v:
D'. qu. 30
D. qu. 30
_
SPROKKELINGEN.
SPROKKELINGEN.
1
I
VAN
Paardenarts \e R eg1, Htissar en te Leiden.
AAN
DE RÉUNIE VAN VEEARTSEN1JKUNDIGEN
k'T vquot;
' -t:
^ v ]f !
' quot; ' 'quot;Êt' B i
/, v
t/K
r--).
li
U^;gt;/ •quot; /■
UTRECHT, P. W. VAN DE WEIJER.
Stoomdrukkerij.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
■
't Gedicht uit plicht gelukt niet licht
Maar hangt aan ijz'ren boeien;
't Heeft vier, noch zwier, noch bloei, noch tier
En kruipt in plaats van vloeien:
Maar brandt de hand, die 't speeltuig spant,
Van 't innig boezemgloeien:
Geen toon zoo schoon, bij mensch en goón,
Dan die het hart ontgloeien.
(Bilderdijk.)
Waar kan men beter zijn Dan bij zijn beste vrinden.
( Zangspel Lucile.)
Reeds sedert eenige jaren waagde ik mij in mijne snipperuren nu en dan aan het rijmen. Hoe 'k er toe kwam weet ik eigenlijk zelf niet; 't was maar zoo'n inval van me. De enkele voortbrengselen, die daardoor ontstonden waren echter in mijn oog van zeer weinig beteekenis en keurde ik niet altijd waardig door mij te worden bewaard. Desniettegenstaande ontstond langzamerhand eene kleine verzameling stukjes, die ik successievelijk aan het oordeel van enkele vrienden voorlegde.
Op enkele feestelijke bijeenkomsten verzocht men mij soms de voordracht van enkele stukjes, vooral die welke op mijn vak betrekking hadden.
Op de reünie van veeartsenijkundigen, op i s September jl. te Utrecht gehouden, werd ik wederom aangezocht eenige gedichten ten beste te geven. Bij die gelegenheid kwam men op het denkbeeld en werd door een lid der feestcommissie voorgesteld om de voorgedragen nummers in één bundel voor gezamenlijke rekening te laten drukken en er aan elk der feestgenooten een uit te reiken.
Bij mijzelve is nooit het denkbeeld opgekomen mijne pennevruchten te doen drukken omdat ik die daartoe te weinig waarde toekende.
Zeer aangenaam was het mij, toen op de genoemde feestelijke
8
bijeenkomst het gedane voorstel de goedkeuring van al de re'unisten wegdroeg; met genoegen verklaarde ik mij dan ook bereid voor de copieën te zorgen.
Behalve hetgeen door mij toen werd voorgedragen, heb ik aan deze verzameling nog een paar niet vétérinaire stukjes uit mijn poëtischen arbeid toegevoegd dewijl ik daarmede mijne lezers geen ondienst dacht te doen. Evenwel meende ik 't daarbij te moeten laten daar het oorspronkelijk denkbeeld der feestgenooten was, hetgeen ik bij die gelegenheid ten gehoore gaf te ontvangen als eene herinnering aan dien recht aan-genamen avond.
Dat de volgende bladzijden aan die verwachting zullen beantwoorden is mijn hartelijke wensch.
Ten slotte roep ik mijne medefeestgenooten, een hartelijk „tot weerziensquot; toe.
Utrecht, Sept. 77.
Niet, dat ik op het vreemde smaal,
'k Laat alles in zijn waarde Maar 'k zeg: voor mij is Hollands taal De schoonste taal op aarde.
(F. J. Kerkhoven. De //oil. taal.)
De liefde tot mijn moedertaal,
Zij spoort mij aan tot zingen En schoon een ander er op smaal' Ik kan haar niet bedwingen.
Die taal is als een kleine bloem, Die uitmunt door haar kleuren, En wel verdiende meerder roem Om luister en om geuren.
't Is ongezien, dat edel kruid,
In wijdere omgeving; 't Is onbekend in Noord en Zuid In vreemde samenleving.
10
Maar treed men nader tot 'tjuweel,
Dat bloempje fijn en teeder:
Men merkt een glans van 't schoonst fluweel, Ook zelfs in wind en weder.
De taal van Neerlands vrijen grond Schijnt als een ster in 't duister;
Hoe meer men deze taal doorgrondt, Te grooter wordt haar luister.
OF
DE KAT IN DEN KELDER.
DE
'k Vertel u hier een raar geval, Wel waard, dat ik het melde.
Verd ... als ik 't gelooven zal Zei 'k, toen men 't mij vertelde.
Maar och, mijn vrienden, in deez' tijd Geschieden zooveel moorden.
Dus hoort, als gij nieuwsgierig zijt, 't Geen 'k zeg in korte woorden :
De kat van F.. . , een aardig beest, Die was hier 1) opgenomen,
Voor dolheid was men zeer bevreesd En daarom hier gekomen.
') Aan de Veeartsenijscliool.
12
Het dier was sterk, gezond en mooi, — De held van mijn historie —
Het kwam in eene ijz'ren kooi,
Houdt dit goed in memorie.
Die kooi, met tralies niet te wijd.
Men zet haar in een kelder.
Daarmee gebeurde tot onz' spijt Een feit, nog niet zeer helder.
De dag van Zaterdag brak aan.
Een leven was er minder.
De kooi, die zag men nog wel staan.
Maar Poes was hier, noch ginder.
De kooi was stevig, rondom dicht En sloot gelijk een kluister;
Ik vraag als Haffmans: „Licht! meer licht! 1quot; Men kneep de kat in 't duister.
Gij vraagt naar de oorzaak van haar dood , Maar zult gij het gelooven ?
Een steen viel neer op kop of poot, Om 't leven haar te ontrooven.
Gij noemt mij vast een leugenaar.
Als gij dit hier zult lezen.
Want, zegt ge, 'tis toch zonneklaar. Dit moet onmoog'lijk wezen.
13
Een ijz'rcn kooi, solied cn sterk, Hoe kan een steen daar binnen ?
Dit alles lijkt wel wonderwerk;
Maar och! waar zijn mijn zinnen ?
