-ocr page 1-

^ Vi.

----------------

ült; 'r (C

|ft (fciuuia druamjiclic.

CHRISTELIJK MAANDSCHRIFT

ONDEE KEDACTIE VAN

Br. J. CRAMER en Jlr. Gr. H. LAMEES,

Hoogleerarèn te Utrecht. I

S

$r 18 8 4.

# C

)

ÏM': ■ ' 'iü ; • N0. 10. *■

DRIEËRLEI OORDEEL

Dr. J. CRAMER.

UTRECHT.

A. H. TEN BOKKEL HUININK. 1884.

%

Sw-----—

Zie achterzijde van dit Omslag.

-ocr page 2-

Bij den Uitgever dezes zijn mede verkrijgbaar:

Uitmuntend gelijkende photographiën van Prof. Dr. N. BEETS.

Prijs:

Salon formaat. . . . ƒ5._

Boudoir 3.—

Cabinet 0.75

0.50

Visite

Iedere bestelling wordt franco verzonden.

-ocr page 3-

X.

DRIEËRLEI OORDEEL.

1 Cor. IV : 3—5.

Onder de mannen, die den moed van hunne overtuiging hadden, mag de Apostel Paulus zeker wel het eerst genoemd worden. Hij had eene overtuiging, eene vaste, diep gewortelde overtuiging omtrent den weg des heils. Door ervaring had hij die verkregen. Christus zelf had hem haar gegeven door zijnen Geest. En daarom was het hem onmogelijk geworden, haar te verbergen of te verbloemen. Hij schaamde zich het Evangelie van Christus niet, onverschillig of hij voor Joden of voor Heidenen optrad, of hij spotternij of vijandschap ontmoette, of hij met zwakke medeapostelen of met valsche broeders te doen had. Fier van geest, heftig van karakter, tastte hij zonder verschooning de dwalingen en gebreken van zijnen tijd aan. Hij zweeg niet, waar spreken plicht was. Zoo dikwijls het de eer van Christus gold, wist hij van geen schikken en plooien. Liever trotseerde hij allen en alles, liever leed hij verdenking en smaad, vijandschap en vervolging , dan te handelen tegen zijne innigste overtuiging.

Dat dit aanstoot verwekte, is te begrijpen. Nooit heeft de wereld, ook niet de christelijke wereld, lijdelijk aangezien, dat men de openbare meening trotseerde. Nooit heeft men geheel straffeloos den moed zijner overtuiging gehad. Dat men een overtuiging heeft, wordt tot op zekere hoogte geduld. Maar die overtuiging uit te spreken, zonder aanzien des persoons, zonder zich om goed- of afkeuring te bekommeren, zonder de vooroordeelen der menigte,

-ocr page 4-

146

zonder de teergevoeligheid der zwakke broeders te ontzien — dat mag tot geen prijs geduld worden, daartegen moet men in verzet komen.

Dit was ook ruimschoots de ervaring van Paulus, bijna overal waar hij de banier van het kruis van Christus plantte. Niet het minst in Corinthe. Lang had hij daar gewerkt, met grooten zegen. Velen, al waren het dan niet de rijksten en aanzienlijksten, waren door hem tot Christus gebracht. Hij had de gemeente lief gekregen, en droeg haar op het hart. Zij was hem een schoone parel aan zijne apostolische kroon.

Maar wat was er gebeurd? Ook daar, gelijk elders, waren er mannen opgestaan, die zijn apostolisch gezag in twijfel trokken, zijne goede trouw bij de gemeente in verdenking brachten, en zijnen invloed onder de geloovigen ondermijnden. De één vond hem te vrij in zijne beschouwing, de ander te streng in zijne eischen, een ander weder te eenvoudig, te onbeschaafd in zijne prediking. De eene groep na de andere scheurde zich van hem af. Er vormden zich onderscheidene kringen, die weldra het karakter van partijschappen aannamen, ja tot scheuringen in de gemeente dreigden aanleiding te geven. Alsof de Apostelen partijhoofden waren, noemde men zich naar hen. Ja, zoozeer vergat men het doel en de beteekenis van den persoon en het werk van Christus, dat er zich zelfs eene Christus-partij in de gemeente kon vormen.

Naast de Cefas- en Apollos-partij was het deze Christuspartij vooral, die Paulus tegenwerkte. O, hoe smartte dit den trouwen Apostel! Niet zoozeer om zich zeiven, als wel om de gemeente. Hoe gaarne had hij zich geheel teruggetrokken, en aan zijne tegenstanders vrij baan gelaten, als de gemeente er door gebaat was geworden! Maar het mocht niet. Juist het belang der geaieente eischte, dat hij pal stond voor zijne overtuiging, endeed wat hij kon om zijn verloren invloed te herwinnen. De

-ocr page 5-

147

gemeente mocht niet van hare vastheid in Christus worden losgerukt. Zij moest staan in de vrijheid, waarmede Christus haar had vrijgemaakt, en niet minder in de liefde, waartoe zij door den God der liefde was geroepen.

