KG. mest en varkens van ongeveer 125 KG. levendgewicht en die dagelijks met 13/4 KG. stroo gestrooid worden, 7.5 KG.
Uit talrijke opgaven heeft Bobierre berekend, dat de jaarlijksche hoeveelheid mest bedraagt:
van een paard 10.200 KG. van een koe 11.400 KG.
„ „ trekos 9.400 „ „ ,, schaap 550 „
„ „ mestos 25.800 „ „ „ varken 1.100 „ ,
terwijl die hoeveelheid volgens Girardin op ongeveer 25 maal liet gewicht van al het vee, op de boerderij gehouden, kan geschat worden.
't Spreekt intusschen van zelf dat dit geen altijd doorgaande maatstaf kan zijn evenmin als er van een product als de stalmest moeilijk van een gemiddelde samenstelling sprake kan wezen.
384
Na liet vroeger vermelde over de vaste en de vloeibare uitwerpselen dor verschillende dieren zal het minder noodig zijn lang bij de soorten van stalmest, die men als paarden-, koe-, schapen- en varkensmest onderscheidt, stil te staan. Wordt niet meer strooisel genomen dan volstrekt noodig is om de uitwerpselen op te vangen, zoo is op dezelfde qnantiteit uitwerpselen voor koeien en varkens meer noodig dan voor paarden en schapen. Laatstgenoemde mestsoorten zijn ook daarom veelal rijker, inzonderheid aan stikstof en asch-bestanddeelen. Op eenen hoop gebracht worden zij spoediger ontleed en broeien sterker. Worden de mestsoorten afzonderlijk ter bemesting gebruikt, dan zijn paarden- en schapenmest daarom meer gepast voor zware en Immns-rijke gronden, runder- en varkensmest meer voor zand-en humusarme gronden.
De mest, volgens bovenstaande berekening verkregen, is zoogenaamd versere of lange mest. De weersgesteldheid en velerlei andere omstandigheden veroorloven veelal niet dezen direct ter bemesting te gebruiken. Men laat hem, bij plaatsing van het vee in hokken of zoogenaamde potstallen, geruimen tijd onder do dieren liggen en brengt hem dan, als hokmest op hot land. De verschillende mestsoorten blijven daarbij gescheiden. Is het ven op zoogenaamde grupstallen geplaatst, dan brengt men hem dagelijks uit den stal lt;gt;p don „mesthoopquot; of de mestvaalt. Onder mestvaalt verstaat men ceno, gewoonlijk ondiepe, kom bij de boerderij waar de mest op eenen hoop wordt gebracht1). In dit geval wordt die van runderen en paarden veelal door elkander gemengd. Ook den hokmest, 't zij alleen van runderen en paarden, 't zij ook dien van schapen en varkens, brengt men, — daar het weer en de gelegenheid het niet altijd veroorloven hem dadelijk uit do hokken op het land te rijden —, niet zelden op den mesthoop. In de zandstreken van Noord-Brabant en elders wordt de mest uit de potstallen ook wel op de deel geplaatst en regelmatig laagsgewijze met aarde vermengd, of bij liet roggeland gereden en hier met heideplaggen vermengd, op een hooj) gezet2). Maar hetzij in den stal onder de dieren, hetzij op de vaalt of hoe ook bewaard, de mest gaat nn rotten en na eenigen tijd bekomt men van den verschen of langen mest den verrollen, Icorlen of spekkigen mest. Daarbij scheidt zich veelal van de min of moor weeke massa eene vloeistof af, die onder don naam van gier of ier bekend is.
liet doel eener rationeele mestbowaring en behandeling moet nu zijn, de vaste en vloeibare uitwerpselen met het strooisel zorgvuldig te vermengen, zoodat eene mestmassa verkregen wordt, die in al hare doelen nagenoeg dezelfde samenstelling heeft en nuttige bestanddeelen daarbij zoo weinig mogelijk verloren gaan.
Vooreerst dient de vraag te worden overwogen: welke veranderingen ondergaat de stalmest of zijne bestanddeelen, zoowel die der uitwerpselen als van het strooisel, bij het rotten; en waaruit bestaat ton slotte hot vaste gedeelte en waaruit do gier van den ven-otten mest? De vroegere onderzoekingen van Thonard dienaangaande zijn in de laatste jaren door Dohérain, Hébert en
') Zie over liet aanleggen van een mestvaalt en over mestproductie de aangehaalde werken en Hand. v. h. Gen. v. Nijv. in de prov. Groningen, 1801—quot;02 en 1K04—'05.
») Zie daarover: Uitkomsten van het onderzoek naar den toestand van den lanil-bouw in Nederland.
385
anderen weer opgevat. Daaruit blijkt, dat de pisstof (ureum) van de urine liet eerst verandering ondergaat. Zij wordt onder opneming van water omgezet in koolzure ammonia, volgens de vergelijking: COpjvIl^ -h -ÏIJ) — GO-^NH^. De koolzure ammonia wordt op hare beurt gemakkelijk ontleed (gedissocieerd), waarbij ammoniak ontwijkt, dat den prikkelenden reuk, in vele veestallen en bij urinoirs gemakkelijk waai te nemen, verspreidt. Deze verandering van het ureum, eene soort gisting, begint reeds in den stal, ook als de mest alle dagen verwijderd wordt. De organismen die deze verandering veroorzaken, zijn daar vooral op den vloer der stallen, in de grup of in don reeds rottenden mest aanwezig. Ook de niet verteerde eiwitstoffen van het voeder en die in het strooisel ondergaan mede spoedig verandering; daaruit kan eveneens koolzure ammonia en verder hot stinkende zwavelwaterstofgas gevormd worden. Toch blijkt na eenigen tijd dat de hoeveelheid organische stikstof eerder is toe- dan wel afgenomen; zoodat, mochten al de eiwitstoffen ontleed worden, er tevens ten koste van de stikstof der koolzure ammonia andere organische stikstofverbindingen gevormd worden. Tevens ontwijkt een gedeelte der stikstof in vrijen toestand. De gevormde koolzure ammonia dissocieert en ontwijkt voor een deel gasvormig maar, voor het grootste gedeelte in hot vocht van den mest opgelost blijvende, werkt zij evenals het kaliumcarbonaat of- bicarbo-naat, dat in de urine mede opgelost voorkomt, ontledend op de organische stoffen van den mest in; volgens Dehórain vooral op eene koolstofrijke verbinding van het strooisel, door Frémy vasculose geheeten; daardoor worden dan de bruine tot zwart gekleurde humusstoffen gevormd, die deels in de koolzure ammonia en de koolzure kali opgelost worden en de bruine stoffen van de gier vormen, deels in eene bruine tot zwarte massa, die onoplosbaar in water is, overgaan. Behalve de ammoniakgisting van hot ureum, hebben er in den mest nog andere gistingen plaats. In de bovenste lagen, waar de lucht kan toetreden en oxydatie plmits heeft, geeft deze tot eene aanmerkelijke temperatuursverhooging (het broeien) aanleiding. Dehórain nam waar, dat een mesthoop te Grignon beneden eene temperatuur had van 20 a 25 graden, op de hoogte van 1 a l1^ meter 30 a 35 graden, op 2 meter hoogte 30 a 40 graden en onder de bovenste laag was de temperatuur 00 graden en meer. Volgens Schlösing houdt bij ongeveer 80° de werking der oxydeerende organismen op. De langzame verbranding van de gemakkelijk oxydeerbare stoffen als gom en xylose, die bij deze gisting in den hoop plaats heeft, waarbij als eindproducten koolzuur en water worden verkregen, begunstigt door de temperatuursverhooging de andere scheikundige werkingen; maar zij mag niet te sterk zijn, anders geeft zij aanleiding tot groot verlies, hetzij van ammoniak, hetzij van vrije stikstof, gelijk verschillende proeven geleerd hebben. Midden en onder in den hoop, waar weinig of geen lucht kan toetreden, heeft volgens Dehórain eene andere gisting plaats; hier wordt evenals bij de veenvorming uit cellulose koolzuur en moerasgas gevormd. De geheele verandering verloopt liet best als de mest behoorlijk gesloten (ineongeperst) blijft en daarbij vochtig gehouden wordt. Dan gaat de vorming van koolzure ammonia uit het ureum voort; de mest blijft goed alkalisch en onder deze omstandigheden vallen hot strooisel en de vaste deelen der uitwerpselen uiteen onder vorming van bruine, deels oplosbare, deels weeke stoffen; do moerasgasgisting blijft aan-risinders, 1. Vierde druk. 25
386
honden, terwijl wanneer de mest minder alkalisch is de boterzunrgisting intreedt die inet stikstofverlies gepaard kan gaan. Mocht dns de mest te droog worden, zoo kan eene begieting met water gewenscht zijn. Daarmede wordt tevens wat versche lucht aangevoerd, die de microben der gistingen, naar het schijnt, op nieuw tot werkzaamheid brengt. Ilébert onderzoekt de lucht in een en denzelfden mesthoop in een drogen on in een vochtigen tijd. De samenstelling ten 100 was als volgt;
0 .luli 3 \ugugt;tiis
na een drogen tijd nadat liet Hink geregend had
Koolzuur..............33.93 35.07
Zuurstof..............0.00 0.00
Moerasgas..............2.18 30.75
Stikstof..............63.89 34.00
In het eerste geval had de gisting een slecht verloop, en liet verzamelde gas had den reuk van boterznur, terwijl in het tweede geval de most de gewenschte verandering onderging en het verzamelde gas den eigenaardigen mestreuk had.
Ook kan als de hoop te los cf te droog is de mest beginnen te schimmclen. De landbouwer ziet dit ongaarne en is van oordeel, dat hij dan veel van „zijne krachtquot; verliest. Die dorre, schimmelige massa gaat moeilijk weer rotten en, ter bemesting gebruikt, blijft zij in den grond lang onveranderd en maakt hem weinig vruchtbaar. Waarschijnlijk worden de licht veranderende en meest waardige stoffen, b.v. het ureum en sommige eiwitstoffen, daarbij ontleed en ontwijken hare ontledingsproducten, waaronder vrije stikstof in don dampkring, terwijl stoffen, die zonder gisting moeilijk veranderen, b.v. de celstof achterblijven. Met zekerheid is er echter aangaande deze verandering bij liet schimmelen nog weinig bekend. Vooral in mest, die met aarde bedekt of waar aarde ingestrooid is, hoeft weder eene andere gisting plaats namelijk de salpetergisting of nitrificatie, bl. 274, terwijl omgekeerd daar waar gemakkelijk oxydeerbare stoffen in den mest aanwezig zijn en gebrek aan zuurstof is, salpeter ontleed, dus dénitrificatie, bl. 276, plaats kan hebben.
De veranderingen die de stalmest bij den overgang van den verschen in den verrotten toestand ondergaat kunnen derhalve, al naar de wijze waarop hij bewaard en behandeld wordt, zeer uiteenloopen. Een gevolg van die veranderingen is in het algemeen dat de mest, ook als hij goed gerot is, niet alleen aan volume maar ook aan gewicht heeft verloren.
Het volumegewicht is echter toegenomen. Want volgens eene bepaling van Roussingault weegt 1 M;!.:
Zeer strooachtige mest, gelijk hij uit den stal komt. . . 300 en 400 KG.
Dezelfde mest, nog versch, maar goed opgezet....... 700 „
Half verrot.................... 800 „
Verrot in spekkigen toestand.............. 900 „
Koerte nam waar dat 1000 M3 versche mest nog een volume hadden:
na 81 dagen van...... 773 M3.
387
Het spreekt echter van zelf dat dergelijke cijfers geen absolute waarde hebben, evenmin als het gewichtsverlies dat de mest bij het rotten ondergaat en dat van de droge stof 25 a 35 proc. bedraagt, maar veel meer uiteen kan loopen wanneer men het vochtgehalte mede in aanmerking neemt.
Völcker plaatste eene zekere hoeveelheid versche stalmest, nit die van paarden, koeien en schapen bestaande, deels bniten op eenon hoop, deels onder een dak, deels tegen eenen munr uitgespreid. 1000 KG. van den verschen niest bevatt'en, in kilogrammen.
|
na zes maanden overgebleven en toen bevatte hij | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Uit deze proef blijkt dus vooreerst, dat de hoeveelheid organische stof afgenomen is, uitgespreid het meest, op eenen hoop hot minst. Terwijl de hoeveelheid water in den uitgespreiden mest iets toegenomen is (en ten 100 zeer rijk aan water is geworden), is uit den mest, op eeno andere wijze bewaard, in werkelijkheid vrij wat water verdampt. Ton 100 is die onder dak ook droger geworden. Behalve van den uitgespreiden mest, die blijkbaar „uitgeloogdquot; is, is de hoeveelheid oplosbare organische stof (humus) toegenomen. Aan stikstof heeft de op eenen hoop of onder dak bewaarde mest slechts weinig verloren. Die onder dak heeft meer aan ammoniak verloren dan die op een' hoop. Beide zijn percentsgewijze vooral rijker aan stikstof en asch-bestanddeeleu geworden.
Ook uit eene andere ontleding van verrotten stalmest door Völcker blijkt, dat zoowel organische als anorganische (asch-) bestanddeelen meer oplosbaar zijn geworden en inzonderheid die, welke vooral waarde aan don mest geven als phosphorzunr, kali en de stilcstofverbindingen. Ter bemesting gebruikt, worden deze daarom spoediger door den grond verspreid; zij kunnen gemakkelijker en spoediger door de planton worden opgenomen. De verrotte most werkt daarom en ook wegens zijne fijnere vcrdecling (kortheid) sneller dan de lange mest.
Uit de proeven van Völcker blijkt verder, dat hot verlies aan stikstof bij het overgaan van don verschen in den verrotten toestand niet zoo groot is, als men zou vermoeden. Uit latere proeven van Dr. Holdofleisz l) on andoren is echter gebleken dat dit verlies niet onaanzienlijk is, gelijk uit do onderstaande cijfers volgt:
m
') Untersuchungen fiher den Stallmist, '2t.e Aull. ISSO.
388
Mestmassa Droge stof Geheele hoeveelheid stikstof
Versche mest, den 6 Juni 1884 op
een' hoop gebracht.....6150 KG. 1174.6 KG. 24.35 KG.
Den 6 Januari 1885, normaal verrot, maar nog niet spekkig . . 4200 „ 808.5 ,, 18.65 „
Verlies.....1950 KG. 366.1 KG. 5.70 KG.
Of in procenten van de oorspronkelijke hoeveelheid............31.7 0/n 31.2 % 23.4 0/o
Bij eene volgende proef, toen de mest vochtiger werd gehouden1) door het overbrengen van gier, werd het volgende resultaat verkregen;
Droge stof Geheele hoeveelheid stikstof Stikstof ais ammoniak
Den 5 Febr. 1886 in een hoop
gebracht....... 1030.0 KG. 18.33 KG. 1.69 KG.
Den 16 Sept. was nog aanwezig ........ 730.8 „ 15.83 „ 0.c23 „
Verlies..... 290.3 KG. 2.50 KG. 1.46 KG.
Of in procenten van de oorspronkelijke hoeveelheid . 29.0 0/o 13.6 0/o 86 0/q .
Het verlies van de geheele hoeveelheid droge stof bedraagt dus ongeveer 30 %, evenals bij den door Völcker op eenen hoop bewaarden mest, en ook het verlies aan het meest waardegevende bestanddeel, de stikstof, is aanzienlijk, vooral als de mest minder vochtig gehouden wordt.
Yolgens onderzoekingen van Müntz en Girard2) heeft het stikstofverlies minder op de mestvaalt plaats, zooals ook door Völcker gevonden werd, maar reeds in den stal. Dat hier verlies moet plaats hebben blijkt reeds uit het ammoniakgehalte van de stallucht, dat niet zelden eenige honderden keeren grooter is dan gewoonlijk in den dampkring gevonden wordt.
Om dit stikstofverlies in den stal te bepalen hebben M. en G. nagegaan hoeveel stikstof in het voedsel en als gestrooid werd, ook in het strooisel, dat de dieren ontvingen, aanwezig was, daarna uit de gewichtstoeneming der dieren of de melk die zij leverden berekend, hoeveel stikstof in hun lichaam of in de melk overging en vervolgens bepaald, hoeveel stikstof in den mest, als hij op een hoop buiten den stal gebracht werd, aanwezig was.
Als voorbeeld vermelden wij het resultaat der volgende proef. 8 melkkoeien werden gedurende 31 dagen gevoerd met luzerne en roggemeel. In het voedsel dat zij ontvingen was:
Stikstof aanwezig......... 74.498 KG.
Stikstof teruggevonden;
in de melk......... 10.750 „ of 14.4 O/q
„ „ uitwerpselen......36.714 „ „ 49.5 „
Stikstofverlies........ 27.034 „ „ 36.5
De uitkomsten, die M. en G. bij hunne verschillende proeven verkregen, zijn, dat het stikstofverlies in den stal bedroeg:
bij paarden en runderen 27—36 0/() of gem. 32.6 0/o dus ongeveer 1/3.
en bij schapen 44—55 „ „ „ 48.8 ,, „ „ de helft.
gt;) Het vochtprocent van den verrotten mest was hier 83.2 en bij de vorige proef 80.8. ') 3ine. Congres international d'agriculture, rapports préliminaires, p. 1.
389
Dit stikstofverlies, hoofdzakelijk veroorzaakt door hot ontwijken van koolzure ammoniak, als gistingproduct van het ureum, hl. 385 is dus aanzienlijk en vrij wat meer dan uit een hoop schapenmest die M. en Cr. gedurende 6 wintermaanden bewaarden en waarbij hot stikstofverlies slechts 11.5O/q bedroeg; bij een hoop koemest 24.3 0/0. In allen geval is hel verlies aanzienlijk — hot bedraagt jaarlijks verscheiden iniUioonen guldens — en 't is dus van voel belang na te gaan op welke wijze dit verlies kan worden voorkomen.
Wat het best is den most onder de dieren te laten liggen of hem op een' hoop te brengen, deze vraag zullen wij eerst meer volledig bij de veeteelt kunnen beantwoorden. Uit het oogpunt van mestbereiding verdient het aanbeveling, vooral wanneer genoeg strooisel voorhanden is, hem onder de dieren te laten liggen. In dit geval worden de uitwerpselen toch het bost opgevangen en, met strooisel vermengd, vastgetredon door do dieren, zoodat ze de gewenschte verandering kunnen ondergaan. Bij regelmatige strooiing zal zijne temperatuur en vochtigheid weinig afwisselen. En wordt de hokmest, na in den min of meer gerotten toestand te zijn overgegaan, dadelijk op het land gebracht, zoo gaat voorzeker het minst van de nuttige bestanddeelen verloren. Uit proeven van Dr. Holdefleisz is ook gebleken, dat bij het liggen laten van den mest in den stal, ook zonder conserveeringsmiddel, weinig of geen verlies aan stikstof plaats heeft, zoodat deze bewaring de meeste aanbeveling verdient. In Duitschland wordt deze bewaringswijze daarom tegenwoordig '1 meest aanbevolen en een onderzoek naar de doeltreffendste diepe stallen, om den mest geruimen tijd onder de dieren te kunnen laten liggen, gedaan. Minder doeltreffend is het den hokmest, na eenigen tijd onder de dieren gelegen te hebben, op een' hoop te brengen, aangezien bij en door het verwerken stoffen verloren gaan en ook de gisting, tengevolge van de afkoeling kan ophouden en de mest beginnen te schimmelen. Vermonging mot aarde en een behoorlijk vochtig houden is in dit geval wel gewenscht, aangezien zoowol door vocht als door aarde ammoniak opgesloojrt wordt.
Süiat het vee op grupstallen en wordt de mest dagelijks op de vaalt gebracht, zoo dienen bepaalde voorzorgsmaatregelen, zoowel in den stal als op de vaalt genomen te worden, als de mest niet van zijne waarde zal verliezen, gelijk uit do hierboven aangehaalde proeven van Müntz en (jirard, Holdefleisz en ook uit andere proeven gebleken is. Wat daartegen in den stal gedaan kan worden volgt hieronder; op de vaalt is, gelijk reeds werd opgemerkt, het van belang den mest behoorlijk vochtig en gesloten te houden. Het loopen van jong rundvee en varkens op den hoop verdient daarom aanbeveling.
Te vochtig mag de hoop evenmin zijn omdat hij dan te veel wordt uitgeloogd. Door velen wordt daarom (namelijk om het regenwater af te sluiten eti den mest ook niet aan weer en wind bloot te stellen) aan eeno overdekte mest-vaalt de voorkeur gegeven; maar, als behoorlijk gestrooid wordt, is eene overkapping minder noodig en kan zelfs ondoelmatig zijn, omdat onder eene kap de mest soms te droog wordt, schimmelen gaat en daardoor vele nuttige bestanddeelen verliest. Men denke ook aan de kosten van oprichting en onderhond eener kap. Bij niet overkapping kan de mest door bedekking met aarde — zie hieronder — of dooi' omplanting met boomen tegen een te sterk uitdrogen beschermd worden. Hoogst ondoelmatig is het echter, dat er water
390
van elders, b.v. van een dak of van den omringenden grond naar den mesthoop vloeit, aangezien de min of meer diepe kom, waarin hij geplaatst is, daardoor te veel met water gevuld wordt, en de mest voor een groot gedeelte in het water kan komen te staan.
Dat men uit die kom geen water (gier) weg mag laten loopen, 't zij doordien het door den bodem trekt, 't zij het over den grond vloeit in de naburige sloot of gracht, zal haast onnoodig zijn te zeggen. En toch wordt meermalen hiertegen gezondigd. Ofschoon wij van oordeel zijn, dat met eene kleine hoeveelheid bruin vocht de mest niet uitgeloogd is, evenmin als zijne waarde vervliegt mot een weinig stinkenden reuk, toch houden wij ons overtuigd, dat het verlies door uitlooging in den regel niet gering is. Laat de bodem der kom het water door, dan make men die derhalve ondoorlatend, zoo noodig door ondervloering. Wordt do kom te veel met water gevuld, men make dan eenen gierput om het hierin op te vangen eu te gelegener tijd weder over den hoop te pompen of op zich zelve ter bemesting te gebruiken, of men vange het in eene eenigszins diepere kom in kaf enz. op.
In allen gevalle, 't/.ij de mestvaalt overdekt, 'tzij niet overdekt is, tegen een te sterk uitdrogen dient gewaakt te worden, want al do onderzoekingen en ook practische waarnemingen loeren, dat onder die omstandigheid do mest veel van zijne waarde verliest.
Intusschen ondergaat de mest zoowel in den stal als op de va;ilt, ook wanneer deze behoorlijk vochtig gehouden wordt, verlies aau stikstof, gelijk o. a. de hierboven aangehaalde proeven van Müntz eu Girard en van Holde-fleisz geleerd hebben; en wij dienen nu nog do bijzondere middelen, aanbevolen om ook dit verlies zoo veel mogelijk tegen te gaan, te bespreken. Op het verlies aan stikstof in don vorm van hot vluchtige ammoniak (koolzure ammonia) was reeds lang de aandacht gevestigd en verschillende middelen zijn aanbevolen om dit verlies tegen te gaan , b.v. door het begieten van den stal en den mesthoop met verdund zwavelzuur (1 zwavelzuur op 100 water), of met eene oplossing van ijzervitriool, het strooien van gips, zwavelzure magnesia of kalimest enz. In de landbouw-litteratuur werd van deze verschillende middelen de ongebrande gemalen gips tot nog toe hot meest aangeprezen, ook om zijn goedkoopen prijs. Aan zijn gebruik zijn echter ook bezwaren verbonden. Wel kan gips het ammoniak in den mest terughouden, door omzetting van de vluchtige koolzure ammonia in de niet vluchtige zwavelzure ammonia: (XH^oCOg CaSOj = CaCOa -4- (NH^SO^ maar door reductie kan uit dit laatste zout het weder vluchtige zwavelamthonium en uit gips zelf zwavelcalcium ontstaan. Beide kunnen wel weder geoxydeerd worden, maar in een eenigszins vochtigen bodem gebracht ook blijven bestaan en dan schadelijk op den plantengroei werken. Door inwerking van koolzuur en water kan b.v. uit zwavelcalcium het vergiftige zwavelwaterstof gevormd worden: CaS 4- UoO COo = CaCO;-) BUS. Een groot bezwaar tegen gips en de andere hierboven aangehaalde middelen is echter — vooral Dehérain en Müntz hebben daarop de aandacht gevestigd — dat de mest niet alkalisch blijft en daardoor niet de gewenschte verandering ondergaat, en daar gips enz. niet enkel op de koolzure ammonia maar ook op de koolzure kali van de urine werkt, zal eene te groote hoeveelheid noodig zijn en daardoor het middel te
391
duur worden. Müntz heeft berekend dat aan ijzervitriool om voor ammoniak-veiiies zeker te zijn, jaarlijks noodig zou zijn:
voor oen paard van 550 KG. levend gewicht 202.6 KG. „ „ os of koe „ 000 ,, „ „ 694.5 „ „ „ schaap „ 45 „ „ „ 92.5 „
Daiiiliij komt dat zwavelzuur, gips, en ijzervitriool geen planton voedsel bevatten, dat als zoodanig aan den bodem behoeft te worden toegevoegd en uit dit oogpunt de waarde van den mest weinig of niet kunnen verhoogen.
Op dit laatste standpunt heeft Hoklefleisz zich gesteld bij zijn onderzoek naar het doelmatigste conserveeringsmiddel voor stalmest, namelijk eene stof te gebruiken, die op zich zelf de waarde van den mest verhoogt en tevens liet verlies aan stikstof tegengaat. Hij maakte vier hoopen stalmest van bekende samenstelling, elk van ongeveer 6000 KG. en liet de eerste onbedekt, bedekte de tweede met aarde en vermengde de derde met superphosphaatgips en de vierde met kalimest. Nadat deze hoopen ongeveer 7 maand gestaan hadden, werden zij op nieuw onderzocht. Twee reeksen van zulke proeven werden genomen, bij de eerste reeks werden de hoopen niet, bij de tweede wel van tijd tot tijd met gier van bekende samenstelling bevochtigd. Het resultaat dezer proeven, voor welker bijzonderheden wij naar eldersl) verwijzen, was als volgt:
1. Het verlies aan organische (hmnusvormende) stof bedraagt als de mest zonder eenig toevoegsel bewaard en ook dan als hij met aarde bedekt wordt, ongeveer 30% van de geheele oorspronkelijke hoeveelheid droge stof.
2. Dit verlies aan organische stof wordt door instrooiing van superphosphaatgips iets verminderd en bedraagt in dit geval slechts 22.5—23('/u-
3. Nog geringer wordt dit verlies iian organische stof in tegenwoordigheid van een kalizout, namelijk 11.9—13.7%.
4. Het stikstofverlies van den zonder eenig toevoegsel bewaarden mest bedraagt: zonder toevoeging van gier 23.4%, onder toevoeging van gier 13.6 O/y van do oorsproiikelijk aanwezige hoeveelheid stikstof.
5. Door bedekking met aarde blijft de stikstof bijna geheel behouden; liet verlies bedraagt hoogstens 1.8—2% van do oorspronkelijke hoeveelheid stikstof, dat waarschijnlijk in den vorm van vrije stikstof ontwijkt.
6. Door toevoeging van superphosphaatgips of kalizout wordt ook dit verlies geheel tegengegaan, zoodat de verrotte niest nog even veel stikstof bevat als de versche.
7. Bij deze bewaring wordt in den mest naast ammoniak ook salpeterzuur gevormd, doch de hoeveelheid is zeer verschillend en vooral hangt zulks af of de mest door begieting met gier minder of meer vochtig gehouden wordt, gelijk uit de volgende cijfers blijkt.
In proeenten van de oorspronkelijke hoeveelheid stikstof zijn op het eind der bewaring aanwezig:
') Dr. Holdefleisz, Unlersuckungen iiber den Stallniist.
392
|
Zonder |
toevoeging van |
gier. |
Bij toevoeging van |
gier i). | ||
|
Mest met Mest met |
Mest |
Mest met |
Mest met |
Mest | ||
|
aarde |
superphos |
met |
aarde |
superphos |
met | |
|
bedekt. |
phaatgips. |
kalizout. |
bedekt. |
phaatgips. |
kalizout. | |
|
In den vorm van | ||||||
|
salpeterzuur . |
is o;0 |
10.13 o/o |
7.17 0/0 |
8.5n/o |
4.6 o/0 |
0.6 0/0 |
|
In den vorm van | ||||||
|
ammoniak . . |
— |
0.54 „ |
3.75 „ |
6.6 „ |
6.5 „ |
6.6 ,, |
Onder de bedekking met aarde is this in beide gevallen do grootste hoeveelheid salpeterzuur gevormd, bij vermenging met. superphosphaatgips slechts ongeveer half zooveel en bij het instrooien van kalizout nog vrij wat minder; voorts blijkt dat de salpetervorming veel vermindert als de mest door het begieten met gier vochtig gehouden wordt.
8. De mest, onder toevoeging van kalizout bewaard, is in elk opzicht het minst ontleed, waarschijnlijk doordien de vroeger (bl. 385) vermelde gistingen daardoor worden tegengegaan 2).
Hieruit volgt dus, dat zoowel door bedekking mot aarde als door vermenging met superphosphaatgips en kalimest de stikstof niet verloren gaat, maar dat overigens door deze verschillende behandeling nog mest van zeer ongelijke hoedanigheid verkregen wordt.
Op grond daarvan beveelt Holdefleisz het volgende aan:
a. Wil men mest bereiden, die snel, krachtig en onmiddellijk werkt, maar waarbij het minder aankomt op rijkdom aan koolstofhoudende voor de humus-vorming dienende stoffen, b.v. voor een gebonden maar humusrijken bodem, dan is bedekking met aarde het doelmatigst.
h. Wil men eenen mest die eveneens snel en onmiddellijk werkt, doordien hij reeds eene zekere hoeveelheid salpeter bevat, maar die bovendien rijker is aan organische humusvonnende stoffen, en dus doeltreffend vooreen tragen, zwaren, humusarmen grond, zoo bereikt men zijn doel het best door superphosphaatgips als conserveeringsmiddel te gebruiken.
c. Heeft men daarentegen een lichten, zeer werkzainen grond, waarop een snel werkende mest te spoedig verteerd zou zijn, wil men daarop most die niet zoo spoedig wordt omgezet en bovendien nog veel organische stoffen bevat, welke ter vorming van den voor deze gronden zoo nuttigen humus kunnen dienen, dan is het conserveeren van den mest met een kalizout het meest gepast.
Niet onbelangrijk is het hierbij nog op te merken, dat de onder h genoemde gronden in den regel behoefte hebben aan eene bemesting met phosphorzuur en kalk, terwijl de onder c vermelde grondsoorten niet zelden dankbaar zijn voor eene bemesting met kalizout. Voor de overdekking met aarde word door Holdefleisz humushoudende grond en de overdekkende laag 20 cM. dik genomen.
') De mogelijklieid bestaat dat hier het gevormde salpeterzuur tengevolge van de toevoeging van gier door dénitrificatie — zie hieronder — weer vernietigd is.
2) Door Holdelleisz zijn ook waarnemingen gedaan omtrent de temperatuur in de hoopen mest. Deze was het hoogst in den hoop met kalimest behandeld, OT'/i C, dan in dien welke onbedekt bleef, 54° C, vervolgens in die met superphosphaatgips, 51° C en het laagst in die mot aarde bedekt, 42° C.
393
De hoeveelheid superphosphaatgips door hom aanbevolen bedraagt 3/,i—1 KG. per stuk vee en per dag en eene gelijke hoeveelheid kalizout l). Aangezien het stikstofverlies reeds in den süd kan intreden, is het wenschelijk het con-serveerende zout reeds in den stal in de aangegevene hoeveelheid over den mest te strooien.
Staat liet vee in hokken (potstallen) en blijft de mest onder de dieren liggen, dan ondergaat hij blijkens het onderzoek van Holdefleiss weinig verlies aan stikstof, althans wanneer eene goede hoeveelheid strooisel gebruikt wordt. Wil men ook in dit geval een der conserveerende middelen gebruiken, zoo kan iets minder genomen worden dan %—1 K'.G. per stuk vee per dag, en zal het voldoende zijn een dezer zouten of wil men een mengsel van beide b.v. twee keer per week te strooien.
Om te voorkomen dat het vee aan het ingestrooide zout lekt, is het dan wenschelijk dit instrooien te doen onmiddellijk voor dat het vee nieuw strooisel ontvangt. Een gelijke voorzorgsmaatregel kan noodig zijn als er vee op de mestvaalt loopt en het zont hierover gestrooid wordt.
Het resultaat dezer proeven van Holdefleisz, eenige jaren geleden bekend gemaakt, wekte met recht veel belangstelling. Vooral wanneer men toch kunstmesstoffen als superphosphaat of kaïnit gebruikt, scheen het gewenscht, deze hulpmoststoffen niet of niet alleen op zich zelf te gebruiken, maar in den stalmest te strooien. Men zou dan immers hetzelfde doel bereiken en daarbij nog de stikstof en een deel der organische stoffen in den mest als het ware om niet bewaren.
Het gebruik dezer conserveeringsmiddelen scheen dns alle aanbeveling te verdienen, en wij konden dit, op grond van de medegedeelde resultaten, in den vorigen druk ook doen. In eeno noot voegden wij echter daarbij; „Zeer gewenscht zal het zijn bemestingsprooven met den aldus behandelden mest in vergelijking met mest, zonder eenige toevoeging bewaard, te nemen. Vooral de met een kalizout behandelde mest zou dan wel eens kunnen tegenvallen, omdat hierdoor juist wordt tegengegaan wat meestal verlangd wordt, namelijk het goed verrotten van den mest.quot; Vooral op grond van dit laatste veroordeelen de Fransche scheikundigen, Dehórain en Müntz, het gebruik van dit imi dergelijke conserveeringsmiddelen. Zij achten het gewenscht dat do mest gaat veranderen onder den invloed van ammonium- en kaliumcarbonaat; dat ei in don mest gistingen plaats hebben, terwijl hij alkalisch reageert, omdat er dan hot minste stikstofverlies schijnt plaats te hebben en do organische stof in vmtière noirc overgaat, die volgens hen zoozeer tot vruchtbaarmaking van don bodem bijdraagt. Uit den goed opgezetton en behoorlijk vochtig gehouden mesthoop ontwijkt ook geen ammoniak zooals hot onderzoek van IL'bert en anderen geleerd hooft.
Maar ook in Duitschland worden tegen het gebruik van kaïnit en super-
') Onder superphosphaatgips wordt hier verstaan het lioogpiocentige, vrij phosphor-zunr bevattende gips met li—phosphorzuur en onder kalizout een der ruwe zouten van Stassfurt (Kaïnit, Krüget of ruwe zwavelzure kali-magnesia). In plaats van liet duurdere superphosphaatgips kan ook het gewone goedkoopere superphosphaat genomen worden.
394
pliosphaatgips bezwaren geopperd; het kaïnit in den stal gestrooid is onaange-naam voor hot vee en het superphosphaatgips doet den mest te veel nitdrogen.
Hot stikstofverlios is blijkbaar mede niet altijd zoo gering, bij gebruikmaking van superphosphaat of kaïnit, ids door Holdefleisz gevonden werd. Door den heer G. E. Tichelaar te Loppersnm werden, in vereeniging met het proefstation te Groningen, eenige proeven met betrekking tot de stahnestconser-veering genomen. Drie lioopen mest worden daartoe, evenals bij do proeven van Holdefleisz, opgezet: de eerste zonder conserveeringsmiddel, de tweede met superphosphaat en de derde met kaïnit ingestrooid. Het residtaat was als volgt:
Stikstofverlies in proc. van de oorspronkelijke hoeveelheid.
