jaarboek
|
|||
Flehite
Jaarboek 2006 |
||||
Glas-in-loodvenster V&D (zie pagina 173)
|
|||
Historisch jaarboek
voor Amersfoorten
omstreken 200Ö
|
||||||
Stichting Flehite Publicaties
Deel vu |
||||||
COLOFON
|
|||||||||||
Dit jaarboek wordt gepubliceerd door de Stichting
Flehite Publicaties in samenwerking met Archief Eemland, het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg en de Gemeentelijke Archeologische Dienst, Museum Flehite en de Oudheidkundige Vereniging Flehite. |
Richtlijnen voor auteurs
Omvang
Een artikel mag maximaal 10.000 woorden bevatten,
inclusief bijlagen, noten en/of bibliografie.
Titel en noten
De auteur zorgt voor een sprekende titel, eventuele onder-
titel, nieuwsgierig makende inleidende alinea (gemarkeerd gedrukt) en tussenkopjes. Voor verwijzingen en titelbeschij - vingen worden de regels van het Nederlands Historisch Genootschap gevolgd. Noten moeten als eindnoten worden aangeleverd. Redactie
Een auteur kan het beste in een zo vroeg mogelijk stadium
overleg plegen met de redactie.
De redactie kan wijzigingen in de inhoud en structuur
voorstellen. Indien een auteur daarmee niet akkoord kan of
wil gaan, behoudt de redactie zich het recht voor het artikel
te weigeren.
Afbeeldingen
De auteur kiest zelfde illustraties en bestelt deze tijdig in
digitale vorm. Eventuele kosten worden vergoed, mits vooraf overleg is gevoerd met de redactiesecretaris. De auteur maakt een lijst van genummerde bijschriften, met bronvermelding van de afbeelding. Hij/zij geeft in de tekst aan waar de afbeelding moet komen, bijvoorbeeld (afb. 1) in vet. Er zou gestreefd moeten worden naar 1 pagina afbeel- ding op 3 pagina's tekst. Aanleveren definitieve kopij
De uiteindelijke versie wordt digitaal aangeleverd in Word
in platte tekst (zonder opmaak), tegelijk met de illustraties (>300 dpi). De (eind)redactie bepaalt in overleg met de auteur of eventueel illustraties moeten vervallen. Planning
Indien een artikel is geaccepteerd wordt het zo spoedig
mogelijk geplaatst. Dit is echter afhankelijk van de hoeveel- heid kopij en de gewenste variatie per jaarboek. © 2006 Stichting Flehite Publicaties
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag
worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige
vorm of op enige wijze zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming
ISSN 1567-7532
|
||||||||||
Redactie
Dr J. Ayolt Brongers (voorzitter en eindredacteur)
Dr Paul Brusse
Drs Max Cramer
Dr Fred van Kan
Drs R.M. Kemperink
Drs Gerard Raven (redactiesecretaris)
Drs Francien Snieder
Redactieadres
Museum Flehite Amersfoort, t.a.v. Gerard Raven,
't Zand 44, 3811 GC Amersfoort, tel.: 033-2471104; fax: 033-4630254; e-mail: g.raven@museumflehite.nl |
|||||||||||
Afbeelding omslag voorzijde
Een piron op één van de daken van het Sint Pieters- en
Bloklands Gasthuis (foto: Sandra Hovens) Afbeelding omslag achterzijde
Een aantal stands op de Amersfoortsche winkeliers-
beurs van 1923 Grafische vormgeving
Ronald Boiten en Irene Mesu, Amersfoort
Druk
Drukkerij Van Beek, Hooglanderveen
|
|||||||||||
INHOUD
1 6 Als het kas-
inventarisatie van waterputten uit opgravingen binnen de tweede omwalling van Amersfoort — cideon boekenoogen en TIMO D'HOLLOSY
2
28 De Byler- of Bij laarsfundatie in
Amersfoort (1520-circa 1950) — P.J.J.M. VAN WEES
3
54 Het hofje De Armen de Poth
De bouwgeschiedenis — w.j.h. verwers en
A.D. DE JONGE
4
72 'Wegh der weegen': ontwerp en
aanleg van de Amersfoortseweg Een zeventiende-eeuws landinrichtings-
project door Jacob van Campen—jaap evert ABRAHAMSE
,5
98 'Zwaar met ijs bezet en
bovenmate met water bezwaard/
De doorbraak van de Crebbedijk op 5 maart
1855 en wat daaraan voorafging—m. mijnssen- DUTILH
|
||||||
6
136 'Waar spannen wij ons dan nog
voorin?' De stoombootdienst van Kievits &. Co.
1858-1859 — AREND RUIZENDAAL
7
150 De Amersfoortsche winkeliers-
beurs Van I923—FRED VAN KAN 8
160 Jaaroverzicht Monumentenzorg
2005 Projecten en studies — max cramer, albert van
ENGELENHOVEN, SANDRA HOVENS EN JAAP VERNHOUT
9
174 Jaaroverzicht Archeologie 2005
Kroniek 2005 — maarten van dijk, ron a. hulst,
FRANCIEN SNIEDER, MILO VERHAMME, MATTIJS WIJKER
186 Literatuur betreffende de regio Eemland
verschenen in 2005 189 Ingezonden en recensies
192 Over de auteurs
|
||||||
CIDEON BOEKENOOGEN EN TIMO d'HOLLOSY
|
|||
ALS HET KALF... 7
|
|||||||||
"... Reality is that Homo sapiens managed without fossil fuels
for tens of thousands of years, but without water, he will only survive a few days." - Kroonprins Willem Alexander, Wereld Water Forum IV, 16 Maart 2006, Mexico |
|||||||||
Drinkwater
Het is voor een deel van de wereldbevolking de
praktijk van alle dag, waar niet over nagedacht wordt: men heeft in huis een waterkraan, meestal meerdere, met knoppen voor koud en warm drinkwater. In andere delen van de wereld leven miljarden mensen voor wie het verkrijgen van schoon drinkwater een niet aflatende dagelijkse zorg is. Een zorg die vaak groter is dan de zorg om voedsel; een mens kan weken zonder eten, maar slechts enkele dagen zonder water. Deze levens- voorwaarde blijkt bovendien in het verre verleden nauw verbonden te zijn met de bewoningssprei- ding en bewoningsdichtheid en is misschien wel bepalender dan de aanwezigheid van voedsel- bronnen. In het voorhistorisch nomadenbestaan sloegen de rondtrekkende jagers/verzamelaars hun kampen op waar voldoende schoon drinkwa- ter aan de oppervlakte voorhanden was. Ze zoch- ten hun verblijfplaatsen bij voorkeur in de omge- vingvan rivieren, beken en meren. Nadat de mens meer gebonden raakt aan vaste verblijfplaatsen door de overstap op landbouw, kozen zij ook voor de locaties van hun boerderijen en nederzettin- gen de nabijheid van open water. Grondwater
Waar de vestigingsplekken van de mens zich ver-
der van het open water bevonden en om perioden van droogte voor enige tijd door te kunnen komen, was het noodzakelijk een andere bron voor schoon drinkwater aan te boren: grondwater. Grondwater vormt een constante (dus zeer betrouwbare) bron, het is altijd aanwezig, alleen de diepte waarop varieert enigszins. Het bestaat voornamelijk uit |
|||||||||
voormalig regenwater dat bij het indringen van de
grond wordt gefilterd. Het is (of moeten we zeg- gen was?) dan ook erg schoon water, het bevat hierdoor echter ook veel mineralen. Als het grondwater zich vlak onder aard-
oppervlak bevindt, zoals in het Amersfoortse stadsgebied, is het gemakkelijk te bereiken; een flinke kuil is vaak al voldoende. De oudste sporen van grondwaterwinning zijn dan ook eenvoudige kuilen. Opgravingen hebben aangetoond dat al in het Mesolithicum (8000-4500 v. Chr.) dergelijke waterkuilen gegraven werden. De waterkuilen konden een doorsnede van enkele meters heb- ben, zodat ook het vee eruit kon drinken. Technologische ontwikkeling
(van waterkuil tot waterput) Waterkuilen op de zandgronden, zoals in onze
omgeving, kennen ook enkele nadelen: de randen zijn nat, worden snel modderig en onbegaanbaar, de wanden van de kuil zijn onstabiel en zacht en hebben de neiging in te zakken (met name waar de kuilen enige diepte behoeven). Het diepste deel waar het water te winnen is, de kern, wordt al snel moeilijk bereikbaar. Het tijdelijke karakter dat de kuilen hierdoor hebben, past bij een noma- disch bestaan. Een vaste verblijfplaats (vanaf het Neolithi-
cum) verlangt echter drinkwatervoorzieningen van een wat blijvender karakter. Men heeft waar nodig getracht, de kuilwanden enigszins te stabili- seren en te verstevigen en de randen droogte houden. Om afkalven tegen te gaan, werden de waterkuilen voorzien van een zekere vorm van beschoeiingof bekisting. Waterkuilen met verste- |
|||||||||
8 CIDEON BOEKENOOGEN EN TIMO d'HOLLOSY
|
|||||||||||||||||||||
4*
|
|||||||||||||||||||||
werd dichtgegooid. Zo kon de opening van de put
met droge voeten bereikt worden. De Romeinen hoogden de beschoeiing zelfs op tot ongeveer een meter boven het maaiveld. Gevolg hiervan was, dat het waterpeil niet langer binnen handbereik lag en er een heel scala aan hijs-, takel- en sche- pinstallaties ontwikkeld werd om het water omhoog te brengen: de enkele emmer aan een touw, de windas met slinger, de haalboom met contragewicht, kettingwielen en eindloze kettin- gen met kiepbakjes. Met het vertrek van de Romeinen uit onze
streken is veel van hun techniek en kennis vrij snel verdwenen, de 'typisch' Romeinse wandverstevi- ging- meereen bekisting bestaande uit vier hoek- palen met daaromheen planken -bleef echter tot verin de twintigste eeuw toegepast. Het aanleg- gen van waterputten werd onverdroten voortge- zet, in allerlei soorten en vormen, waarbij nieuwe technologische vindingen direct werden toege- past. Pas met de komst van de waterleiding, ver- dween de waterput zo goed als geheel uit het dagelijks leven; zij doet thans hier en daar nog dienst als tuindecoratie of toeristisch object. Hygiëne
Grondwater is schoon, maar de kwaliteit ervan
kan vooral bij open waterputten snel slecht wor- den. Verontreiniging van de put was ongewenst. Men probeerde geen afval en voorwerpen in de put te werpen. Toch was het gevaar van besmet- ting of verontreiniging groot, niet alleen de em- mer kwam regelmatigte water, ook verliesstukken (de waterkan in glibberig natte handen), troep (herfstblaadjes, een dood vogeltje) en afval kwa- |
|||||||||||||||||||||
/
|
|||||||||||||||||||||
I
|
|||||||||||||||||||||
Opening van een waterput aan de
Valkestraat |
|||||||||||||||||||||
vigde wanden zijn feitelijk de eerste waterputten.1
Men putte water door de kuil in te lopen en het water achter de beschoeiing vandaan te scheppen. Op de pleistocene zandgronden in Nederland
zijn waterkuilen uit de Ijzertijd (800 v. Chr. - o) aangetroffen met beschoeiingen van rijen aange- punte elzenstammetjes, vlechtwerk van (wilgen-) takken, heideplaggen en graszoden. Bij enkele kuilen zijn de wanden verstevigd met een uitge- holde boomstam.2 In de Late Ijzertijd en Romeinse periode
maakte men waterkuilen met een beschoeiing tot aan het maaiveld, waarbij het gedeelte van de kuil om de beschoeiing heen, direct na de aanleg, |
|||||||||||||||||||||
1 In Schipluiden is een waterput met een ouderdom van
5.500 jaar aangetroffen: een waterkuil met in het centrum een planken bekisting. Dit is één van de oudste waterput- ten van Nederland. ("Grootse vondsten in Harnasch- polder", Haagsche Courant, 11 juli 2003). De oudste (Europese) waterput is aangetroffen bij Erkelenz- Kückhoven, op de grens van Limburg en Duitsland. Deze |
|||||||||||||||||||||
waterput (boomput?) is ongeveer 7.300 jaar oud
(Stuurman & Reckman, 2004). 2 Over de uitholtechniek beschikte men al langer, getuige de boomstamkano van Pesse, die gedateerd is in het 8e millennium v. Chr. Dat deze arbeidsintensieve techniek in al die eeuwen niet is toegepast ten behoeve van waterkuilen, onderschrijft wel het tijdelijke karakter van deze kuilen. |
|||||||||||||||||||||
ALS HET KALF... O,
|
|||||||||||
lijk gebruik van maakten én verantwoordelijk voor
waren. Was de put vervuild of ingestort, dan werd vlak erbij een nieuwe gegraven. Waar zich concentraties van bewoning vorm-
den, die zich, via het stadium van open gehuch- ten, ontwikkelden tot gesloten stedelijke neder- zettingen, veranderde ook de maatschappelijke positie van de binnen een gemeenschap van levensbelang zijnde watervoorziening. In dorpen en steden was de bevolkingsdichtheid vele malen hoger en de samenstelling van de inwoners qua welvaart over het algemeen veel gedifferentieer- der. De een kon zich meer veroorloven dan de ander en dat gold ook met betrekking tot het aan- leggen van een waterput. In minderwelvarende buurten werden door
een aantal omwonenden kongsi's gevormd om met gezamenlijke arbeid of door het delen van de kosten een waterput te (laten) graven. De aandeel- houders hadden uiteraard recht op gratis water. Wie niet meebetaald had moest voor elke'dracht' water een bedrag betalen. Het laat zich denken dat er bij nacht en ontij misbruik van werd gemaakt. Klachten en geschillen leidden dan ook tot voor- schriften en sancties van het stadsbestuur. Hier- door komen de putten dus al wat in de sfeer van de geleide economie te liggen.5 Watervoorziening en de
overheid De stedelijke overheid trof zelf ook voorzienin-
gen, een voorbeeld hiervan is de grote stads- waterput op de Hof, die daar rond 1400 is aan- |
|||||||||||
men er onbedoeld in terecht.3 Het was wenselijk
de waterputten af te kunnen sluiten en ze werden daarom voorzien van roosters, deksels of zelfs complete huisjes. De toepassing (vanaf circa 1600) van de handpomp maakte het mogelijk waterputten permanent af te sluiten middels een koepel en het water via een (loden) pijp uit de put te pompen.4 Waterputten moeten ook zó geplaatst worden
dat geen gifstoffen of ziekteverwekkende bacte- riën uit de directe omgevende grond met het grondwater meekomen, zoals bijvoorbeeld uit een naastgelegen beerput. Volgens de huidige inzich- ten, zou een waterput minimaal 30 meter van een beerput af geplaatst moeten worden, zodat de inhoud van de beerput de waterput niet vervuild. Dat dit in de praktijk niet het geval was, mag dui- delijk zijn; met name in de steden ontbrak hier- voor gewoonweg de ruimte. Het vocht uit menige beerput liep in de naastgelegen waterput en men- sen werden ziek. De relatie met de beerput werd soms wel gelegd: het gevaar zat in de stank, meende men toen. Sociale aspecten/beheer
Naast technische en functionele aanpassingen,
zijn er ook maatschappelijke ontwikkelingen rond waterputten te noemen. In het begin waren het zuiver individuele initiatieven: eenieder die daar behoefte aan had, groef zich een eigen waterput. Tot ver in de Middeleeuwen had op het platteland bijna ieder erf een waterput, waar bewoners, per- soneel, horigen en andere afhankelijken gezamen- |
|||||||||||
een aandeel geërfd in een waterput. De eerwaarde heer
Rotairt erfde hierbij echter tevens het niet geringe bedrag van een Rijnse gulden aan uitstaande schulden die hij zelf maar moest zien binnen te krijgen. In 1523 werd door de Raad aan de buren die de put achter Jan Dircsz. in de stadsgracht bekostigd hadden, toegestaan om ieder die daar water haalde maar niet tot de kosten niet had bijge- dragen, een boete op te leggen van 2 stuivers per keer. Dit gold uitdrukkelijk niet in geval van brand. |