Zoo moest hij zich dan wel als Apostel van Christus rechtvaardigen. Met nadruk wees hij er op, dat hij, zoo goed als de anderen, naar wie men zich noemde, als „een dienaar van Christus en een uitdeeler der verborgenheden Godsquot; wilde erkend worden. Het kwam er maar op aan, dat hij voldeed aan „den eisch der getrouwheid,quot; die aan „de uitdeelersquot; mocht worden gesteld. Er waren er, die dien lof hem onthielden, die hem den naam van een „getrouw dienaai; van Christus en uitdeeler der verborgenheden Godsquot; niet waardig keurden. Maar daarover bekommerde hij zich niet. „Het was hem voor het minst, dat hij van de Corinthiërs geoordeeld werd.quot; Wat de Corinthische gemeente ook van hem zeide, of zij hem verdacht of vertrouwde, of zij hem laakte of prees, of zij hem verwierp of toejuichte — het was hem geheel onverschillig. Ja, „geen enkel menschelijk oordeel,quot; of, gelijk er (met het oog op den toekomenden dag van Christus) eigenlijk staat, geen enkele menschelijke dag, geen enkele menschelijke gerichtsdag kon hem bevreesd maken en hem van gedragslijn doen veranderen. Zelfs op „zijn eigen oordeelquot; wilde hij niet vertrouwen. Want, hoewel „hij zich van geen ding bewust was,quot; hoewel zijn geweten hem vrijsprak, toch was hij „daardoor niet gerechtvaardigd.quot; Niet wat hij gedaan had voor zijnen Heer, niet de oprechtheid zijner bedoelingen, niet de zuiverheid zijns gewetens was de grond van zijne rechtvaardiging voor God. Door Christus en zijne genade alleen was hij gerechtvaardigd. Niet voor den rechterstoel zijns gewetens alleen, maar voor den rechterstoel van God was hij in Christus rechtvaardig verklaard. Eu daarom was het alleen maar' de vraag, hoe Christus, wien God het oordeel had over-

-ocr page 6-

148

gegeven, over hem oordeelen zou in den dag des gerichts. Op dat oordeel was zijne hoop gevestigd. Dat oordeel ging hij met vertrouwen te gemoet.

Drieërlei oordeel vinden wij hier door Paulus genoemd: het oordeel der menschen, waaromtrent hij onverschillig was, zijn eigen oordeel, waarop hij zich niet wilde verlaten, en het oordeel van Christus, dat hij met gerustheid verbeidde. Wèl ons, als wij alzoo met den Apostel kunnen spreken!

Dat Paulus om een menschelijk oordeel zoo weinig gaf, kan ons niet bevreemden, als wij denken aan de zonderlinge oordeelen, die dikwijls over de christenen geveld worden door de kinderen dezer wereld. „Daarom kent ons de wereld niet — zegt Johannes — omdat zij God niet kent.quot; Hoe zou eene wereld die vreemd is aan het leven Gods, en dus vreemd aan het leven des geloofs, der hoop en der liefde, de kinderen Gods kunnen begrijpen ! Welk een verschil in streven en bedoelen, in neigingen en beginselen, in werken en genieten ! Hier een werken om de spijs die vergaat, daar een werken om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven. Hier een zoeken van het onzienlijke, daar een zoeken van het zienlijke als den hoogsten schat. Hier een vragen naar Gods wil, daar een vragen naar hetgeen begeerlijk is voor het vleesch. Hier een verloochenen, daar een liefhebben van zich zeiven. Hier een zoeken, daar een ontvluchten van de waarheid. Hier een steunen op Gods kracht, daar een steunen op eigen kracht. Welk een verschil! Waarlijk, „de natuurlijke mensch,quot; de mensch die zich door zijne zondige, van God afkeerige natuur laat beheerschen, „begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.quot; Van daar dat hij het leven en streven van den vriend van God, den discipel van Jezus dikwijls zoo verkeerd beoordeelt. Het kan gebeuren dat hij door de

-ocr page 7-

149

waarheid die hij spreekt en het goede dat hij doet zoo getroffen wordt, dat hij zich onwillekeurig tot hem getrokken gevoelt, en hulde moet brengen aan zijne beginselen en bedoelingen. Maar dikwijls ook, en dat te meer, naarmate hij het verder heeft gebracht in de treurige kunst van zijn geweten te misleiden, begrijpt hij hem niet, miskent en veroordeelt hij hem. Zoo hij hem al niet voor een dweeper houdt, houdt hij hem toch voor iemand van beperkte geestvermogens en gebrekkige kennis, voor iemand die niet op de hoogte is van zijn tijd, en zich maar al te zeer door zijn gevoel laat beheerschen. Zoo hij hem al niet scheldt voor een huichelaar, trekt hij toch het onbaatzuchtige van zijne bedoelingen in twijfel, en kan hij de gedachte niet van zich weren, dat onedele bijoogmerken ook bij hem nog eene groote rol spelen in hetgeen hij spreekt en doet voor den Heer en zijn koninkrijk.