De wond'rentijd is lang beleefd, De spokentijd daarhenen,
En hij, die zulk een uitleg geeft, Hij kan dat toch niet meenen!
Een raadsel meer in 't raads'lental Is dus weer op te noemen.
Want anders dan een raadsel, zal Men dit toch wel niet noemen.
Enfin, ze is dood, door steen of mes, De oorzaak kan 'k niet vatten,
Maar zeker is 't geval een les Voor alle dolle katten.
Tot nog toe meldt geen enkel boek Der steenen groote krachten.
Maar welk een veld van onderzoek Kan men voortaan verwachten !
Aan Donders heb ik 't reeds gemeld, Ook Buys-Ballot zal 't weten,
Hoe 'n doode steen, door ruw geweld, Een kat heeft opgegeten !
14
Mijn moeite acht ik ruim beloond
Als iemand kan verklaren Waar deze kracht toch wel in woont;
God moog' den vinder sparen.
Nog eens, ze is dood, het arme dier!
Kunt gij de oorzaak vatten?
't Geen 'k schrijf is, ik herhaal het hier,
Een les voor dolle katten.
Maart
UITGESPROKEN DOOR
DEN SECRETARIS DER SOCIETEIT „ABSYRTUS
IN DE ALGEMEENE VERGADERING VAN 21 SEPTEMBER 1873.
Mijn' heeren! Staat mij toe om ook een woord te zeggen, Dan kan ik voor een poos mijn potlood nederleggen;
Want soms als ik hier zit te schrijven langen tijd,
Dan raak ik, eer ik 't weet, de kluts niet zelden kwijt.
Hoe licht toch heeft dit plaats als 'teens bijzonder druk is, En als daarbij, o ramp! mijn pen of potlood stuk is.
Maar 'k haal 't dan gauw weer in en 'k lap er soms wat bij Want niemand ziet daarop aan 's Rijks Veeartsenij.
'k Bekleed dan weer op nieuw het ambt van Secretaris, Ik doe het met pleizier, 'k mag sterven als 't niet waar is. Ik heb gedacht: kom aan, word weer eens Candidaat! Ik deed het en ziedaar, de stemming was niet kwaad.
i6
Men heeft mij weer benoemd, men wilde mij behou'en,
Ik stel het zeer op prijs, dit blijk van uw vertrouwen En 'k hoop dat heel het jaar, dat nu weer volgen gaat, Dit steeds zal voortbestaan, 'k maak veilig daarop staat.
Wij varen in een schip, „Absyrtusquot; is 't geheeten,
We zeilen voor den wind en zijn gerust gezeten.
Wij zorgen voor 't geheel en regelen zijn vaart,
En voor een snellen tocht wordt moeite niet gespaard.
Daar zit de kapitein, matrozen, zijn wij vieren,
Behand'len roer en zeil, gij zijt de passagieren ;
Maar raakt het schip in nood, komt storm soms in 't verschiet,
Dat al wie handen heeft zijn bijstand ons dan bied'.
Ontstaat een lek in 't ruim, gij allen zult dan helpen,
Om, zoo het moog'lijk is, den stroom bij tijds te stelpen;
Maar weigert gij uw hulp, of zijt ge kwaadgezind....
Licht dat dan elk van ons zijn graf in 't water vindt.
Het nieuwbenoemd bestuur zal voor Absyrtus werken. Wij hopen met succes; maar wilt ook gij ons sterken. We moeten steeds vooruit, dat ieder het gevoel'.
Men brenge 't zijne bij, want hooger zij ons doel!
En hiermee eindig ik, verschoon toch, mijne heeren,
Dat ik uw aandacht weer zoo lang dorst anexeeren ;
Maar slaag ik in mijn wensch, dan zeg ik, en met recht: „Ik sprak toch niet vergeefs.quot; Mijn heeren 'k heb gezegd.
Een peerdl Een peerd! Mijn bochel voor een peerd
(Richard III.)
Een paard, naar den aard
Is er nog eer dan zijn staart
Het doet het te voet
Net zoo gauw en zoo f^oed
Als een ander te paard het doet,
(Dc Schoolmeester,)
Het paard Is het edelste dier van de aard En die meent dat 't niet waar is Zeg 'k dat een barbaar is, Die niet weet wat hij zegt,
't Zij de heer of de knecht.
Het paard is het schoonste van alle de dieren,
Zijn beenen (geen pooten zeg 'k) zijn met hun vieren,
Zij dragen de romp snel naar Oost en naar West,
Een ruiter te paard weet dat zeker het best.
Zoo n ding is een man, want dat dient ge te weten,
Die meestal los boven op 't paard is gezeten,
i8
En zoo gij dit feit bij geval niet gelooft,
Zoo kijk vóór den staart maar toch achter het hoofd.
Wanneer nu een ruiter van 't vrouw'lijk geslacht is,
Gij ziet dit niet zelden, als 't weer maar wat zacht is,
(Ofschoon men niet denken moet, als men dit hoort.
Dat overal ruiters zijn van deze soort.)
Dan noemt men zoo'n wezen meestal amazone,
Ik heb 'r een gezien, dat was net onze bonne;
Maar deze draagt zelden zoo'n eeuwig lang kleed,
Wel toen zij gedoopt werd, voordat ik 't vergeet.
Veel paarden zijn 'n studie voor genealogen.
Zij kennen den stamboom, zoo ze ons niet bedrogen,
Van 't paard waar voorheen Vader Adam op reed.
Het dier was toen net als zijn meester gekleed.
Vriend Adam gebruikte noch teugels, noch sporen.
Zijn eenig houvast waren manen en ooren.
Zijn naam als kloek ruiter weerklonk wijd en zijd.
Geen mensen was zoo'n groot chevalier in dien tijd.
't Beslag kon voorwaar primitiever niet wezen.
Ik heb de beschrijving nog nergens gelezen,
Men zegt dat het paard waar vriend Adam op zat
Steeds barrevoets liep, dus geen ijzers aan had.
Men sprak dus maar zelden van Lang of Lafosse,
Van lip of kalkoen, zoo min vaste als losse.
Een hoefsmid behoefde niet veel dext'riteit,
Hij vreesde toch nooit concurrentie of nijd.