Duur der proef Zonder conser- Met super-
1894. veeringsmiddel. phosphaat. Met kaïnit.
Einde Jan. tot einde Maart 33.5 0^ 12.1 Oj^ 21.3 0/0
1895—'96.
Half Doe. tot einde Maart 11.44 „ 5.29 „ 25.91 „
1897.
Half Jan. tot half Sept. 83.22 „ 35.08 „ 31.66 „
De uitkomsten zijn dus zeer uiteenloopend, waarschijnlijk een gevolg hiervan dat de stikstof niet zoo zeer in den vorm van ammoniak (bij liet gebruik maken van bovengenoemde conserveeringsmiddeleu wordt dit eigenlijk verondersteld), maar meer in don vorm van vrije stikstof, gelijk ook uit de proeven van Doherain en Ilébert is gebleken, ontwijkt.
Hoe die vrije stikstof eigenlijk ontstaat is nog niet voldoende opgehelderd. Een der oorzaken kan zijn de dónitrificatie, bl. 276. Hierboven bij hot vermelden der proeven van Holdefleisz is gebleken, dat zich vooral in den met aarde bedekten mesthoop salpeterzuur, natuurlijk in den vorm van een zout, dus als salpeter, heeft gevormdl). Deze sidpeter nu kan weder ontleed worden door dénitrificeerende bacteiiën, en daarbij stikstof of ook stikstofoxyd dat mode gasvormig is, vrij komen. Behalve in den bouwgrond, waar de dénitrificeerende bacteriën reeds vroeger gevonden werden, heeft Bréal ze ook gevonden in het strooisel en Wagner later mede in de vaste uitwerpselen der dieren. De werking dezer bacteriën is het sterkst bij weinig toetreding der lucht; toch is volgens Bréal en Dehérain afsluiting der lucht geone bepaalde voorwaarde voor hare werking maar wel aanwezigheid van eene gemakkelijk oxydeerbare stof, b.v. zetmeel. Aangezien nu kaïnit en superphosphaat blijkbaar de gistingen iu den mest tegenhouden, is het mogelijk dat daardoor meer gemakkelijk oxydeerbare stoffen, dus voe.lsel voor de dénitrificeerende bacteriën achterblijven en deze conserveeringsmiddelen ook in dit opzicht onder omstandigheden nadeelig werken.
Men ziet dus dat het conserveeringsvraagstuk niet zoo eenvoudig en nog verre van opgelost is.
Gaan wij intusschen nog na wat door de Fransche scheikundigen, die van
1) Volgens Dehérain is er in den goed geiotten mest geen salpeterzuur aanwezig; dan kan er alzoo ook geen dénitrilicatie plaats hebben.
395
bepaalde conserveeringsmiddelcn als door Tloldofloisz en anderen zijn aanbevolen , niet wijlen weten, onderzocht en gevonden is en op grond daarvan aanbevolen wordt.
Gelijk gezegd hebben Müntz en Girard geconstateerd, dat liet stikstofverlies vooral in den stal plaats heeft, en al heel spoedig, nadat de mest is voortge-bracht, begint. Zij hebben nu eerdge omstandigheden nagegaan onder welke het verlies liet grootst is en eenige practische middelen beproefd om hot verlies te doen verminderen. Zoo werd gevonden dat bij droog voer, luzerne-liooi b.v., het stikstofverlies iets grooter is dan bij groenvoer, groene luzerne nl. 55.3 quot;/o hl plaats van 50.2 0/o, en dat in den zomer het verlies grooter is dan in den winter, 50.2 a 55.3 quot;/o in den zomer, 44 en 46 0/0 inden winter; dat bij gebruik van strooisel van granen het verlies geringer is: 59.00/q zonder en 50.2 O/q met strooisel en dat veel en herhaald strooien liet verlies wel iets doet verminderen, 40.8 in plaats van 44.2O/q bij gewoon strooien. Veel strooien helpt dus niet veel, wat licht te begrijpen valt. omdat do mest dan droger is en liet vluchtige ammoniak juist door vocht of eene poreuze stof kan worden teruggehouden.
Veel beter resultaat werd verkregen met turfstrooisel en vooral met humus-houdende aarde. Zoo was in een schaapstal het stikstofverlies bij gebruik van strooisel van granen 50.2 quot;/o en bij strooiing met aarde slechts 25.7 En toch bevonden de schapen, wanneer laatstgenoemde als strooisel gebruikt werd, zich even wel en namen volstrekt niet minder in gewicht toe dan bij gewoon strooisel.
De goede werking van de humushoudende aarde moot in de eerste plaats hieraan worden toegeschreven, dat een dergelijke poreuze stof gemakkelijk ammoniak opneemt. Müntz en Girard hebben te dezen opzichte eenige aardachtige en eenige organische stoffen vergeleken.
1 KG. van de onderstaande droge stoffen namen ammoniak op.
|
Zandgrond van Joinville- le Pont.......... |
0.06 gr. |
|
Kalk „ „ Champagne............ |
1.80 „ |
|
Bosch „ (kleiachtig).............. |
2.24 „ |
|
Tuin „ .................. | |
|
Heide „ (grond waarvan de heide is afgemaaid)..... |
6.60 „ |
|
Tanvestroo.................. |
1.70 „ |
|
Zaagsel van dennenhout.............. |
0.46 „ |
|
Hollandsche mosturf............... |
8.63 „ |
|
Turfmolm (Poussière do tombe)........... |
11.03 „ |
|
Turfstrooisel of andere turf preparaten en humushoudende aarde |
nemen dus |
reeds op zich zelf maar ook omdat zij voel vocht opslorpen het meest ammoniak op en ziülen dus vooral het stikstofverlies in den stal kunnen tegengaan.
Op grond van een en ander meenen wij dat het volgende aangaande het bereiden en bewaren van den stalmest kan worden aanbevolen.
1. Tot zekere grens komt het voor het bewaren minder op de hoeveelheid dan wel op de hoedanigheid van het strooisel aan.
2. Bij plaatsing van het vee in hokken of potstallen is het gewenscht bij 't gewone strooisel wat humushondende aarde of turfstrooisel te voegen, omdat deze meer ammoniak vasthouden. Is het vee op grupstallen geplaatst.
306
dan worden tot gelijk doel kleine hoeveelheden aarde of turfstrooisel in do grup geworpen om den mest daarmede te bedekken en te vermengen l).
3. TTif den stal op den mesthoop gebracht, moeten de vloeibare en vaete uitwerpselen bijeengebonden worden, omdat de mest dan meer alkalisch blijft en do gewenschte veranderingen ook in het strooisel optreden.
4. Bij het aanleggen van den mesthoop wordt deze, vooral aan de kanten, goed vastgetreden, zoo noodig nog wat aarde ingestrooid en vochtig gehouden. Op deze wijze wordt eene te ruime toetreding van lucht en daardoor eene te sterke broeiing voorkomen.
ö. Van den mesthoop mogen geene vloeibare deelen wegloopen of in den bodem trekken. Zoo noodig worden deze in een put verzameld. Zij kunnen, zoolang nog versche mest wordt aangevoerd, weder over den hoop gepompt worden.
(J. Wordt geen versche mest meer op den hoop gebracht, zoo is liet best dezen met aarde te bedekken en onaangeroerd te laten totdat hij over het land wordt gebracht. Is de hoop behoorlijk vochtig aangelegd, dan blijft deze het ook gewis onder de aardbedekking, en wordt deze niet te dun, b.v. 10 a 2n cM. genomen, dan kan zij zeker in de meeste gevallen het vallende regenwater in zich opnemen.
7. Niet gewenscht zal het zijn over den met aarde bedekten hoop nog gier te pompen, aangezien onder de aardbedekking salpetervormig kan intreden en met de gier gemakkelijk oxydeerbare stoffen kunnen worden aangevoerd, die aanleiding tot dénitrificatie zouden kunnen geven. Opzettelijke begieting met water om den hoop vochtiger te maken is nu evenmin gewenscht, omdat de gevormde salpeter daarmede in de onderste lagen wordt gevoerd, waar om dezelfde reden als hierboven aangevoerd is en bij de beperkte hoeveelheid of geheele afwezigheid van zuurstof, licht dénitrificatie kan intreden.
Zoowel practisch en theoretisch blijft er dus nog veel omtrent het bereiden eti bewaren van stalmest te onderzoeken over 2).
Uit bemestingsproeven van vvoge liet Bremer Moorversuchsstatiou is ook gebleken dat met turfstrooisel een deugdelijker mest verkregen wordt dan met strooisel van granen. Zoo werd op een zandgrond onder overigens gelijke omstandigheden, maar waarbij in het eene geval turfstrooisel en in het andere gewoon stroo (in verhouding van 3.5:4.6) gebruikt was, van de hectare in KG. meer geoogst bij den tiirfstrooiselmest.
1885 -1886 1887 1888
aardappelen haver graan stroo boonen /.aad rogge graan
750 495 800 670 '235
-) Di■ laatste onderzoekingen van Dehérain {Annates ayronomiques), ï. XXIV, hebben aan 't licht gebracht, dat, wanneer er bij de vertering en gisting van den mest voldoende koolzuur gevormd wordt, er geen ammoniak ontwijkt. De koolzure ammonia die iu water opgelost, bij blootstelling aan de lucht en vooral bij verdamping van het water, gedissocieerd wordt en daarbij zich splitst in water, koolzuur on ammoniak die vervluchtigen, dissocieert in een atmospheer waarin een overmaat van koolzuur aanwezig is, niet, zelfs niet wanneer er lucht door de vloeistof gevoerd wordt, maar blijft als arnmoniumbicarbonaat, NIT.| HCO;;. beslaan.
Op grond van dit nieuwe onderzoek geeft Dehérain de volgende regels voor hot bewaren van den mest.
liet met de uitwerpselen vermengde strooisel wordt alle dagen op den mesthoop gebracht en niet de rnestgreep regelmatig opgezet en gespreid, zoodat de massa een
397
Eon gevolg der verschillende behandeling en bewaring moet ook zijn, dat terwijl er reeds veel verschil bestaat in den samenstelling van den verschen stalmest, dit verschil nog grooter wordt in den verrotten mest. Uit verschillende analysen is dan ook gebleken dat:
het stikstofgehalte kan uiteenloopen van 0.37—1.10 0/0 het phosphorzuur- „ „ „ „ 0.12—1.34 „
„ kali- „ „ „ „ 0.41—1.29 „
Voor de samenstelling van de gier of ier, die van den verrotten stalmest afloopt en als hierboven gezegd het doelmatigst in eenon put of in kaf opgevangen wordt, verwijzen wij naar de analyse in tabel III. Wij merken daarbij op, dat de samenstelling van een dergelijk product zeer ongelijk en niet alleen afhankelijk is van den mest, dien de dieren geleverd hebben maar vooral ook van de meerdere of mindere hoeveelheid water; of zij dus meer of minder verdund is. Aan organische stoffen is de gier gewoonlijk niet rijk; deze zijn echter in water oplosbaar en daardoor van meer waardp. Ook het stikstof-gehalte is niet groot in vergelijking met stalmest, maar aangezien de stikstof in gier grootendeels uit ammonia verbindingen bestaat, die gemakkelijk in salpeterzuur omgezet of direct door do plant kunnen worden opgenomen, is de gier een snel werkende mest. Inzonderheid is zij rijk aan oplosbare kali. Phosphorzuur bevat zij, evenals de urine, slechts in geringe hoeveelheid. Vergelijkenderwijze gesproken is de gier een stikstof- en vooral kalirijkc mest. Omtrent het gebruik van gier zie men hierachter. Om hot stikstof verlies, door het ontwijken van ammoniak hetzij uit den gierput, hetzij later bij het vervoer tegen te gaan, is door Vogel en anderen aanbevolen verdund zwavelzuur (1 d. zuur op 8 a 10 d. water), dat er tot zwak zure reactie wordt bijgevoegd ; maar deze toevoeging is volgens onderzoek van Dehérain ■, zie de noot op bl. 396, onnoodig, daar in de gier genoeg koolzuur aanwezig is en dan geen ammoniak ontwijkt.
2. De men schel ij ke uitwerpselen. Compost mest.
Het voedsel, door den mensch gebruikt, ondergaat bij de spijsvertering
goed opgetasten hoop vorme. De massa wordt dikwijls met gier besproeid. De zeer sterke gisting die in den vochtigen en goed opgezetten lioop intreedt, ontwikkelt koolzuur, dat alle verlies van ammoniak tegengaat.
Derhalve moet men aan den mest geen gips noch ijzervitriool toevoegen; deze stollen zijn geheel zonder nut. Vooral waehte men zich zwavelzuur of zelfs het zure super-phosphaat aan den mest toe te voegen; want deze stollen houden de gistingen tegen, gistingen, die — het kan niet vaak genoeg herhaald worden — door do ontwikkeling van koolzuur, het ontwijken van ammoniak totaal beletten.
Zelden zal er genoeg strooisel zijn om de urine geheel op te vangen; deze moet men niet in de goten of greppels doen verblijven, maar zij moet in de gierput gespoeld worden, waar ook de vloeistof (gier) verzameld wordt die uit den mesthoop vlooit; uit gier, die een overmaat van koolzuur bevat, ontwijkt geen ammoniak.
Ook is het beter den mest van schaapstallen op den mesthoop te bréngen dan ze onder de dieren te laten liggen omdat er dan ammoniak ontwijkt.
Bij de gisting in den hoop wordt voortdurend koolzuur gevormd door de verbranding van de organische massa en dat koolzuur verhindert het verlies van ammoniak.
Zooals men ziet komt hetgeen Dehérain hier aanbeveelt grootendeels met het. door ons aanbevolene overeen.
308
eene dergelijke verandering als hierboven van de huisdieren is vermeld. Ook hiervan worden verkregen: vaste en vloeibare uitwerpselen, bestanddeelen van het lichaam en stoffen, die door huid en longen worden verwijderd.
Terwijl de laatste, uit koolzuur en water bestaande, voor de bemesting niet in aanmerking komen, vertegenwoordigen de uitwerpselen bij een volwassen mensch, wiens gewicht niet verandert, nagenoeg al de stikstof- en aschbestanddeelen van het voedsel. In andere gevallen, b.v. bij een jong mensch, treft men in de uitwerpselen zooveel minder hiervan aan, als tot vorming van vleesch, beenderen enz. verbruikt wordt. Bij den langzamen groei van een menschelijk lichaam en het meestal stikstof-, phosphorzuur- en kalirijker voedsel, wordt hiervan echter een betrekkelijk kleiner gedeelte uit weggenomen en kunnen de menschelijke uitwerpselen nog beter naar het voedsel beoordeeld worden dan zulks bij de huisdieren het geval is. Daar nu het voedsel van een mensch, gelijk bekend, zeer ongelijk is, moet dit met de uitwerpselen ook het geval zijn. Uitwerpselen van menschen, die zich mot eene groote massa gehaltloos voedsel b.v. aardappels moeten tevreden stellen, zijn derhalve armer, inzonderheid aan stikstof en phosphorzuur, dan van hen, die zich meer met vleesch en brood voeden.
Gemiddeld mag worden aangenomen, dat de jaarlijksche hoeveelheid uitwerpselen van een mensch in kilogrammen bedraagt, en dat deze bevatten:
|
Geheele |
Organ. |
waarin |
waarin | ||||
|
hoeveelheid |
droog |
bestiindd. |
stikstof |
asch |
phosphorzuur |
potascli | |
|
Vaste |
48.8 |
11.1 |
0.0 |
0.75 |
1.65 |
0.40 |
0.235 |
|
Vloeibare |
438 |
23.3 |
18.2 |
4.40 |
5.00 |
0.65 |
0 835 |
|
(leinoiigd samen 480.0 |
34.4 |
28.1 |
5.15 |
6.65 |
1.140 |
1.07 | |
|
water | |||||||
|
of ton 100 |
02.9 |
7.1 |
5.7 |
1.06 |
1.37 |
0.23 |
0.22 |
|
Uitwerpselen ten | |||||||
|
100 van een rund 87 |
13 |
11 |
0.41 |
2.2 |
0.13 |
0.16 | |
|
van oen paard |
77 |
23 |
10 |
0.6 |
3.15 |
0.14 |
1.0 |
|
van een mensch |
408 |
76 |
100 |
17 |
16 | ||
|
„ „ rund |
450-550 |
15-20 |
100 |
6 |
27 | ||
|
Asch der |
„ „ paard |
630 |
10 |
100 |
4 |
32 | |
|
uitwerpselen |
„ tarwe |
4740 |
117 |
100 |
46 |
21 | |
|
gelijk 100 |
„ ossevleesch |
1720 |
286 |
100 |
34 |
42 | |
|
„ hooi |
1180 |
10 |
100 |
6 |
26 | ||
|
Tarwe ton 100 |
85 |
83.0 |
2.08 |
1.77 |
0.82 |
0.55 | |
|
Ossevleesch ten |
100 |
23 |
21.7 |
3.6 |
1.26 |
0.43 |
0.52 |
|
Mooi ten 100 |
85.6 |
78.0 |
1.31 |
6.66 |
0.41 |
1.71 | |
Eene inzage van deze tabel doet ons zien, dat do vloeibare uitwerpselen van den mensch veel meer mestwaarde hebben dan de vaste. De eerste bevatten toch bijna 6 maal zooveel stikstof en meer dan 8 maal zooveel potasch en ook het phosphorzuur-gehalte is grooter. Vergeleken met do uitwerpselen van 't rund, zijn die van den mensch armer aan org. stoffen, maar rijker aan stikstof en phosphorzuur. Het best, blijkt zulks, wanneer wij hot aschgehalte tot maatstaf van vergelijking nemen. Op dezelfde quantiteit asch bekomt men dan ongeveer evenveel organische stof, maar deze bevat 4 a 5 maal zooveel stikstof, 8.5 maal zooveel phosphorzuur en nagenoeg evenveel potasch. Een dergelijk verschil bestaat tusschen de samenstelling van hooi,
de belangrijkste voedingstof van liet rund, on die van vleesch en tarwe, hot meest geschatte voedsel van den mensch. Verg. de tabel hierboven.
Het hooge gehalte maar ook het verschil in het gehalte vooral aan stikstof en phosphorzuur van de menschelijke uitwerpselen wordt dus vooral veroorzaakt door het verschil in het voedsel, evenals dat bij onze huisdieren hot geval is, vergelijk bi. 382, en in overeenstemming met do grootere verteer-baarheid van dit voedsel is de jaarlijksche productie van do vaste uitwerpselen van den mensch per levend gewicht veel geringer dan b.v. van liet rund; tevens laat zich daardoor vorklaren hot hooger gehalte aan stikstof van do urine van den mensch. Stellen wij liet gemiddeld gewicht van een mensch op 50 KG. dan is de jaarlijksche productie van de droge stof zijner uitwerpselen per 100 KG. levend gewicht 2 X 34.4 = 68.8 KG., waarvan ongeveer -l3 in de vlooibaro met -} J- van de stikstof; terwijl volgens de proeven van Lawes en Gilbert, bi. 37G een mestos per 100 KG. levend gewicht jaarlijks levert 237 KG. droge stof in de gezamenlijke uitwerpselen, waarvan hoogstens 1I5 in de vloeibare met ongeveer 3/4 van de stikstof.
Anders wordt ook de verhouding bij raenschen die zich enkel met plantaardig voedsel voeden; dan wordt niet alleen de geheele hoeveelheid vaste uitwerpselen grooter maar kan men ook rekenen dat daarin ongeveer de helft van de stikstof blijft en dus hoogstens de andere helft in de urine overgaat; terwijl bij vleeschdiëet meer dan van de stikstof in de urine komt.
In de menschelijke uitwerpselen, vooral in de vaste, vindt men een groot aantal scheikundige verbindingen. Met het oog op hunne waarde voor mest zijn daarvan van het meeste belang do nict-verteerde eiwitstoffen of hare ontledingsproducten en do aschbestanddeelen van het voedsel, vooral phos-phaten. Hunne eigenaardige reuk wordt grootendeols door het skatol veroorzaakt. De stikstof, die vooral de waarde van de urine als mest bepaalt, komt daarin voor ruim 95 proc. als ureum voor; de rest als urinezuur en enkele andere stikstofverbindingen. Verschillend met de urine onzer huisdieren gaan daarin ook phospliaten, vooral van de alkaliën over en bevat de menschelijke urine derhalve phosphorzuur, terwijl kali behalve aan dit zuur, daarin gebonden is aan zwavelzuur en koolzuur.
Do verzameling dor menschelijke uitwerpselen (faecaliën of faecale stoffen) heeft op zeer verschillende wijzen plaats, vooral in de steden, waar wegens de opeenhooping van menschen, de jaarlijksche productie natuurlijk het aanzienlijkst is. Veel daarvan, vooral van de vloeibare, gaat nog voor de bemesting verloren, daar zij of op plaatsen terecht komen , vanwaar zij met do openbare wateren naar zee stroomon, of in den bodem trekken, en hier nutteloos verloren gaan, of doordien door rotting en gisting, vooral van het ureum in de urine, dat licht in de vluchtige koolzure ammonia overgaat, veel van. hare nuttige bestanddeelen in do lucht vervhegon. Bij dit verzamelen móet ook niet alleen worden getracht dat de uitwerpselen hunne mestwaarde behouden, maar ook worden voorkomen dat ziekten daardoor verspreid en bovendien reinheid in liet oog worden gehouden.
Eene der doelmatigste wijzen van verzamelen, vooral voor kleine plaatsen en niet te groote steden, is hot zoogenaanvlo whtsoUoaw-mtchel. Hierbij worden de uitwerpselen in tonnen opgevangen, die gesloten vervoerd en een of moor-
400
malen por week, zoodat lt;le uitwerpselen nog weinig- of niet gaan rotten, verwisseld worden. Het eerst is dit stelsel ingevoerd en algemeen in toepassing gebracht door E. Maquet, voorheen Lipowsky-Fischer te Heidelberg i). Fig. 172 stelt de door deze firma gebruikte normale tonnen van hout en Fig. 173 die van ijzer voor. Bij een paar tonnen behooren de volgende deelen: 2 ringen van gegoten ijzer, 1 deksel en 1 beugel met schroef, Fig. 174.
Bij het Heidelberger stelsel worden de tonnen in hot sous-terrein geplaatst. De verbinding met den valbuis van den zittrechter geschiedt dan als volgt, Fig. 175. Do opening in het bovenvlak der ton is daarin excentrisch aangebracht; daarop wordt een ring
,,, . , . met sponning, Fig. 174 gelegd, waarin
Fig. 1/4. Deksel, ring en beugel met 1 oi ö o ö j
schroef voor de Heidelberger normale het verplaatsbaar onderdeel der valbuis tonnen. past. Bij het verwisselen der tonnen,
wordt deze buisvormige schuif omhoog geschoven, niet een bajonetslot vastgezet, op de opening der ton een deksel met sponning. Fig. 174, gelegd en deze vastgeschroefd. Daarna wordt een nieuwe ton onder de valbuis geplaatst, een ring op de opening gelegd en de buis in de sponning neergelaten , waarna de arbeider een weinig asch in de sponning strooit om de afsluiting meer volkomen te maken. Met een takel worden de tonnen uit het sous-terrein gehe-schen (waarvoor de haak. Fig. 179 dient) en de kleine tonnen van het terrein gedragen. Fig. 176, de grootere per wagen of met een transporteur. Fig. 177, vervoerd.
De zittrechters, van porcelein, aardewerk of geëmailleerd ijzer, vroeger met hout omschoten, worden thans vrij staande gemaakt en daarbij wordt zoo weinig mogelijk hout, dat reukstoffen vasthoudt, gebruikt. Hunne achterzijde staat verticaal en de verbinding met den valbuis geschiedt onder een hoek van 28°. Zij kunnen ook met waterleiding en de buisvormige schuif, verbfnding'van elnVel- zie hierboven, met een gietijzeren siphon. Fig. 178, delberger ton met de verbonden worden. Om de trechters met verticale De^rittrochter' is'^van achterwand en verticale valbuis zuiver te houden wordt oudere constructie met 1 liter water por persoon en per dag voldoende geacht, omsdiooten hout. Soms worden de faeces der secreten van twee naast
elkander staande woningen in een gemeenschappelijke ton opgevangen, Fig.
') Sammlung von Abhandlungen, Gutachten und Vortragen über Stadtereinigung und Verwcrthung stadtischer Abfallstoffe für die Landwirtschaft. Leipzig Leineweber.
401
178, en, zijn op twee verdiepingen secreten aangebracht, deze mede in één ton of ook wel in verschillende tonnen verzameld, en daarin mede do urine van een urinoir geleid, soms ook afzonderlijk opgevangen. Fig. 179. Steeds is een luchtkoker aangebracht, die of in een luchtgang langs of in den keukenschoorsteen uitkomt, of boven liet dak uitstekende hier van een' ventilator is voorzien, Fig. 179.
Voor kleine plaatsen — dorpen en boerderijen — zijn ook de turfmolm- of aarde-closets gepast, waarbij de uitwerpselen in groote bakken of tonnen opgevangen en met turfmolm of aarde vermengd worden. Maquet te Heidelberg levert voor turfmolm-closets o. a. de inrichting in Fig. ISO voorgesteld. De leiding en verbinding der buizen zijn als in het gewone tonnenstelsel, maar boven de zitplaats is eene gelegenheid tot berging van turfmolm, waarvan telkens bij liet opstaan, na liet gebruik der zitting, eene kleine hoeveelheid in den trechter geworpen wordt. Daarvoor dient een cilindervormige bak of goot, die door een stelsel van hef hoornen bewogen kan worden. Aan de zitting is een hefboom bevestigd met tegenwicht en aan dezen een anderen hefboom, die bij wijze van een tuimelaar op den bak werkt. Wordt op de zitting plaats genomen, zoo wordt de bak met turfmolm gevuld
en bij het opstaan do bak omgekipt en zijn inhoud in den trechter geworpen. Do trechtervormige turfmolmhouder kan buiten het gebouw of cabinet gevuld worden.
Het turfmolm, dat voor dit doel gezift moet zijn, is voor het opvangen der faecaliën een geschikte stof, omdat het ammoniak bindt en bovendien désinfec-teerend werkt. Voor een gelijk getal bewoners zijn bij gebruik van deze turfmolm-closets natuurlijk iets grootere tonnen noodig, terwijl ook de inrichting der zitplaats iets kostbaarder wordt.
Wordt het Heidelberger stelsel toegepast in door vele personen bewoonde of bezochte gebouwen, b.v. kazernes en stations, zoo gosclüedt de verzameling-der faecaliën en der urine in gemetselde of houten bassins met luchtkoker, Fig. 182, die dan evenals een beerput (zie hierachter) pneumatisch geledigd worden. Eene dergelijke inrichting bezit bet spoorwegstation te Heidelberg.
Beter is het echter ze in zoodanige inrichtingen op te vangen in een groote ton, in het sous-terrein op wagen of kar geplaatst, om ze evenals bij 't gewone tonnenstelsel direct te kunnen vervoeren.
Ook in dit geval mag het gewenscht zijn eene zekere hoeveelheid turfmolm of een degelijke absorbeerende stof, b.v. afval van wol of baksel bij den inhoud der bassins te voegen om het ontwijken van stinkende gassen togen te gaan. Te Parijs en in andere Fransche garnizoensplaatsen worden de faecaliën in draagbare tonnen opgevangen van ongeveer 50 liter inhoud. In elke ton is een aan beide einden opene en voorts aan zijn oppervlak van gaten voorziene holle ijzeren cilinder geplaatst en de ruimte tusschen ton en cilinder, onge-REINDERS, 1, Vierde druh. 20
402
ling der faecaliën in zoogenaamde beerputten, daar de wanden en de bodem hiervan zelden voldoende dicht zijn om geene faecale stoffen door te laten. Deze verspreiden zich dan in den grond en vermengen zich met het grondwater, dat in drinkwaterputten dringt, waardoor hot drinkwater niet zelden verontreinigd wordt. In den put gaan de faecale stoffen bovendien rotten, en de daarbij gevormde gassen verspreiden door do aanvoerkanalen stank in de woningen.
Uit een hygiënisch oogpunt zijn de beerputten dus zeker af te keuren, vooral bij de bej^erkte ruimte in de steden of dichtbevolkte plaatsen. En in groote steden mot hare ophooping van bevolking zijn ook aan het tonnenstelsel vele bezwaren verbonden. In allen gevalle wordt dit, vooral wanneer de woningen er nu eenmaal niet voor ingericht zijn, een kostbaar stelsel. Daarbij komt dat men uit het oogpunt van reinheid, nu meest overal waterleidingen zijti aangelegd, van waterclosets gebruik wenscht te maken. Daardoor is een veelvuldig ledigen ook der beerputten van hun verdunden inhoud noodig en dientengevolge ook dit stelsel duurder geworden.
Daar nu' de meeste steden van een rioolstelsel zijn voorzien, waardoor
408
resultaten daarvan luiden over 't geheel gunstig en in dan van de facecaliën een doelmatig gebruik gemaakt. In de meeste gevallen echter wordt dit facaliën-houdende spoelwater in de nabijzijnde kanalen of in eene rivier gevoerd. De uitwerpselen gaan dan niet alleen voor de bemesting verloren, maai* verontreinigen ook in hooge mate het omringende water.
') liene berekening van Durand-Claye heeft geleerd, dat van de hoeveelheid stikstof (ruim 9 millioen KG.) in het te Parijs verbruikte voedsel aanwezig, slechts '/t in de afzonderlijk verzamelde uitwerpselen, '/4 ''öt straatvuil, keukenafval enz. terecht komt en de helft in het rioolwater.
404
Om aan dit bezwaar te gemoet te komen, worden soms buiten de stad groote bassins aangelegd, waarin iiot faecaliën-houdende spoelwater verzameld en met verschillende stoffen als alnin, kalk, ijzervitriool enz. vermengd wordt om de faecale stoffen althans ten deele te doen neerslaan. Nadat deze bezonken zijn laat men het bovenstaande water wegloopen en gebruikt hot bezinksel, waarvan echter de mestwaarde in den regel niet groot is, ter bemesting.
Nog vernielden wij het ferro-zone-polarite en blauwesteen-stel-sel, dat in de laatste jaren in Engeland en ook op enkele plaatsen in Duitschland is ingevoerd, waarbij van geheimmiddelen, waarvan het hoofdbestanddeel zwavelzure aluinaarde is, gebruik wordt gemaakt om de faecale stoffen ten deele neer te slaan, daarna door eene poreuze zwarte of blauwe, veel ijzer bevattende massa (waarschijnlijk virianithou-dend moerasijzererts) te filtreeren. Bij die filtreering heeft eene sterke oxydatie plaats, waarbij de stikstofverbindingen ten deele in nitraten overgaan, üeze blijven in het water opgelost dat daardoor meer waarde krijgt voor bevloeiing, terwijl het achterblijvende slik gedroogd en zoo als mest verkocht wordt i).
Een bezwaar bij dergelijke stelsels, hoe zeer ook soms aangeprezen, blijft altijd de groote hoeveelheid water, waarmede de faecaliën vermengd zijn. Daarom verdienen voor groote steden meer aanbeveling stelsels als dat van Lieruur, o. a. in enkele steden van ons land in gebruik of dat van Berlier te Parijs, waarbij de faecale stoffen van het keuken- en gootwater gescheiden blijven en de eerste in een net van buizen door luchtdruk buiten de stad gevoerd, in bassins of op een andere wijze verzameld worden, terwijl men het keuken- en gootwater door een ander stelsel van buizen in de kanalen leidt.
Hoe ook verzameld, in elk geval blijft de verkoop van de groote hoeveelheid faecaliën, vooral wanneer zij, als bij het laatstgenoemde stelsel, tamelijk verdund zijn, eene groote lastpost voor de groote steden, aangezien in de nabijheid geen grond genoeg aanwezig is om ze voor bemesting te gebruiken en het vervoer naar elders wegens haar groot watergehalte vrij duur komt. Te Parijs en meer andere plaatsen worden ze in groote bassins (dépotoirs) gebracht, waarin de faecaliën gaan gisten en zich na eenigen tijd drie lagen vormen;
') Wolffs Düngerlehre, t'iie Auflage iloor Dr. Vogel.
405
gevalle een groote last voor de omgeving. Daarom gaat men er meer en meer toe over om althans het vloeibare deel der faecaliën te verzamelen in geslotene réservoirs, en door het bijvoegen van zwavelzuur het ammoniak te binden. Op laatstgenoemde wijze wordt thans een gedeelte der faecaliën te Parijs verwerkt en een pou-drette verkregen welke vrij wat meer mestwaarde heeft dan die van de opene bassins, gelijk uit de volgende analysen blijkt.
Poudrette verkregen door verdamping aan de door opzettelijke droging,
lucht in open bassins
water 27—42 0^
stikstof 1.02—2.1 „
phosphorzuur 2.46—4.7 „
Een dergelijk stelsel, reeds verscheidene jaren in toepassing, is ook dat van Podewils te München, waarbij de faecaliën in gesloten ijzeren réservoirs in eene bepaald daarvoor aangelegde fabriek worden verzameld. Zij worden hierin met zwavelzuur vermengd en voor de désinfectic op 120° C. verhit. Na verdamping van de grootste hoeveelheid water vormt het overblijfsel eene dikke brij, die verder ingedampt en tot poeder (poudrette) gemaakt wordt. Dit droge poeder wordt óf als zoodanig onder den naam van fumtiiloximcl in den
na toevoeging van zwavelzuur 17-33 0/0 3.59—5.17 „ 3.70—4.50 ,,
406
handel gebracht en op oen gehalte van 80/o stikstof, 3.5O/q phosphorzunr en 3.5 0/0 kali gegarandeerd , of met beenderenineelsuperphosphaatammoniak, kali, Thomasslakken enz. vermengd en onder den naam van faecaalguano met een gehalte van ongeveer óO/q stikstof. 9.50/0 phosphorzunr en 2 0/okali verkocht. Ook te Bremen bestaat tegenwoordig een dergelijke inlichting voor het verwerken van de faecaliën op guano of pondrette.
Hoe bij sommige dezer stelsels de faecaliën ter bemesting gebruikt worden is reeds gezegd. Meestal geschiedt dit echter op eene andere meer directe wijze.
Daar vele bewoners van het platte land eenigen grond in bezit of in gebruik
hebben, worden de faecaliën der meeste huisgezinnen uit de bewaarplaatsen: tonnen, bakken of beerputten , direct ter bemesting gebruikt of wanneer ^
tevens vee gehouden wordt, ook wel met den gewonen stalmest vermengd. In vele streken echter, vooral in het gebied der veehouderijen wordt aan do verzameling weinig zorg besteed en worden ze ook hier aan het water van een kanaal of watering niet zelden prijs gegeven. Ook kon door vermenging met turfmolm of humushoudende aarde meer gewaakt worden om het stikstofverlies, ontstaan door vervluchtiging van ammoniak, bl. 395, vooral van de urine, tegen te gaan.
Enkele streken in het buitenland zijn vooral bekend wegens veelvuldig direct gebruik van de faecaliën.
In Vlaanderen wordt bij elke boerderij van eenige uitgestrektheid een gemet-selden put of bak gevonden met twee openingen : ééne in het bovenvlak (gewelf) voor het uit- en inbrengen der stoffen en eene kleinere aan de noordzij om de lucht toegang te verschaffen. Deze putten hebben niet zelden eenen inhoud van 30 a 40 M3. Telkens als de werkzaamheden op de boerderij liet veroorloven , wordt de inhoud van de secreten der steden en dorpen door middel van houten tonnen, waarvan een twaalftal een wagenvracht vormen. hier
407
ingevoerd, om na con korteren of langoren tijd daarin bewaard, veelal met water verdund en soms niet raapkoeken vermengd te zijn, tor bemesting te worden gebruikt. Het vervoer naar het land geschiedt insgelijks in tonnen. Hier aangekomen worden dc uitwerpselen in eene draagbare ton overgebracht en nu door middel van een schop over liet land, meestal kort na het zaaien of ter overbemesting in hot voorjaar, ter hoeveelheid van 160 a 360 hectoliter op de hectare, uitgespreid.
