-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

jgt;z tfmm v- ••;. ■;■!;- „. ■ mmiMwm « b..hn|MMsaBi iM8

lt;;5J H; HH

H mI ,..l': '' ; ■ I

J

is^^^krH^v-'-i^.

-ocr page 5-

Volledig en grondig QndemcKl

lioo nion oio*, t'Ivo mod vox ji (.t?ao M cm

Voool 011 , XVcXCV V c\c\ It ^ l H t^H llO-TC '/i O l.l C 11

en ^cInefcokan lioij.'oinioi^.on Itoo men

Jic mooi' Noli o.11dc11?11 oh (.au aoMC\OM.

i'

naar den 16 e=n Hooqd, druk

van

R. K Ü H N E R T.

J.Spruijt ^ C? Zutp^en

O

VA

-ocr page 6-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 062 3

-ocr page 7-

NIEUW

GENEES-, HEEL- en VERLOSKUNDIG

Handboek van de Koe.

Bevattende grondig en volledig onderricht hoe men dezelve moet verplegen en voeden, waaraan men hare ziekten en gebreken kan herkennen, hoe men ze moet behandelen en kan genezen.

.Wmr tien Uien Sioof/tl. tfritl

t ^

R. KÜHNERT.

Almelo. B. T. BLENKEN.

-ocr page 8-

WÊMsÊÊm

-'; '■quot; v'i-

i 11 m I

,

-ocr page 9-

I

VOORBERICHT-

j De veeartsenijkunde is eene wetenschap uit den j lateren tijd. Voor 70 a 80 jaar was zij zoo goed als I onbekend en 't klonk bespottelijk, wanneer deze of I gene zei, dat hij zijn paard, rund of hond een drankje ƒ had ingegeven, men lachte hem uit en trok de schou-ders op. Een dokter bij een ziek rund te halen, was f de dwaasheid ten top voeren. Men liet het zieke dier | maar aan zijn lot over of haalde er iemand bij, die I door bovennatuurlijke middelen het beest zocht te ge-| nezen. In 't kort, de geheele veeartsenij-kunde berustte j op domheid, bijgeloof en kwakzalverij.

Welke reuzenschreden heeft zij thans in zoo'n klein tijdsbestek al niet gemaakt? Men vindt het niet meer bespottelijk den veearts te halen of een ziek dier ge-f neesmiddelen toe te dienen, maar beschouwt dit zelfs als een plicht. Toch ware het te wenschen, dat de ij veeartsenij-kunde, zoowel als de manier, waarop men huiszoogdieren moet voeden en verplegen om er het ^ meeste voordeel van te hebben, nog in ruimeren kring bekend was. Ieder veehouder moest als 't ware ook veearts zijn en hieraan ontbreekt nog vrij wat. Hoe

-ocr page 10-

menigmaal hoort men nog zeggen: Ocli t beest heelt eene inwendige kwaal! kon 't maar zeggen waar 't hem scheelt, nu is er niets aan te doen.quot; Dwaasheid ! het komt hier maar op de rechte oogen aan. De bekwame veearts ziet door het lichaam, als ware het van glas; zijne kennis en ondervinding, gepaard met een oplettend onderzoek, laten hem zelden in den steek.

Ook nog te veel eigenaren van koeien zijn blind voor de kwalen en gebreken hunner dieren of staan daar hulpeloos tegenover, daarom meende ik dezen geen ondienst te doen met de samenstelling van dit werkje. Het bevat niet alleen middelen en voorschriften. hoe men in- en uitwendige kwalen kan genezen, maar geeft ook nuttige wenken hoe deze kunnen voorkomen worden, terwijl daarenboven de voeding, verpleging en veredeling er in zullen besproken worden.

Ofschoon hoofdzakelijk bewerkt naar den 16en Hoogd. druk van Kühnert's veeartsenijboek, zijn toch ook andere beste bronnen door den samensteller geraadpleegd en hij twijfelt daarom niet of dit werkje zal bij iederen liefhebber van koeien, een gunstig onthaal

ten deel vallen.

Men vergete niet hoeveel dieren, die ons genot en voordeel verschaffen, reeds verloren gingen en nog dagelijks verloren gaan en die men met o zoo weinig moeite en kosten had kunnen behouden, wanneer do juiste middelen bij tijds waren aangewend. Ieder zij dus op zijn voordeel bedacht, want ook hier geldt het: „Kennis is macht!quot;

-ocr page 11-

HET RUND.

VERPLEGING EN VOEDING.

et. Verpleging.

( In de verpleging onzer runderen evenals in de voeding er van, is in den laatsten tijd veel verbetering cgekomen. Men heeft terecht begrepen en leert het i nog alle dagen beter inzien, dat moeite en kosten aan

r het veei en vooral aan de runderen besteed, ruimschoots kvergoed worden. Toch ware het te wenschen, dat vvelen hun belang nog meer inzagen ; laat de voeding ^hier en daar veel te wenschen over, nog meer is dit ■ het geval met de verpleging en de behandeling van het rundvee. Men is zoo licht geneigd te zeggen; „'t is maar een dier!quot; — Een groot gedeelte van 't jaar fZ1Jn onzo runderen gedwongen op stal door te brengen ren och! wanneer het beest dan maar beschut is tegen regen en wind, dan meent men, wat de huisvesting ^betreft, al genoeg gedaan te hebben. Dit is echter Leene schromelijke dwaling, die reeds menigen veehouder zgroote schade heeft berokkend. Integendeel, de verblijfplaats is van grooten invloed op het dier en komt wanneer er van de verpleging der runderen sprake is' het eerst in aanmerking.

'ger

P t

t

1.

-ocr page 12-

I. JDe Hutnlvff.stal.

Eon good ingerichte koestal moet zoodanig zijn, dat de dieren bij 't openen der deuren geen hinder van ||pev( tocht hebben. In den laatsten tijd is men begonnen, nell gewelfde stallen te bouwen, die ten eerste minder elf? blootgesteld zijn aan brandgevaar, en tevens duurzani' eef zijn ; in de tweede plaats is het voeder, boven de stallei. er bewaard, niet aan de uitwaseming van het vee en j mi] andere opstijgende dampen blootgesteld. Hoogte on; \ ruimte van den stal moeten geëvenredigd zijn aan het getal runderen, terwijl voor licht en ventilatie voldoende moet gezorgd worden. De ruimte voor elk dier hangt van zijne grootte af, maar moet in allen gevalle voldoende zijn om zich gemakkelijk te kunnen bewegen. De bodem van den stal moet naai achteien hollend zijn, opdat de gier kan wegvloeien. Achter de koeien bevindt zich do greppel, die van tijd tot tijd gereinigd wordt.

De voederbakken mogen niet hoog en moeten zoo ingericht zijn, dat ze zoowel voor kort als lang voeder kunnen dienen. Het geschiktst bevestigt men de runderen aan dubbele of enkele kettingen om den hak vastgemaakt, die met het andere eind aan een ling bevestigd zijn, welke langs een paal kon verschoven worden.

Waar het strooisel in ruime mate voorhanden is laat men den mest 3—5 weken onder of achter d( rr beesten liggen, omdat deze in den stal minder ii qualiteit verliest dan er buiten. Worden de staller slechts eenige malen in 't jaar schoon gemaakt, dai moeten deze er bizonder op ingericht zijn. De doel matigste temperatuur voor het rundvee is 10 — 12

-ocr page 13-

f

dat is van 50 tot 55° Fahreheit. Men heeft waar-puomen, dat bij eene warmte van 8 — 13° R. de pijsverteering het sterkst is; boven do 13° R. en beleden de 8° R. wordt zij langzamerhand minder, van ■ Tevens heeft men opgemerkt, dat 10° R. ook voor len, Melkgevende koeien de geschiktste warmte is. Dit is ider elfs zoo sterk, dat eene koe, die dagelijks 7 L. melk n' leeft, bij dezelfde voedering niet meer dan 3 of 4 L. 'Ier er dag zal opleveren, wanneer zij aan eene koudere en tmperatuur dan 10° R. wordt blootgesteld.

en; Voor kalveren moeten afzonderlijke stallen aanwezig aan lijn. Elk kalf moet een apart verblijf hebben, waarin liet vrij en ongehinderd kan rondhuppelen.

Eene pomp, welke zuiver drinkwater geeft, mag bij den veestal niet ontbreken, 't Verkieslijkst is, dat deze zoo is ingericht, dat het water direct in de voederbakken kan gepompt worden. Ook moet in de abijheid van den stal een vertrek zijn met voldoende ruimte om daarin voor één of meer dagen voedsel te anmen bereiden: verder mogen vaten, om sommige voedingsmiddelen er in te weeken, en de noodige ma-jhines niet ontbreken.

2. Verplegittg van hnifl en klauwen.

De ervaring heeft geleerd en leert liet nog dagelijks van hoeveel waarde het reinhouden der huid bij hot rundvee is, onverschillig of dit in de weide loopt of op stal staat, hetzij om gemest te worden of om melk van te trekken. Een verstandig veehouder, 'lie zijn belang begrijpt, zal derhalve niet verzuimen J:ijne koeien op gezette tijden van alle onreinheden te

iiiveren.iiveren.

In den laalslen lijd is ineii hier en daar beguunen

i

dat

atio elk Hen ion ren iter tot

zoo der un-lals ing mi

is d( ir lei lai 3el 12

-ocr page 14-

het haar der runderen af te knippen. Over het nut hiervan zijn het de deskundigen nog niet eens, sommigen beweren zelfs, dat het schadelijk werkt. De tijd zal deze questie moeten oplossen. Enkele gevallen doen zich voor waarbij het proefondervindelijk gebleken is zijn nut te hebben. Bijv. een in zijne jeugd slecht gevoed en daardoor achterlijk kalf, steekt boven zijne makkers uit, niet door lichamelijke grootte, maar door lengte van haar ; begint men nu zoo'n kalf beter te voeden, dan werkt het afknippen van 't haar de voeding in de hand en na een paar weken zal men het kort te voren nog zoo onoogelijke dier niet herkennen.

De verpleging der klauwen bestaat bij de runderen hoofdzakelijk in gedurig afwasschen, teneinde alle onreinheid te voorkomen en zo in te korten, wanneer ze te lang geworden zijn.

3, Hust, heweging.

Eene matige beweging en ongestoorde rust is voor eene melkkoe vereischte, kalveren mogen of moeten zelfs meer beweging hebben; mest vee daarentegen moet onmiddelijk aan rust en gemak gewend worden.

-I. Mens en onderrtom van fokve.e.

Van groot gewicht voor den veehouder is het niet alleen in 't bezit te zijn van goede koeien, maar ook dat hij te beschikken heeft over een' goeden stier, vrij van lichaamsgebreken niet ■illeen, maar die ook afstamt van een goed ras. Wat do lichaamsbouw van den stier aangaat, heeft men te letten of hij krachtig gebouwd is, zonder nu juist plomp en beenderig te zijn ; de kop moet klein, de borst breed en diep, de romp goed gerond, de rug recht, het kruis breed, de

-ocr page 15-

aogeii groot en helder, de liet haar glad en

3e ledematen goed geproport - j zijn. De koe moet van een' meer fijnen dan groven lichaamsbouw zijn. Verdere kenteekenen zijn: een fijne kop, glanzige 'horens, diepe buik, dunne staart en ook zelfs na het uitmelken een naar achteren hangende uier, sterke melkadcren en glad en fijn haar.

Ook do in den laatsten tijd zooveel besproken irielkspiegel mag niet overgeslagen worden. In den fregel kan de jonge stier reeds op l'/s 0f l3/lt; jaar in gebruik worden gesteld, maar dan moet hij van zijne geboorte af krachtig gevoed worden. Jonge runderen, vaarzen genaamd, kan men, wanneer ze altijd goed gevoed zijn, op 2 jarigen leeftijd laten paren; er zijn zelfs voorbeelden, dat dit reeds op P/a jarigen leeftijd geschiedt, wat echter niet is aan te bevelen.

Stieren worden zelden langer gebruikt dan tot 5 jarigen leeftijd, fokkoeien daarentegen zoolang de melk-opbrengst niet vermindert, hetgeen bij de meesten niet voor het twaalfde, bij sommigen niet voor het zestiende levensjaar plaats heeft.

5. Werpteging *ler fok flier en.

Men rekent gewoonlijk één stier op 00—70 koeien. Op boerderijen echter, waar de meeste koeien op een' bepaalden tijd kalven, mag één stier niet meer dan 30—40 koeien voor zijne rekening hebben. Wanneer hij het gansche jaar door zijne diensten moet leveren, laatj men hem in den regel slechts éénmaal per dag springen; wordt hij slechts een klein gedeelte van 't jaar gebruikt, zoo laat men hem dagelijks niet meer dan twee sprongen doen. Nog weinig in gebruik, maar zeer aan te bevelen is het, de stieren aan geregelden

-ocr page 16-

en doelmatigen l leeren gewennen. Wanneer

hij van jongs af aan goed gevoed en verzorgd is, wordt, hem, als hij een jaar oud is, een' ring door de huid van. den neus gedaan, teneinde hem gemakkelijk in bedwang te kunnen houden en volgzaam te maken. In het tweede jaar wordt hij voor de kar of den wagen gespannen om lichten arbeid te verrichten.

lgt;ij de koeien moet men de bolligheid nauwkeurig gadeslaan, die zich somtijds een paar weken na hot kalven reeds weder voordoet. De eerste 3 maanden na het kalven laat men voorbijgaan voor haar bij den stier toe te laten, zoodat zij ten naastebij na een jaar opnieuw kalft. Gewoonlijk duurt de bolligheid volle 24 uui . laat men haar in dien tijd bij den stier toe, dan is ze in den regel na den eersten sprong reeds bevrucht. \ ette en volbloedige kooien worden moeie-lijker drachtig dan andere, daarom laat men ze in den tijd van 10 1 l' uur tweemaal bespringen en wanneer dit niet \oldoende is, moet men ze n—10 uur voor het bespiingen een paar pond bloed aftappen en weinig voedsel geven.

\ ette vaarzen, die niet bollig wonlen of die moeielijk drachtig zijn te krijgen, worden spoedig bollig en licht ontvankelijk, wanneer het uier door het zuigen van een kali in werking gebracht wordt. Hierdoor wordt de melkafscheiding bewerkstelligd en wanneer dezeeen tijdlang in werking is, heeft men het beoogde doel bereikt. Geen beter middel om de geslachtsdrift te bevorderen dan de voedering van rauwe aardappelen.

6*. Verstorging van tlrmhtige en haljkoeien.

Igt;ij drachtige koeien moeten alle schadelijke invloeden van buiten, als stooten, slaan enz. worden ver-

-ocr page 17-

meden. Dc draagtijd duurt gemiddeld 283 dagen. Dragende runderen moeten krachtig gevoed worden; in den winter met hooi en raap- of lijnkoeken en in den zomer laat men ze in eene goede weide loopen of wanneer ze op stal blijven staan, geve men ze volop gras.

Bij vele landbouwers heerscht do onverantwoordelijke gewoonte, die echter gelukkig langzamerhand afneemt, om eener drachtige koe hoe langer hoe slechter voedsel te geven, omdat de melkopbrengst van het dier met den dag afneemt en daardoor het voordeel allensrs minder wordt, liet dwaze van dergelijke handeling zal wel geen betoog behoeven. Daardoor wordt niet alleen de gezondheidstoestand der koe in gevaar gebracht, maar ook de ontwikkeling van het jong belemmerd. De bezorgdheid, dat goed gevoede koeien zware kalveren ter wereld brengen en daardoor het kalven bemoeilijkt wordt, is ongegrond. Veeleer heeft het tegendeel plaats: de kalveren van goed gevoede koeien zijn zelden groot en de krachtige toestand, waarin het moederdier verkeert, verlicht de geboorte. Alle voedsel, dat men aan dragende runderen geeft, moet van zuivere bestanddeelen zijn.

Reeds eenigen tijd voor de geboorte en een korten tijd daarna bevindt zich in den uier der koe eene soort melk (in den regel beestemelk genoemd,) welke zich zeer van de gewone melk onderscheidt, doordat ze bizondei vet en rijk aan eiwitstoften is. Deze melk mag niet, zooals in den regel geschiedt, aan het pasgeboren dier onttrokken worden.

Om de melkafscheiding te bevorderen, geeft men der koe onmiddelijk na de geboorte van het kalf een' zachten en voedzamen drank, bijv. gekookt lijnzaad of

n

in I

gt;

v

-ocr page 18-

iets dergelijks. Vooral bij vaarzen werkt dit middel zeer gunstig op do melkafscheiding. Oudere koeien, die reeds eer gekalfd hebben, mogen niet tot dicht voor het kalven gemolken worden; ze moeten tenminste 6 weken lang voor het kalven droog staan, d. i. geen melk meer geven.

». Werpleyinfj van kalveren.

Even als voor elk pas geboren dier is ook voor het kalf de moedermelk het geschiktste voedsel.

Men laat het kalf aan de moeder zuigen of het wordt onmiddelijk na de geboorte van het moederdier verwijderd en krijgt de versch gemolken moedermelk te drinken. Beide methoden hebben haar voor en tegen; vooral het drenken gaat soms met vele moeielijkheden gepaard en veroischt groote oplettendheid. De hoeveelheid melk, welke een kalf dagelijks noodig heeft, hangt van zijne grootte en zwaarte af; gemiddeld rekent men, dat een gezond kalf 1/t van zijne zwaarte dagelijks aan melk noodig heeft. Naar deze berekening heeft een kalf van 30 KG. dagelijks 5 KG. melk noodig. Verder heeft men nagegaan, dat elke 5 KG. melk het kalf een 1/2 KG. in gewicht doen toenemen.

Niet op eenmaal mag men het kalf de melk onttrekken, maar langzamerhand leert men het jonge dier tegelijk met de melk ander voedsel gebruiken, als hooi, brood, lijnkoeken enz. Melkkost mag echter het kalf in het eerste levensjaar niet gjheel onthouden worden De drank moet altijd lauw warm zijn. De verandering van voedsel bij jonge kalveren kan op de volgende manier het geschiktst geschieden: van 2 tot 3 weken, geeft men het eiken keer, in plaats van versche koemelk, 1 KG. gewone koemelk vermengd met Va KG.

-ocr page 19-

afgeroomde melk en C lood gekookt lijnzaad. Hiermede gaat men voort door telkens minder versche melk en meer andere bestanddeelen te nemen en na 3 of 4 wecken na de voederverandering, moet de versche melk Voor 5 KG. afgeroomde melk en V2 KG. lijnzaad heb-jben plaats gemaakt. Van tijd tot tijd geeft men het kalf een handvol best hooi, het liefst klaverhooi, waarvan het naar believen kan gebruiken. Is het jong 3 a 4 maanden oud, dan leert het ook ander voedsel tot zich nemen, zooals stukken lijnkoek, wortelen, knollen, enz. Niets gaat des zomers voor deze jonge diepen boven eene goede weide, waarin ze zich naar hartelust kunnen bewegen. Waar deze ontbreekt zorge men voor voldoende ruimte in de nabijheid van den stal, want loopen is voor het jonge dier even noodzakelijk als goede voeding. In het tweede jaar wordt het jonge vee op eene goede weide gedaan, waar het niet alleen lichamelijk ontwikkelt, maar ook voorbereid wordt tot de diensten, die het later zal moeten leveren. In den winter is gezond en goed hooi het beste voedingsmiddel voor het jonge vee.

S. Moe men melkkoeien moet behandelen.

Met recht worden aan de melkkoeien veel zorg en kosten besteed. Vooral in den laatsten tijd zijn er veel pogingen in 't werk gesteld, om toch vooral dat ras van koeien aan te fokken, hetwelk zich bizonder onderscheidt door een groote melkgift. Het ras op zich zelf doet hiertoe eigentlijk weinig af, dewijl onder alle rundersoorten sommige koeien gevonden worden, die door eene ruime melkopbrengst boven anderen uitmunten. De voeding en verpleging heeft grooten invloed zoowel op de qualiteit als op de quantiteit der melk.

R. 2

-ocr page 20-

Eerst dan, wanneer lt;le voeding is, zooals deze wi moet, kan men constateeren of deze of gene koe eene |hebb al of niet beste melkgeefster is. ren'

Wel heeft de ervaring geleerd, dat sommige kentee- de kenen eene goede of slechte melkgeefster aanduidend De voornaamste kenmerken eener goede melkgeefster i zijn: eene fijne en gladde huid, zacht en glanzig haar,1:

fijne beenderen, heldere oogen, een kleine kop en vooral een met dun, fijn en zacht haar bedekt uier, veidei een breed melkspiegel en sterk ontwikkelde meikaderen. Al kan men nu juist uit deze gegevens de hoeveelheid en de hoedanigheid der melk niet met zekerheid vooruit bepalen, toch is men tamelijk zeker, dat men met eene koe waaraan deze kenmerken gevonden worden niet bedrogen is. Dat er sommige runderrassen bestaan en daaronder weer enkele families gevonden worden, welke zich door eene buitengewoon groote melkgift onderscheiden, heeft de ervaring voldoende geleerd. Toch doen ook hierbij voeding en verpleging veel af; vooral is het van veel belang om goede melk-geefsters te bekomen, dat het kalf van jongs af aan goed gevoed wordt. Wordt het jonge rund in zijne jeugd verwaarloosd, dan zal er nooit eene goede melkgeefster uit groeien, al is het een afstammeling uit een goed melkgevend ras.

Zal de voeding bij melkkoeien het gewenschte gevolg hebben, dan moet deze tevens regelmatig geschieden. In den zomer komen in de eerste plaats de weiden in aanmerkingen in den winter de stalvoedering. Niets gaat bij een melkgevend rund boven eene goede weide ;

waar deze geheel of gedeeltelijk ontbreekt, moet de stalvoedering te hulp komen. Wanneer het de bedoeling is een tijdlang veel melk van de koeien te

wezen

-ocr page 21-

I

hebben en ze, zoodra de melkgift begint te verminderen, aan den slager te verkoopcn, doet men het best de beesten op stal te laten staan en hun alle beweging te onthouden.