|||||||||||
3 Opzettelijke besmettingen buiten beschouwing gelaten.
Vergiftiging van 's vijands waterput was een beproefd middel gebleken in de tactische oorlogsvoering. Dit geeft eens te meer aan hoe essentieel - en kwetsbaar - de water- winning is. 4 Dergelijke gesloten putten raakten veelal overdekt met grond / bebouwing en de locaties ervan in de vergetelheid. 5 Bij Van Rootselaar zijn hier enkele voorbeelden van te vinden. In 1465 heeft mijnheer Rotairt Kaa, een priester, van zijn oom, de goede Kaa, |
|||||||||||
10 GIDEON BOEKENOOGEN EN TIMO D'HOLLOSY
|
|||||||||||
gelegd en in circaisso is afgebroken.6 In 1991 is
bij de opgraving op de Hof de fundering van deze stadswaterput aangetroffen. In de i9e eeuw werd de gehele stad door de
overheid van water voorzien en is er, althans wat dit betreft, dus sprake van een stukje verzorgings- staat. Voordat in 1889 in Amersfoort werd begon- nen met de aanleg van een waterleiding, waarop na verloop van lange tijd elke woning werd aange- sloten, waren volgens een weldoordacht patroon door de gehele stad al openbare pompen gesla- gen waarvan iedereen gratis gebruik kan maken. In 1873 vermeldde de Gezondheidscommissie veertien pompen in haar verslag, op de kaart van Van Vooren en Wagenmaker (1888) die afgebeeld is 'm Amersfoort in Prent door J.Hovy, zijn circa 30 genummerde openbare pompen ingetekend, (waarschijnlijk door J.D.H, van der Neut). Een deels onleesbaar onderschrift vermeldt: 'Op deze kaart staat aangeduid de ligging der openbare .... tot en met.....1897.'7 Gemiddeld betekent dat een
bezetting van ca. 650 inwoners per pomp. Uite-
raard staan dan in de keukens van de betere behuizingen privépompen naast het aanrecht. Amersfoortse waterputten
Bij archeologisch onderzoek in en om Amersfoort
zijn tal van waterputten aan het licht gebracht. Deze zijn vanaf 1984 door de gemeentelijke archeologische dienst onderzocht en in kaart gebracht, in de tijd daarvóór door de Archeolo- gische Werkgemeenschap Nederland. Professionalisering en kwaliteitsverbetering
van de opgravingsmethode en sporenregistratie, leidde in 2004 bij de Sectie Archeologie van de |
|||||||||||
Gemeente Amersfoort onder andere tot het ont-
wikkelen van een specifiek registratieformulier aangaande waterputten. Hiertoe is een quick-scan uitgevoerd van de tot dan toe opgegraven water- putten, waarbij is gekeken naar verschillende kenmerken en onderdelen die voor beschrijving en typering in aanmerking kwamen, zoals wand- materiaal, diepte en datering. Het overzicht en spectrum van de verschillende kenmerken van de onderzochte waterputten prikkelde dusdanig, dat nader onderzoek niet uit kon blijven. Een eerste aanzet hiertoe is-tussen de bedrijven door-in de jaren daarna uitgevoerd. Dit onderzoek heeft zich allereerst toegespitst op de binnenstad, waar- bij alle opgegraven waterputten binnen de tweede stadsmuur en de zone langs de Eemhaven zijn geïnventariseerd. Alleen waterkuilen met een ver- stevigde wand en die primair gevoed werden door grondwater en/of welwater zijn bij dit onderzoek als waterput beschouwd, waterbekkens en putten die door andere bronnen werden gevoed, zoals regenwaterreservoirs, zijn buiten dit onderzoek gehouden. In totaal zijn 77 waterputten binnen het onderzoeksgebied opgegraven, die aan deze voorwaarden voldoen. Doel van onderzoek
Uit de Quick-scan kwam een uitgebreid spectrum
aan materialen, vormen en onderdelen aan het licht, die bij de Amersfoortse waterputten zijn aangetroffen. Het onderzoek richtte zich aller- eerst op het inventariseren van de verschillende gegevens om tot een type-indeling te komen en een algemene beschrijving daarvan. Welke ele- menten zijn hierbij gemeenschappelijk en welke |
|||||||||||
6 In 1534 wordt 'De put op ten Hoff' nog genoemd in een
resolutie van de Raad: 'Nog verdient opmerking dat de Raad des vrydaechs voir den Vairt (t5 Mei) bevel gaf dat ieder die hier met turf en hout ter markt kwam, zal gaan staan achter en voorbij de put op den hof, by eene boete telkens van 5 pnd (overigens is dit een geschiedkundig fenomeen. Het is voorzover bekend de eerste keer dat in |
Amersfoort met een parkeerboete wordt gedreigd). Op de
stadsplattegrond van Van Deventer ca.1560 komt de waterput niet voor; evenmin op de gravures van Hendrik Spilman 1750 en van Liender uit 1759. 7 Deze kaart is afgebeeld in Hovy, J., Amersfoort in Prent, pp.r32/i33, Zaltbommel, 1986. Bij navraag bij het Archief Eemland bleek het afgebeelde exemplaar onvindbaar. |
||||||||||
ALS HET KALF... 11
|
|||||||
gebruiksduur van de waterput wordt in theorie
bepaald door de jongste vondsten in de vulling van de put, deze'sluitvondsten'zijn er als laatste in terecht gekomen, voordat de put gedempt werd. Tijdens het gebruik van de waterput echter, zal men geprobeerd hebben deze zo schoon mogelijk te houden om besmetting te voorkomen; water- putten bevatten dus in de regel weinig tot geen vondsten die dateren uit de gebruiksperiode zelf. Van de spaarzame vondsten die duidelijk uit de gebruiksperiode van de put stammen, is vaak niet duidelijk of deze uit de beginperiode, halverwege of uit het eind van de gebruiksperiode dateren. DATERING VAN DE DEMPING — Besmette
waterputten en putten die om een andere reden buiten gebruik raakten, werden gedempt, zo ook veel van de opgegraven waterputten uit de Amersfoortse binnenstad. In theorie dateren de vondsten uit de dempingsvulling-net als boven- genoemde sluitvondsten - het einde van het gebruik als waterput. Aangezien veelal niet duide- lijk is waar het dempingsmateriaal vandaan is gehaald, is voorzichtigheid geboden, met name als de put in één keer is dichtgegooid. De dem- pingsvulling bevat vaak al (ouder) materiaal, dat qua datering niets met de demping te maken heeft. Beter gaat het als de waterput een tweede leven kreeg als beerput; de dempingsvulling is dan langzaam opgebouwd. De oudste vondsten (onder-)uit deze vulling dateren de overgang van waterput naar beerput.8 MEER ONDERZOEKSPROBLEMEN — Het
mag duidelijk zijn dat goed onderscheid tussen in-
steek-, gebruiks-en dempingsvulling voor de date- ring van het grootste belang is. Goed opgegraven waterputten zijn voor het onderzoek essentieel. Goed opgraven is echter-juist bij waterputten in 8 Voor zover de beerpur rijdens her gebruik niet al re goed
is opgeschoond. |
|||||||
variabel? Het uiteindelijke doel was om de type-
indeling en variatie in elementen te dateren, met andere woorden: wanneer bouwde men welk type waterput, en hoe? Daarmee raakte de doelstelling al direct één van de problemen van het onder- zoek: de datering. Dateringen
DATERING VAN DE AANLEG — Een water-
put is in essentie niet meer dan een kuil, waarbin- nen tot in het grondwater een beschoeiing is geplaatst. De kuil ('insteek') om de beschoeiing heen is direct na aanleg van de waterput dicht geworpen. Vondsten uit de vulling van deze in- steek dateren de aanleg van de waterput, net als het materiaal waarvan de putbeschoeiing (de 'putwand') en originele putopbouw is gemaakt. Het probleem bij het dateren via vondsten uit
de insteek is, dat deze kuil - met name in het stadsgebied - door bestaande grondlagen en spo- ren is gegraven. Hoewel dit een relatieve datering ten opzicht van de andere sporen mogelijk maakt, betekent dit ook dat het materiaal waarmee de insteek is dichtgegooid, zich al (lang?) op de loca- tie bevond. Het zijn slechts de 'jongste' vondsten die de aanleg van de waterput dateren. Daarbij komt dat de putwand ook (voor een deel) van bin- nenuit ingegraven kan zijn. Hier ontbreekt dan de insteek. Dateren van de beschoeiing zelf, aan de hand van het gebruikte materiaal, levert een prachtige aanlegdatering. Essentieel is hierbij wel dat het gebruikte materiaal niet secundair in de waterput is toegepast, zoals bij hergebruikte wijn- vaten of bakstenen het geval is. Hout kan middels de ,4C methode en dendrochronologisch onder- zoek (jaarringenonderzoek) worden gedateerd, bij andere materialen is dateren ervan in veel geval- len niet mogelijk of betrouwbaar. DATERING VAN HET GEBRUIK — De Oud-
ste vondsten onderuit de waterput dateren van
direct na de aanleg, de start van het gebruik. De |
|||||||
12 CIDEON BOEKENOOCEN EN TIMO D'HOLLOSY
|
|||||||
de binnenstad - niet altijd mogelijk; om de ver in
het grondwater stekende putbodem te bereiken, moet diep ontgraven worden. Voor de opgraving van waterputten is veel ruimte nodig en bronbema- ling is op zo'n moment geen luxe. Beide zijn bij de binnenstadopgravingen vaak afwezig, met als ge- volg dat de onderkanten van waterputten, waar zich juist de vondsten uit de gebruiksperiode be- vinden, niet altijd bereikt en onderzocht zijn. Om kort te gaan: bij 37 van de 76 waterputten die bij dit onderzoek betrokken zijn, is de bodem niet bereikt, waardoor diepte, funderingen- helaas ook-ge- bruiksdatering niet (goed) kon worden vastgesteld. Het mag eveneens duidelijk zijn dat een goede documentatie van het gevondene van even groot belang is. Helaas ontbrak bij vele opgravingen niet alleen de ruimte, maar ook de tijd om tot in detail de aangetroffen waterputten te documenteren. In een aantal gevallen rest ons slechts een handje vol dia's of een korte mededeling. De ontwikkeling van het bovengenoemde waterputformulier is in deze niets te vroeg. Het maakt thans een snelle, efficiënte en complete beschrijving van een water- put tijdens opgraving mogelijk. ONDERZOEKSMETHODE — Om het doel
van dit onderzoek te realiseren, hebben we de
beschikbare (en herleidbare) gegevens van alle 77 waterputten verzameld, en-waar nodig-alsnog het waterputformulier ingevuld. Hierna is een inventarisatie gemaakt van een aantal verschillen- de onderdelen en hun kenmerken en, natuurlijk, de datering. De gegevens zijn geïnterpreteerd en, waar mogelijk, in relatie tot elkaar gebracht. We hebben naar de volgende kenmerken gekeken: WANDMATERIAAL — De wandversteviging
van de waterput kan bestaan uit verschillende (combinaties van) materialen, zoals hout, vlecht- werk, plaggen en (bak-)stenen. De keuze van het materiaal zal onder andere afhangen van de ge- schiktheid en beschikbaarheid ervan. Het materiaal |
mag het water niet vervuilen of anderszins onbruik-
baar maken en het moet een langdurige stevigheid van de putwand garanderen. Bij voorkeur werd materiaal gebruikt dat voldoende voorhanden was, dat drukte de prijs. In de wand kunnen 'welgaten' zijn aangebracht, om de waterdoorlaatbaarheid van de wand te verhogen. putrand/putkraag — Het bovenste
deel van de wandversteviging dat boven het maai- veld uitsteekt, vormt de putrand of putkraag. Deze kan van hetzelfde materiaal als de wand gemaakt zijn, of van een ander. De putkraag hoeft niet onderdeel te zijn geweest van de originele waterput, maar kan ook - als reparatie of verbete- ring- in een later stadium bovenop de (al dan niet verrotte of gesloopte) bovenzijde van de oor- spronkelijke wand zijn geplaatst. Het kan deels onderdeel van de putwand zijn. Van het boven- grondse deel van de putkraag wordt in opgravin- gen zelden iets teruggevonden. hijsinstallatie — Als de grondwaterstand
zich dicht genoeg onder de putrand bevond, kon men water putten door tot aan de putrand te lopen en het water eruit te scheppen. Deze mees- tal niet al te diepe waterputten konden voorzien zijn van een 'hooge wip' (of 'putmik'); een hef- boomsysteem met tegengewicht. Hiervan resteert in opgravingen bijvoorbeeld een paalgat vlak naast de waterput. Diepere waterputten werden meestal voorzien van een overkapping, waarbij men het water met een katrol naar boven haalde. De over- kapping kan onderdeel zijn van de putkraag, of een afzonderlijk bouwsel zijn. Bij dit onderzoek is uit- gebreid gezocht naar aan iedere waterput gerela- teerde sporen, maar slechts bij een enkele zijn deze met enige zekerheid vastgesteld. constructie — Om de vraag te kunnen
beantwoorden hoe de verschillende typen water- putten geconstrueerd werden, zijn verschillende |
||||||
ALS HET KALF... 1J
|
|||||||
lastige omstandigheden onderzocht; door instor-
tende wanden van de opgravingsputten was het in geen van de gevallen mogelijk de boomputten goed op te graven. Ze zijn door de dieplepel zo goed mogelijk ontgraven, waarna de boomstam- segmenten uit de bodem zijn getrokken. Hierbij zijn aanhangende vondsten beoordeeld als afkom- stig uit de insteek, de vulling of demping. DATERING — Boomputten komen in Neder-
land voor tot circa 1250.10 Gesuggereerd wordt dat ertegen die tijd een tekort aan geschikte eiken ontstond. Hoewel de datering ervan lastig is gebleken, passen de vier Amersfoortse boomput- ten uit de binnenstad goed in dit beeld; ze zijn alle aangelegd VÓÓM250. De Mooierpleinputten zijn de oudste van het stel en dateren (aanleg + ge- bruik) alle drie uit de ne eeuw. De boomput van de Hof is wat jonger; de put is in gebruik geweest tot in het begin van de i3e eeuw en stamt zelf mogelijk al uit de i2e eeuw. Over de gebruiksduur van de boomputten is
weinig informatie uit dit onderzoek te verkrijgen, wegens onvoldoende dateerbare vondsten uit de dempingsvulling. De putten zullen het zeker één tot meerdere generaties hebben vol gehouden. Aan de kwaliteitvan de putwand zal het niet heb- ben gelegen: alle boomputten waren op moment van opgraving intact en bijzonder goed behouden gebleven, enkel de bovenkanten van de stammen waren beschadigd en/of deels vergaan. Eén van dene eeuwse boomputten van het Mooierplein had een tweede leven gekregen als beerput. De spaarzame vondsten uit de hierbij behorende vul- ling dateren uit de i3e eeuw. CONSTRUCTIE — Bij alle boomputten waren
stammen van eiken gebruikt die alle bijzonder 9 Andere typen (uit literatuur bekend) zijn in de binnen-
stad van Amersfoort niet aangetroffen. 10 o.a. Krikke, 2001. |
|||||||
constructieonderdelen geïnventariseerd en
beoordeeld, zoals bijvoorbeeld insteek, putkran- sen en stellatjes. Deze komen bij de afzonderlijke typebeschrijvingen ter sprake. TYPE-INDELING — De bij dit onderzoek
gehanteerde typeindeling is op basis van het wandmateriaal gemaakt. Het gaat hierbij om de originele schacht, en wel het (onderste) deel dat tot in het grondwater is geplaatst. De geïnventariseerde waterputten vallen hier-
bij in 4 hoofdtypen9 uiteen: 1 'boomputten'-waterputten met schachten
van uitgeholde boomstammen 2 'plaggenputten'-waterputten met schachten
van (heide-, gras-, en/of turf-) plaggen 3 'tonputten'-waterputten met schachten van
houten tonnen /vaten 4 'bakstenen putten'-waterputten met schach-
ten van baksteen Type i: Boomput
typebeschrijving — Boomstamputten zijn gemaakt van uitgeholde boomstammen, waarvoor vrijwel uitsluitend eiken zijn gebruikt; eiken kunnen rechte stammen leveren, met een aanzienlijke (bruikbare) doorsnede. De stammen zijn overlangs in segmenten gesplitst en daarna uitgehold, waarna ze in een grote, diepe kuil tegen elkaar werden gezet. De schacht werd aan de bin- nenkantsoms aangekoold ter verhoging van de duurzaamheid. Nadat de segmenten tegen elkaar in de kuil zijn geplaatst en soms middels houten pennen, klampen, duigen, touw of vlechtwerk aan elkaar verbonden werden, werd de kuil dicht geworpen. In de holle stam verzamelde zich het grondwater. AMERSFOORTSE BOOMPUTTEN — In het
onderzoeksgebied zijn vier boomputten gevon-
den; drie daarvan bevonden zich op het Mooier- plein, de vierde op de Hof. Ze zijn alle onder zeer |
|||||||
Boomstam van de boomput op de Hof.