Ook in do Fransche provinciën Dauphiné, Provence en in don Elsasz maar vooral in China worden de faecaliën zorgvuldig verzameld en ter bomosting gebruikt. In China worden ze ook met droge klei vermengd, in den vorm van briquetten gebracht en zoo onder den naam taffo verhandeld.
Hot ledigen der secreetputten en liet vervoer van hunnen inhoud is ecno der onzindelijkste cn gewoonlijk met verspreiding van veel stank gepaard gaande, bezigheden, vooral in de steden. quot;Waar hier nog geen beter relnigings-stelsel, b.v. het wisseltonnenstelsel, bl. 399, is ingevoerd, boveelt zich daarom
kachel en beorton
en luchtbuis; links; aanvoerbuis voor do beer
het pneumatisch ledigen dier putten aan. Een der doelmatigste en meest in gebruik zijnde toestellen daaivoor is in Fig. 1S3 afgebeeld. De voor het vervoer dienende ton (op de figuur links) wordt met behulp van een luchtpomp (rechts op de figuur) luchtledig gemaakt en door de drukking der lucht de inhoud van liet secreet, door de wijde buis in de ton geperst, (ievuld zijnde, zichtbaar aan een peilglas, worden de kranen gesloten en kan hot vervoer dus geheel afgesloten van do lucht plaats hebben.
Om te voorkomen dat do uitgeponipto lucht stank verspreide, wordt deze door een vuurtje in een kachel, op den luchtpomp-wagen, geleid en alzoo verbrand. Om verder het verspreiden van slank to voorkomen verdient hot aanbeveling in den secreetput eene oplossing van ijzervitriool te werpen.
408
waarbij de luchtpomp door middel van eene stoommachine in beweging wordt go-1 u-acht. Ook Ma-quet te Heidelberg levert dergelijke toestellen, Fg. 182.
De aldus verzamelde beerstof-fen kunnen clan direct naar liet land gebracht en ter bemesting gebruikt of voorloo-pig in bassins buiten de stad bewaard öf tot poudrette verwerkt worden. Voor het gelijkmatig verspreiden uit de tonnen levert Maquet eene sproeimachine, in Fig. 185 afgebeeld.
Intusschen is er in de steden nog allerlei ander vuil, als haardasch, straatveegsel, afval van de keukens enz., dat mestwaarde heeft en verwijderd moet worden.
Van al de methoden nu de menschelijke uitwerpselen (faecale stoffen) ter bemesting te gebruiken, komt ons hunne bereiding door vermenging met deze haardasch en allerlei afval tot compost, het meest doeltreffend voor. Sedert jaren is deze methode te Groningen en in navolging daarvan in andere steden van ons land in gebruik. In het kort komt deze Oroningsche methode hierop neer l).
') E. Buttinger, Praktische beschrijving van de wijze van reiniging^ vitilnis-rerzameling en mesthereiding le Groningen.
Terwijl wij in 't algemeen bet tonnenstelsel, inzonderheid uit een landbouwkundig oogpunt als het doeltrefl'endst beschouwen, willen wij geenszins beweren. dat het verzamelen van den mest, gelijk dit te Groningen geschiedt, uit het oogpunt van gezondheid eu zindelijkheid niet voor verbetering vatbaar is. De gemeente Groningen heeft dan ook besloten tot het wisseltonnenstelsel over te gaan.
Dergelijke toestellen worden ook van kJoinere afmetingen geleverd, b.v. een luchtpomp als Fig. 1S4 op eone kar in plaats van op oen wagen geplaatst,
maar ook van
409
De uitwerpselen lt;ler ingezetenen worden opgevangen in verplaatsbare tonnen en deze om den anderen dag of tweemaal per week geledigd. Terzelfder tijd wordt de ascli en andere vnilnis, in bakken verzameld, dooi- daarvoor aangestelde arbeiders en voerlieden afgehaald. Vooral ten behoeve van de bewoners der achterbuurten heeft de Gemeente ook publieke privaten, urinoirs en vuilnisbakken doen oprichten of geplaatst. De urine wordt hierbij in tonnen opgevangen en deze eiken morgen geledigd. Nog wordt verzameld straatveegsel en het vuil van de zinkputten, die in verbinding staan met overdekte riolen, waardoor hot regenwater en ander water, dat op de straten mocht voorkomen, wegloopt in de kanalen, welke de stad doorsnijden. Dn verschillende verzamelde stoffen worden met wagens, die van alle zijden gesloten kunnen worden, op den „vuilnisstoepquot; gebracht en dooreengemengd. Deze is geheel bestraat; voor liet bergen van den mest zijn overdekte kommen van 1 Meter diepte en een waterpassen bodem en gemetselde ierkuipen gemaakt. De faocalo stof en ander vloeibaar vuil worden in het midden der kommen gevoerd en de asch en andere vaste stoffen hierover uitgestort. Van de laatste maakt men tevens een wal aan den buitenrand der laagte om het vloeibare zooveel mogelijk bijeen te houden. Zoo gaat men voort tot een zooveel mogelijk gemengden hoop van ongeveer 2.75 M., dus 1.70 M. boven den beganen grond, verkregen is. Daartoe is ongeveer 4 weken tijd noodig, terwijl men rekent dat 14 dagen later de massa genoeg „gegist'quot; heeft om ter bemesting afgescheept te kunnen worden. De vloeistof, die als ier langzamerhand uit de hoopen sijpelt, loopt langs goten in de ierkuip.
Voor de samenstelling van den Groninger compost en ier raadplege men tabel TIL
Op gelijke wijze als hier in het groot geschiedt, kunnen ook meer in 't klein de faeealiën en allerlei andere dierlijke en plantaardige stoffen met asch, aarde enz. vermengd, tot een zeer bruikbaren mest'gemaakt worden, die dan in 't algemeen den naam van compost draagt.
De graaf zur Lippe 1) beveelt voor het aanleggen van een doelmatigen composthoop het volgende aan. Als onderste laag wordt grond en slootaarde genomen ter hoogte van 20 cM., daarop volgt eene laag kalk van 1 c^l. dikte, dan turfmolm of veengrond 15 cM., dat alles overgiet men met gier, zoodat het goed daarvan doortrokken is, vervolgens eene laag bladeren ongeveer 20—25 cM., dan weder 20 cM. aarde goed met gier doortrokken, aan-veegsel enz. en ten slotte weder aarde met gier doortrokken, zoodat de hoop ongeveer 1 meter hoog wordt, die nu nog met fijne aarde wordt bedekt. Is de hoop arm aan phosphorznur, zoo verdient het aanbeveling ei* phosphaten b.v. beenderenmeel aan toe te voegen. Afval, die onkruidzaad bevat of kan bevatten, wordt zooveel mogelijk aan de oppervlakte van den hoop gebracht en slechts met eene dunne laag aarde bedekt om het ontkiemen van het zaad te bevorderen. Stikstofhoudende stoffen brengt men tusschen materiaal, dat het vrij Avordende ammoniak goed bindt, b.v. tusschen aarde, turf enz.; moeilijk oplosbare phosphaten daarentegen boven afval, waaruit zich koolzuur kan ontwikkelen, b.v. bladeren, zaagsel enz. Ongelijksoortig niateria;il als puin.
') Der Compost und seine Verivendung.
410
steenkoolasch enz. wordt het best vooraf gezift floor eene zeef van 3 a 4 cM. maaswijdte. Heeft deze hoop ongeveer een vierde jaar gelegen, zoo wordt hij omgezet en zorgvuldig gemengd, nogmaals 2 a 3 maanden met rust gelaten en daarna nog eens omgezet, totdat het na 9 a 10 maand eene gelijksoortige brokkelige massa en voor het gebruik geschikt geworden is. Steeds wordt gezorgd, dat hij behoorlijk vochtig is, omdat anders de noodige omzettingen niet phials hebben.
Vooral in Holland en Friesland is men gewoon den weinig of geen strooisel bevattenden stalmest met slootaarde te vermengen en de aldus verkregen hoop nu en dan om te zetten. Ook in dit geval wordt eene soort compost bereid, ongetwijfeld zeer geschikt voor het bemesten van grasland. Beter komt het ons echter voor de grootendeels uit veen bestaande slootaarde in gedroogden toestand reeds in den stal met uitwerpselen te vermengen en zoo op de mestvaalt te bewaren, vergelijk bl. 396.
3. Eenige andere meststoffen van dierlijken oorsprong.
Behalve de uitwerpselen worden ook de lijken der dieren en enkele stoffen van dieren afkomstig ter bemesting gebruikt. Aan de zeekusten worden zeesterren, mossels, garnalen en allerlei afval van visch verzameld, in het binnenland soms meikevers en andere insecten; de slachterijen leveren bloed, ingewanden enz. Fray Bentos (Zuid-Amerika) levert ook het vleescli der geslachte dieren als mest. De wolspinnerijen en wolwasscherijen leveren afval van wol, de leerlooierijen en blooterijen haren en wol en andere aanhangende deelen der huiden; bij het verwerken van het dierlijk hoorn bekomt men spaande?s enz. Al deze stoffen, waarbij nog eene menigte andere gevoegd zouden kunnen worden en voor welker samenstelling wij naar tabel IIT verwijzen , ontleencn vooral hare mestwaarde aan haar stikstofgehalte. De meeste bevatten ook phosphorzuur, ofschoon in geringere hoeveelheid. Hoorn, leder, wol, haar en dergelijke stoffen worden echter zeer moeilijk ontleed en zouden als zoodanig ter bemesting gebruikt, weinig tot vruchtbaarmaking van den grond bijdragen. Zij worden daarom meestal door behandeling met zuren (zwavelzuur), dooi' koking of door kalk of bijtende potasch vooraf tot een meer bruikbaren mest bereid. Ook de andere hierboven -genoemde stoffen worden veelal door ze te koken, fijn te stampen of met andere stoffen te vermengen tot een meer vervoerbaar of ook een meer ter bemesting geseliikl materiaal verwerkt. TTit den afval van visch, garnalen enz. wordt al zoo een poeder verkregen, dat onder den naam van vischguano in den handel wordt gebracht. Door vermenging met -kalk, asch, aarde enz. dienen zij, evenals de menschelijke uitwerpselen, ook tot bereiding van compostmest. Zie bl. 409.
Aangezien hot gevaar bestaat dat met het vuil der veemarkten besmettelijke veeziekten verspreid worden, verdient het wel aanbeveling, vooral voor groote markten, dit vuil op gelijke wijze als de menschelijke uitwerpselen tot poudrette te verwerken. Afval van vilderijen wordt ook wel in geslotene toestellen verhit en op vet, lijmwater, mestpoeder enz. verwerkt (stelsel Hartmann), o. a. in Stettin. Het op deze wijze verkregen mestpoeder (vleesch-meel) bevat 8—10 0/0 stikstof, 1—10 0/0 phosphorzuur en 1—2% kali.
De belangrijkste meststof van 't lichaam der gewervelde dieren vormen de beenderen, het geraamte. Dit weegt;
411
van oen volwassen menscli van 4—5 KG. „ „ os „ 45—50 „
„ „ paard „ 40—45 „
„ „ schaap „ 4—5 „
„ „ varken „ 8—12 „
Ti kalf „ 6 7 ,,
In verschen toestand nit gemiddeld 16.50/q water, 1().50/() vet, 23 0/0 lijm-gevende stof en 440/0 asc-h bestaande, ontieenen de beenderen hunne waarde vooral aan het phosphorzuur, dat zij in eene hoeveelheid van gemiddeld 16.S0/0, hoofdzakelijk phosphorzure kalk, bevatten, terwijl de lijmgevende stoffen ongeveer 3.5 0/o stikstof vertegenwoordigen.
Volgons een onderzoek van Holdefleisz i) loo])t echter de samenstelling dei-verschillende beenderen van paarden en runderen, die hier het meest in aanmerking komen, zeer uiteen. Het rijkst aan water zijn b.v. hot borstbeen en de wervels, liet armst de zoogenaamde pijp- en in het algemeen de hardere beenderen; eerstgenoemde zijn rijker aan lijmgevende stof en dus ook aan stikstof, laatstgenoemde rijker aan asch en derhalve aan phosphorzuur.
De gemiddelde procentische samenstelling van het geheele paarden- en runderskelet (zonder de tanden) is volgens Holdefleisz ids volgt:
Paard Rund
Water.......... 21.76 0/u 11.32 %
Vet...........18.56 „ 14.64 „
Lijmgevende stof......21.60 „ 24.58 „
met stikstof.......3.32 „ 3.81 „
Asch.......... 38.08 ,, 48.46 ,,
met phosphorzuur.....14.66 „ 19.12 „
„ koolzuur.......2.47 „ 2.94 „
„ zwavelzuur......0.10 „ 0.13
„ chloor.......0.07 „ — „
„ kalk........20.41 „ 25.34 „
„ magnesia......0.20 „ 0.48 „
Men ziet dus dat de runderbeenderen door hun hooger stikstof- en phos-phorzuurgehalte meer waarde hebben als mest dan die van :t paard.
De beenderen waren voor dit onderzoek zorgvuldig van vleesch. pezen enz. gezuiverd. In den regel is dit met beenderen, zooals zij in den handel komen, niet het geval. Vandaar dat hiervan bet stikstofgehalte iets grooter en het phosphorzuur- en kalkgehalte iets geringer is. In drogen en vetvrijen toestand mag volgens Holdefleisz als stikstofgehalte daarvan worden aangenomen; 5.39 0/q in varkensbeenderen en 5.56 0/0 in paardebeenderen, terwijl de gemiddelde samenstelling van de in den handel voorkomende runderbeenderen in drogen en vetvrijen toestand volgens zijn onderzoek is;
Stikstof...........5.40 o/o
Phosphorzuur......... 24.32 „
Kalk............ 32.48 „
Magnesia...........0.35 „
Ook de beenderen moeten, alvorens ter bemesting bruikbaar te zijn, eene bewerking ondergaan. Een eerste middel daartoe is het malen tot een zooveel mogelijk fijn poeder. Daar de harde beenderen zich echter moeilijk door malen
') l)r. Fr. Holdcflei z, Dan Knoc/ienmchl, seinc Bewtheiluny uml Verwenduny.
412
allt'on tot een fijn poeder laten brengen, zijn allengs nog andere middelen voorgeslagen. Deze zijn:
n. het behnndekn dar min of nicer fijn gemalen heenderen mei zwavelzuur. De in water onoplosbare phosphorznre kalk, tricaleiumphosphaat, wordt daardoor omgezet in oplosbare zure phosphorznre kalk, monocalchunpliosphaat, of bij veel zwavelzuur voor een deel in vrij phosphorzuur en zwavelzure kalk (gips). Ook de koolzure kalk ga;it in zwavelzure kalk over, terwijl de stikstofhoudende organische stoffen, die in de versche beenderen door genoemde zouten omhuld zijn, als het ware blootgelegd en, met de lucht in aanraking komende, spoediger verteren en in geschikt plantenvoedsel omgezet worden. Het aldus verkregen mengsel is bekend onder den naam van superphosphaat ran heenderenmeel. De behandeling met zwavelzuur heeft echter het bezwaar, dat do lijmgevende stof der beenderen daarmede eene kleverige massa vormt, die zich moeilijk laat verdeden. Een tijdlang heeft men die behandeling daarom laten varen. Paste men luiar nog toe dan werd daarvoor gestoomd ontlijmd heenderenmeel gebruikt, dat echter door mechanische middelen gemakkelijk tot een fijn poeder gebracht kan worden en de behandeling met zwavelzuur niet noodig heeft. Nadat echter gebleken is, dat het gestoomde heenderenmeel op vele grondsoorten en bij vele vruchten, b.v. Haver, niet zoo spoedig werkt als het met zwavelzuur behandelde, wordt «leze behandeling in de laatste jaren weer meer in toepassing gebracht. .Men gebruikt dan echter eene geringere hoeveelheid zwavelzuur als voor de geheele omzetting van het tricalcium-phosphaat in monocalciumphosphaat noodig zou zijn.
h. het laten gisten van H heenderenmeel. Daartoe vei mengt men het met humushoudenden grond, asch enz., overgiet den daaruit gevormden hoop met gier en Iaat dien na bedekking met asch, aarde enz., al naar de weersgesteldheid, een korteren of langeren tijd liggen. Onder deze omstandigheden worden de lijmgevende stoffen ontleed, de daarbij vrijgewordene ammoniak wordt dooide aarde opgevangen, terwijl de beenzouten tot een fijner poeder uiteenvallen. Van allo methoden kan deze het best in het klein op eene boerderij toegepast worden. Zij is overigens zeer weinig in gebruik. Eene dergelijke verdeelende werking oefent ook bijtende potaschloog uit.
c. het behandelen der beenderen met stoom of met xloom en kokend mater. Door beenderen niet stoom van hoogen druk te behandelen wordt voor een deel het vet en voor een grooter of kleiner deel ook liet lijmgevend weefsel er uit verwijderd. Verliezen zij derhalve daardoor aan stikstofgehalte, de verwijdering van een gedeelte van het vet heeft ten gevolge, dat de lijmgevende stof spoediger ontleed wordt. Bovendien zijn de beenderen door deze behandeling brosser geworden, zoodat zij zich zonder moeite tot een fijn poeder laten brengen. Worden de beenderen, na de behandeling met stoom, nog met water gekookt, zoo gaat de lijmgevende stof grootendeels in oplosbare lijm over en wordt zoogenaamd ontlijmd heenderenmeel verkregen, dat nog slechts ongeveer 1 O/q stikstof bevat.
d. het behandelen der beenderen met benzine en daarna met stoom® Deze methode is thans de meest gebruikelijke. Do behandeling met benzine heeft ten doel het vet uit de beenderen te trekken; die met stoom om de benzine weder geheel te verwijderen en de beenderen min of meer bros te maken.
413
Kan mi ook op deze wijze een product verkregen worden, dat nog slechts 1 a 2 0/o vet bevat, terwijl enkel gestoomd beenderemneol meestal nog meer dan 40/o vet houdt, en de lijinstof grootendeels in de beenderen is gebleven, zoodat het stikstofverlies slechts ongeveer 1/20/o bedraagt, niet zelden wordt door eene meer aanhoudende behandeling met stoom en warm water meer lijm aan de beenderen onttrokken en beenderenmeel van zeer afwisselend stikstofgehalte verkregen. Is de lij ingevende stof grootendeels aan de beenderen onttrokken, zoo bekomt men het zoogenaamd ontlijmde beenderenmeel. Het stikstofgehalte van dit laatste bedraagt nog hoogstens 1—3 O/q en het phosphorzuurgehalte meestal 27—3U0/o, terwijl normaal gestoomd, niet ont-lijmd beenderenmeel een stikstofgehalte van 4 a ■quot;) 0/0 (3.5 0/o in den vorm van lijm) en een phosphorzuurgehalte van li) a 22 o/,-, heeft of eeno verhouding tusschen de lijmstikstof en het phospliorzuur als l : 5 of hoogstens l : 6. Niet zelden worden aan ontlijmd beenderenmeel andere stilvstoflioudende stoffen, b.v. bloed- of hoornmeel, toegevoegd om het stikstofgehalte weder hooger of van een gegarandeerd gehalte te maken, of ook mengsels waaraan super-phosphaat of phosphorit is toegevoegd (gepraepareenl beenderenmeel) in don handel gebracht. Is meer dan 100/o hoornmeel toegevoegd zoo wordt zulks door de proefstations als eene vervalsching beschouwd.
Behalve het grof gemalen ruw bceiimrenmecl en het supcrphosjjliaat van beenderenmeel, die beide weinig meer voorkomen, kan men dns tegenwoordig in den handel onderscheiden: normaal i/esloonnl (niet outlijmd maar grootendeels ontvet) beenderenmeel, beenderenmeel van gestoomde en gekookte en daardoor min of meer van lijm beroofde beenderen, dat naardat de behandeling met benzine al of niet is voorafgegaan, minder of meer vet bevat, met lager stikstof- en hooger phosphorzuurgehalte (ontlymd beenderenmeel) en gepraepa-reerd beenderenmeel, met meestal normaal stikstof- en vaak lager phosphorzuurgehalte dan in het normale beenderenmeel.
Slechts een deel der verzamelde beenderen gebruikt men, op deze of gene wijze bewerkt, rechtstreeks ter bemesting. Een gedeelte wordt in fabrieken tot allerlei werktuigjes, snuisterijen en vooral knoopen verwerkt en slechts de afval daarvan tot mest gebruikt. Een ander gedeelte woidt vooraf gebrand tot beenderen kool, die in de suikerraffinaderijen tot het ontkleuren enz. der suikeroplossing wordt aangewend. Na eenigen tijd onwerkzaam hiervoor geworden, vormt het nog eene nuttige stof ter bemesting. Wegens hare moeilijke oplosbaarheid wordt deze het best vooraf met zwavelzuur behandeld en als superphosphaat van beenderkool (beenzwart) in den handel gebracht. Van een ander gedeelte der verzamelde beenderen wordt nog op eene andere wijze als hierboven is gezegd, lijm gemaakt, namelijk dooi' het onverbrandbare bestanddeel in zoutzuur op te lossen, waarbij de lijmgevende stof achterblijft. Uit deze oplossing wordt door toevoeging van kalk het phospliorzuur neergeslagen en onder den naam van gepraecipiteerde phospliorztire kalk of lijmkalk (grootendeels bicalciumphosphaat) in den handel gebracht. Lijm wordt intnsschen ook van verschillende andere stoffen als huiden, pezen enz. bereid en ook liierbij afval verkregen, die door zijn stikstof- en phosphorzuurgehalte mestwaarde heeft, maar met bovengenoemd bijproduct der beenderlijmfabrieken veelal niet op eene lijn gesteld kan worden.
4U
4. Meststoffen van plaiitaardi^en oorsprong.
Do dierlijke most is over 't geheel rijllt; iuin stikstof en ontleent daaraan hoofdzakelijk zijne waarde. Slechts in de beenderen en in de dierlijke uitwerpselen , die trouwens, gelijk wij weten, grootendeels als van planten afkomstig moeten worden beschouwd, komen ook asehbestanddeelen in meerdere of mindere hoeveelheid voor, die ze waarde als mest geven. De planten zijn over 't geheel arm aan stikstofhoudende stoffen. Alleen in de zaden, in de wortels en knollen enz. zijn zij eenigszins opgehoopt. Maar deze worden juist voor een groot gedeelte van eene boerderij verwijderd en dienen rechtstreeks tot voedsel of worden in fabrieken verwerkt, 't Doel van dit verwerken is veelal stikstof- en aschvrije stoffen daaruit te verkrijgen. Zoo wordt uit de oliezaden de olie, uit aardappels, tarwe, rogge en gerst het zetmeel (resp. suiker of stroop en alcohol), uit de beetwortels de rietsuiker bereid. In de bijproducten houdt men dan o. a. de stikstofhoudende eiwitstoffen en de asehbestanddeelen over. Zoo bekomt men van de olieslagerijen de koeken, van de branderijen slempe of spoeling, in de beetwortelsuikerfabrieken de pulpe en stroop enz. Zooveel mogelijk worden deze bijproducten als veevoeder gebruikt. In andere gevallen dienen zij direct tot bemesting. Maar 't zij dan direct ter bemesting, 't zij als veevoeder gebruikt, die bijproducten kunnen ten slotte voor een deel de stikstof en grootendeels de plantenasch aan den grond teruggeven, welke in het zaad, hot graan enz. er aan onttrokken is. Dat sommige fabrieken, b.v. die van aardappelmeel, zulks nog niet doen, is slechts eene questie- des tijds. In Duitschland wordt het spoelwater dezer fabrieken, waarin de eiwitstoffen en de asehbestanddeelen aanwezig zijn, reeds hier en daar met gunstig residtaat ter bevloeiing gebruikt. Ter beoordeeling van deze stoffen als mestmateriaal, raadplege men tabel III en IV.
Welke waarde aan het stroo als directe mest moet gehecht worden, is ons bij de behandeling van den stalmest reeds gebleken en 't zal niet noodig zijn, hier daarop terug tc komen. Men raadplege daarvoor alsmede voor cle waarde van het loof van verschillende planten de aan het eind van dit Deel gevoegde tabel IV.
Sommige planten, b.v. wortelgewassen, worden nagenoeg in haar geheel geoogst, van andere, b.v. de granen en in 't algemeen die, welke gezicht of gemaaid worden, blijven een gedeelte der stengels en der wortels geheel op of in don grond achter. Daarbij komt de afgevallen bladmassa. Volgens Weiske en Werner blijven bij de volgende gewassen aan droge stof enz. in stoppels en wortels op ééne hectare achter:
|
droge stof |
daarin |
hierin | ||||
|
kilogr. |
stikstof |
asch |
phosphorzuur potascli |
kalk | ||
|
ijarige luzerne |
10811 |
152.6 |
1342 |
44.0 |
41.1 |
220.0 |
|
1 .. roode klaver 9976 |
214.6 |
2147 |
83.9 |
90.0 |
292.9 | |
|
Rogge |
5887 |
73.2 |
1843 |
28.5 |
25.1 |
82.1 |
|
Koolzaad |
498(1 |
63.1 |
696 |
35.9 |
41.1 |
138.3 |
|
Haver |
3726 |
30.0 |
1615 |
33.5 |
27.9 |
95.9 |
|
Lupinen |
3943 |
69.7 |
616 |
15.6 |
19.1 |
90.1 |
|
Tarwe |
3888 |
26.4 |
1219 |
13.3 |
20.7 |
86.0 |
|
Erwten |
3604 |
63.4 |
750 |
16.8 |
12.7 |
80.5 |
|
Serradella |
3500 |
72.5 |
610 |
20.7 |
10.0 |
89.5 |
|
Boekweit |
2455 |
53.6 |
521 |
12.3 |
10.3 |
89.7 |
|
Gerst |
'2-227 |
25.7 |
425 |
13.5 |
10.9 |
47.4 |
41:')
Heiden bepaalde van de volgende planten, hoeveel in de stengels enz. van eene hectare geoogst en hoeveel in do wortels (zonder de stoppels) daarop achterblijven, in kilogr.
|
rogge |
koolzaad |
klaver in bloei | ||||||
|
bovendeelen |
wortels |
som |
bovendeelen |
wortels |
som bovendeelen |
wortels |
som | |
|
Droge stof 10720.5 |
702.5 |
11513.0 |
17447.5 |
1156.5 |
18604.0 |
4512.2 |
1025.6 |
0437.8 |
|
Stikstof 136.1 |
10.4 |
146.5 |
282.6 |
30.8 |
313.4 |
144.4 |
59.4 |
204.1 |
|
Phosphomnu' 58.2 |
7.1 |
65.3 |
177.5 |
8.6 |
186.1 |
24.1 |
10.1 |
43.2 |
|
Potasch 110.7 |
8.6 |
110.5 |
444.5 |
18.4 |
462.0 |
51.2 |
31.0 |
83.1 |
|
Kalk 40.1 |
12.0 |
62.0 |
456.3 |
35.4 |
401.7 |
105.0 |
20.0 |
135.8 |
Deze opgaven wijzen ten duidelijkste aan, wolk groot verschil er bestaat in de plantenmassa, die er van de eene plant, vergeleken met die eener andore in den grond achterblijft. Daarop berust voor oen groot deel het verschil dat men gemaakt heeft tusschen grondverrijkendo on grondverarmende planten. Zie hieronder; Vruchtwisseling.
Bij het beoordeelen van de samenstelling dezer plantenoverblijfselen (stoppels en wortels) dient echter niet enkel op de hoeveelheid maar ook op de hoedanigheid gelet te worden. Wij hebben bl. 371 daarop reeds gewezen. Van groen gesneden planten, b.v. klaver, verteren de wortels enz. veel spoediger on zij zullen den grond eerder vruchtbaar maken dan de droge en min of meer uitgeteerde stoppels en wortels der rijp gewordene planten.
5. G r o e n b e m e s t i n g.
In het bijzonder tracht men den bouwgrond te bemesten door plantaardige stoffen bij de zoogenaamde groeribemesting. Daaronder verstaat men het telen van sommige planten met het doel ze vóór de zaadvorming onder te ploegen. Reeds lang was deze wijze van bemesten in gebruik, maar terwijl men vroeger daarmede inzonderheid op het oog had den natuurkundigen toestand van den grond te verbeteren, door de groote massa organische stoffen, welke er mede in den grond wordt opgehoopt en zij derhalve vooral werd toegepast op niet-of nog weinig ontgonnen zandgronden, waar het aanvoeren van veel plantaar-digen mest veel geld zon kosten, alsmede op zware kleigronden, past men ze in de laatste jaren meer algemeen toe, hoofdzakelijk om door den verbouw en het onderploegen van Legnminosen den bodem rijker te maken aan organische stikstof. Deze planten leven namelijk in gemeenscha]) met bacteriën welke in hare wortelknolletjes huizen, de vrije stikstof uit do lucht opnemen en niet alleen zich zelve maar ook de Legnminosen met de gevormde stikstofverbindingen voeden. Dat de Legnminosen stikstof in den bodem ophoopon en in dn meeste gevallen geene stikstofbemesting noodig hebben, vermoedde een 30 jaar geleden reeds G. Ville in Frankrijk, later ook Lawes en Gilbert in Engeland en Schultz te Lüpitz in Duitschland; maar door Hennéberg en Will-forth werd het eerst bepaald bewezen en aangetoond op welke wijze zulks geschiedt, bl. '2.01.
De planten die vooral voor groenbemesting worden gebruikt, zijn: de gele en blauwe Lupinen op zand- en veengronden, de Serradella op zandgronden en de roode en witte Klaver, Erwten en Wikken op verschillende gronden maar vooral op kleigronden. Bij ontginningen worden de Lupinen als de meest geschikte planten daartoe beschouwd, omdat zij nog op schrale gronden,
4L6
vooral na bemesting met een phosphaat cn een kalizout, welig groeien. Op de ontgonnen gronden komen do klaversoorten en de andere hierboven genoemde Leguminosen daarvoor meer in aanmerking.
Wordt op een bodem voor het eerst de eene of andere soort peulvrucht verbouwd, dan is het gewenscht deze voor het zaaien met eene zekere hoeveelheid entaarde, dat is grond waarop die peulvrucht reeds met goed gevolg verbouwd wordt, te overstrooien, ter hoeveelheid van ongeveer 2000 KG. per HA. Op pas ontgonnen veengronden heeft Fleischer daartoe met goed gevolg zeeslik gebruikt. Het dool is daarmede de gewenschte bacteriën iu den bodem te brengen. Op aanwijzing van Nebbe en Hiltner worden de leguminosen-bac-teriën thans ook in gelatine gekweekt en door eene fabriek te Höchst in den handel gebracht onder den naam van Nitragin.
Overigens wordt de groenbemesting nog op verschillende wijzen in toepassing gebracht. Men verbouwt: o, do peulvrucht als hoofdgewas, ploegt haar in den nazomer onder en verbouwt dan een wintergewas, b.v. Kogge. Deze methode wordt toegepast op schrale gronden en ook wel wanneer veel onkruid aanwezig is. Men heeft dan vóór en na den groei van de peulvrucht tijd om het onkruid te vernietigen. Meer algemeen wordt echter; h, de peulvrucht als tusschengewas verbouwd. Men zaait deze dan óf onder het hoofdgewas als dekvrucht óf na den oogst van het hoofdgewas in de stoppels, dus als stoppelgewas.
In de laatste jaren zijn ook de witte Mosterd en enkele andere planten voor groenbemesting aanbevolen maar voor een eenigszins ander doel, namelijk om als stoppelgewas verbouwd te worden, de in den nazomer en herfst gevormde salpeterzure zouten (bi. 275) op te nemen cn alzoo voor uitspoeling (bl. 281) te bewaren.
B. MESTSTOFFEN VAN DELFSTOFFELIJKEN OORSPRONG.
De betere kennis, in de laatste jaren van de voeding der planten, inzonderheid van de beteekenis harer aschbestanddeelen verkregen, heeft vooral tot het gebruik ook van delfstoffelijken mest aanleiding gegeven.
1. de Guanosoorten.
Ofschoon deze blijkbaar uit de uitwerpselen enz. van vogels gevormd en dus eigenlijk van organischen oorsprong zijn, mag men ze overigens als een bestanddeel der aardkorst en dus van delfstoffelijken aard beschouwen.
De meest en langst bekende guanosoort is die aan de kust van Peroe en de naburige eilanden van 2° tot 21° Z.B. (Peroe-guano). Het zeewater en vooral de koude zeestroom, die aan de westkust van Zuid-Amerika, vanaf Kaap Hoom naar het noorden loopt, is rijk aan visch, waardoor eene menigte vogels gelokt worden, die zich daarmede voeden. Op de kust en de eilanden broedende en bijna altijd des nachts zich aldaar ophoudende, brengen zij er oen groot gedeelte hunner uitwerpselen: bij den dood voegen zich daarbij vele hunner lijken. Aangezien nog tegenwoordig eene vrij groote hoeveelheid overblijfselen van vogels aldaar wordt opgehoopt, behoeft het ons niet te verwonderen, dat in vroeger tijd, toen deze streken niet of veel minder bewoond waren, het aantal vogels nog grooter en de ophooping nog sterker geweest
417
zal zijn, en laat het zich verklaren, dat op sommige plaatsen goheele lagen, tot 30 M. toe, van deze uitwerpselen gevormd zijn l). Behalve vogels en hunne uitwerpselen worden ook geraamten van zeehonden enz., vooral in de onderste lagen, aangetroffen. Deze zijn wellicht bij hooge vloeden op de beddingen gebracht.
Deze massa, naar den naam der vogels (guanaes), guano geheeten, is intusschen niet overal evengoed bewaard gebleven. In hot droge klimaat van Peroe's westkust, waar het bijna nooit regent, vergelijk bl. 93, is zij sterk uitgedroogd en door den druk der bovenste lagen zijn de onderste iueenge-perst, enz., maar de stikstofhoudende stoffen zijn weinig of uiet ontleed en worden er nog grootendeels in aangetroffen.
In streken echter met een vochtig klimaat, b.v. op eenige eilanden in de Stille Zuidzee, zijn de stikstofhoudende stoffen geheel of grootendeels ontleed on deels uitgespoeld, deels als ammoniak enz. in den dampkring vervluchtigd. Alleen het onoplosbare, hoofdzakelijk de phosphorzure kalk van de beenderen der vogels, is hiervan overgebleven. In de guano van andere plaatsen wordt een grooter of kleiner gehalte aan stikstof gevonden, alnaarmate het klimaat minder of meer vochtig is.