ïfster) Hoe vroeger men met groentevoeder, als klaver, liaarA'lgras enz. kan beginnen, hoe grooter de melkgift zal gt; en l zijn. Daarom is 't voor den landbouwer raadzaam rder |zich toe te leggen op het verbouwen van vroege groente-ewassen als Spaansche klaver, rogge enz. Den ge-eelen zomer door zorgo men, dat het melkvee geen ebrek aan dit voeder heeft: de eene soort laat zich eter teelen, dan de andere, hetgeen meestal van de grondsgesteldheid afhangt; ook bevordert de eene soort meer de melkgift dan de anderen, maar de hoofdzaak is deze: het is in 't belang van den landbouwer, dat zijn rundvee den geheelen zomer door volop groentevoeder heeft. Behalve lijn- of raapkoeken geeft men het dier één of meermalen daags een weinig toevoer van stroo of hooi; dit heeft een tweeledig doel: eerstens om den eetlust beter te behouden en ten tweeden om het groentevoeder beter verteerbaar te maken. Wanneer de tijd aanbreekt waarin het groentevoeder allengs begint te verminderen en later in't geheel niet meer voorhanden is, wordt het eerst gedeeltelijk, later geheel door hooi, stroo enz. vervangen. Nat groentevoeder moet steeds met hooi vermengd worden. Groentevoeder moet niet te lang aan de zonnestralen worden blootgesteld en steeds bij kleine porties worden toegediend; onmiddelijk na het gebruik ervan mogen de dieren geen drinken hebben. Een geschikt middel om groen-tevoeder en hooi of stroo gemakkelijk met elkaar te vermengen is beiden lijn te maken. In den herfst zijn wortel- en knolgewassen benevens wat droog voe-

ntee-

J)

iden/

-ocr page 22-

der ook een zeer geschikt voedingsmiddel voor het melkvee. Zoodoende komt men langzamerhand tot het wintervoeder. Wordt dit door afval uit beetwortelsuikerfabrieken, bierbrouwerijen etc ondersteund, dan maakt zulks op de manier van voederen een groot onderscheid. Over 't algemeen echter is de afval uit branderijen, brouwerijen enz. beter geschikt voor mestvee dan voor melkvee, aangezien het van grooten invloed is op de qualiteit der melk en bij gevolg ook op die der boter, welke er zeer door in waarde vermindert. Waar geen afval van fabrieken etc. te krijgen is, komen wortel- en knolgewassen ten eerste in aanmerking als voeder gedurende den winter. Zij bevorderen niet alleen de melkgift, maar geven ook een' heerlijken smaak aan de boter. Ook aardappelen zijn een zeer goed voeder, doch bevorderen de melkgift slechts in geringe mate. In de tweede plaats komen hooi en stroo als wintervoeder voor het melkvee in aanmerking. Het laatste wordt om het beter verteerbaar te maken tot haksel gesneden, dat echter niet te kort mag zijn. Gerst- en haverstroo is beter dan tarwe- en roggestroo; ook het kaf, behalve dat van de gerst, kan zeer goed gebruikt worden. Hooi en etgroen van goede grassoorten, die goed gewonnen zijn, zijn op de qualiteit van melk en boter van grooten invloed en daarom voor het melkvee onontbeerlijk. Somtijds wordt, zooals reeds gezegd is, het hooi met stroo vermengd, ook dit mengsel is een zeer goed voedingsmiddel, doch het hooi moet er het voornaamste bestanddeel van uitmaken. Voor drachtige koeien is zuiver hooi te verkiezen boven een mengsel van hooi en stroo of stroo alleen, omdat hooi gemakkelijker verteerbaar en niet zoo zwaar in de maag is als stroo.

-ocr page 23-

Als krachtvoeder staan bij 't melkvee de oliekoeken bovenaan. Lijnkoeken zijn rijker aan voedende be-standdeelen dan raapkoeken, de laatste echter goed-kooper, waarom deze het meest gebruikt worden. Ze worden het vee in stukken of in den vorm van meel toegediend. Lijn- en raapkoeken bevatten olieachtige zelfstandigheden, die in water zich oplossen en een' onaangenamen geur en smaak geven aan melk en boter. Verder is het zeer aan te bevelen, het melkvee van tijd tot tijd wat toevoer van zemelen en fijngemaakt lijnzaad te geven. Het stroo en de schillen van dopvruchten, als : boonen, erwten, etc. moeten nooit aan melkgevende koeien gegeven worden, omdat zulks van een zeer ongunstigen invloed is op de melkafscheiding. Waar knol- en wortelgewassen, goed hooi en stroo geheel of gedeeltelijk ontbreken, moet men zijn toevlucht nemen tot havermeel, omdat haver boven alle granen de voorkeur verdient als voeder voor melkgevend rundvee. Het havermeel wordt met heet water tot een lauwwarmen brij geroerd en daarna met gekookte aardappelen, wortelen, knollen enz. vermengd en dan over het baksel gegoten, waarmee het goed doorgeroerd wordt. Wil men bizonder vette melk van zijne koeien hebben, dan moet men dagelijks ten naaste bij een 1/3 L. raapolie over haar gewone voedsel gieten; dit zal op de qualiteit der melk van buitengewonen invloed zijn. Wanneer melkkoeien ruimschoots en doelmatig gevoederd worden, zooals hier is aangegeven, heeft de melkgift geen' nadeeligen invloed op bare gezondheid; zij zullen niet aan lichamelijke zwaarte verliezen, maar daarin eer toenemen. Het laatste is ook noodig, omdat eene goede, melkgevende koe meer aan ziekten, vooral

-ocr page 24-

longziekte, is blootgesteld dan hare zusters, die minder melk geven.

Wanneer men flerhalve bespeurt, dat eene gezonde, ruimschoots melkgevende koe begint te vermageren, mag men met zekerheid aannemen, dat de voedering voor het dier niet toereikend is.

Men gewenne verder het melkvee aan gezette voedertijden ; dit bevordert de spijsvertering en daardoor ook de melkopbrengst. Na den maaltijd moeten de koeien zoo min mogelijk gestoord worden. De geschik-ste tijd van melken, poetsen etc. is daarom voor den vastgestelden voedertijd.

Het driemaal daags melken verdient de vooikeur boven tweemaal daags, omdat in het eerste geval de melkopbrengst grooter is. Nog moet hier opgemerkt worden, dat de organen, welke speciaal op de melkafscheiding van directen invloed zijn, voor alle nadee-lige invloeden van buiten als slaan, stoeten, plotselinge afkoeling enz. moeten gevrijwaard worden.

9. Over het vetmetten der runderen.

Tot vetmesten worden in den regel die koeien gekozen, welke als melkgeefsters minder geschikt of onbruikbaar zijn ; verder ossen en kalveren. In streken waar het vetmesten hoofdzaak is, worden 2 tot 3-jarige dieren genomen, die wel is waar weinig vet maar malsch en goed doorwassen vleesch leveren. Zoolang de runderen hun' vollen wasdom nog niet bereikt hebben, vormen zich meer vleesch- dan vetdeelen, hetgeen bij het mesten van volwassen runderen juist omgekeerd is. Kalveren worden hoofdzakelijk met melk gemest. De hoofdzaak bij 't vetmesten is, dat dit zoo spoedig mogelijk geschiedt, hetgeen men kan bereiken door de

-ocr page 25-

(lieren rijkelijk te voeden en hun datgene te geven wat veel voedende bestanddeelen bevat en toch gemakkelijk verteerbaar is. Wanneer hot rund op stal wordt gezet om gemest te worden, mag de voederverandering niet te schielijk plaats hebben, maar moot het dier langzamerhand aan het mestvoeder gewend worden. Regelmatig voederen, met een voldoende tusschenruimteomhet gebruikte voedsel te herkauwen is, een noodzakelijke ver-eischte; elke gedwongen beweging moet vermeden worden, het drinken moet lauwwarm zijn en de stal matig verlicht. Verder moet aan het reinhouden der huid alle zorg besteed worden. Ook wil de spijsvertering, vooral in 't begin van 't mesten, wel eens verstoord worden; het beste middel hiertegen is het aftappen van bloed, 't geen op verschillende manieren kan geschieden. Zoowel de qualiteit als de quantiteit van het voedsel is van grooten invloed op het mesten; verder is het niet van gewicht ontbloot hoe het voeder wordt vermengd, .bereid en toegediend.

Melk alleen is een geschikt voedingsmiddel tot vetmesting van kalveren. Wordt het volwassen rund in eene weide gedreven, waar het overvloed van malsch en gezond gras ter zijner beschikking heeft, en waar geen gebrek aan zuiver drinkwater is, dan is het dier in het najaar niet alleen vet, maar levert ook bizonder malsch en doorwassen vleesch.

Met de vetweiderij staat in nauw verband het mesten met gras, klaver en andere groentegewassen op stal. Goed fijn gesneden, zoodat het gemakkelijk verteerbaar is, is bovengenoemd groentevoeder vóór den bloeitijd een geschikt middel tot vetmesting. Na dien tijd kan het ook nog wol als zoodanig dienst doen, wanneer het met goed, fijngesneden hooi vermengd wordt. Ook is fijn-

-ocr page 26-

gesneden hooi vermengd mot meel, wortel- en knolgewassen als mestvoeder zeer aan te bovelen. Hierbij voegt men in don regel een paar maal daags een mengsel van warm water, waarin lijn- of raapkoeken, meel en zout zijn opgelost. Hoewel bet laatste bet vetmesten zeer bespoedigt, wordt de qualiteit van 't vleescb er niet door verbeterd.

ËO. Moe hel ruttd (0«) at* trekdier moet behandeld worden.

Het rund is voor zwaren en vermoeienden arbeid veel minder gescbikt dan hoc paard; om groote afstanden af te leggen of tot snel loopen is bet volstrekt niet in staat. Tocb is bet onder zekere omstandigheden ook als trekdier met voordeel te gebruiken. De ontmande runderen, ossen genoemd, kunnen na driejarigen leeftijd zeer goed als trekdieren in gebruik gesteld worden en verscboidene jaren dienst doen. In den regel worden ze ecbter slechts een paar jaar gebruikt en door jongeren vervangen ; de eerste worden dan op stal gozet om gemest te worden.

Ossen moeten zooveel rust hebben, als noodig is om het gebruikte voedsel te herkauwen, opdat de maag het regelmatig kan verteren. Daarom is het in streken, waar het rund veel als trekdier gebruikt wordt, regel, de ossen van tijd tot tijd te verwisselen, zoodat sommigen rusten terwijl anderen werken.

De ossen moeten verder met rustige en langzame schreden hun werk verrichten ; in dat geval is het hun ook mogelijk onder het werk te herkauwen; bij groote hitte of strengen vorst moeten ze met verschooning

-ocr page 27-

behandeld worden, daar zij voor liooge en lage temperatuur veel gevoeliger zijn dan het paard.

Hoe zwaarder de arbeid is, die van de ossen gevergd wordt, hoe beter en krachtiger ook de voedering moet zijn. In den zomer is voor hen het geschiktste voedsel, goed gras, vermengd met fijngesneden hooi, baksel en lijn- of raapkoeken. Later op het zomer, wanneer er aardappelen, knol- en wortelgewassen zijn, leveren deze ook een zeer geschikt voedingsmiddel. Waar groentevoeder ontbreekt moet men tot de zoogenaamde droge voedering zijn' toevlucht nemen, hetgeen met het beste succes geschiedt. Deze bestaat uit hooi, stroo, lijn- of raapkoeken, zoo mogelijk vermengd met wat meel of koren; het laatste mag alleen gebruikt worden, wanneer de dieren bizonder zwaren arbeid moeten verrichten. Ook aan zuiveren en doelmatigen drank mag het den ossen niet ontbreken. Men geve hun, altijd wanneer zij niet verhit zijn, twee- of driemaal daags koud drinken.

De ossen, bestemd om gemest te worden, moet men tegen den tijd, dat ze ten dien einde voor goed op stal zullen gezet worden, langzamerhand minder laten werken. Ossen, die in den winter wegens gebrek aan werk op stal moeten staan, geve men in dien tijd geen krachtig voeder; hooi en stroo zijn voldoende. Ten naastebij zes weken vóór de voorjaarsarbeid weer begint, worden zij krachtiger gevoederd.

Dat ook stieren buiten den paartijd met gunstig gevolg als trekdieren voor lichten arbeid kunnen gebruikt worden, is reeds gezegd, toen over fok-dieren is gesproken. Weinig in gebruik, maar ook niet aan te bevelen is het, om de koe arbeid te laten verrichten; voor zwaren arbeid is zij ten eenenmale

E 3.

-ocr page 28-

ongeschikt en de diensten, die zij als trekdier levert, zijn tot nadeel van den veehouder.

b. Voeding.

M. Ê,nrht

Voor alle levende schepselen is lucht eene eerste vereischte. Zoowel het nietigste wormpje als 'de reusachtige olifant moet het gemis er van met den dood bekoopen. Niet alle lucht is even geschikt om ingeademd te worden, evenmin als alle voedsel geschikt is, om het dierlijk organisme te onderhouden. Bedorven lucht werkt nadeelig niet alleen op de ademhalingsorganen, maar ook op de spijsvertering en heeft ten laatste den dood tengevolge. Zal daarom het rund gedijen, zijne diensten leveren en ons verder voordeel aanbrengen, dan moet het ruimschoots zuivere lucht hebben. In de weide is hieraan natuurlijk geen gebrek, daarom moet vooral bij 't inrichten van den veestal de noodige zorg worden besteed aan ven-tilatie-toestellen en later daarvan het rechte gebruik worden gemaakt.

In het hoofdstuk over den veestal zijn hieromtrent reeds eenige nuttige wenken aan de hand gedaan.

3. Over tie voedingtmiddelett voor runderen in 't algemeen.

Het rund is even als het paard een plantenetend dier, dat zoowel op hooge als in laag gelegen streken wordt aangetroffen. Daar gras zijn geliefkoosd voedsel is, gedijt het daar het best, waar goede weilanden worden gevonden. Behalve gras zijn wortel- en knolgewassen, evenals de afval uit sommige fabrieken, de aangewezen voedingsmiddelen voor het rundvee. Toch

-ocr page 29-

ver, maïs enz. als groentevoedor gebruikt en deze kunnen vooral bij melkvee met het beste gevolg aangewend worden. Onder de klaversoorten en peulgewassen komen vooral de roode en witte klaver, de luzernen, de Turksche klaver of esparsette, erwten en wikke in aanmerking; allen zijn bizonder rijk aan eiwitstof en worden door de runderen met graagte gebruikt. De laatstgenoemde stoffen worden ook dikwijls met andere grassoorten vrrmengd, waardoor een gezond, smakelijk en voedzaam voedsel wordt verkregen.

Wat wel hot voordeeligst is, den runderen op stal het groentevoedor te geven of hen in de weide te laten loopen, is moeielijk te zeggen, omdat de omstandigheden dikwijls van zoo verdchillenden .aard zijn. Zeker is het, dat van hetzelfde stuk weiland meer gras geweid dan gemaaid kan worden, en dat de runderen, die in de weide loopen, de planten steeds in jongen toestand gebruiken, dus wanneer ze nog sapjrig en voedzaam zijn; daarom zullen de runderen, die in eene goede weide volop voedsel kunnen vinden, beter gedijen dan die, welken het groentevoedor op stal wordt gegeven. Toch doen zich dikwijls omstandigheden voor, waaronder het niet mogelijk of niet raadzaam is, de dieren in de weide te drijven ; in die gevallen kan de groen-tevoedering op stal met de beste gevolgen aangewend worden. Het weiden heeft dit op de stalvoedering voor, dat de dieren in 't eerste geval zich vrij kunnen bewegen, volop frissche lucht genieten en gehard worden tegen de ongemakken van het weder. Het laatste is vooral voor jonge dieren van belang en de ervaring leert, dat dieren, in den stal groot gebracht, zich nooit zoo volkomen ontwikkelen als zij, die gelegenheid gehad hebben, vrij rond te dartelen,

-ocr page 30-

hunne krachten te oefenen en hunne ledematen te ontwikkelen. Onverschillig welke manier van voedering men volgt, voor beiden is veel voor en tegen te zeggen, en bij beiden heeft men ook op vorschillende zaken te letten.

In den laatsten tijd is de voedering met gedroogd groentevoeder sterk aanbevolen, terwijl men tegen die met versch gras velerlei bezwaren heeft. In de eerste plaats was het de ongelijkmatigheid bij de voedering met versch gras, waartegen men bezwaren had en in de tweede plaats de verwisseling van voeder, die een nadeeligen invloed op den groei en den gezondheidstoestand der dieren heeft. Hoewel het niet is te loochenen, dat bij do voedering van gedroogd groentevoeder meer gelijkmatigheid wordt verkregen, toch zal ook de kwaliteit van dit voedsel van vele omstandigheden afhankelijk zijn, zooals van den hooitijd, den ouderdom, de meer of mindere vruchtbaarheid van den bodem etc. Bovendien biedt de voedering met versch groentevoeder boven die met gedroogd, vooral in den zomer, zooveel andere voordeelen en gemakken aan, dat de eerste wel regel en de laatste uitzondering zal blijven.

Geen voedingsmiddel, dat onder zooveel verschillende omstand gheden voorkomt als het hooi. Hoe beter gras, hoe beter ook het hooi, dat daarvan bereidt wordt. De kwaliteit hangt er verder van af iioe het gewonnen wordt en geborgen. Goed hooi moet een aan-genamen, aromatischen en krachtigen geur hebben. Vroeger meende men, dat versch iiooi, dat nog niet uitgezweet had, zooals men dat noemt, schadelijk was voor de gezondheid der runderen. Latere proeven hebben echter geleerd, dat deze mconing geheel en al up eene

-ocr page 31-

kunnen bij de laatste, overigens zeer geschikte voedingsmiddelen, gras en hooi niet geheel gemist worden, omdat de maag van het rund zeer groot van omvang is en het dier behoefte heeft aan buikvulling. Koren heeft als voedingsmiddel voor het rundvee weinig waarde ; in den vorm van meel kunnen echter bij het mestvee sommige korensoorten zeer goed gebruikt worden. Ook stroo, hetzij in zijn geheel of tot baksel gesneden, kan als toevoer of vermengd met ander voeder zeer goed dienst doen. Het baksel mag niet te kort gesneden zijn, omdat het dan ongekauwd in de maag komt. Groentevoeder als gras, klaver enz. wordt het rundvee bij kleine porties tegelijk toegediend. Is dit voeder nat of oud dan wordt het met fijngesneden hooi of stroo vermengd, opdat de spijsvertering door het natte voeder niet gestoord worde.

3, tinot en wortelgetvatseu alt voedingamid-delen voor het rundvee.

Tot bovenstaande voedingsmiddelen rekent men aardappelen, mangelwortelen, knolrapen, de gewone gele wortelen, verschillende soorten van knollen enz. De aardappel wordt als voedingsmiddel voor melkkoeien rauw en voor mestvee gekookt gebruikt. In het eerste geval bevordert hij zeer de melkgift, maar de melk wordt sterk en waterachtig en levert harde en onsmakelijke boter. Voor drachtig rundvee is 't gebruik van aardappels geheel en al af te keuren, omdat dit een zeer ongunstigen invloed heeft op het nog ongeboren kalf. Ook de aardappelplant of het zoogenaamde loof kan zeer goed als voedingsmiddel gebruikt worden; de bessen echter bevatten een soort vergift en mogen niet aan het dier gegeven worden. 3quot;

-ocr page 32-

In 't algemeen zijn knolgewassen als voedingsmiddel voor het melkvee beter geschikt dan wortelgewassen. De eerste leveren smakelijker boter en bevorderen beter de melkafscheiding, terwijl de laatste het vetworden beter in de hand werken en daarom ook meer aan het mestvee gegeven worden.

S. Verach en gedroogd groentevoeder.

Onder groentevoeder voor onze huiszoogdieren verstaat men een mengsel van verschillende planten, wier stengel en bladeien meer of minder voedende bestand-deelen bevatten. Niet alle planten zijn hieraan even rijk; dit hangt af van den bodem waarop zij groeien, het jaargetijde waarin zij groeien en hun' ouderdom. Hoe moer lucht, licht en warmte zij genieten bij eene matige vochtigheid, hoe beter de kwaliteit is. Daarom zijn planten, die op de hellingen der bergen groeien voedzamer, dan die welke op effene vlakten wassen.

Tot aan haren bloeitijd worden de planten rijker aan voedende bestanddeelen, later nemen deze af en worden zij door onverteerbare houtvezels vervangen. Het rundvee kan bij uitsluitend gebruik van groentevoeder zeer goed gedijen. Jonge gras- en klaversoorten zijn een zeer geschikt en gezond voedsel voor teêre, zwakke of zieke runderen, omdat ze zoo gemakkelijk verteerbaar zijn en toch veel voedende bestanddeelen bevatten. Men onderscheidt de zoete of oigentlijke grassoorten van de zure of halve grassen, welke arm aan voedende bestanddeelen, maar daarentegen rijk aan zuren en zouten zijn, en voor den gezondheidstoestand der dieren niet deugen. Behalve de eigentlijke grassoorten, worden ook de jonge graanplanten als rogge, ha-

-ocr page 33-

dwaling berust on dat juist een matig gebruik er van eer aan te raden dan af te keuren is. Hooi, dat meer dan één jaar oud is, verliest langzamerhand aan waarde.

Het etgroen werd vroeger als een voedingsmiddel beschouwd van veel minder waarde dan liet hooi. Thans is men er echter van overtuigd, dat etgroen veel meer voedende bestanddeelen bevat dan hooi, juist omdat het uit jonge planten bestaat. Door het hooi te persen, hetgeen in sommige streken veel geschiedt, wordt het beter bestand tegen den invloed van het weer en beter geschikt om vervoerd te worden. Geperst hooi moet eerst fijn gesneden en goed los geschud worden, vóór men het den dieren geeft. Als voedingsmiddel alleen wordt hooi zelden gebruikt, maar in den regel met allerlei andere voedingsmiddelen vermengd. Toch mag het bij de voedering, vooral in den winter, volstrekt niet ontbreken, maar moet er dan een voornaam deel van uitmaken.

Meende men vroeger, dat stroo als voedingsmiddel weinig of geene waarde had, hiervan is men ook in den laatsten tijd teruggekomen, en wat men meende onverteerbaar te zijn, bleek later, dat het zeer goed verteerbaar was. Wel is waar bevatten de verschillende stroosoorten weinig voedende bestanddeelen, waarom ze als voedingsmiddel alleen niet toereikend zijn, maar als toegift heeft het stroo groote waarde. Niet alle stroosoorten zijn even rijk aan voedingsstoffen, dit hangt van verschillende omstandigheden af, en wel voornamelijk van de graansoort, waarvan het stroo gewonnen is, verder van de grondsoort waarop het gegroeid is, van de meer of mindere rijpheid van het graan, de manier waarop het geoogst is, van de plaats van bewaring, van den ouderdom etc. Het

-ocr page 34-

stroo wordt zoowel in zijn geheel als in den vorm van haksel gebruikt; in den laatsen toestand is het beter verteerbaar. Ook het kaf, uitgezonderd dat van de gerst, kan als voedingsmiddel zeer goed gebruikt worden, vooral wanneer het met knol- of wortelgewassen vermengd en over dat mengsel een weinig warm water gegoten wordt.