Dit ondervond ook Paulus in Corinthe. Zijn ijver kon men niet ontkennen. Dat hij getrouw bleef aan zijne beginselen, kon men niet in twijfel trekken. Maar, dat hij niet zoo rechtzinnig was in zijne prediking van het Evangelie als de twaalve; dat hij door de Wet als middel des behouds te verwerpen, toonde het leven en den dienst van God niet ernstig genoeg op te vatten; dat hij met zijn Evangelie der vrijheid de losbandigheid in de hand werkte; dat hij al te halsstarrig vasthield aan hetgeen hij eenmaal had beleden; dat hij in zijn ijveren verre van belangeloos was; dat hij geen oor had voor de wijsheid der wijzen, geen oog voor het schoone der aarde, geen hart voor de genietingen des levens; dat hij een overdrij-ver, een dweeper was — zie, dat kon men niet ontkennen. Beschuldiging op beschuldiging, de eene al heviger en onbarmhartiger dan de andere, werd tegen hem ingebracht, van alle zijden en in allerlei vorm.

Verwonderen kan ons dat niet. Maar ook evenmin verwondert het ons, dat een man als Paulus zich boven

-ocr page 8-

150

al dergelijke aantijgingen verhief, en het „het allerminste achtte door het oordeel van menschen getroffen te worden.quot;

Maar als nu die menschen, die zóó over hem oordeelden, broeders waren, broeders in Christus, geloovige leden der gemeente, die hij kon aanspreken als heiligen en beminden, als mede-erfgenamen van het koninkrijk der hemelen? Hoe kon hij dan tot dezulken zeggen: „mij is het het allerminste van ulieden geoordeeld te worden?quot; Van de geloovigen toch kan men verwachten, dat zij elkander verstaan. Hebben zij niet één leven, éénen God en Vader uit wien zij geboren zijn, éénen Heiland door wien zij zijn verlost, éénen vrede door gemeenschap met God, ééne bron van vertroosting en kracht, ééne begeerte om naar al Gods geboden te leven, éénen Geest die hen in de waarheid leidt? Behooren zij niet tot de „geestelijke menschen, die alle dingen onderscheiden?quot; Wie durft dan, als hun oordeel hem treft, fier het hoofd op te heffen, en te zeggen, dat het hem onverschillig is hoe zij over hem denken? Hoe kon een Paulus zoo spreken, die zoo levendig den band gevoelde, welke hem aan de geloovigen verbond, en zooveel behoefte had aan de deelnemende, medelijdende en vertroostende liefde der kinderen Gods?

Maar kan dan het eene niet met het andere gepaard gaan? Sluiten dan vrijheid en liefde, zelfstandigheid en behoefte aan sympathie elkander uit? Moet men zich juist niet vrij gevoelen tegenover de menschen, om hun in waarheid, tot hun welzijn, te kunnen dienen? Moet men zich zeiven niet bezitten om zich zeiven te kunnen geven?

Neen, hoe hard de Corinthische broeders ook over hem oordeelden, Paulus had er hen niet minder lief om. Juist omdat hij ze zoo liefhad, wilde hij hun in de eischen, die zij aan zijne prediking stelden, niet ter wille zijn. Was hij niet voor alle dingen een discipel van Jezus, en als zoodanig geroepen, alleen te vragen naar den wil van zijn goddelijken Meester? Was hij niet een Apostel,

-ocr page 9-

151

die slechts het woord van zijn Zender te spreken had? Wat ging het hem eigenlijk aan, hoe de menschen, al waren het dan geliefde broeders, over hem oordeelden! Zij konden immers in hun oordeel feilen. Zij waren geen hartenkenners. Zij konden gissen, vermoeden wat er omging in zijn hart, maar zekerheid hadden zij niet. En daarenboven, de partijzucht benevelde hun oordeel. De geestelijke mensch onderscheidt de dingen des Geestes. Maar zij waren niet geestelijk, die Corinthische christe-tenen, waarvan de een zich naar Paulus, de ander naar Cefas, een ander naar Apollos, een ander weder naar Christus noemde. Zij waren niet geestelijk, die Corinthische christenen, in wier midden hoogmoed en zelfzucht, wuftheid en wereldzin, ja zelfs onzedelijkheid van de ergste soort werden geduld. Waarom zou dan een man als Paulus zich door het oordeel van zulke broeders laten verontrusten ?

Hoe ware het te wenschen, dat de Apostel in dat fiere zelfgevoel meer navolgers had! Wij zijn geen apostelen. Maar, als wij op denzelfden Christus ons vertrouwen hebben leeren stellen, en door Hem gerechtvaardigd, kinderen van God ons kunnen noemen, zijn ook wij christenen, en als zoodanig vrij van de menschen, gebonden alleen aan Christus en aan God. Ja, reeds als menschen zijn wij op die vrijheid aangelegd. Ieder mensch is door God begaafd met een geweten, dat hem maakt tot een individu, tot een zelfstandig, vrij werkend deel van het groot geheel der menschheid, dat allereerst en allermeest verantwoordelijk is aan zich zelf, of — laat mij liever zeggen — aan God. Want God is de diepste grond van ons wezen. Naar God wijst ons geweten heen als naar eene macht die boven ons staat, van welke wij onbepaald afhankelijk zijn, als naar een Rechter, aan wiens goedkeuring ons alles gelegen is, wiens oordeel voor ons beslissend is.