Schors en kapsporen zijn duidelijk zichtbaar. |
||||||||||
Bovenrand van de boomput op de Hof
|
||||||||||
stammen zijn uitgedisseld, de haksporen waren
aan de binnenkanten duidelijk zichtbaar. De dikte van de resterende wand, het jongste hout met spinthout, lag tussen de 8 en 16 cm. De buitenzij- de, waar de schors grotendeels nog aan zat, was plaatselijk bijgewerkt. Aan de onderzijde waren bij alle stammen kapsporen zichtbaar. Bij geen van de putten zijn resten van klemmen, pennen of singels aangetroffen, waarmee de segmenten aan elkaar bevestigd waren, blijkbaar was de grond- druk van buitenaf voldoende om de delen bijeen te houden. Geen van de boomstammen had in de wand
openingen om water door te laten, het grondwater |
||||||||||
goed bewaard zijn gebleven. Van de boomput van
de Hof restte de onderste 2,5 meter van de boom- stam en deze had een doorsnede van circai meter. De drie putten van het Mooierplein waren van vergelijkbare doorsnede. De boomstammen zijn rechtop in diepe-tot
in het grondwater gegraven- kuilen geplaatst. Bij de ne eeuwse putten waren de stammen in twee delen overlangs door midden gespleten, de stam van de put op de Hof was overlangs in vier delen gesplitst. Onduidelijk is of het verschil in aantal segmenten een aanwijzing voor datering is. Sporen op de vlakken van de Hofput doen ver- moeden dat deze is doorgezaagd. Alle boom- |
||||||||||
ALS HET KALF... 1J
|
|||||||||||||||
moest de put voornamelijk via de open onderzijde
vullen." Wellicht zijn de putten bovenop wellen geplaatst. In Amersfoort, met zijn vele wellen en bronnen (kwelwater), behoort dit zeker tot de mogelijkheden. De boomputopde Hof lijkt inder- daad met opzet op een wel te zijn geplaatst (het water welde nog zachtjes tijdens de opgraving).12 Er zijn geen gegevens over opbouw en het
bovengrondse deel beschikbaar, evenmin over de hijsinstallatie en dakconstructies. analyse — Boomputten in de Amersfoortse
binnenstad dateren alle tussen 1000 en 1250, dus uit de pre- en vroegstedelijke periode. |
|||||||||||||||
Plaggenput met grote insteek, Achter
de Arnhemse Poortwal |
|||||||||||||||
Type 2: Plaggenput
typebeschrijving — Een plaggenput is een waterput waarvan de wand is verstevigd met (heide-, gras- of turf-)plaggen. De van plaggen opgebouwde schacht heeft soms een wagenwiel als fundering. Plaggen zijn enigszins waterdoorla- tend, het grondwater kon zowel door de opening aan de onderkant als door de wand de waterput binnendringen. AMERSFOORTSE PLAGGENPUTTEN — In
de Amersfoortse binnenstad zijn tot op heden
acht plaggenputten aangetroffen en onderzocht. Ook het onderzoek van deze waterputten werd bepaald door moeilijke opgravingsomstandighe- den. Veelal kon er tot aan de (huidige) grondwa- terstand ontgraven worden, dieper was vaak pro- blematisch. Drie plaggenputten zijn door schat- gravers geplunderd en vernield, voordat deze onderzocht konden worden. |
|||||||||||||||
datering — Plaggenputten komen in Neder-
land voor vanaf circa 1250 tot in het einde van de Middeleeuwen. Ze lijken daarmee de directe opvolgers te zijn van de boomputten. Hoewel nauwkeurige datering van de plaggenputten uit de Amersfoortse bodem eveneens lastig is geble- ken, lijken ook deze goed in het algemene beeld te passen: de oudste plaggenput (aan de Kreupel- straat) dateert uit de i3e eeuw (aanleg). De put aan de Valkestraat is de jongste en dateert uit de i6e eeuw (gebruik). Over de gebruiksduur van plaggenputten valt
uitditonderzoek weinigafte leiden; hiervoorzijn de (eind)dateringen te grof of ontbreken ze geheel. Twee putten geven het volgende beeld: het ge- bruik van de oudste plaggenput zette zicht voort tot in de i4e eeuw, in één van de i4e eeuwse plag- genputten is boven in de dempingsvullingi5e- en i6e eeuws materiaal aangetroffen. Gaat een plag- genput ruim 100 jaar mee? |
|||||||||||||||
op de afvoer van de wel onder het pand Krommestraat 68
in de Langegracht. In deze gracht stroomt ook het welwa- ter onder het zogenaamde Kleine Kerkje, ofwel Havik i en de kelder van Krommestraat 38-40, de vroegere brouwe- rij de Kroon, bevat er een. In de Heiligenbergbeek borrelt een wel in de bocht tegen de Zwaanstraat. |
|||||||||||||||
11 De hoeveelheid water dat via de naden tussen de seg-
menten binnendrong is verhoudingsgewijs verwaarloos- baar. 12 Aan de Westsingel bij de brug naar de Breestraat borrelt dag en nacht welwater via een stenen opbouw uit de grond. Wellen komen veel voor in Amersfoort en zijn mogelijk de voedingsbronnen van veelal oudere water- putten. De gidsen van de Waterlijn wijzen hun passagiers |
|||||||||||||||
l6 CIDEON BOEKENOOGEN ENTIMO D'HOLLOSY
|
|||||||||
drie paalgaten waargenomen, die in relatie tot de
put lijken te staan. Welke constructie met deze drie palen gevormd werd, is vooralsnog onbekend. Mogelijk zijn dit de resten van puthuisjes, afdakjes of hijsconstructies. analyse — Plaggenputten lijken ook in
Amersfoort de directe opvolgers van de boom- stamputten. Ze komen voor vanaf het midden van dei3e eeuwen zij zijn in gebruik tot in dei6e eeuw en daardoor geassocieerd met zowel de agrarische als de stedelijke context. De putten met een doorsnede van 1.45 m en groter hebben een wiel als fundering, de kleinere niet. Er lijkt een verband te bestaan tussen doorsnede en datering; de oudste putten zijn de grootste, de jongere zijn kleiner. Voorzichtigheid is echter geboden; de gegevens hebben een te smalle basis om tot ver- gaande gevolgtrekkingen te komen. Ook de rela- tie tussen de doorsnede van wagenwielen met de datering is niet zeker. Type 3: Tonputten
typebeschrijving — Een tonput heeft een schacht bestaande uit één of meerdere hou- ten tonnen. Ten behoeve van de aanleg van een tonput werd een grote kuil gegraven, vaak al tot op of in het grondwater. De (onderste) ton is daarna, ontdaan van bodem en deksel, onderin deze kuil geplaatst, waar deze - al dan niet opzet- telijk-wat in de natte bodem van de kuil is gezakt (ofgegraven). Indien nodigwerd een volgende, liefst wat bredere ton erop geplaatst. De stapeling kon doorgaan tot drie of vier manshoge vaten op elkaar. De kuil om de ton(nen) heen werd daarna dichtgegooid en het boven de grond uitstekende deel van de (bovenste) ton van een eventuele kraag of opbouw voorzien. amersfoortse tonputten — Bij op-
gravingen in de binnenstad van Amersfoort zijn zeventien tonputten aangetroffen en onderzocht. |
|||||||||
Oud wagenwiel dat als fundering voor
de plaggenput diende |
|||||||||
CONSTRUCTIE — Bij alle plaggenputten was
de wand opgebouwd uit rechthoekige plaggen, vaak nog mooi in vorm gebleven en tijdens de opgravingen goed zichtbaar. Bij vier putten is een wagenwiel alsfunderinggebruikt. Hierbij weer- spiegelt de doorsnede van de put de grootte van het gebruikte wiel. Op de velgen van deze wielen -alle van hun as en spaken ontdaan-waren de plaggen gestapeld. De drie grootste putten -en tevens de oudste - hadden een doorsnede van 1,60 m en alle een wiel als fundering. De vier putten met een doorsnede van 1,20 m zijn jonger; hiervan had- den er drie geen wielfundering, bij de vierde is de bodem niet bereikt. De jongste put was 1,45 m in doorsnede en deze had wel een wiel als fundament. De insteek is veelal groot en loopt tot op de
bodem van de put. De vorm van de insteek laat- voor zover zichtbaar-zien dat de kuil ten behoe- ve van de aanleg van de waterput tot in het grond- water is gegraven. De wielen zijn -voorzover aanwezig-onderin deze kuilen geplaatst, waarna -zo lijkt het meest aannemelijk-de plaggen erop zijn gestapeld. Er zijn uit de opgravingen weinig tot geen
gegevens over eventuele putkragen en opbouw van de putten zelf. Bij de plaggenputten aan de Kreupelstraat en aan de Valkestraat zijn bij beide |
|||||||||
Bovenrand van een tonput aan Achter
de Arnhemse Poortwal |
||||||||||||
gelijke forse kuilen is lastig en niet geheel zonder
risico. De kuil voorde tonput aan de Oliesteeg had een vierkante bekisting in de insteek, die als een damwand bescherming moest bieden tegen instorting tijdens de werkzaamheden. Bij drie tonputten bestond de schacht uit
meerdere tonnen; de jonge tonput aan de Valke- straat, de put aan de Muurhuizen en dei7e eeuw- se tonput aan de Breestraat, hebben alle twee op elkaar geplaatste tonnen. Bij de overige tonputten uit de binnenstad is telkens één ton aangetroffen. Omdat hout boven grondwaterniveau veelal slecht bewaard blijft en soms geheel vergaan is, bestaat de mogelijkheid dat ook deze waterputten uit meerdere tonnen waren opgebouwd. Een aan- tal malen kon echter worden vastgesteld dat de waterput daadwerkelijk uit slechts één enkele ton was opgebouwd, zoals bij de putten bij het Havik, St. Elisabethgasthuis en het Lieve Vrouwekerkhof, waar op een enkele ton (delen van) de putkraag en/of de bovenbouw zijn gevonden. Een put van één ton diep (b)lijkt voor grote delen van Amers- foort, waar het grondwater niet ver onder het (leef)oppervlak zit, ook voldoende. |
||||||||||||
datering — Voor zover de tonputten te date-
ren waren, lijkt de tonput aan het Lieve Vrouwe- kerkhof het oudste; deze dateert uit het midden van de i3e eeuw. Ook de putten bij het Elisabeth- gasthuis, Achter de Arnhemsepoortwal en de Oliesteeg behoren tot de groep oudste tonputten; ze dateren uit de i3e eeuw en het begin van de He eeuw (aanleg). De jongste tonput lijkt de put uit de Valkestraat te zijn met een aanlegdatering in dei8e/i9e eeuw. Daar waar aanleg, gebruik en einde gedateerd
kon worden (Achter de Arnhemsepoortwal, 2x) ligt deze binnen de 100 jaar. Met name het deel van de schacht boven grondwaterniveau heeft een beperkte houdbaarheidsduur. Het hout hiervan is bij alle tonputten zeer slecht bewaard gebleven, vaak zelfs volledig verdwenen. CONSTRUCTIE — Bij alle tonputten is een
grote insteek aangetroffen die-voor zover vast- gesteld kon worden - tot vlak boven de onderzijde van de (onderste) ton reikte. Men heeft de tonnen dus geplaatst in enorme kuilen die tot op het grondwater waren gegraven. Het graven van der- |
||||||||||||
l8 CIDEON BOEKENOOCEN EN TIMO d'hOLLOSY
|
|||||||||||||||||
>**-<
|
|||||||||||||||||
I
|
|||||||||||||||||
Duigen van de tonput aan het Havik
met vele tientallen openingen |
|||||||||||||||||
bracht, om inspoeling van zand tegen te gaan,
maar de waterdoorlatendheid te behouden. Zoals eerder gezegd, zijn bij een aantal ton-
putten de putkragen en/of opbouwen aangetrof- fen. De ton op het Lieve Vrouwekerkhof was voor- zien van een kraag van plaggen en om de put was een vloertje van plaggen aangebracht. De put bij het Elisabethgasthuis had een houten ombouw bestaande uit een viertal horizontale planken. Bakstenen ombouwen zijn aangetroffen bij twee Ve eeuwse tonputten. Bij de overige tonnen zijn geen (resten van) kransen aangetroffen, deze heb- ben er mogelijk wél gezeten, maar zijn in latere tijden al dan niet opzettelijk verwijderd of anders- zins verloren gegaan. Overigens is bij geen van de putkragen vastgesteld of nog vast te stellen of deze bij de eerste aanleg hoorde, of later, als repa- ratie van een weggerot bovendeel, zijn aange- bracht. Er zal hier voortaan met speciale aandacht naar gekeken worden. |
|||||||||||||||||
De gebruikte tonnen verschillen sterk in for-
maat, hun doorsneden variëren tussen 60 en 126 cm, zij hadden alle aan de buitenzijde (resten) van singels, gemaakt van gespleten wilgentenen.13 De i8e/ige eeuwse ton aan de Valkestraat had als enige singels van metaal. Dat het hergebruikte vaten zijn, wordt bij de tonnen aan het Havik en Muurhuizen door de aanwezigheid van huismer- ken en een enkel spongat (Muurhuizen) bevestigd. Voordat de tonnen gebruikt konden worden,
werden bij vrijwel alle tonnen de deksels en bodems eruit gehaald. Alleen bij de oudste put beschikte de ton nog over een bodem. Deze bodem, origineel onderdeel van de ton, bestond uit drie doordeuvels met elkaar verbonden plan- ken. Ten behoeve van de waterinlaat waren hier ronde openingen in geboord. Op deze gaten waren plaggen geplaatst, zodat het water werd doorgelaten maar het zand tegengehouden. Vergelijkbare gaten zijn geplaatst in de wan-
den van de tonput aan het Havik. Hier zijn in de onderste 65 cm van de duigen tientallen gaten met een doorsnede van circa 2 cm aangebracht. In deze gaten was plantaardig materiaal aange- |
|||||||||||||||||
13 Tonnen hebben - vanwege hun vorm - niet één door-
snede. De weergegeven maten zijn indicatief. |
|||||||||||||||||
ALS HET KALF... 1Q
|
|||||||||
analyse — Met de oudste put uit het midden
van de i3e eeuw lijkt de tonput ook als een directe opvolger van de boomputte kunnen worden beschouwd. Ze bestaan een tijd naast de plaggen- putten, maar de toepassing van tonnen als put- wand loopt langer door: tot in dei8e of zelfs icje eeuw. Gezien het hergebruik van bestaand mate- riaal (tonnen) meteen niet al te grote houdbaar- heidsduur (de gebruiksduur van tonputten lijkt't kortst van de vier typen) zou dit door kunnen gaan voor een 'goedkoop' model. Type 4: Bakstenen put
typebeschrijving — Bakstenen putten zijn waterputten met een tot in het grondwater reikende schacht van gestapelde of gemetselde bakstenen. Voor de aanleg en bouw van een bak- stenen put bestaan meerdere technieken. De eerste constructiemethode komt overeen
met het plaatsen van een plaggenput: er werd een grote kuil gegraven tot op het niveau van of in het grondwater. Onderin deze kuil werd een ring van bakstenen geplaatst (al dan niet op een houten wiel als fundering) en deze werd opgehoogd met los gestapelde of gemetselde baksteen. Dat de onderste ring hierbij door het gewicht van de schacht enigszins in de modderige bodem van de kuil werd gedrukt mag duidelijk zijn. Naderhand of tijdens het proces werd de kuil om de schacht heen dichtgegooid. De tweede variant is een - voor zover het dit
verhaal betreft, een geheel nieuwe-techniek waarbij de putwand van binnenuit wordt ont- en uitgegraven waardoor de put langzaam in de bodem zakt. Bij deze methode is het noodzakelijk dat de schacht van bakstenen goed in vorm en samenhang blijft; er werd daartoe gebruik ge- maakt van een 'putkrans'als fundering voor de schacht. Deze bouwwijze werd vanaf de late Middeleeuwen in de steden vrij algemeen toe- gepast. Scamozzi (1552-1616) beschrijft deze tech- niek in 1615:14 |
"Alsfundering oan de putschacht maakt men een
wiel oan dubbele, steuige gekruiste planken. De dia- meter van dit wiel dient gelijk te zijn aan de door- snee oan de schacht inclusief de dikte oan de (toe- komstige) schachtmuur. Onder aan het wiel wordt een houten driehoek aangebracht. De basis uan de driehoek is beuestigd aan het wiel, de punt wijst naar beneden en de beide zijden lopen naar binnen toe. Aan het eind uan de zomer, wanneer het water laag staat, graaft men een niet al te diep gat, zo diep als het terrein toelaat, dat wil zeggen zonder dat het afkalft en het water wegvloeit. Dan laat men het wiel en de driehoek aan de onderzijde erin zakken tot de juiste hoogte, net bouen de waterspiegel. Daar begint men de schacht uan de put te bouwen met behulp uan poreuze baksteen zonder gebruik uan metselspecie. De aarde die aan de onderzijde uan de putschacht binnendringt, wordt uitgegrauen, zodat de fundering uan de put met houten driehoek uerder naar beneden zakt. Het water in de put wordt afge- uoerd terwijl het wiel waarbouen men de schacht aan het metselen is geleidelijk dieper zakt, tot het punt waarop men denkt dat er altijd uoldoende water uan de beste kwaliteit zal zijn. Op die hoogte strooit men een laag, fijn wit, hard grind uan onge- ueer een uoet dikte." AMERSFOORTSE BAKSTENEN
putten — Archeologisch onderzoek in de
Amersfoortse binnenstad leverde tot op heden 47 waterputten meteen schacht van bakstenen. Naast gemetselde schachten zijn ook twee schach- ten gevonden van los gestapelde stenen. Deze zijn echter aan de binnenkant gepleisterd, kennelijk dus om te voorkomen dat vuil water zijdelings kon instromen. Van een opbouw of putkraag is bij geen enkele put iets teruggevonden. |
||||||||
14 Stuurman &. Reckman, 2004: Uit: L'Idea della
Architettura Universale (Venezia, 1615) |
|||||||||
20 CIDEON BOEKENOOCEN EN TIMO D HOLLOSY
|
|||||||||||
datering — Het eerste gebruik van baksteen
dateert in Amersfoort uit de i3e en i4e eeuw. Het werd toen toegepast bij de stadsmuren, stads- poorten, kerken en enkele woonhuizen. De oud- ste bakstenen put in Amersfoort is de ise eeuwse (stads)waterput op de Hof. Hiermee start een reeks van bakstenen waterputten. Het zwaarte- punt van de dateerbare waterputten ligt in en om de ve eeuw (21 putten).15 De jongste putten zijn de waterputten aan de Valkestraat (aanleg eind io,e eeuw), de Krommestraat, Hof en Havik (aanleg eind ige / begin 20e eeuw?). Bakstenen putten lij- ken van de vier typen waterputten de langste gebruiksduur te hebben. CONSTRUCTIE — De oudste bakstenen water-
putten (exclusief de stadsput op de Hof) hebben een doorsnede die varieert tussen 125 en 160 cm (buitenmaat), een grote insteek tot aan de onder- zijde en (voor zover vast te stellen was) geen fun- dering. Deze putten zijn dus alle in een gegraven kuil opgebouwd. Hoewel wielen al in de 1412 en i5e eeuw bij plag-
genputten als fundering dienden, zijn deze bij de bakstenen waterputten met vergelijkbare maten uit die tijd in ons onderzoeksgebied niet aange- troffen. Sterker nog: vooralsnog lijkt het dat geen enkele bakstenen put op een wiel is gefundeerd. In de ve eeuw werden de eerste putkransen
bestaande uiteen -zoals Scamozzi het zo mooi stelt- wiel uan dubbele, steuige gekruiste planken toegepast. Negen waterputten steunen op een dergelijke putkrans, bestaande uit een vurenhou- ten samenstel van vier of zes cirkelsegmenten in |
|||||||||||
twee elkaar overlappende lagen.16 Geen van deze
putten heeft een (grote) insteek tot op de bodem, met andere woorden: ze zijn niet in een grote kuil opgebouwd, zoals de oudere putten, maar - vol- gens de door Scamozzi beschreven techniek- door ontgraving van binnenuit de bodem inge- bracht. De oudste bakstenen putten met planken kransen dateren uit de ve eeuw, de jongste dateert uit de 20e eeuw. Er zijn geen waterputten uit de ve eeuw en later waarbij géén putkrans is aangetroffen, bij een aantal is de putbodem ech- ter niet bereikt.17 Alle putkransen uit de Amersfoortse binnen-
stad lijken te zijn voorzien van stellatjes; tegen de buitenzijde van de putkrans is een variabel aantal rechtopstaande latten aangebracht die als stellat- ten bij het opbouwen van het onderste deel van de schacht dienst hebben gedaan. Een mooi voor- beeld hiervan is opgegraven aan de Valkestraat. Tweemaal, bij ve eeuwse putten aan de Grote Koppel en aan de Muurhuizen, zijn stellatjes aan- getroffen zónder dat de aanwezigheid van een putkrans is vastgesteld. Bij de archeologische onderzoeken ter plaatse is de bodem van beide putten niet bereikt, deze putten kunnen dus wél een putkrans hebben gehad. Gezien de sterke relatie tussen putkransen en stellatten, gaan we hier ook van uit.18 Met de komst van de handpomp veranderde
iets aan de bovenzijde van de waterput; door toe- passing ervan was het niet langer nodig een open waterput te hebben, bij voorkeur juist een dichte, vanwege de hygiëne. Bestaande waterputten wer- den tot onder het woonoppervlak afgebroken en |
|||||||||||
15 Behalve op vondsten is - onder voorbehoud - geda-
teerd op baksteenformaat; bepaalde baksteenformaten waren gangbaar in bepaalde periodes. Voorzichtigheid is echter geboden vanwege het hergebruik van bakstenen, met name voor funderingen en ondergrondse (onzichtba- re) delen - juist de delen die door archeologen worden aangetroffen. 16 De houten driehoek, die Scamozzi noemt, is in de binnenstad geen enkele keer aangetroffen |
en is ook uit de Amersfoortse omgeving niet bekend.