Van 't paard wist men vele voorname exemplaren,
Hun namen althans, door de pen te bewaren :
Een ieder kent zeker den renner Eclips,
Die voor wordt gesteld op papier of van gips;
Bucephalus, 't strijdpaard van vorst Alexander,
Het dier liet niet toe dat hij reed op een ander;
19
De Mollwitsche schimmel en andere meer,
Zij strekken het paardengeslacht steeds tot eer.
Ook noem ik 't merkwaardige ros Rosinante,
Zijn staart had veel weg van de pruik van mijn tante;
Zijn ruiter, gij weet het, dat was Don Quichot,
Zoo vol avonturen, zoo vreemd en zoo zot.
Het paard is bestemd voor verschillende werken,
Een blindeman zelfs kan dit dagelijks merken:
Het eene is strijdpaard, 't is moedig en fier,
Het briescht en het schuimt, net als Heineken's bier.
Dat 't paard aan zijn sterkte verstand weet te paren.
Vooral in het paardenspel kunt gij 't ontwaren:
Bezoek bij gelegenheid Oscar Carré
Of Meijers of Pinder van ver over zee,
Een ander gebruikt men om mee te gaan jagen,
Het dient om den jager of 't wild soms te dragen.
Het rij-, trek- en jaagpaard, ook hen voeg 'k er bij
En eind'lijk het paard dat ter Veeartsenij
Zijn leven voor 't heil zijner broeders moet laten;
Zijn fierheid en kracht kunnen nu niet meer baten.
Het dier maakt hier kennis met vlijm, bistourie
En laat dan zijn bloed voor de anatomie.
Het nut van den knol gaat nu weder aan 't rijzen.
Een blik in de ontleedzaal zal 't aanstonds bewijzen,
De leergrage jongelingschap daar vergaard
Kijkt ijv'rig, nieuwsgierig naar 't lijk van het paard.
Zij luist'ren met aandacht naar 't woord van den spreker,
Hij spreekt met talent en zoo juist en zoo zeker;
Hij wijst hun de deelen en toont hun 't verband,
Zij hooren zijn taal steeds met lust en verstand.
Het slachtpaard is heden ten dage nog duurder
Dan vroeger de knol van den rijtuigverhuurder;
20
De kelder *) was daarom niet langer van pas
Wijl dat toch geen plaats voor een paardelijk was,
Vooral sinds verborgene krachten daar wonen,
't Geval met de kat heeft dat klaar kunnen toonen 1).
De anatomiezaals), waarvan ik daar sprak ,
Zij is slechts gebouwd door den ijver van Mac
En zij, die de inrichting vroeger verlieten,
Zij kennen haar niet meer, of 'k laat op mij schieten.
Ja, voortgang en bloei, dat is Gillavry's wensch,
Hij ent er zelfs kalv'ren voor 't heil van den mensch.
Wanneer ge uit Utrecht komt, de Bildstraat langs geloopen,
Zoo staat daar Naseman sigaren te verkoopen.
Maar daar moet ge niet zijn, gij moet nog verder voort
Tot aan het laatste huis, gij ziet daar 'n groote poort.
Daarboven zult gij ras „Veeartsenijschoolquot; lezen,
('t Is alles nieuw en net?) denk dan: hier moet ik wezen
Waar kunst en wetenschap der dieren kwalen stilt.
Gelegen op den weg van Utrecht naar De Bilt.
Wanneer gij, edel paard, soms ziek of zwak mocht wezen,
Begeef u naar die plaats om u te doen genezen;
Ja, ga naar Gildenstein tot heil van uw bestaan,
Men biedt u daar zijn zorg, men brengt u redding aan.
) In gebruik gesteld September 1873.
( Vrij naar het Engelsch.)
Liefde of vriendschap bewegen soms 't hart,
Doen het nog feller dan slaan
En schoon men een ander door 'n glimlach verwart, De tolk van ons hart is een traan.
D oorlog breekt uit en dc echtvriend moet heen, 't Doet haar, die achterblijft aan.
Voor 't laatst neemt hij afscheid, omringd van geween En kust van haar wangen een traan.
Dood of wel stervende ligt hij nu daar,
Klemt in zijn hand nog een vaan ,
Maar mensch'lijke hulp strekt hem uit op een baar, Verzacht elke wond door een traan.
Vaderstad, die ik met droefheid verliet.
Plek waar mijn wieg heeft gestaan,
Toen gij nog te zien waart in 't verre verschiet.
Toen zag 'k u niet meer door een traan.
Zoo vriend of bloedverwant u wordt ontrukt,
Is soms uw vreugde gedaan;
En of gij u ook onder 't leed schikt of bukt, Het teeken van smart is een traan.
Zoo gij den doode niet spoedig vergeet
Zult gij naar 't kerkhof toe gaan,
Gij staat voor zijn grafzerk op 't groene tapeet En plengt op dien grafsteen een traan.
AAN DEN WELEDELGESTR, HEER JHR. D- T. ^
NAAR AANLEIDING VAN DE GEBOORTE VAN EEN DOOD VEULEN IN DEN ZIEKENSTAL VAN HET 4e REGT. HUSSAREN TE ZUTPHEN.
'k Wil U, geachte Heer, hier een geval vertellen
Waarin U, naar ik meen, misschien belang zult stellen:
Ik meld U, 'k ben zoo vrij, een onverwacht geval,
Dat plaats had heden nacht aan onzen ziekenstal.
't Geval was wel voorzien maar nog niet te verwachten
En had dus plaats te vroeg^ voordat wij er aan dachten;
Zoo ziet men 't meer geschiên dat iets komt voor den tijd
Terwijl 't niet komen wil wat men reeds lang verbeidt.
De veulenmerrie dan is heden nacht bevallen
Van 'n zoontje, welgevormd en zonder spat of gallen;
Ik zei: 't is voor den tijd, het veulen kwam te vroeg
Daar 't paard, zooals men zei, slechts zeven maanden droeg.
') Daar genoemde Heer en ook Z.E.G. echtgenoote en dochtertje veel belang stelden in de veulenmerrie, kwam ik op de gedachte om Z.E.G. de onverwachte bevalling door middel van dit briefje kenbaar te maken.