5. Krarhtvoerter.

Als krachtvoeder komen in de eerste plaats de lijn-en raapkoeken en het lijnmeel in aanmerking. Lijnkoeken zijn rijker aan voedende bestanddeelen dan raapkoeken en hebben daarbij niet dien olieachtigen sm vak, waarvan de dieren in den regel een' afkeer hebben. In den laatsten tijd worden ook boomwolkoeken en palm-koeken gebruikt, welke bizonder rijk aan voedingsstoffen zijn. Nog een ander, ook in don laatsten tijd in gebruik gekomen krachtvoedingsmiddel zijn de koeken van aardnoten. De aardnoot is de vrucht van eene plant (arachis hypogaea), die oorspronkelijk in de tropische gewesten te huis behoort, doch thans ook reeds in sommige streken vau Frankrijk en Italië wordt aangetroffen. De aardnootkoeken bevatten zeer veel veten eiwitstoffen, worden door de dieren gaarne gegeten en bevorderen in bizonder groote mate de melkafscheiding ; daarom is het gebruik ervan in de laatste twee jaren sterk toegenomen. De hierboven opgenoemde voedingsmiddelen worden naast die, welke arm aan voedende bestanddeelen zijn, als stroo, wortelen enz. met het beste gevolg gebruikt. Lijnkoeken zijn lichter verteerbaar dan raapkoeken, daarom verdienen de eerste als voedingsmiddel voor jonge dieren en melkkoeien de voorkeur boven de laatste. Palm-

-ocr page 35-

koeken leveren veel en vette melk en geven tevens aan de boter een' aangenamen smaak, toch mogen ze niet in te groole hoeveelheid gegeven worden, omdat daardoor de boter hard zou worden en dus in waarde verliezen. Per dag kan eene koe 1 KG palmkoeken en KG. oliekoeken verteren, zonder dat dit een' schadelijken invloed op melk en boter heeft.

Men hoede zich bij het inkoopon van lijn- of andere koeken als voedingsmiddelen voor het rundvee voor de vele vervalschingen, welke in den laatsten tijd onder dit artikel zoo menigvuldig voorkomen. Slechte lijnkoeken oefenen een' schadelijken invloed uit op de melkgilt en geven aan de melk een' onaangenamen smaak. \ erder heeft men nog te letten op den ouderdom der koeken en de plaats waar ze bewaard worden.

De hierboven opgenoemde verschillende soorten van koeken maken de voornaamste krachtvoedingsmiddelen uit. V erder komt nog in aanmerking de afval van verschillendej fabrieken, als bierbrouwerijen, branderijen, beetwortelsuikerfabrieken enz., doch we meenen over die zaken hier te mogen heenstappen, omdat ze maar in enkele deelen van ons land te krijgen zijn en wel hoofdzakelijk in het spoelingsdistrict.

II. ZIEKTEN.

a. Inwendige zichten.

I. Koorts in 't algemeen.

Wat over koorts in 't algemeen gezegd is bij de paarden, geldt ook bij het rundvee. Om den graad van kooits te beoordeelen moeten pols- en harteslag, alsmede de temperatuur van 't lichaam worden gade-

R 4

-ocr page 36-

geslagen. Het normale getal polsslagen is bij runderen even als bij de paarden van 50 tot 60 in de minuut; bij drachtige koeien wil dat getal wel eens stijgen tot 80. Om het getal polsslagen na te gaan, houdt men den vinger tegen de slagader bij de slapen. De hartkloppingen zijn bij gezonde koeien diep en onduidelijk voelbaar, eerst na eenige beweging zijn zij waarneembaar. De normale lichamelijke temperatuur is bij gezonde runderen 39 graden C.

Als bizondere koortsen komen bij het rundvee vooral in aanmerking de kalver- of melkkoortsen en de kwaadaardige katharrale- of zinkingkoortsen.

3. Kalver- of melhhoorta.

Deze ziekte kan als eene kwaadaardige zenuwkoorts aangemerkt worden, welke den koeien gewoonlijk 2-4 dagen na het kalven overvalt; zij is zeer gevaarlijk en heeft dikwijls den dood tengevolge. Bij de koe, door deze ziekte aangetast, is alle eetlust geweken, zij bibbert en trippelt onophoudelijk met de achterpooten; spoedig gaat ze liggen en is meesttijds niet m staat om zonder hulp weer op de been te komen: 't schijnt wel of ze kruislam is. Al deze kenteekenen volgen snel op elkander en na 36 a 48 uren heeft de ziekte haar toppunt bereikt. De koe ligt uitgestrekt op zijde, legt den kop naar de tegenovergestelde zijde der borst en verlegt men dien, dan neemt hij oogenblikkelijk weer dezelfde houding aan. Later worden ooren, snuit en beenen koud; het dier steunt, laat van tijd tot tijd een akelig geloei hooren, knarst op de tanden en verdraait de oogen; ook is het zeer onrustig en slaat herhaaldelijk met de achterpooten. De melkafscheiding heeft geheel opgehouden en de buik is opgezet. In

-ocr page 37-

sommige gevallen wijkt de eetlust niet geheel, toch is het beest niet in staat op te staan. Het verloop dezer ziekte is zèer snel; wanneer niet eer genezing intreedt, bezwijkt het dier na 3—5 dagen.

Dc oorzaken dezer ziekte zijn meesttijds onbekend. In sommige streken en stallen komt de kalverziekte dikwijls, in andere zeer zelden voor. Bizondere vetheid, rijkelijk en krachtig voeder vóór het kalven worden dikwijls als de oorzaken dezer ziekte beschouwd. Het meest komt de kalverziekte voor bij koeien, die gemakkelijk gekalfd hebben, ook heerscht ze niet alle jaren even sterk, zoodat ook de weersomstandigheden er invloed op schijnen uit te oefenen. Van den afloop dezer ziekte laat zich weinig voorspellen; dieren, die do ziekte in geringen graad hebben, kunnen plotseling verergeren en sterven, terwijl zij, op wier behoud schijnbaar geene hoep meer is, buiten verwachting weêr genezen.

Met do genezing moet zoo spoedig mogelijk begonnen worden, want het gevaar is in ieder geval zeer groot. De kranke moet een' tochtvrijen en warmen stal hebben met droog strooisel en wordt met eene deken gedekt. Gewoonlijk doet zich bij deze ziekte eene hardnekkige verstopping voor, daarom wordt de mest met de door olie bevochtigde hand voorzichtig uit den endeldarm verwijderd en daarop lavementen van zeepwater gezet. Om de 4 uur geeft men der zieke koe een' drank bestaande uit 3.75 g. kamfer, 90 g. Engelsch zout en Ys L. sterke kamillethee. Heeft de koe ontlasting gekregen, dan deugt dit middel niet meer, maar wordt het vervangen door een' drank, die op dc volgende manier wordt klaargemaakt: men neemt 90 g. baldriaanwor-tel, giet daarover L. kokend water, waarbij verder

4quot;

-ocr page 38-

nog gevoegd wordt 50 g. aether en 15 g. hoffmans-druppels. Heeft dit mengsel l1/, uur getrokken, dan geeft men der koe elk uur daarvan Va L. in. In de kruis-streek wordt de koe sterk ingewreven met eene zalf, die uit 15 g. Spaansclie vliegen, 45 g. ammoniak, 75 g. kinaolie en 75 g. lijnolie bestaat. In den laatsten tijd is het salicyzuur met gunstig gevolg aangewend tegen de melkkoorts. Dagelijks wordt der zieke 25—50 g. ingegeven, terwijl 5 g. in de baarmoeder wordt gespoten. De beenen worden voortdurend met stroo of wollen lappen gewreven. Wanneer de eetlust niet geheel geweken is, geeft men het zieke dier een weinig fijn hooi en als drinken lauwwarm water met zemelen of lijnmeel. Goed doorvoede en vette koeien moeten bij den aanvang der ziekte 4—5 KG. bloed afgetapt worden ; is de ziekte reeds gevorderd, dan helpt eene aderlating niet meer. Zoolang er nog melkafscheiding plaats heeft, moet de koe ten minste ieder uur worden uitgemolken.

3. Miatarrhalc- of zinkingkoortiten

Katarrhale koortsen zijn eene gevaarlijke ziekte. De meest gewone kenteekenen ervan zijn: verhoogde warmte aan den kop, droge muil, gezwollen oogleden, met bloed beloopene en tranende oogen, koortsachtige polsslag, moeielijk ademhalen en in 't algemeen groote moeheid en lusteloosheid. Uit neus en muil vloeit een onaangenaam riekend slijm, dat in 't begin doorzichtig, later bloederig en eindelijk dik en geel is. Na een paar dagen wordt het reeds zwakke beest door diarrhee overvallen en na verloop van 5 — 6 dagen sterft het, wanneer niet bij tijds beterschap intreedt.

De oorzaken dezer ziekte zijn nog weinig bekend. Vroeger werd gevatte kou in den regel als de oorzaak

-ocr page 39-

ervan beschouwd. Naar de meening van deskundigen in lateren tijd ligt daarin de oorzaak niet, maar meer in de bedorven lucht, die in vele veestallen heerscht, waardoor zich tal van microskopische insecten ontwikkelen, welke door de runderen worden ingeademd.

De behandeling der patiënten, door deze ziekte aangetast, is verre van gemakkelijk. Men legt eerst liet beest omslagen op den kop met leem en azijn en laat het waterdamp inademen. Dan geeft men het beest in vier achtereenvolgende keeren: 15 g. ammoniak met een afkooksel van lijnzaad, later eveneens vier maal 3.75 g. kamfer met een aftreksel van vlierbloesems. In beide mengsels zijn eenige droppels aether en hoff-mansdruppels zeer aan te bevelen. Hebben verstoppingen plaats, dan moet men niet verzuimen bijtijds lavementen te zetten. Verder moet het zieke dier een' warmen, tochtvrijen en toch frisschen stal hebben en licht verteerbaar voedsel. Zinkingkoortsen hebben veel overeenkomst met de gevreesde runderpest en hebben menigmaal tot verwarring daarmee aanleiding gegeven. De eerste ontstaan echter op de eene of andere plaats als van zelf, terwijl de laatste altijd van andere plaatsen wordt overgebracht. Zinkingkoortsen zijn niet erg besmettelijk en bepalen zich meest tot één enkel geval of tot éénen stal, terwijl de runderpest in hevigen graad besmettelijk is, zich verbazend snel over eene geheele streek verbreidt en een groot getal runderen ten gronde richt.

4. Meraensontêtehing.

Hersensontsteking is eene ziekte, die bij 't rundvee zeer zelden voorkomt. Bij 't begin der ziekte puilen de oogen uit hunne kassen, terwijl kop, ooren en horens

-ocr page 40-

eene buitengewoon hooge temperatuui' hebben. Hot dier is als 't ware dol, rukt zich met geweld los en krijgt van tijd tot tijd stuiptrekkingen door verschillende lichaamsdeelen; het laat een akelig geloei hooren, is zeer onrustig en staart met wilden blik in 't rond. Nadat de eerste verdooving voorbij is, komt een tijdperk van rust en bij nader onderzoek blijkt, dat er hevige koorts aanwezig is. De eetlust is, zoolang de verdooving duurt, geheel geweken. De duur der ziekte is zeer kort, gewoonlijk volgt reeds na een vérloop van 36 — 48 uur de dood; zeer zelden geneest het dier. Bij de opening van 't lijk vindt men dezelfde verschijnselen als bij 't paard, dat aan hersensontsteking is gestorven. Hoewel deze ziekte voel overeenkomst heeft met dolheid, moet ze daar tocli niet mee verward worden Ook komt hersensontsteking, wat uiterlijke kenteekenen betreft, veel overeen met miltziekte. In den regel worden jonge en krachtig gevoede dieren het eerst door eene hersensontsteking aangetast. Een breuk der horens of plotselinge afkoeling zijn meestal de oorzaken. Dit belet echter niet, dat ook bedorven of te heete stallucht, het blootstaan aan brandende zonnestralen etc. de oorzaken dezer ziekte kunnen zijn.

Bij de behandeling dezer kwaal wordt liet rund eerst goed vastgebonden, ten dieneinde wordt een sterk touw om de horens gedaan en wanneer het mogelijk is het losse eind door eene opening van den stalmuur gestoken, waar het door een paar man buiten den stal stevig wordt vastgehouden. Deze manier verdient de voorkeur boven vastbinden, omdat het dier in het eerste geval den kop kan bewegen zonder zich te kunnen losrukken; verder omdat het bij 't vastbinden

-ocr page 41-

kan voorkomen, dat liet beest den hals verdraait en den nek breekt, wanneer 't bij een' aanval van ver-dooving plotseling neerstort. Nadat men het dier een paar emmer vol koud water over den kop gegoten heeft, wordt het adergelaten, waardoor het 3 — 6 L. bloed verliest. Om geene verkeerde gevolgtrekkingen te maken, zij hier opgemerkt, dut runderbloed niet dadelijk stijf wordt en eerst na eenige dagen water en bloed zich scheiden. Verder legt men op den kop ijs of sneeuw en bij gebrek daaraan windt men het dier eene linnen lap om den kop en bevochtigt deze voortdurend met goed koud water. De zijden van den hals worden sterk ingewreven evenals bij een paard, dat kolderig is. Ook wordt het rund hetzelfde geneesmiddel toegediend als het paard, dat aan hersens-ontsteking lijdt, maar nu niet in den vorm van een deeg, maar in water opgelost als drank. Men neemt 60 g. salpeter en 270 g. Engelsch zout, lost dat in een L. water op en geeft het den patient in den tijd van 6 uur in tweemaal in: men zij echter voorzichtig, dat het beest niet stikke. Geregeld om de 2 uur worden lavementen van koud water gezet. Het beest moet tijdens de ziekte eene koele verblijfplaats hebben.

•». UalsontateHiug.

Als zoodanig noemt men eene ontsteking aan de luchtpijp of aan het strottenhoofd. De halsstreek is warmer dan gewoonlijk en tevens gezwollen; zij doet bij de minste aanraking pijn. Het slikken is zeer bemoeie-lijkt en de vloeistoffen, die het dier tot zich heeft genomen, komen geheel of gedeeltelijk weer uit de neusgaten terug. Het dier houdt den kop vooruit gestrekt, hoest dikwijls en de ademhaling is kort en ge-

-ocr page 42-

jaagd. Uit den heeten muil vloeit aanhoudend speeksel. Later wordt de ademhaling rochelend en luid hoorbaar, hot dier is zeer angstig en benauwd en somtijds doen zich gevallen van verstikking voor. Ook is het oorvlies soms ontstoken; in dat geval merkt men aan weerszijden van den hals gezwellen, die zeer pijnlijk zijn en snel in omvang toenemen. De halsontsteking ontstaat meestal door tocht of plotselinge afkoeling van het verhitte lichaam, bizonder werkt noor-dewind of koude regen deze ziekte zeer in de hand. In den regel is deze ziekte bij eene doelmatige verpleging van het dier niet gevaarlijk en na 6 of 8 dagen weer geweken.

Om de genezing te bespoedigen wordt de zieke adergelaten en het gezwel ingewreven met een mengsel van kinaolie en vluchtige zalf. Verder wordt de hals omwonden met een flanellen lap of schapevel. Geneesmiddelen voor inwendig gebruik kunnen niet aangewend worden, omdat het slikken zoo moeielijk gaat; daarom bevochtigt men elk half uur den muil met een mengsel van honig, azijn en lauw water. De stal moet erg warm zijn en vrij van tocht. Met moeite gebruikt het zieke dier den voorgezetten drank, maar groote dorst dwingt er toe. Neemt de ziekte na 4 of 5 dagen niet af, dan wordt aan elke zijde van den hals een etterband door de huid getrokken.

6'. Ijongontttekiug.

komt bij het rundvee veel zeldzamer voor dan bij paarden. Daar deze ziekte veel overeenkomst heeft met de bij het rundvee zeer dikwijls heerschende long- of veeziekte en daarmeê meermalen verward wordt, is het voor den veehouder niet onverschillig of hij met den aard

-ocr page 43-

der kwaal bekend is. De longziekte, waarover later zal gesproken worden, onderscheidt zich voornamelijk van de longontsteking hierdoor, dat ze zeer besmettelijk is, en laatstgenoemde niet. Bij longontsteking vordert het rundvee dezelfde behandeling als deze bij het paard omschreven is.

•. Uartontiteking.

Deze dikwijls onder het rundvee voorkomende ziekte raakt zoowel het hatt zelf als het hartvlies en is niet gemakkelijk van andere ziekten te onderscheiden. De patient heeft bij deze ziekte overeind staande haren en de horens zijn nu eens heet en een oogenblik later weer koud. Ook is er koorts; de polsslag is zeer gejaagd en do hartklopping zwak en benauwd. Het ademhalen gaat steunend en zichtbaar Pynhjk. Het zieke beest gaat gaarne liggen. De eetlust neemt af, in de spijsvertering hebben storingen plaats en het beest begint snel te vermageren. Het staat met opgeblazen lijf en hoogen rug, is hardlijvig en daarmee neemt de koorts sterk toe, terwijl de ademhaling moeielijker wordt. In dezen toestand heeft het zieke dier een afkeer van liggen; legt het zich, dan gebeurt dit zeer voorzichtig en de geheele houding verraadt pijn; deze blijkt nog te meer wanneer men met de hand op het schouderblad drukt. Legt men het oor tegen de linkerzijde Jer borst, dan hoort men een kletterend geluid; klopt men er op, dan verneemt men een doffen toon. De eetlust vermindert meer en meer, het herkauwen houdt op, evenals de melkafscheiding, maar de opgeblazenheid neemt toe en volgt hierop diarrhee, zoo kan men spoedig den

R. 5.

-ocr page 44-

dood verwachten Deze ziekte kan maanden lang duren.

De oorzaken der hartontsteking zijn meest van een' samengestelden aard; somtijds komt bij 't gebruik van voedsel een scherp on hard voorwerp in de maag, dit dringt langzamerhand door den wand der maag heen, gaat vervolgens door het middenrif en komt zoo door het hartvlies bij het hart zelf, waarin hot ten laatste blijft steken. Daar vindt men somtijds naalden, spelden, spijkers, messen, scharen etc., zelfs van aanmerkelijke grootte. Die voorwerpen kunnen daar ge-ruimen tijd zijn vóór ze het dier ten gronde richten en hebben soms jaren noodig om uit de maag in het hart te komen.

Ook door inwendige en onbekende oorzaken kan eene hartontsteking ontstaan. Haar verloop is dan echter veel sneller en de ziekte duurt slechts eenige dagen. Genezing gelukt zeer zelden en van eene geneeskundige behandeling kan eigentlijk geen sprake zijn. Eene aderlating in 't begin en verder eene fontanel aan de borst zijn almee de doelmatigste middelen, In 't algemeen is 't raadzaam het dier, door deze kwaal aangetast, bijtijds te slachten.

S. WjeverontsteUing,

Leverontsteking komt ook bij de runderen niet dikwijls voor; alleen in den winter gedurende de stal-voedering hebben enkele gevallen plaats. Bij de minste drukking in de streek der lever verraadt het beest door een onderdrukt gesteun pijn; het gebruikt weinig of geen voedsel; het wit van het oog, de tong en het tandvleesch hebben eene min of meer gele kleur

-ocr page 45-

eu de urine is donkergeel. De oorea en horens zijn afwisselend heet en koud, de melkgift vermindert bij de koeien sterk en houdt eindelijk geheel op; somtijds is een droge, pijnlijke hoest aanwezig en het dier gaat en staat alsof het bedwelmd is. Alleen bij goed gevoede en vette runderen is eene aderlating aan te raden. Als inwendig geneesmiddel gebruikt men een drank, die uit 7.5 g. braakwijnsteen, 60 g. salpeter, 3G0 g. Engelse! i zout en 90 g. gentiaanwortel bestaat ; dit mengsel verdeelt men in vier gelijke porties, waarvan er een om de 0—S uur vermengd met water wordt ingegeven. Houdt de ziekte lang aan, dan geve men het zieke rund 2—3 dagen lang eene pil, bestaande uit 3.75 g. kalomel (gezuiverd kwik), 15 g. aloë en 15 g. zeep, na 't gebruik hiervan volgt eene diarrhee, die in de meeste gevallen gunstig werkt. In de leverstreek. dus aan de rechterzijde van den buik, wrijft men eene plek ter grootte van een tafelbord terdege in met eene zalf, bestaande uit 22.5 g. spaansche vliegen» 3.75 g. terpentijn en ;gt;7)5 g. varkensvet. Bij aanhoudende verstopping is het zetten van lavementen noo-dig. Als voedsel geeft men den patient gras of ander groentevoeder en als drinken frisch water, vermengd met zemelen of lijnmeel.

9. narm- vit mangontuteking.

Zooals algemeen bekend is, is de maag der herkauwende dieren in vier afdeelingen verdeeld. De derde of vierde afdeeling en het darmkanaal worden het meest door deze ontsteking aangetast, somtijds ook wel maag en darmen te gelijk; in dat geval is het eene gevaarlijke ziekte, die dikwijls den dood ten gevolge heeft, vooral wanneer ze in de derde af-

5*

-ocr page 46-

deeling of voormaag haren hoofdzetel heeft en een gevolg is van uitwendige beleediging, als stooten met scherpe voorwerpen enz. Het aangetaste dici is zeer onrustig, slaat onophoudelijk met do achtcrpootcn naar den buik, buigt den kop zijwaarts en staat met gekrom-den rug. Het gaat herhaaldelijk liggen, om onmidde-lijk daarna weêr op te springen, het knarst op de tanden en geeft meer duidelijke teekenen van hevige pijn. Ooren, horens en muil zijn koud, de oogen staan glanzig cn wild, de buik is opgezwollen, terwijl alle eetlust verdwenen is. Van 't begin der ziekte af heeft er verstopping plaats en onder ongunstige omstandigheden gaat de ontsteking in weinige dagen in brand over, waarop de dood volgt. De oorzaken dezer ziekte zijn; gevatte kou, het gebruik van vergiftige kruiden en uitwendige kwetsuren.

In de eerste plaats is eene flinke aderlating noodzakelijk en om de l1/» uur geve men den patient eene halve flesch lijnolie met evenveel kamillethee Verder moeten om het half uur lavementen worden gezet, die uit olie, zeep, zout en water bestaan. Na de inwrijving van den buik met lijnolie, kinaolie en geest van ammoniak wordt deze aanhoudend met eene handvol stroo of een borstel gewreven. Is het gebruik van vergiftige planten de oorzaak dezer ziekte, dan moet de behandeling haren natuurlijken loop hebben. In den regel neemt men zijne toevlucht tot braakwijnsteen en lijnolie, en zoolang de mestafscheiding niet haren gewonen gang heeft, wordt dit middel eenige malen herhaald. Als drank geeft men den patient water vermengd met zemelen of lijnmeel. Langzamerhand ge-wenne men het dier weer aan t gewone voedsel, in

-ocr page 47-

de eerste dagen na de herstelling mag dit slechts gemakkelijk verteerbaar zijn.

lO. HSier- en blaasoututekinff.

Het dier staat met gekromden rug, bij den minsten druk in de nierstreek verraadt het hevige pijn, hetgeen ook het geval is, wanneer het den kop zijwaarts buigt. De nierstreek heeft bij deze ontsteking eene hoogere temperatuur dan in gezonden toestand. Niettegenstaande het dier sterken drang heeft tot water-loozing, is dc urine-afscheiding zeer belemmerd en het water veeltijds met bloed vermengd. Dc gang is traag en sleepend, de dorst zeer groot, de eetlust geweken en het herkauwen heeft opgehouden. Dc oogen staan star en puilen uit hunne kassen en hun' blik toont inwendige pijn. Dc mestafscheiding is gestoord en de mest zelf zeer hard. De oorzaken dezer ziekte liggen in gevatte kou of in het gebruik van schadelijke planten, waaronder de ranonkelachtige moeten gerekend worden. Stooten en slagen in de nierstreek kunnen deze ziekte ook veroorzaken.