Reeds die gebondenheid aan God, die ieder mensch

-ocr page 10-

152

min of meer gevoelt, maakt ons onafhankelijk van het oordeel der menschen. Maar hoeveel te meer is dit bij den christen het geval, bij wien het geweten door het geloof in Christus is vrijgemaakt van de macht der zonde, en in zijne heerschappij over hart en leven is hersteld! Niet door menschen, maar door Christus verlost, is hij een dienstknecht van Christus geworden, alleen aan hem verantwoording schuldig. Gerechtvaardigd uit het geloof, heeft hij vrede bij God, en zoo min hij dien vrede van de menschen heeft ontvangen, kan die hem door menschen ontnomen worden. Den Geest van God, den Geest der aanneming tot kinderen deelachtig geworden, laat hij zich door dien Geest leiden, ook al komt hij op een weg, die door menigen broeder wordt afgekeurd. De bron des levens in zich hebbende door Christus die in hem woont, staat hij ook in de verzekerdheid des geloofs, en gevoelt hij zich boven miskenning en verdenking verheven. Hoeveel prijs hij ook stelle op de vriendschap der broeders, hoeveel waarde hij ook hechte aan kerkelijke gemeenschap, boven alles gaat hem de vriendschap van den Koning der waarheid, de gemeenschap met zijn Heer en Heiland.

Dit was de geest, die een Luther bezielde, toen hij op den rijksdag te Worms alleen stond tegenover de machten en heerschappijen der Kerk. Dwaasheid moest het schijnen in de oogen van Rome, dat een eenvoudige monnik het eeuwen-oude geloof der Kerk durfde te weerspreken, en tegenover alle vermaningen en bedreigingen niets had te stellen dan het woord des gewetens: hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij, Amen! Maar wat dwaasheid is bij de menschen, is wijsheid bij God. Sinds Jezus de Koning der waarheid gebleken is, al had hij alle machten van Staat en Kerk tegen zich, is het voor aller oog openbaar geworden, dat men alleen kan staan, veroordeeld en verworpen door wereldlijke en kerkelijke machten, en toch

-ocr page 11-

153

God en de waarheid vóór zich kan hebben. Dank zij God , dat Hij dit in een Luther en zoovele andere geloofshelden en martelaars telkens aan zijne Kerk heeft herinnerd. Dank zij God, dat Hij tegenover de Kerk van Rome de pro-testantsche Kerk heeft gesteld, met haar weerzin tegen alle gezag, dat niet geworteld is in Christus en zijn Evangelie. Wat Rome, omdat het zich onfeilbaar waant, als ongerijmd, als zondig moet veroordeelen, dat is voor den waren protestant, die de waarheid niet in zijne Kerk, maar alleen in Christus ziet, een heilig en onaantastbaar recht, het recht namelijk om eene eigene overtuiging te hebben, en die, hoe verpletterend de meerderheid ook zij die haar tegenspreekt, te handhaven. Wij mogen niemand toelaten, heerschappij te voeren over ons geloof. Het geloof, waaruit wij gerechtvaardigd zijn, is niet het geloof van een ander, maar ons eigen geloof, het geloof dat door eigen, soms langen en hangen strijd ons deel is geworden, en daarom door ons niet kan worden prijsgegeven voor den eerste den beste, die goedvindt het te bestrijden.

O, dat er meer van dien echt-protestantschen, van dien echt-paulinischen geest in ons ware! Wij zouden een vrijer en vroolijker christendom hebben, en niet zoo licht ons her- en derwaarts laten bewegen als eene bare der zee. Wij zouden meer kracht hebben om de zonde te bestrijden, en meer kunnen doen voor het koninkrijk Gods.

O zeker, er is behoefte in onze dagen aan eensgezindheid, aan samenwerking, aan liefde. Tegenover de vele en machtige vijanden. die de gemeente van Christus belagen, moeten allen die Christus liefhebben zich meer aaneensluiten, zich voor elkander verloochenen , en menige bijzaak prijs geven om de hoofdzaak te redden. Ook Paulus was hiervan overtuigd, en toonde dat op velerlei wijze. Waar hij kon en mocht, was hij den Joden een Jood, en den Grieken een Griek. Menigmaal gaf hij toe om de zwakke broeders niet te ergeren.

-ocr page 12-

154

Ook wij zijn daartoe geroepen. Maar niet minder zijn wij, vooral in onzen tijd, geroepen tot vrijheid en zelfstandigheid. Bij alle waardeering van hetgeen de Kerk, waartoe wij behooren, gelooft en belijdt, moeten wij geen oogenblik aarzelen haar te weerspreken, als het Evangelie der Schriften ons anders leert. Bij allen eerbied voor geestelijke leidslieden en vaders, moeten wij toch onzen eigen weg blijven gaan, den weg, dien God ons wijst door zijn Woord en Geest. Bij alle liefde tot de broeders, moeten wij toch geen vrede willen hebben ten koste van de waarheid. Bij alle vrees om onnoodigen aanstoot te geven, moeten wij ons toch het recht blijven voorbehouden van eene eigene overtuiging te hebben, en die uit te spreken, ook al verwekt zij hier en daar ergernis.