24
Misschien kreeg U 't idee, door 't geen 'k hierboven meldde, Dat 't paardental daardoor een wezen meer nu telde;
Maar dat is niet 't geval, onze aanwinst is niet groot,
't Kind zag te vroeg het licht, het lieve wicht is . . . dood! Het diertje is nog niet klaar, het heeft nog zelfs geen haren; Uit alles kan men 't zien: 't Was nog geen tijd tot baren , En ook het moederdier gaf nog geen enkel blijk ,
Dat het een veulen reeds zou schenken aan het Rijk.
Daar niemand 't doode kind gekend heeft bij zijn leven, Kan er, nu 't leven in dit kind is opgeheven,
Ook niemand waarlijk zijn, die dit verlies beseft En die het klaar gevoelt hoe deze ramp ons treft. 1) De kraamvrouw maakt het goed, zij staat gerust te eten En schijnt van heel 't geval reeds niets meer af te weten; Zij toont niets abnormaals en vraagt niet om haar kind En doet of zij 't geval geheel natuurlijk vindt.
Wil soms uw dochtertje het diertje nog beschouwen,
Het bijt of slaat niet meer, zij kan er op vertrouwen. Van middag, zoo ik denk, gaat 't veulen in den grond, Hiermede eindig ik, de merrie is gezond.
Hoogachtend blijf ik na groete,
U.E.G. d-w. Dienaar, J. L. G. C.
') Advertentiestijl.
GEHOUDEN TE UTRECHT OP I APRIL 1876
bij gelegenheid van de viering der 25-jarige ambtsvervulling der h. ii.
F. C. HEKMEIJER en Dr. J. R. E. VAN LAER,
ALS LEERAREN AAN 's RIJKS VEEARTSENIJSCHOOL.
Geachte //,//. Jubilarissen!
't Is heden x April, de dag is eindlijk daar,
Waarop Gij werd benoemd voor vijf en twintig jaar, Om 'n schoone, zware taak met moeite te beginnen, Tot vorming van onz' geest, tot scherping onzer zinnen. Al ben 'k op t oogenblik Uw leerling ook niet meer , Te zeggen dat ik 't was, dat is mij reeds een eer; Uw ijver en Uw zorg deez' vijf en twintig jaren Verloochenden zich nooit, ik kan 't gerust verklaren.
Terwijl zoovelen voor dit feest zijn saamvergaard Tot viering van een feit, het eerste van dien aard. Richt ik mij 't eerst tot U, die, jaren lang geleden Denzelfden weg betrad, dien 'k pas ben ingetreden.
26
Maar Gij verliet dien weg, nog schooner werd Uw doel;
Men bood op Gildenstein U eenen leeraarstoel.
Gij naamt ze aan, die taak; door zelf nog flink te werken
Wist Gij het jong geslacht ook in hun vlijt te sterken.
Gij maaktet ons bekend met 't paard, zijn vorm en bouw
En and're dieren ook, als 't noodig blijken zou.
Die lessen gaaft Gij steeds in 't oud amphitheater
Of in den kelder soms, de ontleedzaal kwam eerst later.
Het eerst beschreeft Ge ons :t geraamte of skelet,
Elk botje een voor een, geregeld, prompt en net
Met knobbels, knobbeltjes, katrollen, randen, graten.
Met diploë en merg, met sleuven, voedingsgaten.
Gewrichten kwamen dan en banden daaraan vast
En hoe dat ieder been weer aan een ander past.
Dan kwam iets anders weer en minder droog: de spieren,
De spijsverteeringsbuis, milt, lever, long en nieren;
De testes, uterus en al wat daarbij hoort
Dus, 't geen ter sprake komt bij paring en geboort'.
Dan weer het oog, het oor, van buiten en van binnen
Om daarna met de leer der vaten te beginnen :
Het hart kwam aan de beurt, hoe het zijn werking doet
En toen dat buizennet, de leiders van het bloed.
Tot slot van dit gedeelt' gingt Gij dan nog bepraten
Den chyl- en lymphestroom met klieren en met vaten.
De hersenen daarna, hun ligging en hun bouw
En elke zenuwdraad als 'n onontwarbaar touw.
Was alles afgedaan, dan nog eens repeteeren,
't Belangrijkst altijd 't eerst en dikwijls respondeeren. —
De lessen, die Gij gaaft in 't uiterlijk van t paard,
Of liever 't extérieur, zij waren veel ons waard.
Zij leerden ons van 't paard gebreken op te merken
En hoe dat dier moet zijn voor rijdienst en tot werken;
27
Dat men elk deel beschouw' en dan de harmonie,
Vooral een flinken stand in tarsus, kogel, knie.
Men denke aan elk gebrek, aan alle eigenschappen,
Aan monst'ren op de markt bij 't draven en bij 't stappen;
Ook wijddet Gij een woord aan kleur, signalement.
Wat 'n paard doet in den stap, als 't galopeert, draaft, rent.
De kennis van 't gebit om d' ouderdom te weten,
Hoe men te werk moet gaan om 'n paard precies te meten.
Ook hebt Gij ons geleerd hoe 'n voet is saamgesteld ,
En hoe 't beslag moet zijn, hebt Gij ons klaar vermeld.
Dan verder hoe 't beslag des winters al kan wezen,
De ziekten van den hoef en hoe die te genezen;
En hoe men adviseert als veearts bij 't gerecht,
En wat men daarbij doet en wat men daarbij zegt.
't Geen ons bekend moet zijn van wetten en politic,
En hoe men hand'len moet in zaken der justitie.
En vroeger leerdet Gij, als theoretisch vak,
De apothekerskunst, dat gaf ons veel gemak;
We spraken over 'n pil, mixturae, potiones
En van tenaculum en van emulsiones.
Heil U ook, waarde Heer, heil U op dezen dag.
Dien ik met ongeduld en blijdschap naad'ren zag.
Vergun mij ook tot U nog even 't woord te richten.
Tot U, die 'n kwart eeuw reeds ons trachtte voor te lichten.
Gij gaaft ons 'n diepen blik in 't rijk van de natuur.