Wanneer bijtijds geneeskundige hulp wordt aangewend, kan men met zekerheid op volkomen genezing vertrouwen. Men begint met eene aderlating, waardoor het beest 4—5 L. bloed verliest, daarop geeft men het om de 3 uur een' drank, bestaande uit 15 g. salpeter en 50 g. wijnsteen, in water opgelost. De harde mest wordt voorzichtig uit den endeldarm verwijderd en daarna lavementen gezet, bestaande uit water, waarin zout is opgelost. Heeft de ziekte reeds ccnige dagen geduurd, dan wordt de nierstreek sterk ingewreven met eene zalf, die uit 15 g. euphprbium, 3.75 g. braakwijnsteen en 37.5 varkensvet bestaat. Volgt er niette-

-ocr page 48-

genstaaude de aanwending van bovengenoemde geneesmiddelen niet spoedig beterschap, dan geeft men het rund tweemaal per dag nog den volgenden drank in : 7.5. g. kamfer, 22.5 g. salpeter en DO g. Engelsch zout in water opgelost. Het dier wordt zooveel drinken gegeven, als het verlangt, en als voedsel is groentevoeder bizonder aan te bevelen.

fl. Ontttteking tier baartuoeiler.

Omdat deze ongesteldheid, wat de uitwendige verschijnselen aangaat, vooral in 't begin veel met zogkoorts overeenkomt, wordt ze daarmee wel eens verward, hoewel bet verschil nog al groot is. Zij overvalt de koeien korten tijd na het kalven en gaat met de volgende verschijnselen gepaard ; de dieren zijn onrustig, hebben pijn in den buik, gaan veel liggen of staan met gekromden rug en laten een pijnlijk gesteun hooren. Jlet lijf is gespannen en pijnlijk, de achterste ledematen zijn als verlamd, alle beweging wordt zooveel mogelijk vermeden en de schaamlippen en schede zijn gezwollen. De baarmoeder is te zamen getrokken en zeer gevoelig voor den druk der hand, die in den endeldarm wordt gestoken. De uier is slap en de afgescheiden melk rood gekleurd. De urine- zoowel als de mest-afscheiding is zeer onregelmatig, terwijl de koorts de ademhaling verhaast. De pijn neemt steeds toe, ten laatste is het dier geheel verlamd en na 3 u 4 dagen

O

bezwijkt het onder hevige smarten.

De oorzaken ervan kunnen liggen in beleedigingen tijdens de bevalling, in 't terugblijven der nageboorte in te vroege bevalling en ook in 't gebruik van schadelijk voedsel.

De ontsteking der baarmoeder is hoogst gevaarlijk

-ocr page 49-

en vereischt spoedige hulp. Het aderlaten is hier beslist af te raden, beter is een inwendig geneesmiddel van 15—50 g. natron in gom opgelost, terwijl bij hevige pijn een afkooksel van bilzenkruid toegediend en in de schede een mengsel van gom en olie wordt gespoten. Verder worden lavementen van kamillethee en olie gezet en do lendestreek flink gewreven met eene prikkelende zalf. In de meeste gevallen is het verkieslijk het aangetaste dier te slachten ; steeds moet het van de gezonde drachtige koeien verwijderd worden.

MS. Het uUigakleeti tier baarmoeder.

Hei gebeurt soms, vooral wanneer de nageboorte terugblijft, dat de baarmoeder of dracht omkeert en naar buiten dringt. Dit geval is gevaarlijk, doch kan zeer goed verholpen worden. De uitgezakte baarmoeder is heet en ontstoken. Zij wordt eerst voorzichtig van het vuil gereinigd, met een lauwwarme, slijmerige vloeistof, bijv. een afkooksel van lijnzaad. Hiermede gaat men zoolang voort tot de spanning eenigszins geweken is. Ook kan men lauwwarmen azijn gebruiken, waarin een weing aluin is opgelost. Door het aanhoudend baden trekt de baarmoeder samen, waardoor het terugschuiven gemakkelijker wordt. Wanneer een gedeelte der nageboorte nog vast zit, moet dit worden verwijderd. Daarna beproeft men de dracht terug te schuiven; de koe moet daarbij op zij liggen en wel met het achterlijf veel hooger dan van voren. Ook in staande houding kan deze bewerking geschieden, mits de koe met de achterpooten hooger staat dan met de voorpooten. Wanneer de baarmoeder in den buik teruggedrongen is, houdt men beide handen voor de

-ocr page 50-

opening der schede, opdat zij niet opnieuw naar buiten dringt. Als de dracht reeds een geruimen tijd buiten het lichaam heeft gehangen, is ze gezwollen, koel en blauwrood van kleur. In dat geval moet de koe eerst adergelaten eu daarop de baarmoeder aanhoudend gebaad worden, terwijl ze door een zacht voorwerp ondersteund wordt. Nadat zij op hare plaats is teruggebracht, moet men er op bedacht zijn, dat ze niet weer naar buiten wordt gedrongen. Om dit te voorkomen wordt oen stuk sterk doek voor het achterlijf gebonden, terwijl men moet zorgen, dat de koe mot de achterpooten hooger staat dan met de voorpooten. Gelukt hot niet de baarmoeder op hare plaats terug te brengen, dan is het beest verloren.

13. Het terugblijven der nageboorte.

In gewonen toestand valt de nageboorte 4—6 uur na het kalveren van zelf af, is dit echter na 24—36 uur niet het geval, dan is dit eene onregelmatigheid, waaruit allerlei nadoelen kunnen voortvloeien. Het meest komt het laatste geval bij oude en zwakke koeien voor en vooral bij diegenen, welke moeilijk verlost zijn. Dit gebrek is natuurlijk duidelijk merkbaar aan het blijven hangen der nageboorte. Om deze te verwijderen gaat men als volgt te werk: Men houdt met de eene hand het naar buiten hangende deel der nageboorte vast, terwijl men met de andere, die met olie bestreken is, in de baarmoeder tast, om de nageboorte, die in den regel aan den mond daarvan vastzit, los te maken. Dewijl het beest hierbij zeer onrustig wordt, moet het stevig vastgehouden worden, opdat het niet ter zijde kan uit-

-ocr page 51-

wijken. Om deze operatie te vergemakkelijken, wordt de buik der koe met een zak of iets dergelijks ondersteund. In de meeste gevallen, wanneer er geen uitzakking van de baarmoeder bij plaats heeft, kan het geen kwaad, wanneer men de nageboorte 2 a 3 dagen laat hangen, meesttijds valt ze in dien tijd van zelf af. Is dit niet het geval, dan moet zulks door bovengenoemde kunstbewerking worden verkregen. Is de nageboorte reeds tot rotting overgegaan, dan scheidt het beest eene vuile vloeistof af| en worden lauwwarme inspuitingen van kamillethee en melk gemaakt. Ook inwendige middelen helpen soms om de nageboorte te doen verdwijnen, bijv. 15 g. zeven- of zavelboom, met bier om de 4—6 uur gegeven, of 15 g. potasch met 30 g. zavelboom; als 't noodig is geve men 3 zulke porties tegelijk.

I-t. JUFteumatieh.

Het aau rheumatiek lijdende dier gaat stijf en pijnlijk, ligt veel, staat traag en met moeite op en rilt soms als of het kou gevat heeft. In den regel heeft het nog tamelijk goeden eetlust, somtijds is die ook geheel geweken. Ooren en hoornen zijn afwisselend heet en koud. Soms tast de ziekte de klauwen of nog meer de gewrichten aan; deze zijn dan gezwollen, heet en pijnlijk. Het is niet gemakkelijk om op 't eerste gezicht met zekerheid te zeggen of de koe aan rheumatiek of een andere ziekte lijdende is. Rheumatiek met koorts gepaard duurt in den regel 8—10 dagen, rheumatiek alleen kan soms verscheidene weken en maanden aanhouden. De oorzaken liggen in gevatte kou of te sterk voeder.

Bij de behandeling moet men eerst onderzoeken of

R.6

-ocr page 52-

er al of geen koorts is. In het eerste geval wordt het beest adergelaten, en als inwendig geneesmiddel krijgt het om de 3—4 uur een' drank van 15 g. ammoniak, 15 g. salpeter en 90 g. Engelsch zout in water opgelost. Hiermee gaat men voort tot er geregelde ontlasting volgt. Zijn de klauwen aangetast, dan worden deze met vlas of hippen omwonden en aanhoudend met koud water begoten. Wanneer de gewrichten aan rheumatiek lijden, worden zij dikwijls met een mengsel van water en wijngeest warm gewas-schen. Gaat de rheumatiek niet met koorts gepaard, dan kan men goed gevoede koeien eene flinke aderlating doen ondergaan. Als inwendig geneesmiddel geeft men het beest in dit geval een aftreksel van 90 g. jeneverbessen en 90 g. alsem, waarop 2 L. kokend water zijn gegoten. In den loop van den dag wordt dit in 2 of 3 keer lauwwarm ingegeven. Heilzamer werkt dit middel wanneer er tevens 11—15 g. braakwijnsteen en 30 g. ammoniak in opgelost is. Het ge-heele lijf wordt dikwijls met een borstel geschuierd en rug en beenen met twee gelijke deelen kamfer-spiritus en kinaolie ingewreven. Wanneer na 6—8 dagen geene beterschap is ingetreden, voegt men aan dien drank nog 10 g. kamfer en 20 g. kinaolie toe, om dit in den loop van een dag in te geven. Tijdens de behandeling moet de patient een warmen stal hebben, met eene deken gedekt zijn en goed gevoed worden.

IA. Jte verlamming bij kalveren.

De verlamming bij kalveren is even als bij veulens eene ontsteking van verschillende leden, waarmee inwendige pijn gepaard gaat; zij ontstaat plotseling, doch

-ocr page 53-

haar verloop kan van langen duur zijn. Gewoonlijk gaat rleze ontsteking met zwelling van hoef-, sprong-of kniegewrichten vergezeld, die in dat geval heet en pijnlijk zijn. Do hierdoor aangetaste kalveren kunnen nauwelijks staan, houden op met zuigen of drinken, ademen snel en moeilijk en uit den neus vloeit aanhoudend slijm. Verder lij len ze veel aan diarrhee, vermageren sterk en sterven na 6—8 dagen aan verval van krachten.

De oorzaak dezer ongesteldheid moet voor een groot deel aan het voedsel worden toegeschreven, hoewel koude en vochtigheid daarop ook op van invloed zijn. Om ze te voorkomen is eene doelmatige voedering der moe-derdieren noodzakelijk. Reeds gedurende den draagtijd moet men hierop bedacht zijn. De door deze ziekte aangetaste dieren worden wollen banden om de gewrichten gebonden, nadat de leden met kamferspiritus zijn ingewreven. Door de melk, die liet kalf tot voedsel krijgt, wordt stijfsel of beenderenmeel geroerd en bij verstoppingen lavementen van zeepwater gezet. Verder moet de patient een' drogen en warmen stal hebben en tegen koude beschut worden.

16. Xavelsf retifjoiit.sti'Iehifj,

Deze kwaal komt bij kalveren niet zelden voor en kan doodelijk zijn; zij ontstaat doordat de navel zich na de geboorte van 't kalf niet sluit en daardoor de navelstreng in staat gesteld wordt zich verder te ontwikkelen. In normalen toestand wordt de laatste 4 a 5 dagen na de geboorte droog, valt na 8 a 12 dagen af en na 20 a 30 dagen is de navel vergroeid. Dit gebrek is bij jonge kalveren te vreezen, wanneer de navel dik en sponsachtig is. Er kunnen da-

-ocr page 54-

gen en weken verloopen eer dc eigenlijke ontsteking zichtbaar is, maar zij heeft dan ook zoo'n snel verloop, dat de dood spoedig volgt, doordat er etter in de buikholte vloeit.

De oorzaken dezer kwaal zijn niet altijd na te gaan; nu eens moeten zij aan 't gebruik van schadelijk voedsel door 't moederdier tijdens den draagtijd, dan aan beleediging van den navel tijdens de geboorte worden toegeschreven. Het eenigste middel om ontsteking te voorkomen wanneer de aanleg daarvoor bestaat is, den navelstreng onmiddelijk na de geboorte zoo kort mogelijk aan den buik af te binden.

I.7. Hvhurjt.

Bij het rundvee komt de schurft veel zeldzamer voor dan bij het paard. Dc verschijnselen zijn echter vrij wel gelijk. Ook bij de runderen neemt men eerst kleine puistjes op de huid waar, die roode plekken achterlaten, wanneer zij verwijderd worden. Wanneer de puistjes talrijker worden, ontstaan hier en daar op de huid plekken met bloederige en witte roven en de haren vallen op die plaatsen uit. De met wonden bedekte huid is dik en rimpelig, terwijl de jeuking zeer sterk is; daarom schuurt en wrijft het dier langs alle voorwerpen, die onder zijn bereik zijn. De schurft heeft een zeer langzaam verloop. Wanneer niets gedaan wordt om het beest te genezen, begint het langzaam te vermageren en gaat eindelijk ten gronde.

Wat omtrent de oorzaak dezer ongesteldheid bij het paard gezegd is, geldt ook voor het rundvee. Ook hier wordt de schurft door mijten veroorzaakt, waarvan twee soorten voorkomen, eene die niet in de huid dringt en aan de groote- of paardeschurftmijt volkomen

-ocr page 55-

gelijk is en eene die zich voornamelijk in den omtrek

van het staartbeen in grooten getale ophoudt en zich van daar zeer langzaam over de andere deelen van het lichaam verspreidt. De eerste soort kan zich op andere dieren en op menschen overplanten, de tweede niet. Om het rund van de schurft te genezen, wordt het eerst van de andere beesten verwijderd, in een drogen, warmen stal gezet en goed gevoed. Dan wordt het met groene zeep en water flink gewasschen, waarbij men zich van een' borstel bedient. Daarna wordt de huid bestreken met een mengsel van 250 g. zeep en 1 KG. teer; dit moet warm gebruikt worden. Wanneer vele dieren door deze kwaal zijn aangetast, neemt men het volgende waschmiddel: '2 KG. tabak wordt in een' emmer water een uur lang gekookt, de tabak daarna verwijderd en bij het afkooksel 500 g. zwavel en 250 g. potasch gevoegd. Dit mengsel wordt nog weer een half uur lang gekookt en nadat het van 't vuur genomen, maar nog heet is, wordt er onder aanhoudend roeren nog 500 g. hertshoornolie bijgevoegd. Met deze vloeistof wordt de huid steeds warm gedurende 5 a 6 dagen één keer per dag flink gewasschen. In den regel is hiermee de kwaal geweken; mocht dit niet 't geval zijn, dan wordt de inwrijving herhaald.

IS Ofiif inrorm

Bij het rundvee komt, vooral aan kop en hals, nooit beneden aan de pooten, een huiduitslag voor, die in't begin uit kleine, allengs grooter wordende, ronde vlekken bestaat, waarop tal van puistjes gevonden worden. Deze uitslag veroorzaakt afbreken en uitvallen van 't haar en leidt tot ettervorming in de huid. Wanneer de eene plek genezen is, wordt een nieuwe aange-

-ocr page 56-

tast en dit kan, wanneer er niets tegen gedaan wordt, maanden lang aanhouden. Do dauwworm gaat niet alleen gemakkelijk van 't eene rund op 't andere over, maar plant zich ook voort op menschen, wanneer die er mee in aanraking komen. Het beest kan men gemakkelijk door de huid ecnige keeren in te wrijven met zeep en teer of zeep en terpentijnolie van deze kwaal bevrijden. Bovendien moet de stal gereinigd en de zieke van de gezonde runderen gescheiden worden,

19. Genlaehtsziehte.

Even als bij de paarden, komt ook bij runderen de geslachts- of venerische ziekte voor. De koeien, die daardoor aangetast zijn, wateren pijnlijk en slechts kleine hoeveelheden tegelijk. De schaamspleet is ge-zwollen, rood, heet en pijnlijk, de koeien zijn voor de minste aanraking der geslachtsdeelen zeer gevoelig, en dragen den staart zijwaarts. Op de slijmhuid der schede zijn een groot aantal blaasjes te vinden, die spoedig doorbreken en roode vlekken achterlaten. In de teol-deelen heeft eene sterke slijmafscheiding plaats, de eetlust is verminderd en het dier heeft nu en dan aanvallen van koorts.

Van de oorzaak dezer ziekte is tot nu toe weinig bekend, alleen weet men dat ze bij de paring van 't eene op 't andere dier overgaat. Bij stieren is do roede gezwollen en bedekt met blaasjes en etterende puistjes. Om de dieren van deze kwaal te genezen worden de geslachtsdeelen met koud water herhaaldelijk flink gereinigd. Dieren aan deze ziekte lijdende mogen niet tot dekking gebruikt en moeten van de gezonden gescheiden worden. Of de melk voor den mensch nadeelig is, wordt betwijfeld, maar men doet

-ocr page 57-

verstandig ze niet te gebruiken, vooral niet voor kinderen.

30, monrtsiiekte bij kalveren.

Deze ongesteldheid valt direct in 't oog, omdat het kalf niet zuigt, en snel vermagert. Op de tong zijn een menigte blaasjes zichtbaar, het tandvleesch is gezwollen en ontstoken en de mond steeds vol speeksel. Meesttijds zijn schadelijke bestanddeelen in de moedermelk de oorzaak.

Om het jonge dier van de mondziekte te genezen giet men Vs L. kokend water op 45 g. vlierbloesems, laat dit een half uur trekken en voegt er dan 60 g. honig en 15 g. aluin bij; hiermee wordt de mond 4 of 6 maal per dag gewasschen. Heeft er verstoring in de spijsvertering plaats, dan geeft men het kalf 3 dagen lang eiken morgen een poeder door de melk, dat uit o./o g. rhabarber, /.5 g. krijt en een weinig ammoniak bestaat.

3M Parnsieten op en in de huid.

a. Luizen.

Deze komen het meest bij kalveren en jonge runderen voor, vooral wanneer deze slecht gevoed worden of een muffigen en vuilen stal hebben. Deze parasieten hebben hunnen zetel vooral aan den kop, den hals, den rug en de schouders. Wanneer er niets wordt gedaan om het beest van deze lastige gasten te bevrijden, kunnen zij het ten gronde richten. Om het beest te genezen wordt 500 g. tabak met 5 L. water een half uur gekookt, de tabaksbladeren daarna verwijderd en bij het afkooksel 2 L. brandewijn gevoegd; met dit

-ocr page 58-

mengsel wordt de huid een tijdlang dagelijks bestreken. In den laatsten tijd wordt ook wel petroleum met gunstig gevolg aangewend.

b. Engerlingen.

In het voorjaar en in den zomer legt de brems of paardevlieg hare eieren in de huid van het rundvee. Deze vlieg is roodbruin, met 4 zwarte punten op de borst en van bruine haren voorzien. Zij heeft de grootte eener bij. Het rundvee wordt in den zomer door dit insect veel geplaagd. De in de huid gelegde eieren veranderen in maden o: engerlingen, die zich met de sappen onder de huid voeden. De zitplaats der larve onder de huid wordt door een ronde puist aangewezen. In het volgende voorjaar komen de larven van onder de huid te voorschijn en veranderen in poppen en later in paardevliegen. Eene menigte engerlingen ontnemen het rund een massa voedende sappen, waardoor het begint te vermageren. Daarom is hel zaak, de maden zoo spoedig mogelijk te verwijderen, hetwelk gemakkelijk kan geschieden door met een mes een gat in de puisten te maken, om de larven op die manier naar buiten te brengen. In de onstane wonde wordt een weinig kiuaolie gegoten.

88 GebreH aan eetlust

Gebrek aan eetlust gaat in den regel met eene andere ziekte gepaard. Wanneer dit niet het geval is, maar dit euvel aan overlading van de maag of gevatte kou moet worden toegeschreven, geeft men het dier 2 maal daags een eetlepel vol van het volgende poeder: 150 g. kalmuswortcl, 150 g. alsem, 30 g. gember, 150

-ocr page 59-

g. keukenzout met water bevochtigd; hiermee gaat men 8 dagen voort.

83 Koliek

Dczg ongesteldheid gaat bij 't rundvee niet met zulke vreesdijke aanvallen gepaard als bij het paard. Het beest houdt bij een aanval van koliek op met vreten, drinkt veel en er is verstopping. Eerst na verloop van 2 tot 8 dagen begint het moedeloos te worden, cn gaat veel liggen, al is 't ook s echt.^ \ ooi korten tijd. Hoornen, ooren en pooten zijn afwisselend heet en koud. De pens schuift aan de linkerzij van den buik sterk naar buiten, zoodat men het daarin aanwezige voedsel met de hand kan voelen. Wanneer na 2 of 3 dagen geene ontlasting volgt, begint het dier te steunen, staat met gekromden rug, slaat met de pooten naar den buik en heeft voel aandrang tot mestafscheiding. Later wordt de blik wezenloos, de oogleden beginnen te zwellen en het dier sterft een pijnlijken dood.

Meesttijds ontstaat deze ziekte door overmatige voedering van zwaar verteerbaar voedsel.

Hoewel koliek niet zoo gevaarlijk is als trominelzucht, leeft ze, wanneer niet spoedig hulp opdaagt, toch dikwijls den dood tengevolge. Men behandele den patient als volgt: de mest wordt met de hand uit den endeldarm verwijderd en dan ieder uur lauwwarme lavementen gezet, bestaande uit eene oplossing van 125 g. keukenzout, 250. g. lijn- of raapolie, 125 g. zeep eu 1 L. water. Als inwendig geneesmiddel geeft men alle 4 uur GO g. Engelsch 'zout, -.DO g lijnolie en lli L. water, hetgeen men zoolang herhaalt tot er ontlastinsr vol ft

ö o *

R. 7

-ocr page 60-

a#. Werkeloosheid iter maag

Het komt bij het rund niet zelden voor, dat de maag, vooral de derde afdeeling, vast en hard wordt, waardoor de spijsvertering onvolkomen is. De ziekte is hieraan kenbaar, dat de gebruikte voedingstoffen onverteerd weer uit het lichaam raken, aan de beslagen tong en den verminderden eetlust. In den regel heeft deze kwaal een langzaam verloop. De patient wordt met den dag erger, de ademhaling is bemoeilijkt, de lichaamstemperatuur afwisselend heet en koud, het herkauwer, heeft opgehouden en de mestafscheiding geschiedt zeer ongeregeld. De dieren liggen veel doch niet lang op dezelfde zijde, vermageren snel, de oogen vallen in en de hierop volgende maag- en darmenontsteking heeft spoedig den dood tengevolge. De oorzaak dezer ongesteldheid moet gewoonlijk in het gebruiken van veel en onverteerbaar

voedsel gezocht worden.