17 Van 29 bakstenen waterputten is om deze reden de fundering niet gezien / bekend. 18 Bij wielfunderingen zijn nimmer stellatjes aangetroffen. In het buitengebied zijn wel putten met wielen als fundering opgegraven waarbij - mogelijk met hetzelfde doel - vergelijkbaar geplaatste ronde takken zijn aangetroffen. |
||||||||||
Stadswaterput op de Hof
|
||||||
- 55%,
|
||||||
Waterput aan de Valke-
straat met duidelijk zicht- bare stellatjes. |
||||||
22 CIDEON BOEKENOOCEN EN TIMO D'HOLLOSY
|
|||||||
voorzien van een koepel. Bij zeventien putten is
een (al dan niet intacte) gesloten bakstenen koe- pel als afsluiting aangetroffen. Hierin stak soms nog een stuk loden pijp, de waterleiding die naar de pomp liep. Bij nog eens zes putten zijn sterke aanwijzingen dat er een koepel op heeft gezeten. De oudste waterputten met koepel dateren
uit de ve eeuw (aanleg/gebruik), de jongste put met koepel dateert uit de 20e eeuw. Hiermee is echter niet het moment van koepelplaatsing ofwel de overstap op de handpomp gedateerd. De koe- pels lijken voornamelijk op reeds bestaande - en dus oudere - nog in gebruik zijnde putten te zijn geplaatst; de bakstenen van de koepels verschillen zeer met die van de schachten. Datering van de koepelplaatsingzélf is niet makkelijk, erzijn nau- welijks vondsten aan verbonden; na plaatsing van de koepel kwam er niets meer in de put terecht en putten met koepels zijn zelden gedempt. De vul- ling waarmee de kuil rond de koepel is dichtge- gooid bevat vaak té veel omgevingsvondsten om een duidelijke datering mogelijk te maken. Bak- steenformaten zijn - hoewel zoals eerder gesteld niet al te betrouwbaar-één van de weinig moge- lijk dateringsmethoden voorde koepels zelf. Hier- over zijn bij de onderzochte waterputten echter te weinig bruikbare gegevens gedocumenteerd. Dat er in Amersfoort tot in de 20e eeuw water-
putten zijn gebouwd, die van een koepel zijn voor- zien, geeft aan dat de toepassing van de hand- pomp niet het einde van de waterput inluidde; het slaan van een buis tot in het grondwater zou immers ook volstaan. Voor de mogelijke reden hiervan is, ver boven de grond, een aanwijzing te vinden: op vele Amersfoortse trotseerloodjes, waarmee spijkergaten in de dakbedekking afge- dekt werden tegen inwatering, staat een pompstok afgebeeld, een specifiek gereedschap voor een, voor deze omgeving, specifiek probleem. Hiermee werden namelijk door het instromend zand ver- oorzaakte verstoppingen in geslagen pompbuizen verholpen. Door de pompbuis in een brede, open |
ruimte te plaatsen-een waterput-werd het pro-
bleem van verstopping zelfs in het geheel voor- komen.19 Dit zou betekenen dat nieuwe waterput- ten direct mét koepel en al werden aangelegd. Dit is bij opgravingen echter nooit vastgesteld, er zal bij de komende onderzoeken specifiek op gelet worden. Een andere reden voor het- na de intro- ductie van de handpomp - nog eeuwen lang in gebruik blijven van waterputten, al dan niet met koepel en pomp, is nog niet gevonden. analyse — De oudste bakstenen putten
bouwden voort op de bestaande traditie van grote kuilen waarbinnen de waterput werd opgebouwd. Als fundering werden echter geen ontspaakte wielen gebruikt, die bij plaggenputten wél toege- past werden. In de ve eeuw kwam een nieuwe techniek, waarbij de waterput tijdens de opbouw van binnenuit werd ontgraven en zo langzaam de grond in werd gebracht, zij vond in de binnenstad brede toepassing, met als belangrijk voordeel dat het graven van grote gaten niet langer nodig was. In het steeds dichter bebouwde stedelijk gebied binnen de stadsmuren zal dit in toenemende mate problemen hebben veroorzaakt. Het lijkt er op dat ook het verschijnen van de putkransen aan deze nieuwe techniek is verbonden. Hoewel wie- len hierbij ook als putkrans toegepast zouden kunnen worden, is dit nergens aangetroffen. Algemene conclusie
Als het aan het einde toch past om tot een slot-
som te komen is het dat dit onderzoek eigenlijk meer vragen heeftopgeroepen dan beantwoord. Het beeld dat uit dit onderzoek naar voren is gekomen, is dat indien op basis van materiaal van de schacht een indeling wordt gemaakt, de opge- graven waterputten uit de binnenstad (76 stuks) in vier typen uiteenvallen: boomputten (4), plag- genputten (8), tonputten (17) en bakstenen put- 19 Suggestie van J.A. Brongers; Cf. Steijn, 1996.
|
||||||
23
|
|||||||
ALS HET KALF...
|
|||||||
Deze overzichtskaart met de locaties
van de putten, de verschillende typen en (waar mogelijk) de datering, is niet meer dan een overzichtskaart. Analyse van ruimtelijke verspreiding is, gegeven het feit dat de opgravingen vrijwel altijd plaatsvinden op plekken her en der in de stad waar voor verbouwingen of andere werkzaamheden incidenteel diep grondverzet noodzakelijk is, zijn de tot nu 76 gevonden waterputten niet meer dan toevalstreffers en geen geldi- ge steekproef. |
|||||||
24 G1DEON BOEKENOOCEN EN TIMO D HOLLOSY
|
|||||||
ten (47). De boomputten zijn het oudste type, de
grote kuilen met daarin uitgeholde stammen van eikenhout dateren uit de prestedelijke en vroeg- stedelijke periode en zijn in gebruik tot in dei3e eeuw. Daarna komen zij niet meer voor en dit is in heel Nederland het geval. Verklaringen worden gezocht in houtschaarste, een tekort aan grote / dikke eiken. Na de boomputten komen plaggen- putten en tonputten. Beide typen zijn naast elkaar in gebruik, totdat in de ise eeuw het gebruik van plaggenputten stopten rond dezelf- de tijd de eerste bakstenen putten verschijnen. De bakstenen putten, die op de zelfde wijze als de plaggenputten worden gebouwd, lijken daar- mee de directe opvolgers / innovaties van de plaggenputten te zijn. Een tijd lang loopt het gebruik van tonputten naast dat van bakstenen putten door, totdat het in de ige eeuw stopt. Het lijkt dat tonputten goedkope alternatieven zijn voor plaggen- en bakstenen putten. Bakstenen putten zijn verreweg in de meerderheid; niet alleen vanwege de lange periode van toepassing (i5e - 20e eeuw) maar ook vanwege de betere houdbaarheid die ze hebben boven putten van hout en plaggen; ze rotten niet weg. Daarnaast is de stad vanaf de ise eeuw qua omvang en inwo- nersaantal dermate groot geworden dat er ook veel van zijn aangelegd. De beperkte ruimte in de steeds dichter bebouwde stad lijkt de stimulans om een nieuwe techniek te ontwikkelen en toe te passen voor putaanleg waarbij niet langer grote gegraven kuilen ten behoeve van putaanleg nodig was. In de ve eeuw deed de techniek z'n intrede waarbij de put tijdens het opbouwen, door ont- graving van binnenuit, langzaam de bodem werd ingebracht. Deze methode werd al snel breed toegepast. Het voorkomen van putkransen en stellatjes lijkt met deze techniek verbonden. De komst van de handpomp in de ve eeuw, maakte het eindelijk mogelijk de waterputten aan de bovenzijde te sluiten. Bestaande putten werden van koepel en loden pijp voorzien en nieuwe put- |
|||||||
ten werden - al dan niet voorzien van koepel en
pomp, nog eeuwen lang aangelegd. De komst van de waterleiding aan het eind van de i9e eeuw, luidt het einde van het waterputtentijdperk in. Zoals in het voorgaande al is opgemerkt, is het
aantal goed opgegraven en goed gedocumenteer- de waterputten niet toereikend om als geldige steekproef te kunnen worden beschouwd. Het onderzoek heeft daarom hoofdzakelijk een inven- tariserend karakter, met slechts enkele analyses. Conclusies moeten met voorzichtigheid worden getrokken. Vragen
Het is onderzoek eigen dat er nieuwe vragen ont-
staan. Enkele daarvan willen we hierbij noemen, om er bij vervolgonderzoek en tijdens de opgraving van waterputten zelf, aandacht aan te besteden: Zijn er waterputten (typen) met wellen als
bron van water, zoals de waterput op de Hof, en hoe onderscheiden deze zich van die, welke dit niet hebben? Heeft het einde van de boomputten in de bin-
nenstad inderdaad te maken met houtschaarste of zijn er andere redenen die bijvoorbeeld samen hangen met de overgang van agrarische nederzet- ting naar stad? Zijn er in agrarische context boomputten van na 1250? Waarom hebben niet alle plaggenputten fun-
deringen (wielen)? En hoe zit dat bij bakstenen putten? Zijn tonputten inderdaad een goedkoop alter-
natiefvoor plaggen- en bakstenen putten? Zijn de opbouw en putkraag (in ander materi-
aal) onderdeel van het originele ontwerp/con- structie of naderhand als reparatie van een slechte of kapotte bovenkant aangebracht, als verfraaiing of verbetering aangebracht? Heeft het gebrek aan ruimte inderdaad (stimu-
lerend) geleid tot de ontwikkeling/toepassing van de nieuwe aanlegtechniek die Scamozzi beschrijft? Hebben alle putkransen stellatjes en duidt het
|
|||||||
ALS HET KALF... 25
|
|||||||||||
waterputten worden diverse kenmerken van de
putten onder de aandacht van de opgravers ge- bracht, waardoor ze een nieuwe basis gaan vor- men voor toetsing van bovengenoemde analyses en conclusies, en waardoor ze gegevens leveren voor beantwoording van de gestelde vragen. Daarnaast wordt het tijd de waterputten uit het buitengebied op vergelijkbare wijze tegen het lichtte houden. |
|||||||||||
voorkomen van stellatjes op de aanwezigheid van
een putkrans? Vooralsnog lijken koepels alleen voor te
komen bij bakstenen putten. Het gebruik van tonnen loopt door tot ver in de tijd van bakstenen en handpompen. Komen er bij tonputten ook (bakstenen) koepels voor? Zo nee, waarom niet? Door toepassing van het nieuwe registratie-
formulier tijdens archeologisch onderzoek van |
|||||||||||
Snieder, F.M.E. (red), De waterput op de Hof(Staa Reeks
nr.6, Amersfoort 1996) Steijn, P.P., Meestertekens op het dak; Een verkenning
naar de verschijningsvormen van trotseerloodjes van ca 1580 toti995 ("Olijk 1996) Stuurman, R. en J. Reckman, 'De Waterput. Van licha-
melijke en spirituele levensbron tot grondwater- meetpunt', TNO-NITG-informatie (oktober 2004) Thomas, D., Wells as signatures ofsocial change
(Sheffield 2003) |
|||||||||||
Literatuur
Brongers, J.A.,: Historische Encyclopedie van Amersfoort
('Amersfoort 1998) sv: Trotseerloodjes Groothedde, M., Leesten en Eme, archeologisch en histo-
risch onderzoek naar verdwenen buurtschappen bij Zutphen (z.p., z.j.) Krikke, D., 'De vormgeving van poelen en putten
'Heilige Grond', archeologie in en rond het Geuldal',
Historische Studies Geuldal 11 (2001) 109-122 |
|||||||||||
BIJLACE
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
ALS HET KALF... XJ
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Type* aanleg gebruik Eind doorsn bodem top/kraag
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Beestenmarkt
Breestraat 23
Grote Koppel 8
Grote Koppel 14
Bloemendalsestraat
Bloemendalsestraat
Utrechtsestraat 37-39
Mooierplein
Valkestraat
Kerkstraat /
Muurhuizen
Muurhuizen /
Nieuwstraat
Polikliniek
Grote Koppel
Grote Koppel
Grote Koppel 14
Mooierplein
Krankeledenstraat
Lieve Vrouwestraat
30-40
Herestraat 4
Kreupelstraat
Valkestraat
Krommestraat 45
Hof 11-12
Havik 14
Jorisplein
Beestenmarkt
Beestenmarkt
Mooierplein
Muurhuizen 45
Lieve Vrouwestraat
30-40
Lieve Vrouwestraat
30-40
Polikliniek
Polikliniek
Zwanehalssteeg
Breestraat 12
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
42 S13
43 S14
44 S15
45 S16
46 S17
47 S18
48 S19
49 S20
50 S21
51 S22
52 S23
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BM-P5
BRE 23-V57
GK8-F39, IGK14-F4 JBLOE'86-Fl
bloe'86-Fi5
us'99-F2i
mp'98-F312
vs'o4-Fn8
KM'85-Fn.n.
mn'90-F4
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
120
105 *54 118 90 125 ? 160
(140)
;70
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
17
17
(v)
(17)
(17)
(17)
(17)
i7b
i7b
i7b
i7b
17/18
17/18
(17/18)
(17/18)
18
(18)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Krans, si Koepel
(krans), si Koepel + pijp Krans, si Koepel ? Koepel |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
17
17 17 17 17-18 V
17-19
16/17
16/17
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Krans, si (koepel)
■Krans, si (koepel)
? (koepel)
(krans?) Koepel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
? ? Los gestapeld
? Koepel
Krans (si) Koepel + pijp
? Koepel Niet onderzocht
? Koepel
? Koepel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
POLi'86-B
GK'95-F3
GK'95-F7
|
120
140
(120)
(130)
145
110
130-155
160
100
(120)
100
130
(100)
120
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
17/18
17/18 (17/1! |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
56 S27
57 S28
58 S29
59 S30
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
GK14-F20,
MP'98-Fi
KLS 20-22-F27
OLV 30-40-F3 H E 4-F2
KREU'02-F63
vs'o4-F32
KRO 45-n.n
HOF II-12-S13 HA I4-V14 jor'98-P3
|BM-Pl
JBM-P2 mp'98-F315
MUU45-V9 OLV 30-40-F35
OLV 30-40-F36 ■POLl'86-C }POLi'86-D
zwh'89-P5
;bre 12/MEL |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(18) 18
v/18 18 (19) 19
20? 20 (ig/)2o 20
(i9/)2o 20
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
60 S31
61 S32
62 S33
63 S34
64 S35
65 S36
66 S37
67 S38
68 S39
69 S40
70 S41
71 S42
72 S43
73 S44
74 S45
75 S46
76 S47
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Krans, si (Koepel)
Krans, si Koepel + pijp inw. Gepleisterd
? Koepel + pijp
? Koepel
Krans (si) (Koepel)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
*: B = boomput * P = plaggenput • T = tonput • S = bakstenen pu
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||
De Byler- of
Bij laarsfundatie |
|||||
DE BYLER- OF B IJ LA ARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (152O-I950) 20,
|
|||||||||||||
In de eerste helft van de i6e eeuw schonken leden uit het
Amersfoortse geslacht Van Byler onroerend goed om de armen in de stad aan gratis onderdak te helpen. De fundatie die naar dit geslacht genoemd werd, kwam aan het begin van de ige eeuw onder beheer van het rooms - katholieke armbestuur van de kerk van Sint Franciscus Xaverius aan het Zand. In 1855 kreeg het 'r.k. Parochiaal Armbestuur' de zeg- genschap.1 Gedurende honderden jaren heeft deze nage- noeg onbekende liefdadigheidsinstelling voor arme katho- lieken in de stad veel kunnen betekenen |
|||||||||||||
1 Het fundament: schenking van
huizen en land 'Dat inde uoers. Gameren altut arme Luyden omme
die minnen uan godt woenen sullen......2
In het begin van de 16e eeuw leefden veel gelovi-
gen naar de door de katholieke kerk voorgehou- den richtlijn om zorg voor de medemens te tonen. Dat hield in het beoefenen van de werken van barmhartigheid: geef aalmoezen, help de arme, geef aan de wees, de zwerver en de zwakke een onderdak en het loon in de hemel zal groot zijn. Daarbij gingen zij uit van het principe van het uit de Oudheid daterende 'do ut des' (Latijn: ik geef opdat gij geeft). Naarde christelijke opvatting ver- taald en met de woorden van Van Byler nagezegd: 'om die minnen van godt'. De werken van barm- |
hartigheid (zie Mattheus, hoofdstuk24, vs. 42-
44) waren welbekend en het was normaal om door middel van het doen van goede werken de weg naar de hemel te plaveien.3 Daarnaast zal voor velen een rol gespeeld hebben de gedachte dat rijkdom voor een christen 'doemwaardig' bezit was en dat dit bezit door het geld schenken aan charitatieve instellingen in Gods ogen welge- vallig zou worden.4 In Amersfoort was in de loop van deise eeuw
een sterke uitbreiding van de sociale zorgonder invloed van de Moderne Devotie te constateren, een beweging die het geloof niet beperkt wilde zien tot alleen bidden.5 Parallel daaraan ontstond in de eerste helft van de i6e eeuw bij de overheid het besef dat de zorg voor armen ook een maat- |
||||||||||||
kwam deze opvatting in het christelijk denken en hande-
len veelvuldig voor; een 'egoïstisch ingesteld altruïsme', zie Post, Kerkgeschiedenis, deel II, p. 252. N.B. de werken van barmhartigheid om de liefde van God, zie Liese, band 1, pp. 1 en 237. 4 Van Herwaarden en De Keyser, in AGN, deel 4, p. 416. 5 Van Kalveen, 'Kloosters en kapellen en de Moderne Devotie', in Van Adelberg, De Amersfoortse kerken, pp. 29-32 (Ib., p. 32:'schaalvergroting en uitbrei- ding van bestaande kerkelijke en sociale instellingen gedurende de 15 eeuw'). |
|||||||||||||
1 Het armbestuur wist eigenlijk niets van de herkomst
van het onroerend goed toen in 1883 een stuk land ver- vreemd moest worden in verband met de aanleg van de spoorlijn van Amersfoort via Resteren naar Nijmegen (apa a nr. 25: het ging om stukken land, kadastraal: Leusden sectie D nrs. 198 en 199). 2 Tekstfragment uit de vidimus van 1572, APA A nr. 144. 3 Het van oorsprong Romeinse juridische begrip 'do ut des' kreeg bij de Romeinen al een tweede betekenis: geven aan de goden in de hoop op een tegenprestatie. In de middeleeuwen |
|||||||||||||
30 P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||||
genoemde Van Bylers zijn niet gemakkelijk aan te
geven. Aan het begin van de i6e eeuw komen er enkele takken voor waarin de namen Jacob, Willem, Ryckt / Ricout en Hen(d)rick voor- komen.10 In 1528 zijn er drie zonen van Hen(d)rick bekend - de geestelijke Andries, Rycout en Cornelis -van wie de twee eersten vóór oktober 1541 overleden zijn." In die jaren waren als weldoe- ners actief de neven Henrick Henricksz., Hendrick Jacobsz. en Willem Willemsz. van Byler. Tenslotte was er een oom, de geestelijke mr. Jacob van Byler, die zelf ook een vicarie oprichtte.12 Voor de armen in de stad hebben leden van
deze familie zich meer dan eens ingezet vanuit hun sociale bewogenheid, 'omme die minne van godt', zoals zij hun bedoeling in de stichtingsbrief omschreven.13 Hun handelen lijkt sterk op wat veel godvruchtige personen in die tijd, eveneens omwille van de barmhartigheid van God in het uur van de dood, deden: zij stichten een 'vicarie'. Doorgeld of goed te schenken, gevestigd op een altaar, kreeg een vicaris (= een priester) inkomen én de plicht als gewichtige tegenprestatie missen op te dragen voor het zielenheil van de fundator.14 Op 16 juli 1520 verschenen de broers Willam
van BylerWillamsz. en Rycout van BylerWillamsz. voor het stadsbestuur. Willam zei namens zichzelf te handelen, Rycout handelde namens vier naaste |
|||||||||||||
Tekst in dorso van het vidimus uit 1572
(aapa, nr. 143) |
|||||||||||||
schappelijke zaak was. Uit de ordonnantie die kei-
zer Karel V in 1544 aan Amersfoort gaf blijkt dat duidelijk.6 De familie Van Byler (Van Bijier) behoorde op
het einde van dei5e eeuw en in de eerste helft van dei6e eeuw enige generaties achtereen tot de aanzienlijke geslachten in de stad.7 Diverse leden van deze uitgebreide familie bekleedden functies in het stadsbestuur. Dat gold bijvoorbeeld voor Henrick van Byler die in 1515 burgemeester was en voor Ryckt van Byler, die later verscheidene jaren schepen en in de jaren 1529,1536 en 1540 burge- meesterwas.8 Cornelis en Willem van Byler waren schepen, respectievelijk in 1540 en 1541.9 De precieze familiebanden tussen de reeds
|
|||||||||||||
6 Van Manen, p 24; Hiddema, pp.14-15; N.B. in 1544 gaf
de keizer de bekende Ordonnantie aan de stad Amers- foort, waarin ook de oprichting van een stedelijke wees- kamer was vastgelegd,AE nr 2279, art. XVI en XVII (zie ook Van Bemmel, deel 2, pp. 729-735). 7 Smit, Desamen- stelling..., p., 49 e.v. Van Byler (Bylaer); pp. 56 e.v. Van Dashorst; pp.78 e.v.: Van Lielaer; pp. 101 e.v.: Van Schadyck; pp. 118 e.v. Van Westrhenen. 8 Smit, p. 49: Jacob van Byler was getrouwd met Margriet, de dochter van Andries Bot. Zij hadden als zonen Cornelis en Ryckt, allebei lid van de magistraat. 9 Wat betreft Henrick, zie Van Bemmel, deel 2, p. 566; voorts AE, inv. nr. 1, Archief van het Stadsbestuur, nr. 8 (1536-1540) en nr. 9 (1540- 1549), RS. 10 Henrick, zoon van Henrick kreeg in 1531 uit handen van jacob van Byler geld uit de erfenis van Henrick, zoon van Jacob: AE, Archief Armen de Poth, inv. |
nr. 820,; het ging om 100 gouden Rijnse guldens.