En toondet ons haar kracht op elk collegeuur.
Tot meerd're klaarheid nog deed Ge zoovele proeven,
Die, uit den aard der zaak, deez' lessen zeer behoeven.
Chemie! gij nuttig vak. Daardoor toch valt 't gordijn
Waardoor zoovele zaken nog voor ons verborgen zijn;
28
Want gij verklaart 't geheim van vorming en ontbinding,
Onmisbaar zijt ge thans, dat leert de ondervinding.
En dan de Physica, wat schoon, onmeet'lijk veld
Voor haar beoefenaar, die 't and'ren weer vertelt!
Gij gaaft ons een begrip van vele duist're dingen,
Wij leerden door Uw taal om daarin door te dringen.
De zwaartekracht vooreerst, het oordeel en het nut,
Dat onze maatschappij uit deze kracht steeds put.
De warmte en het licht en al hun onderdeden.
Al wat daarop berust, nog onbekend voor velen.
De electriciteit, die wonderlijke kracht,
Daarbij de telegraaf met al zijn toovermacht.
Al wat men hiervan weet, Gij liet ze ons zien en hooren
Die zaken, waar k van spreek, ons onbekend te voren.
Gij steldet klaar ons voor, de levende natuur.
De dieren, groot en klein, hun nut, hun levensduur.
De plantenwereld ook, bespraakt gij op Uw lessen
Met wortel, stengel, blad en bloemen, peulen, bessen . . .
Gij beiden werkt nog voort, een kwarteeuw is voorbij. Gij werktet mee tot bloei van 's Rijks Veeartsenij.
Mijn' heeren! drinkt met mij, het glas omhoog geheven! Lang leve 't ijv'rig paar, lang zullen beide leven!!
BljBELSCH-HISTORISCH, HUMORISTISCH, PARODISCH, VÉTÉRINAIR LIED. ')
(Op eene bekende wijs.)
Mijn waarde vrienden, wat pleizier, dat ik u samen vind,
Ge zijt hier vroolijk bij elkaar en allen blij gezind;
'k Ben op praktijk, ik kwam hier langs en hoorde 't fecstgedruisch,
Ik vroeg er naar, men lichtte me in, ik dacht: daar hoor 'k bij thuis, [bis.)
'k Was dus zoo vrij en kwam er in, daar gij collega's zijt,
Maar 'k hoop niet dat ge mij beticht van onbescheidenheid.
Ik ben een Veearts, duid'lijk is 't, 'k maak 't zieke vee gezond En als 't geval bedenk'lijk is, dan stop ik ze in den grond, (bis)
3-
Ik draag mijn wapens altijd mee, geen kwaal die 'k niet cureer.
Er zijn geen boeken van ons vak, die ik niet bestudeer;
Men zegt: ik ben van d' ouden sleur, 'k Genees er toch een hoop, Ik leg me op micrococeen toe en 'k heb een microscoop, {bis)
') Voor te dragen in toepasselijk costuum en met muziekbegeleiding.
3°
4-
Als 'k u er mee genoegen doe, dan zing ik even 'n lied,
Maar 'k hoop toch dat ge niet te scherp op d' inhoud daarvan ziet En dan de voordracht en mijn stem, verwacht daarvan niet veel Want nooit, geloof me, zong ik op concert of op tooneel. (bis.)
5-
Hetgeen 'k dus zing zijn snippers slechts, maar niet uit mijn praktijk, 't Zijn feiten uit de heil'ge Schrift, aan schoone exempels rijk,
En dacht ge soms nog dat ons vak zich daarin niet begaf,
Zoo toont mijn lied juist, dat onz' kunst stamt van den bijbel af. (bis.)
Toen de aarde nog niet was zooals ze nu voor ons bestaat,
Was alles slechts een modderpoel, men had dus gracht noch straat.
De Heer nam toen zijn tooverstaf, precipiteerde 't land
En scheidde daardoor nat van droog, hij had een groot verstand, {bis.)
(Dat was het eerste precipitaat.)
7-
De Schepper stelde d' eersten mensch uit stof en asch te zaam, Dat wezen blies hij leven in en gaf het toen een naam.
De Heer nam daarop ongevraagd een rib uit Adam's lijf En fabriceerde vlug daaruit het allereerste wijf. (bis.)
(Het eerste voorbeeld van spontaangeneratie en van het wegnemen eler ribben zonder verloskundige zaag of ribbentang.)
31
Toen Adam nog alleen daar zat, zoo zonder maag of vrind,
Toen had hij 't land dat hij bestond, door niemand nog bemind;
Maar toen hij daar zijn Eva zag, toen was hij in zijn schik.
Toen riep hij: „Zoo iets zag ik nooit, ze is bijna net als ik!quot; {bis.) (De eerste differentiëeldiagnose.)
9-
Adam liep altijd in 'n costuum zooals 't naar hem nog heet En Eva, zijne echte vrouw, was net als hij gekleed;
Maar zij, bedenk het was een vrouw, zij vond dat niet lang mooi, En appliceerde 'n vijgenblad, dat was haar eerste tooi. [bis.)
(De eerste aanwending van folia, uitwendig.)
10.
Adam en Eva, 'teerste paar, dat woonde in 't paradijs,
Zij aten de verboden vrucht, de slang maakte hen zoo wijs.
De Heer werd boos, een engel kwam, die droeg een vlammend zwaard En joeg de zondaars uit den hof, de schoonste plek van d' aard; (bis.) (Dat was het eerste brandijzer of liever de aanwending van aproximatiefvuur.)
11.
Kaïn en Abel, 't broederpaar, zij raakten gebrouilleerd,
De eerste sloeg met 'n ezelskaak zijn broer ongegeneerd;
De slag was raak en Abels bloed liep rookend langs den grond De operatie was gelukt, al snoerde ze Abel's mond. {bis.)
(Dit was de eerste kwade aderlating.)
32
Voor Noach en gezin en dierenparen werd gebouwd Een ark, heel aardig ingericht, het meubel was van hout;
Maar 't ding was lek, Noach wist raad, hij schreef een recipé, En pikte 14 dagen lang en allen pikten mee. {bis.)
(Eerste aanwending van pix solida.)