Om deze kwaal te genezen lost men 7,5—11 g. braakwijnsteen op in een afkooksel van alsem, waarbij nog een portie Engelsch zout gevoegd wordt. Hiervan wordt het beest 250—500 g. tegelijk ingegeven. Helpt dit middel niet, dan wordt aloë of aloë-extract in warm water opgelost en het dier daarvan 15 g. ingegeven, hetgeen men 3 maal herhaalt. Wanneer de ziekte een langdurig verloop neemt, wordt 75 g. tabak in 1 L. water gekookt en hierbij 250 g. keukenzout gevoegd. Deze massa moet in eenmaal worden ingenomen. Als laatste middel neemt men zijn toevlucht tot de zoogenaamde penssnede, eene gevaarlijke operatie, die alleen aan veeartsen is toevertrouwd. De van deze kwaal

-ocr page 61-

genezen runderen moeten geruimen tijd licht verteerbaar voedsel hebben.

85. Trommelzucht

In do meeste gevallen wordt hot dier zonder eenige merkbare voorteekenen door deze ziekte overvallen. Het houdt onmiddelijk op met vreten en herkauwen, do buik zwelt zichtbaar op, vooral aan de linkerzij. Slaat men met de hand op den buik, dan geeft dit bijna een geluid als van eene trom, van daar de naam trommelzucht. Bij het toenemen dezer ongesteldheid staat het beest met een hoogen rug, de pooten bij elkaar en den staart ver van 't lijf, terwijl de endeldarm gezwollen is. Do oogen puilen uit hunne kassen, de aderen op de huid zijn gezwollen en de ademhaling is gejaagd, pijnlijk en angstig. Dikwijls neemt de ziekte binnen een half uur of een uur zoodanisc toe, dat de uitwendige deelen koud worden. Het dier siddert, zwenkt van angst naar rechts en links, valt van de been en sterft een pijnlijken dood. De naaste oorzaak dezer gevaarlijke ziekte bestaat hierin, dat de patient waterstof en koolzuur tot zich heeft genomen, die zich in de maag ontwikkelen, en noch voor noch achter ecu' uitweg kunnen vinden. Hei haastig en gulzig vreten van verschillende soorten vcrsch groentevoeder brengt bovengenoemde gassen in de pens.

Van tijdige en doelmatige hulp hangt het leven van 't dier af. Is het gevaar groot, dan steekt men met een scherp mes in den buik en een dun buisje, bijv. een riet, in de daardoor ontstane opening Om de juiste plek te weten waar men steken moet, meet men van de heup naar het midden van den buitenrand der valsche ribbe en van den lendewervel eveneens naar

-ocr page 62-

hel midden van den buitenrand dier ribbe; waar de lijnen elkander snijden, is het punt waar men steken moet. Dadelijk na het insteken stroomt de lucht met kracht naar buiten, maar de buis mag nog niet dadelijk worden verwijderd, omdat de lucht zich somtijds opnieuw verzamelt. Bij het insteken behoeft men niet heel angstvallig te werk te gaan, want de pens is zoo groot, dat het op een paar cM. rechts of links niet aankomt. Men kan ook de in de maag aanwezige lucht verwijderen door eene elastieken buis van uit den bek door den slokdarm in de maag te brengen. Wanneer hot laatste middel zonder uitwerking blijft, geeft men het dkr elk half uur een eetlepel vol geest van ammoniak met lji L. water of 10 g. chloorkalk. Ook het rondleiden van den patient, begieten met koud water, wrijven met stroo, verwijderen van den mest, gedurig lavementen zetten etc., zijn zeer heilzame hulpmiddelen.

'iO. tmcle audit.

Deze ziekte ontstaat, wanneer de gal, die in normalen toestand door de galbuizen in den twaalfvinge-rigen darm vloeit, verhinderd wordt weg te vloeien ; dat gebrek moet aan de lever of aan de galbuizen worden toegeschreven. Dieren, door de gele zucht aangetast, hebben eene gele slijmhuid; ook de lippen, het tandvleesch en het wit van de oogen zien-geel. De eetlust is verminderd, de tong beslagen e:i de urine donker geel gekleurd. De dieren beginnen allengs te vermageren, en de huid is droog en dikwijls met uitslag bedekt. Onder aan den buik ontstaan waterachtige gezwellen; de oogen schuilen diep in hunne kas-en en de dieren gaan aan verval van krachten te

-ocr page 63-

gronde, wanneer de oorzaak der ziekte niet wordt weggenomen, en de gal haren gewonen loop terugkrijgt.

Wanneer do gele zucht aan eene ongesteldheid van de lever moet worden toegeschreven, is eene aderlating noodzakelijk; verder worden in de leverstreek inwrijvingen gemaakt met eene prikkelende zalf en het beest veel zuur drinken gegeven. Als inwendig geneesmiddel is 7.5 g. kalomel met Engelsch zout zeer aan te bevelen. Wanneer storingen in de galgangen de oorzaak zijn, kan het volgende geneesmiddel dienen : 30 g. aloë, 30 g. ftiabarber, 120 g. kalmuswortel, 120 g. biüdriaan, 120 g. Engelsch zout, worden onder elkaar vermengd en van dit poeder wordt liet rund 2 of 3 maal daags een eetlepel vol ingegeven. Tijdens de behandeling en ook nog geruimen tijd daarna moet de patiënt een warmen stal en licht verteerbaar voedsel hebben.

2». MHarrhce bij kalvereu

Niet zelden ontstaat bij zuigende of zoogenaamde melkkalveren door de een of andere oorzaak eene verstoring in de spijsvertering, die met diarrhee gepaard gaat. De dieren staan treurig en lusteloos, maken met den staart korte draaiende bewegingen, hebben geen eetlust, vermageren sterk en sterven binnen weinige dagen aan verval van krachten.

Om deze kwaal zooveel mogelijk te voorkomen, wordt de melk met water verdund en bij 1 L. melk 1 theelepel vol natron gevoegd. Blijkt deze voorzorg onvoldoende te zijn, dan maakt men een deeg van 30 g. aluin, 30 g. rhabarber en 15 g. krijt, dat het beest in 2 dagen op de gewone manier wordt ingegeven. Bij

-ocr page 64-

hevige aanvallen neemt men 20—40 druppels opium-tinktuur.

88, Huiktoop.

Buikloop ontstaat door eene ontsteking van het slijmvlies in het darmkanaal; vooral komt zij in den dikken darm veelvuldig voor. Deze ontsteking ontstaat meesttijds plotseling en gaat met diarrhee en verstopping gepaard. De aangetaste dieren staan lusteloos, met de pooten bij elkaar en met gekromden rug. Zij lijden veel aan buikpijn en de afgescheiden mest is bi-zonder dun en dikwijls met bloed vermengd. De ontlasting gaat met pijn gepaard en op den endeldarm wordt veel aandrang uitgeoefend. De eetlust is geweken en het herkauwen heeft opgehouden, terwijl de dorst is toegenomen. Het dier wordt met den dag zwakker, vermagert snel en sterft binnen weinige dagen. Deze ziekte heerscht meest in hot voor- en najaar en ontstaat in de meeste gevallen uit gevatte kou. Is zij van een' lichten graad, dan is volkomen herstel niet onmogelijk, maar in zeer vele gevallen gaat zij met doodelijken ailoop gepaard Als inwendig geneesmiddel geeft men den diereu elk half uur ]/2 L. afkooksel van GO g. lijnzaad in 2 L. water, waarbij nog 45 g. lijnolie gevoegd wordt. Bovendien wordt de buik met een mengsel van 2 gelijke deelen kina- en lijnolie ingewreven. Wanneer de diarrhee na een paar dagen niet ophoudt, geeft men het dier het volgende geneesmiddel in; 22.5 g. aluin, 45 g. poeder van zevenblad en 3.75 g. opium vermengd door Va L. afkooksel van lijnzaad. Bij lievige koorts moet het rund adergelaten worden.

-ocr page 65-

Zoodra deze ziekte intreedt wordt het beest op dieet gezet en in een warmen stal geplaatst.

Bizondore vermelding verdient de zoogenaamde witte buikloop, die alleen pasgeboren, zelden oudere dieren aantast. Deze kwaal is zeer besmettelijk, vandaar dat vele kalveren tegelijk er onder lijden. Geneeskundige hulp levert bij deze ongesteldheid weinig of geen resultaten op.

3.9. nioetlwntering

Bij bet bloedwateren is de urine met bloed vermengd en daardoor rood gekleurd. Dit euvel komt bij runderen menigvuldig voor en dikwijls bij vele dieren tegelijk. Bij liet dier neemt men weinig ziekteverschijnselen waar, het vreet goed, herkauwt geregeld, is opgewekt als altijd en zelfs de melkgift is niet verminderd; de melk zelf is somtijds min of meer rood gekleurd. Hot rund gaat stijver dan in gezonden toestand en met het achterlijf sleepend. Bij het toenemen der ziekte komen storingen in de spijsvertering voor, waarop verstopping volgt. Eerst dan begint de eetlust te verminderen, de huid wordt droog, do oogen tranen en trekken in hunne kassen terug, en de slijmhuid heeft eene vuil gele kleur. De urine wordt steeds donkerder van kleur, de krachten nemen af en de dood maakt spoedig een einde aan het lijden.

Bij eene doelmatige behandeling is het bloedwateren niet levensgevaarlijk. De duur der ziekte is meesttijds kort, in den regel van 8—14 dagen. Vroeger was men algemeen van gevoelen, dat het gebruik van scherpe en schadelijke planten en voedingstoffen de oorzaak der bloedwatering was. De ervaring en nauwkeurige waarneming hebben echter geleerd, dat deze

-ocr page 66-

ongesteldheid meer aan 't gebruik van grassen, die op een voclitigen of veenachtigen bodem groeien, moet worden toegeschreven. Groen te voeder van dergelijke weiden heeft dezelfde nadeelige uitwerking. Ook het water uit moerassige slooten of putten werkt zeer na-deelig. Tevens is de weersgesteldheid niet zonder invloed op het ontstaan der bloedwatering. In sommige streken komt deze kwaal jaarlijks voor.

Om het rund van deze ongesteldheid te genezen, wordt het van de weide gehaald, op stal gezet en daar van droog voeder voorzien. Komt ze bij dieren voor, die op stal staan, dan gaat men eveneens tot voederverandering over. Dikwijls is door dezen maatregel binnen weinige dagen de kwaal geweken; is dit niet het geval, dan moeten geneesmiddelen aangewend worden. Als huismiddel neemt men een paar handen vol houtasch door een emmer vol slijmigen drank gemengd. Onder de talrijke overige middelen verdienen de volgenden de voorkeur; 3.75 g. steenolie 2 maal daags op brood gestreken, 0.99 g. loodsuiker 2 maal daags door een weinig melk geroerd, 1/2 eetlepel vol kinaolie en evenveel koolteer dagelijks door wat meelwater vermengd, 2 g. kamfer, 7.5 g. aluin en 22.5 g. wilgen-bast 2 maal daags in water opgelost. Van deze middelen kiest men één uit en gebruikt dit 5—8 dagen. Het beest mag dan volstrekt niet worden adergelaten.

30. WJrineverstopphtg.

Ossen en stieren lijden niet zelden nan verstopping der urine, welke door de zoogenaamde blaassteentjes wordt veroorzaakt; deze dringen uit de blaas in de pisroede, die daardoor verstopt raakt en de urine afsluit.

t

-ocr page 67-

Houdt dit lang aan, dan hoopt de urine zich zoodanig in de blaas op, dat deze springt en het dier sterft. Wanneer het gezonde dier druppelsgewijze watert, kan men met tamelijk veel zekerheid aannemen, dat het aan urine-verstopping lijdt. Is men in twijfel, dan strijkt men met de vlakke hand langs de pisroede; wanneer deze evenals de blaas in normalen toestand is, beginnen de dieren direct te wateren. Als de verstopping 3—4 dagen lang aanhoudt, wordt de kranke onrustig, loopt angstig heen en weer en doet herhaaldelijk vergecfsche moeite om te wateren. Heeft na 8—10 dagen de verstopping niet opgehouden, dan springt de blaas en het dier sterft. Bij de opening van 't lijk vindt men 2 of 3 emmer vol water in den buik en de blaas gescheurd. Het eenigste middel, dat in dit geval genezing kan aanbrengen, is het verwijderen van den steen uit de pisroede door eene operatie. Het dier wordt dan voorzichtig neergelegd en de pooten gebonden. Hierop maakt men 10—15 cM. beneden de uitmonding van den endeldarm, juist in het midden tusschen de schenkels, in den bilnaad eene 5—8 cM. lange insnijding in de huid, waardoor de pisroede als een dikke, ronde streng te voelen is. Nu drukt men de roede over hare geheele lengte zeer sterk om te onderzoeken of hieraan ook oen harde en pijnlijke plek te vinden is. Is dit zoo, dan snijdt men met een scherp mes in de pisroede tot op den steen en neemt dezen er uit. De wonde wordt daarop dichtgenaaid en het beest in vrijheid gesteld. Deze kunstbewerking moet aan den veearts worden toevertrouwd.

31. Duixeliug en vallende teiekte,

Eene duizeling overvalt het dier plotseling; zijn

R. 8.

-ocr page 68-

gang is onzeker en wankelend, het valt neer en ligt een korten tijd zonder bewustzijn, als ware 't dood. In sommige gevallen maakt het in liggende houding onregelmatige bewegingen.

Bij vallende ziekte, die het dier of plotseling overvalt öf hare nadering door onrust, sidderen en wankelen te kennen geeft, heeft het dier zijn bewustzijn en gevoel verloren; het maakt met de pooten en den hals krampachtige bewegingen, die met steunen en rochelen gepaard gaan; het schuim ligt op den bek en de oogen staan verdraaid. De toevallen duren van een kwartier tot een uur en keeren op onbepaalde tijden terug.

De oorzaken van beide kwalen zijn moeielijk na Ie gaan en blijven in de meeste gevallen onbekend. Van duizeling kan men het beest soms nog genezen, van vallende ziekte nooit. De beste middelen zijn aderlating en laxeerende dranken.

38. Miltvuur.

a. Met en zonder bloedvinnen.

Het miltvuur komt bij het rundvee veel vaker voor dan bij de paarden en neemt dikwijls zoo'n snel verloop, dat het reeds na weinige uren, ja somtijds na eenige minuten doodelijk kan zijn ; ook kan het eenige dagen duren. Steeds is het eene gevaarlijke ziekte.

Zeer dikwijls wordt het beest plotseling zonder eenige merkbare voorteekenen door het miltvuur aangetast en sterft het na eenige minuten of is slechts een paar uur ziek. Het dier is angstig, wendt zich van rechts naar links, staat met de pooten ver van elkaar, laat een

-ocr page 69-

akelig gebrul hooren en stort neêr. Ook gaat liet soms direct liggen, terwijl neus en mond met een bloederig schuim bedekt zijn. Zoodra de dood is ingetreden of eenige oogenblikken later vloeit uit mond en endeldarm bloed, bet lijk zwelt ongemeen op en gaat spoedig tot ontbinding over.

Neemt bet miltvuur niet zoo'n snel verloop, dan neemt men de volgende verschijnselen waar : sidderen met de achterpooten, stuiptrekkingen door hetgeheele lichaam, moeheid en hangenden kop. Bij melkkoeien neemt de melkgift snel af. In sommige gevallen begint de ziekte, vooral bij vette en goedgevoede dieren, met brullen, slaan, stampen met de pooten etc. Vele patienten hebben allen eetlust onmiddelijk verloren, anderen vreten voort, somtijds tot aan hun dood. In 't begin staan de oogen vurig en glinsterend, later worden zij mat en betrokken en de oogleden geel. Het ademhalen gaat moeielijk en steunende en de mond is zeer heet. Zoo kan het dier 18—3b uur en somtijds nog langer doorbrengen, tot eindelijk de beenen koud en de adem koel wordt; het beest valt neer en sterft onder hevige stuiptrekkingen.

Meestal komen gedurende deze ziekte op verschillende plaatsen van het lichaam van tijd tot tijd puisten en gezwellen van verschillende grootte voor, die afwisselend heet en koud zijn. In den regel verschijnen ze bet eerst in de streek van het strottenhoofd, van waar zij' zich over andere deelen van bet lichaam verspreiden. Deze puisten hebben somtijds de grootte van een menschenhoofd.

Bij de opening van het lijk zijn nog meer teekenen van miltvuur te bespeuren dan bij het levende dier. Van buiten is het lijk zeer gezwollen en do buik ton-

8quot;

-ocr page 70-

vormig opgezet. Uit neus en mond vloeit oen bloederig slijm. Onder de huid zijn bloederige striemen en vlekken te bespeuren en daar, waar de puisten zitten, branderige plekken. Bij het opensnijden van don buik ontsnapt een stroom stinkende lucht. Maag en darmen zijn met lucht gevuld en met roode of zwarte vlekken overtrokken. De lever, longen en nieren zijn in den regel murw en bloederig; de milt is gezwollen, dikwijls enorm vergroot en in eene violetkleurige en weeke massa veranderd. Het bloed is zeer donker, bij zwart af, en stolt niet. De ervaring heeft geleerd, dat deze kwaal van localen aard is; er zijn streken waar zo in 't geheel niet voorkomt en geheel onbekend is. Zij moet worden toegeschreven aan het inademen van besmettelijke stoffen, die zich met het bloed vermengen. Deze ziekte plant zicii niet alleen op andere runderen over, maar op elk dier en zelfs op menschen, wanneer deze met aan miltvuur lijdende koeien in aanrakins; komen.

Door het snelle verloop der ziekte kan er in vele gevallen van geene geneeskundige behandeling sprake zijn en moeten wij alle zorg aanwenden om de gezonde dieren voor besmetting te vrijwaren. Deze worden dagelijks 2 of 3 maal met koud water begoten. Tiet drinkwater moet rein zijn en met azijn vermengd Goed gevoede en krachtige dieren geeft men een laxeerend middel van 2ö0—500 g. Engelsch zout, in water opgelost. Bij groote hitte worden de dieren op koele plaatsen gezet, en van de gezonden zoover mose-lijk verwijderd.

De aan miltvuur lijdende runderen worden, voor zoo ver de tijd het toelaat, op de volgende manier behan-

-ocr page 71-

deld. Eerst eone aderlating, waarmee 3—4 L. bloed-verlies gepaard gaat en als inwendig geneesmiddel geeft men om de 2 of 4 uur 22.5 g. salpeter en 120 g. Engelsch zout in Va L. water; hiermee gaat men zoolang voort tot er diarrhee volgt. In plaats van salpeter en Engelsch zout kan men den patient ook om het uur 15 g. chloorkalk met water vermengd ingeven Als drinken krijgen de dieren koud water met 50 g. zwavelzuur op eiken emmer vol, hiervan laat men zooveel gebruiken als zij verlangen. Ook wordt het zieke dier 2 of 3 maal daags zoolang met koud water begoten, tot het begint te sidderen, daarna wordt de huid met stroo flink gewreven en met eene wollen deken gedekt. Als zich puisten of gezwellen vertoonen, moet men met begieten ophouden, want daardoor dringen deze in het lichaam terug, en dan heeft bloedvergiftiging plaats, die doodelijk is. liet aangetaste dier wordt, zooals reeds gezegd is, van de gezonden verwijderd, op eene koele plaats gezet en van licht verteerbaar voedsel voorzien Wanneer er verstopping is, worden lavementen van zout water gezet. Door de puisten trekt men etterbanden of men brandt ze met een gloeiend ijzer. In den kaatsten tijd heeft men bij miltvuur met gunstig gevolg kamfer aangewend. Men geeft daarvan oin het uur 3 75 g. met 15 g. ammoniak en evenveel salpeter met water. Ook een lepel vol geest van ammoniak in een fleseh water elk half uur ingegeven kan van gunstigen invloed zijn. Wanneer hierop zichtbaar verbetering volgt, gaat men voort met ingeven, doch minder vlug.

Om stallen en dieren te desinfectceren kan het kar-

-ocr page 72-

bolzuur goede diensten bewijzen. Bij het omgaan met een aan miltvuur lijdend rund, is de grootste omzichtigheid aan te bevelen. Hoewel de lucht van den patient voor den monsch niet gevaarlijk is, kan toch een enkel druppel bloed van het beest in eene open wond doodelijk zijn; hiervan zijn tal van voorbeelden.

h. Het rug gebloed.

Het ruggebloed is' een bizondere soort van miltvuur. In 't begin staan do dieren moe en lusteloos, trippelen aanhoudend met de pooten, vreten en herkauwen niet meer, en de buik is gezwollen. De ontlasting heeft zeer ongeregeld plaats en de mest is met bloed vermengd, droog en hard; ook de urine is donker gekleurd en met bloed vermengd. Do slijmhuid van den endeldarm is heet en gezwollen. Neemt de kwaal toe, dan verraadt hot dier hevige pijn; later ligt het veel en is niet in staat overeind tc komen; ooren, hoornen en pooten worden koud en het sterft na korten tijd. Naast do overige verschijnselen van miltvuur vindt men, na de opening van het lijk, nog eene slijmerige vloeistof in den endeldarm. Het ruggebloed is niets anders dan miltvuur, dat voornamelijk den endeldarm aantast. Men neme zich in acht geen hand in den endeldarm te steken, om den mest daaruit te verwijderen, hiervan zijn reeds vele gevallen van bloedvergiftiging het gevolg geweest.

c. Tongvuur (kanker.)

Deze ongesteldheid, die ook een soort miltvuur is, kenmerkt zich door het afscheiden van een groote massa speeksel, dat voortdurend uit den muil vloeit. Dc tong is sterk gezwollen en eveneens met speeksel

-ocr page 73-

bedekt. Voor en tijdens het uitbreken der ziekte vreet het dier zeer goed. Bij onderzoek van den muil bespeurt men op de tong ronde blaasjes, die in 't begin geelwit, later bruin of zwart zijn en de grootte eener hazelnoot hebben. Zij bevatten een kleverig vocht, dat de overige monddeelen aantast en de tong verder indringt. De uitgeademde lucht verspreidt een onaan-genamen reuk; de geheele mond even als de slokdarm en maag zijn branderig ; dit duurt slechts korten tijd, daarop volgt sidderen en opzwellen van den buik, de voorboden van den dood. Wanneer niet bijtijds hulp wordt verleend is deze kwaal doodelijk; eene tijdige en passende hulp kan echter, hoewel zeer langzaam, genezing aanbrengen.

De oorzaken dezer kwaal, die somtijds op uitgebreide schaal heerscht, zijn dezelfde als bij het miltvuur. Het in aanraking komen met bloed of andere sappen uit het lichaam dezer patienten kan voor andere dieren en ook voor menschen doodelijk zijn.