Zoo alleen kan het geestelijke leven gezond en krachtig zich ontwikkelen. Zoo alleen wast de gemeente op in kennis en geloof, en brengt zij tot heil der wereld groote dingen tot stand.

Men zie echter wel toe, dat men zich zeiven niet bedriegt, dat men niet voor geloofsovertuiging houdt wat niets is dan een vooi'oordeel, niet zijn eigen weg aanziet voor een weg Gods, en zich niet met eenen eigenwilligen godsdienst, met eene schijn-vroomheid tevreden stelt, 't Is waarlijk niet genoeg, dat men rustig en zich van geen kwaad bewust is. Ook Paulus was zich van geen ding bewust, en toch wist hij daardoor niet gerechtvaardigd te zijn. Zoolang hij niet vertrouwen kon, dat des Heeren oordeel over hem eene vrijspraak zou wezen, gaf het oordeel, dat hij over zich zeiven velde, hem geen rust.

Dit kan ons bij eenig nadenken niet verwonderen. Ook het geweten staat onder den invloed van de zonde, en voert ons daarom licht op een dwaalweg. Oorspronkelijk is het ons tot een wachter gegeven, die waken zou over onze gangen, maar wij kunnen dien wachter in slaap wie-

-ocr page 13-

155

gen. Een rechter moet het voor ons wezen, maar wij kunnen dien rechter omkoopen. De stem der waarheid, de stem van God moet het ons doen hooren, maar wij kunnen het ook de stem van ons bedriegelijk hart laten spreken.

Paulus wist het bij ervaring. Toen hij de gemeente Gods vervolgde, meende hij daarmede Gode een dienst te doen. Hij achtte zich verplicht door zijn geweten, om de sekte des Nazareners, die de hem zoo dierbare wet van Mozes met voeten trad, uit te roeien. Wel zal ook hij oogenblikken gekend hebben, waarin zijn hart onrustig klopte, en de vraag met geweld op hem aandrong, of hij zich wel op den goeden weg bevond. Menigmaal zal het hem hard gevallen zijn, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Maar telkens gelukte het hem dat pijnlijk gevoel te verdooven, en zich op te dringen, dat hij een goed werk deed en een prijzenswaardigen ijver toonde in den dienst van den God zijner vaderen. En zooals Paulus, is het menigeen gegaan. Hoeveel dweepers zijn er geweest, die zich bewust waren dat zij den wil van God deden, terwijl zij zich geheel door wereldsche drijfveeren lieten leiden! Hoe menige verkeerde daad wordt er verricht zonder zelfbeschuldiging! Hoe menigeen geeft zich aan een zondig genot over zonder zich daarover iets te verwijten! Hoe menige dwaling heeft hare martelaars gehad!

Ja ook bij hen, die zich onder Jezus discipelen mogen rangschikken, is het er verre van af, dat het geweten altijd de waarheid spreekt. Het wordt gezien, dat men zich angstvallig tot zonde rekent wat geen zonde is. En veelmeer nog, dat men luchtig over vele dingen heengaat, die men zich ernstig moest aantrekken. Hier meent men voor den Heer te ijveren, terwijl men eigenlijk, althans grootendeels, zich zeiven bedoelt. Daar wordt als eene van God geopenbaarde waarheid gehuldigd, wat niet anders is dan eene oude, van vorige geslachten overgeërfde dwa-

-ocr page 14-

156

ling. Ginds worden daden vergoelijkt, ja tot deugden gestempeld, die Gods Woord als zonde veroordeelt.

Neen, het is niet geraden, integendeel hoogst gevaarlijk, ten allen tijde op de getuigenis des gewetens af te gaan. En toch is het ook niet geraden, ja hoogst gevaarlijk, iets tegen het geweten te doen. Toch blijft het geweten het heiligste in den mensch, dat nooit straffeloos kan worden verloochend. Toch is er geen enkele daad goed te noemen, waarop het geweten zijn stempel niet drukken kan! Hoe is dat te begrijpen? Hoe is het eene met het andere te vereenigen?

Ook hier wijst Paulus ons weder den rechten weg. Hij spreekt ook van een derde oordeel, van het oordeel, dat de Heer over hem vellen zou in den dag zijner verschijning in heerlijkheid. „Die mij oordeelt — zegt hij — is de Heer.quot;

Dat oordeel, dat hij in de naaste toekomst verwachtte, had hij steeds voor den geest. Hij wees er zich zeiven en zijne mede-christenen telkens op, in navolging van den Heer zeiven, dat eens „allen zouden geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, om weg te dragen hetgeen in het lichaam geschied was, naardat zij gedaan hadden, hetzij goed, hetzij kwaad.quot;

O, hoe geheel anders zou dat oordeel luiden dan het oordeel der menschen! Hij, de hartenkenner, zou niet oordeelen naar den schijn. Hij zou niet aanzien wat voor oogen is en den persoon des menschen niet aannemen. Hij zou geen willekeurigen maatstaf aanleggen. Alleen de waarheid zou zijn richtsnoer zijn.