11 Eijken, nr. 1796: schoutambt Ermelo, buurschap Telgt: het bezit van de halve tiende was in handen van de fami- lie Van Byler, te beginnen met Jacob in 1459. Deze was in 1461 schepen en in 1475 burgemeester, zie Van Bemmel, deel 2, pp. 546 en 552. 12 AE,Rechterlijk Archief inv. nr.436-3,1540-1551, folio 12: vicarie in St. Pieters Gast- huis. 13 Moorman van Kappen, p.18, wijst op een ontwa- kende sociale bewogenheid bij het stichten van weeshui- zen; Van Kalveen, 'Kloosters en kapellen', p. 29: consta- teerde dit bijvoorbeeld bij de families Van Hees, Van Byler, Brant, Van Hardevelt, Bol en Pijl; ook Van Kan, 'Die elendiche armen', p. 83('bezieling'). 14 Bijvoorbeeld de schenking van een stuk land t.b.v. het altaar van de timmerlieden in de St Joriskerk in 1447, zie AE, Archief Armen de Poth inv. nr. 1029. |
||||||||||||
^^
|
|||||||||||||||
Fragment van de stadsplattegrond van
Blaeu met o.a. Valkestraat en Tries- genstraat (Museum Flehite) |
|||||||||||||||
familieleden: Henrick van Byler en Albert Dyer
Willemsz. zijn ooms en Jacob van Byler Jacobsz. en Willem van Byler Rycksz. zijn neven. Zij ver- klaarden tegenover schout, burgemeesteren schepenen dat zij hun broer mr. Jacob van Byler twee kamers (= huisjes) onder één dak, staande naast 'de oude Munt' in de 'Codschalkstraat' (later de Valkestraat), ten behoeve van de armen ge- schonken hadden. Zij deden dat'namens henzelf en namens hun erven', dat betekende feitelijk dat de schenking gold ten eeuwige dage. Bovendien schonken zij bij die gelegenheid
met hetzelfde doel vier huisjes met een grote hof erachter in de Sint Andriesstraat (toen ookTrys- genstraat genoemd) bij de gelijknamige poort. Deze hof lag tussen de stadsmuur, het eigendom van Aert van Cheyn aan de kant van de Singel en |
|||||||||||||||
de grond van het convent van St.Jan. Een hof
waarin eiken en iepen groeiden, een schuur, een hooibergen een boomgaard stonden. Deze hof moest verhuurd worden aldus de stichtingsbrief. Met de opbrengst van de huur of pacht kon het onderhoud van de huizen bekostigd worden.15 Ryckt van Byler Jacobsz., naar het lijkt een neef
van Rycoutvan Byler Willamsz., en zijn vrouw Margriet hebben meermalen blijk gegeven van hun mededogen met de arme medemens. Im540 gaven zij voor verscheidene doelen geld en / of onroerend goed, onder andere de Munt in de Codschalkstraat ten behoeve van de arme'huis- zittenden' die verzorgd werden door de H. Geest- broeders van 'Armen de Poth'.16 In datzelfde jaar schonken zij twee huizen om die eveneens door armen te laten bewonen. Deze stonden ook in de |
|||||||||||||||
15 apaa, nr. 143, vidimus van de fundatiebrief (charter)
van 16 juli 1520 uitgegeven door schout, burgemeester en schepenen van Amersfoort in het jaar 1572. (n . B. niet |
altijd was het innen van de huur even gemakkelijk. In
1626 vroeg de administrateur aan het stadsbestuur om hulp om deze toch geïnd te krijgen). 16 Ibidem. |
||||||||||||||
32 P.J-J.M. VAN WEES
|
|||||||||||
straat genoemd.20 Halverwege de 18e eeuw werd
een godshuis in de Krommestraat niet genoemd als onderdeel van het fundatiebezit. Toen bezat de fundatie wel naast de reeds genoemde huizen, er twee in de Breestraat en één in de Coninckstraat. Dat laatste huis werd na 1759 niet als armenhuisje gebruikt maar verhuurd.21 Het land in Leusbroek
In 1538 had Ryckt van Byler Willemsz. een stuk
land in Leusderbroek (nu Leusbroek) en in de 'Stert' (=staart) van Leusderbroek gekocht.22 Hij deed toen niet anders dan veel van zijn vermogen- de stadsgenoten die een belegging voor hun geld zochten. Overal in de (wijde) omgeving van Amersfoort kochten zij land.23 De zandige bodem in Leusbroek, ten zuidwes-
ten van Leusden, was van nature niet vruchtbaar. Dankzij plaggenbemesting kon men op deze arme grond rogge en boekweit verbouwen.24 Boekweit had als voordeel dat er veel minder onkruid opschoot door het dichte takkenstelsel en werd sinds de i7e eeuw veel geplant.25 Het was noodzakelijk de bodem rijker te
maken. Met veel inspanning kon het bouwland verbeterd worden door middel van plaggen ge- mengd met mest (= de potstal), 'gemeste weit' en roggestoppelen.26 Door hetafplaggen echter |
|||||||||||
Codschalkstraat tegenover de oude Munt. Naast
deze Munt stonden reeds twee 'godskamers', gesticht door Willam van Byler.17 Verder schonken zij vijf huisjes in de Sint
Andriesstraat die stonden tussen de in 1520 door de Van Bylers geschonken godshuizen dicht bij de Trysgen-of Sint Andriespoorten het huis van Aert van Gheyn's erfgenamen aan de kant van de Zuid- singel. Zo ontstond aan één kant van die straat een rij van negen godshuizen, bestemd voor 'arme Luyden'.18 De hof achter de huisjes in de Sint Andriesstraat moest verhuurd worden om met de huuropbrengst het onderhoud van de inmiddels elf huisjes in deze straat te bekostigen.19 Alles bijeen waren er eenentwintig gods-
kamers of huisjes door leden van de Van Byler- familie geschonken ten behoeve van de armen. Ryckt van Byler en zijn vrouw Margriet deden in 1540 afstand van de erfrechten. Zo ontstond de latere Byler- of Bijlaarsfundatie. De erven in de familie Van Byler verloren het bezit ervan, maar traden voortaan op als regeerders of admini- strateurs. De fundatiebrief uit 1540 noemt ook een
godskamer in de Krommestraat. Dat moet foutief zijn, want in het'Prothocollenboek'van de stad komt deze overdracht door Ryckt en Margriet niet voor. Daarin wordt wél een 'kamer' in de Coninck- |
|||||||||||
de Krommestraat, zie Rechterlijk Archief Amersfoort nr.
436-3, Protocollen van transporten en plechten 1540- 1551, in het jaar 1540. 21 APAA,nr. 120: register over de jaren 1758 -1862. 22 APA A nr. 148: akte van erfscheiding 1658. N.B. zo werd dit land aangeduid in dat jaar. 23 Bijvoorbeeld in Duist, Hamersveld, Stoutenburg en Leusbroek. AE, inv. nr. 1 stadsarchief, nr. 1830: bijvoor- beeld de families Renesse, Van Dashorst, Van Schadijck, Van Snuel, Van Lielaer. N. B. ook Verduin, p. 76, wijst op dit verschijnsel. 24 Hendrickx p. 89 spreekt van 'eeuwige roggebouw'. 25 Bieleman, p. 91. 26SlichervanBath, p. 70: het vee weidde men ook op het (heide-)plaggen- veld; zie 1b., p. 225: boekweit zeer geschikt voor arme grond; was goedkoop voedsel. N.B. op een kaart uit het archief van St. Pieters- en Bloklands Gasthuis staat heide vermeld (kaart inv. nr. K 21-8); de kaart in archief Armen |
|||||||||||
17 AE, RechterlijkArchiefnr.436-3, Protocollen van
transporten en plechten, band 1540-1551,0.3.: een vicarie in. St. Pieters Gasthuis: een kamer naast de oude Munt met halve kelder onder de kamer van de oude Munt. 18 apa A nr. 144: vidimus van schout, burgemeester en
schepenen van Amersfoort uit 1572 van de fundatiebrief (charter) van 25 augustus 1540. 19 Van Rootselaar noemt in zijn boek verscheidene fundaties en schenkingen waar- bij de familie Van Byler betrokken was. In deel 2, p. 290 (een schenking aan Armen de Poth, o.a. de Munt; dit pand ligt naast de door Jacob van Byler en zijn vrouw Margriet geschonken panden; en ibidem, pp.392-393 geven de inhoud van de vidimus uit 1572 (schenking op 25 augustus 1540 gedaan), voor deze vidimus:zie apa a, nr. 143. 20 Du Pui, p. 38 wees hier al op. Het echtpaar Ryckt en Margriet schonk een huis in Coninckstraat en niet in |
|||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LAARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (1520-1950) 33
|
|||||||||||
kreeg de heidestruik op de kale grond een kans.27
Er werd daarom scherp gelet op het zorgvuldig plaggen en afgraven. In 1631 bepaalden de Staten van Utrecht op verzoek van meentgraaf en heem- raden van hoeven in Leusden dat onordentelijk plaggen, afgraven en kappen van houtgewas op de 'meent' (=gemeenschappelijke weidegrond) ver- boden was.28 Het vruchtbaar houden van de zandige akkers
was belangrijk. Daartoe werd door de administra- teur van de Bylerfundatie bij de verhuur van het land in 1666 bedongen dat de gebruiker na afloop van de huurtermijn het land moest opleveren met gemeste roggestoppelen.29 De percelen van de Armen de Poth en van de Bylerfundatie in Leus- broek bestonden elk uit twee delen bouwland en een deel plaggenveld waarop heide groeide. Het plaggenveld was veel minderwaard dan de stukken bouwland en bracht veel minder pacht op.3° Ryckt zelf of een nazaat heeft dit land aan de
fundatie geschonken, want reeds vóór 1657 was het in bezit van de fundatie gekomen en ontving de administrateur daarvan de pachtsom. Aan- gezien de fundatie samen met de 'Armen de Poth' land in bezit had in Leusderbroek, is in 1658 een regeling getroffen. Het betrof het land dat gelegen was aan weerszijden van de Leusbroekerweg, vlak- bij 'Het Eind'. Vanaf dit punt liep noordwaarts het pad de 'Kromme Start' dat leidde naar de Scher- penzeelse weg en zuidwaarts een pad dat de |
|||||||||||
St. Angenietensteeg heette. Dit pad voerde naar
land dat in bezit was van het Agnietenconvent in Amersfoort. Aan deze steeg had Van Byler twee 'campen' land gekocht.21 Beide instellingen waren met elkaar'verbonden' niet alleen door dit ge- meenschappelijk landbezit maar ook doordat zij bestuurlijkin nauw contactstonden.22 De rege- lingvan 1658 hield een loting in om het gemeen- schappelijk bezit te splitsen. De Bylerfundatie trok bij de loting het beste
lot- ruim dertien morgen land -en betaalde aan de regenten van 'Armen de Poth' ter compensatie éénmalig een tegemoetkoming van driehonderd gulden.33 Het grootste van de twee stukken land van de Bylerfundatie strekte zich uit vanaf de Leusbroekerweg zuidwaarts tot aan de Lunterse beek, over een lengte van ruim een kilometer en met een breedte van ongeveer zeventig meter. Aan de wegstonden een paar boerenhuizen en hooibergen omringd door bomen. Het eerste deel, 'de Engh', was ongeveer 250 meter lang en diende als bouwland. Vanuit de weg zal de ontgin- ning van het land gestart zijn.34Tot in deige eeuw bleef de indeling van de landerijen en het gebruik ervan min of meer ongewijzigd.35 2 De Bijlerfundatie als katholieke
instelling in een' protestantse' stad Het beheer van de fundatie lag in handen van het
geslacht Van Byler. Bij het eventueel ontbreken van |
|||||||||||
tot 350 gulden; dit verschil in waarde (1 op 5) kwam ook
elders in het land voor, zie Bieleman, p. 79. 31APA A, nr. 148 en AE, Archief Armen de Poth inv. nr. 243, map 517, enkele schetskaartjes uit 1657. 32 Van Bemmel, deel 2: regenten van Armen de Poth. (n . B. soms waren het dezelf- de personen als die in de fundatie als administrateur werk- zaam waren). 33 apa A, nr. 148; Du Pui, p. 39; Archief Armen de Poth inv. nr. 243 map 517. 34 AE, kaartencollec- tie, K17-6, getekend door J. van Diepenem (circa 1650). 35 AE, kaartencollectie, Leusden 10025 (kaart 1001498), kadastrale kaart van Leusden en omgeving (ige eeuw). In AE, Archief Armen de Poth, nr.445: in 1796 spreekt men van 'plaggeveld gelegen in de Staart van Leusbroek'. |
|||||||||||
de Poth, K17-6 spreekt van 'heet ende plagveld' voor het
land van de Armen de Poth aan de Leusbroekerweg. Over akkerbouw en extensieve veeteelt (schapen en potstal) op de zandgronden in O -Utrecht, zie Blekkenhorst e.a., p. 45. 27 Reijnders, p. 92. 28 AE, Archief Armen de Poth, inv. nr. 242: kopie van besluit Staten uit 1631: de eigenaren van 26 hoeven waren hierbij betrokken, o.a. Peter van Schayck rentmeester van de Armen de Poth en Gerrit van Dashorst. N. B. de meent was vroeger het eigendom van de bisschop van Utrecht, zie Verduin, p.33. 29 AE, Archief Armen de Poth inv. Nr. 243, map 517, overeenkomst uit 1666, door Van Meerveen en Van Schadijck ondertekend als admini- strateurs. 30 Ibidem, plaggenveld 50 gulden, bouwland 250 |
|||||||||||
34 P.J.J.M. VAN WEES
|
||||||||||||
directe afstammelingen ging het beheersrecht
door overerving over op personen die door huwe- lijk met een afstammeling daartoe gerechtigd waren. Dit recht werd gezien als een heilige plicht, ingegeven door de aloude richtlijn voorde chris- ten: 'mensen gegeven is Gode geleend'. Bij de stichting bepaalden de fundateurs dat
na hun dood altijd de drie naaste- mannelijke- familieleden ('maghen') van Willem van Byler Jacobszoon het bestuur in handen moesten heb- ben. Als 'beloning' zou ieder bestuurslid een 'kwart' (= circai liter) goede wijn genieten.36 In het geval er geen geschikte of waardige opvolgers aanwezig waren, zouden de oudste burgemeester en de twee kerkmeesters van de Sint-Joriskerk uit de naaste familie een nieuw bestuurslid kiezen. Intussen moesten de drie genoemde bestuurders het bewind op zich nemen, voor welke dienst zij eveneens een kwart goede wijn per jaar zouden genieten. Van deze schenking met de voorwaar- den daarin vermeld, berustte één exemplaar zo mogelijk bij de oudste nazaat van Willem van Byler Jacobszoon, het tweede exemplaar bleef bewaard in de kamer van de kerkmeesters van de Sint-Joriskerk.37 Het is niet zó verwonderlijk, dat de stichters
aan de oudste burgemeester en kerkmeesters dachten. Diverse leden van de familie Van Byler bekleedden hoge functies zowel in het stadsbe- stuur als in het bestuur van de kerk en konden dus weten welke invloed deze functionarissen konden uitoefenen. Daarbij kwam het feit dat de stedelij- ke overheid ook zorg droeg voor het bestuur van liefdadigheidsinstellingen.38 |
In de jaren van de Opstand tegen de 'Heer der
Nederlanden', koning Philips II, bleef Amersfoort trouw aan de koning en aan de katholieke kerk. De stad weigerde in januari 1579 de Unie van Utrecht te ondertekenen, ook al behield iedereen volgens artikel XIII van de Unie vrijheid van religie.39 Enkele maanden later ging Amersfoort, belegerd door de troepen van graaf Jan van Nassau, broer van prins Willem van Oranje, overstag.40 Afge- vaardigden van de stad ondertekenden in juni de Unie van Utrecht; Amersfoort voegde zich bij de Opstand.41 Door de 'alteratie' kregen de protestanten de
macht, de stadsregering kwam in handen van 'die van de nieuwe, gereformeerde religie'. Zij heeft geprobeerd de liefdadigheidsinstellingen onder haar gezag te brengen en te laten besturen door gereformeerden. De Staten van de provincie Utrecht stonden in dit streven aan haar kant. De katholieken verzetten zich daartegen zo lang als mogelijk was. Een goed voorbeeld van dit verzet was de poging van de stadsregering het bestuur over het weeshuis in handen te krijgen: in 1583 mislukte deze. In 1586 slaagde zij er wél in het bur- gerweeshuis te reformeren. Voortaan mochten uitsluitend gereformeerde wezen opgenomen worden.42 Vanouds katholieke instellingen werden ver-
boden, bezit van en inkomsten uit typische katholieke instellingen als kloosters werden ont- eigend door de overheid en gebruikt om goede doelen te bekostigen zoals de opleiding van pre- dikanten.43 Bestuursfuncties in tot dan toe katho- lieke instellingen die na de Reformatie gehand- |
|||||||||||
36 Verhoeff, p. 110. N.B. aangenomen dat met dit 'kwart'
bedoeld zou zijn 'het kwartier', zijnde driekwart kroes (één kroes = 1,4 liter). 37 APA A nr. 143. 38 Dit kwam ook in andere steden voor; in het geval van het Burgerwees- huis te Harderwijk, zie Moorman van Kappen, p. 25.; in het geval van het weeshuis te Woerden, zie Vis, p. 32 (de vroedschap aldaar bezat de 'superintendentie'). 39 |
||||||||||||
Groenveld / Leeuwenberg, pp. 34-35. 40 Smit, 'De
Reformatie...', pp. 231 e.v.. 41 Groenveld /Leeuwenberg, p. 44. 42 Van Wees, pp. 31-36. 43 In Utrecht, zie Kunst (de titel van zijn boek is veelzeggend); in Woerden, zie Vis, p. 25; in Sneek, zie G. Bakker e.a., p. 7; zie ook Hiddema, p. 16 (verwijst naar soortgelijke gevallen in Delft, Amsterdam en Den Haag). |
||||||||||||
*
|
||||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LA ARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (1520-1950) 35
|
|||||||||||
haafd bleven, werden voortaan door gerefor-
meerden bekleed.44 De Bijlerfundatie geraakte na 1580 in een las-
tig parket. Eigenlijk zouden de administrateurs of regenten gereformeerd moeten zijn. Wat betreft het verrichten van liefdadigheidswerk echter zal het stadsbestuur niet moeilijk gedaan hebben. Er bestond namelijk tot het begin van dei7e eeuw geen algemene beurs waaruit de armenzorg gefinancierd werd. Pas in 1605 bepaalde het stads- bestuur dat alles wat door de godshuizen ten behoeve van de armen verdeeld werd in de Sint- Joriskerk, voortaan uit de beurs van de stad zou komen. De bedéling werd vanaf dat moment meer centraal geregeld.45 Het proces van 'altereren' verliep overigens