13-
Toen Noach na den zondvloed weer den vasten wal betrad.
Toen legde hij een wijnrank aan, dat gaf hem heerlijk nat;
Eens had hij flink er van geproefd, hij werd niet wel daarna. Dat kwam omdat hij nog niet wist van dosis toxica, (dis.)
(De eerste alcoholvergiftiging.)
14.
De Heer verbrandde Sodoma met zwavel, dynamiet,
Want hij was kwaad op 't slechte volk, op Lot en huisvrouw niet,
Hij zeide dus tot deze twee; „gaat heen, maar ziet niet om!quot;
De vrouw van Lot die deed het toch, zij werd een zoutkolom. (/ns.)
(Dit was de eerste bereiding van keukenzout.)
IS-
Een veebezitter meldt men ons, ik meen dat 't Jacob was, Die plantte stokken bij zijn vee in 't weiland, in het gras; Die stokken hadden zeek're kleur, het vee dat keek er naar: Elk jonggeboren rund dat had dezelfde kleur van haar. [dis.)
(Dat was het eerste voorbeeld van verzién.)
33
Wanneer de Heer uit wand'len ging, op expeditie was,
Op welke tochten hij veel zieken, dooden zelfs genas,
Dan, als hij over water moest, nam hij geen zeilboot mee,
Maar trok zijn kurken zolen aan en wandelde over zee. {bis.)
(Uitvinding der waterschoenen, zeer geschikt om mee op praktijk te gaan.)
l7'
In 't boek van Job beschrijft men u, ge leest het met pleizier. Het paard, zijn kracht en dapperheid, de vlugheid van dit dier. Men spreekt u daar van 't oorlogsros, het ruikt van ver den strijd, En blijft zijn ruiter, waar 'took zij, tot in den dood gewijd, {bis.)
(Dat is de eerste beschrijving, die wij lezen van 'tpaard.)
18.
Gij allen hebt toch meer gehoord van Lazarus, niet waar?
Hij lag nu dood, de arme man, op zijne stervensbaar.
De Heer sprak tot 't misvormde lijk, bedekt met zweer en wond:
„Kom Lazarus, sta op, mijn vriend!quot; en zie.... hij was gezond, {bis.)
(Eerste behandeling van koud versterf met succes.)
19.
Dan leest men verder in de Schrift: een man lag aan den weg.
Hij had een wond, ik weet niet waar, gebeurd is 't wat ik zeg; Daarheen kwam juist een reizend heer, een goed Samaritaan,
Goot wijn en olie in de wond, de zieke kon weer gaan. {bts.)
(Dat was de eerste Lotio digestiva.)
34
20.
Toen Jonas in den walvisch zat, pardon... het was een haai.
Was alles donker om hem heen, dat vond hij ijs'lijk saai.
Wat gij ook onderzoekt of doet voor de eene of and re zaak,
Ge doet toch niet wat Jonas deed, het was een zware taak. {bis.)
(Eerste anatomisch en physiologisch onderzoek, inwendig.)
Ik stelde u enk'le punten voor, zoo zijn er nog veel meer Maar toch, ik eindig voor van daag; verveelde ik, excuseer.
Tot slot roep 'k eiken Veearts toe: breng 't vak tot hooger trap En munt steeds uit, waar gij ook zijt, door kunst en wetenschap! {bis.)
(Dat is mijn eerste wensch.)
VAN HET ONTSTAAN EN DE GESCHIEDENIS
VAN
«DE VEEARTS OP PRAKT IJ K.quot;
In tjaar 1874 ontstond dit vétérinair lied en was toen samengesteld uit de tegenwoordige coupletten 2 (met kleine wijziging), 3,4,
5gt; 6, 7, 10, ii, 15, 16, 19. Zoo werd het in een vriendenkring voorgedragen.
Op de feestelijke bijeenkomst, gehouden den 6den juii 75 , toen de heer WiRiz den eersten steen had gelegd aan een tweeden nieuwen ziekenstal aan 's Rijks Veeartsenijschool, werd het stukje ten beste gegeven nadat er eenige veranderingen in gebracht waren. Er waren n.I. bijgevoegd de coupletten 12 en 21 en een biscouplet. De 2e regel van coupl. 12 luidde toen echter:
«Een ark maar zonder eersten steen, het meubelquot; enz. Als biscouplet was er toen aan toegevoegd;
„Gij roept mij weer dus 'n woordje nog, 'twas 'n parodie, mijn lied „Want zoo k er uitzag, gij begrijpt, zoo doet een Veearts 't niet. „Nog eene ontboez'ming, recht uit 'thart: éénWirtz slechts hebben wij, „Lang schitt're dus die held're ster aan 's Rijks Veeartsenij!quot; {bis.)
36
_ Bij den maaltijd, gehouden te Rijsenburg op 12 Oct. 75, ter
viering van het 1 o-jarig bestaan der Societeit Absyrtus, werd „de Veeartsquot; andermaal maar op nieuw vermeerderd voorgedragen. Als eerste couplet was er aan toegevoegd:
„Men zei mij toen 'k voorbij wou gaan: collega's vieren feest,
„Ik dacht, dan leg ik even aan, dus 'k was maar niet bevreesd.
„Vooral nu het Absyrtus geldt ben 'k heel op mijn gemak;
„Hij biedt aan hem ook, die 'r niet hoort, altijd een gastvrij dak.quot; {bis.)
Dit couplet is na dien tijd weggelaten.
Verder waren bijgevoegd de coupletten 8, 9, 13. I4 en 20-Coupl. 12 was toen veranderd zooals 't nu is. Als laatste couplet diende
het volgende;
„Eendracht maakt macht, bedenkt het steeds, slaat de handen in elkaar.
„Houdt toch uw Societeit in eer, verheft, verdedigt haar.
„Zij blijve door uw zorg bevrijd van tegenspoed en druk
„En leev' nog veel maal tien jaar lang in voorspoed en geluk.quot; {bis.)
Dit couplet, zijnde alleen op die gelegenheid van toepassing, en daarna vervallen.