Was dit den Apostel tot eene verschrikking? Neen. Wel vervulde de gedachte aan de toekomst des Heeren hem met heilige vreeze, en was zij hem een spoorslag om zoo voor zich zeiven als voor anderen ernstig aan te dringen op een leven van heiligmaking en zelfverlooche-

-ocr page 15-

157

ning. Maar toch, hij vertrouwde, dat hij in de oogen des Heeren niet verwerpelijk zou bevonden worden. Immers was hij zich van geen ding bewust. Indien hij zich zeiven had moeten bekennen , dat zijne bedoelingen onzuiver waren, en dat hij meer zich zeiven dan den Heer zocht, hij zou zich op het oordeel des Heeren niet hebben durven beroepen. Maar nu kon bij het met vrijmoedigheid doen. Zijn hart veroordeelde hem niet.

Maar komt hier nu niet weder alles aan op het oordeel des gewetens, waarvan de Apostel zoo even gezegd had, dat hij er niet op vertrouwen kon? Volstrekt niet. Wel komt er veel op het oordeel des gewetens aan, zóóveel, dat er geen vrede kan wezen, als het geweten geen getuigenis geeft aan de oprechtheid van ons geloof en de zuiverheid van onze beginselen. Maar de eindbeslissing berust bij den Heer. De Heer moet met ons geweten medegetuigen, zullen wij gerust kunnen wezen. En is die getuigenis in hare volle kracht eerst in de toekomst te wachten, toch kan zij hier reeds door het geloof in ons hart worden vernomen, tot onze geruststelling en vertroosting. Het geloof moet in het geweten weerklank vinden; maar het is iets anders dan het geweten, het is meer dan het geweten. Het brengt ons in rechtstreeksche betrekking tot God en tot Christus, en doet ons alzoo in aanraking komen met de hoogste waarheid. Door het geloof laten wij het licht dier waarheid schijnen in onze harten. Wij brengen ons zeiven, onze daden, woorden en gedachten onder haren invloed. Gevoelen wij ons ook dan niet veroordeeld, maar gerechtvaardigd , spreekt ook dan ons geweten ons vrij, hebben wij ook dan vrijmoedigheid om, zelfs bij het besef van onreinheid en schuld, in Christus onzen Verlosser en in God onzen Vader te zien, dan kunnen wij gerust onzen weg gaan en ieder menschelijk oordeel trotseeren.

Wel hem, die alzoo telkens, als er strijd is tusschen het oordeel der menschen en het oordeel zijns gewetens,

-ocr page 16-

158

zich plaatst voor het aangezicht des Heeren. Wel hem, die zijn geweten telkens laat verlichten door den Christus, het Licht der wereld. Wel hem, die telkens naar Zijn oordeel vraagt, gelijk hij ons dat door zijn Woord en zijnen Geest doet vernemen , en daartoe telkens het Evangelie der Schriften onderzoekt met een biddend hart. Die kan op den duur zich niet misleiden. Die komt tot de waarheid, en zal de kracht en den troost der waarheid ervaren. Die gaat door eer en oneer, door goed gerucht en kwaad gerucht heen, rustig zijnen weg. De Heer zal hem kennen en kronen in den dag des oordeels.

„Zoo dan — hiermede eindigde Paulus zijne rechtvaardiging voor de Corinthïers — oordeelt niets vóór den tijd , totdat de Heer zal gekomen zijn, welke ook in het licht zal brengen, 't geen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.quot; Tot deze vermaning had de Apostel op grond van hetgeen hij der gemeente geschreven had, het recht. Was hij zich zeiven van geen ding bewust, en kon hij met vertrouwen de toekomst des Heeren verbeiden, dan moest men ook niet voorbarig over hem oordeelen, maar met het oordeel wachten, totdat de Heer zou gekomen zijn. Op eene volkoinene vrijspraak wilde hij vooreerst niet aandringen. Hij kon er wel in komen, dat men hem niet van alle kanten met volle sympathie te gemoet trad. Zijne evangelie-beschouwing was zóó vrij, zoo afwijkend van hetgeen men altijd geloofd had, dat hij niet terstond op aller instemming rekenen kon. Maar dit meende hij toch wel met vrijmoedigheid te mogen vragen, dat men met het beslissend oordeel wachten zou. Wie wist, hoe spoedig de Heer der gemeente zelf zou komen!

Wachten! Dat is eene moeilijke les voor den christen. In elk geval. Maar vooral wanneer het een oordeel over den broeder geldt. Gedurig vinden wij dan ook, zoo

-ocr page 17-

159

door Jezus als door zijne apostelen, tegen een voorbarig oordeelen gewaarschuwd. Wij zijn zoo geneigd, op grond van hetgeen wij hooren of zien, terstond een oordeel te vellen over het hart. Zoodra wij andere denkbeelden ontmoeten of die denkbeelden in een anderen vorm vinden uitgedrukt, zoodra wij op het gebied van het maatschappelijk uf kerkelijk leven eene andere gedragslijn zien volgen, dan wij zeiven altijd voor de ware gehouden hebben, vragen wij maar al te spoedig, of er wel christendom, of er wel geloof, of er wel geestelijk leven is.