moeizaam, juist omdat veel ledenvan de stadsre- geringfamiliebanden hadden met hen die Rome trouw bleven.46 Bovendien was er onder veel men- sen een grote aarzeling om over te gaan naarde strenge calvinistische leer. Zij hielden zich liever neutraal.47 Na de Nationale Synode van Dordt in 1619 kreeg de gereformeerde religie meer aanhang in Amersfoort: de gemeente nam snel toe in aantal gelovigen.48 Toch werd de stad nooit geheel prote- stant: in 1798-toen de vrijheid van godsdienstuit- oefening een feit was geworden -was veertig pro- |
|||||||||||
cent van de bevolking nog katholiek; een kleiner
aantal volgde een andere protestantse richting zoals de lutherse gemeente dat deed.49 Vicarie of fundatie:
pogingen om de Bylerfundatie over te nemen 1660-1670 Exacte cijfers over de groei van het gereformeerde
deel van de stadsbevolking zijn niette geven; wel is zeker dat in de ve eeuw de gereformeerden niet de meerderheid vormden.50 Het lijkt er eerder op dat de oplaaiende 'papenhaat' in de jaren na 1651 een oorzaak was voor het handelen van stadsrege- ring en Staten. In dat jaar hadden de Staten -Generaal in Den Haag beslist dat de rooms- katholieke godsdienst met meer kracht bestreden moest worden. Dat was kennelijk nog altijd nodig, gelet op het grote aantal getrouwen aan Rome's leer.51 Ook de synode van Utrecht van 1651 besloot tot maatregelen tegen de macht van het paus- dom: de zogenaamde 'Kerkelike middelen tot weering des Pausdoms'. Deze moesten onder andere worden afgekondigd vanaf de kansel.52 De predikanten drongen meer dan eens bij de overheid aan om straffer op te treden tegen de 'pausgezinden', vaak tevergeefs.53 De gereformeerde kerk werd de publieke kerk
|
|||||||||||
reformatie...', p. 254: de gereformeerde bevolkingsgroep
in de stad bleef beneden de vijftig procent; volgens deze schrijver hielden gereformeerden, rooms-katholieken en andere protestantse groepen elkaar in evenwicht. 51 Frijhoff / Spies, p. 355: de gereformeerde kerk in 1651 als publieke kerk erkend; Broeyer, p. 37: het vasthouden aan de traditionele volkscultuur was een doorn in het oog van de gereformeerden. 52 HUA, Archief van het Provinciaal Kerkbestuur: vanaf 1652 moesten deze afgekondigd wor- den. 53 De visitatieverslagen van deputaten van de gere- formeerde classis bijvoorbeeld aan de kerkenraad en pre- dikant ten platte lande getuigen daar onverbloemd van, zie HUA, Archief classis Utrecht (visitatieverslagen). In de verslagen van de vergaderingen klaagden de predikan- ten met grote regelmaat over de openlijk anti-gerefor- meerde houding van de roomsen. |
|||||||||||
44 In Amersfoort werd het kapittel van de St. Joriskerk
gereformeerd, Hovy, pp. 65-66. Deze 'reformatie' vond ook bij de andere kapittels in de provincie Utrecht plaats. De kapittelheren en decaan of proost genoten grote inkomsten (zie bijvoorbeeld: HUA, Archief van het kapit- tel van Sint Jan). 45 AE, Archief van het Stadsbestuur nr. 1 nr. 19, rs, band 1604-1611, folio 34 verso, 5 augustus 1605: oprichting algemene 'borsse'. 46 In allerlei families kwam deze tweedeling voor: Van Westrhenen, Van Byler, en andere, zie Smit, p. 235. 47 Kaplan, p. 29; Duke, p. 231 (geen echte sympathie voor nieuwe religie); Smit, p. 247 (veel 'liefhebbers', geen echte lidmaten). 48 AE, Archief hervormde gemeente Amersfoort) nr. 73 (lidmatenboek 1622 -1672), groei met 40 lidmaten of meer per jaar in de eerste jaren na 1620. 49 Kistemaker, p. 18: eerste dienst in de lutherse kerk aan de Langestraat in 1686. 50 Smit, 'De |
|||||||||||
36 PJ.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||
hun oordeel sterke groei van de gereformeerde
kerken in de stad.59 De administrateurs hebben de visie van het
stadsbestuur kennelijk bestreden, althans het stadsbestuur zag voorlopig geen resultaat. Vier jaar later, in 1664, kwam de kwestie weer aan de orde. De stadsregering van Utrecht had de Staten van de provincie gevraagd om steun bij de verkrij- ging van de inkomsten uit de vicarieën. Zij kreeg toen het recht een derde deel (de 'tertie') van de vicariën op te eisen voor het onderhoud van de gereformeerde predikanten; de 'possesseur' behield tweederde van het inkomen. De bezitters van vicarieën moesten binnen drie maanden aan- gifte doen van hun inkomsten op straffe van de afdracht van het inkomen dat gedurende drie jaar uit hun vicarie verkregen was. Het Amersfoortse stadsbestuur volgde hierin
het voorbeeld van Utrecht en sommeerde de administrateurs van de godskamers in Sint Andriesstraat en Valkestraat, en van andere funda- ties hun inventaris binnen zes weken in te leveren op straffe van vijfentwintig gulden boete.60 Reeds in juni had de stadsregering de administrateurs onder wie mr. Codefroy van Meerveen van de Bylerfundatie, regenten en beheerders gemaand hun 'inventaris, staet ende reeckeninghe van de effecten ende Lasten' in te leveren. Zij gaven daar- aan echter geen gevolg, zodat burgemeesteren oud-burgemeester in april 1665 de opdracht kre- gen te onderzoeken hoe het stond met het opvol- gen van de resoluties van juni en novemben664. In de tweede helft van de jaren zestig nam de
spanning tussen rooms (paaps) en gereformeerd |
|||||||||||
en de tegenstelling tussen gereformeerden en
andere geloofsgroepen nam toe. Er ontstond een op de godsdienst gebaseerde verkokering van de samenleving.54 Zo mochten gereformeerde bur- gerwezen niet bij een 'roomse' baas werken en het was hen niet toegestaan om - na het verlaten van het huis-te trouwen met iemand van een ander geloof.55 Vanaf 1652 mochten in de raad van de stad
alleen de 'gequalificeerste rijkste, vreedzaamste ende verstandigste borgers, zijnde van de ware christelijke Gereformeerde religie' zitting heb- ben.56 De druk op de katholieken nam toe. Onder invloed van deze ontwikkelingen is het
niet onbegrijpelijk dat de stadsregering probeerde greep te krijgen op de Bylerfundatie. Volgens haar was de fundatie van de Van Bylers een 'vicarie', die ooit als zodanig gesticht was in de Sint-Joriskerk.57 Op de altaren in deze kerk waren sinds de late middeleeuwen veel vicarieën gesticht, elk met een inkomstenbron voor de 'vicaris' die als tegen- prestatie zielmissen las voor de stichter(es).58 Het is al eerder vermeld: een fundatie leek als particu- liere stichtingop een vicarie, maar was niet ver- bonden aan de kerk (een altaar) of een kerkelijk rechtspersoon. Door de gelijkenis, zeker wat betreft het vrome of liefdadige doel (Lat.'piafun- datio'), kan de magistraat gemeend hebben te kunnen en moeten handelen zoals gedaan in 1660. Toen besloot hij dat de inkomsten uit de Byler- fundatie net als die uit andere vicarieën ten goede zouden moeten komen aan de predikanten in de stad. De Staten van Utrecht hadden aan dit besluit hun goedkeuring gehecht mede gelet op de naar |
|||||||||||
54 L.V.H., p. 220; Frijhoff / Spies, p.355; Groenveld,
Huisgenoten', pp. 22-23. 55 Van Wees, p. 82. 56 Van Bemmel, deel 2, p. 648 (besluit van de raad 1652). 57 Of voor de studie van hun zoons (predikantenstudie); er was in het begin van de 18 eeuw onenigheid daarover tus- sen hoofdschout J. F. Teeckman en het bestuur van het Stadskinderhuis, zie AE, Archief Burgerweeshuis, nr. 488: vicarie op het Bruine Kruisaltaar. 58 AE, Archief |
kapittel St. Joris, vicarieën in de St. Joriskerk gevestigd.
Post, deel 1, pp. 321-323 (over vicarieën in het algemeen); Van Kan,'Opdat zij verlost worden...', pp. 42-43 (in Amersfoort). 59 Van Bemmel, deel 1, p. 157: Henricus Teeckman en Vincentius van Deurn waren als predikant benoemd. 60 AE, Archief van het Stadsbestuur, nr. 19, RS, 14 november 1664. |
||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LAARSFU N DAT1 E IN AMERSFOORT (152O-1950) 37
|
|||||||||||
m de stad toe. De ontevreden predikanten hebben
in zoverre hun zin gekregen dat het stadsbestuur actie ondernam om de plakkaten en ordonnanties van de Staten van Utrecht na te leven: iedere bezitter van een vicarie moest opening van zaken komen geven over de bezittingen van het vicarie. Ook Van Meen/een moest komen om dat te doen wat betreft de door hem geadministreerde vicarie van Coort Vlugh. Altijd hadden de katholieken de inkomsten uit deze vicarie bezeten, de laatste was priester Willem Vlugh.61 Hij heeft zich echter tegen de eis van het stadsbestuur zo lang mogelijk verzet.62 Intussen was de kwestie van de zogenaamde
vicarie van Byler gaan spelen. Deze 'vicarie' was gefundeerd door mr.Jacob van Bijier in hetSt.- Pietersgasthuis. Ter nagedachtenis aan hem heb- ben Rycktvan Byleren echtgenote Margriet in 1540 deze begiftigd met het huis naast de oude Munt en met geld.63 Hebben de schenkingen aan deze vica- rie, 'vanwege' Jacob gefundeerd, en het feit dat rond 1660 de fundatie nog altijd naar Jacob van Byler werd genoemd, ertoe geleid dat men in het stadhuis meende dat de fundatie een vicarie was? Tot dan toe was deze vicarie echter niet 'aange-
bracht' en een vicaris was niet bekend bij het stadsbestuur. In het najaar van 1669 ging de rent- meester van de tertiën van de vicarieën, C. J. R.oosterkerck, naar Leusbroek. Daar liet hij zich door iemand het land van de 'vicarie Rijck van Bijlart' aanwijzen. Enkele maanden later liet hij van het plakkaat ene vijftigtal afdrukken maken om bekendheid te geven aan de kwestie van de 'vica- rie'. De bedoeling daarvan is niet bekend, omdat zij niet bewaard gebleven zijn (n.b. het is opvallend dat toen over een vicarie gesproken werd). |
|||||||||||
Schepen Ryck Rutgerze van Noort wilde de
collatie van een vicarie op naam van zijn zoon Henrick gesteld zien door de Staten van Utrecht. Daarom verzocht hij Gedeputeerde Staten de vicarie van Rijck van Bijlert op naam van zijn zoon Henrick te brengen opdat deze zijn theologische studie kon volbrengen. Hij verwees hierbij naarde resolutie van de Staten uit 1666 over de vicarieën en de goederen daartoe behorende, die voor het onderhoud van de predikantenstand (en aan- staande predikanten) moesten gaan dienen.64 Inderdaad ontving administrateur van Meer-
veen op 5 februari 1670 van de rentmeester van de tertiën van de vicarieën schriftelijk opdracht om zijn stukken te overleggen. In reactie daarop vroeg Van Meerveen het stadsbestuur om steun. Nu hij van de Staten opdracht had gekregen bewijsstuk- ken in te leveren, zou hij hoge kosten moeten maken. Het was volgens hem toch ook in het stad- huis bekend dat hij al vele jaren de functie van 'distributor' (hier bedoeld als beheerder, vW) bekleedde van goederen 'uit krachte van een fun- datie van Bijiers', de voorouders van zijn echtge- note. Deze fundatie was gesticht ten behoeve van de armen in de stad, de uitdrukkelijke voorwaarde die de fundateurs gesteld hadden, was duidelijk (zie paragraaf 1). Nu eisten de predikanten echter de tertiën van de vicarieën op, op basis van de resolutie van het stadsbestuur de dato 5 decem- ben664. Ook bij de Staten hadden de predikan- ten deze tertiën reeds opgeëist. Hij vroeg nu de stadsregering te kiezen voor de fundatie, zodat het geld van de fundatie als vanouds zou kunnen worden besteed aan de armen in de stad. Terwijl dus Van Meerveen ervan overtuigd
was dat de voorouders van zijn vrouw een funda- |
|||||||||||
61 Heer Jacob Vlugh is genoemd in AE, Archief van het
Stadsbestuur, nr. 7, RS, 1535. Zie ook Van Kan, 'Opdat zij verlost mogen worden...', p. 54. 62 AE, Archief van het Stadsbestuur, nr. 33, RS, 31 augustus, 7 september en de politie van 14 september 1668 (inkomsten uit landpacht |
en rente van obligaties). 63 AE, Rechterlijk Archief nr.
436-3, band 1540-1551: in het jaar 1540 zijn deze schen- kingen gedaan. 64 HUA, AS,' prothocolle van de Resolutien genomen bij Gedeputeerde Staten' 11 januari 1670. |
||||||||||
38 P.JJ.M. VAN WEES
|
|||||||||||||||
tie hadden opgericht, waren de rentmeester van
de tertiën en de predikanten van mening dat de fundatie van Van Bylereen uicarie was. De domi- nees zijn naar Utrecht gegaan, wat blijkt uit het rekeningenboek van de rentmeester van de ter- tiën, Roosterkerck. Laatstgenoemde had in Utrecht op 16 en 17 december 1669 Van Meerveen 'geciteerd': er zou een proces tegen hem aanhan- gig worden gemaakt. Op 17 januari 1670 was Roosterkerck samen met twee predikanten opnieuw naar Utrecht gereisd om met de advo- caat te overleggen over een memorie voor de Staten inzake de vicarie gefundeerd door'Jacob van Bijlert'. Een kleine maand later ging Rooster- kerck wederom naar Utrecht in verband met de |
dikant. Ook in het resolutieboek van het stadsbe-
stuur is geen opmerking te vinden over de 'vicarie' van Byler. 4 Nazaten en aanverwanten van
het geslacht Van Byler oefenen het beheer uit, tot 1801 Al vóór hetjaanöoo was er geen katholieke man-
nelijke Van Byler meer voorhanden om het bewind over de godskamers te voeren.67 In 1592 was Gheraert van Schadijck'beveelhebber'van de fundatie. Deze functie bekleedde hij in 1629 nog altijd.68 Gheraert en mr. Peter van Schadijck waren in die jaren administrateurs van defundatie.69 In 1644 deed Peter van Schadijck het samen met mr. Godefroy van Meerveen.70 In 1658 waren Van Meerveen en Everard van Schadijck-de laatste namens zijn vader Peter-administrateur.71 Tussen de geslachten Van Westr(h)enen, Van
Schadijck, Van Li(e)laer, Van Dashorst en Van Meerveen bestonden in de loop van deve eeuw huwelijksbanden. In 1609 was Dirck van West- rhenen getrouwd met Margaretha van Schadijck. Willem van Lilaer, weduwnaar van Elisabeth van Westrhenen, hertrouwde met Emma van Das- horst. Mr. Godefroy (Godfried) van Meerveen was in 1634 gehuwd met Henrica van Dashorst. Deze beheerde namens zijn vrouw de Bylerfundatie.72 Hij was familie van mr. Peter van Schadijck en voerde mede uit naam van Johan van Westrhenen de administratie van de vicarie van Goort Vlugh.73 De families Van Westrhenen en Van Meerveen waren door huwelijken verknoopt met elkaar74 én |
||||||||||||||
65
|
|||||||||||||||
op te stellen memorie
|
|||||||||||||||
Gedeputeerde Staten bogen zich op 17 febru-
ari over de kwestie van de vicarieën. Op verzoek van Gerrit Gijsbertsz., ontvanger van de tertiën te Amersfoort, werd gedaagde Van Meerveen gelast binnen veertien dagen de stukken die hij onder zijn berusting had, te overleggen.66 Zo hij dat niet deed, zou recht gesproken worden op basis van wat dan bij dit college aan stukken aanwezig was. Hoewel de afloop van het geschil tussen ener-
zijds stadsbestuur, rentmeester en collecteur van de tertiën en anderzijds de fundatieadministra- teur niet is overgeleverd, kan op grond van de archiefstukken die in het bezit van de Bijlaars- fundatie zijn, worden vastgesteld dat het bestuur katholiek bleef en de inkomsten uiteindelijk volle- dig ten goede kwamen aan katholieke armen en niet aan de opleiding tot of onderhoud van de pre- |
|||||||||||||||
72 Ib.; AE, AVN, AToo8aooi, 31 juli 1648, G. van
Meerveen onder huwelijkse voorwaarden op 15 januari 1634 gehuwd met Henrica van Dashorst,: Ib., AT002aooi (1609): Dyrick van Westrhenen en Margaretha van Schadyck echtgenoten) en Ib. ATOo8aooi, 16 februari 1651 en 25 februari 1660: Marten Meyster en Aletta van Westrhenen echtgenoten. 73 AE, Archief van het Stads- bestuur, nr. 35, RS,4 oktober 1669. 74 Smit, Desamen- stelling van..., pp. 101 en 121. Ib., p. 78: Van Dashorst ver- bonden met Van Lielaer. |
|||||||||||||||
65 Op 3 en 4 februari 1670. 66 Deze Gerrit Gijsbertsz.
werd als ontvanger van de tertiën ook in 1668 betrokken bij de kwestie van de vicarie Vlugh, zie AE Archief van het Stadsbestuur, nr. 33, RS, 14 september 1668. 67 Zie voor de genealogie Van Byler De Nederlandsche Leeuw, maandblad van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Geslacht en Wapenkunde (1945 -1946), nr. 12 (december). N.B. het geslacht van Byler werd protestant, zie Smit, 'Desamenstelling...', pp.49 e.v.. 68 apaa nrs. 145 en 146. 69 Ib., nr.147. 70 Ib., nr. 145. 71 Ib., nr. 148. |
|||||||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LAARSFUN DATI E IN AMERSFOORT (1520-1950) 39
|
||||||||||||||||||||||||
J—A — 4-
-B- -,40
I tg— 1----«6 — .