Bij de behandeling wordt de muil van het kranke rund geopend en de tong zoover mogelijk uit den bek gehaald. (Men doet verstandig hierbij de hand met een droge, wollen lap te omwinden.) De blaren worden met een scherp mes van de tong gesneden en de wonden met water en azijn uitgewas-schen. Vindt men onder die blaren reeds zweren, dan worden deze met zoutzuur bevochtigd of met een gloeiend ijzer gebrand en met sterken azijn afge-wasschen. Nog eenvoudiger is de volgende behandeling. Nadat de tong uit den bek is gehaald, wordt zij met een tinnen lepel schoon afgeschraapt en de daardoor ontstane wonden met zoutzuur en azijn afge-

-ocr page 74-

wasschen. Ook wordt wel eens 15 g. ammoniak, 250 g. azijn en 125 g. honig genomen.

Vooral in 't begin bewijst het uitspoelen van den mond met 1 L. koud water, waarin 45 g. chloorkalk is opgelost, goede diensten. Inwendige geneesmiddelen kunnen in den regel niet aangewend worden, omdat het dier niet kan slikken. Wanneer deze kwaal onder een troep runderen voorkomt, wordt elk dier dagelijks nauwkeurig onderzocht, om dadelijk hulp te verleenen, wanneer het door de ziekte wordt aangetast.

d. Staartworm.

Bij deze merkwaardige, zeldzaam voorkomende ziekte, die ook een soort miltvuur is, vallen in 't begin de haren aan de punt van den staart uit; later begint de staart te zweren en te etteren en nu en dan vallen er stukken, soms ook de geheele staart af. Deze ongesteldheid kan, wanneer zij het dikste deel van den staart heeft aangetast, doodelijk zijn. De dieren verliezen den eetlust, zijn koortsig, de gang is wankelend, het opstaan valt hun moeielijk en weinigen tijd later sterven zij aan verval van krachten. Wanneer deze kwaal in lichten graad optreedt en er nog geene etteringen voorkomen, gelukt het soms de ziekte door afwassching met water en azijn te stuiten. Later wascht men den aangetasten staart met warm water en groene zeep. Zijn de gezwellen reeds tot ettering overgegaan, dan worden de aangetaste plekken van den etter gereinigd en met terpentijnolie ingewreven. Neemt de ziekte in weerwil van de aangewende geneesmiddelen toe, dan is het eenigste en zekerste middel om den staart, zoover hij aangetast is, af te

-ocr page 75-

zetten en de wonde met een gloeiend ijzer dicht te branden. Deze operatie is zeer eenvoudig.

33. nolheid.

Dolheid ontstaat meesttijds door den beet van een dollen hond, en vertoont zich na onbepaalden tijd, somtijds na 2—40 weken en nog later, in den regel na 6 of 8 weken. Tot aan het uitbreken der ziekte is het dier volkomen gezond; dan wordt het moe en lusteloos, vreet niet meer, staat met hangenden kop, laat de ooren hangen, siddert en wankelt met het achterlijf, waarbij een eigenaardig knarsend geluid hoorbaar is. De oogen zijn dof en rood, en de muil is met speeksel gevuld. Het beest laat van tijd tot tijd een akelig geloei hooren. Het dier lekt de wonde tot bloedens toe of het schuurt er mee langs de voorwerpen, die onder zijn bereik zijn. Verdere ziekteverschijnselen zijn : snelle vermagering, onnatuurlijke ontlasting, trippelen met de pooten, voortdurend slaan met den staart, etc. De meeste patiënten zijn rustig en geduldig, anderen razen en brullen, vooral wanneer zij een hond of een kind in hunne nabijheid zien.

Van herstel kan bij deze lijders geen sprake zijn, want de kwaal is in elk geval doodclijk ; daarom schrijft de wet voor, om het aangetaste dier af te maken, zoodra aan den aard der kwaal niet meer valt te twijfelen. Somtijds kan het uitbreken der dolheid nog voorkomen worden, door den beet, wanneer deze nog versch is, met water en azijn uit te wasschen en dan met een gloeiend ijzer sterk te branden. Daarna bestrijkt men die plek met spaansche vliegenzalf, om ze eenige weken etterende te quot;houden. Alle andere

II. 9

-ocr page 76-

middelen hebben tot nu toe geene resultaten opgeleverd.

34. Mond en Ulauwenxeer.

Gewoonlijk komen beide ziekten te gelijk voor, en tasten zij niet alleen den ganschen veestal, maar een geheel district aan en dan ook schapen en varkens, zelden paarden. De eerste kwaal kenmerkt zich door den rooden met speeksel gevulden muil; de eetlust is gering en de melkgift zeer verminderd, terwijl de melk zelf dun en waterig is. Op den tweeden of derden dag na het intreden dezer kwaal ontstaan op de tong en het tandvleesch roode punten, die zich spoedig tot blaasjes vormen, ter grootte eener hazelnoot, en met een klare, waterachtige vloestof gevuld zijn. Het dier scheidt een enorme massa speeksel af en kan van wege de pijn in den bek niet vreten, daarentegen drinkt het veel. Na korten tijd springen deze blaasjes open, daaruit ontstaan roode plekken, waarop een korst komt, die later sterft en afvalt. Weinige dagen later zijn de gewonde plekken weer begroeid, het dier begint weer te vreten en krijgt zijne gezondheid terug. In den regel is; deze ziekte van een goedaardig karakter, zij geneest binnen eenige dagen van zelf, wanneer voor een passend dieet gezorgd wordt. Op zich zelt is zij nimmer doodelijk. Somtijds gaat ze eclitei met maag- en darmenontsteking gepaard; in dat geval kan zij tot miltvuur overslaan, waaraan vele dieren sterven.

Het mond- en klauwenzeer is eene besmettelijke ziekte, die zich in 3 tot 6 dagen over een gebeden veestapel kan uitstrekken. In sommige gevallen is de kwaal van zoo weinig beteekenis, dat ze reeds na een paar

-ocr page 77-

dagen weer gewekeu is, in andere gevallen duurt ze van 10 tot 12 dagen.

Gelijktijdig met het mond- en klauwenzeer komt ook de zoogenaamde uier uitslag voor. Het uier is dan bizonder gevoelig, heet en gezwollen, rooder dan gewoonlijk en de melkafscheiding vermindert. Somtijds komen ook blaasjes aan den uier voor, die openspringen en korsten vormen, welke na een paar dagen afvallen.

Het door mond- en klauwenzeer aangetaste dier heeft veel koorts en vreet weinig. Het gaat gaarne liggen, trekt wanneer het staat telkens de pooten omhoog, zet zo bij 't gaan voorzichtig neer cn gaat meermalen kreupel. Do hoefsploet cn de kronen der hoeven zijn gezwollen, heet en binnen korten tijd vormen zich hier blaasjes, die openspringen en eene etterende wonde achterlaten. Na een paar dagen zijn ook de klauwen zelf aangetast; de etter dringt dan soms in het hoornachtige deel van den hoef en dit kan het afvallen eener klaauw tengevolge hebben. Wanneer een beest eerstgenoemde ziekte heeft, blijft het gewoonlijk van de tweede verschoond en omgekeerd. Het komt echter ook voor, dat het aan beide ziekten tegelijk lijdende is ; hoe erger dan in den muil, van te minder betoekcuis is ze aan de klauwen en omgekeerd.

Gewoonlijk is geneeskundige behandeling overbodig, de meeste pationten genezen binnen weinige dagen van zelf. Ook den duur der ongesteldheid laat zich niet bekorten. De zieke runderen moeten volslagen rust ilebben, op zacht strooisel worden gezet of in eeno goede weide gedreven worden. De blaren in den bek laat men zitten tot zij van zelf openspringen. Is de muil van binnen

-ocr page 78-

erg rauw en pijnlijk, dan kan men met gunstig gevolg het volgen le middel aanwenden: 15 g. aluin en evenveel blauwen vitriool lost men in 2 L. water op en voegt daar eene handvol meel bij ; hiermede wordt de bek 2 of 8 maal daags voorzichtig gewas-schen of met een lapje bevochtigd. Wanneer het afgescheiden speeksel een stinkenden reuk verspreidt, wordt de muil 2 maal daags met eene oplossing van 15 g. chloorkalk en 1 L. water bevochtigd. De uieruitslag geneest meesttijds van zelf. Dit kan men echter bespoedigen door den uier, wanneer de blaasjes zijn opengesprongen, met olie of room te bestrijken. Ontstaan etterende zweren, dan worden deze met eene oplossing van aluin en blauwen vitriool bestreken; de uier moet 2 of 3 maal daags voorzichtig uitgemolken worden.

De melk van deze dieren is voor kalveren en varkens nadeelig en dikwijls doodelijk. Ook voor den mensch is ze schadelijk en voor jonge kinderen levensgevaarlijk. Door koken verliest ze hare nadeelige eigenschap.

Ook het klauwenzeer geneest in den regel van zelf. Ontstaan etterende zweren, dan worden de hoeven ge-wasschen met eene oplossing van 30 g. aluin of blauwen vitriool in 1 L. water. Alle losse hoorndeelen worden weggesneden, opdat de etter vrij kan wegvloeien. Het dier moet een stal met zacht strooisel of eene goede weide hebben en tevens alle mogelijke rust. Er bestaan geen middelen om deze kwaal te voorkomen en wanneer ze eenmaal onder het rundvee is uitgebroken, laat ze zich door niets beteugelen, omdat zij in hooge mate aanstekelijk is.

-ocr page 79-

35 Eongviekte

De longziekte is eene besmettelijke kwaal, alleen aan het rundvee eigen, en naast de runderpest de gevaarlijkste onder het hoornvee. Zij zetelt in de longen, die daardoor veel te lijden hebben, en komt op tweeerlei wijze voor, zonder en met koorts; de eerste gaat de laatste vooraf en kan van langer of korter duur zijn. De longziekte begint met een drogen hoest, die zich nu en dan laat hooren, vooral bij 't drenken, des morgens bij 't openen der staldeur en bij 't drijven naar de weide. Later wordt deze hoest heviger en pijnlijk, het dier is moe en lusteloos, heeft borstelige en overeind staande haren, de melkgift neemt af, de eetlust wijkt, liet herkauwen geschiedt onregelmatig, do ademhaling is bemoeielijkt en gaat met op- en nedergaande beweging der ribbekast gepaard. Legt men bet oor tegen de borst, terwijl men tegen de borstholte klopt, dan is reeds verandering aan de longen te bepeuren. Langzamerhand beginnen zich verschijnselen van koorts te openbaren. De polsslag is gejaagd, de harteslag nauwelijks voelbaar, de lichamelijke temperatuur afwisselend heet en koud, de ademhaling steeds gejaagder en het hoesten dof en pijnlijk. De eetlust is geheel geweken, het herkauwen houdt op en bij melkkoeien ook de melkafscheiding. De aangetaste dieren gaan óf in 't geheel niet of slechts voor korten tijd liggen, zij vermageren allengs, do huid wordt droog en vast, de oogen schuilen in hunne kassen, uit neus en mond vloeit een kwalijk riekend slijm, de totale verzwakking bereikt een hoogen graad en 2 of 3 weken na hot begin der koorts volgt de dood, meesttijds door verstikking.

-ocr page 80-

De oorzaken der longziekte werden vroeger aan verschillende invloeden toegeschreven, tegenwoordig aan slechts twee. Eerstens kan de zieke om verschillende reden van zelf ontstaan en ten tweeden kan ze van 't eene rund op 't andere overgaan, omdat ze hoogst besmettelijk is. Wanneer een rund de smetstoften in zich heeft opgenomen, breekt de ziekte na een paar, soms nog na 10 en meer maanden uit. De smetstoften blijven het aangetaste dier lang bij, doch schijnen het teo-en een nieuwen aanval te beschutten.

Gewoonlijk levert geneeskundige behandeling bij deze patienten weinig of geen resultaten op en sterven zij wanneer de ziekte een zeker hoogte heeft bereikt.

Vertoont de kwaal zich, zoo moet zonder verwijl gehandeld worden, om grooter verlies te voorkomen.

Ten eersten doet men alle dieren uit den stal, die min of meer zijn aangetast ; beter nog is het de gezonden te verwijderen en de zieken in den toch reeds besmetten stal te laten. Alle vroeger aangewende middelen als: aderlating, laxeerende middelen, inwrijvingen, etterbanden etc. bleken geen uitwerking te hebben. Steeds moet den veearts, wanneer van eene geneeskundige behandeling sprake is, worden geiaad-pleegd.

Men geeft den patient koud water te drinken en als voedingsmiddel zuiver hooi. Het vleesch van deze dieren is voor den mensch onschadelijk.

In den laatsten tijd is men begonnen, de longziekte door inenting op gezonde runderen over te planten ; dan ontstaat eene kwaal, die niet zoo gevaarlijk is, en het dier blijft voor altijd tegen longziekte beschermd. Men gelooft in sommige streken zoo aan het onfeilbare van deze inenting, dat zo daar, waar de longziekte

-ocr page 81-

veel voorkomt, regel geworden is. Desniettemin verheffen zich ook veel stemmen tegen dezen maatregel.

Om de longziekte buiten den veestal te houden doet de veehouder verstandig zoo hij een nieuw aangekocht stuk vee in de eerste 12 weken niet bij de anderen toelaat.

'if'. Miuuderpeat.

De runderpest, ook veepest genoemd, is eene koortsachtige ziekte, die alleen aan runderen eigen is, doch van deze ook op andere herkauwende dieren kan overgaan. Zij kan elk rund ten allen tijde eenmaal in zijn leven overvallen, 't Is een der gevaarlijkste ziekten, die er bestaan, hoogstbesmettelijk en zoo kwaadaardig dat ze in de meeste gevallen met doodelijken afloop gepaaid gaat. Gelukkig komt ze hier te lande en in bijna geheel West-Europa nooit voor, en wordt daar alleen aangetroffen, wanneer de runderen met besmette dieren uit de Oostelijke landen in aanraking komen. Om de gioote verwoesting door de runderpest van tijd tot tijd onder de runderen aangericht te doen zien, volgen hier eenige opgaven : In 1717 stierven in 't gebied van Piëmont aan de runderpest 70,000, in ons land 300.000 en in den Kerkdijken Staat 26.000 runderen. Van 1745—1749 verloor Denemarken aan deze ziekte 280,000 runderen en ons land in 1 / 76 meer dan 300.000 stuks. In Engeland brak in 1865 onverwachts de rundei pest uit en 2 jaar later waren reeds volgens nauwkeurige opgaven 345,000 runderen overleden.

Zij begint met een koortsachtig sidderen en schudden met den kop. Do meeste patienten staan tieuiig en lusteloos, anderen gedragen zich woest

-ocr page 82-

en wild, starapen met de pooten en knarsen raet de tanden. Van tijd tot tijd laat het beest een hol klinkenden hoest hooren en de ademhaling wordt gejaagder en moeielijker. De lichamelijke temperatuur is afwisselend heet en koud, neus en mond zijn droog en heet, de oogen staan vochtig: een weinig later vloeit uit neus en oogen een slijmerig vocht. Het herkauwen heeft opgehouden, hoewel het dier nog een paar dagen lang voedsel tot zich neemt. De melkafscheiding neemt met den dag af. De muil is mot speeksel opgevuld en op de tong en liet tandvleesch ontstaan somtijds, niet altijd, kleine blaasjes, die later openspringen en bloederige plekken achterlaten. Karakteristiek zijn de roode vlekken op de slijmhuid dei-schede; dit is een zeker kenmerk der runderpest Drukt men met de hand in de lendenstreek, dan zakt het dier in den rug door, het rund staat steeds mi t gekromden rug en de pooten onder den buik bij elkaar. Den 2cn of 3en dag, na het begin der ziekte, volgt diarrhee, de staart is onophoudelijk in beweging, onder de huid ontstaan luchtgezwellen en de dood volgt den 4en tot 7en dag na het intreden der kwaal, zelden later.

Bij de opening van het lijk bespeurt men een zeker kenmerk der runderpest. De voormaag namelijk is sterk gezwollen, zeer hard, het maagvlies laat gemakkelijk los, is zwart en droog als of het verbrand is. Deze hoedanigheid heeft de voormaag bij andere ziekten nooit; wanneer daarin nog voedsel aanwezig is, is dit brijachtig en verspreidt het een verpestende lucht. Ook de andere deelen der maag zijn veranderd, even als de darmen; beiden zijn donkerrood gekleurd en met eene brijachtige zelfstandigheid gevuld. De milt is

-ocr page 83-

klein en week, de lever vaal en murw, en de galblaas sterk uitgezet en met gal gevuld. De longen en de overige spijsverterings- en ademhalingsorganen hebben eveneens eene groote verandering ondergaan.

Deze ziekte is zoo kwaadaardig, dat van genezing bijna geen sprake kan zijn. Ook is ze, zooals reeds gezegd is, in hooge mate aanstekelijk, waarom hier te lande de wet voorschrijft, dat het door runderpest aangetaste dier onmiddelijk moet worden afgemaakt, ten einde verdere verspreiding te voorkomen.

3 7 Pohkrn

Om deze gevaarlijke ziekte onder de runderen tegen te gaan, worden ze ingeënt; de smetstof gaat gemakkelijk van 't eene rund op 't andere en ook op menschen over. Deze kunstbewerking beschermt zoowel het rund als den mensch langen tijd tegen de eigenlijke pokken.

De koepokken ontstaan meesttijds door besmetting, hetzij dat gezonde runderen met poklijders in aanraking zijn geweest of dat de smetstoffen door insekten worden overgebracht. Daar ze met weinig uiterlijke ziekteverschijnselen gepaard gaan, kunnen ze lang onopgemerkt blijven en inmiddels hare smetstoffen reeds in den omtrek verspreid hebben. Eerst na 3 of 4 dagen begint de uier te zwellen en komen daar, en vooral aan de tepels, bleekroode puistjes voor, ter grootte eener erwt; deze nemen nog steeds in omvang toe en zijn gevuld met een geel vocht. De randen dezer puistjes (pokken) zijn geel, rood ot blauw gekleurd. Na 8 of 10 dagen zijn ze volkomen ontwikkeld en met etter gevuld, die spoedig opdroogt, of wanneer de pokken van buiten open zijn, 't

R. 1Ü,

-ocr page 84-

geen dikwijls geschiedt, Wegvloeit; daarna ontstaat eene korst, die later sterft en afvalt. Daar de pokken niet allen tegelijk opkomen, kan de ziekte verscheidene weken duren.

Geneeskundige hulp is bij deze patienten zelden uoo-dig; het eenigste waarvoor men te zorgen heeft, is rein-houden en goed uitmelken.

h. Uitwendige ziekten.

1. Oogenontsteking.

Oogenontsteking komt bij runderen veel zeldzamer voor dan bij paarden. Zij kenmerkt zich in 't begin aan de glinsterende, droge en roode oogen, die later vochtig en dof worden. De oogleden zijn heet en gezwollen en na verloop van weinige dagen scheiden ze een wit en kleverig slijm af.

Genezing volgt in den regel zeer spoedig. Zoolang het oog niet begint te etteren, wordt het alle uren gewasschen met oogenwater, bestaande uit eene oplossing van 30 g. loodazijn in 1/2 L. water. Wanneer de ziekte reeds te ver heen is, helpt dit middel niet meer. De oogleden worden dan met warme melk herhaaldelijk en van den etter gezuiverd en 3 of 4 keer daags gewasschen met eene oplossing van 3.75 g. oogensteen, in 1/2 L. water.

Ook komt onder 't rundvee eene oogenontsteking voor, die niet bij enkelen, maar soms op uitgebreide schaal heerscht. De oogleden beginnen te zwellen, en de oogen zelf zijn tranende, zij schuwen het licht en blijven daarom geheel of gedeeltelijk gesloten. Het wit van 't oog is rood en de oogappel om-

-ocr page 85-

vloersd, zoodat de lichtstralen niet tot de gezichtszenuwen kunnen doordringen en het dier geheel of gedeeltelijk blind is. Ook op de hoornhuid komen verzweringen voor, die de oogen voor immer verzwakken. De pijn is zeer hevig en meesttijds blijft het dier na herstel geheel of gedeeltelijk blind.

Deze oogenontsteking komt vooral in droge zomers bij groote hitte voor, meest bij koeien, die in de weide loopen. Zoodra men de ziekte onder de runderen bespeurt, worden ze op eene koele en schaduwrijke plaats gebracht en de oogen met water, waarin oogensteen is opgelost, voorzichtig gewasschen,

a. Staar.

Tengevolge van hevige oogenoutsteking gebeurt het somtijds, dat 't oog als het ware met een wit vlies overtrokken schijnt. Wanneer dit verschijnsel niet met ontsteking gepaard gaat, wendt men de volgende zalf aan ; 2 g. ongezouten varkensvet, 6 dcg. opium, 6 dcg. kamfer en 15 g. ongezouten boter. Van deze zalf wordt 2 maal daags eene hoeveelheid ter grootte van eene erwt tusschen het ooglid en het oog gestoken.

3. Vertvontiingen tier tong.

Wanneer het gebeurt, dat het rundvee niet wil vreten en toch gezond schijnt, moet men de tong onderzoeken, want in de groeven, achter op de tong, blijven bij 't vreten somtijds harde voorwerpen steken. Hierdoor kan deze zoo erg ontstoken en pijnlijk zijn, dat het dier geen voedsel tot zich neemt. Gewoonlijk gaat dit euvel met veel speekselafscheiding gepaard. Wanneer men de oorzaak bespeurt, wordt het in de tong stekende voorwerp verwijderd en den

10*

-ocr page 86-

quot;

1T

bek met een mengsel van honig, water en azijn gespoeld.

4. Met ajhrehen der hoornen.

Zeer dikwijls gebeurt het, dat het rund één of beide hoornen breekt, door stooten enz. Dan kan alleen het buitenste hoornbeen afvallen en ook kan zoowel het binnenste als het buitenste gebroken zijn-Het eerste kan men gemakkelijk genezen door eene 'linnen lap om den bloedenden stomp te slaan en dezen met azijn en brandewijn te bevochtigen. Den volgenden dag bestrijkt men eene lap met teer, en slaat die om het gewonde deel, teneinde dit tegen 'schadelijke invloeden van buiten te beschutten. Binnen korten tijd vormt zich een nieuwe hoorn, die echter niet zoo glad is als de afgevallene. Is de hoorn geheel afgestoo-ten, maar het inwendige hoornbeen onbeschadigd gebleven, zoo geneest de wonde dikwijls, wanneer men den afgestooten hoorn weer op zijn plaats brengt en een paar weken stevig omwonden houdt. Is ook het inwendige hoornbeen gebroken, dan is langer tijd noodig om de daardoor ontstane bloedende wonde te genezen.

Wanneer het inwendige hoornbeen slechts gedeeltelijk is afgebroken, groeit het weer te zamen; is het geheel weg, dan ontstaat eene bloedende wonde, die door ettering moet genezen. In het eerste geval wordt de wonde van bloed gereinigd, de hoorn zooveel mogelijk in zijn natuurlijken vorm gebracht, en dan door middel van een' hechtpleister het aaneengroeien bevorderd. In het laatste geval be-

iili I'

-ocr page 87-

dekt men de wonde, nadat ze van bloed en vuil gereinigd is en de splinters verwijderd zijn, met vlas of watten, die aanhoudend met azijn of met eene oplossing van aluin in water worden bevochtigd. In den zomer wordt de wonde met teer of een ander sterk riekend vocht bestreken, om het ongedierte op een afstand te houden.