O, dat wij toch leeren te wachten, en niet te oordeelen vóór den tijd ! Wie zegt ons, dat wij niet geheel anders oordeelen zullen, als de Heer komt! Wie weet, hoevelen wij in den hemel ontmoeten zullen, aan welke wij hier de broederhand niet wilden reiken! Wij kunnen immers elkanders hart niet doorgronden. Wij weten immers niet, wat er in de binnenkamer omgaat. En dat is toch het beslissende. Gelijk er gemis aan christendom kan zijn bij christelijke vormen, gemis aan geloof bij eene groote mate van rechtzinnigheid, gemis aan geestelijk leven bij getrouwe wets ver vulling — zoo kan men ook in menig opzicht dwalen, en toch worden vrijgesproken in den dag des gerichts, omdat men met het hart in Christus heeft geloofd, veel heeft liefgehad, en in reinheid des harten voor Gods aangezicht heeft gewandeld.

Den 2Ü8tei1 van deze maand i) was het vijf eeuwen geleden, dat de vrome Geert Groote. de stichter van de beroemde broederschap des gemeenen levens, ontsliep. Rome gedenkt dien man als één dier stillen in den lande, die met Thomas a Kempis en vele anderen, in woord en geschrift, en niet het minst door hun geloovigen en liefde-vollen wandel, der Kerk van Nederland tot onberekenbaren zegen geweest zijn. Met die getuigenis vereenigt zich de

1) Augustus 1884.

-ocr page 18-

160

echte Protestant van harte. Hoe goed katholiek die mannen ook waren, aan hoeveel bijgeloovigheden zij ook vasthielden, die de protestant terecht veroordeelt en verwerpt, niettemin hebben zij dat leven des geloofs en der liefde gekend, dat, om het even of men katholiek is of protestant, onwederstaanbaar het echt-christelijke, echt-vrome hart aantrekt. De allereerste vraag is niet wal men gelooft, maar hoe men gelooft, of men werkelijk gelooft wat men gelooft, of men diep overtuigd is van de waarheid en de beteekenis van hetgeen men gelooft, zóó diep, dat men er zijn leven, zijne kracht, zijnen troost in vindt, en er zich door laat leiden in al zijnen wandel. Laat het dan maar weinig zijn dat men gelooft, liever dat weinige, dan die groote hoeveelheid leerstukken, die het hart koud, den wil onveranderd en het leven onver-nieuwd laten.

Schorten wij daarom ons oordeel op, als wij bij onze medechristenen verschijnselen ontmoeten, zonder welke wij ze zeker als onze broeders in Christus zouden begroeten. Plaatsen wij ons niet op den rechterstoel van God. Toen Johannes het aanroepen van Jezus naam wilde verboden zien aan iemand die Jezus niet volgde, werd hij terechtgewezen met het woord: „Wie niet tegen ons is, is voor ons.quot; En toen iemand vraagde, of er ook weinigen waren die zalig werden, antwoordde Jezus: „Strijdt om in te gaan door de enge poort,quot; Dit is zeker: Zonder den strijd des geloofs en der zelfver loochening zal niemand ingaan in het koninkrijk Gods. Maar ook dit is zeker: er zijn meer woningen in het huis des Vaders, dan wij denken. En vele eersten zullen de laatsten, maar ook vele laatsten de eersten zijn.

J. Cbameb.

-ocr page 19-

Door den uitgever dezes zijn uit de fondsen van verschillende uitgevers de volgende boeken aangekocht, die gedurende de maanden October, November en December tegen veel yerminderden prijs worden aangeboden.

Dr. J. G. D. Schotel, Geschiedenis van den Heidelbergsehen Catechismus in pl. van ƒ 3.50 nu ƒ 1.75. j

E. Natille, Het vraagstuk van het kwaad, in pl. Tan ƒ 2.40 nu ƒ 1.40.

Gezocht en gevonden, eeu christelijke novelle, iu pl van ƒ 1.75 nu ƒ 1.—

(

J. A. Schuurman Johzn., De grootste der zondaren, in pl. van ƒ.0.40 nu ƒ 0.15.

Tryfosa, Veertien dagen in Belfast. Eene bijdrage tot de geschiedenis der jongste opwekkingen, in pl. van ƒ 0.30 nu ƒ 0.15.

Theodor Fliedner , Eeu held der Evangelisatie, in pl. van ƒ 1.— nu ƒ 0.50.

C. H. Zeiler, Zielkunde, in pl. van ƒ 0.90 nu ƒ 0.50.

Prof. J. G. D. Martens, Het nieuwe Christendom, in pl. vau ƒ 0.40 nu ƒ 0.15.

Dr. J. Cramer, De wasdom der gemeente, in pl. van ƒ 0.30 nu f 0.15.

- Het berouw en het ethisch determinisme, in pl. van

ƒ 0.60 nu ƒ 0.30.

Dr. W. C. Magee, Twijfelzucht, met een voorwoord van Prof. J. J. van Oosterzee. in pl. van f 0.50 nu ƒ 0.25.