- -D-■- --K- — < - i(f
— E- - —3 i — > — J.f
2
- — ,,4 rj
|
||||||||||||||||||||||||
C
|
||||||||||||||||||||||||
E , = >>-
|
||||||||||||||||||||||||
-*a \
|
||||||||||||||||||||||||
C.M -. <>■ • "$'. - -
A-B-C-
|
||||||||||||||||||||||||
^Sgr *
|
||||||||||||||||||||||||
Kaart van J. van Diepenem, circa 1655
(Archief Eemland, kaart K 043 (Leusden) inv. K17-6). |
||||||||||||||||||||||||
Meerveen namelijk trouwde in 1671 met jonker
Jacob Jordaan van Westrhenen.77 Zij kregen vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Alle vier stierven kinderloos.78 Jonker Jordaan Gerard van Westrhenen erfde na het overlijden van Jacob Jordaan in 1711, het recht om de fundatie te bestu- ren.79 Hij was generaal-majoor in het Staatse leger en groot-majoor van de stad Venlo geweest. |
||||||||||||||||||||||||
met de familie van Everard Meyster, de bekende
'Dolle Jonker'die de kei naarde stad liet trek- ken.75 Ceertruyd, de zuster van Everard Meyster, was getrouwd met Cornelis de Rout (Derout), heer van Canswijk in het Land van Altena; een neef van haarjacob Hiacint Dierhout, zou de rechten op het beheer van de fundatie erven.76 Dochter Hadewij (Hadewich Maria) van |
||||||||||||||||||||||||
75 Zie Diane Hamer en Wim Meidenkamp, De Dolle
Jonker, leven en werken van Everard Meyster (ca. 1617- i6yg), Amersfortia reeks deel 5. 76 Ganswijk: heerlijk- heid, groot ruim 139 bunder, zie Van der Aa, 4 deel, p.433; HUA,NSU,U8iai-i86/i87: akte van 26 december 1676 en Ui39a3, akte nr. 90 van 31 december 1710. 77 ae, |
||||||||||||||||||||||||
DTE, Dopen R.K. Kromme Elleboog, band 1690-1709:
potloodaantekening op schutblad voorin. 78 APA A, nr. 148; onder wie Wendelina Theresia in 1685 (GAA, dtb, Dopen R.K. Kromme Elleboog, band 1680-1692:19 juli 1685. 79 AE, DTB, Overlijden R. K. Kromme Elleboog, band 1709-1805, septemberp) 1711. |
||||||||||||||||||||||||
________ ..
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.____
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Kaart waarop in-
getekend de eigen- dommen van de Bijlaarsfundatie aan Breestraat, Valkestraat en Sint Andriesstraat. ■ = Bezit van de
Bijlaarsfunctie in de stad |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
------------——
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\ y
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
_U jlStf £?i£MJ [ ......-
•X\\t■*$'$% ?f'#4-ï-fV-i^iï*
—■ _ \ ervaa rditjtl rloor Z.
I.VAN VOOREN en'p. WAGEMAKtR,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
//„„v/.„„/
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
7
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
l,-,. ! f ■■ >:
Hooibfffj |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■V<s.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'"■>'"».....V7
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
y
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
- \
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■
B . B.,,..(P1
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I
-j
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
;
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.y:;„
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Kaart waarop in-
getekend de eigen- dommen van de Bijlaarsfundatie aan Breestraat, Valkestraat en Sint Andriesstraat. ■ = Bezit van de
Bijlaarsfunctie in de stad |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
R?**"»*'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
,„>:«.«<»""' *
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'""■■'■■"■■>.....V7
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
m B......'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■ 'M ■/, ■
V <<......«¥..... J
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
y
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
J;> >■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
U'KXIIAIU; GEBOUWEN, ENZ.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 /tXi.;i,:,„t>/.i.:.
■■■".■; . ■ . ■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
tl.-H.Uc ■ ■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■ 1-y.-'..■,,■/,■,■„,,-,■./, j;,+
u ■ ■ .... [ ..........I>
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
s f
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
<y
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■/'.■■■/ (/ /,'„„■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■ ■
■
i /v,:r/:.,„.,,../„./.■;,
■n*liti„l,,,,i,,..l
,■■/.,/,,./,.../
.;....../.'.,■/,.,,„„ a..„.„
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■ ■ ■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jl
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
:/
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
r«//-:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
-> Y"/;/ /
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
t'i, ***>-»<
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
\ '......f.~"
|
=t,t>--
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
B.' ƒ.....•-"
/ i oi...f..'... ..n.vw.i> .1.10
il ■'■■■ - E ...........
r'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
11
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
;
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
Kaart van Dirk van Groenouw van de
landerijen in Leusbroek (Archief Eemland, Archief Armen de Poth K nr. 113) |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
Kaart van Dirk van Groenouw
(detail) |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
'Ytfaóntó» V.iii L-O^.ooCY^-iinitiyji- At nuf»/ (féuïxitu r V
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
Armenwoningen van de fundatie, in de Sint Andries-
straat, gebouwd in 1872 in de plaats van de oorspron- kelijke armenkamers. Gesloopt in 1971 (fotograaf: Th. Hendriksen; Archief Eemland nr. 04759). |
||||||||||||
van de grondeigenaren, zodat de gedupeerden in
1748 de Staten van Utrecht verzochten om vrijstel- lingvan betaling van de ongelden ^grondbelas- ting) op hun 'vergraven' landerijen. Jordaan Gerard van Westrhenen was een van de onderte- kenaars.82^ later tijden werd over dit tracé het Valleikanaal gegraven.83 Na het overlijden van Jordaan Gerard Van
Westrhenen in 1751 ging dit recht over op jonkheer Jacob Hiacint Dierhout-de eerdergenoemde verre verwant - en zijn zusters.84 Het ging om het beheer over de elf huisjes in de Sint Andriesstraat. |
||||||||||||
Samen met zijn knecht Leendert de Heer en zijn
dienstbode woonde hij in een huis op het Havik.80 Dat hij de fundatie beheerde blijkt uit het feit dat hij genoemd wordt op een kaart uit circa 1745, toen het'retranchement'werd gegraven. Dit was een verdedigingslinie, die op last van de Raad van State in de jaren 1745-1746 werd aangelegd. Deze zogeheten 'Crebbelinie'-zich uitstrekkend van R-henen door de Gelderse Vallei tot de toenmalige Zuiderzee- liep ook over een stukje van de Engh van het land van de fundatie in Leusbroek.81 De aanleg leidde tot schade aan land en hofsteden |
||||||||||||
handtekening). 83 AE, Archief van St. Pieters- en Blok-
lands Gasthuis, K 21-8. 84 AE, DTB, Grafregister St. Joris, band 1748-1759:1 april 1751; HUA, NSU,Ui66a28-72,akte van 25 mei 1751 (zie ook Van Rootselaar, deel 2, p. 393). |
||||||||||||
80 Liberale Gift 1/4/ (coll. ae). 81 Deze liniedijk liep van
de Slaperdijk naar de Eemdijk. 82 HUA, AS, nr. 598: memorie van ongelden 1747 -1752 (ook de weduwe van Aloysius van Muijlwijk, Aleyda van Lilaer, zette haar |
||||||||||||
/I/l P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||||||
1'IU'VIM !i I TliKni [ .
|
|||||||||||||||
GKMKK.VTK Wol'HKXllEU)
|
|||||||||||||||
Gemeentekaartvan Kuyper van Woudenberg,
1865, met de Grebbelinie ingetekend (Museum Flehite). |
|||||||||||||||
enige stukken land,86 bij notariële akte het
bewind over al deze 'godskamers' aan Aleyda van Li(e)laer in Amersfoort, weduwe van jonkheer Aloysius van Muijlwijk. Hij vond zich namelijk niet zoals hij zelf zei, de juiste persoon om de godska- mers te besturen.8? Dierhoutwas ongetrouwd gebleven, had een reeds gevorderde leeftijd bereikten woonde in Utrecht.88 Aleyda (Alida) van Lilaer was kind van een vermogende, katholie- |
|||||||||||||||
Bovendien verkreeg hij bij testament nog elf ande-
re kamers of huisjes onder zijn bewind: acht in de Valkestraat, twee in de Breestraat en één in de Coninckstraat. Op deze laatste na waren alle hui- zen altijd 'bewaard' in de familie en werden de inkomsten daaruit aangewend voor armen.85 Op 22 januari 1759 schonk jonkheer Dierhout
die in Amersfoort onder andere in de Kromme- straat een huis bezat en in de vrijheid van de stad |
|||||||||||||||
85 ae, Archief van het Stadsbestuur, nrs. 1-9 RS, 1436-
1544. De familie Van Westrhenen was in de 16 eeuw zeer belangrijk in de stad; diverse leden van deze familie bekleedden posities in het stadsbestuur: schepen, raad, weesmeester of burgemeester, en in diverse godshuizen (bv. het Burgerweeshuis, zie Van Wees, Burgerweeshuis, pp. 11 en 20). Zie de namenlijsten opgenomen in Van Bemmel, deel 2. Na de reformatie van Amersfoort verloor de familie veel aan invloed in de stedelijke samenleving, |
|||||||||||||||
doordat zij katholiek bleef. 86 Melchior, p. 38 (aan de
Vijverzijde); bovendien een perceel aan de 'Soesderweg', Melchior, p. 96; hua, nsu, U184327, 203-1 en 203-2 (verkocht in 1766). 87 apaa nr. 149; zie ook hua, nsu, 1)184324-8 akte van 22 januari 1759. 88 HUA, DTB, Utrecht nr. 1236-9, begraafboek 1760-1769: op 1 december 1768 was Dierhout, 'bejaarde vrijer', overleden (in de Buurkerk begraven). |
|||||||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LAARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (152O-I950) AC
|
|||||||||||
ke familie, die al vele generaties in Amersfoort
woonde. Ze werd in 1694 gedoopt in de Elleboog- kerk.^ Volgens de 'Blaffert' (= het haardsteden- of huisgeldregister) bezaten de Van Lilaers in 1755 zesendertig percelen in de stad. Een flink aantal gelet op het totaal van 618 particuliere percelen in de stad.9° De familie heeft de katholieke gemeen- schap, behorend tot de 'statie' van Sint Franciscus Xaverius met haar kerkgebouw op 't Zand, ge- holpen onder andere door de aankoop van de grond waarop deze kerk gebouwd werd.91 Aloy- sius, ook uit Amersfoortse ouders en gedoopt in de Elleboogkerk in 1688,92 trouwde met haar in 1723 in de kerk op 't Zand; zij kregen twee doch- ters en een zoon: Wilhelmus Franciscus.93 Dierhout wist dat hij geen nageslacht had en
liet in de akte opnemen dat het recht tot beheer van de fundatie met eenentwintig'godskamers' overging op de familie van Aloysius van Muijl- wijck: 'bij een van de familie successive waar- genomen, geregeert en geadministreert te wor- den; met gelijke macht van substitutie en transla- tie aan een ander familie, soo sij sulcx om reedene bij vervolgvan tijden nodig, off dienstig soude moge oordelen'.94 Hij schonk weduwe Aleyda van Lielaer in 1759 bovendien duizend gulden om de tweede groep van elf huisjes (kamers) die nauwe- lijks eigen financiële middelen hadden, te onder- houden.95 In dat jaar verkocht hij aan haar een hofje met steeg in de Horseweide in het land bui- |
|||||||||||
ten de Bloemendaalse Poort voor honderd en vijf-
tig gulden. Hij verkocht het met de bedoeling dat het ten goede zou komen aan de godskamers van de fundatie. In feite was het een 'schenking' door Dierhout aan de fundatie.96 De laatste administrateur van de fundatie vóór
het moment waarop deze fundatie overging in handen van de 'Armenzorg' van de twee Amers- foortse staties, was de zoon van Aleyda, jonkheer mr. Willem Frans van der Merwede van Muijl- wijck, dijkgraaf van Bunschoter Veen-en Velden- dijk.97 Een zeer vermogend man die naast het werk voor de fundatie ook 'mede-directeur en bezorger'van de armen was in de statie van St. Franciscus Xaverius. Toen hij ouder werd besefte hij - een man zonder nageslacht - dat er voor de fundatie na zijn overlijden niemand uit de naaste familie beschikbaar was om deze te beheren. In 1790 liet hij zijn uiterste wil opmaken, waar-
in hij de armbezorgers van de statie aanwees om de fundatie te beheren met alle goederen, gelden en effecten die daartoe behoorden. Pastoor J. H. Berentzen van de kerk op 't Zand bedeelde hij met de kapitale som van vierduizend gulden ten be- hoeve van de armen in zijn statie, mits de arm be- zorgers voortaan zijn fundatie zouden beheren.98 De fundatie zelf zou na zijn overlijden een legaat van duizend gulden ontvangen.99 Twee jaar voor zijn overlijden in decemberi8oo was het beheer van de fundatie daadwerkelijk overgegaan in de |
|||||||||||
'waterlinie' in de jaren 1745-1746. (hua, as, nr 598,
memorie van ongelden 1746-1752). 95 Ib., nr. 150, charter uit 1759. 961b., nr. 149; zie ook hua, NSU, U184324-35, akte van 2 april 1759. 97 hua, nsu, Ui84a3i, akte nr. 154, 5 oktober 1776. 98 Als tweede voorwaarde verlangde Van der Merwede van Muijlwijck dat eeuwig vier keer per jaar een plechtige gedachtenismis zou worden gelezen voor hem; de pastoor kreeg per keer een gouden ducaat of vijf gulden en vijf stuivers. 99 AE, AVN, AT042ao22, akte nr. 2550, d.d. 5 november 1790; N.B. zijn twee zussen waren al overleden, de neven en nichten kregen de rest van de erfenis, Oettinger en J. J. de Heer werden door de testateur benoemd tot executeurs / beredderaars. |
|||||||||||
89 AE, dtb, Dopen R. K. Kromme Elleboog, band 1690-
1709,19 januari 1694. 90 Melchior, Blaffert (haardsteden- register) van 1755. 91 AE, Archief r.k. parochie van Sint Franciscus Xaverius, inv. nr.11. 92 AE, DTB, Dopen R. K. Kromme Elleboog, band 1680-1692,1 juni 1688. 93 AE, DTB, Huwelijken R.K. 't Zand, november 1723; Dopen R. K. 't Zand, 6 maart 1732 (Wilhelmus Franciscus, vernoemd naar zijn grootvader van vaders kant). De twee zusters, Angela Maria en Anna Gerarda Maria huwden en woon- den elders. 94APAA nr. 149; n.b. Aleyda van Lilaar was kennelijk al werkzaam voor de fundatie gelet op haar bemoeienis bij de afhandeling van de schade aan de boer- derij in Leusbroek die ontstaan was bij de aanleg van de |
|||||||||||
46 P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||||
tekenboek wat betreft de huisvesting bewaard
gebleven, maar het is aannemelijk dat het ge- voerde beleid niet zal hebben afgeweken van de handelwijze van de administrateur van de funda- tie zoals opgetekend in het oudst bewaarde boek dat in 1759 werd begonnen. Ook ontbreken over de eeuwen vanaf de stichting van de fundatie tot halverwege de 18e eeuw gegevens over hoeveel armen-en van welk geslacht, status of leeftijd - geholpen werden.103 De armen 'omme die minnen van godt' dus
gratis onderdak verschaffen in de huisjes of gods- kamers leek in eerste instantie geen kostbare zaak voor het bestuur. Wie nog gezond was kon probe- ren in de stad wat geld te verdienen en wie door vast werk in betere doen kwam, diende te vertrek- ken. Ook kon het zijn dat een weduwe bij een vol- wassen geworden kind dat elders was gaan wer- ken en wonen, introk. Er zullen zich altijd nieuwe gegadigden voor hulp gemeld hebben, want zelfs in de Gouden Eeuw was het voor velen allerminst een vetpot.104 De administrateurs letten er daarom ook op
dat de hof en boomgaard vooral voor de eigen armen bestemd bleef. Toen in 1596 de wal van de stadsmuur bij de Sint Andriespoort was ingestort en daardoor de muur van planken was omgegaan, vroeg'beveelhebber'Cheraert van Schadijck (Schadick) de stadsregering om spoedig herstel, want wie dat wilde kon vrijelijk in de boomgaard zijn slagslaan. Het heeft enige jaren geduurd voordat het herstelwerk aan de stadswal kon beginnen. Al die tijd leed de fundatie schade: tot negen a tien gulden per jaar. Het klagen over de |
|||||||||||||
handen van de 'bezorgers van de armen' van de
twee staties in de stad die van O.L.Vrouw ten Hemelopneming ('de Elleboog') en van Sint Franciscus Xaverius ('t Zand'), onder de naam 'Roomsen Katholiek Parochiaal Armbestuur tot Amersfoort'. In 1801 droegen deze bezorgers alle papieren, saldo en obligaties over aan F. C. C. Oettinger, een aangetrouwde neef van de er- flater.100 Namens het armbestuur beheerde hij de Bijlaarsfundatie toti822. Zo eindigde de fundatie als zelfstandige liefdadigheidsinstelling, midden in een tijd waarin de armoede toenam en bunde- lingvan krachten in de zorg voor armen hard nodig was.101 Tenslotte: tussen de besturen van de katholiek