Hieruit volgt dat ook zonder vervalsching er een groot verschil in de samenstelling en inzonderheid in het stikstofgehalte der guanosoorten zijn moet; zie voor de samenstelling Tabel 111. De Peroe-guano, gelijk zij vroeger aangevoerd werd, vormde al naar de vochtigheid een min of meer bruin poeder, met meestal wit of witachtig gekleurde brokjes (guanoknollen) en een zeer onaangenamen reuk, deels van ammoniak deels van andere stinkende gassen. Zij bevatte gemiddeld 15 0/0 water en 52 0/0 verbrandbare stoffen met ruim 1.40/0 stikstof. Bij verhitttng bleef dus 33 0/0 asch over, die wit gekleurd moest zijn, (bij vervalsclmig met asch, aarde enz. zou zij bruingekleufd zijn) en ruim 130/o phosphorzuur, 110/o kalk en 2 a 3% potasch bevatte. Hare samenstelling was vrij gelijk. Maar toen de belangrijkste vindplaats, de Chincha-eilanden, uitgeput geraakte, was dit minder het geval en daardoor werd zij een minder gewenscht handelsartikel. Daarbij kwam dat de ruwe Peroe-guano ook onvervalscht, vooral in een drogen tijd, in het gebruik niet zelden tegenviel. Waarschijnlijk moet dit hieraan worden toegeschreven, dat zij, alvorens tot voeding der planten te kunnen dienen, omgezet moet worden en zulks in een drogen grond niet plaats heeft, In de ruwe guano toch komt de stikstof voor een deel voor in den vorm van urinezure en oxaalzure ammonia, guanin enz., stoffen die ontleed en in een nitraat moeten overgaan, alvorens voor de meeste planten tot voeding te kunnen dienen 2). Daarom wordt de guano tegenwoordig meestal in fabrieken met zwavelzuur bewerkt, onder den naam van opgeloste guano of guano-superphosphaat in den handel gebracht
1) Voor de samenstelling der uitwerpselen van vogels, waarbij op te merken valt dat de vaste en vloeibare daarin op eene natuurlijke wijze vereenigd en zij uit dien hoofde rijker aan stikstof zijn, verwijzen wij naar tabel 111. De jaarlijksche hoeveelheid wordt per stuk geschat: van duiven 2.25—2.75 KG., van kippen 5.5—5.75 KG., van kalkoenen 11—11.5 K.G., van eenden 8.25—8.4 KG., van ganzen 11—11.5 KG.
2) De samenstelling der Peroe-guano wordt zeer verschillend opgegeven. Bei tels (1), Volkel (II), Winkler (III) en Oellacher (IV), geven de samenstelling als volgt op1):
27
Fehling's Neues Handxv. d. Chemie. rkinders, 1. Vierde druk.
418
en de samenstelling, die daarbij, door toevoeging van zwavelzure ammonia, meer gelijk gemaakt wordt, voor een bepaald gehalte, gewoonlijk 7 0/o stikstof, 100/o oplosbaar phospliorzunr en 20/u kali gegarandeerd 1). Door de behandeling met zwavelzuur wordt het ammoniak aan zwavelzuur gebonden en de phosphorzure kalk evenals die van beenderen, oplosbaar gemaakt. Waarschijnlijk is ook het voehtaantrekkend vermogen door de behandeling met zwavelzuur toegenomen, wat do meer zekere werking ook in droog weer mede verklaart. Aan dit meer vochtig worden der guano moot wellicht ook hare meer gunstige werking, die men van eene vermenging met keukenzout meermalen ondervonden heeft, worden toegeschreven 2).
|
I |
11 |
lil |
[V | |
|
Chloorammonium....... |
6.5 |
4.2 |
7.0 |
2.2 |
|
10.6 |
20.7 |
17.7 | ||
|
0.0 |
6.4 |
12.2 | ||
|
Phosphorzure ammonia..... |
6.4 |
6.0 |
6.5 |
6.0 |
|
Zwavelzure kali........ |
4,2 |
5.5 |
4.0 |
4.0 |
|
Zwavelzure soda....... |
1.1 |
3.8 |
— |
4.0 |
|
Phosphorzure soda....... |
5.3 |
— |
— |
— |
|
Phosphorzure ammoniak-magnesia . |
4.2 |
2.6 |
— |
14.6 |
|
0.0 |
14.3 |
0.4 |
20.2 | |
|
Oxaalzure kalk........ |
16.3 |
7.0 |
0.0 |
1.3 |
Door anderen werd alleen liet stikstof-, phospliorzuurgehalte enz. bepaald. Volgens Volcker bevatte de door- hem onderzochte guano 15.20 % totaal stikstof en 6.35 O/q ammoniak, waarvan 1.25quot;/q gebonden aan koolzuur en 5.10Ó/a gebonden aan zwavelzuur, urinezuur, enz., verder 250/o phosphorzure kalk. Karmrodt vond Hi.34 quot;/u totaal stikstof en 14.08 ammoniak met 32.30 phosphorzure kalk. Volgens Miintz en Girard zijn de witte guanoknollen bijzonder rijk aan ammoniakzonten van urinezuur, oxaalzuur, phosphorzuur en zwavelzuur, soms bevatten ze ook veel keukenzout. In sommige guanosoorten wordt ook salpeterzuur gevonden.
I.iebig meende de gunstige werking van guano als mest te moeten toeschrijven aan haar gehalte van oxaalzure ammoniak (als ontledingsproduct van het urinezure ammoniak), dat in den vochtigen grond met phosphorzure kalk vormt phosphorzure ammonia en oxaalzure kalk. Phosphorzure ammonia is oplosbaar in water, verspreidt zich derhalve door den grond en kan wellicht direct ter voeding van de planten dienen.
In de excrementen der vogels en zoo ook in de oorspronkelijke guano komt de stikstof hoofdzakelijk voor als urinezure ammonia, waarvan eene menigte ontledïngs-en oxydatieproducten bekend zijn en onder deze laatste ook oxaalzuur. Waarschijnlijk gaat echter slechts een klein deel van het urinezuur in oxaalzuur over. Betwijfeld mag het daarom worden of hetgeen in de bovenstaande analyses als oxaalzuur ammonia is opgegeven niet voor een groot deel uit het ammoniakzout van andere zuren als parabaanzuur en oxaluurzuur bestaat.
Als kenmerk voor de echtheid van Peroe-guano wordt door de proefstations aanwezigheid van een zeker aantal procenten oxaalzuur beschouwd. Op grond van het bovenstaande komt ons toch voor dat dit oen onzeker kenmerk is, vooreerst wegens de twijfelachtige vorming en ten tweede omdat dit zuur er ook opzettelijk bijgevoegd zou kunnen zijn.
') Oorspronkelijk geschiedde dit door Ohlendorlf en Co. met door zeewater beschadigde guano, thans door de Anglo-Continentale-guano Werke te Antwerpen.
2) Heiden, Leltrbuch der Düngerlehre, II, S. 202. Keukenzout kan bovendien oplossend op de bestanddeelen van guano, b.v. de phosphorzure kalk, werken. Zie Heiden, t.a.pl., II, S. 400 en mijn Beilrag zur Kennlniss der Eimvirkunr/ den Meer-waxscrn nuf den Boden, in Landiv. Versuchsstationen, lid. NIX , S. 100.
Ook wordt thans door uitziften der knollen, fijnmaJen, betere menging on toevoeging van andere stoffen, niet met zwaveiznnr bewerkte, Peroe-guano in den handel gebracht van meer constante samenstelling. Het stikstofgehalte is echter niet zoo groot als vroeger, en wordt meestal gewaarborgd een gehalte van 5—8 proc. stikstof, 15 0/0 phosphorzunr en 2 0/o kali.
üe Peroe-guano en enkele daarmede verwante soorten (de Angamas-, Lobos-guano enz.) hebben dus vooral waarde wegens haar gehalte aan stikstof en phosphorzunr. Uit de andere guanosoorten (de Baker-, Sombrero-, Jarvis-, Navassa-, Mejillones-guano enz.), in niet-regenlooze streken gevormd, is de stikstof geheel of grootendeels verdwenen; zij hebben slechts waarde wegens haar gehalte aan phosphorznre kalk en phosphorzure magnesia, dat in de goede quaüteiten in vrij groote hoeveelheid aanwezig is, van 75 tot 85O/q (30—40 0/0 phosphorzunr). De meeste dezer guano-soorten worden thans met zwavelzuur behandeld en onder don naam van Baker-guano ■fuperphospfiaat enz. of in 't algemeen van superphosphaat in den handel gebracht. In al deze guanosoorten is echter geen vertrouwen te stellen, tenzij het gehalte aan phosphorznur enz. gewaarborgd zij, te minder daar niet zelden aan verschillende andere stoffen of allerlei afvalproducten, nadat ze in den met guano overeenkomenden, poedervormigen toestand gebracht zijn, de naam van guano gegeven wordt om ze des te beter te kunnen verkoopen. Wij hebben daarvan reeds een voorbeeld gegeven in de vischgnano en de faecaalguano l).
Als eene natuurlijke guanosoort vermelden wij nog de vleermuixen-guano in verschillende grotten van Noord- cn Zuid-Amerika, op de Antillen en op eilanden in de Indische Zee, van eene dergelijke samenstelling als do andere guanosoorten, maar waarbij dikwijls een grooter of kleiner deel van do organische of ammoniak-stikstof in salpeterzuur is omgezet. Ook guano van zwaluwen wordt in enkele tropische gewesten aangetroffen.
2. Andere phosphorzunr-rijke mineralen en de daaruit bereide snperphosphaten. Thomasphosphaatmeel.
Behalve guano kent men nog verschillende andere aardlagen of mineralen, die rijk aan phosphorzunr zijn. Jaarlijks worden daarvan nieuwe vindplaatsen ontdekt. De meest bekende zijn; Estramadura in Spanje, de Lahnstreek in Nassau, de Ardennen in Frankrijk en België (Oiply), verschillende graafschappen van Engeland, vooral Devonshire, Florida in Amerika, enz. De meeste dezer mineralen, die onder don naam van apatit, phosphorit, coprolith (dreksteen) en osteolith (versteende beenderen) bekend zijn, moeten vooraf in fabrieken fijn gestampt en met zwavelzuur behandeld worden; de daarin voorkomende phosphorzure kalk gaat dan in oplosbare zure phosphore kalk over volgens onderstaande vergelijking:
Ca3P208 2 H2S04 = CaB^PaOg 2 CaS04.
Bij het zwavelzuur is dan ongeveer zooveel water gevoegd dat hot mono-calciumphosphaat één molecule en het calciumsulfaat twee molecules kristalwater kunnen opnemen. Men krijgt dan, aangenomen dat hot gebruikte mineraal enkel uit calciumphosphaat bestond (meestal is het met andere mineralen of
') In Noord-Brabant wordt aan Rnper|ihos|iliaat dikwijls den nnam van klaverfjnano gegeven.
420
gesteenten verontreinigd), een mengsel van Callj P2O8, aq. en 2 CaSC^, 2 aq., en aan dit mengsel wordt de naam superphosphaat gegeven. Aangezien de eerste dezer verbindingen, het monocalciumphosphaat of de zure phosphorzure kalk, in water oplosbaar is, zegt men, dat het oplosbaar phosphorzuur bevat en naar het gehalte daaraan wordt zijne waarde bepaald. Bij sommige dezer superphospliaten merkt men op, dat het zure oplosbare monocalciumphosphaat na eenigen tijd (door de in deze phosphaten aanwezige aluinaarde of het ijzeroxyd) overgaat in het onoplosbare bicalciumphosphaat, CaHPO^ Men zegt dan dat het teruggegaan is, dat is weder onoplosbaar geworden phosphorzuur bevat, of omdat dit phospliaat oplosbaar is in citroenzure ammonia, dat het in citraat oplosbaar phosphorzuur bevat. Ofschoon de waarde van deze superphospliaten daardoor wel iets vermindert, hebben verschillende bemestings-proeven geleerd, dat zij toch zeer bruikbaar zijn, b.v. op veengronden.
Do meeste superphosphaten van den handel hebben een gehalte van 1G— 18 0/0 oplosbaar phosphorzuur (I^Os). Onder den naam dubbelsuperphosphaten komen echter ook producten in den handel voor die tot 40 0/0 en meer oplosbaar phosphorzuur bevatten. Deze worden b.v. uit phosphorit bereid door daarop eene grootere hoeveelheid verdund zwavelzuur te laten werken. Er ontstaat dan, naast calciumsulfaat of gips, vrij phosphorzuur, volgens onderstaande vergelijking:
Ca3P908 3 H2S04 = 2 H3PO4 - - 3 CaSO^
Het verkregen product wordt met een filtreerpers gefiltreerd, waarbij het calciumsulfaat grootendeels achterblijft. De door het filter gaande phosphor-zuuroplossing laat men op eene nieuwe hoeveelheid phosphorit werken, waarmede liet nu monocalciumphosphaat vormt, volgens de vergelijking:
Ca^I^Os -f- 4 H3PO4 3 H2O = 3 (CaH4P20g, H2O). De dubbelsupeiphosphaten bestaan dus grootendeels uit monocalciumphosphaat en bevatten weinig gips. De daarbij als bijproduct verkregen gips bevat nog 2-—14 O/o oplosbaar, gedeeltelijk vrij, phosphorzuur en wordt tot conserveering van stalmest aanbevolen, bl. 393.
In de laatste 15 jaar is nog een belangrijke phosphorzuurhoudende meststof verkregen en in gebruik gekomen nl. het Thomasjriiosphaatineel of Thomas-shkkenmeel. Dit is een bijproduct van de staalbereiding uit phosphorushoudend gietijzer. Om dit gietijzer van zijn phosphorus te bevrijden, wordt het volgens de door Thomas en Gilchrist daarvoor aangegevene methode, in gesmolten toestand in eene zoogenaamde Bessemer peer gebracht en 15—-17 0/q versch gebrande kalk er aan toegevoegd. Door het gesmolten gietijzer wordt nu lucht geblazen, waarbij o.a. de phosphorus verbrandt tot phosphorzuur, dat zich met de kalk tot phosphorzure kalk vereenigt. Ook andere onzuiverheden van hot gietijzer vereenigen zich met de kalk, waardoor eene gesmoltene massa ontstaat, welke op het gietijzer drijft. Na uit de peer gegoten te zijn, stolt deze tot eene donkergekleurde harde stof, bekend onder den naam van Thomasslakken. Zij wordt van het aanhangende ijzer bevrijd, tusschen stalen walsen fijn gemalen en nu als Thomasphosphaat- of Thomasslakkenmoel in den handel gebracht. De samenstelling is niet altijd dezelfde: het kalkgehalte is 30—50 0/0 en het phosphorzuurgehalte kan van 10 tot 28 0/o en soms nog meer verschillen. De fabrikanten garandeeren thans meestal een gehalte
421
van 15—180/o in een mincraalzivur oplosbaar pliosphorzimr on bovendien een zekeren graad van fijnheid, namelijk de hoeveelheid (meestal die door
eene zeef van 0.15—0.17 mM. mazen wijdte gaat. Aangezien echter gevonden werd dat Thomasmeel bij hetzelfde gehalte aan phosphorzimr en dezelfde graad van fijnheid toch verschillend werkte, wordt op voorstel van Wagner thans ook oen gehalte aan in zuur ammoniumcitraat oplosbaar phosphorzimr gegarandeerd. Door eene zekere hoeveelheid zand of ook meer kalk in de Bessemer-peer te brengen bereiden de fabrikanten thans ook Thomasmeel dat rijker is aan in citraat oplosbaar phosphorzuur.
3. Stikstof rijke mineralen en zouten.
De gewone of kalisalpeler, KNO;.., ofschoon hij den bouwgrond zoowel van salpeterzuur (stikstof) en kali kan voorzien, is veelal te duur om ter bemesting gebruikt te worden. Alleen in bloemmisterijen wordt deze salpeter in eenige hoeveelheid als meststof gebruikt. Zoo ook soms salpeterzure kalk Ca(NO;-{)2. Veel goedkoopor is do soda- of chilisalpeter, NaNCXj, waarvan omstreeks het jaar 1825 uitgestrekte lagen in de Peroeaansche provincie Tarapaca ontdekt zijn en hier waarschijnlijk uit met zeewater overstroomde guano ontstaan is. Het gebruik dezer stof ter bemesting neemt van jaar tot jaar toe. Do ruwe chilisalpeter heeft eene grauwe tot bruine kleur en is met verschillende andere zouten, zand en klei vermengd. Alvorens naai' Europa gezonden te worden, wordt hij hiervan gezuiverd. Deze gezuiverde chilisalpeter bevat gewoonlijk 90 a 98% salpeterzure soda (15 a lG0/o stikstof) oen paai1 percenten water, — welke hoeveelheid niet zelden verschilt naar den vochtigheidstoestand der lucht, daar het zout zeer hygroscopisch is, — en een weinig keukenzout en zwavelzure soda. In de laatste jaren werd in sommige partijen ook eene, vooral voor rogge schadelijke, stof, namelijk een perchloraat, EaClO.}, gevonden, van sporen tot ongeveer 5%.
Bij het stoken van lichtgas uit steenkool wordt het ammoniakhoudende gaswatcr verkregen, dat in de nabijheid van kleine plaatsen soms als zoodanig ter bemesting gebruikt wordt. De samenstelling is nog zeer verschillend en gewoonlijk bevat het niet meer dan 1/2% ammoniak. Voor een eenigszins ver vervoer is het dus geheel ongescliikt en daarom wordt het in grootere plaatsen hoofdzakelijk gebruikt, door toevoeging van zwavelzuur, tot bereiding van zwavelzure, ammonia, (NH^SC^, dat in den handel als meststof aangeboden wordt. Ook dit zout is in den regel niet geheel zuiver —■ geheel zuiver bevat het ruim 210/0 stikstof —, soms bevat het eene voor de planton vergiftige stof, hot rhodaanammonium NH4HSCN.
Een zuiverder product wordt verkregen, wanneer het zwavelzuur niet direct bij het gaswater wordt gevoegd, maar het ammoniak met of zonder geblusclite kalk wordt afgodostilleerd en dit in zwavelzuur opgevangen.
Behalve uit gaswater wordt zwavelzure ammonia thans nog op verschillende andere wijzen als bijproduct verkregen, b.v. bij hot bereiden van been-derkool uit beenderen en van dierlijke kool uit leer, hoorn enz., bij het verwerken van de zoogenaamde bries, dat is ijzoroer welke gediend heeft om steenkoolgas te zuiveren, en voorts wordt het bereid uit faecaliënhoudend water (eaux vannes, bl. 405), enz. — Ook roet is stikstofhoudendo mest.
Do Peroe-guano bevat hoofdzakelijk iüs nuttige bestanddeelen phosphorzuur
422
en stikstof, de verschillende soorten van superphosphaat bevatten phosphor-zunr, de ammoniakzouten stikstof. Om nu eene massa te leveren, die èn in samenstelling èn in werking ongeveer met de guano op eene lijn gesteld kan worden, vermengen de fabrikanten van kunstmest niet zelden superphosphaat met een ammoniakzout, en brengen die onder den naam van ammoniak-super-phosphaal in den handel. Ook leveren de fabrikanten soms salpeter-superphos-phaat, door vermenging van chilisalpeter met superphosphaat. De vermenging is echter niet gewenscht daar lüerbij salpeterzuur kan worden uitgedreven.
In den tuinbouw wordt ook phosphorzure ammonia gebruikt, dat waarde heeft zoowel om zijn phosphorzuur als stikstofgehalte en verkregen wordt door phosphörznur, bereid op de wijze :ds bij do dubbelsuperphosphaten, bl. 420, is gezegd, met ammonia te verzadigen of met zwavelzure ammonia te vermengen.
4. Kali- en magnesiahoudende meststoffen.
Ten zuiden van het Hartsgebergte, deels in Pruissen, deels in Anhalt, is men omstreeks het jaar 1850 begonnen oen groot zoutbckken te ontginnen. Om hieruit keukenzout te verkrijgen, was het noodig de bovenste lagen, die slechts weinig keukenzout bevatten, te verwijderen. In het eerst wist men met die bovenste lagen niets uittevoeren; zij werden als Abraumsalz op zij gezet, totdat men verschillende kali-, kalk- en magnesiahoudende mineralen er in aantrof en deze als meststof hoeft leeron gebruiken.
De belangrijkste dezer mineralen zijn;
Kaïnit; K2SO4, MgSO,,, MgCl2, H20 of 2 (KC1, MgS04), H2O.
Camallit: KCI, MgCl2, 6 H2O.
Sylvin: KCI.
Polyhalit: 2 CaSO^ MgS04, KoSOi, IL,0.
Kriigit: 4 CaS04, MgS04. K9SO4, II9O.
Schönit: K2SO4, MgS04, 6 HgO.
Kieserit: MgS04, H^O.
Van deze verschillende mineralen is de hoeveelheid niet even groot; ook zijn zij dikwijls met elkander en vooral met keukenzout gemengd. Ze geheel zuiver als meststof in den handel te brengen, zou te veel arbeid kosten en daardoor te duur worden. Daarom worden, in gemalen en derhalve min of meer fijn gemaakten toestand, mengsels in den handel gebracht, waarvan oen of meer dezer mineralen een hoofdbestanddeel vormen, en daarnaar dan ook gewoonlijk worden benoemd. De belangrijkste dezer zijn:
a. Onzuivere kalimeststoffen.
Kciinit, dat gemiddeld bestaat uit 23.6 0/q kaliumsulfaat, 13u/o magnesium-sulfaat , 13.9 0/0 chloormagnesium, 34.6 0/0 keukenzout, 1.7 0/q gips, O.SO/q onoplosbare deelen (klei) en 12.7 % water. Gewaarborgd gehalte aan kali (K2O) 14.2 0/0.
Carnallit, uit 15.5O/q chloorkalium, 12.40/o cldoojmagnesium, 14.50/q zwavelzure magnesia, 22.50/0 keukenzout, 1.9 O/q gips, 1.8% onoplosbare dooien en 26.10/o water bestaande. Gewaarborgd gehalte: 9 0/0 kali.
Berg-lcicserit, (mengsel van airnallit en kiesorit), bestaande uit 11.8 0/0 chloorkalium, 21.50/0 zwavelzure magnesia, 17.2 0/0 chloormagnesium, 26.7 0/0 keukenzout, 0.S0/0 gips, 1.3o/q onoplosbare deelen, 20.7% water. Gehalte aan kali 7.5 0/0.
423
Sylvinit, 'bevattende 30.50/0 chloorkalium, 7% zwavelzure kali, 4.8% zwavelzure magnesia, 2.50/0 chloormagnesium, 4G% keukenzout, 1.80/0 gips, 7.3 0/o onoplosbare deelen en water. Gehalte iian kali 23%.
Aangezien deze meststoffen hygroscopisch zijn en ze onder het vervoer of bij het bewaren licht klompen vormen, kan men zo, althans liet kaïnit, des gevraagd met 21/2 procent turfmolm vermengd bekomen, waardoor ze meer fijn verdeeld blijven en zich gemakkelijker laten uitstrooien.
Bovengenoemde onzuivere kalimeststoffen worden het meest gebruikt, vooral in Duitschland. Daarin is de kali het goedkoopst. In streken ver van de mijnen verwijderd komt hot echter, wegens de meerdere vervoerkosten, goedkooper uit, meer zuivere kalimeststoffen te gebruiken. Daarvan kan men onderscheiden :
h. Gezuiverde cidoorhoudende kalimeststoffen.
Geconcentreerde kalimest door uitlooging van het chloormagnesium uit liet carnallit verkregen en uit 50—80 0/0 chloorkalium en verder grootendeels uit keukenzout bestaande. Gehalte 30—50 kali.
Gecalcineerde kalimest, verkregen door verhitting van sylvinit, carnallit, enz. waardoor het water wordt uitgedreven, grootendeels uit chloorkalium, zwavelzure magnesia en keukenzout bestaande. Gehalte 28 0/0 kali.
c. Gezuiverde chloorvrije en chloorarme kalizouten.
Voor de bereiding hiervan zouden het eerst in aanmerking komen; polyhalit, krügit en schönit, maar deze mineralen komen slechts in geringe hoeveelheid voor. Meestal wordt deze gezuiverde most bereid uit kaïnit, en men bekomt dan Meruit door uitlooging van hot keukenzout en 't chloormagnesium:
Gezuiverde of Patent kali-magnesia, uit 50 0/q zwavelzure kali, 34% zwavelzure magnesia, 2.50/0 keukenzout in 11.G % water bestaande, met een kali-gehalte van 26 a 27 O/o; en dooi- ook nog de zwavelzure magnesia uit te loogen.
Gezuiverde zwavelzure kali, dat uit 90—96% zwavelzure kali bestaat met een garantie voor kaligehalte van 48.6—51.8 O/q.
Ook leveren de fabrieken nog koolzure kali-magnesia met een gehalte van 18.5 0/q kali.
Behalve op groote afstanden van de mijnen of de fabrieken te Stassfurt, Leopoldshall en enkele plaatsen langs den Noord-Harzrand, waarin de verwerking plaats heeft, worden deze gezuiverde kalimeststoffen gebruikt wanneer men bevreesd is voor eone schadelijke werking van de chloorverbindingen, b.v. bij tabak en aardappelen, of ook bij eene voorjaarsbemesting of op zware kleigronden, wanneer de chloorverbindingen geen voldoende tijd of gelegenheid hebben om in den ondergrond gespoeld te worden.
Bevat de bodem waarop eene bemesting met kalizouten, vooral van de onzuivere, zal worden toegepast, geen kalk, dan is het gewenscht tevens eene bemesting mot kalk toe te passen of deze te doen voorafgaan. Meermalen heeft uien toch van eene bemesting met de kalizouten, vooral van de onzuivere, in plaats van eene nutttge eene schadelijke werking opgemerkt. Waarschijnlijk moet dit hieraan worden toegeschreven, dat do bases door de planten worden opgenomen en de zuren (zwavelzuur en zoutzuur) in den grond achterblijven en dezen zuur maken. Bevat de bodem meer kalk, dan wordt het zuur hieraan gebonden en zoo de schadelijke werking min of meer opgeheven.
Voorts leveren enkele fabrikanten van kunstmest, maar meer ten behoeve
424
van don tuinbouw, phosphorzure kali, door vermenging van het phosphommr, zooals dit bij de bereiding van dubbelsuperphosphaten verkregen wordt, met kaliumsulfaat (Müller, Packard en Co. te Wetzlar) of door nog krijt daarbij te voegen (H. en E. Albert te Biebrich). In liet eerste geval bekomt men volgens de vergelijking:
K2SO4 4- H3PO4 = KHSO4 -f- KH2P04,
een mengsel van zuur kaliumsulfaat en zuur kaliumphosphaat, dat ingedampt 280/o zwavelzuur, 240/(j phosphorzuur en 26% kali bevat; en in liet tweede geval, volgens de vergelijking;
K2SO4 2 H3P04 CaCOg = 2 KHoPO., -t- CaS04 C02, een mengsel van zuur kaliumphosphaat en gips. Het laatste wordt door filterpersen hieruit verwijderd en, na indamping der vloeistof, een zoutmassa verkregen die 38 a 40% phosphorzuur en 31—330/o kali bevat.
Vroeger gebruikten H. en E. Albert voor het verzadigen van het phosphorzuur gewone potasch, K2CO3, maar daarbij werd een kaliumphosphaat verkregen, dat zich moeilijk laat dragen of bij het drogen in pyro- en metaphosphorzure kali overgaat, zouten die eene geringe mestwaarde bezitten.
Ook wordt het Thomasmeel wel met kalimest samengesmolten en zoo een kalihoudend phosphaat verkregen, of kalimest met superphosphaat vermengd en zoo kali-superphosphaat mot 6—12 0/0 phosphorzuur en 4—10 0/0 kali verkregen.
Xalihoudende mest is verder de zoogenaamde zeepziedersasch, namelijk van den weeke-zeepfabrikant en de asch van hout, turf en steenkolen (haardasch).
ó. Ook zwavelzuur ijzeroxydule (ijzervitriool, FCSO4, 7 HoO) is in den laatsten tijd als meststof aanbevolen, vooral op weilanden, die met mos bezet zijn. Daarvan mag echter geen groote hoeveelheid, b.v. niet meer dan 100 KG. op de hectare, gebruikt worden.
6. Als plantenvoedende delfstoffelijke mest moet voorts terpaar do,, klei, mergel, slijk enz. beschouwd worden. Ofschoon deze slechts een a twee procent ja veelal hoogstens een kwart procent phosphorzuur en hoogstens 1 procent kali bevatten, wordt toch door de grootere hoeveelheid, hiervan gebruikt, een zand- of veengrond of een lang bebouwde kleigrond daardoor aanzienlijk rijker aan deze stoffen. Door de koolzure kalk, welke veelal in deze stoffen voorkomt, zijn zij ook indirect werkende 1). Zie hieronder: mergel.
II. INDIRECTE MESTSTOFFEN.
Bij aanwending van beenderenmeel, chilisalpeter, de kalizouten enz., stelt men zich hoofdzakelijk ten doel den bodem öf van phosphorzuur öf van stikstof of van potasch te voorzien. De meeste dezer stoffen dragen echter ook middellijk, door hare werking op den natuur- en scheikundigen toestand des
1) Van terpaarde, enz. heeft men in de laatste jaren nog een ander gebruik gemaakt, namelijk om op pas ontgonnen gronden de organismen over te brengen die de wortelknolletjes op de peulvruchten veroorzaken en die noodig zijn voor de opneming van de stikstof uit de lucht. Volgens Dr. Salfeld (JJn ontginning der Ned. heiden en Landb. Cl. 1889, 7) is eene hoeveelheid terpaarde van 200Ü KG. per HA. daarvoor voldoende. Misschien moet de gunstige werking eener bemesting met terpaarde op vele gronden ook daaraan worden toegeschreven. Zie ook bl. 3H.
425
bodems, tot de vruchtbaarheid bij. Zie ook hl. 246 on 278. De nu volgende meststoffen worden meer bepaald tot laatstgenoemd doeleinde gebruikt.
1. Gcbluschte kalk, Ca(OH)2, wordt ook onder don naam van landbouw kalk in den handel gebracht. Deze dient om het plantenvoedsel in den bodem aanwezig meer oplosbaar te maken, de organische stoffen spoediger te doen verteren en de door zwavelzuur ijzeroxydule, zwavelzuur of humusstoffen onvruchtbare zure gronden vruchtbaar te maken, verg. hl. 267. Daar het oen fijn poeder en bovendien in water oplosbaar is, valt het niet moeilijk de gebluschte kalk door den grond te verdeelen. Dikwijls wordt zij in önge-bluschten toestand aan hoopjes op den grond gebracht, deze met aarde bedekt en, na gebluscht en tot een poeder uiteengevallen te zijn, over den bodem verspreid. Met den stikstofhoudenden humusgrond vermengd , wordt dan humus-zure kalk, bij goede drooglegging koolzure en salpeterzure kalk gevormd, en uit de zeoüthen enz. o. a. kali en phosphorzuur in meer oplosbare verbindingen overgebracht, vergel. hl. 278. De kleigrond wordt daardoor losser, bi. 246.
2. Koolzure kalk, CaCO^, oefent eene dergelijke, ofschoon minder sterke werking uit; maar om mot succes ter bemesting gebruikt te worden, moot zij poedervormig zijn. Want anders kuit zij zich moeilijk door den grond verdoelen, to minder wijl zij niet in zuiver, wel in koolzuurhoudend water oplosbaar is. Schelpen, kalksteenen en dergelijke, ofschoon grootendeels uit koolzure kalk bestaande, zijn derhalve als zoodanig weinig ter bemesting geschikt, tenzij ze tot een fijn poeder gemaakt worden. Het best voegt men de koolzure kalk aan den grond toe in den vorm van mergel of de liiei-onder te vermelden gaskalk enz.
3. Gips of zwavelzure kalk (CaSC^, 2 H^O), heeft men meermalen met goed gevolg ter bemesting gebruikt. Zij wordt daartoe in fijn gemalen toestand in den handel gebracht. Zij is oplosbaar in water en behalve dat zij direct als voedsel voor de plant kan dienen, moet hare nuttige working vooral gezocht worden in het meer oplosbaarmaken van de in den bouwgrond voorkomende voedingsstoffen en het meer losser houden van den grond.
4. Gaskalk en de kalk der sodafabrieken bestaan, als zij geruimon tijd aan de lucht gelegen, hebben, uit een mengsel van gebluschte kalk, koolzui'e kalk en zwavelzure kalk en werken als mest op gelijke wijze als bovengenoemde stoffen. Beide moeten echter, alvorens ter bemesting te worden gebruikt, geruimon tijd aan de lucht blootgesteld zijn geweest, daar zij in verschen toestand voor de planten schadelijke stoffen bevatten l).
5. De schuimaarde der suikerfabrieken is van meer waarde; zij bevat 0.4 a 0.50/o stikstof, 1.5 a 20/0 phosphorzuur, 0.15 a 0.3% kali en 13—17% kalk niet een weinig magnesia. Do waarde van dit bijproduct der beetwortel-suikerfabrieken kan echter zeer uiteenloopen, al naar do hoeveelheid kalk die voor het zuiveren van het sap gebruikt is en de hoeveelheid water die het bevat, niet zelden 35 a 45 0/0.
6. Van keukenzout, NaCl, in niet te groote hoeveelheden ter bemesting
') Zie mijne verhandeling: IIel gebruik van de bijproducten vener (jasfabriek ter bemestimj van bouw- en weiland.
426
gebruikt, hoeft men insgelijks gunstige resultaten gehad. Kalk, magnesia en geringe hoeveelheden phosphorzuur worden er door in oplossing gebracht.
7. Met een enkel woord herinneren wij hier ook aan den dienst der organische stoffrn in den bouwgrond en aan haar nut als indirect werkende mest. Vergelijk bl. 240 en volgende en bl. 280. .luist door aanwezigheid van deze stoffen in den zoogenaamd organischen mest, dat is in dien van planten en dieren afkomstig, geeft men hieraan de voorkeur boven mineralen mest. Zie hieronder. De hmmiszure zouten kunnen als oplosmiddel voor andere stoffen b.v. phos-phaton dienen en bij de vertering van den humus wordt in allen gevalle voortdurend koolzuur gevormd, dat in het water van den bouwgrond opgelost, o. a. koolzure kalk, phosphorzure kalk enz. in oplossing brengt, en hieraan moet voor een groot gedeelte de middellijke werking der organische stoffen worden toegeschreven. In hoever zij onmiddellijk voor de voeding der planten of althans sommige planton kunnen dienen, moet nog nader worden onderzocht, bl. 208.
Van al de bovengenoemde indirecte meststoffen kan natuurlijk eerst dan nuttige werking worden verwacht, wanneer in den bouwgrond genoeg planten-voedende elementen voorhanden zijn of door bemesting tevens hierin wordt voorzien. Wij ineenen met eenigen nadruk op dit laatste te moeten wijzen. Niet zelden wordt aan kalk, gips en dergelijke stoffen eene te groote waarde als mest gehecht. Eerst wanneer overigens genoeg plantenvoedende stoffen aanwezig zijn kunnen zij nuttig werken.
Voor een overzicht hebben wij aan het eind van dit Doel de voornaamste meststoffen met de hoeveelheden barer waardegevende bestanddeelen in eene lijst bijeengevoegd. Behalve deze komen in de meeste nog grootere of geringere hoeveelheden ijzeroxyd, soda, chloor, kiezelzuur enz. voor, die als nutteloos, het chloor veelal ook als schadellijk moeten worden aangemerkt. Vorder zij nog opgemerkt , dat in de superphosphaten het phosphorzuur oplosbaar, dat is als oplosbare phosphorzure kalk aanwezig is.
Daar de waarde van de eene of andere mestsoort wezenlijk van haar gehalte aan phosphorzuur (P2O5), stikstof fN) en kali (K^)) afhankelijk is, spreekt liet van zelf, dat bij do prijsbepaling dit gehalte in aanmerking dient genomen te worden. Daarbij moet echter ook gelet worden up den toestand, waarin deze elementen of verbindingen in den mest voorkomen.