_ Op i April 76, bij gelegenheid van de viering der 2S-jarige
ambtsvervulling der H.H. HEKMElJER en VAN Laer als leeraren aan de School, werd de voordracht van „de Veeartsquot; nogmaals verzocht. Behalve twee biscoupletten waren twee nieuwe coupletten toegevoegd n.1. 17 en 18. De biscoupletten, betrekking hebbende op de genoemde feestelijkheid, luidden als volgt:
„Gij roept mij weer, hier ben ik dan, dus houdt u even stil,
„Of is dat roepen voor de grap, bedenkt 'tis 1 April.
37
„Voor 'n paar jaar werd die dag gevierd; heel Neerland hield toen feest,
„Drie honderd jaar was 't van den Briel; dat 's op dien dag geweest, {bis.)
„Ook nu herdenken we i April, ofschoon in enger kring,
„'t Is heden 'n feest van dankbaarheid voor arts en kweekeling;
„Zij brengen hulde aan een taak van vijf en twintig jaar,
„Lang leve dus het ijv'rig paar: Hekmeijer en Van Laer!quot; {bis.)
— Ten slotte werd op de reünie van 15 Sept. j.1. nog couplet 1 bijgevoegd.
Na dit overzicht wenscht „de Veearts op praktijkquot; nog een enkel woordje tot die zijner geachte lezers te richten, die meer of minder thuis zijn in de heilige Boeken, waaraan dan toch, zooals ik heb trachten aan te toonen, ons vak grootendeels zijn ontstaan heeft te danken.
Ik vertelde u in den eersten regel van het laatste couplet dat er nog meer feiten in de Schrift staan opgeteekend, die weer als even zoovele bewijzen aan de reeds aangehaalde zouden kunnen worden toegevoegd. Ik moet echter eerlijk bekennen dat het eene gewaagde bewering van mij was. Mijne schriftgeleerde lezers zullen mij zeer verplichten wanneer zij mij een handje helpen door, wanneer zij meer dergelijke bewijsgronden lezen of vernemen, die ter mijner kennis te brengen.
Het zou dan niet onmogelijk zijn, dat ik bij ,-eene volgende gelegenheid de tolk was van die behulpzame heeren om ook aan de minder ingewijde collega's die feiten en hunne ïïcteekenis voor ons geliefd vak kenbaar te maken.
T. T.
De Veearts op praktijk.
(Naar Lessing.)
Een kusje, dat een kind mij schenkt, Dat niet weet wat quot;t daarmee bedoelt, Zelfs bij dat kussen nog niet denkt, Dat is een kus, dien men niet voelt.
Een kus, dien quot;n goede vriend mij biedt, Zooals dat sommigen nog doen. Een ware kus noem ik dat niet: Men geeft uit mode slechts dien zoen.
Een kus, dien mij mijn vader geeft, Hoe welgemeend hij dit ook doet. En toont hoe lief hij mij steeds heeft: Dat is iets dat men eeren moet.
39
Wanneer mijn zuster 'n kus mij reikt, Heb 'k slechts in zóóver nut er van, Dat ik, hetgeen mij 't meeste lijkt, Aan and're meisjes denken kan.
Een kus, dien 'k van.....ontvang,
Dat is van mijn beminde dus,
Waar ik voortdurend naar verlang: Dat noem ik eerst een ware kus.
(Naai- Lessing.)
Bij 't drinken viel 't mij in, waarom men wijd en zijd, Sinds lang in de natuur drie Rijken onderscheidt: De mensch bemint en drinkt, hetzelfde doen de dieren, Zij hebben dat gemeen, elk volgens zijn manieren; Als de eene eigenschap nu de and re vergezelt, Dan wordt zoo'n wezen tot het eerste Rijk geteld.
De planten, groot en klein, zij vormen 't tweede Rijk, Het is, hoe nuttig ook, aan 'teerste niet gelijk: De liefde is hier vreemd, de plant kan echter drinken, Zoo wolken droppelend als regen nederzinken.
Hetgeen nu niet bemint en zonder vocht vergaat, Behoort tot 't tweede Rijk, maak veilig daarop staat.
41
En heeft men nu zoover het onderscheid gemaakt,
Dan komt het steenenrijk, zoo dor, zoo dood, zoo naakt. Geen steen zal, waar 't ook zij, den minsten dorst gevoelen, Ook zal geen liefdevlam in 't harde binnenst' woelen; Datgeen, waarbij nooit liefde of drinken kan bestaan.
Wordt, 't is een oude wet, bij 't derde Rijk gedaan.
Want zijt ge zonder liefde, o mensch! en zonder wijn, Verbeeld u dan toch niet, meer dan een steen te zijn.
HET PAARD IN HET DIERENRIJK
BEHOORT IN TE NEMEN.
Verdeeling van het dierenrijk Heeft al sinds lang bestaan;
Daarbij heeft ied're zoöloog Een groote fout begaan.
De mensch, zoo werd ook mij geleerd, Heeft, maar ook hij alleen,
Twee handen, spraak, verstand en wil, Hij staat dus nummer een.
Dan komt de aap, het is bekend Dat hij vier handen heeft.
Dat er zeer vele soorten zijn,
Dat hij verschillend leeft.
43
Dan volgen and're orden nog,
Eerst later komt het paard Met eigenschappen, breed vermeld, Met manen en met staart.
„Eenhoevigquot; noemt men 't edel dier, Waardoor 't zich onderscheidt Van rund en zwijn en ander vee,
Waarbij de hoef zich splijt.
Men late 't onderscheid toch gaan, Dat ik u aangaf hier.
En geve een meer gepasten rang Aan 't schoonst en edelst dier.
Het heeft drie handen, zoo men weet; Men vindt dit duid'lijk staan,
In elk boek over 't exterieur,
Dit is slechts na te slaan.
Waarom ook hier niet 't handental, Tot reegquot; ling van den rang In 't dierenrijk, want bij den mensch En aap deed men 't reeds lang.
Het paard sta tusschen mensch en aap, Het is daar waar 't behoort En waar 't reeds lang had moeten staan, Het blijv' daar ongestoord.
44
Als mensch of aap een hand ontbreekt, Kan 't leven toch bestaan;
Maar stel dat 't paard de voorhand mist, Hoe zou dat moeten gaan ?