5, MMrt vastzetten van voorwerpen in den atokdarm.

Het gebeurt somtijds, dat bij 't vreten het een of ander voorwerp, bijv. een knol of aardappel, in den slokdarm blijft steken. Dit is gemakkelijk merkbaar omdat het gezonde dier plotseling begint te kwijlen, met de pooten stampt en vergeefsche moeite doet om te slikken. Strijkt men met de vlakke hand langs den slokdarm zoo bespeurt men daar, waar het voorwerp zit, een hard gezwel. Het eenvoudigste en beste middel om dit gebrek te verhelpen is een' gladden stok van een duim dikte en ll/2 M. lengte; deze wordt aan 't eene eind met vlas, linnen etc. omwonden tot een vasten knop, die men met olie bevochtigt. Met den knop vooruit wordt deze stok door den bek in den slokdarm gestoken, tot hij op het vastzittende voorwerp stuit. Nu drukt men bedaard verdjr, om het voorwerp naar de maag te brengen. Wil dit niet gelukken, dan moet men tot eene operatie van den slokdarm overgaan, doch deze is alleen aan veeartsen toevertrouwd.

-ocr page 88-

O. Wratten.

Deze komen op verschillende plekken van het lichaam voor en scheiden somtijds een rood en stinkend vocht af. De oorzaken dezer puistjes zijn in den regel onbekend. Het meest komen zij bij jonge, goed gevoede dieren voor, zelden bij oude koeien. Het is niet met zekerheid bekend, of ze al of niet aanstekelijk zijn. Dikwijls zijn ze enorm groot, doch zij hebben op de gezondheid van 't dier niet den minsten invloed; veelal verdwijnen ze van zelf. Wanneer ze aan de tepels van den uier voorkomen, zijn ze bij 't melken zeer hinderlijk. Zit er aan de wratten een dun steeltje, dan kunnen zij gemakkelijk afgebonden of afgesneden worden.

7. Xiehten aan tien uier.

De uier wordt dikwijls, vooral bij melkkoeien, door de eene of andere kwaal aangetast. Deze kan zoowel van uit- als inwendigen aard en daarom ook de ziekteverschijnselen verschillend zijn. Bij gewone ontsteking is de uier weinig gezwollen, maar hoog rood en somtijds met kleine puisten bezet; de melkafscheiding is weinig verminderd, maar het melken veroorzaakt den dieren pijn. Wanneer de ontsteking van meer ernstigen aard is, bijv. een gevolg van gevatte kou of rheumatiek, is de uier heet, pijnlijk en gezwollen; zijn ook de tepels aangetast, zoo worden deze stijf, gespannen en zijn zij zeer gevoelig voor de minste aanraking; dan neemt de melkgift af en de melk zelf is vlokkig en dikwijls met bloed vermengd. De dieren hebben veel koorts, vreten weinig of in 't geheel niet, en de ademhaling is gejaagd; zij gaan zelden

-ocr page 89-

liggen en de ziekte kan in sommige gevallen zoo hevig worden, dat cr den dood op volgt.

In de gunstigste gevallen wordt de ontsteking van den uier volkomen gentzen zonder nadeelige gevolgen. Ook kunnen door ongesteldheden aan den uier de tepels vergroeien, waardoor de waarde eener melkkoe zeer vermindert.

Bij elke ontsteking, onverschillig of zij van'weinig ot veel heteekenis is, moet de uier een paar keer daags voorzichtig worden uitgemolken. Bij gewone ontsteking wordt hij herhaaldelijk met slijmerige, lauwwarme vloeistoffen gebaad. Verder wordt den koeien licht verteerbaar voedsel gegeven en de mestafschei-ding door laxeerende middelen bevorderd.

Wanneer de ontsteking van meer ernstigen aard en de geheele uier min of meer ontstoken is, worden goedgevoede runderen adergelaten en als inwendig geneesmiddel eene oplossing van 30 g. salpeter en 300 g. Engelsch zout in '/g L- water ingegeven. Lijdt de patient ook aan rheumatiek, dan wordt dit geneesmiddel vervangen door 7.5 g. braakwijnsteen en 300 g. Engelsch zout, in vlier- of kamillethee opgelost. De uier zelf bevochtigt men met eene oplossing van potasch of witte zeep in water of melk (30 g. op 1 L.) Wanneer de uier buitengewoon heet is, wordt hij herhaaldelijk bestreken met leem, die met azijn bevochtigd is en 's avonds ingewreven met warm gemaakt vet of olie.

Toont de ontsteking neiging om tot etteren over te gaan, dan worden warme omslagen van brij om den uier gelegd, en deze 's avonds met een zachte zalf bestreken Wanneer het gezwel rijp is, wordt

-ocr page 90-

het van den etter ontdaan, door cr een opening in te snijden, en de wonde met watten of vlas gevuld, nadat deze met de volgende zalf bestreken zijn: 2eier-dorens, 3.75 g. aloë en 3.75 g. mirthenpoeder, waarbij nog 45 g. terpentijn gevoegd wordt. 's Morgens wordt de wonde met zeepwater uitgewasschen en de behandeling op de aangegeven manier voortgezet, tot

zij genezen is.

Het vergroeien der tepels is niet te verhelpen.

Het is reeds in het vorige hoofdstuk gezegd, dat aan den uier dikwijls wratten voorkomen. Zij zitten echter niet alleen aan den uitwendigen uier, maar ook aan de slijmvliezen der tepels, waar zij het uitvloeien der melk verhinderen. o

8 Hreuken

Ook bij de runderen zijn buik- en navelbreuken niet zeldzaam, de eersten vindt men bij oudere, de laatsten bij jongere beesten. Buikbreuken, meesttijds door uitwendige kwetsuren ontstaan, kunnen aan elke plaats van den buik worden aangetroffen, maar zijn meesttijds achter de valsche rib te vinden. Bij koeien kunnen de breuken zoo buitengewoon van omvang zijn, dat de buik tot aan den grond hangt. Zij kunnen er oud bij worden, toonen er weinig last van te hebben, worden zelfs drachtig en kalven. Genezing gelukt zelden, alleen dan wanneer het breukgezwel klein is. De inwrijvingen met eene scherpe zalf doen de gezwellen wel vergroeien, maar

nemen ze niet weg.

Navelbreuken zijn zeer goed te genezen, daarvoor bestaan verscheidene middelen. Men bevochtigt den

-ocr page 91-

breukzak met vitriool, en herhaalt dit na 8 dagen. Het zekerste middel is den breukzak afbinden, nadat de uitgezakte ingewanden in de buikholte zijn teruggebracht.

O Mniegeatwellcn.

Kniegezwellen of kniebuilen zitten aan de voorpoo-ten; zij zijn eene verdikking van de huid voor het kniegewricht en kunnen zeer groot zijn. In 't begin is t gezwel met vocht gevuld en zoo kan het maanden en jaren blijven; langzamerhand wordt het hard en scherp. Zij ontstaan door vallen of stooten op harden of oneffen bodem; ook wel door 't liggen met de voorpooten op harde voorwerpen.

Wanneer het gezwel nog jong, warm en ontstoken is, wascht men het met een mengsel van 30 g. lood-azijn, Vi L. brandewijn en l3/2 L. water; later wordt het ingewreven met eene zalf van zeep, terpentijn en een weinig poeder van spaansche vliegen. Blijft dit zonder uitwerking, dan worden de haren van het gezwel geschoren en de huid ingewreven met eene zalf, die uit 1 deel poeder van spaansche vliegen en 7 deelen dikken terpentijn bestaat; vervolgens wordt de zieke plek met een strook linnen omwonden, om het aflekken der zalf te voorkomen. Het dier moet dan een stal met zacht strooisel of een goede weide hebben.

IO. Het tlringen van voorwerpen in de hoej zolen

\ ooral bij jonge dieren, wier hoeven nog zeer week zijn, gebeurt het somtijds, dat een spijker, een splinter, een

ü. 11

-ocr page 92-

doorn etc. door het hoornachtige deel van den hoef dringt en het vleesch raakt. In de eerste plaats moet dit voorwerp verwijderd worden. Wanneer men het niet kan vatten, wordt de opening met een scherp werktuig wijder gemaakt. Is de kwetsuur van jongen datum en is er geen etter in de wonde, zoo moet de poot met een linnen lap omwonden en deze zoo vaak mogelijk met koud water bevochtigd worden, waardoor in de meeste gevallen ontsteking wordt voorkomen en de lamheid genezen. Begint de wonde reeds te etteren, dan wordt de opening wijder gemaakt en met vlas of pluksel gevuld, dat eerst met een mengsel van 15 g. aloë, 15 g. mirthentinktuur en 7.5 g. kam-ferspiritus is bevochtigd. Door om de wonde een linnen lap te winden, blijft het pluksel of vlas op zijn plaats. Dit verband wordt dagelijks vernieuwd en de wonde telkens van etter gezuiverd. De patient moot, zoolang hij onder behandeling is, rust hebben en een' stal met zacht strooisel of eene goede weide.

II. Heenderbreuhen.

Behalve het afstooten der horens komen bij het rundvee nog andere beenderbreuken voor. Hot afstooten der hoeven is wel de moest algemeene en heeft zelden kwade gevolgen, te meer omdat do breuk van zelf geneest en daaruit noch lamheid, noch andere nadeelige gevolgen ontstaan. Wanneer de breuken heet en gezwollen zijn, worden ze met water en azijn ge-wasschen.

Beenbreuken komen bij runderen niet veel voor en dan zou het ook beter zijn, om het beest te slachten, dan te beproeven of men het nog genezen kan. Slechts bij jonge en goedgevoede dieren gelukt het

-ocr page 93-

soms beenbreuken te verhelpen. Dan wordt de plaats, waar de breuk zich bevindt, meermalen stevig met een strook linnen omwonden en een paar dunue spaandertjes hout tegen het been gelogd, die mtn met banden of leeren riemen vastbindt. De breuk wordt verder behandeld zooals dit bij het paard is aangegeven,

eratuiking der hoefgewrichten.

Deze ontstaat gewoonlijk door het misstappen, uitglijden of andere oorzaken en is gemakkelijk kenbaar aan het kreupelgaan; het hoefgewrieht is dan heet, gezwollen en pijnlijk.

Wanneer de kwaal nog van jongen datum is, wordt, de aangetaste poot verscheidene dagen in koud water gezet of met linnen omwonden, dat met koud water of een mengsel van 30 g. ammoniak, 1 L water en 1 L. azijn wordt bevochtigd. Neemt het gezwel na verloop van een paar dagen af, maar houdt de verlamming aan, dan wordt hot gewricht ingewreven met eene zalf, bestaande uit ü0 g. zeep, 60 g. kamfer-spiritus en 25 g. geest van ammoniak of 50 g. terpentijn, 50 g. raapolie en 25 g. geest van ammoniak. Hiermee gaat men 2 of 3 maal daags en zoolang voort, tot de poot genezen is.

'3. tiet verbnllen der hoe.fxolen.

Het dier gaat lam en pijnlijk, de klauw is vooral naar achteren gezwollen, heet, ontstoken en zeer gevoelig. Is de ontsteking hevig en wordt er niets gedaan om ze te jtuiten, dan kan de klauw door veretteren afvallen, waarvan eene langdurige verlamming het gevolg is. Aanhoudend en veel loopen op harde en

11quot;

-ocr page 94-

hobbelige wegen is in den regel de oorzaak. Als de klauw nog niet ettert, gelukt het meestal de ziekte in haren loop te stuiten en den poot binnen korten tijd te genezen. Men zet hem in koud water of omwindt hem stevig met linnen, dat aanhoudend met water en azijn wordt bevochtigd. Is er reeds etter in en tusschen de klauwen, zoo helpen koude omslagen niet meer. Men snijdt dan de hoefzool zoover af, tot de etter kan wegvloeien en vult de wonde met droog vlas, dat met aloë-tinctuur bevochtigd wordt. Om te zorgen, dat dit vlas op zijn plaats blijft, wordt een linnen lap om den poot gewonden. Dit verband vernieuwt men dagelijks. Het dier moet rust en een' stal met zacht strooisel hebben.

1#. Boegverlamming.

Dit gebrek komt voornamelijk bij trekossen voor. Bespeurt men, dat de os met een der pooten kreupel gaat, dan onderzoekt men eerst nauwkeurig de hoeven; valt 'hieraan niets bijzonders te bespeuren, zoo ziet men of het aangetaste been ook sleepend en met eene buitenwaartsche beweging wordt voortgezet. In het laatste geval kan men zeker aannemen, dat boegverlamming de reden van het kreupelen is.

De oorzaken zijn schadelijke invloeden van buiten, als slaan, stooten etc. of moeten aan misstappen of uitglijden worden toegeschreven. Ook kan het een gevolg van rheumatiek zijn. Wanneer de kwaal pas ontstaan is, gelukt het soms haar te genezen door 2 of 3 keer daags de schouderstreek in te wrijven met eene zalf, bestaande uit 45 g. kamferspiritus, 45 g. zeep en 90 g. kinaolie. Is de kwaal reeds ver-

-ocr page 95-

ouderd en de verlamming sterk toegenomen, dan trekt men over liet schoudergewricht 2 etterbanden van 25—40 eM. lengte of wrijft de schouderstreek in met eene zalf van spaansche vliegen. De kale plekken, die dan ontstaan, zijn na een paar weken weer begroeid.

16. Miruiaverlummitig,

Het door kmisverlamming aangetaste dier trekt bij 't gaan het eene achterbeen sleepend achterna. In erge gevallen is het niet in staat het achterlijf op te richten en dan genoodzaaakt om aanhoudend te liggen. Overigens is liet rund goed gezond, het vreet met graagte en de melkafscheiding is niet verminderd. Kruis verlamming ontstaat door slaan met een' stok op het kruis, door uitglijden eu ook wel uit inwendige ongesteldheid.

Om het beest van deze kwaal te genezen, moeten zoowel uit- als inwendige geneesmiddelen aangewend worden. Wanneer de kruisstreek heet en gezwollen is, worden daarop omslagen van water en azijn gelegd. Zijn er geen gezwellen, dan is het voldoende als men de kruisstreek wrijft met 2 gelijke deelen terpentijnolie en geest van ammoniak; het dier wordt steeds met eene wollen deken gedekt. .Vis inwendig geneesmiddel geeft men een aftreksel van vlierbloesems, vermengd met salpeter. Verder worden van tijd tot tijd lavementen gezet en den dieren licht verteerbaar voedsel gegeven. Wanneer de inwrijvingen zonder uitwerking blijven, worden etterbanden in de kruisstreek door de huid getrokken.

-ocr page 96-

Waaraan me» mien han hoe oud een

rund ia.

Bij het rundvee kan men den ouderdom niet zoo nauwkeurig bepalen, als bij paarden en schapen ; vooral bij oudere dieren is het moeielijk op een paar jaar na te zeggen, hoe oud ze zijn. Het zekerste kenmerk zijn ook hier de tanden.

Een volwassen rund heeft 8 snijtanden en 24 kiezen. Het kalf wordt met 8, 6 of 4 snijtanden geboren, doch op het einde der 4e week zijn allo acht snijtanden aanwezig. De voorste snijtanden zijn de grootsten, de daaropvolgende 2 snijtanden, die binnenmiddeltan-den heeten, zijn iets korter, de 2 daarop volgende snijtanden zijn nog korter on heeten buitenmiddeltanden en de 2 laatste snijtanden, hoektanden genaamd, zijn de kortsten. Omdat de onderkaak nog niet genoeg ontwikkeld is, staan de kronen van de naast elkaar geplaatste tanden over elkaar. Na verloop van 4 il 6 weken is de onderkaak reeds zoover ontwikkeld, dat de tanden vrij van elkaar staan.

Op het einde der 4c of 5e week zijn ook de melk-kiezen door het tandvleesch gebroken; zij zijn 12 in getal en wel 6 in de boven- en 6 in de benedenkaak. Van deze 12 kiezen is de 3e in de onderkaak van een eigenaardigen vorm. Hij is zoolang en soms nog langer dan de beide eerste kiezen samen en bestaat uit 3 afdeclingen, waardoor hij zich van alle overigen onderscheidt.

Als het kalf 6 maanden oud is, komt de 4e kies in elke kaak te voorschijn, 't Is de eerste blijvende;

-ocr page 97-

na verloop van 3 maanden staat hij met andere kiezen gelijk.

Is het kalf een jaar oud dan zijn de snijtanden reeds min- of moer afgesleten; er is eene tnsschen-ruimte ontstaan en de wortel komt meer uit hetiand-vleesch te voorschijn.

Heeft het kalf den leeftijd van 15 maanden bereikt, dan komt in elke kaak de 5e kies te voorschijn; dit is de 2e blijvende.

Wanneer het rund 21 maanden oud is, en bij goed gevoeden reeds wanneer het 14—16 maanden bereikt heeft, worden de beide voorste of grootste snijtanden verwisseld. De kronen der plaatsvervangers liggen eerst over elkaar, later staan ze naast elkaar en 2 maanden na het verwisselen staat elke tand op zich zelf.

Op tweejarigen leeftijd breekt de 6e kies in elke kaak door het tandvleesch ('t is de 3e blijvende) en na 3 maanden is hij reeds zoo gegroeid, dat hij met de andere kiezen op gelijke lijn staat.

Is het rund 2 jaar en 9 maanden oud (bij sommigen reeds vroeger), dan worden de binnenmiddeltanden, met 3 jaar en 3 maanden de beide buitenmiddeltan-den en met 3 jaar en 10 maanden de beide hoektanden verwisseld.

Op 273 jarigen leeftijd worden de melkkiezen door blijvende tanden vervangen en daarmee is het verwisselen afgeloopen. Langzamerhand beginnen de snijtanden nu meer en meer te veranderen. Is het rund 5 jaar oud, dan verliezen de tanden het beitelvormige, dat hen in 't begin kenmerkt, zij staan niet meer zoo dicht naast elkaar, hunne kleur wordt geel en donker, de randen breken af, de kronen slijten, zoodat op 16 of

-ocr page 98-

18 jarigen leeftijd alle snijtanden, tot op den wortel afgesleten zijn.

Andere kenteekenen van den ouderdom zijn de hoornen, stem, rimpeligen kop, breede en lange klauwen etc., doch de meesten van deze zijn bedriegelijk.

Wanneer het kalf 5 tot 9 maanden oud is, komen de hoornen te voorschijn. Latsr komen de zoogenaamde hoornringen. Van de punt tot den eersten hoorn-ring rekent men 3 jaar en voor eiken ring een jaar meer. Tot 14 jarigen leeftijd is deze berekening tamelijk zeker; daarna groeien de ringen zoo dicht aan elkander, dat ze niet meer te onderscheiden zijn. Bij oude koeien zijn de hoornen in 't midden dikker, dan dicht aan den kop.

WEINIG EN SLECHTE MELK.

a. Het verminderen der melhgift.

In de eerste plaats zij hier opgemerkt, dat het niet altijd ziektetoestanden zijn, waardoor de melkgift vermindert, maar dat hiervoor ook verschillende andere oorzaken kunnen zijn. Voeding, verpleging, ras, ouderdom, de tijd die verloopt tusschen het melken, verblijfplaats, jaargetijde, etc. kunnen zoowel op de qualiteit als de quantiteit der melk van grooten invloed zijn. Een regelmatig verminderen en later geheel ophouden der melkafscheiding behoort tot de alle-daagsche verschijnselen; de melk bevat dan veel waterdeelen. De oorzaken blijven in den regel onbekend. Dat zieke koeien weinig of geen melk geven is zeer goed verklaarbaar. Veel aderlaten, aanhou-

-ocr page 99-

dende diarrhee, slecht of te weinig voedsel, ziekten aan den uier of andere pijnlijke wonden geven hetzelfde resultaat. Zoo geeft bijv. eene koe met een verwonden poot weinig mei k. Bij koeien, die in langen tijd niet gekaltd hebben, vermindert do melkgift en houdt zij eindelijk geheel op. Ook het vetworden werkt nadeelig op de melkafscheiding. Verder vermindert bij drachtige koeien de melkgift allengs en houdt zij 4 a 6 weken vóór het kalven geheel op. Sterke vermagering, geslachtsdrift, verstoring in de spijsvertering, heimwee etc. zijn mede van nadeeli-gen invloed. Dat afmatting door snel loopen, zwaar trekken etc nadeelig op de melkafscheiding werkt, spreekt van zelf. Al naar dat de oorzaak is, moet ook het middel zijn, om dit gebrek te voorkomen of te verhelpen.

Wanneer de koe buitengewoon vet en vleezig is of, zooals men dit noemt, de melk in vleesch verandert, doet men het best ze te mesten en te slachten. Men handelt geheel verkeerd zoo men bij dergelijke beesten het a etworden wil voorkomen door hun minder voedsel te geven; de melkgift zal dan geheel ophouden. Ligt de oorzaak van te kleine melkgift in den jeugdigen leeftijd der koe, dan wachte men tot ze voor de 2e of 3e maal gekalfd heeft; soms neemt zij dan aanmerkelijk toe. Wanneer de melkgift bij oude koeien vermindert, is zelden beterschap te hopen. Neemt zij onverwachts af, zoo is de oorzaak meestal de voeding of verstoring in de spijsvertering. In dat geval kan men met grond beterschap verwachten, zoodra de spijsvertering weer normaal is. Er zijn een massa voedingsmiddelen, die de melkafscheiding bevorderen, en velen daarvan hebben als zoodanig groote waarde.

R. 12

-ocr page 100-

Ook de manier van melken is niet zonder invloed op de melkgift. Het komt er bij 't melken voornamelijk op aan, dat de melk in een aanhoudende straal uit de tepels schiet en de koe ieder keer gelijkmatig wordt uitgemolken, niet de eene keer snel en de andere keer langzaam. Alle onregelmatigheden hierbij hebben de nadeelige gevolgen, dat de koeien er aan gewoon raken en langzamerhand de melk ophouden. Daardoor blijft juist de melk, die de meeste roomdeelen bevat, in den uier hangen.

b. Waterachtige melk.

Deze melk scheidt niet veel room af, zij bevat weinig boter- en kaasdeelen, doch is rijk aan water of zoogenaamde wei, zeer dun, onmiddelijk na het melken blauw, aan de randen van het vat doorzichtig en heeft geheel en al het aanzien alsof zij met veel water vermengd is — in vele plaatsen van ons land wordt zij zoo gevonden. Een bizonder kenmerk van deze melk is nog, dat zij niet zoo gauw stolt als goede melk.