Kent men den handelsprijs dezer bestanddeelen, zoo kan men do mest-waarde van andoro stoffen b.v. van een voedermiddel of eene stroosoort eenigszins beoordeelen. Stellen wij den prijs van 1 KG. stikstof op 53 ct., van 1 KG. phosphorzuur op 22 ct. en van 1 KG. kali op 10 ct., zie bl. 382, dan heeft 1000 KG. tarwestroo van de samenstelling, als op bl. 380 is opgegeven, als directe mest hoogstens eene waarde van 3.83 gl.; 1000 KG. kool-zaadstroo is naar denzelfden maatstaf berekend 4.52 gl. waard. 'Ux. V(a. ^50
|
In do kunstmeststoffen was do gemiddelde prijs in de jaren 1895—'98 als volgt: | |||||||||||||||||||||||||
|
427
|
1895 |
1896 |
1897 |
1898 | |
|
Phosphorzuur in Thomasmeel, oplos | ||||
|
baar in citraat....... |
/■ - |
f 0.19 |
/' 0.175 |
/' 0.175 |
|
Phosphorzuur in water oplosbaar in | ||||
|
superphosphaat....... |
- 0.25 |
- 0.22 |
- 0.22 |
- 0.20 |
|
Kali in de onzuivere kalizouten |
- 0.20 |
- 0.19 |
- 0.185 |
- 0.19-5 |
Na dit overzicht van de verschillende mestsoorten, blijven ons nog verschillende vragen, op het bemesten van den bouwgrond betrekking hebbende, ter beantwoording over. De belangrijkste zijn:
1. Met welke van de boveiigenoemde mestsoorten moet nu worden gemest P In 't algemeen wordt door den landbouwer aan stalmest de voorkeur gegeven. Daarin stelt hij het meeste vertrouwen, hoofdzakelijk echter, omdat andere meststoffen hem minder goed bekend zijn, en de resultaten daarvan, bij eene niet zelden verkeerde toepassing, dikwijls ongunstig waren. Ook van theoretische zijde wordt de stalmest gewoonlijk als hot plechtanker beschouwd, waaraan de landbouwer zich moet vasthouden. Hij is, zoo heet het, de mest, die in het algemeen ter vruchtbaarmaking van den grond moet dienen. Do andere mestsoorten zijn slechts hulpmeststoffen.
De stalmest heeft inderdaad ook vele voordeelen boven de meeste andere mestsoorten. Van plantaardigen oorsprong zijnde, bevat hij al de voedende elementen, die de plant uit den bouwgrond opnoemt. Zijn gehalte daaraan is niet groot, maar dit heeft het groote voordeel, dat door de grootere stofmassa, welke in den grond wordt gebracht, die voedingsstoffen daarin beter worden verspreid. De voedende elementen, in den stalmest voorkomende,. moeten veelal in den bouwgrond nog eerst in andere verbindingen overgaan, alvorens geschikt plantenvoedsel te vormen, maar ook dit is in vele gevallen een voordeel, dat hij boven vele andere mestsoorten, b.v. chilisalpeter heeft, omdat het plantenvoedsel daardoor beter bewaard en gedurende den geheelen groeitijd in meerdere of mindere mate den planten aangeboden wordt. De organische stoffen (humus) van den stalmest zijn wel, naar hot schijnt, voor de directe voeding van vele planten van niet veel beteekenis, maar zij maken den kleigrond meer los, den zandgrond meer gebonden en houden door haai' groot vochtaantrekkend en vochtbehoudend vermogen den grond in het algemeen meer vochtig, ook in een' tijd, dat de planten de meeste behoefte daaraan hebben; zij lossen andere voedingsstoffen op. Do stalmest is ook de natuurlijkste meststof en zoolang er landbouw uitgeoefend word, voorzeker ter vruchtbaarmaking van den grond gebruikt, liet eigenaardige verband tusschen akkerbouw en veeteelt moest vanzelf tot zijn gebruik aanleiding geven.
Ook wij stellen, gelijk reeds uit het bovenstaande blijkt, den stalmest op hoogen prijs. Wij beschouwen hem echter niot als de mest, waaraan de landbouwer zoo onvoorwaardelijk vast moot houden. Integendeel wij meenon, dat in vele gevallen naast stalmest ook en inzonderheid kunstmest gebruikt moet worden; dat er zich vele gevallen voordoen, waarin andere meststoffen de voorkeur verdienen en houden ons overtuigd, dat zoo de landbouwer in 't algemeen aan stalmest de voorkeur geeft, de oorzaak grootendeels is gelegen in onbekendheid met het gebruik van de andere.
428
Zoo bevelen de vloeibare mest, 't zij gier van stalmest, 't zij Groninger ier of de met water verdunde uitwerpselen van menschen, zich aan bij kunstweiden , groenlanden enz. en ter overbemesting, omdat zij gemakkelijker, zonder te ploegen door den grond verdeeld worden. De mensehelijke uitwerpselen en de daaruit bereide compost verdienen boven den gewonen stalmest de voorkeur ter ontginning en bemesting van veengronden, omdat in eene even groote massa meer phosphorzuur, meer kalk enz. en minder organische stoffen voorkomen. Bij den aankoop van mest dient aan de geconcentreerde kunstmeststoffen als superphosphaat, cliilisalpeter, de kalizouten enz. boven den stalmest veelal de voorkeur gegeven te worden, omdat zij minder vervoerkosten veroorzaken en de bemesting beter naar de bijzondere behoeften van den grond of van eenig gewas (ook door overbemesting) kan geregeld worden.
Een piiar voorbeelden mogen dit laatste verduidelijken. De aanzienlijke prijzen, die in de laatste jaren voor liet stroo konden worden bedongen en de niet altijd gunstige resultaten der veehouderij, hebben aanleiding gegeven dat men in sommige streken het vee als een lastpost beschouwde, of juister: alles en alles gerekend het winnen van de noodigo hoeveelheid stalmest vrij duur komt. liet aankoopen van stalmest komt echter wegens de aanzienlijke transportkosten nog duurder. De vraag doet zich dus voor: Is het in dit geval niet beter eene geringere hoeveelheid vee te houden en vooral minder stroo in den most te brengen, maar dit te verkoopen en voor het alzoo bespaarde of ontvangen geld, kunstmest aan te koopen? Wij meenen dat althans het tweede gedeelte dezer vraag voor sommige onzer boerderijen bevestigend beantwoord moet worden. Verschillende proeven hebben ook bewezen , dat met kunstmest soms voordeeliger gemest kan worden dan met stalmest i).
Do vraag, die bij hot gebruik van kunstmest echter in de eerste plaats te pas komt, is deze: Waaraan heeft een gegeven stuk land vooral behoefte? Daarvoor zullen hieronder eenige aanduidingen gegeven worden. Gesteld nu: men weet, dat eenig veld, om goede oogsten te geven, vooral behoefte hoeft aan phosphorzuur. Verkoopt men dan 20.000 KG. stroo a 10 gl. de 1000 KG., dus voor 200 gl., zoo zal men hiervoor bijna 2500 KG. beenderenmeel met 20% phosphorzuur of ongeveer 4500 KG. superphosphaat van hetzelfde gehalte kunnen koopen: daarmede wordt dan 500 resp. 900 KG. phosphorzuur aangevoerd, terwijl de 20.000 KG. stroo slechts 40 KG. konden leveren, en, om 300 KG. phosphorzuur in matig verrotten stalmest aan te voeren, zouden er bijna 346.500 KG. of ongeveer 4G2 voor van 750 KG. noodig zijn. Dezelfde redeneering geldt, wanneer een veld vooral behoefte heeft aan potasch of stikstof voor den aankoop van kali- of stikstofhoudenden mest. Hoe vaak gebeurt het, dat koolzaad of een graangewas in het voorjaar niet welig staat. Wij meenen, dat gebrek aan opneembare stikstof in vele gevallen de oorzaak hiervan is. Eene overbemesting met stalmest is moeilijk uit te voeren en zal ook weinig baten. Een snelwerkende mest moet hier aangevoerd worden. Do ondervinding heeft bewezen. dat 100 ü 200 KG. chilisalpeter in zulk een geval ter overbemesting gebruikt, uitstekende resultaten geeft.
liet uitsluitend gebruik van kunstmest komt ons minder aanbevelenswaardig
') Zie daarvoor de Verzameling van verslagen, enz.
429
voor. Ofschoon zulks op enkele plaatsen, vooral in veroeniging- met groenbe-inesting, in practijk is gebracht l), meenen wij dat de ondervinding niet genoegzaam bewezen heeft, dat dit ook op den duur het voordeeligst is. Wij meenen echter, dat liet gebruik van kunstmest, hier meer, daar minder, naast stalmest niet alleen aanbeveling verdient, maar bepaald noodig is om eene productie te verkrijgen, die door de eischen van den tegenwoordigen tijd worden gesteld.
Ofschoon nn bij liet beantwoorden der vraag; waarmede moet gemest worden? nog verschillende andere omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, als daar zijn; do ligging der boerderij ten opzichte van mestvoortbrengende plaatsen, b.v. steden en dorpen, de vee- en mestprijzen enz., moet de keuze der soort van mest vooral afhankelijk gesteld worden van den grond en de gewassen, die daarop geteeld zijn of zullen worden. Wij moeten ons hier tot eenige aanduidingen dienaangaande bepalen. De kleigronden worden gewoonlijk mot stalmest bemest. Eene berekening leert echter dat door de oogsten in den regel meer phosphorzuur en meer potasch aan den grond onttrokken dan hem in den stalmest teruggegeven wordt. Dit leidt tot verarming inzonderheid aan genoemde stoffen. Op sommige oude bouwgronden wordt dan ook niet zelden opgemerkt, dat „de schud uit het land gaatquot;, dat is, de opbrengst aan graan en zaad geringer wordt. Do Groninger landbouwer vindt dan meer baat bij liet woelen, bij het mesten met slootaarde enz. dan bij stalmest. Daardoor voorziet hij de bouwvoor van eene grootere hoeveelheid phosphorzuur, potasch, kalk enz. Gesteld 1 hectare wordt 2 cM. met goeden woelgrond overaard, dan is hiervoor 20U M3 of 200.000 d.M3 noodig, of 1 d.M3 (liter) 1.5 KG. wegende, 300.000 KG. Volgons eene analyse van v. Hommolen bevat 100 KG. goede woelgrond in kilogr.
kalk magnesia potasch zwavelzuur phosphorz.
7.4 1.47 0.63 1.3 0.18
of 300.000 KG. 22.200 4410 1890 3900 540 terwijl 60 voer stalmest a 750 KG. dus
45.000 KG. bevat 52.50 81 279 72 117
Er is alle reden tot de veronderstelling dat phosphorzuur- en potasch-hou-denden kunstmest, waarmede tevens kalk, zwavelzuur en magnesia worden aangevoerd, hier ook zullen baten2).
Door woelklei worden de voedende stoffen weliswaar in eene grootere stofmassa verdeeld aangevoerd en daardoor beter door den grond verspreid, maar met Thomasslakkenmeel, superphosphaat enz., maakt dif ook volstrekt geeu bezwaar.
Is de kleigrond rijk aan aschbestanddeelen en bevat hij tevens overblijfselen van planten (humus), dan is voor den graan- en zaadbouw niet zelden geenerlei bemesting noodig (Nieuwe Dollard- en Wadpolders) of slootaarde voldoende (cultuur van tuinzaden in Noord-Holland, Andijk en de Streek). Is hij betrek-
') Zie Journal of the ft. A. S. of Enc/Iand, Vol. XI, p. 38, en ook M. Marcker Stallmist oder Kunsldünger en Landbouwkundig Tijdschrift, lil.
2) Feitelijk worden deze gronden op sommige plaatsen reeds regelmatig met phos-plioi'zinnhólidenden kunstmest bemest.
430
kol ijk rijk aan aschbestanddeelen maar bevat hij weinig hnmns, dan komen naast stalmest vooral stikstofhondende stoffen (Chilisalpeter, zwavelzure ammonia enz.) in aanmerking (zware kleigronden in Groningen en Friesland). En waar de grond veel humus bevat (veen- en darggronden, roodoorngronden), meenen wij dat bemesting met stalmest en stikstofhoudenden mest minder gepast is, dan wel (bij goede drooglegging) eene bemesting met woeiklei of terpaarde, beendermeel of ïhomasphosphaat en kalimest enz. Ter vruchtbaar-making van dalgronden (mengsel van zand en veen) is de stratendrek (compost) dan ook meer gezocht. Deze bevat meer phosphorzuur en meer kalk, in 't algemeen meer aschbestanddeelen dan de stalmest 1).
Bij het ontginnen van veen- en heidegronden kunnen, in plaats van stratendrek ook kalk of mergel, fijn verdeeld beenderenmeel, Thomasphosphaat enz. en kalizouten het voedend materiaal leveren; niet kalimest alleen, noch been-derenmeel alleen, maar beide te zamen. De kalk en de mergel (en ook do kalimest) dienen meer om het veen of de heideplaggen spoediger om te zetten en humusznre kalk enz. te vormen.
Reeds in den eersten druk (1877) merkten wij dit op. Do ondervinding sedert, op do Oldenburgsche venen opgedaan en de proeven door bemiddeling van hot proefstation te Bremen genomen, hebben dit vrij wol bevestigd. Alleen superphosphaat selüjnt op veengrond minder gepast te zijn maar wel beondermeel (in de latere jaren ook Thomasphosphaat en kaïnit). In onze Veenkoloniën en in het algemeen op onze veengronden noemt hot gebruik van deze meststoffen, vooral van kaïniet, ook toe. Behalve dat de stratendrek hot met zand vermengde veen omzet en van 't noodige voedsel voorziet, hooft hij -ook een grooten invloed op zijn natuurkundigen toestand. Hij verbindt namelijk het zand als het ware met 't veen. Deze werking meenon wij vooral aan de kalk- on kalizouten van den stratendrek te moeten toeschrijven en mogen die dus ook van kali- en kalkhoudendon kunstmest verwachten. De hunniszttre kali en Immuszure kalk, die gevormd worden, omgeven namelijk de zanddeeltjes en maken ze meer samenhangend, verg. bl. 245 en 305. Stalmest kan deze werking slechts uitoefenen door de hunmszure potasch, die hij bevat, en deze hoeveelheid is zeer gering. Hij doet uit veen geene of voel minder Immuszure zouten enz. ontstaan. Slib, woelgrond en terpaarde oefenen eene dergelijke werking als stratendrek uit.
Het stikstofhoudend voedsel, waarvan naar wij meenen, meer de tijdelijke vruchtbaarheid van den grond afhankelijk is, wordt allengs door het veen, do plaggen of hot beenderenmeel en door de Peulvruchten in de vruchtwisseling opgenomen, geleverd. Is de hoeveelheid stikstof hierdoor geleverd, onvoldoende, —- de ondervinding zal dit moeten leeren —, dan wordt door chilisalpeter of zwavelzure ammonia op de eenvoudigste wijze hierin voorzien. Phosphorzuur-, kalk- on kalihoudende meststoffen achten wij op de te ont-ginnon zandgronden in de eerste plaats noodig. De ondervinding hier te lande met stratendrek, in België mot secreetmest en asch, in Frankrijk met been-
') Genomen jnoeven hebben bewezen, dat ontgonnen dalgronden, die reeds vele jaren lang met Groninger compost zijn bemest, vooral dankbaar zijn voor eene bemesting met kaïnit of een ander kalizont. Zie Verzameling van verslagen, enz.
431
derkool opgedaan, wijst er ook op, dat in do practijk met dergelijke stoffen goede resultaten verkregen worden, en vooral de resultaten, door Schultz te Lüpitzl) verkregen bij ontginning en bebouwing van zandgronden, zijn in dit opzielit zeer leerrijk. Stalmest is echter in 't vervolg op de zandgronden meer de aangewezen mest; 't zij alleen, 't zij in vereeniging met kunstmest. Beendermeel, potaschzouten enz., met één woord minerale mest, achten wij echter ook gepast op do reeds ontgonnen veengronden. Want — wij hebben hot bl. 303 opgemerkt — liet veen wordt bij genoegzame droge ligging, onder toevoeging van deze stoffen ontleed en kan dan gepast stikstofhoudend planten-voedsel in zekere hoeveelheid leveren. Do bemesting der graslanden bespreken wij nog in 't volgende Deel.
De lezer gelieve hot bovenstaande slechts als eenige aanduidingen te bo-schouwen. De omstandigheden, waaronder de landbouwer verkeert, zijn dikwijls zoo verschillend, dat ook voor do bemesting moeilijk algemeene voorschriften gegeven kunnen worden. Is hij onbekend met het gebruik van kunstmest, zoo doet hij 't best ze op eene kleine uitgestrektheid gronds te beproeven. Op welke wijze dit het best geschiedt , ook om te ontdokken aan welke stoffen een bouwgrond vooral behoefte heeft, hebben we o. a. aangewezen in het Tijdschrift voor Landbouwkunde, le jaargang. Over liet aanleggen van zoodanig proefveld, onder leiding van een landbouwieeraar, bestaat thans voldoende gelegenheid. De bezitter van lage veengronden, als wei- en hooiland gebruikt, beproeve daarop eens een mengsel van minstens 80(1 KG. Thomasphosphaat a 2.50 gl. en G00 KG. kaïnit a 2.40 gl., dus samen voor ongeveer 30 gl. op de hectare, bij niet te hoogen waterstand des winters of anders des voorjaars zoo vroeg mogelijk op het land gebracht en voege, als de grasgroei begint, b.v. in April zoo noodig eenig chilisalpeter b.v. i00 KG. a 10 gl. daaraantoe. Hij spare zijn stalmest alzoo voor de bebouwde zandgronden. Do bezitter van enkel zandgronden trachtte den groei der voedergewassen door kunstmest, enz. te bevorderen: klavers door phosphorzuur-, potasch- en kalkhoudenden mest, raygras, snijrogge, spurrie, en wortelgewassen ook door stikstofhoudenden mest.
Den stalmest hebben wij onderscheiden in verschen of langen en verrotten of korten mest. Do eerste wordt veelal aanbevolen voor koude zware kleigronden, de laatste meer voor zandgronden. Er wordt dan gewoonlijk aldus geredeneerd: de versche mest moet nog rotten, daarbij ontwijkt koolzuur en wordt er warmte vrij. Vermengt men dus verschen mest met don kouden kleigrond, dan wordt deze daardoor warmer on losser. De zandgrond heeft zulks minder noodig. Integendeel deze zou hierdoor te heet kunnen worden. Daargelaten nog do mogelijkheid, of met verschen mest geregeld geniest kan worden, — wij betwijfelen dit zeer — meenen wij ook dat in deze voorstolling veel overdrevens is. Wilde men don stalmest 's winters, wanneer hij toch het meest verkregen wordt, geregeld dagelijks op het land brengen, zoo zou men een kleigrond, door het oprijden enz. van don mest ook bederven. Uitwerpselen zonder strooisel laten zich regelmatig verspreiden, maar met onverrot strooisel vermengd niet gemakkelijk, en daar wij zulks van veel belang achten, meenen
') Die Kalidünguny auf leichlen Boden von Scliultz-Lüpitz.
432
wij dat ook daarom aan verrotten mest do voorkeur dient gegeven te worden. Niet zelden zal men verder hier en daar stroo, met weinig uitwerpselen vermengd, in den grond brengen en in dit geval zouden wij vreezen, dat dit in den kouden kleigrond, inzonderheid als hij weinig koolzure kalk bevat, niet de gewenschte verandering ondergaat, maar verzuurt. De onderzoekingen omtrent het eonserveeren van den stalmest, bl. 390 en volgende, geven ook middelen aan de hand, om de verliezen, die inderdaad bij liet bewaren voor-• komen, zooveel mogelijk tegen te gaan.
Enkele jaren geleden werd door Wagner en Marcker, op grond van bemestings-proeven in potten, geoordeeld dat aan den stalmest en vooral aan de daarin voorkomende stikstof niet de waarde toegekend kan worden, die men er tot nog toe aan toegekend heeft. De oorzaak werd toegeschreven aan de dénitrifieeerende werking van den bodem of den mest op den gevormden salpeter.
Ofschoon nu door Dehérain l) en Warrington 2) voldoende is aangetoond dat liet daardoor veroorzaakte stikstofverlies niet zoo groot kan zijn, is het toch waarschijnlijk dat dit verlies grooter is bij verschen stalmest door de redu-ceerende werking van het daarin voorkomende strooisel, dan bij verrotten, en dat ook daarom de verrotte stalmest meer aanbeveling verdient.
Ook van de kunstmeststoffen is de eene soort meer gepast voor dezen, eene andere voor genen grond. Van de stikstof houdende zijn die met organische stikstof als peroe-guano, roet, enz. en ook zwavelzure ammonia meer gepast voor zandgronden dan voor kleigronden, omdat de salpetervorming in de eerste grooter is en de gevormde salpeter daarin eerder uitspoelt. Chilisalpeter daarentegen is meer gepast voor kleigronden. Zwavelzure ammonia kan om dezelfde reden op zandgronden later in het voorjaar gebruikt worden dan op kleigronden.
Daarmede is niet gezegd dat men op kleigrond, b.v. geen guano of zwavelzure ammonia en op zandgrond geen chilisalpeter zou kunnen gebruiken, maar bij dit gebruik moet met de eigenschappen van den grond en de veranderingen die de mest daarin kan ondergaan, rekening worden gehouden.
Om dezelfde reden is beendermeel meer gepast voor zandgronden, en is het beter deze meststof als herfstbemesting, b.v. voor rogge te gebruiken dan b.v. als voorjaarsbemesting voor haver 3). Door inwerking der lucht moet namelijk de daarin voorkomende lijmstikstof omgezet worden en dan komt ook de phosphorzure kalk meer in oplossing. Voor kleigronden en ook ter voorjaars-bemesting op zandgronden is het beter beenderenmeel te nemen dat vooraf met wat zwavelzuur behandeld is. Van de andere phosphaten is superphos-phaat het meest gepast voor kleigronden. Thomasphosphaat kan hier ook gebruikt worden maar is beter voor najaarsbemesting. Voorts is deze meststof voor zand- en veengronden en vooral voor grasland zeer gepast. Voor veengronden kunnen ook dienen gemalen phosphorit en andere gemalen ruwe phosphaten. Do onzuivere kalizouten, waarin de kali het goedkoopst is, kunnen hot eerst gebruikt worden op graslanden en op zand- en veengronden, vooral
1) Annales ayronomiqueit, T. '2:!.
2) Journal of the Royal Ayric. Sociely, '1S07.
•') .1. Külin, Buricklc aus dom physiol. Lab. und iter VersuchaanslnU in //«//lt;!, lïUe Heft.
433
voor najaarsbomosling'. Tor voorjaarsbomesting, vooral van kleigronden, is het beter een der gezuiverde kalizouten te gebruiken. quot;Wil men de onzuivere chloorhoudende kalizouten voor aardappels of suikerbieten gebruiken, bi. 423, dan is het beter de voorafgaande graanvrucht daarmede te bemesten.
Van de indirecte meststoffen is kalk meer gepast voor kleigronden, mergel voor zandgronden.
De keuze der soort van mest is voorts afhankelijk van de gewassen, die geteeld zijn of zullen worden. Daar wij op dit punt hieronder bij de vruchtwisseling en later bij de Bijzondere Plantenteelt moeten terugkomen, meenen wij, onder opmerking dat het hier niet alleen de plantsoort, maar ook de deelen waarom zij verbouwd wordt, geldt, daarnaar te mogen verwijzen. Voorts wordt die keuze bepaald naar den prijs, die van verschillende omstan-heden afhankelijk is. Zoo was de stikstof in zwavelzure ammonia voor ecnige jaren duurder dan in chilisalpeter, maar thans is er weinig of geen verschil meer daartusschen, dank zij de toenemende productie van eerstgenoemde meststof ; zoodat het thans in meerdere gevallen aanbeveling verdient om zwavelzure ammonia in plaats van chilisalpeter te gebruiken. Het phosphorzuur kan men thans het goedkoopst bekomen in het Thomasphosphaat, maar door een syndicaat wordt de prijs staande gehouden, terwijl die van andere phosphaten daalt, aangezien steeds nieuwe lagen daarvan ontdekt worden en het aantal super-phosphaatfabrieken toeneemt, zoodat het verschil steeds geringer wordt, enz.
2. Eene andere vraag, die de landbouwer zich bij het gebruik van de eene of andere mestsoort doet, is; Hoe lang werkt de mest ? Of ook: wanneer men den grond voor het een of ander gewas bemest, in hoever profiteer en daarvan dan de opvolgende gewassen, met andere woorden; Wat hlijft daarvan in den grond over? Deze vraag, die vooral de Engelsche landheeren en pachters heeft bezig gehouden — de Engelsche wet geeft, den afgaanden pachter het recht om schadevergoeding te eischen voor graaf- of ploegwerk, mest enz., waarvan de uitwerking nog niet afgeloopen is op den tijd, dat de pachter het goed verlaat — staat in het nauwste verband met de vraag: Wat is het best met eene vrij groote quantiteit in eens te mesten of hij kleinere hoeveelheid en dan vaker? Wanneer toch de mest slechts korten tijd werkt, dan zal deze vraag in laatstgenoemden zin, zoo hij langer werkt, in eerstgenoemden zin moeten beantwoord worden. Een voor alle gevallen doorgaand antwoord kan intusschen moeilijk op deze vragen gegeven worden. Bijna elke mestsoort werkt te dezen opzichte verschillend, en ook weder verschillend naar de grondsoort, waarop zij is gebracht. Drie punten dienen bij het beantwoorden dezer vragen vooral in aanmerking genomen te worden ; 1. de hoedanigheid en samenstelling van den mest, 2. het absorptievermogen van den grond en 8. zijne meerdere of mindere losheid en gehalte aan koolzure kalk. Cliilisalpeter, zwavelzure ammonia, peroe-guano, raapkoeken en andere met gemakkelijk ontleedbare stikstofverbindingen welke spoedig in salpeterzure zouten overgaan, werken slechts korten tijd, omdat de nitraten niet door den grond geabsorbeerd worden. Met stalmest, vooral wanneer hij veel stroo bevat, is dit reeds anders. Zijne stikstofverbindingen worden niet zoo spoedig ontleed en vormen eerst langzamerhand salpeterzuur. Hetzelfde geldt van zijne andere plantenvoedende bestanddeelen. Afval van wol,
REINDERS, 1. Vierde druk. 28
434
hoorn on dergelijke stoffen worden nog langzamer ontleed. In woelklei, terp-aarde, stratendrek enz. bevindt zicli het plantenvoedsel grootendeels in zoogenaamd geabsorbeerden of in water onoplosbaren toestand. Deze werken daarom meer aanhoudend. En daar het phosphorzuur en de potasch door den bouwgrond geabsorbeerd worden, werken ook kunstmeststoffen als superphosphaat, beendermeel en kalimest, waarin genoemde verbindingen voorkomen, langer. Juist het verschil in absorptie door den bouwgrond is ook de reden, dat mengsels van kunstmest als Villes mest, grasmest, mest voor haver enz. minder aanbeveling verdienen. In hoofdzaak bestaan dergelijke mengels toch uit superphosphaat, kali-mest en chilisalpeter of zwavelzure ammonia of guano. Van deze blijven de eerste twee beter in den grond bewaard, bl. 278; daarvan kan dus eene grootere hoeveelheid genomen worden; zij worden het best door ploegen of stevig eggen met den grond vermengd en kunnen reeds in den herfst of winter of vroeg in 't voorjaar op het land worden gebracht, terwijl het beter is den chilisalpeter, de zwavelzure ammonia of de guano licht in te eggen en met het bemesten daarmede, vooral met den chilisalpeter, te wachten tot later in 't voorjaar als de plantengroei begint.
Veel hangt te dezen opzichte ook van de geaardheid van den grond af. In een drogen kalkhoudenden zandgrond verteert de stalmest veel spoediger — de oudere landbouwkunde heeft die daarom mestgraag genoemd — dan in een zwaren kleigrond. Ook is het absorptie-vermogen liiervan geringer. In 't algemeen moeten zandgronden vaker en niet te veel in eens bemest worden.
Ook is blijkens proeven van Lawes en Gilbert de nawerking van super-phosphaat en kalimest op leemhoudende zandgronden gering, omdat zij naar het schijnt spoedig in moeilijk oplosbare verbindingen overgaan. Langer duurt volgens hen de nawerking van stalmest, raapkoeken enz.
Eene bemesting met 40 a 50 voer stalmest van 750 KG. op de hectare wordt eene sterke bemesting, van 20 a 30 voer eene zwakke genoemd. De hoeveelheid terpaarde ter bemesting gebruikt, bedraagt gewoonlijk 80—150 M3. Bij het ontginnen van dalgronden gebruikt men 80 voer Groninger stratendrek a 950 KG. Van kalimest neemt men 200—800 KG., van superphosphaat enz. 200—800 KG. al naar de qualiteit, bij ontginningen van beide dikwijls meer; van Peroeguano 200—300 KG. en het minst (100 a 200 KG.) van chilisalpeter en zwavelzure ammonia. Met den chilisalpeter is het zelfs beter in 2 a 3 maal te bemesten, b.v. 100 KG. in Maart en 100 KG. in April of Mei.
3. Met het bovenstaande in 't nauwste verband staat nog eene andere vraag, namelijk deze; Wat is uitputtende mest of juister eene uitputtende bemesting? Wanneer er door de oogsten meer phosphorzuur, potasch, enz. aan een veld onttrokken wordt dan het in don mest terug ontvangt, zoo heeft er roofbouw plaats; anders gezegd: de grond wordt uitgeput, wat men echter niet zoo moet opvatten, dat de grond dadelijk onvruchtbaar zou worden. Wordt hem door bemesting meer gegeven, zoo verrijkt men hem. Uitputten en onvruchtbaannaken zijn echter niet gelijkbeduidend, bl. 268. Gaat men nu met eene enkele stof b.v. een kleigrond met chilisalpeter, met kalk of mergel bemesten en verhoogt daardoor de vruchtbaarheid, zoodat er grootere oogsten van verkregen worden, zoo put men den grond meer uit dan wanneer hij b.v. met stalmest wordt bemest, omdat door de grootere oogsten meer phosphorzuur,
430
kali enz. eraan onttrokken wordt en hij door den cliilisalpeter of de kalk geene vergoeding voor deze stoffen ontvangt. Dezelfde redeneering geldt, wanneer op een grond, die nog onlangs met stalmest is bemest, snperphosphaat of een potaschzout wordt gebracht. De betere ontwikkeling der plantenwortels, door laatstgenoemde meststoffen verkregen, zal ten gevolge hebben, dat ook meer stikstofhondende overblijfselen van don stalmest worden opgenomen. Deze uitputting is echter van minder beteekenis en zelfs nuttig, aangezien die stikstof-houdende stoffen, in salpeterzuur omgezet, uitgespoeld hadden kunnen worden Lawes). Dergelijke onvolledige meststoffen, alleen gebruikt, werken dus vooral uitputtend, en slechts in enkele gevallen, b.v. wanneer de grond bijzonder rijk is aan phosphorzuur of stikstofhondende stoffen enz., of bij de teelt van enkele gewassen, met stalmest afgewisseld, verdient zulk eene bemesting aanbeveling. Vooral op een niet zeer rijken bodem wordt de uitwerking dier eenzijdige bemesting ook reeds spoedig zichtbaar. Na een rijken oogst op deze wijze verkregen, kan dan vooral een schrale bodem verwacht worden.
4. Wanneer en hoe moet de mest op het land ivorden fjehracht ? De gewone tijden van bemesten met stalmest zijn de nazomer of herfst en hot voorjaar, kort vóór den zaaitijd, en het doelmatigst is het den mest uit den stal of van de mestvaalt dadelijk op het te bemesten veld te brengen. Teneinde hem dan met den grond te kunnen vermengen, wordt hij op bouwland gewoonlijk op het nog te ploegen land in kleine hoopjes gebracht, uitgespreid en onderge-ploegd, of ook na met eene dunne vurg ondergebracht te zijn, met eene diepere vurg verder met aarde bedekt („heen en weer geploegdquot;). Nadeelig is het om hem in kleine hoopen op het veld te laten liggen, vooral omdat bij regen er uitspoeling plaats zal hebben en de grond dus op de plekken, waar hij ligt, sterker bemest zou worden dan op de tusschen gelegen plaatsen.
Is het, om wrelke reden ook, noodig den mest naar het veld te brengen voor hij hier gebruikt kan worden, zoo wordt hij in één hoop gezet, en om verlies te voorkomen het best met aarde vermengd en bedekt. De aarde neemt dan de vluchtige en oplosbare stoffen op, gaat de snelle ontleding tegen, bevordert de salpetervorming, bl. 392. Eenmaal in hoopjes op het te bemesten veld gebracht is dus het dadelijk en zoo gelijkmatig mogelijk uitspreiden een volstrekt vereischte, maar hem direct onder te ploegen is, op gedraineerden en niet hellenden grond althans, niet zoo bepaald noodig l) en kan, als de grond vochtig is, zelfs nadeelig zijn. In dit geval wordt hij van de lucht afgesloten en verzuurt. Zelfs op bevroren en besneeuwden grond kan het verspreiden van den mest zonder veel nadeel geschieden. Blijft hij aan de oppervlakte, dan verteert hij spoediger en de grond komt onder den mest in dien eigen-aardigen toestand, dien men „gaarquot; noemt. Het regen- en sneeuwwater loogt hem weliswaar uit, maar aangezien dit in gedraineerden bodem grootendeels door den grond trekt, gaat het uitgeloogde mede in den grond en wordt door de grondbestanddeelen opgenomen en zelfs gelijkmatiger verdeeld dan als de mest ondergeploegd wordt.
In het algemeen is het op kleigronden niet doelmatig den stalmest diep
') Volgens vroegere proeven van Hellriegel en Andra; volgens proeven van Delié-rain {Ann. agr. T. 24) verliest de uitgespreide mest veel ammoniak en ook vrije stikstof, maar dit komt weinig overeen met die van Müntz en Girard, bl. -WO.
28*
4P.G
onder te ploegen, omdat hij dan to veel van de luclit wordt afgesloten; op zandgronden is om die reden een diepere bedekking en ook een direct onder-ploegen minder nadeelig en, volgens de proeven van Dehérain (zie noot hl. 435) beter. Een zandgrond absorbeert de ontwijkende gassen minder goed dan een kleigrond en kan eene dikkere laag in dit opzicht dus nuttig werken.
Graslanden en klavervelden worden ook wel 's winters of 's zomers, na het hooien, bemest. In hoever deze tijdstippen de meest gunstige zijn is geenszins met juistheid bekend. Men zal daarbij ook de weersgesteldheid in aanmerking dienen te nemen. Daar de stalmest ook op grasland met den grond vermengd moet worden, is het hier vooral van belang, dat hij kort en fijn verdeeld zij. Aan uitwerpselen zonder strooisel wordt daarom niet zelden op grasland de voorkeur gegeven en deze worden ook wel, met water vermengd, als gier op het land gebracht.
Ook hij liet bemesten door het perken van schapen, bl. 379, waarbij de uitwerpselen zonder strooisel op de aarde vallen, en dus eenigen tijd onbedekt blijven liggen, blijkt het verlies niet zoo groot te zijn als men zou vermoeden. De hekken moeten daarbij regelmatig verplaatst worden en om verder eene goede verdeeling te verkrijgen moet men de perken niet te groot nemen. Daarbij is het gewenscht den grond vooraf iets los te maken en wanneer een stuk afgeperkt is, om te ploegen. In Frankrijk rekent men het eene gewone bemesting wanneer gemiddeld 1 schaap 6 uur op een vierkante meter verblijft, eene sterke bemesting wanneer zij er 12 uur gehouden worden en eene zeer sterke bemesting wanneer zij er 24 uur verblijven, üe uitwerpselen van een schaap in 24 uren voortgebracht bevatte nu 17 gram stikstof, 7 gram phosphorzuur en 22 gram kali. Door het perken zou dus geleverd worden aan een hectare:
in 0 uur 12 uur 24 uur
Stikstof.......... 42 5 KG. 85 KG. 170 KG.