C. M. D. Statins Mnller, Gethsemané, woorden van stichting en opbeuring. in pl. vau ƒ 2.90 nu f 1.50.

J. Kerbert, Nat. geschiedenis des Bijbels, in pl. van ƒ 2.25 nu ƒ 0.75.

-- Bijb. oudheden, in pl. van ƒ 2.25 nu f 0.75.

Iedere bestelling wordt franco verzonden.

-ocr page 20-

160

echte Protestant van harte. Hoe goed katholiek die mannen ook waren, aan hoeveel bijgeloovigheden zij ook vasthielden, die de protestant terecht veroordeelt en verwerpt, niettemin hebben zij dat leven des geloofs en der liefde gekend, dat, om het even of men katholiek is of protestant, onwederstaanbaar het echt-christelijke, echt-vrome hart aantrekt. De allereerste vraag is niet wal men gelooft, maar hoe men gelooft, of men werkelijk gelooft wat men gelooft, of men diep overtuigd is van de waarheid en de beteekenis van hetgeen men gelooft, zóó diep, dat men er zijn leven, zijne kracht, zijnen troost in vindt, en er zich door laat leiden in al zijnen wandel. Laat het dan maar weinig zijn dat men gelooft, liever dat weinige, dan die groote hoeveelheid leerstukken, die het hart koud, den wil onveranderd en het leven onver-nieuwd laten.

Schorten wij daarom ons oordeel op, als wij bij onze medechristenen verschijnselen ontmoeten, zonder welke wij ze zeker als onze broeders in Christus zouden begroeten. Plaatsen wij ons niet op den rechterstoel van God. Toen Johannes het aanroepen van Jezus naam wilde verboden zien aan iemand die Jezus uiet volgde, werd hij terechtgewezen met het woord: „Wie niet tegen ons is, is voor ons.quot; En toen iemand vraagde, of er ook weinigen waren die zalig werden, antwoordde Jezus: „Strijdt om in te gaan door de enge poort,quot; Dit is zeker: Zonder den strijd des geloofs en der zelfver loochening zal niemand ingaan in het koninkrijk (iods. Maar ook dit is zeker: er zijn meer woningen in het huis des Vaders, dan wij denken. En vele eersten zullen de laatsten, maar ook vele laatsten de eersten zijn.

J. Ceamek.

-ocr page 21-

Door den uitgever dezes zijn uit de fondsen van verschillende uitgevers de volgende boeken aangekocht, die gedurende de maanden October, November en December tegen veel venuinderden prijs worden aangeboden.

Dr. J. G. D. Schotel, Geschiedenis van den Heidelbergschen Catechismus in pl. van ƒ 3.50 nu ƒ 1.75.

E. JilUille, Het vraagstuk van het kwaad, iu pl. vau ƒ 2.40 nu ƒ 1.40.

Gezocht en gevoudeu, een christelijke novelle, in pl van ƒ 1.75 nu ƒ 1.—

J. A. Schuurmun Johzu., De grootste der zondaren, in pl. van f .0.40 nu ƒ 0.15.

Tryfosa, Veertien dagen in Belfast. £ene bijdrage tot de geschiedenis der jongste opwekkingen, in pl. van ƒ 0.30 nu ƒ 0.15.

Theodor Fliednei-} Een held der Evangelisatie, in pl. van f 1.— nu f 0.50.

C. H. Zeiler, Zielkunde, in pl. van f 0.90 nu f 0.50.

Prof. J. G. 1). Martens, Het nieuwe Christendom, in pl. van ƒ 0.40 nu ƒ 0.15.

Dr. J. Cramer, De wasdom der gemeente, in pl. van ƒ 0.30 nu f 0.15.

- Het berouw en het ethisch determinisme, in pl. van

ƒ 0.60 nu ƒ 0.30.

Dr. w. C. Magee, Twijfelzucht, met een voorwoord van Prof. J. J. van Oosterzee. in pl. van ƒ 0.50 nu ƒ 0.25.

C. M. D. Statins Maller, Gethsemané, woorden van stichting en opbeuring. in pl. van f 2.90 nu f 1.50.

J. Kerbert, Nat. geschiedenis des Bijbels, in pl. van ƒ 2.25 nu ƒ 0.75.

-- Bijb. oudbeden, in pl. van ƒ 2.25 nu ƒ 0.75.

Iedere bestelling wordi franco verzonden.

-ocr page 22-

BERICHT.

HET EEUWIG EVANGELIE verschijnt als Maandschrift, telkens met eene op zich zelf staande proeve van stichtelijke lectuur voor den beschaafden Christen.

De volgende afleveringen zullen opstellen bevatten van de H.H.:

Dk. J. J. P. Valeton Je. Hoogleeraar te Utrecht.

Dr. J. 1. Doedes

n V v

De prijs voor het Maandschrift is per jaar f l.SO en men verbindt zich telkens voor een geheelen jaargang. Bij iederen Boekhandctdcir is de inteekening opengesteld.

De Uitgever A. H. TEN BOKKEL HUININK.