Voor dit euvel zijn tal van oorzaken, doch velen er van zijn onbekend. Het meest komt dergelijke melk in den zomer voor, wanneer 't erg nat is. Verder zijn de voedingsstoffen daarop van grooteu invloed ; veel groentevoeder, aardappelen, knollen, slecht hooi, etc. leveren waterachtige melk. Oude en zwakke koeien, alsmede jonge beesten na het eerste kalven, geven eveneens melk, die rijk aan waterdeelen is.

Om dit kwaad te verhelpen, moet eerst de oorzaak worden opgespoord. Ligt deze aan de eme of andere ongesteldheid, dan moet het dier daarvan zoo spoedig mogelijk genezen worden, alvorens men aan betere qualiteit van melk kan denken. Is de kwaal,

-ocr page 101-

waaraan het dier lijdt, ongeneeselijk, dan is het beter om den patient te slachten. Zijn gebrek aan eetlust of diarrhee de oorzaken, dan moeten daarvoor de noo-dige middelen aangewend worden. Voor zwakke koeien is voedzaam voedsel als: goed hooi, meel, lijn- en raapkoeken het beste middel. Wanneer het euvel uit trage spijs-vertering ontstaat, geeft men het beest 2 of 3 maal daags een eetlepel vol poeder, bestaande uit 90 g. alsem, 90 g. keukenzout, 90 g. kalmuswortel en 15 g. braakwijnsteen; dit wordt in water opgelost en men houdt daarmee 4—6 dagen aan. De koe moet dan rust hebben, met goed water gedrenkt worden en op een' warmen stal staan. Bij de meeste koeien zijn alle pogingen om vettere melk te krijgen geheel nutteloos.

c Bloederige melk. Uiergezwellen.

Het gebeurt dikwijls, dat de melk met bloed vermengd is. Dit is vooral het geval, wanneer bij het melken ruw wordt te werk gegaan, wanneer de tepels gekwetst zijn of do uier ontstoken is. In enkele gevallen kan het ook uit inwendige oorzaken ontstaan, die in den regel dezelfden zijn als bij het bloedwateren. De melk is dan meer of minrler rood gekleurd. Is de uier ontstoken en daardoor gezwollen, heet, rood en pijnlijk, dan wordt het beest adergelaten en de uier dikwijls met koud water afge-wasschen; ook moet hij 4 of 5 maal per dag behoedzaam uitgemolken worden. Later wordt hij een paar keer per dag met lauwwarme melk afgewas-sehen. Wanneer het gebrnik van schadelijke planten de oorzaak is, moeten dezelfde voorschriften op-

12quot;

-ocr page 102-

gevolgd worden, welke bij het bloedwateren zijn voorgeschreven ; voederverandering is dan in de eerste plaats noodzakelijk.

Knobbels en verhardingen in den uier, welke door het stollen van melk ontstaan zijn, geneest men door warme baden of door inwrijving met kwikzilver-zalf, Bij zwelling aan den uier kort na het kalven, wordt deze 3 maal daags ingewreven met 2 gelijke deelen kamille en lijnolie, en dagelijks 5 of 6 maal voorzichtig uitgemolken.

d. Het spoedig zuur worden der melk.

Dit komt bijna dagelijks voor. De melk stolt of schift dan, vooral bij 't koken, eerder dan in gezonden toestand. Versch gemolken schijnt de melk soms goed te zijn, of ze is zuur en meer of minder gebonden. In den regel is de meer of mindere zuurheid der melk bij het gebruik niet te bespeuren, wel wanneer men er iets van op lakmoespapier giet. Van deze melk laat zich niet gemakkelijk boter karnen. Somtijds is een gedeelte er van reeds in den uier gestold, hierdoor raken de melkgangen verstopt en bij 't melken komen dikke draden met de overige melk te voorschijn.

Aan verschillende oorzaken wordt dit euvel toegeschreven; de voornaamsten zijn: hooge lichaamstemperatuur, de voedingsmiddelen en den gezondheidstoestand van het dier. Tn de eerste plaats heeft men ook hier, evenals bij alle slechte melk, te zorgen, dat het voedsel goed, zuiver en voldoende is. Gestoorde spijsvertering wordt verholpen door laxee-rende middelen; daarenboven strooit men dagelijks 4

-ocr page 103-

eetlepels vol houtasch, gips of krijt over het voeder, om het zuur uit de maag weg te nemen. Aan sterke zonnehitte mag de koe niet worden blootgesteld; men geve haar een koel en schaduwrijk plekje cn volop zuiver, koud drinkwater, dat met een weinig salpeterzuur vermengd is. De melkgereedschappen worden met loog van houtasch en kalk flink gereinigd, en daarna in koud water gezet; de melk zelf moet op eene koele plaats geborgen worden.

Somtijds stolt, zooals reeds gezegd is, eon deel dei-melk in den uier. Om] dit te verhelpen wordt de koe 5 of 6 keer per dag langzaam uitgemolken en de uier 4 of 5 maal daags zacht met lauwwarme melk of zeepwater afgewasschen. 's Avonds wordt een weinig olie of zeep aan de tepels gestreken. Wanneer na herhaalde pogingen de tepel geen melk wil geven, wordt eene breinaald of een ander passend instrument in de opening gestoken, om daardoor het verstopte melkkanaal weer te openen. Dit moet met alle omzichquot; tigheid geschieden.

e. Taaie of gebonden melk.

Kort voor en onmiidelijk na het kalven, ook bij ontstekingen, is de melk slijmerig en draderig. Het eerste kan niet zoozeer als een gebrek worden beschouwd. Zoodra deze melk met andere in aanraking komt, vertoont de laatste dezelfde eigenschap als de eerste. Nu eens is zij onmiddelijk na liet melken taai en slijmerig, dan weer wordt ze het, nadat ze een tijdlang gestaan heeft. Ze smaakt bitter, scheidt weinig room af en bevat weinig boterdeelen. Meermalen is dergelijke melk ook zuur, en stolt zij zeer snel, waardoor de roomafscheiding nog minder is.

-ocr page 104-

De oorzaak hiervan wordt veeltijds aan slecht voedsel toegeschreven, als; slecht, en muffig hooi, gekookte knollen etc. Ook de spijs verteering heeft er veel invloed op. Daarom moet deze voor alles weer in normalen toestand zijn. Als geneesmiddel geeft men der koe, bij gestoorde spijsvertering, eerst laxeerende en eenige dagen later maagversterkende middelen, als: kamille, kalmuswortel en keukenzout. Hiervan krijgt hot beest gedurende 6 of 8 dagen lang 3 keer per dag een eetlepel vol, in water) opgelost. Om het zuur uit de maag te verdrijven, wordt een paar keer daags wat krijt door het voeder gestrooid.

Wanneer geslachtsdrift de oorzaak van taaie en slijmerige melk is, laat men de koe dekken; heeft dit niet het gewenschte gevolg, zoo worden de bovengenoemde middelen toegepast. Do molk van dergelijke koeien mag niet met die van gezonde beesten vermengd worden.

ƒ. Bittere mei 1c.

In dit geval, dat niet zelden voorkomt, is de melk oogenschijnlijk niets veranderd; alleen aan den stnaak, die meer of minder bitter is, is zo kenbaar. Ze is iets geler dan gewoonlijk, laat zich moeielijk karnen, en de boter heeft, even als de melk, een bitteren smaak. Dikwijls moet de oorzaak in de voedingsstoffen gezocht worden. Is dit zoo, dan gaat men on-middelijk tot voederverandering over, waarna de kwaal in den regel ophoudt. Meermalen ontstaat zij ook door storingen in de spijsvertering en uit leverziekte, dan gaat een gedeelte van de gal uit het bloed in de melk over. Dergelijke melk heeft niet alleen een bitteren smaak, maar ook eene gele kleur. Bij

-ocr page 105-

de koe zelt neemt men de volgende verschijnselen waar: het wit van 't oog, de tong, het tandvleesch en de uier zijn min of meer geel. Men geve dan de koe — wanneer ze niet aan diarrhea lijdt — 3 dagen achterelkaar of zoolang tot er diarrhee volgt, eene pil ia, die uit 2.5 g. braakwijnsteen, 2.5 g. kalomel, 35 g. aloë en 30 g. zeep bestaat. Ook kan men een laxeerend middel ingeven, bestaande uit 300—500 g. Engelsch zout, in kamillethee opgelost. Om het bitter worden der melk te voorkomen, moet zoowel voor 't reinhouden der melk-gereedschappen als voor een zindelijke bergplaats gezorgd worden.

g. Het blauwworden der melk.

Onder alle gebreken, die de melk aankleven, is het blauw worden daarvan zeer karakteristiek. De oorzaken zijn, even als bij honderden kwalen, ook hier meestal onbekend. Dit euvel komt bij koeien dikwijls voor en schijnt vooral aan sommige streken en weiden eigen te zijn. De versch gemolken melk ziet er gezond uit, zoowel wat kleur als qualiteit aangaat. Na verloop van 12, 18, 24—36 uur, al naar dat de roomaf-scheiding meer of minder snel gaat, ontstaan op den room kleine blauwe punten, die langzamerhand grooter worden, in elkaar vloeien en niet zelden na verloop van 24 uur de geheele oppervlakte van het roomvat bedekken. Somtijds bepaalt het blauwworden zich tot enkele kleine of groote blauwe plekken, die als eilanden in de roomton drijven. Die vlekken hebben eene helder blauwe of indigo kleur en aan de randen zijn ze een weinig groen. Tusschen deze blauwe treft men somtijds ook gele en enkele roode plekken

-ocr page 106-

aan, ter grootte van een speldeknop. De gelen verspreiden zich niet zoo snel als de blauwen en de roode plekken nog weer langzamer. Wanneer de molk langen tijd blijft staan, komt daarop een grauw of roodachtig schimmel. Bij een hooge temperatuur wordt zij blauwer dan bij koud weêr. Eerst krijgt, zooals reeds gezegd is, de room eene blauwe kleur, deze komt later ook in de melk, zoodat zij ten laatste eveneens blauw ziet. Nooit is de melk echter zoo blauw van kleur als de room. De blauwe melk heeft een zuren en bitteren smaak en een' eigenaar-digen reuk; de room van deze melk smaakt bitter en ranzig evenals de boter, die er uit bereid is; de laatste verliest zelfs door herhaaldelijk uitwasschen en kneden hare blauwe tint niet. Ook de |karnemelk ziet blauw. Het gebruik van deze melk heeft men langen tijd voor onschadelijk gehouden, maar de ervaringen en proefnemingen in den laatsten tijd hebben geleerd, dat het gebruik er van wel degelijk nadeelig werkt en allerlei ziekten kan veroorzaken. Dit kan men zeer goed begrijpen, wanneer men weet, dat datgene, waardoor de molk blauw gekleurd wordt, zwaar vergif is.

Men wist reeds lang, dat het gebruik van sommige planten niet alleon op den smaak, maar ook op de kleur der melk van grooten invloed is. Het blauwworden der melk moet echter aan andere oorzaken worden toegeschreven. Men heeft daarom de melk nauwkeurig en scheikundig onderzocht, en daarin kleine lichaampjes (atomen) ontdekt, die langen tijd, omdat ze zich bewogen, voor zoogenaamde infusiediertjes werden aangezien, tot dat men in

-ocr page 107-

bij hot, melken te werk te gaan, of dooi* ontstekingen, waardoor kleine aders openspringen. Dikwijls komt dan de bloederige melk slechts uit eenen tepel. Wanneer bloed met melk in aanraking komt, zakt het door zijne meerdere zwaarte naar den bodem. Bij melk, die zeer lang staat, is de room somtijds met een roodachtig schimmel bedekt; dit is niets onnatuurlijks.

Tn de meeste gevallen is het niet moeielijk het geven van roode melk bij koeien te verhelpen. Is het bekend, dat het gebruik van de een of andere voedingstof de oorzaak is, dan wordt deze natuurlijk het beest onthouden. Men geeft ilan andere, waarvan men weet, dat ze geene nadeelige eigenschappen bezitten. Verder kunnen aderlatingen en het ingeven van salpeter en Engelsch zout van heilzamen invloed zijn, wanneer de oorzaak niet aan bloedwateren moet worden toegeschreven. Alle afmattingen, vooral bij groote hitte, moeten bij melkkoeien vermeden worden. Niet zelden is de melk, zooals reeds gezegd is, bloederig tengevolge van ontsteking aan den uier zelf; daarom moet steeds, wanneer men aan de melk eene roode kleur bespeurt, de uier eerst onderzocht worden. Zijn hieraan ontstekingen of verhardingen te vinden, dan past raen de middelen toe, die daarvoor bij de uierontsteking zijn voorgeschreven.

I'. Het niet boteren der melk.

Het komt somtijds voor, dat uit regelmatig afgescheiden room slechts weinig of geen boter komt en het boterkarnen veel langer dan gewoonlijk aanhoudt; in de meeste van die gevallen verandert do room in schuim, dat hoog in de karnton opstijgt.

13«

-ocr page 108-

Over dit euvel wordt verschillend geoordeeld. Soms worden de oorzaken aan weersveranderingen, verwisseling van temperatuur en op handen zijnde donderbuien toegeschreven. Dan eens meent men ze in 't gebruik van schadelijke voedingstoffen te moeten zoeken. Meermalen echter doet zich dit gebrek bij de boterbereiding voor zonder dat men weet, waaide oorzaak schuilt.

Bij groote hitte zet men de karn in koud water. Verder voegt men bij den room, naar gelang van den weerstand dien hij biedt om boter af te scheiden, een weinig zwavelzuur of wijnazijn; daardoor gelukt liet meesttijds liet boteren niet alleen te bespoedigen, maar ook te bevorderen. Als inwendig geneesmiddel geeft men den koeien braakwijnsteen met bittere kruiden, als alsem etc. Als een uitstekend middel, om dit euvel in de melk te verhelpen, is een mengsel van 300 g. Engelsch zout en 12 g. gemalen eikenschors; deze hoeveelheid wordt in 3 porties verdeeld, en de koe 's morgens op de nuchteren maag een daarvan met Ya L. azijn of zout water ingegeven.

Daar de voedingsstoffen der koeien op de qualiteit der melk van grooten invloed zijn en de melk een voornaam voedingsmiddel voor mensch en dieren is, moet men bij de keus van het voedsel der melkkoeien met overleg en nauwkeurigheid te werk gaan. Vele geneesmiddelen voor het rund, die arsenik, lood- of kwikzilververbindingen bevatten, maken het gebruik van de melk onmogelijk. Even als er planten zijn, wier gebruik aan de melk cene roode, blauwe of gele kleur geeft, zijn er ook, die aan de melk een stinkenden reuk geven, zooals anijs, knoflook enz. Ver-

-ocr page 109-

den laatsten tijd tot de ontdekking kwam, dat het niets anders als schimmelplanten waren. Deze komen wel is waar ook in zure melk voor, maar behooren tot een geheel ander soort van schimmel. De weersgesteldheid is van grooten invloed op het ontstaan van verderfelijke schimmelplanten, vooral vochtig en tevens warm weder werkt het schimmelen in do hand.

Wanneer blauwe met gezonde melk in aanraking komt, plant zich, hoewel niet zoo sterk, de smetstof in de laatste over. Hoe de melk eigenlijk de eigenschap krijgt, om door toetreding van schim-melkiemen blauw te worden, is niet met zekerheid bekend. Toch meent men te weten, dat dit zoowel aan een ziekelijken toestand der koe als aan de weersgesteldheid fn de voedingsmiddelen moet worden toegeschreven.

Wanneer men bemerkt, dat de melk in de room-vaten blauw wordt, onderzoeke men eerst welke koe blauwe melk geeft. Dit gaat gemakkelijk door de melk van elke koe afzonderlijk te houden. Zoodra men hieromtrent zekerheid heeft, wordt het beest een paar dagen op dieet gezet en daarna zuiver en licht verteerbaar voedsel gegeven. Als inwendig geneesmiddel geeft men 15 g. dubbel koolzure natron en een afkooksel van bittere kruiden, als alsem etc. In den regel is de melk na verloop van 8 dagen weer zuiver. Zoolang zij hare gewone kleur niet heeft herkregen, mag zij niet met andere melk vermengd worden.

De melkgereedschappen, waarin blauwe melk geweest is, of die daarmee in aanraking zijn geweest, moeten zorgvuldig gereinigd worden. Het best kan zulks geschieden door ze met loog van houtasch, waarin ge-bluschte kalk is opgelost, te schuren en daarna met

R. 13

-ocr page 110-

zuiver water uit te wasschen, waarna ze een tijdlang in de open lucht gezet worden. Ook is het niet kwaad den vloer der melkkamer met dezelfde loog te schrobben en de muren af te boenen.

li. Gele melk.

Gele melk is eene wijziging van blauwe melk; het geelwordeii beperkt zich uitsluitend tot den room en dringt niet tot de kaasdeelen door. Het gaat echter het blauwworden somtijds vooraf; dikwijls is de room geel en zijn de overige melkdeelen blauw gekleurd. Voor 't overige geldt bij dit euvel alles, wat van het blauwworden gezegd is.

i. Roode melk.

De roode kleur der melk kan van verschillenden aard zijn, en tevens verschillende oorzaken hebben. De melk kan rood schijnen tengevolge van het gebruik van voedsel, dat zijne roode stoffen tot in de melk voortplant. Tot nu toe zijn niet alle voedingstoffen bekend, die deze eigenschap bezitten. Meest volgt zij uit het gebruik van een paar soorten van ranonkelachtige planten, wanneer deze tegelijk met hooi gegeten worden. Ook beschimmelde voedingsstoffen kunnen die gevolgen hebben. Dan wordt de verfstof innig en regelmatig met de melk vermengd en scheidt zij zich niet af, ook nadat de melk een tijdlang gestaan heeft en koud is geworden. Na het gebruik van planten, die bloedwatering veroorzaken, heeft de melk ook eene roode kleur. De koeien, die aan miltvuur lijden, geven eveneens roode melk. Eindelijk kan in den uier bloederige melk ontstaan, door uitwendige invloeden, als stooten of slaan tegen den uier, door ruw

-ocr page 111-

der zijn er planten als alsem, boterbloem- of ranonkelachtige, die bij de melk een bitteren smaak veroorzaken.

ttet ingeven van geneesmiAdelen.

Bij geen onzer huisdieren is het ingeven van geneesmiddelen gemakkelijker dan bij het rund en toch zijn velen daarmee eig verlegen; daarom volgen hier ten slotte eenige raadgevingen. Het best laten zich de artsenijmiddelen in den vorm van een drank ingeven. Daarvoor plaatst men zich aan de rechterzij van den hals der koe, slaat den linkerarm om de hoornen en vat mot de vingers in de neusgaten. Terwijl men op die manier den kop iets in do 1 oogte tilt, giet men met de rechterhand de geneesmiddelen langzaan in den muil. Dan gaat niets verloren en is één man in staat dit werk te verrichten. Met twee personen gaat het nog gemakkelijker. Voor 't ingeven van den drank bedient men zich van eene gewone wijn- of bierfiesch. Hoe gemakkelijk het op deze wijze ook gaat, moet men toch zorgen dat geen vloeistof in de luchtpijp komt, waardoor erg hoesten ontstaat, dat wel eens tot longtering aanleiding kan geven Daarom zorge men den kop van 't rund steeds recht vooruit te houden en wel met den muil zoo hoog, dat de drank weinig verval heeft. Wanneer het beest den kop loodrecht of zijwaarts houdt, is het ingeven niet zonder gevaar.

Als poeder worden de geneesmiddelen door of over het voeder gestrooid en als deeg (likkepot) worden ze even als bij het paard, met een houtspaandertje op de tong gestreken.

-ocr page 112-
-ocr page 113-

INHOUD.

INLEIDING.

I. Verpleging en voeding.

a. Verpleging.

1. De rund veestal.

2. Verpleging van huid en klauwen.

3. Rust, beweging.

4. Keus en ouderdom van fokvee.

5. Verpleging der fokdieren.

6. Verzorging van drachtige en kalfkoeien.

7. Verpleging van kalveren.

8. Hoe men melkkoeien moet behandelen.

9. Over het vetmesten der runderen.

10. Hoe het rund (os) als trekdier moet behandeld worden.

b. Voeding.

1. Lucht.

2. Over de voedingsmiddelen voor runderen in 't

algemeen.

3. Knol- en wortelgewassen als voedingsmiddelen

voor het rundvee.

-ocr page 114-

4.

Versch en gedroogd gro entevooder

5.

Krachtvoeder.

11.

Ziekten.

a.

Inwendige ziekten.

1.

Koorts in 't algemeen.

2.

Kalver- of melkkoorts.

3.

Katharrhale of zinkingkoortsen.

4.

Hersensontstekiug.

5.

Halsontsteking.

6.

Longontsteking.

7.

Hartontsteking.

8.

Leverontsteking.

9.

Darm- en maagontsteking.

10.

Nier- en blaasontsteking.

11.

Ontsteking der baarmoeder.

12.

Het uitzakken der baarmoeder.

13.

Het terugblijven der nageboorte.

14.

Rlieumatiek.

15.

De verlamming bij kalveren.

16.

Navelstrengontsteking.

17.

Schurft.

18.

Dauwworm.

19.

Geslachtsziekte.

20.

Mond ziekte bij kalveren.

21.

Parasieten op en in de huid.

a.

Luizen.

b.

Engerlingen.

22.

Gebrek aan eetlust.

23.

Koliek.

24.

Werkeloosheid der maag.

25.

Trommelzucht.

26.

(iele zucht.

27.

Diarrhee bij kalveren

-ocr page 115-

28. Buikloop.

29. Bloedwatering.

30. Uriue-verstopping.

31. Duizeling en vallende ziekte.

32. Miltvuur.

a. Met en zonder bloedvinnen.

b. Het rug gebloed.

c. Tongvuur {kanker).

d. Staartworm.

33. Dolheid.

34. Mond- en klauwenzeer.

35. Longziekte.

36. Runderpest.

37. Pokken.

b. Uitwendige ziekten.

1. Oogenontsteking.

2. Staar.

3. Verwondingen der tong.

4. Het afbreken der hoornen.

5. Jlet vastzitten van voorwerpen in den slokdar

6. Wratten.

7. Ziekten aan den uier.

8. Breuken.

9. Kniegezwellen.

10. Het dringen van voorwerpen in de hoefzolen.

11. Beenderbreuken.

12. Verstuiking der hoefgewrichten.

13. Het verballen der hoefzolen.

14. Boegverlamming.

15. Kruisverlannning.

Waaraan men zien kan hoe oud een rund is. Weinig en slechte melk.

a. Het verminderen der melkgijt.

-ocr page 116-

b. Waterachtige melk.

c. Bloederige melk (Uiergezwellen).

d. Het spoedig zuur worden der melk.

e. Taaie oj gebonden melk.

ƒ. Bittere melk.

g. Het blauwworden der melk.

h. Geele melk.

i. Roode melk.

k. Het niet boteren der melk.

Het ingeven van geneesmiddelen.

-ocr page 117-
-ocr page 118-
-ocr page 119-
-ocr page 120-
-ocr page 121-
-ocr page 122-

I quot; '

i

n