Phosphorzuur........ 17.5 „ 35 „ 70 „
Kali............ 55 0 „ 110 „ 220 „
Deze hoeveelheid is ongeveer aanwezig in stalmest...... 10000 „ 20000 „ 40000 „
Ofschoon dus een perken gedurende 12 uur reeds als eene sterke bemesting wordt beschouwd, ontvangt de bodem daarmede toch niet meer stikstof, phosphorzuur en kali als aanwezig is 20000 KG. stalmest.
Müntz en Girard hebben nu de volgende proef genomen. Van twee koppels schapen, elk 25 stuk, werd de een in den stal op stroo geplaatst en de andere buiten op grond als bij het perken geschiedt en beide koppels gedurende 22 dagen gelijk gevoed met versche Luzerne. De eerste koppel bracht 1260 KG. mest voort, die in procenten bevatte; 68.30/o water, 0.5130/0 stikstof, 0.259 % phosphorzuur en 1.26 0/0 kali. Om te bepalen hoeveel stikstof enz. door de tweede koppel in den grond werd gebracht, werd deze voor en na het perken geanalyseerd. Tevens was door eene analyse bepaald hoeveel stikstof enz. de dieren in het voedsel hadden ontvangen, zie bl. 388. De uitkomst was als volgt. In den mest werd, zoowel bij het houden in den stal als bij het perken al het phosphorzuur en al het kali teruggevonden, maar van de stikstof
in den stal bij het perken
werd opgenomen door de dieren....... 7.50 0/o 10.00 0/n
werd in den mest terug gevonden....... 43.64 „ 66.00 „
ging verloren.............. 48.86 „ 24.00 „
437
Men ziet dus dat bij het houden in den stal meer dan 2 maal zooveel
Fig. IRC). Kunstmeststrooier van Schlor, Barth a/d Oostzee, van achteren gezien , oiti aan te wijzen hoe ile as ni en liet rad /, Fig. 188, automatisch door middel van de raderen a, b enz. door de machine bewogen worden.
stikstof verloren ging dan bij het perken, wat wel een bewijs is voor de
geschiktheid van den grond om het ammoniak, in welken vorm de stikstof
Fig. 188. Idem in doorsnede; A als de bodem van den bak in zijn hoogsten stand en nagenoeg ledig is, R. in zijn laagsten stand met gevulden bak: m, as met pinnen die de mest uitstrooien: o, het beweegbare deel van den bak, dat door de getande staaf k en het tandrad l op en neer kan worden bewogen.
wrel hoofdzakelijk zal verloren zijn gegaan, te binden.
438
Om do kunstmeststoffen regelmatig te kunnen verspreiden is het gewenscht dat ze droog en fijn verdeeld zijn. Bij kalimeststoffen en cliilisalpeter komt eene samenklontering niet zelden voor. In dit geval is hot gewenscht ze voor het uitstrooien fijn te kloppen. Ook kunstmestbrekers, Fig. 189 zijn daarvoor in gebruik. Deze bestaan uit twee paren rollen, waarvan liet onderste paar
Fig. 100. Flother's kunstmeststrooier. Agent wed. Massée en zoon te Goes.1,
glad is en door veeren en stelhouten ruimer of nauwer gesteld kan worden, terwijl het bovenste paar van tanden is voorzien welke in een rooster grijpen en zoo de brokken verbreken.
Snelwerkende meststoffen als cliilisalpeter, guano, gier enz. worden grooten-deels in het voorjaar ter overbemesting, kort vóór den tijd, dat de planten beginnen te groeien, gebruikt; andere kunstmeststoffen als superphosphaat, Thomasphosphaat, beenderenmeel, kalimest en compost meestal in den herfst
4B9
bestaat liet werkende doel uit een as met pennen of vleugels die den mest uit een vulkast werpen. Bij dien van Eckert wordt de bodem der vulkast door een rondwentelende houten wals met groote middellijn gevormd. Deze Avals schuift de meststoffen naar het strooitoestel, waar zij door eene draaiende, met puntige tanden voorziene wals behoorlijk verdeeld en over een strooiplaat over de aarde verspreid worden. Door verwisseling der tandraderen kan de
omwentelingssnelheid
houten gewijzigd worden en daarmede de hoeveelheid te verstrooien mest. Eene aanwijzing daarvoor is bij de ma-
doelmatige
Fig. •Ut'2. Gemetselde gierput met kettingpomji van Fig. tOB.
Eckert te Berlijn. Agent Ch. R. Kouveld te Amsterdam. Fauler's gierpomp.
clüne gevoegd. Bij de machines volgens het octrooi van Schwartz vervaardigd en meer bepaald voor kleverige meststoffen aanbevolen, bestaat het werkende deel uit een gegroefde stalen cilinder, Fig. 191.
Om den ondergrond te bemesten of van kalk of mergel te voorzien, wordt, vooral op veengronden (Bremen), ook wel van een ondergrondbemestings-ploeg (P. Gross te Ilohenheim) gebruik gemaakt.
Gier en in 't algemeen vloeibare mest worden met den giorkar of in tonnen met sproeiinrichting, Fig. 185, op 't land gebracht. Voor het oppompen van
pompen als die in Fig. 192
gier uit den gierput zijn thans ook en 193 afgebeeld, in gebruik.
440
AANHANGSEL.
Andere middelen tot liet vruchtbaar maken of hot vrucht-baarhouden van den grond. Vruchtwisseling. Bevloeien.
Reeds sedert lang is het in den landbouw bekend, dat de bouwgrond weinig vruchtbaar kan zijn voor eene plant, die één of meer jaren er op geteeld is, maar nog vruchtbaar genoeg voor eene andere, ja dat door b.v. na
Fig. 196. Luzerne.
een graangewas klaver of eene andere peulvrucht te telen, de vruchtbaarheid voor een volgend graangewas ala het ware hersteld wordt, bl. 269.
In 't algemeen groeit eene zekere plant A beter na B dan na C of D en in den regel het slechtst na zich zelve. Slechts zelden, bij de tabakscultuur
441
b.v., wordt daarom op hetzelfde veld verscheidene jaren achtereen dezelfde vrucht geteeld. De landbouwer neemt altijd eenige verscheidenheid en laat dan op klei b.v. Klaver, Haver, Tarwe, Boonen, Gerst enz.; op zandgrond Rogge, Aardappels en Boekweit op elkander volgen. Een vaste regel kan daarvoor echter niet gegeven worden; de eene landbouwer teelt b.v. na Klaver Koolzaad, een ander Haver; deze vindt het beter, na Boonen Tarwe, een ander Gerst te verbouwen; hier wordt na Koolzaad Gerst, elders Tarwe geteeld; hier wordt een vast stelsel van vruchtwissehng gevolgd, ginds bindt
men zich minder aan een bepaald plan, maar regelt zich meer naar
omstandigheden. Natuurlijk hangt een en ander ook af van de planten, die men wenscht te of kan verbouwen en dit hangt weder af van de soort van grond, het klimaat, enz. Zoo veel mogelijk laat men wortel- of knolgewassen, blad-rijke planten en granen met elkander afwisselen. Fier. ilt;)7. Klaver. Waarom eene plant beter na deze dan na gene
of na zich zelve groeit, is geenszins met vol-koinenc zekerheid bekend. Men meent de oorzaak lioofdzakelijk te moeten zoeken: a. in H verschil van de worlelontwikkeling. In het algemeen dringen in een goed gecnltiveerden bodem de wortels dieper door dan men zich in
442
den regel voorstelt, en de wortels der eene plant dringen, zooals uit onderstaande tabel blijkt, gewis dieper in den grond dan die eener andere. Men dient daarbij echter niet enkel te letten op de absolute diepte waartoe de wortels gaan, maar ook op de wijze waarop zij zich in den bodem verspreiden en waar veel wortelvezels en wortelharen gevormd worden, aangezien het voedsel daardoor vooral wordt opgenomen. En te dezen opzichte is er ook een
Lengte van plantenwortels, volgens metingen van Orth en anderen.
Luzerne......2.65 meter Haver.....1.35 meter
Witte Klaver .... 0.83 „ Rogge.....1.35 „
Roode quot;Weideklaver. . 1.45 „ Gerst.....1.23 „
Lupinen.....1.38 „ Tarwe.....1.09 „
Wikken......0.90 „ Maïs......1.00 „
Veldboonen . . . . 1.11 „ Boekweit .... 0.90 ,,
Tuinboonen .... 1.00 „ Aardappels . . . 1.03 ,,
Kaapknollen .... 1.52 „ Vlas......0.C7 „
Beetwortels .... 1.38 „ Hennep.....1.00 „
Koolzaad.....1.63 „ Maankop . . . . 1.40 „
aanmerkelijk verschil wanneer men de eene plant met de andere vergelijkt. Zie Fig. 194—199. De Granen, b.v. bezitten vezelige wortels, bl. 140; zij zenden wel enkele wortels in de diepte, maar de hoofd verspreiding geschiedt in de bovenste lagen; zij zoeken hun voedsel hoofdzakelijk uit den bovengrond. De Klavers, Boonen, 't Koolzaad enz. bezitten een min of meer vertakten penwortel, die dieper in den grond dringt niet alleen maar hier ook meer wortelvezeltjes en wortelharen vormt, waarmede meer voedsel uit den ondergrond wordt opgenomen. Mangelwortels bezitten een penwortel met kleine takjes en haartjes, die in een kleinen omtrek veel voedsel moeten kunnen vinden; deze verlangen dus een goedgemesten bodem. Het Ylas heeft een meer vertakten penwortel, die meer door den geheelen bodem trekt en ook uit een minder bemesten grond genoeg voedsel opneemt.
Om te dezen opzichte tot eene betere vergelijking aangaande de wortelontwikkeling der planten te komen, hebben Mttntz en Girard den met verschillende planten begroeiden grond in eenige lagen verdeeld en nu het gewicht bepaald van de wortels en worteltjes die in die lagen van 1 hectare voorkomen. De uitkomst was als volgt:
Gewicht der wortels van 1 hectare (in drogen
|
A. Planten met veze- |
toestand) |
in KG. | ||||
|
lige wortels. |
Tarwe |
Gerst |
Haver |
Weidegras. | ||
|
le |
laag van 0—25 |
cM. |
921.0 |
629.0 |
1120.3 |
2705.3 |
|
2e |
„ „ 25—50 |
292.0 |
185.7 |
178.0 |
120.0 | |
|
3e |
,, „ 50—75 |
77 75 |
248.0 |
110.4 |
230.4 |
70.4 |
|
4e |
„ „ 75—100 |
101.4 |
86.4 |
113.6 |
46.4 | |
|
5e |
„ „ 100-125 B. Planten met een |
55 |
110.0 enz. |
16.0 |
11.2 |
2.7 |
|
penwortel. |
Slaapbol |
Luzerne |
Klaver |
Koolzaad | ||
|
le |
laag van 0—25 |
cM. |
89.5 |
221.6 |
149.5 |
196.8 |
|
2® |
„ „ 25—50 |
55 |
56.3 |
56.0 |
425.0 |
128.0 |
|
3® |
„ „ 50—75 |
1) |
60.2 |
92.8 |
230.0 |
137.0 |
|
4e |
„ „ 75—100 |
56.0 |
75.2 |
108.8 |
108.8 | |
|
5e |
„ „ 100-125 |
55 55 |
4.0 |
212.8 |
35.2 |
115.5 |
|
6® |
„ „ 125-150 |
— |
113.6 enz. |
— |
148.8 enz. | |
443
Men ziet dus dat van granen en liet weidegras de hoofdmassa der wortels in de bovenste grondlaag aanwezig is, maar van de planten met een penwortel meer in de diepere lagen; uit den penwortel dezer planten ontwikkelen zich in de diepere lagen eene menigte worteltjes en wortelharen en in verband met dit feit mag men aannemen dat zij ook meer voedsel uit den ondergrond opnemen.
Nu wordt het voedsel door de wortels uit den bodem opgenomen aan hunne oppervlakte. Met de geheele wortelmassa is dus eigenlijk eene maatstaf van vergelijking, maar hare oppervlakte. Hoe fijner de wortels verdeeld zijn des te grooter wordt bij hetzelfde gewicht hunne oppervlakte. Kent men de lengte van het geheele wortelnet en den omtrek der wortels dan kan daaruit de oppervlakte ten naastenbij berekend worden. Müntz en Girard hebben ook deze berekening gemaakt en hebben alzoo van de hierboven vermelde planten de volgende uitkomsten verkregen.
|
Oppervlakte dei' wortels van t hectare iu | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Men ziet dus dat, als men de oppervlakte der wortels tot maatstaf neemt, het verschil nog sterker uitkomt. Nog beter blijkt dit uit eene vergelijking van de oppervlakte van den verdikten wortel eener biet of van een mangel-wortel en die der fijnere worteltjes dezer planten. Girard vond dat de fijne worteltjes eener biet op het einde van haar groeitijdperk eene oppervlakte hadden van ongeveer 30 vierkante decimeter, terwijl de biet zelve slechts eene oppervlakte had van 4.2 vierkante decimeter.
Met dit verschil in wortelontwikkeling gaat gepaard het verschil in de wortelmassa, die van do eene plant in vergelijking met eene andere in den grond achterblijft. Zie daarvoor de opgave op bi. 414 en 415. Nemen wij roode Klaver en Gerst. Van de eerste blijft 4 nitial zooveel organ, stof met 9 maal zooveel stikstof, G maal zooveel phosphorzuur en 8 maal zooveel kali in do wortels in den grond achter als van Gerst. Dat phosphorzuur, die kali enz. en wellicht ook de stikstof voor een deel heeft de Klaver uit den ondergrond grootendeels opgenomen en in de wortels van den bovengrond opgehoopt.
444
Daar deze wortels (en natuurlijk ook de nog aanwezige stengels), ua het omploegen der Klaver, ontleed worden en wezenlijk als mest dienen, kan men zeggen dat de bovengrond verrijkt is ten koste van den ondergrond. Zoo opgevat is de Klaver derhalve ook voor phosphorzuur en kali eene grondver-rijkende plant. Hetzelfde geldt van Luzerne, Lupinen, Erwten, Serradella en andere klaversoorten. Er is bij deze planten, althans bij Klaver een veel gunstiger verhouding tusschen hetgeen in den grond blijft en in de bovendeelen wordt verwijderd dan b.v. bij Koolzaad of Kogge. Zie de bepaling van Heiden op bl. 415. Daarbij komt dat de Klaver, de Lupinen en dergelijke planten haar voedsel deels uit moeilijk oplosbare verbindingen opnemen, terwijl liet plantenvoedsel dat uit de vertering harer wortels wordt gevormd, meer geschikt is om door andere planten b.v. Granen te worden opgenomen. Een gevolg van dit verschil in de wortelontwikkeling is voorts, dat de grond na sommige gewassen meer los, na andere meer stijf is en daar sommige planten een meer lossen, andere een meer stijven bodem verlangen, regelt men ook daarnaar de vruchtopvolging.
h. in het verschil van H voedsel. Vergelijkt men het aschgehalte dei-planten , zie bl. 182, dan blijkt dat niet alleen de gehoele hoeveelheid asch verschilt, maar ook dat de eene plant meer potasch, een tweede meer phosphorzuur , een derde meer kalk voor hare ontwikkeling behoeft. Worden derhalve planten, die b.v. veel phosphorzuur voor hare ontwikkeling noodig hebben, opgevolgd door andere, die nagenoeg dezelfde behoefte hebben, dan heeft dit eene verarming van den grond, hoofdzakelijk van dit bestanddeel ten gevolge en mag het beter geacht worden eene plant te telen, die eene mindere hoeveelheid er van noodig heeft. Ook is het verschil in den vorm waarin of de verbindingen waaruit de planten het voedsel opnemen, hier wellicht van invloed. Sommige planten nemen b.v. de stikstof deels op in den vorm van een ammoniakzont, andere slechts in dien van een salpeterzuur zout. Daar nu de grond, na eene versche bemesting met stalmest meer ammoniak bevat, heeft men daardoor wel willen verklaren, dat sommige planten, b.v. Koolzaad, na eene versche bemesting met stalmest, andere, b.v. Granen en Vlas, het best in het tweede of derde jaar na de bemesting, wanneer de stikstofverbindingen van den mest in salpeter zijn omgezet, geteeld worden. Ons komt het echter voor dat van grooteren invloed hierop is de verhouding tusschen het beschikbare plantenvoedsel. Na eene versche bemesting bevat de grond betrekkelijk meer opneembare stikstof en eene grootere hoeveelheid hiervan is minder nadeelig voor Koolzaad dan wel voor Granen of Vlas, die onder deze omstandigheden te snel gaan legeren. Ook neemt het Koolzaad als diepworte-lend gewas meer salpeter op uit den ondergrond. Het groeit vooral in den herfst en in het voorjaar en gebruikt zoo de salpeter die met don regen in den ondergrond gespoeld is. Ook de wortelgewassen groeien meest in het najaar en gebruiken zoo de salpeter die in den zomer en nazomer in den bodem gevormd is. De granen daarentegen groeien meer in het voorjaar; zij vooral maken den bovengrond arm aan salpeter. De Peulvruchten nemen stikstof uit de lucht op, bl. 207; deze kunnen dus verbouwd worden als de grond slechts weinig stikstofhoudend voedsel meer bevat, b.v. na een graan- of wortelgewas, die stikstofhoudend voedsel (nitraten) verbruiken.
445
Dit zijn do belangrijkste gezichtspunten, lt;11 o bij de beoordeeling eener vruchtwisseling mot iiot oog op de vruchtbaarheid van den grond in aanmerking komen.
Intusschen is liet in beteren staat van vruchtbaarheid houden niet de eenige of juist de hoofdreden waarom men de vruchten laat afwisselen. Daarvoor bestaan nog verschillende andere redenen. Deze zijn; 1. hetere vernietiging van onkruid. Bij de teelt van sommige planten, inzonderheid bij de hakvruchten, is men beter in de gelegenheid het land van onkruid te zuiveren; bij zomergranen is het land veel spoediger „bezetquot; dan bij wintergranen: tusschen de laatste kunnen de onkruiden zich dus beter ontwikkelen dan tusschen de eerste, en bovendien vindt men bij de eerste moer tijd om hot land vóór 't zaaien te bewerken. Bladrijke gewassen als Boekweit, Koolzaad enz beschaduwen den grond meer dan b.v. Granen; gene berooven de onkruiden dus meer van 't licht en de lucht en houden daardoor linnne ontwikkeling meer tegen dan deze. Hakvruchten, zomer- en wintervruchten, beschaduwende en niet beschaduwende planten wisselt men daarom zooveel mogelijk met elkander af. 2. Het tegengaan van de vermenigvuldiging der schadelijke dieren en plantenziekten. Wordt steeds of veelvuldig hetzelfde gewas verbouwd, dan ontwikkelen zich ook onder gelijke omstandigheden in sterke mate de dieren die daarop leven of er schade aan toebrengen. Zoo ook schimmels en andere parasiteerende planten. Door afwisseling met planten waarop die dieren of die parasietplanten niet leven of waarmede zij zich niet voeden, alsmede door eene andere grondbewerking gaat men derhalve dergelijke schadelijke dieren en planten tegen. 3. Betere verdeeling der werkzaamheden. Wordt steeds hetzelfde gewas geteeld, dan dient nagenoeg op denzelfden tijd gezaaid te worden en valt de oogstijd nagenoeg op 't zelfde tijdstip in. Maar ook bij verschillende planten kunnen genoemde tijdperken samenvallen. Voor een geregelden gang der werkzaamheden is het zaak, dit zooveel mogelijk te voorkomen. Ook het ploegwerk enz. voor verschillende vruchten behoeft niet hetzelfde te zijn. Zooveel mogelijk tracht men dus zulke vruchten te telen en laat men die zoodanig afwisselen, dat de werkzaamheden verdeeld worden, inzonderheid in den zaai- en oogsttijd. Eene gepaste vrucht wisseling, in verband met de juiste keuze der te telen gewassen is derhalve een belangrijke huishoudelijke maatregel in het landbouwbedrijf. In de Landhuishoudkunde zullen eenige stelsels van vruchtopvolging gegeven en nagegaan worden in hoever deze aan de gestelde eischen eener goede vrucht wisseling beantwoorden.
Een belangrijk middel ter vruchtbaarmaking van den grond is ook het bevloeien, 't zij dit op eene natuurlijke wijze, zooals op onze uiterwaarden, 't zij op eene kunstmatige wijze als op enkele plaatsen in Noordbrabant Limburg en Overijsel en op vele plaatsen in het buitenland geschiedt. Daar het bevloeien echter hoofdzakelijk strekt ter vruchtbaarmaking van graslanden, meenen wij dit punt het best bij do Bijzondere Plantenteelt te behandelen.
Tabel [. Vkkdekunci der temperatüür op aarde.
|
Breedte |
Hoogte |
Gemiddelde temperatuur | |||||
|
Plaatsen |
in |
boven de - |
- | ||||
|
graden |
zee in Meters |
Januari |
April |
Juli |
October |
Jaar | |
|
A. Tropische luchtstreek. | |||||||
|
Congo-mond (W. Afrika) |
G Z.P,. |
0 |
20.2 |
20.9 |
21.0 |
24.4 |
24.9 |
|
Khartoem (O. Afrika) |
15 N.B. |
388 |
19.7 |
30.2 |
33.1 |
29.2 |
28.5 |
|
Batavia....... |
(i Z.B. |
i |
19.2 |
22.0 |
28.2 |
20.2 |
24.3 |
|
Colombo (Ceylon) |
7 N.B. |
12 |
20.4 |
28.3 |
27.3 |
27.1 |
27.3 |
|
Bombay (V Indië) . |
19 » |
11 |
23.2 |
28.0 |
27.2 |
27.2 |
20.4 |
|
Hongkong (China) |
22 » |
17 |
15.3 |
22.8 |
28.2 |
23.2 |
21.4 |
|
Lahore (V Indië) |
31 » |
214 |
12.2 |
27.2 |
31.0 |
24.9 |
24.0 |
|
Mexiko (X Amerika) |
1!) » |
2278 |
12.5 |
18.4 |
18.4 |
15.0 |
10.7 |
|
Caracas (Venezuela) |
10 » |
920 : |
20.3 |
22.5 |
22.2 |
21.9 |
21.8 |
|
Kio de Janeiro (Brazilië) |
13 Z.B. |
20.6 |
24.8 |
20.0 |
22.9 |
23.0 | |
|
H. Gematigde luchtstreek. | |||||||
|
Gibraltar...... |
.30 N.B. |
15 |
12.2 |
15.9 |
23.5 |
18.2 |
17.2 | |
|
» |
102 |
10.3 |
14.6 |
21.7 |
16.9 |
15.0 | ||
|
Madrid....... |
40 |
» |
005 |
4.9 |
12.7 |
24.5 |
13.6 |
13.5 |
|
Rome. . ..... |
42 |
» |
50 |
0.7 |
13.9 |
24.8 |
16.3 |
15.3 |
|
Marseille...... |
43 |
» |
45 |
0.4 |
12.5 |
22.1 |
15.iT |
14.3 |
|
Odessa ..... |
40 |
» |
70 |
— 3.4 |
8.2 |
22! 7 |
11.2 |
9.0 |
|
Zurich .... |
47 |
» |
470 |
— 1.2 |
9.1 |
18.7 |
8.5 |
8.0 |
|
Parijs. ...... |
48 |
» |
34 |
2.0 |
9.7 |
18.3 |
9.8 |
10.3 |
|
Karlsruhe ... |
49 |
» |
123 |
0.1 |
10.4 |
19.5 |
10.4 |
10.3 |
|
Londen . . . |
51 |
» |
37 |
3.5 |
9.6 |
17.9 |
10.7 |
10.3 |
|
Broeken (Ilarz) .... |
51 |
» |
1143 |
— 5.4 |
0.7 |
10.7 |
4.0 |
2.4 |
|
Malle ..... |
51 |
» |
91 |
— 0.1 |
8.3 |
18.9 |
9.3 |
9.0 |
|
Utrecht....... |
52 |
» |
13 |
1.5 |
9.4 |
18.4 |
10.4 |
9.9 |
|
Borkum..... |
53 |
» |
4 |
0.8 |
6.9 |
10.6 |
9.5 |
8.0 |
|
Hamburg...... |
53 |
» |
20 |
— 0.4 |
7.4 |
17.2 |
8.5 |
8.2 |
|
Kopenhagen. ... |
55 |
» |
13 |
— 0.4 |
5.7 |
10.0 |
8.2 |
7.4 |
|
Stockholm..... |
59 |
» |
— |
— 3.7 |
3.0 |
10.4 |
6.2 |
5.2 |
|
Petersburg...... |
00 |
» |
10 |
— 9.4 |
2.0 |
17.7 |
4.5 |
2.0 |
|
Thorshavn (Far-Oër) . . |
02 |
» |
9 |
3.1 |
4.9 |
10.9 |
6.7 |
6.3 |
|
Archangel (Rusland). . . |
(34 |
» |
10 |
— 13.0 |
— 1.1 |
15.8 |
1.4 |
0.4 |
|
Haparanda (Zweden) |
00 |
» |
— |
— 13.1 |
— 2.0 |
15.2 |
1.2 |
0.0 |
|
Tokio (Japan) .... |
30 |
» |
7 |
2.3 |
12.2 |
25.5 |
14.7 |
13.8 |
|
Tobolsk (Siberië) .... |
58 |
» |
500 |
— 19.0 |
0.5 |
20.0 |
— 1.1 |
— 2.2 |
|
Jakoetsk » ... |
02 |
» |
100 |
— 42.8 |
— 9.6 |
18.8 |
— 9.1 |
— 11.2 |
|
Quebec (Canada) . . . |
47 |
» |
91 |
— 11.2 |
2.2 |
20.2 |
6.9 |
4.2 |
|
Vancouver » |
40 |
» |
40 |
2.8 |
11.1 |
19.8 |
11.6 |
11.2 |
|
New-York (Ver Staten) |
41 |
» |
8 |
- 1.0 |
9.2 |
23.9 |
12.1 |
11.0 |
|
San Francisco » |
29 |
» |
40 |
9.3 |
12.9 |
14.4 |
14.9 |
12.9 |
|
Leavenworth (Kansas » |
29 |
» |
274 |
— 2.6 |
12.7 |
25.5 |
12.7 |
11.8 |
|
New-Orleans » |
30 |
» |
7 |
12.7 |
20.4 |
27.8 |
20.8 |
20.0 |
|
Santiago (Chili) .... |
33 |
Z.B. |
530 |
19.0 |
12.8 |
7.2 |
13.0 |
13.1 |
|
Buenos-Ayres (Argentina) . |
35 |
» |
22 |
24.3 |
17.4 |
10.4 |
16.8 |
17.2 |
|
Pieter Maritzburg (Natal) . |
29 |
» |
039 |
21.4 |
17.7 |
11.8 |
18.2 |
17.5 |
|
Kaapstad....... |
34 |
» |
12 |
20.6 |
17.2 |
12.6 |
16.2 |
10.5 |
|
c |
Poolstreek. | |||||||
|
Hammerfest (Noorwegen) . |
quot;1 |
N.B. |
10 |
— 5.2 |
0.0 |
11.8 |
1.6 |
1.9 |
|
N. Nova-Zembla .... |
79 |
» |
— |
— 23.6 |
—18.9 |
1.0 |
— 17.2 |
— 15.0 |
|
Boothia Felix (N. Amerika) |
70 |
» |
— |
— 32.1 |
—18.9 |
5.2 |
— 12.0 |
— 15.4 |
|
Grinell-Land » |
81 |
— |
— 39.1 |
—39.1 |
2.8 |
— 22.7 |
— 19.9 | |
447
| ||||||||||||
|
•O O l O I co 00 O CÓ ö CÓ |
•Sinjqiuaji i91gt;j aiiMAnnv
iïuciitiv
ÜAtU'
.2 1 \ ^ ï-z Zquot; oi co
gt; »o -i-
Ol ^ T—(
O I O Ö - r- 11
•A\m;j{)
(UBpaiv) !PÜ
•uin.rq
-poon wa
O O x „ -
p
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
f co co O *-0 c: cm oi -f -t CO CO O-l rH C5 CO O »—I O oi »o co ÖÖÖÖCÓIOOÖÖOCÓL^ gt;o | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
co r- 71 X 'JD |
|
O O O ö ö ö
I I I O ö
x co
Ol ö
3 I
25 w O
O
|
GO - O CC Ol O CO CO !gt;• O-I | | ö öö ö I I 50 I 1^1 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
I- o co P | , cop O I I oo
u
H C£ C
c
oc §
C
| ||||||||||||||||
|
: -H Ol ---f- c 5 »C O -f CO quot; ^ Ö có ol »o c ; »0 O CO Oi O :t lp gt; O O I- O » |
O O t-H Ol O -f X 'CO -t CO CO CO O (M ^ -f oi ^ ^ ^
Ol CO P co GO có \6 co ö cö
Q
W
W O
^3 W
w
O 55
13
a w
X ö X
5 O O
gt;o O
I -f ö
lt; Igt; O
0
01
-aiiaap ^ -aSirappiiv v a.i8p.mi5A\z
N___
'S 'iiazmq 2 -Jtug «a gt;i!iq -luapaiv: uaqos -sn; aiqon
•s.iapiodfi iaigt;l 8-I«A\Z
•uaAi!qs.iaA\no.ia
fiq lai^ a.n:qiqonjA .xaaz
.lappd
.iapiOA\.I9^SUIj
•Lunnoji
ïaiM -93Z opno
•\Q\V.7. ^ 9ïqoii O •I98Z quot;3
.laaiupnqos iaigt;liaoA\ aA\ni!ia
•uazinqpaaiv
UB A UJOOpOOJI
•uapraq
I9lgt;(.l9TA!H
•puo.i°api9H
•PIJf
ajBAvz
|
O CO 05 Ol Cvl O CC ^ lgt;- GO —r O Ol O O T—f »0 1- lO CO CO -—1 COOl XiO 0 0i-HÖ-tcÓcÓÖÖÖGÓ^H- | ||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||
|
CO Ol - 35 O CO p - p |
|
-O (M Igt;- CO O O lgt;- CO «-H CO o—-p - p OJ ^ -r p co ^vi p | oi p ior-i'öö»o»o-^ööö ! co ö
' O O O »0 CO CC Ol ; iO Oj CO -T O Ol P gt; ö ö có g i có ö ö ö
O o gt;o O I-O I- CO Ol rH rH O O GO O
O CO -t- C5 CC O , X Ol
Ö Ö I lgt;- ö
O p j Ol Ol
|
0 | |
|
rH |
«O |
|
iO |
-t |
|
cS | |
|
co | |
|
'O |
GO |
|
ol |
có |
|
C5 | |
|
O | |
|
co | |
|
»6 | |
|
X | |
|
O | |
|
Ol |
co |
|
ol |
có |
|
X |
-O o
55 H
• 5 « w ^ .Si ^ x S x S ^
^ ^ ^CO ^ CC s P
-O-P ' 2 £ ' s
r?11| J .:|
^ ^ C O
ai
O '
, g amp; .. g .'S ^ ^ o C ^
'k
|
2 | |
|
2 |
Qgt; |
|
O | |
|
quot;rt — |
O |
|
X |
s • • » O 5 _2 « s ^
5 ? § 'S x a G ^ a G x
44S
Tabei, Ua. Samenstelling van rtvierslib volgens Prof. Oudemans1).
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
') C. Lely, Nnla over de uil komsten van de waarnemingen omtrent het slibge-halte der Neilerl. rivieren, zie ook bl. 53. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tabel II?). Samenstelling van rivier- en zeeslib volgens onderzoek
|
aan het proefstation te wageningen 1) en anderen. | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
|
Tabel he. Samenstelling van terpaarde volgens onderzoek aan het proefstation te Wageningen 1). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
») JV. Lb. Ct. 15 Jan. 1887 en Lh. Ct. 5 Dec. 1889. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
449
|
Tabel iiv/. Samenstelling van eenige zandoeruanken van ket Woud-huis , te Apeldoorn, volgens analyses van G. R. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Tabel 11e. Gehalte in procenten van eenige Mergelsoorten aan koolzure kalk (GaCOo), VOLGENS het ppoefstation te WaGENINGEN. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Noord-Holland, Texel 10.0—24.7 reinders, i. Vierde druh. 29 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
450
'S
. c
IJ ^
- -§ 9.
g-o a,
K W #
o gt;
.5gt;
a W
a rH
P-I
|
tc 65 co ïgt;- |
» £ |
amp;c es |
|
O Oh co « c! |
Kappei mil Wo |
s ^ ^ O |
|
di |
3p.nnïUTnp; 119
p.{\'O40ZfI
^ I lO (M
ö I öcio
Ml I I I I I M M I I I II II I I
O «-H CM O
|
jor^r^coxcoocvics . (M CÖ -T Ö Ö O Ö rH | O PUBZ U0 jnnzjazai^i |
IM I I IÖS§5 1 CM CO CM ' C »0 O Ó ÜÓ1C O |
»q cq ^ co co o ei o-i O c cÓcÓi-HajiciÖÖCM'-^: |
•ionTk'T
ua •loomo
q co ie
—' rH c^
I I
o-fr^r^cooocvi-foo | | . | , ^ ö ^ ^ ö io 1 1 ! 1 I
^ I ^ I ^ I ^ I 1
O I O I rgt;- I O I O I
O r- 1~ XK
Ö Ö ^ Ö T
gt; oc 00 gt;.o 5' o ö o o
co O gt;0 -t
.mnz
-pA-BMZ
I I
rH —f gt;0 O (M CM O gt;0 ' OÖr-c^i-HrHOD-^Ö'
CM C^J
nisauujciv
g w
H Q
O 2
O O O -f , d) -T i- co I
!; I I 2:i i 2 I
WW
r- o co
Ö '-H O rH
tïpoc;
CM ö
ipsinOfl
; co o gt;o cq o C5 iq O -H co oi co O c^i -t O O cvi
1 O CÓ -rf có o oi c^i ol »-5 CO rH ol -1H có iÓ CO Ö CÓ ^ ci t-4
— -tOOOCMCOCO-HOCMO ■ . .CO | o co .o-fgt;qo 1-4 t-h' Ö t-h '-H quot; Ö có Ö Ö ! I I ö I t-h igt;- I ió có oi
'OCMOCOCiCOOOOCO | | | | | i^CMCvirH^i-HrHrH-^CÓ I! ! I I 1
i—'i—ICOOCOOOOCOOICMO có o-i 'co Ö - rgt;^ có Ö ö Ö Ö
O l-gt;- 1gt;- o »o »o f— ^ :
. I-HÖÖÖT-HT-4-HCÓÖT
a
O__
-O
r§ cocc- Ocoooigt;c:x rHI^-rflÓOOlOOOÓC
O CO CM CM CM CM -r CM CO CO iC
O _
S CO | O-l ' CM Ol O .
looo^^ö 1
I Ö I Ö Ö Ö rH |
-p -H
t »6 ö n t-( co
.mnz .loqdsoqj
^3
a
-ococqcicocqo^cii^^qo-t-^oqo i 01 co -i; p -f »
rH cvi oi ' '-4 Cvi CO lt;0 Ö rH c^ï t3 irf O »o O ! I:- có iC iÓ '
cvjc^ppiqoqcopoqp có »-ï O o ei —f r-i oi »o o
CM CM CM —! CO CM CO CC
co ( »cï »o co c: có-t'öö^oöö
I I
i I
joisgt;inS
- CO co «q c: p co »q p p p -q' -f -t p 1^; o *gt;q co p iq p cóióco^cóir:gt;Ci-i*öcoigt;^idcicMOÓöoiö--irgt;^oögt;oc:
H G
|
co - CO O Cl ' 0 »0 «-H gt;0 T—i ; 01 Ol CO C I OI ■ jo^s aips -iuvSJO 11 |
io X -t lt; co rgt;- -o I-- O » -r- ooior-.ci—'coi-r |
o co x gt;o Ol -t-O C5 o »o O co gt;o |
cococqpppoip |gt;q O co có c^i rgt;- có co ! |
H
O
O CO »-H x CO CO 1—t r-l iO ïO D-
co cioi
.T0^WA\
lOCO^-tOOOCMCMCOOïOOr^^OOOOOCiC i^- •—i -t C^i »0 »o O CO igt;- — co r - co r- '-i •-!gt;. !gt;. CO !gt;• lgt;- O Igt;- O CO CO O CO C5 CO Ij
0gt;0 00c^00c0-r CÓ cd CO lO --H ló Igt; CM T-l fH
r- C
-4 0
- CU-ti
co rj
- O quot;S 'zjs a, c OH^
•f ^ ^ v*; 5? cS
Oh
co O .