Onmldd'lijk zou de dood er zijn, 't Is daarom dat 'k beweer:
Men heeft een misslag hier begaan.
En men herstell' dat weer.
Münchhausen's paard, zoo wordt verhaald, Was de achterhand eens kwijt;
Maar dat gebeurt nu zoo niet meer,
't Was toen zoo'n rare tijd.
Nog eens, geeft 't paard een and're plaats , Een plaats, die het verdient In 't dierenrijk, ge kwijt dan 'n plicht Van dankbaarheid aan 'n vriend.
OF
(Historisch.)
Verplaatst u buiten B., daar komt de kapitein Met zijne compagnie, 't zou heden velddienst zijn. Men praatte en lachte soms en zong eens tusschenbeide Den weg langs naar het doel, een uitgestrekte heide. Men was dan eind'lijk daar, de velddienst nam 'n begin; De kapitein had schik, 't ging alles naar zijn zin.
Hij gaf daarna wat rust, ging ijverig bepraten Hetgeen bekend moet zijn aan kader en soldaten Wanneer het oorlog is, en al hetgeen men doet Indien de vijand komt, te paard of wel te voet. Bij voorbeeld als 'n spion in de nabijheid wandelt, Wat men dan roepen moet en hoe men verder handelt. „Wij zullen dat eens doen,quot; zoo spreekt de kapitein, „Let dus aandachtig op, wij zullen practisch zijn!quot; Een man der compagnie moet voor spion fungeeren Maar in een ander pak, niet in zijn eigen kleeren; Dat was heel spoedig klaar, een kokspak kreeg hij aan.
46
Daarop werd hem gezegd om nu maar weg te gaan En daarna, als spion, bedaard terug te komen,
Zich steeds verbergende in struiken, achter boomen Of op een and're wijs, zooals 'n spion dat doet.
Tot slot roept de kap'tein: „Volbreng de zaak dus goed!quot; Een schildwacht staat op post, hem is de les gelezen Hoe hij nu hand'len moet, dus wat zijn plicht zal wezen. „Let op!quot; spreekt de kap'tein, „gij mannen, die hier staat, „Nu zult ge eens gaan zien hoe 'tin den oorlog gaat!quot;
Daar is reeds de spion; „Toe! Roepen; schildwacht! Roepen De and'ren hebben schik, men lacht in alle groepen.
„Halt, Werda!'' hoort men nu, het antwoord is: „spion!quot; De ezel riep het zelf, zoo hard als hij maar kon.
De kapitein was helsch, en al de and'ren lachten En stonden 't slot der grap nieuwsgierig af te wachten „Gauw! Schieten! Schieten dan! Beroerde kerel, schiet! „Je lijkt wel lam of blind of zie je 't kokspak niet?!quot; De schildwacht drukt nu af, maar de spion blijft leven, En stapt maar lachend door, nog vlugger dan zoo even. „Dood vallen! Satanskind; Val dood dan toch, val dood!! „Of ezel, zag je niet, dat iemand op je schoot!?quot; Die woorden treffen goed, de doode zijgt ter aarde;
Als dat er niet bij kwam had heel de zaak geen waarde. Men droeg nu 't lachend lijk een eindweegs verder voort Op een gewerenbaar, zooals 't in d' oorlog hoort.
Hiermede was 't gedaan, men had genoeg voor heden En de spion stond op om zich weer te verkleeden.
„Zoo'n velddienst is zeer goed voor iederen soldaat, „Ge hebt nu klaar gezien hoe 't in den oorlog gaat,quot; Zoo sprak de kapitein en liet toen afmarscheeren.
't Feit werd mij zoo verteld, het is gebeurd mijn'heeren.
Een dame reisde laatst per spoor naar 's Gravenhage,
Vlak voor haar zat een heer, die deed maar niets dan vragen Het was een lastig man, hij hinderde elkeen En zond zijn stouten blik langs heel 't gezelschap heen.
Reeds menigeen had hem de les eens flink gelezen Maar onze waarde heer scheen dat maar niet te vreczen. Mevrouw! vraagt hij op 't laatst, vergun mij nog één vraag: Welk is toch wel 't motief, dat u voert naar den Haag. De dame, op nieuw verstoord toen hij zijn stem verhief, Zij zeide heel bedaard: „Wel, de locomotief.quot;
Een groepje jonge dames Ging wand'len door het veld; Zij zagen daar een schaapje, Zij waren 'r op gesteld.
48
Een herder leidde 't diertje,
Hij had het aan een koord, Hij groette onze dames Beleefd, zooals 't behoort.
„Och, zeg ons, beste jongen,quot;
Sprak een der meisjes toen, „Waarom moet 't kleine schaapje „Het zonder horens doen?quot;
„Omdat het niet getrouwd is,quot; Was 't antwoord van den knaap, „Maar treedt het in het huw'lijk „Twee horens krijgt dan 't schaap.'-
Ballangée , (J.)
Driessen , (D. P. F.) Hengevelp Gz. , (M. [.) Jong, (H. de) Mac Gillavry, (Prof. Dr.) Mazure Sr. , (C.) Mos, (G. J.)
Rijssel , (Th. van) Westholz, (J.)
Arntz, (G.) Blindenbach , (A.) Cayaux , (J.) Dogterom, (W.) Drien , (L. van) Driessen, (A.) Dulm, (F. van) Harst, (I,. J. van der) Heer , (A. de) Hengeveld , (G. J.) Huefnagel , (J.) Kok , (E. A.) Laer, (Dr. R. J. van) Lameris , (H.) |
Mazure, (J.) Mervennée, (E. van) Meulen , (A. van der) Michels , (P.) Reimers , (H.) Schimmel , (W.) Schoorel, (C.) Snijders , (W.) Staa, (H. van) Stempel. Vlamings , (A.) Voetelink, (A.) Voetelink, (H.) Wal, (W. van der) Werkman, (P.) |
Voorrede....................................-
De Nederlandsche taal, | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
I '
1
,
'« : V
. • ........ ^-------v ---------^ quot;— 1
« • ■
*
*.
r |
- |
Iv' | |
V'' ; , '* | |
\
■