-'S,
co
fl
cö
rt ,
Oh
O) J
Sc s S
. Cu co O . ^3
/- Ti SS
%aS
pH'-j
Oh^:
O r3
2 - ~ zo ?*
Ilil 1
iii
fl
^ O
-rr ~ ~ hr
bp a p ►
c 9
f st c
'i g-J § 5 rt S
i-g cs fll
c quot;2 o 5
] co .O : Cv t-
O
« quot;ë gt; 2 ^-2 ^ ^ ^
CO CO CO CO ^
asp
a o 23 S o ^
^ gt; Oh *3 n w
_ s = .amp; g « s
w H G W a C s:
O)
O o O ©
éi O O O
gt;. 2 £ S o ^ c: C C c s: o o o g ^ ü S o o ^2 rz rz rz rz 2.
C C S G co
^1 O O O O o o agt; agt; o ^
p; pa pq pq (2.
:gt; T' ^
Ó co 5 ,
% Z %
^ gt;.bD \
ai'S.g
9* % :=gt;
O
3 9^
451
o
o 'o c
00 ^ o
. 2 ~r
a
!SI
O a
CL,' W
O W
Ph
CO CM lO ^
Ö Ö rH rH1
i i I I i i i iSSSS
uO O CO | | CO C5 1 (M (M
H rH I I rH O I 00 gt;0 -i ^ CVJ rH
_OJ_
III li I I I I I
|
O gt;0 CO p . | Ö 00 »Ó rH | 1 (M O ^ rH Ö C5 C^I »0 »0 có CM Ö ' |
lO CM O CO . I Ö Ö CM T-H Ö I |
5 O | rH p rgt;- p i CÓ 1 Ovl ci rH |
I | OppCOOOrHOÓrH I I CO CO CÓ CO CO i - cvi -f |
l!§S i ^ I I 1
CO iO CO |
rH CM rH |
I I 1
i3ö I I i li I I IöSö
|
i-H CM |
O CO | O | »0 | CM Ci co . CM Ö I IC 1 ö I ö ö ö i |
Igt;- O O c— co |
Ö CÓ Ö Ö r-: Ö pCOlOCOOO^^rHCM ^ -H Clt;1 Ö rH rH -t Ö O - -f rH 'quot;H |
|
ei O rgt; gt;o | c: oi | co c- . Ör^ÖÖ I Ö Ö I Ö Ö I CM CO »0 »0 Ö O r-^ rH |
«O co o o »o O O co rHÖlÓOÖr-^rHÖ Ol ö |
|
co r Ol O quot;t ^ O O co 5000-^ I rH ,-H CO r-ï GÓ - CM CO Ol lO -t Ol -t CO |
wiOOOdOOCOOr-Ol O ^ tgt;- iÓ O O-i CO O rH -H Ol t—I rH CM X O O Ö rH Ö Ol »o öö |
I | p lO JO tO p p !gt;• p »0 »0 I I rH-f-frHOlÓlÓOCÓcÓ CO CO tO CM CO CO rH |
CO Ci D- CM | CO -t
p , »o I
iO rH xq
O O I O
I Ol | '-J ^ p ^ | gt;^ 1 oi I Ö Ol CM Ö Ö 1 rH
IV CO rH
ö ö ö oi
I I
I I
i I I 1 1 1
Ol
co co cq p | co | co | co .
CO O-l O CM I Ö I Ö I r-ï |
ÖÖÖCÓÖÖÖCM
co
|
!gt;• p co p p p p »q »6 ö rH I ei »o ci có rHCOrHOCOCOT-HCO-—' ______CM______________ |
p rH co jq rH co gt;q »q p ^córHÖ»ócócór^»ocM»o |
I | , CM CO -H |
CO | '~1. | ^ ^ ^ P CO lö I 1-H CÓ CM rH Ö Ö rH |
»0 O P co Ol -H co
I I I
li II li I I
p oi p p Igt;- o to 00 oi p co
CM 00 Igt;^ oó lgt;- tc5 O gt;c
. . O Ci co 1 I -jï to tó r-H »o CO 1^
I | - CO p p p | . .CM I ! Ö rH iO O O I I I ci
I I I I i I I I I
|
o p O O O co co o »o CO »ó oi c5 tó oó o o oó có |
-Op I -t p p p oi -t i có ö gt;ó 16 p cioi O CM rH CM |
p p p co p p p . . »q Ö ci có io »6 gt;ó I I co |
b£) a
w
: o
gt; O I O
; o-
J 8 o
J .5 g C5 lt; g o 'o : -o to c
= k'o, a. S
c
s s
O p •
o 5 rt quot;3
CC
~ c3
15 ^ ^ s;
,2 bf: jl-| J bol i.gm
-g quot;a, LÜ 5 M
ifj ^ l
2 M ■
S quot;rt' feM.
'1 *■ !as;
co ^
e: o
rh
O O O
^ X y ^
3 *5 o j» ■
H
s z-c cl 9^*35 o
s-b;« amp;
g 3.
OJ -3 -g CS Ci fl M ^
g gt; i § quot;ë
M K £ 5 S
V o rt ^
2-tt| S
L- lt;*lt;P
: ^.1
« .Si,
_s a o ga s
■I -Jf
rr1 c 'o
ü a,E2
A § gt;
cc amp;C j
ó a -g ;
! s ^ gt; !PLIgt;Kamp;
o
■ ®
-ilT
rt C CJ cS ^
29*
• O
. q a.
O o
CU
452
Tabel HL (Vervolg).
1 = ^
^ quot;o.
Marcker.
1.7 1.9 0.8
1.8
3.4, 3.1 2.9 5.3 — , 0.2
6. Stassfurler kalimeststoffcn. a. Onzuivere.
Kaïnit......• . . .
Carnallit . ......
Berg-kieserit.......
Sylvinlt.........
h. Gezuiverde chloorhoudemle. Geconcentreerde kalimest Gecalcineerde kalimest . Chloorkalinm.......
1.8 59.3 4.2: 2.1 22.5 7.8 — 44.5 22.5 4.6 12.4 1.1 — 83.5 0.4 i 0.3 14.5
2.0 14.5 12.4 34.6 15.5 12.1 21.5'22.4 11.8 21.5:17.2,26.7 28.3 3.6 1.8 51.3
3.6
0.8112.8 12.4 0.5 9.8: 9.0 1.3 7.5, — 4.2 20.6 12.4
38.3138.0 28.1 27.0 52.7 50.5
25.9 48.6
11.6 50.4 2.2 90.6
0.9 0.4
27.2 49.9
0.6 0.3
1.2
c. Gezuiverde chloorvrije en chloorarme.
Gezuiverde of Patent kali-magnesia Gezuiverde zwavelzure kali. .
-34.0 -1.6 2.7 1.0
Tabel 111«. Pki.izen der jieststoffex volgens Ejol quot;Wolff. (VooEr,). 1. Stikstof. 1 K.G. stikstof kost gemiddeld:
a. in den vorm van ammoniak of salpeterzuur..................52—66 et.
h. in den vorm van gemakkelijk ontleedbare organische verbindingen als bloedmest, vleeschmest, opgeloste guano, dierlijke en menschen-
urine en pondrette ... ........................54—84 ,,
c. in stoffiin gestoomd beenderenmeel, vischguano, oliekoeken en hoorn-
meel ......... . . ..............46-60 „
(I. in ruwe faeces, stalmest, wolstof, ruwe afval van lijmfabrieken en
leerlooierijen, hoornspaanders, wollen lompen en afval van slachterijen 24—45 „
2 Phosphor zuur. 1 K.G. kost gemiddeld:
a. in water oplosbaar, in alle soorten van superphosphaat ... 17—23 „
b. in praecipitaat en in pondrette...... .... . 16—18 „
c. in Thomasmeel in citraat oplosbaar............14—17 „
d. in ruw beendermeel, onopgeloste guano, vleesch- en vischmeel, hout-
asch, stalmest en ruwe faeces ..................8—12 „
c. in onbewerkte phosphaten van allerhande soort en in onbewerkte
afval van fabrieken............ .... (i—7 „
3. Kali Ij 100 K.G. kali kost in guldens in den vorm van:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1) Zie bl. 423. |
453
Tabel IV. Tek berekening vax de uitputting en verrukking
van den grond.
|
Gemiddeld gehalte in k.G. van 1000 k.G. der volgende versche of luchtdroge stollen aan | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
454
|
Namen der stoffen. |
Gemiddeld gehalte in K.G. van 1000 K.G. der volg versche of luchtdroge stoffen aan |
ende | |||||||||
|
Water. |
Asch. |
Stikstof. |
Phosphor-zuur. |
Kalk. |
Magnesia. |
Natron. |
Kiezelzuur. |
Zwavelzuur. |
Chlcor. | ||
|
Groene Maïs..... |
829 |
10.4 |
1.9 |
1.0 |
3.7 |
1.4 |
i.i |
0.5 |
1.9 |
0.3 |
0.5 |
|
Roode Klaver, zeer jong . |
800 |
14.0 |
6.0 |
1.7 |
5.1 |
3.9 |
1.3 |
0.3 |
0.4 |
0.3 |
0.6 |
|
„ „ in knop |
820 |
14.7 |
5.3 |
1.5 |
5.5 |
4.5 |
1.6 |
0.3 |
0.4 |
0.4 |
0.5 |
|
„ „ in bloei. . |
800 |
13.7 |
4.8 |
1.3 |
4.4 |
4.8 |
1.5 |
0.3 |
0.4 |
0.4 |
0.5 |
|
Witte Klaver, in bloei |
805 |
14.3 |
5.0 |
1.8 |
3.1 |
4.3 |
1.4 |
1.0 |
0.6 |
1.1 |
0.6 |
|
Bastaard „ „ „ . |
820 |
8.6 |
5.3 |
0.9 |
2.4 |
2.9 |
1.1 |
0.3 |
0.3 |
0.4 |
0.5 |
|
Inkarnaat „ „ „ . |
815 |
11.3 |
4.3 |
0.8 |
2.6 |
3.6 |
0.7 |
1.0 |
1.8 |
0.3 |
0.4 |
|
Luzerne, begin van bloei . |
740 |
19.2 |
7.2 |
1.0 |
4.5 |
8.5 |
0.9 |
0.3 |
1.8 |
1.1 |
0.6 |
|
Serradella, in bloei . . . |
800 |
19.6 |
4.8 |
2.2 |
7.7 |
4.3 |
0.7 |
0.4 |
1.7 |
0.8 |
0.5 |
|
Spurrie....... |
800 |
13.5 |
3.7 |
2.0 |
4.7 |
2.6 |
1.6 |
1.1 |
0.2 |
0.5 |
1.1 |
|
Hooi van grassen en klavers. | |||||||||||
|
Grashooi....... |
143 |
59.8 |
15.5 |
4.3 |
16.0 |
9.5 |
4.1 |
2.2 |
17.2 |
3.1 |
3.7 |
|
Jonggras en etgroen. . . |
160 |
76.0 |
19.1 |
5.9 |
22.3 |
10.4 |
5.1 |
3.0 19.4 |
4.1 |
4.5 | |
|
Roode klaver, zeer jong . |
1(57 |
82.3 |
35.5 |
10.0 |
29.7 |
23.5 |
7.6 |
1.9 |
2.5 |
1.8 |
3.3 |
|
„ „ in bloei. . |
1(30 |
57.6 |
19.7 |
5.0 |
18.0 |
20.1 |
6.3 |
1.1 |
1.6 |
1.9 |
2.2 |
|
» rijp . . . |
150 |
44.7 |
12.5 |
4.4 |
10.0 |
15.8 |
6.9 |
1.4 |
3.0 |
1.4 |
L3 |
|
Witte klaver..... |
165 |
61.1 |
23.2 |
7.8 |
13.1 |
18.4 |
5.8 |
4.4 |
2.7 |
4.5 |
2.6 |
|
Bastaard klaver .... |
160 |
40.0 |
24.0 |
4.1 |
11.1 |
13.6 |
5.0 |
1.2 |
1.6 |
1.6 |
2 2 |
|
Inkarnaat klaver .... |
167 |
50.7 |
19.5 |
3.0 |
11.7 |
16.0 |
3.1 |
4.3 |
8.2 |
1.3 |
1.8 |
|
Luzerne, begin van bloei . |
160 |
62.0 |
23.0 |
5.3 |
14.6 |
25.2 |
3.1 |
1.1 |
5.9 |
3.6 |
1.9 |
|
Serradella...... |
167 |
81.6 |
21.6 |
9.1 |
31.9 |
18.2 |
2.8 |
1.7 |
7.0 |
3.1 |
2.1 |
|
Spurrie....... |
167 |
56.3 |
19.2 |
8.3 |
19.7 |
10.8 |
6.8 |
4.5 |
0.8 |
1.914.4 | |
|
Slroo. | |||||||||||
|
Wintertarwe..... |
143 |
46.0 |
4.8 |
2.2 |
6.3 |
2.7 |
1.1 |
0.6131.0 |
1.1! 0.8 | ||
|
Zomertarwe...... |
143 |
48.1 |
5.6 |
2.0 |
11.0 |
2.6 |
0.9 |
1.0 |
18.2 |
1.2 |
0.8 |
|
Winterrogge..... |
143 |
38.2 |
4.0 |
2.5 |
8.6 |
3.1 |
1.2 |
0.7 |
18.8 |
1.6'0.8 | |
|
Zomergerst...... |
143 |
45.9 |
6.4 |
1.9 |
10.7 |
3.3 |
1.2 |
1.6 23.4 |
1.8 |
1.5 | |
|
Haver..... |
143 |
61.6 |
5.0 |
2.8 |
16.3 |
4.3 |
2.3 |
2.0'28.8 |
2.0 2.7 | ||
|
Boekweit....... |
160 |
51.7 |
13.0 |
0.1 |
24.2 |
9.5 |
1.9 |
1.1 |
2.9 |
2.7 |
4.1 |
|
I'aardeboonen ..... |
160 |
44.9 |
10.3 |
2.9 |
19.4 |
12.0 |
2.6 |
0.8: 3.2 |
1.8 |
2.0 | |
|
Erwten....... |
160 |
43.1 |
10.4 |
3.5 |
9.9 |
15.9 |
3.5 |
1.8 |
2.9 |
2.7 |
2.3 |
|
Kaf, naalden, doppen, enz. | |||||||||||
|
Wintertarwe..... |
143 |
92.0 |
7.2 |
4.0 |
8.4 |
1.7 |
1.2 |
1.7 |
74.7 |
— |
_ |
|
Winterrogge..... |
143 |
82.7 |
5.8 |
5.6 |
5.2 |
3.5 |
1.1 |
0.3 60.4 |
0.1 |
0.4 | |
|
Geratnaalden..... |
143 |
118.0 |
4.8 |
2.4 |
9.3 |
12.5 |
1.5 |
1.1'85.6 |
3.6 0.8 | ||
|
Haver........ |
143 |
71.2 |
0.4 |
1.3 |
4.5 |
4.0 |
1.5 |
2.9 |
50.4 |
3.5 |
0.8 |
|
Koolzaad . . . |
140 |
70.1 |
0.4 |
3.7 |
9.5 |
35.1 |
5.8 |
3.0 |
0.8 |
6.4 3.5 | |
|
Vlas, Zaadknoppen . . . |
116 |
53.9 |
5.0 |
4.5 |
15.0 |
15.6 |
3.3 |
3.0 4.5 |
3.8 |
4.1 | |
|
JBladercn, loof enz. van wor | |||||||||||
|
telgewassen. | |||||||||||
|
Mangelwortels . . |
!J05 |
14.0 |
3.0 |
1.0 |
4.5 |
1.6 |
1.4 |
2.8 |
0.5 |
0.8 |
2.3 |
|
Suikerbieten..... |
807 |
15.3 |
3.0 |
0.7 |
4.0 |
3.1 |
1.7 |
2.0 |
1.6 |
0.8 |
1.3 |
|
Turnips....... |
898 |
11.9 |
3.0 |
0.9 |
2.8 |
3.9 |
0.5 |
1.1 |
0.5 |
1.1 |
1.2 |
|
Wortelen...... |
822 |
23.9 |
5.1 |
1.0 |
2.9 |
7.9 |
0.8 |
4.7 |
2.4 |
1.8 |
2.4 |
|
Knolrapen...... |
884 |
19.0 |
3.4 |
2.0 |
2.8 |
6.5 |
0.8 |
0.8 |
2.1 |
2.3 |
1.5 |
|
Boerenkool, blad .... |
865 |
12.0 |
3.4 |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
„ stengel . . . |
803 |
9.0 |
2.0 |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
Mergkool, blad .... |
870 |
16.0 |
4.0 | ||||||||
|
„ stengel . . |
870 |
13.0 |
2.0 |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
Kabuiskool, sluitkool |
890 |
15.6 |
2.4 |
1.4 |
5.8 |
2.8 |
0.6 |
1.5 |
0.1 |
2.4 |
1.3 |
|
Strooisel. | |||||||||||
|
Riet........ |
180 |
33.5 |
— |
1.8 |
6.0 |
2.7 |
0.9 |
0.2 |
20.0 |
O 00 |
1.2 |
455
|
Namen der stoffen. |
Gemiddeld gehalte in K.G. van 1000 K.G. der volg versche of luchtdroge stoffen aan |
ende | |||||||||
|
O |
Asch. |
0 1 ! ■r. 1 |
Phosphor-zuur. |
« ! ^ i |
Kalk. |
*53 O) bo |
Natron. |
[•J •3 .SH |
Zwavelzuur. |
Chloor. | |
|
140.7 |
4.2 |
17.7 |
20.9 |
12.5 |
31.0 |
2.9 |
34.7 |
24.2 | |||
|
Heide....... |
200 |
10.0 |
10.0 |
1.1 |
2.1 |
3.6 |
1.0 |
1.1 |
4.3 |
0.7 |
0.4 |
|
250 |
20.0 |
— |
1.6 |
3.4 |
2.9 |
1.3 |
1.4 |
5.5 |
1.1 |
0.7 | |
|
Beukenbladen..... |
140 |
40.7 |
10.0 |
2.4 |
2.3 |
21.2 |
3.1 |
0.5 |
14.5 |
1.0 |
— |
|
Eikenbladen..... |
140 |
40.1 |
10.0 |
2.0 |
3.5 |
17.1 |
4.3 |
1.3 |
15.4 |
0.9 |
— |
|
ByproduHen van fabrieken. | |||||||||||
|
Perspulpe...... |
700 |
11.1 |
2.9 |
1.1 |
3.8 |
2.5 |
0.7 |
0.9 |
0.9 |
0.4 |
0.4 |
|
Diffusiepulpe..... |
948 |
3.3 |
0.8 |
0.2 |
0.3 |
1.1 |
0.2 |
0.1 |
0.7 |
0.1 |
0.1 |
|
Aardappelvezelstof |
850 |
1.1 |
1.3 |
0 3 |
0.2 |
0.5 |
0.1 |
—. |
— |
— |
— |
|
Eestmout...... |
75 |
25.0 |
10.0 |
9.3 |
4.4 |
1.0 |
2.2 |
— |
8.5 |
— |
_ |
|
Versche mout..... |
455 |
14.0 |
10.4 |
5.3 |
2.5 |
0.5 |
1.2 |
— |
4.8 |
— |
_ |
|
Moutkieiuen..... |
80 |
07.0 |
30.8 |
18.2 |
20.8 |
1.9 |
1.9 |
1.2 |
14.9 |
2.7 |
4.7 |
|
Bierdraf....... |
7(50 |
10.0 |
7.8 |
3.9 |
0.4 |
1.5 |
1.1 |
0.1 |
3.5 |
— |
— |
|
Aardappelspoeling |
Ü30 |
0.0 |
2.1 |
1.3 |
3.0 |
0.1 |
0.6 |
0.5 |
0.2 |
0.5 |
(1,2 |
|
Tarwezemels..... |
131 |
53.5 |
22.4 |
20.9 |
15.3 |
1.5 |
9.0 |
0.3 |
0.2 |
— |
— |
|
Roggezemels..... |
125 |
71.9 |
23.2 |
34.4 |
19.4 |
2.1 |
11.4 |
0.5 |
1.4 |
— |
— |
|
Gerstzemels...... |
120 |
49.5 |
17.0 |
9.1 |
8.3 |
1.9 |
3.1 |
0.7 |
0.3 |
0.3 |
— |
|
Haverdoppen..... |
140 |
34.7 |
4.3 |
1.6 |
4.9 |
1.4 |
1.0 |
0.3 |
24.1 |
0.9 |
0.6 |
|
Boekweitdoppen .... |
140 |
29.8 |
27.2 |
10.7 |
9.7 |
2.9 |
4.0 |
0.0 |
23.2 |
1.3 |
0.5 |
|
Rijstvoedermeel .... |
100 |
54.7 |
19! 1 |
23.8 |
0.1 |
1.2 |
9.5 |
0.2 |
0.0 |
0.9 |
— |
|
Tarweblom...... |
130 |
4.4 |
18.9 |
2.2 |
1.5 |
0.3 |
0.4 |
0.0 |
— |
— |
— |
|
Tarwemeel...... |
120 |
11.2 |
21.6 |
5.0 |
3.5 |
0.0 |
1.4 |
0.1 |
— |
— |
_ |
|
Roggemeel...... |
142 |
10.9 |
10.8 |
8.2 |
6 5 |
0.2 |
1.4 |
0.3 |
— |
_ |
_ |
|
Maïsmeel...... |
140 |
5.9 |
16.0 |
2.7 |
1.7 |
0.4 |
0.9 |
0.2 |
— |
— |
_ |
|
Gerstemeel...... |
140 |
20.0 |
16.0 |
9.5 |
5.8 |
0.0 |
2.7 |
0.5 |
— |
— |
■— |
|
Raapkoeken..... |
113 |
57.0 |
50.5 |
20.0 |
13.0 |
7.1 |
7.3 |
1.9 |
2.9 |
3.4 |
0.4 |
|
Lijnkoeken...... |
122 |
51.3 |
47.2 |
16.2 |
12.5 |
4.3 |
8.1 |
0.8 |
6.4 |
1.7 |
0.4 |
|
Maanzaadkoeken .... |
115 |
77.4 |
51.0 |
31.7 |
2.3 |
27.1 |
6.2 |
2.3 |
5.6 |
1.9 |
0.5 |
|
Olijfoliekoeken..... |
138 |
27.8 |
59.0 |
2.5 |
7.9 |
0.1 |
0.3 |
1.9 |
■i.O |
1.2 |
0.2 |
|
Zonnebloempitkoek . |
103 |
49.7 |
59.7 |
21.3 |
11.7 |
5.4 |
8.1 |
— |
0.3 |
1.0 |
0.3 |
|
Sesamkoeken..... |
UI |
93.8 |
58.0 |
32.7 |
14.5 |
25.1 |
12.8 |
3.5 |
0.9 |
1.7 |
0.6 |
|
Aardnotenkoeken .... |
104 |
39.7 |
75.0 |
13.1 |
15.0 |
1.6 |
5.2 |
0.9 |
1.2 |
0.9 |
0.9 |
|
Palmpittenkoeken .... |
100 |
20.1 |
25.9 |
11.0 |
5.0 |
3.1 |
4.5 |
0.2 |
0.8 |
0.5 |
— |
|
Kokosnotenkoeken |
127 |
53.3 |
37.4 |
13.0 |
19.6 |
5.5 |
3.0 |
1.5 |
1.8 |
1.8 |
0.2 |
|
Koeken van geschild ka | |||||||||||
|
toenzaad ...... |
112 |
00.4 |
02.1 |
30.5 |
15.8 |
2.9 |
10.1 |
— |
5.5 |
0.8 |
— |
|
Kapokkoeken..... |
133 |
05.2 |
42.1 |
18.0 |
16.0 |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
Dierlijke prndukten. | |||||||||||
|
Koemelk....... |
875 |
7.2 |
5.4 |
2.0 |
1.7 |
1.7 |
0.2 |
0.4 |
_ |
0.1 |
1.0 |
|
480 |
08.4 |
52.3 |
9.4 |
1.7 |
3.3 |
— |
31 3 |
— |
— |
30.1 | |
|
Ossenbloed...... |
790 |
7.9 |
32.0 |
0.4 |
0.1 |
0.6 |
— |
quot;3! 6 |
0.1 |
0.2 |
2.7 |
|
Vleesch van zoogdieren . |
703 |
10.2 |
35.2 |
4.2 |
3.8 |
0.3 |
0.3 |
1.0 |
0.1 |
0.1 |
0.5 |
|
Kippeneieren zonder schaal |
737 |
9.2 |
20.0 |
3.5 |
1.0 |
1.0 |
0.1 |
2.1 |
— |
— |
0.8 |
|
Levende os...... |
597 |
40.0 |
26.0 |
18.0 |
1.7 |
20.8 |
0.6 |
1-4 |
0.1 |
.—. |
2.8 |
|
kalf..... |
060 |
38.0 |
25.0 |
13.8 |
2.4 |
16.3 |
0.5 |
0.1 |
— |
3.0 | |
|
„ varkon .... |
528 |
21.0 |
20.0 |
8.8 |
1.8 |
9.2 |
0.4 |
0/2 |
— |
1.2 | |
|
Wol........ |
150 |
70.8 |
54.0 |
0.7 |
56.2 |
1.8 |
0.4 |
3.0 |
2.0 |
3.4 |
0 •gt; |
|
Meikever, versoh .... |
704 |
13.4 |
30.1 |
5.0 |
5.0 |
0.4 |
l.l |
0.8 |
0.2 |
0.2 |
— |
455«
IO tO Igt;- 00 O
5 —' 00 5 'M 00 gt; CO O
•puujjapo^
lO
»o
OJ
|
!gt;• |
- |
X to ' O |
co - Cï |
co |
X | |
|
O |
co O — 1 - |
X |
Ol | |||
|
O |
»o |
O ' O C5 |
»0 X CM |
O |
CM | |
|
!gt;• |
C5 |
O O O D- |
CO ^ lO |
f—i |
X |
CM |
|
C5 |
X |
CO Ol CO 1 - |
-f to X |
co | ||
|
gt;o |
X ^ |
I - Ic
Id '
x -* :
? TM CM 5 CM tO
X -f
CM
linqmrj
L— I - O I--quot;T ' CO CO Ci
fM fM -T^ —' ro O ^ CO CO X
to CO O • - O —' CM
|
tO —' CM O C CM to —. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
O co | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
•juuqtf.itf -P-IOOK
O
X
(M to ■ to c-i ; r.si CM '
•puBjaa^
l - CM X O O «c -t CO CO CO t-H CM O-l gt;0 CO O 1^ f—I O CO lO »o ^ CM co to ^ co
CM X
CM CM
) O to
^ O
•pntJHOH-PPZ
. O . -Q
Sc 5
-O
—N C
!-§ c: o
-2 gt;■* ■£■
■ S '3 0 S E s
• b£i*S ^ — tt rz Z)
■ c -0
lt; O
lt; K
r c
|
C O O -O b£ a p 53 S O . -2 .=3 £ £ rr-quot; i-. _ O o | |||||||||||||||||||||||
tc ~
s^i
P -O
^:E_i| 5
O t- S O Ï-'
-c s 5 P___
O
£= _fcp O
9 1) 01
I §1
co 2
quot;Soquot;?
-„5- - quot;c ^ O : Ö § Q gt;C H s;
ir? -o cö
a
a» c
I ^
'o *2
2 c c s c =
^ Cj 1__I CJ quot;quot;Tquot;
co -
|
O -gt;1 c -t T CM quot; | |||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||
|
' p | |||||||||||||||||||||
|
— ci ■quot;C Ch . O quot;p-e S- «5 t. - w u, cs •- ic^; fcc^s ^ a s s i i|g -r K5 ^ K K |
|
40;quot;)/)
X CM O O
od 10 :r x
O O O O O O c5quot; r-
co
oo oT
•pin?[.iDpoN^
o -f co cc
O O w O
O: T-l
zo co
«.inqrarj
O CO (M CO O
r ^ cvi O i - OJ
O -f O O ^
co ö
ZD CO O
»o O
•ïn^qiï -pjoo^[
C5 OJ I— O
o go o ir:
—* quot;M lgt;- iO
co o gt;o O CO O cv? O cT ZD
O O O O
•punpo^
iO O
— -to
CO co co co O -f O? -
(M O
PnBll0Hquot;PInZ
•piIBIIOH
-pjoo^j
O -H
O ZD
OJ
co
•jipo.n^
O O — co
|
O O |
C5 |
X |
co | |
|
O |
Ci co |
CM |
co |
lO |
|
Ol |
r-1 CM |
—t1 |
o |
Ol O
gt;o 00 -T o
r: oi
O (M O O
•pUT3{.I0p[0f)
CD
o co
O iO O
•psfuiOAQ
CD O O iO
O-I Ci CO 00 —- O O O O O X CO —1 co
O O
O O
•f))U0.IQ
X lO Ol CO o »o
o io
CM
O O O co
O O O -ƒ
C2 -t O
O O
CM O I-
co O
•pillïJSOU^
O
co X X co
CO I - -J- -f
cT oquot; I-T r-T
X
co ^ co co
~ Ol
— (M —1 O O O
•uo8uiuo.i|)
o 2
•— ,_^ Cfl ^
quot;o — p
ïP -2
O O
pq
i: ^ ^ W
|
bO O *s O O ^ s •- o |
CO I^ X Ci O
AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN.
Moeilijkheden van technischen aard waren oorzaak dat in tabel IT liij sulfaten, chloriden en zwavelijzer (pyriet) niet gevoegd werd: Bestanddeelen die spoedig uitgespoeld worden.
Als litteratuur voor de kennis van het opnemen van stikstof door de planten en van groenbemesting, bl. 207 en 415, kon nog vermeld worden: P. R. en I'. .1. Mansholt, Dc Stiksiofooeding der Leyuminoscn.
Over het vernietigen van schadelijke dieren en het voorkomen van plantenziekten zal meer opzettelijk in Deel II gehandeld worden. Bij de periodische bewerkingen en de behandeling der stoppelvelden, bl. 320 en 368, had nog bepaald vermeld kunnen worden, dat ook daarbij op het vernietigen van insecten het oog gevestigd kan zijn. Zie Landbouwkundig Tijdschrift, 18i)8.
Bij de behandeling der menschelijke uitwerpselen, bl. 397 en volg., had nog gevoegd kunnen worden, dat voor hel ontsmetten het bijvoegen van zwavelzuur koper, zwavelzuur zink, lysol of dergelijke ontsmettingsmiddelen soms noodig kan zijn. In België is daarvoor aanbevolen als het minst kostbaar en in die hoeveelheid niet schadelijk voorde planten; 1 KG. zwavelzuur zink op 1 M3 faecaliën ('Ime Congres inlrmntinnal d'Agncullure, Rapports prc'liminaires, p. 376).
Op bl. 205 kon gezegd worden, dat op kali-arme gronden de soda het kali voor een deel kan vervangen en op bl. 432 dat op grond daarvan chilisalpeter ook daarom soms een beter resultaat kan geven als zwavelzure ammoniak. Voor eene vergelijking van deze twee meststoffen zij verder verwezen naar een belangrijk opstel van Warrington Jonm. of the Royal Agric. Soc. WHO, p. HO O.
Bij de prijzen der meststoffen, bl. 420, kan nog worden gevoegd, dat door de proefstations is aangenomen dat, wanneer de waarde van 1 K.G. stikstof 100 bedraagt, die van
in 1900 in 1901 1 K.G. in water oplosbaar phosphorzunr is 33 31
1 „ „ mineraalznur „ „ ,, 21 20
|
MEN GELIEVE VOORTS TE LEZEN; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ALPHABETICCH REG 1STER.
|
Aangespoelde gronden ö. Aanslibbingen 51, 58. Aar 159. Aargrassen 102. Absorptie v. gasaen 259. Absorptie v. warmtestralen 250. Absorptievermogen 277. Aemé-egge 3'li. Aequatoriale stroom 83. Aetherische oliën 177. Afgespoelde gronden 0'. Aflandige winden 56. Afleggen 223. Afslag der kust 50. Afsmelting v. h. landijs 43. Afwijkingen, 74, 79, 87. Afwisseling v. temp. 72. Akkerbouw 3. Akkersleep 300. Akkers 344. Albit 238. Alkalische reactie 207, 380, 390. Alcaloïden 181. Algemeene verbeteringen v. gronden 292. ,, ,, van ontgonnen gronden 310. Alluviale gronden 7. Alluviale vormingen 45. Aluminium-element 112, 115. „ bestandd. der gesteenten 238. „ „ van grond 238. „ „ „ klei 115,239. Amidozuren 181. Ammoniak-samenst. 113. „ in de lueht 03. „ „ regenwater 118. „ „ veestallen enz. 388. Ammoniak-superphosphaat 422. Ammouiakzouten 113, 207, 421. Amygdalin 181. Anatomie d. planten 130. Anemometer 82. Anorthit 238. A. P. Amsterd. peil 131. Apatit 419, 450. Appelvrucht 107. |
Appelzuur 175. Arbeid 290. Arbeidsvermogen 290. Arendploeg 331. Arme gronden 243. Artesische putten 122. Asch d. planten 1(58. Aschbestanddeelen 182. Asparagin 181, 198. Assimilatie 208, 213. Angiet 31, 238. Augietgronden 0. Avondrood 10:!. Balansploeg 331, 341. Banken 228, 319. Bankwolk 105. Barometer 77. ,, afwijkingen 79, 81. „ standen 78, 79. „ waarnemingen 77, 82. Bastaard 277. Bearbeidingsmethoden 300. Bebouwde gronden 38. Bedektbl. planten 140. Bedektzadigen 139. Beekbergerwoud 50 , 309. Beekbezinkingen 7, 20. Beekduinen 27. Beenderen 411. Beenderkool 413, 450. Beenderenmeel 412, 450. Beerputten 402. Behandeling der stoppelvelden 308. Beitelegge 348, 358. Bekalkingsmethode 310. Belten 9. Bemestingsleer 273. Besvrucht 107. Bevloeien 445. Bevriezen d. planten 221. Bevruchting 193, 224. „ door insekten 225. Biealoiuni-phosphaat 279, 420. Biezen 57. Bindseltje 151. |
-158
|
Bijmanen 103. Bijtende kalk of gebluschte kalk llü, 311, '425. Bijzonnen 103. Biotit 238. Bittenvateren 128. Bladen 149. „ enkelv. 14!). „ samengestelde 140. „ dikke 151. Bladgroen 177, 213. Bladgroenh. planten 03, 208. Bladknoppen 148. „ ateel 149. „ scheede 150. „ schijf 149. Blauwe klei 19, 318. Bleizand 284. Bloeiwijze 149, 15(i. Bloem 151. „ kolk 152. „ knoppen 148. ,, kroon 152. „ tuil 159. Blijvende weefsels 187. Blokleem 312. Bodembloemigen 152. Boekengrond 313. Bonkaarde 9, 312. Boogas-ploeg 335. Bosschen 14, 38, 50, 7J , 94, 304, 308. Boulder-clay 32. Bouwgrond 4, 231. Bouwlaag 4, 231. Bouwmateriaal 214. Bouwvoor 231. Bouw v. d. Maden 193. „ ,, „ stengel 191. „ „ „ vruchten 193. „ „ „ wortel 193. „ „ „ zaden 193. Brabantsche ploeg 33(): Braken 36(i. Branden v. heidevelden 305. „ „ den grond 319. „ „ veen 309. Breedte lt;1. ploegvoor 342. Broeken 12, 27. Broekgronden 309. Bromiden 113. Bromium-element in zouten 113. Bronwater 118. Brucine 182. Buitengronden 303. Buizenboor 300. Caffeine 182. Calcium-element 112. „ bestanddeel v. kalk 1 KJ. ,, ,, „ kalkzouten 113. „ „ ,, d. grond 2B2. |
Calcium noodig v. d. planten 205. „ „ in den grond 205. Cambium 187, 191. Cambiumlaag 190, 191, 215. Cambridge-rol 354. Capaciteit v. water 232, 253. Capillariteit 111. Capillair-opzuigingsvermogen 233. Carbonaten — zie koolzure zouten. Carnallit 422, 452. Celinhoud 18(). Cellen 18U. Cellulose 169. Celstof 169. Cehvand 180. Chilisalpeter 209, 279, 421, 451. Chloor-element 112. „ bestandd. v. zouten 113. „ „ v. d. grond 201. „ „ ,, ,, planten 203. _ „ „ „ „ meststoffen 450. Chloornatrium-samenst. 113. „ bestandd. v. d. dampkring 63. „ „ water 119, 121, 120. „ „ „ d. grond 20, 2lil. _ „ „ „ „ meststoffen 422,45 „ als mest 425. Chlorophyll 177. Citraat 420, 421. Citroenzuur 170. Citroenz. ammonia 420, 421. Coleorhiza 138. Composthoop 408. „ mest 450. Condensatievermogen 253. Coniine 181. Conserveering v. stalmest 384. Conserve eringsmiddelen 390. Coprolithen 419, 451. Copuleeren 223. Croskill-rol 354. Cultivator 350, 302. Dagelijksche afwijkingen 73, 78. Dalgronden 8. Damontginning 313. Dampkring 00. Darg 10, 12. Dauw 92. Dauwvorming 93. Deep-tillage 371. Deere's ploeg 329. Delfstoffelijke mest 410. Dénitrifatie 270, 38(), 392, 432. Dépotoirs 404. Depressie 82. Derrie 10, 12. Dextrinase 180. Dextrine 173. Dextrose 173. Diastase 180. Diatomeën-aarde of -klei 20, 28. Dichogame bloem 225. |
4.™
|
Diepbewerken v. d. grond 371. Diepgang der eg 34(i. Diepploegen 308 , 332 , 342 , 359 , 371. Diepte der ploegvoor 342. Dierlijke mest 375. Diluviale gronden 7, 20. „ vormingen 43. Dynamometer 290. Dioriet 31. Directe meststoffen 374, 375. Doel der bemesting 373. „ „ grondbewerking 289. Doorwassen 217. Doosvrucht 164. Dopvrucht 165. Draiueeren 296. Draineerhaak 301. Draineerplan 297. Drei gestrenge Herren 74. Driedeelige rol 353. Driesland 33. Drijftillen 49. Drinkwater 129. Drogende oliën 176. Drömling 313. Droogmaken 292. Droogte v. ,d. grond 24S. Drukking der lucht 64, 77. Duinen 7, 23, 25, 27, 29. Duinpannen 23. Duinvorming 47. Duizendblad 5. Duur d. werking v. d. mest 433. Eaux vannes 405, 421. Ebbe 132. Ebbestand 55. Ebstroom 55. Eekert's ploegen 335. Eénbroederigen 155. Eénhuizige planten 158. Eénmanteligen 153. Eénslachtige planten 158. Eénzaadlobbige planten 139, 155, 189. Egge 344. Eggesoorten 350. Egge v. Valcourt 345. Egtanden 347, 357. Eicellen 193, 224. Eierstok 156. Eihuid 193, 224. Eigenschappen v. d. dampkring 60. » ,i „ grond 243. „ „ het water 110. Eiwitstoffen 178. „ v. d. granen 179. Electrische verschijnselen 99. Enkelvoudige bladen 150. „ werktuigen 291. Enten 223. Erfelijkheid 228. Extirpator 356. |
Faecaalextract 405. Faecaalguano 406. Faecaliën 399. Figuurploegen 344. Fijnaarde 235 Fijnere deelen v. d. grond 235. Flikkeren der sterren 10.3. Flins 28. Flinten 29. Flora 5. Fluor 112 , 450. Gaar 277. Gaastgronden 34. Ganzevoet 57. Gaskalk 425, 451. Gaswater 421 , 451. Gassen 117. Gebluschte kalk 116, 425. Gebroken vurg 343. I Gebruik der gronden 36. „ v. kunstmest 428. „ „ stalmest 427, 431. Geconcentreerde meststoffen 375. Geestgronden 34. Gelaagd gem. diluvium 44. Gelede egge 349. Geleiding v. warmte 250. Gelijktijdige waarnemingen 82. Gemengd diluvium 31. Gemengde gronden 32. „ knoppen 148. Gepraec. phosphorz. kalk 413, 450. Geschiebe-lehm 32. Geschiedenis v. d. landbouw 2. : Geslachtlooze bloemen 158. Gestoomd beendevenmpcl 413, 451. ; Gier 384, 397, 450. Gierkar 439. (Jierpomp 439. 1 Gierput 439. Gips 114 , 425 , 451. Gisting 174. Gistingverschijuseleu 274. Gletschers 39. Gletscherbeek 40. Glimmer (i. Glimmerlei 31. „ jilaatjes 238. „ schiefer 31. Gneiss 31. Goed drinkwater 130. Gom 173. Graanvrucht 166. Gradiënt 82. Graniet 31. Grintdflnvium 30. Groeidagen 220. Groenbemesting 115. Grondbewerking 279. |
400
|
Gronden eigenschappen 243. „ ontstaan 7, 39. „ rangschikking 285. „ samenstelling 232. Grondverbeteringen 289. Grondwoeler 359, 372. Groninger ploeg 341. Grovere deelen v. d. grond 235. Grubber 356. Guanosoorten 410, 451. Haardasch 424, 451. Haff 47. Halve braak 307. Hardheidsgraden 128. Hauw 165. Hauwtje 165. Hardheid v. water 127. Hechtwortels 143. Heibanen 26. Heideontginning 304. Heidevelden 34. Heidelberger tonnen 400. Helderheid d. lucht 104. Heliotropisme 218. Helmbindsel 153. „ draad 153. „ knopje 153. Herfstbraak 367. Hoeveelheid regen 93. „ slib der rivieren 53. „ sneeuw en hagel 98. „ stalmest 383. „ stoppels 414. Hondsrug 18. Honigbakjes 157. „ kliertjes 157. Hoofdraeststoffen 375. Hoofdwortel 140. Hoogste barometerst. 80. „ temperaturen 75. Hoogte v. d. bodem 133. Hoogveen 7, 8, 309. Hooiland 37. Hoornblende 31, 238. Hoornblendegronden 6. Houtcellen 184. „ vaten 184. Howards eggen 348. „ grubber 356. „ ploegen 325. Huidraondjes 188. Hulpmeststoffen 375. Humaten 233, 240. Humnsstoffen 208, 242. Humuszuren 233. Humnszure zouten 234. Hypocotyl-lid 137. Ijsbergen 41. |
Ijzer-element 112. „ bestandd. v. d. grond 263. „ „ van zouten 113. „ „ „ gesteenten 52. „ noodig voor de planten 177, 205. Ijzer als grondstof v. d. ploeg 338. Indirecte meststoffen 373, 424. Indijken 292. Inklinking 298. Inulin 173. Invloed v. d. maan op het weer 107. Invloed van het klimaat op planten en dieren 59,. Invloed v. zouten op den grond 246, 278. „ „ regenwormen op den grond 249. „ „ vorst „ „ _ 248. „ ,, afwisselende vochtigheid en droogte op den grond 248. Invloed van planten op de vochtigheid van den grond 256. Inwendig kiemwit 139, 193. Inwijken 312. lodiden 113. lodinm-element 112. ,, bestandd. v. h. zeewater 126. „ als herkenningsmiddel 172, 180. Isobaren 82. Jaarlijksche afwisselingen 78. Jaarringen 191. St. .Jakobsbraak 267. Kaïniet 422. 431, 452. Kali ~ Potasch 113. „ bestanddeel v. d. plantenasch 182. „ „ „ „ grond 262, 447. „ „ „ meststoffen 451, 452. Kalimest 422, 452. Kalium-element 112. „ bestanddeel v. d. grond 240, 201. „ „ van mineralen 243, 422. „ „ „ zouten 113, 114. Kilium noodig v. d. planten 205. „ „ in den grond 261. Kalk samenstelling 113. ,, bestanddeel d. plantenasch 182. ,, „ v. d. grond 262. „ „ „ gesteenten 6. „ „ mergel 32. „ „ water 121, 127. „ „ zouten 113, 114. „ der sodafabrieken 425. Kalkgronden 6. Karploeg 333, 341. Katten 9. Keegen 21. Kegel 159. Keien 29. Kei mergel 32. |
401
|
Kelk 152. Kelkbloemigen 152. Kettingegge 349. Keukenzout, zie chloornatrium. Kiemwit 193. „ houdende zaden 139, 193. Kiezel m silicium-element 112. „ bestandd. v. kiezelzuur 114. „ „ „ zouten 114, 115. „ „ „ d. grond 238, 2U4. Kiezelzuur-samenstelling 114. „ bestanddeel v. d. grond 238, 204. Kiezelz. bestanddeel v. plantenasch 182. Kiezelzure zouten — zie silicaten. Klassificatie der gronden 285. Klauwieren 151. Klei samenstelling 239. „ best. v. d. grond 242. „ als mest 38(5. „ gronden 286. Kleine ijzer 324. Kleur der lucht 103. Klijnlanden 12. Klimaat 59. Klisters 148, 233. Kluitenbreker 355. Knik 18, 288, 319. Knip 18, 288, 319. Knollen 147. Knoppen 148. Koemest 384. Koolraap b. d. grond 147. Koolzuur samenst. (il, 113. „ als voedsel v. d. plant 207. „ in den dampkring (il. „ „ „ grond «2, 235, 259, 201, 202. Koolzuur in water ] 17. Koolzure kalk 33, 232, 239, 425, 449. Koolzure zouten 113. Koper 200. Kouter 324. Krachten 290. Krachtmeter 290. Kransen om zon en maan 102. Kringen „ „ „ „ 102. Krijtgesteente 31. Krijttuf 35. Kromme tanden 348. Kroon 143. Kroonbloemigen 153. Kroonwortels 143. Kruimelaar 358. Kruisbloemigen 153. Krümmer 358. Kunstgom 173. Kunstmatige bevruchting 220. Kunstmeststoffen 374. Kunstmestbrekers 437. Kunstmeststrooiers 437. Kwarts 6, 238, 243, 204. Kwartsgronden (i. Kweekegge 350. Kweeking v. planten 130. |
Kweldergras 57. Kwelders 21, 38. Laacke's egge 347. Laagvoen 7, 9. Laagste barometerstand 80. „ temperatuur 75. Labrador 238. Laevulose 174. Landbouwkunde 2. Landbouwwerktuigen 289, 323. Landijsvormingen 43. Landzijde 327. Ledigen der secreetputten 407. Leem 31, 32 , 247. Leembeddingen 29, 32. Leemgronden 280. Legeren v. graan 218. Lenticellen 189. Lepelegge 358. Levensverschijnselen d. planten 194. Licht 101. „ invloed op de verdamping 217. „ „ „ den plantengroei 218. „ „ „ het ontkiemen 201. Lichtverschijnselen 101. Lidteekenweefsel 188, 22.3. Limburgsche klei 30. Lijmkalk 379. Lipbloemigen 153. Lithium 200. Looizuur 170. Löss 30, 33. Lostage 138. Lucht in den grond enz. 02. „ noodig in den bodem 198, 202, 206, 270. Lucht noodig v. menschen en dieren OU. „ „ „ het ontkiemen enz. 108. Luchtvaten 187. Luchtwortels 143. Maal peil 134. Maan. Invloed op het weer 107. Maasdiluvium 31. Magnesium-element 112. „ noodig v. d. planten 205. „ „ in den grond 203. „ zouten 113, 114. Magnesia-samenstelling 113. „ bestandd. d. plantenasch 182. „ „ v. gesteenten 238. „ ,, v. d. grond 203. „ „ v. water 121 , 120. „ „ v. mest enz. 422, 452. Maibolt 19. Maltase 108. Mammonth 31. Mannelijke bloemen 158. Mangaan 112, 200. |
462
|
Markasiet 285. Marken 34. Markenwet 34. Maximum v. drukking 88. Meedelanden 18. Meeldraden 152, 155. Meelzand 32, 237. Meermol m 14. Meerwater 120. Melksap 181. Melksapvaten 187, 28(i. Merg 190. Mergstralen 190. Mergel 33 , 284 , 425 , 433 , 449. Mergelgronden 287. Meristeem 187. Meststoffen 374. Mest v. ontginning 430. Mestvaalt 384. Metaaloxyd 112. Microben 04. Microscopisehe organismen (i4, 27(j. ,, „ in regenwater 119. Mierenzuur 170. Milde humus 234. Miltvuur 129. Minimum v. drukking 88. Mist 92. Moerasijzererts 284. Moeraskalk 28, 281. Moerasveen 11. Molbord 317. Molm 14. Monocaleium phosphaat 114 , 412 , 420. Moriines 39. Morgenrood 103. Morphine 181. Mottig 240. Mneidin 178. Mul 246. Mnll 234. Museovit 238. Myeorhiza 208, 213. Myronzuur 181. Myrosin 180. Nachtvorsten 73. Nadeelen eener vochtige ligging van don bouwgrond 294. Nadeelen v. h. draineeren 303. Naileelige werking v. kalimest 423, 433. Natrium-element 112. „ bestandd. v. keukenzout enz. 113. ,, onnoodig v. d. planten 205. „ bestandd. v. plantenasch 182. ,, „ v. d. grond 204. Natron, zie soda. Natuurkeus 229. Natuurlijke meststoffen 374. Navol 107. Navelstreng 107. Negatieve afwijkingen 79. |
Nehrung 47. Nerven 149, 193. Nevel 92. Nicotine 181. Niet-drogende oliën 17(i. Nieuwe landbouwwerktuigen 355. Nieuwere kleigronden 20. Nitragin 410. Nitraten — zie salpeter of salpeterzure zouten. Nitrificatie 274, 380. Nortonpompen 124. Noten 165. Oculeeren 223. Oer 28. Oerbanken 28, 282, 305, 319. Oergronden 12. Oerparenchym 187. Oliën 170. Oligoklas 238. Omwindsel 101. Onbelaste gronden 37. Ondorgrondsploeg 359, 371. Ongelaagd gein. diltivium 44. Onkruiden 321. Onregelmatige ontkieming 202. ()ntginning 303. „ v. duinen 304. „ „ heidevelden 304. „ „ veengronden 309. „ „ zandgronden 304. Ontkieming 138, 195. Ontlijmd beenderonmeel 413. Onvruchtbaarheid v. d. grond 200, 208. Onweer 99. Oorspronkelijke gronden 0. Opeengehoopte vruchten 167. Opperhuid 175. Oplosbaarheid in water 111, 240. Opnemen v. water door do plant 210. „ voedsel „ „ „ 210. Organische stoffen 117. „ „ v. d. gi-ond 233. „ ,, als mest 420. „ mest 374. Orthoklas 238. Oshoornegge 358. Oudere gronden 35. Oudere kleigronden 19. 1' Paalwortel 140. Paardekracht 294. Paardenmest 384, 450. Parenchym 180. Passaatwinden 83. Pectinestoffen 174. Ponwortel 140. Periodieke bewerkingen van don grond 320, 306. |
463
|
Peroeguano 416, 451. Peul 163. Peulvruchten 165, 179. „ in de vruchtwisseling 269, 444. Phosphaten: zie phosphorzurc zouten. Phosphorit 419 , 450. Phosphorus-element 112. „ bestandd. v. phosphorzuur 114. „ noodig in den grond 205, 206. „ „ v. d. planten 205. Phosphorusrijke mineralen 419. „ mest 450. Phosphorzuur samenstelling 114. „ best. v. d. plantenaseh 182. „ „ „ „ grond 261. „ „ „ „ meststoffen 450. Phosphorzure zouten 114, 240, 279, 411, 419. Physiologic 194. Piperine 181. Plantaardige meststoffen 374. Planten v. hoogveen 50. „ „ laagveen 49. „ „ aanslibbingen 57. Plantenei 193. Planteneiwit 178. Plantengroei in waterige oplossingen 204. „ in zand 204. „ op de aanslibbingen 57. Plantenkaasstof 179. Plantenslijm 173, 175. Plantenzuren 175. Ploegen 324, 344. Ploegdeelen 324. „ hoofd 327. „ huis 324. „ rad 332. „ schaar 328, 338. Ploegstaarten 330. „ voet 332. Pluim 159, 162. Pluimgrassen 162. Pluimpje 136. Pollen 21. Poolstroom 83. Poortje 167. Pompwater 121. Positieve afwijkingen 80, 94. Potasch, zie kali. Potasch- of kalihoudende meststoffen: zie kalimeststoffen. Potaschsalpeter 421, 251. Prijs d. meststoffen 426, 433, 452. Primaire schors 188. Prosenchym 186. Protandrische bloem 225. Protogynische bloem 225. Protoplasma 186. Puin 6. Puingronden 6. Pulspompen 124. Pulvererde 19. Putwater 121. Pyrit 282, 285. |
Badploegen 332, 341. Randall's kruimelaar 356. Ranken 151. Ransomes eggen 349. „ ploegen 324, 326. Rechthoekige vurgen 343. Regen 93. Regenboog 102. Regendagen 95. Regenmeter 93. Regenwater 118. Regenwolk 105. Regulateur 324, 330. Rhinocerossen 31. Richting v. d. wind 85. Riet 57. Rietgras 57, 156. Rijke gronden, 243. Rijndiluvium, 31. Ringrollen 354. Bister 327. Rivierbezinkingen 7, 24. Rivierduinen 25. Rivierklei 25. Riviervormingen (oude) 43. Rivierwater 120. Rol 352. Eolblok 352. Roofbouw 266, 269, 273, 276. Roode darggronden 12. Boodolmgronden 12. Roodoorngronden 18, 288. Eothamsted 2(59, 271, 272. Round-about stelsel 365. Rundveemest 384, 450. Saamhelmigen 155. Sack's ploegen 332, 341. Salpeterzuur-samenstelling 114. „ in het drainecrwater 280. „ „ de lucht 63. „ „ regenwater 118. „ gisting 274. Salpeterzure zouten, salpeters of nitraten 114, 240, 260, 270, 274, 279, 421, 433, 451. Salpeterzure zouten als voedsel van de plant 204. Salpeterzure zouten in den grond 200. Salpeterh. superphosphaat 422. Samengestelde bladen 150. Samengesteldblcemigen 155, 160. Samenhang v. d. grond 244. Samenhelmige meeldraden 155. Samenstelling v. d. bouwgrond 232, 238. „ „ „ meststoffen 374, 450. „ „ „ planten 135, 168. „ „ water 110, 118. Scandinavisch diluvium 31. Schadden 28. |
461
|
Schadelijke stoffen in den grond 2(j6. Sehapenmest 3ö0, 404. Schapenwolkjes 106. Scheikundige samenst. d. planten lö8. „ toestand v. d. grond 260. „ veranderingen 266. Scherm 1Ó9. Schilkouter 325. Schimmels 208. Schlösing's slibmethode 242. Sehokbreker 291. Schollen 28. Schorren 21. Schrale gronden 266. Schuimaarde 425, 451. Siderit 28, 282, 284. Sikorsky's slibtoestel 236. Silicaten of Idezelzure zouten-samenstelling 114, 115. Silicaten-bestanddeelen v. mineralen en gesteenten 238. Silicaten-bestanddeelen v. d. bouwgrond 238, 243, 278. Silicium zie Kiezel. Slib of slijk als mest 424 , 448. „ der rivieren 53, 448. Slibmethoden 235, 242. Slootwater 120. Sluitcellen 188. Sneeuw 75, 97, 251 ■ Soda of natron-samenstelling 113, 114, 116. Soda bestanddeel van plantenasch enz. 182 , 447 , 450 , 451. Soortelijk gewicht v. d. grond 258. Soortelijke warmte 68, 251. Soorten 227, 228. Spaathijzersteen 28 , 282 , 284. Spanning in de plant 217. Spierklei 19. Spitploegen 306. Splint 192. Splitvruchten 166. Sporeplanten 139. Staandwater 120. Stam 143. Stalmest 375, 427, 435, 450. Stamper 152, 155. Stand v. h. water 131, 294. Stapelwolk 105. Steenkolenmijnen 35. Steenvrucht 167. Stekken 141, 223. Stempel 156. Stengel 143. Stengeltje 138. Steriliseeren 276. Steunblaadjes 151. Stijl 156. Stikstof-element (iO, 112. „ bestandd. v. d. dampkring 00. „ „ v. ammoniak 113. „ „ v. salpeterzuur 114. „ „ v. nitraten 114. |
Stikstof bestandd. v. planten 169. „ noodig v. d. planten 205. „ in den grond 2(50, 265. „ „ „ mest 375, 421, 450. „ opneming uit de lucht 207. Stikstofhoudende stoffen der planten 178. Stikstofvrije stoffen der planten 169. Stof in de lucht (53. Stoffersatzwirthschaft 272. Stofwisseling In de plant 215. Stoomwatermolen 294. Stormen 87. Strandreep 23. Strijd om het bestaan 229. Strijkbord, 327 , 328, 339. Structuur v. d. grond 244. Stuifmeel 153. Strychnine 182. Suikersoorten 173. Sulkyploeg 337. Superphosphaat van apatit enz. 419, 450. „ „ beenderen 412, 450. „ „ beenderkool 413, 450. „ „ guano 418, 450. Superphosphaatgips 393, 420. Syeniet 31. Symbiose 207, 208. Système scaldisien 35. Teeltkeus 229. Teeltweefsel 187. Temperatuur v. d. dampkring 64. „ „ „ grond 76, 249. „ „ h. water 76, 117, 119, 125. „ invloed op de ontkieming 199. „ „ „ „ planten 219. Terpaarde als mest 424 , 430 , 434 , 448. Terpen 15. Tertiaire vormingen 7. Teruggegaan phosphorzuur 420. Theïne 182. Thermometer 65. Thomasslakkenmeel, zie Thomasphosphaat. Thoraasphosphaat 307, 311, 420, 451. Tiefcultur 371. Tijd v. bemesten 435. Tijdelijke hardheid 127. Till 32. Toevallige afwijkingen 79. Toevallige knoppen 148. Tonnenstelsel 399. Tonmolens 293. Totale hardheid 127. Trekkracht d. ploegen 339. Treklijnen 330. Trektoestel 324, 330. Tricalciumphosphaat 279, 412. Tros 159. Tuitje 151. Turfaehtige humus 234, 305. Turfmolm-closets 401, 450. Turfstrooisel 9, 380, 381, 395. Turning cultivator 362. |
465
|
Tweebroederig 155. ïweehuizig 158. Tweemachines-stelsel 8(54. Tweeslachtig 158. Tweevoorploeg 342. Tweezaadlobbige planten 139, 155, 191. Twijgen 143. Uitbotten van knoppen 202. Uiterwaarden 25. Uitloopers 223. Uitputting 268. Uitputtende bemesting 434. „ mest 270, 434. Uitspoeling 271, 279, 280. Uitstoelen der granen 144. Uitstoelingsknoop 144. Uittrekking v. d. grond 240. Uitwendig kiem wit 139. Uitwerpselen der huisdieren 375, 450. u „ menschen 397, 450. Urine 376, 398, 450. Vaag in den grond 244. Vaatbundels 189. Vaathout 191. Valsehe vruchten 164. Variëteiten 228, 229. Varkensmest 384 , 401. Vasculose 385. Vederwolk 105. Veenbouwten 8. Veenbranden 309. Veendamcultuur 313. Veengronden 7, 34. Veeteelt 3. Veldspaath 31, 238, 262. Veldspaathgronden 6. Verandering v. bosch in bouw- en weiland 308. Verandering der kusten 56. „ v. d. stalmest 384. Veranderlijkheid 228. Verbrandbare stoffen 168. Verdamping v. water 89, 98, 210. Verdeeling d. temperatuur op aarde 65, 446. Vergroeiing v. wortelhaartjes met grondd. 142. Verkruimelen 247. Verlies v. d. stalmest 386. Vermeerdering der cellen 186. Vernietiging van onkruid 321 , 369. „ „ kweek 369. Verplaatsing v. stoffen 215. Verplaatste gronden 6, 7. Verschijnselen in het planten- en dierenrijk 107. Verstoppingen d. draineerbuizen 301. Vervormde organen 151. Verweering 51. |
Verweeringsgrond 6, 7. Verzamelbuizen 297. Vetten 176. Vette oliën 176. Vijzelmolen 294. Vivianit 9, 28. 284. Vlakke ligging 295, 303, 317. Vleugelvrucht 165. Vlijm 28. Vlinderbloemigen 153. Vloed 131. Vloedstroom 55. Vluchtige oliën 177. Vochtaantrekkend vermogen 233, 253. „ behoudend „ 233, 253. Vochtigheidstoestand v. d. lucht 90, 105. Vochtigheid v. d. grond 247, 252. Voeding der planten 204. Voedsel der planten 209, 260. Vogelmest 417, 450. Volledige mest 375, 427. Voordeden van 't draineeren 302. Volzee 131. Voorjaarsbraak 367. Voorraadsstoffen 216. Voorschaar 325. Voortplanting 222. Voorwaarden der ontkieming 195. Vorming v. oplosbare en onoplosb. verbindingen 277. Vorming van hoogveen 50. „ „ laagveen 48. Vormingsweefsel 187. Vormleer der planten 135. Vrouwelijke bloemen 158. Vruchten 156, 163. Vruehthuid 139. Vruchtopvolgingen 311, 316. Vruchtensuiker 174. Vruchtwisseling 440. Vurg 342. Waardhout 26. Wadden 16, 21. Ware vruchten 164. Warmte-invloed op den plantengroei 219. Water-samenstelling 110, 118. „ bestanddeel v. d. grond 232. „ „ „ „ planten 168. „ noodig v. h. leven v. planten en dieren 109, 209. Water noodig voor scheikundige werking enz. 109, 196. Water-eigenschappen 110. Waterbezwaar 292. Water en moeras 38. Weefsels 186. Weegbree 57. Weerlichten 99. Weêrvoorspellingen 106. Welwater 121 , 284. Welzand 28, 121. |
466
|
Wentel 352. Wet van Buya-Ballot 87. Wierden 15. WIesenkalk 28, 284. Wijkeu 312. Wijze van bemesten 307, 435. Winden 82. „ aantal 84. Windmeter 82. Windrozen 88, 105. Witte klien 9, 284. Woelen 318. Woelklei 19, 318, 429, 434, 447. Woeste gronden 38, 303. Wortel 140. Worteldruk 210. Wortclharen 142, 212. Wortelstok 140, 145. Worteltje 137. Wortelvezels 140. Wonden 34. Wrijving 290. Wrijvingsweerstand 290. Zaaddrager 107. Zaadhuid 137. Zaadkern 137. Zaadlobben 137. Zaadplanten 139. Zacht water 127. Zakwater 122. Zand 235, 240. Zandbanken 21. Zanddiluvium 30. Zandgronden 29, 2S(i. Zandoer 34, 282, 306, 449. Zandsteengrouden (i. Zandstuivingen 7, 28. Zavelgronden 1G, 32. Zeebezinkingen 7, 14. Zeefvaten 187. Zeedamp 92. Zeedieren als mest 410 , 450. Zeeklei 14, 19. Zeekleigronden 10. Zeekraal 57. |
Zeelooper 23. Zoepziedersasch 424. Zeevlara 92. Zeewater 120. Zeeuwsche ploeg 341. Zelfbevruehting 225. Zeolithen 242, 278, 425. Zetmeel 171. Ziehtbaarbloeiende planten 139. Zittend blad 150. Zigzageggen 347. Zonnewarmte 64. Zomerbraak 367. Zomerpeil 134. Zouten 112, 113. „ noodig v. d. planten 204. Zuigbuizen 290. Zuigen 223. Zuigwortels 143. Zuur-anhydrid 112. Zuren 175. Zure klei 19, 207, 425. Zuringzuur 176. Znuratniden 181. Zuurstof-element 110, 112. „ bestanddeel v. d. lucht 00. „ „ water 110. „ „ zuren 113, 114, 115. „ „ zouten 113, 114, 115. „ noodig v. 't ontkiemen 198. „ „ „ uitbotten 202. „ „ „ ademhaling 208. ,, ,, ,, stofwisseling 215. Zwaarte v. d. grond 258. Zwaartekracht 221. Zwavel-element 112. „ noodig v. d. planten 205. „ bestanddeel v. d. grond 200. „ „ zouten enz 112. Zwavelzuur-samenstelling 112. „ ammonia 421, 450. „ ijzeroxydule 203, 207, 424. Zwavelzure kalk 127 , 425. Zwavelcalcium 200, 390. Zwavelzure zouten of sulfaten 113, 121, 120, 204, 241, 422. Zwavelwateren 128. Zwavelwaterstof 03, 117, 128, 390. Zwerfblokken 41. |
UITGAVEN VAN J. li. WOLTERS TE GRONINGEN.
Joh. Borghuis en O. J. (Jiiintns, Onze moestuin, met 80 houtsneden.......f 0,30
Dr. J. Ritzpinn Bi»h, Landbouwdierkunde. Nuttige en schadelijke dieren van Nederland,
met ruim 500 houtsneden, 2e goedkoope uitgave, 2 deelen........................0,00
Dr. .1. Ritzema Bom, Insektenschade op bouw- en weiland..........................2,50
.1. P. M. Cainimiii, De fruitteelt in de Betuwe..................................1,00
C. II. ClnaHHen, Onze groenten- en vruchtenhandel op Engeland....................1,50
.1. Doornbos, Handboek voor den landman, 200 opstellen over landbouw en veeteelt . . 3,00
H. M. Ilartog, Scheikundig onderzoek van den grond............................0,00
A. Ide en S. Bleeker, Tuinbouw voor de lagere school. Handleiding ten dienste van onderwijzers, met 147 Houtsneêfiguren. (Bekroond door de Nederl. Maatschappij voor
Tuinbouw en Plantkunde.) Ingenaaid f 0,90. Gebonden..........................1,50
Mr. J. KniHoinaii, Boterwet en Boter-onderzoek................................0,75
Landbouwbibliotheek onder redactie van F. B. Loliiii», Dr. J. Ritzema Bos en P. van iloek (geïllustreerd) hij inteekening der complecte serie a f 0,50, huiten inteekenincj a 0,05 T. Dr. .1. Ritzema Bos, Beginselen der Dierkunde, I, met afbeeldingen, in linnen . 0,65 TI. Dr. K. II. M. van der Zande, Beknopt Leerboek der Zuivelbereiding, met afbeeldingen, in linnen..............................................0,65
HI. J. Z. ten Rodengate Marissen, Leerboek der Grondverbetering, met afbeeldingen, in linnen..................................................0,05
IV. Dr. .1. Ritzema Bos, Ziekten en Beschadigingen der Cultuurgewassen I, in linnen 0,65
V. P. van Hoek, Beknopt leerboek der Scheikunde I, in linnen................0,05
VI. Dr. .1. Ritzema Bos, Ziekten en Beschadigingen der Cultuurgewassen H, in linnen 0,65 VH. J. Z. ten Rodengate Marissen, Algemeene Plantenteelt, in linnen..........0,65
|
plan van uitgave: J. van Dam, Natuurkunde en meteorologie. Dr. J. Ritzema Bos, Plantkunde. Dr. J. Ritzema Bos, Leer van de levensverrichtingen van dieren en planten. Dr. II. Blink, Aardrijkskunde voor den landbouwer. P. van Hoek, Bemestingsleer. J. Ileidema, Grondbewerking en landbouwwerktuigen. |
Dr. J. Ritzema Bos, Schadelijke dieren. L. Broekema, Algemeene veeteelt. A. \V. Ileidema, Paardenfokkerij. L. Broekema, Rundvee. L. Broekema, Schapen en varkens. Dr. A. M. Prins, Bedrijfsleer en land- bouwboekhouden. II. J. Lovink, Houtteelt. A. Ide, Ooftboomteelt en groententeelt. |
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.
Landbouwkundig Tijdschrift onder redactie van Prof. Dr. .1. Ritzema Bom, Mr. A. D. van Asseiideirt de Cmiingli, Prof. Dr. A. Mayer en Dr. A. M. PHiih; met kaarten en platen, 6e jaargang...........................f 3,75
F. B. Lölinis, Landbouw en Regeering. Geschiedkundig overzicht van de maatregelen
in den loop dezer eeuw in Nederland genomen, ten behoeve van den landbouw.... 1,25
Milatz en Reinder», Landbouwboekhouden, gebonden............................1,50
Nederlandsche Flora en Pomona, met platen, gebonden..............55,00
Nederlandsche Boomgaard, met platen, 3 deelen, gebonden ...........70,00
Niederlandische Obstgarten, met platen, 2 Biinde, gebonden............70,00
Neêrlandsch Plantentuin, door Dr. C. M. J. A. OudemaiiH, met platen, 3 deelen . . . 27,00
Nederlandsche Flora door II. Witte, met platen, gebonden............50,00
R. J. \V. Ottolander, De beste vruchten......................................0,50
K. J. \V. Ottolander, Practisch Handb. v. den Ooftboomteelt in Nederl., met 24 platen . 2,50
Dr. O. Pitseli, Landbouwonderwijs in Nederland................................0,60
G. Reinders, Handboek voor den Nederlandschen landbouw en de veeteelt, met ruim
400 platen en houtsneden, in 3 deelen, gebonden............4de druk 15,00
ü. G. Schilthuis, Jz., Graanrechten..........................................0,50
Dr. A. Sibson, Beginselen der landbouwscheikunde...........2de druk 2,50
Dr. A. Sibson, Kunstmeststoffen, door Dr. van Roijen..........................1,00
J. Smid, De Landbouwcrisis, hare oorzaken en de middelen tot verbetering..........0.90
J. Sturing, Het onkruid. Bewerkt naar Dr. E. .1. Eisbein, Das Unkraut, met 52 af beeld. 0,50
Tijdschrift voor Landbouwkunde, 2 deelen......................................9,80
Tijdschrift voor Tuinbouw, onder redactie van Dr. II. Bos, A. Ide, Ernst II. Krelage, B. A. IMeinper van Balen en Leonard A. Springer, met vele gekleurde platen en
houtsneden, jaargang I—IV.......................a 5,90
.
•Ml?
...
Wmmmmsmm
rS'r
quot;•■..::
'
1 ' , 'r • : ^ -rl
v f''
m-ï'■ ■■;quot;■■ ■.;;' .-• i
immhihmwmiïamp;h^ /■ ^ rlt; •;; :' ?■ ^ v-r'^ -■■ :' v / -;■,. ■, v ^ f
^-cV' ■ .■ ;; il
mma - ■' ■■■ r v- i
■ ■ , ■ V ij'
' ■ -, , ' ' ^ , . I ;;^
— : : ■ . .. . ,■—.«•'