gebleven liefdadigheidsinstellingen St. Elisabeths gast- of ziekenhuis en de Van Byler-fundatie heb- ben de eeuwen door banden bestaan. Ook al ondertekende de stadsregering vanaf 1668 de jaar- lijkse rekening van het gasthuis, het bestuur en een deel van het personeel bleven katholiek. In het bestuur van het gasthuis en in de administra- tie van de Van Bylerfundatie kwamen meer dan eens dezelfde personen voor: in 1610 mr. Peter van Schadijck, in 1650 mr. Codefroy van Meerveen, in 1731 jhr. Aloysius van Muijlwijck, in 1806 F. C. C. Oettinger. In 1821 M. A. van Crimpen en in 1856 M. ten Brink. De 'generale moeders' van het gasthuis Henrica van Dashorst (1649-1652), Aleyda van Lilaeren de echtgenote van Oettinger (na 1800) waren ookactief in het bestuurvan de fundatie.102 Een onderdak voor de armen
Helaas is over de eeuwen vóór 1759 geen aan-
|
|||||||||||||
100 APAA.nr. 120: aantekening van 17 maart 1S01 (de exe-
cuteurs van de boedel van wijlen jonkheer Van Muijlwijk hadden deze overhandigd aan de armbezorgers). 101 Ib., nr. 153; N.B. in het tijdvak 1775 tot 1813 nam de armoede toe en met name na 1806 daalden de inkomsten uit renten op in obligaties bij provincies en staat belegd geld (door de tiercering), zie resp. Noordegraaf, in AGN deel 10, pp. |
373 _ 377. Griffith, in AGN deel 10, p. 235 en Buist, in AGN
deel 10, 293. 102 Van Beurden, p. 94 (lijst van regenten) en pp. 98-103 (lijst van 'generale moeders'). 103APAA nr. 120: aantekenboek in 1759 begonnen door Aleyda van Lielaer. N. B. af en toe tekent zij op dat een bewoner reeds voor dat jaar woonachtig was in een van de huisjes. 104 Van Deursen, pp.73-83 (onder de titel 'eerlijke armoede'). |
||||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LA ARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (1520-1950) 47
|
|||||||||||
geleden schade had resultaat: erwerd een flinke
schadevergoeding betaald.I0s Armoede heerste er vaak als gevolg van ziek-
ten, ouderdom of gebrek aan werk. Dan hielp elke geloofsgroep zo goed mogelijk haar eigen armen. De stedelijke overheid probeerde eveneens hulp te bieden. In 1605 werd de reeds genoemde 'alge- mene beurs'voor armenzorg ingesteld en in 1637 de 'Armen Noothulp' (zie paragraaf 2). In Amers- foort heerste af en toe grote economische malai- se, met name in de jaren vijftig van de ve eeuw toen door oorlog de import van graan terugviel en o.a. de prijzen van volksvoedsel (rogge en weit) sterk stegen; in de jaren van de bezetting door de Fransen (1672-1673) kwamen grote schaarste en armoede voor in de stad.106 Eenzelfde ontwikke- ling in een periode van malaise en ziekten is te zien in de geschiedenis van het Burgerweeshuis, het Stadskinderhuis en het St. Elisabeth's gast- of ziekenhuis.107 De misère in de landbouw duurde overigens
tot halverwege dei8e eeuw al waren eraf en toe korte perioden van opleving.108 De steeds weer opduikende runderpest zorgde voor armoede en verscherpte de tegenstellingen tussen arm en rijk. De veetelers hadden door de ziekte onder het vee minder inkomsten en konden slechts met moeite de pacht opbrengen. In de rekeningenboeken van |
|||||||||||
Amersfoortse liefdadige instellingen zoals de
Armen de Poth, het St. Elisabeth's gast- of zieken- huis en het Burgerweeshuis noteerden de pen- ningmeesters flinke bedragen aan nog te innen pachten.109 Dat geldt bijvoorbeeld voor de jaren 1748-1755 en voorde jaren aan het einde van de i8e eeuw."° Ook kwam het voor dat de pacht ver- laagd werd in verband met de problemen waar- mee de boeren te kampen hadden.1" De inkom- sten uit de verpachting van het landbezit van de fundatie halveerden in de jaren 1798-1811."2 In hetzelfde tijdvak stegen de prijzen van het voedsel waardoor de minder bedeelden in de stad het extra moeilijk kregen. Als gevolg van de Napo- leontische oorlogen (1806-1813) werden de eer- ste levensbehoeften snel duurder."3 De fundatiehuisjes
De huisjes bezaten één of twee bedsteden en som-
mige hadden een 'achteruit'waardoor er wat meer comfort voor de bewoners aanwezig was. Katho- lieke armen werden hierin onderdak gebracht: een gezin, weduwvrouwen met enkele kinderen of alleenstaande mannen en vrouwen. Dat het om armen ging, blijkt onder andere uit het feit dat bij het innen van de 'Liberale Gift' in 1747, die neer- kwam op een extra belasting in verband met de toen uitgebroken oorlog met Frankrijk, genoteerd |
|||||||||||
(de situatie voor de tabakstelers was niet gunstig in de
jaren na 1740). 107 ae, Archief Burgerweeshuis inv. nr. 282 (Stadskinderhuis), novemberp) 1800: 'grote aanwas van kinderen en grote financiëele nood'; Van Beurden, pp. 70-71: in 1812-1813 teerde het huis financieel in. 108 Bieleman, pp. 23 en 103 e.v. spreekt over een eeuw van depressie en contractie (1650 -1750). 109 Ibidem, pp. 116-119; Van Beurden, p. 64-66; AE, Archief Armen de Poth inv. nr. 439 en 440 (rekeningen 1744 -1752: de inkomsten uit de verpachting daalden aanzienlijk!). 110 ae, Archief Armen de Poth, inv. nr.445 met name de jaren 1794 tot 1800. 111 Bieleman, p.114; Van der Wee / Van Cauwenberghe, p. 18; voor Woudenberg, zie Blekkenhorst e.a., p. 50. 112 N.B. van de jaren voordien bezitten wij geen financiële gegevens. |
|||||||||||
105 apaa, nr. 145: correspondentie uit de jaren 1576-
1599. De schadevergoeding bedroeg 550 gulden, (n.b. in het jaar 159 5 was er veel stormschade aan de stadsmuren en Slijkpoort ontstaan, zie Van Bemmel, deel 2, p. 941; anderzijds was al in 1591 een verbreding van de stadswal- len en het herstel van de Sint Andriespoort begonnen, zie Halbertsma, p. 107). Over de' Rhynvloet' van 5 maart 1595 en de gevolgen, zie Boerwinkel, Cronyk van Sint Aagten Cnovent, p.42. 106 In ieder geval in de jaren van oorlog, bezetting en economische teruggang, in bijvoor- beeld de jaren 1629,1655 -1660,1672 -1674 (het Rampjaar met zijn nasleep); in de 18 eeuw bijvoorbeeld de perio- den van runderpest (1716-1719,1740-1744, jaren zestig) en de malaise in de tabaksteelt. Zie: Van Wees, pp. 106 -111 en pp. 116 -119. Zie ook Roessingh, passim; Herks, p. 141 |
|||||||||||
48 P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||
aantal stierf op hoge leeftijd."7 Behalve de reeds
genoemde voorbeelden, is er het geval van Willem Burghout die in 1793 met zijn dochter het zevende huisje aan de Sint Andriesstraat mocht betrekken. Na zijn dood in 1817 bleef de dochter er wonen maar kreeg inwoning van een weduwe met vier kinderen. In het vierde fundatiehuisje vanaf de Sint Andriespoort woonde vani744tot haar dood in 1771 de weduwe Bust. In een huisje in de Valkestraat'naar het steegje van de Kortegracht' woonde van 1765 toti8oi een en dezelfde wedu- we. Feitelijk deden diverse huisjes dienst als bejaardenwoning. Het financieel beheer
De kosten die gemoeid waren met het onderhoud
van de fundatiehuisjes kon de administrateur bestrijden uit de inkomsten uitgiften, verhuur, pachten renten. Het betrof de verhuur van het huis in de Coninckstraat en de pachtsom van de boerderij in Leusbroek en de hof achter de huisjes in de Sint Andriesstraat. In 1769 kreeg de stad deze hof voor twaalf gulden per jaar in erfpacht. Anthony van Brinckesteijn sloot toen als kameraar (=gemeenteontvanger) de overeenkomst."8 Achter deze zelfde huisjes lag nog een stukje land dat ook verhuurd werd. Het werd gebruikt voorde teelt van tabaksplanten, een gewas dat in de i8e eeuw in en om Amersfoort nog veel aangeplant werd "9 Een exact beeld van de bezittingen uit de tijd
vóór 1759 bezitten wij echter niet door gebrek aan gegevens. Eén archiefstuk toont aan dat in 1625 een stukgrond is verkocht. In 1625 betaalden jonker Jacob van Zuylen van Nyevelt, heer van Hoeve- laken, en zijn vrouw Sophia van Rhenes van der Aa |
|||||||||||
is dat juist bij de bewoners van deze armenhuisjes
niets te halen was."4 Over deze huisjes was geen haardstedegeld verschuldigd,-zij behoorden tot een liefdadigheidsinstelling."5 Ook andere liefda- digheidsinstellingen genoten in die tijd vrijdom van provinciale 'ongelden'."6 Het huisje in de Sint Andriesstraat direct bij
de Sint Andriespoort werd vanaf 1762. bewoond door het echtpaar Berent Buse. Na de dood van Berent bleef zijn weduwe daar wonen tot haar overlijden in 1794. Het huisje daarnaast werd vanaf 1757 bewoond door een weduwe met drie kinde- ren. Pas in 1786 kwam er een nieuwe bewoner, Arent Hoppesteijn, die in 1794 overleed. In het derde huisje woonde al voor 1758 leden van de familie Stal; de laatste, een weduwvrouw, ging in 1796 naar het Gasthuis. In het vierde huis in dezelf- de straat woonden vanaf 1744 tot in de eerste jaren van de ige eeuw enkel vrouwen, geen familie van elkaar. Een paar maal ging het om een weduw- vrouw met kinderen. Een enkele keer betrof het een jongere vrouw die overgeplaatst was vanuit een anderfundatiehuisje om op een oudere vrouw te passen. Anderzijds was het niet de bedoeling onnodig
lang in een van de huisjes te blijven wonen. De administrateur liet, in het geval een man of vrouw door de dood de partner verloor-én indien dat mogelijk was- hem of haar vertrekken naar een zoon of dochter. Ook gingen sommigen uit zich- zelf weer weg. In een enkel geval haalde een kind zijn ouder uit een fundatiehuisje om deze in huis op te nemen. Een paar keer bedankten bewoners na een paar jaar voor langer verblijf en trokken uit. Het is anderzijds opvallend hoeveel personen
tot aan hun dood in de huisjes bleven wonen; een |
|||||||||||
113 Noordegraaf, in AGN deel 10, pp.379-380; Van Wees,
p. 134. 114 AE, Liberale Gift 1747 (in later handschrift geraadpleegd). 115 Melchior, Blqffert, passim. 116 Van Wees, pp. 119-120 geeft diverse voorbeelden van deze steunverlening door de provincie. Ook de stedelijke over- heid kon op deze wijze steun verlenen aan godshuizen. |
|||||||||||
117 AE, DTB, overlijden R.K. 't Zand en R. K. Kromme
Elleboog. 118 apa A, nri52; deze Anthony van Brinckesteyn was ook regent van de Sint-Joriskerk (Van Bemmel, deel 1, pp. 127-129). 119 Herks, pp. 209-211: de tabaksteelt was ook na 1800 nog van betekenis ondanks een teruggang in de productie. |
|||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LAARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (1520-1950) AQ
|
|||||||||||
tweehonderd 'carolus'gulden vooreen hof en land
grenzend aan de huisjes aan de Sint Andriesstraat. Dit strekte zich uit tot de stadswal.120 Het grondbezit bestond halverwege de i8e
eeuw uit elf morgen land (=3,825 hectare) in Leusbroek dat al vóóri658 tot de fundatie behoor- de.121 De pachtopbrengst toonde een duidelijke neergang in de jaren 1763-1771 en in de periode V77-1811.122 De algemene landbouwcrisis die tot circa 1770 duurde is daaraan debet. Daarnaast 'eidde de runderpest die de boeren zwaar trof in hun inkomsten tot lagere pachten in de i8e eeuw. Ook gedurende de Napoleontische oorlogen in de jaren 1799-1813 daalde de pachtopbrengst.123 Een dergelijke daling van pachtinkomsten moesten ook de penningmeesters van het Burgerweeshuis en van Armen de Poth constateren.124 Het land buiten de Bloemendalsepoort dat in
V59 door jonkheer Jacob Hiacint Dierhout aan de fundatie was geschonken, heette het'hoofie in de Horssewijde'. Dit was een stukje grond ter grootte van honderd vijftig roeden (ruim 200 vierkante meter).125 In de zojuist genoemde periode van oorlogen en economische blokkade van het land, steeg hiervan de pachtsom. Als moestuin inge- richt was het interessant om te gebruiken, want voedsel steeg toen sterk in prijs.126 De huur van het huisje in de Coninckstraat
steeg langzaam in de jaren 1759-1854 van twintig tot ruim veertig gulden. |
|||||||||||
De fundatie bezat vanaf 1759 twee obligaties.
Een was aangekocht van het kapitaal dat Dierhout aan de fundatie had geschonken: duizend carolus guldens.127 De andere, met een gelijke waarde, werd gekocht ten behoeve van de armenhuisjes door de zwager van weduwe Aleyda.128 De obliga- ties brachten respectievelijk 2,57 en drie procent rente op.129 Tot de 'extra-ordinaris ontvangs' behoorde het
geld dat men bijvoorbeeld kreeg door de verkoop van bomen en grond. Het legaat van jonkheer W. F. van der Merwede van Muijlwijck groot duizend gulden werd in 1801 als zodanig genoteerd; de ver- goeding van de schade aan een van de armenhuis- je toegebracht ook (1811), evenals de restitutie van de grondbelasting of de gift bestaande uit de rente uitgekeerd over vierhonderd gulden spaar- geld.130 Vanaf het jaar waarin de boekhouding startte is
een groei van de reserve-hoe klein ook-te con- stateren. In de periode 1759-1775 beliep het totaal aan uitgaven een bedrag van ruim 1354 gulden: aan 'ongelden' (belastingen op het grondbezit) en buurlasten (deze zijn te vergelijken met de huidige gemeentelijke belastingen als riool- en huisvuilbe- lasting), aan arbeidsloon van vaklui die de huisjes onderhielden en allerlei waren. In 1755 waren de armenhuisjes in de Valke-
straat (twee stuks achter de Lutherse kerk), Breestraat (Diaconye's Armen alhier'), Coninck- |
|||||||||||
120. APAA nr. 146. 121 In de jaren 1745-1746 werd her 'ret-
ranchement' (een militaire verdedigingslinie) aangelegd als gevolg waarvan de fundatie enig land verloor: zij bezat daardoor twee morgen land minder dan in 1658. 122 De pachtsom was aanvankelijk 46 gulden per jaar, daarna dalend tot 30; na een kortstondige opbrengst van 50 gul- den weer een daling tot40 gulden. 123 Rommens, pp. 109-114: runderpest in de jaren 1767-1769; daling van de pachten in andere jaren ook te bemerken, door de rent- meester van St. Elisabeth's Gasthuis (Van Beurden, pp. 64-66) en door de penningmeester van het Burgerwees- huis (ae, Archief Burgerweeshuis) inv. nrs. 120-121, oor de jaren 1740 -1757); zie ook Roessingh, p. 23:1740 e.v. |
|||||||||||
jaren. 124 Van Wees, pp. 130 e.v.; zie ae, Archief Armen
de Poth, inv. nr. 445 en 446 (rekeningenboeken 1791 - 1803). i25APAAnr. 149. 126 Noordegraaf,inAGNdeel 10, pp. 379-382, Griffiths, in AGN, deel 10, p. 235. 127 APAA nr. 149. 128 apaa, nr. 120: obligatie gekocht door mr. Philip Jan van Baarle te Utrecht op 17 november 1759. Deze stond op naam van Anna Christopholina Neander. In 1747 woonde de weduwe van ds. Neander naast Aleyda van Lielaer aan het Havik bij de Vijver (zie Liberale Gift '747)- I29 Ib., nr. 151: proces verbaal van publieke verkoop d.d. 17 november 1759. 130 Ib., nr. 120: register, en nr. 153: rekeningen 1755-1855, en nr. 154, bijlagen bij de rekenin- gen 1806-1811. |
|||||||||||
50 P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||
Voor de elf morgen land in Leusbroek moest
de fundatie het 'reële morgengeld' en het 'gader- geld' betalen: een bedrag van ruim elf gulden per jaar (in de jaren vanaf 1759). Na 1800 was dit bedrag opgelopen tot 27 a 28 gulden per jaar. Het land in de Horseweide kostte de administrateur 29 stuivers (1759), in 1800 ruim drie gulden aan belas- ting (de 'verponding' en huurlasten). Een jaarlijks terugkerende last voor de funda-
tie was de bijdrage aan het onderhoud van de Bavoortse brug in Leusden, geslagen over de Luntersebeek bij Bavoort. Tweederde deel van het onderhoud moest zij betalen. In 1759 werd de bij- drage vastgesteld op zeventien stuivers per mor- gen land: een 'belasting' van vijf gulden, zes stui- vers en tien penningen. In 1803 was de bijdrage opgelopen tot zeven gulden, dertien stuivers en zes penningen. Het totaal aan inkomsten beliep in de jaren
1759-1775 ruim 1662,5 gulden: uit landpacht in Leusbroek (552 gulden), de pacht van het 'hooffie' in de Horseweide (236 gulden), de huuropbrengst van de hof achter de huisjes in de Sint Andriesstraat (165 gulden) en de huur uit het huis- je in de Coninckstraat (187 gulden en twaalf stui- vers). Aan buitengewone ontvangsten was in de loop van vijfentwintig jaar amper72 gulden bin- nengekomen. Alles bijeen bedroeg het batig slot overgenoemde periode: ruim driehonderd gul- den. In de periode 1775-1810 steeg het batig slot tot 924 gulden, al was de verplichting het kapitaal in te schrijven in het 'Grootboek Nationale Schuld' er debet aan dat de renteopbrengst daalde.136 Door het gestegen jaarlijks overschot was de
Bijlaarsfundatie-deze benaming werd in die tijd gebruikelijk-in staat geld uitte lenen. Eind i8e |
|||||||||||
straat 'enige armhuisjes' - deze stonden 'onder de
walle'- en het blok van tien armhuisjes in de Sint Andriesstraat 'oversijde', alle vrijgesteld van het betalen van het haardstedegeld, een provinciale belasting. Echter, de stedelijke huurlasten moest de Bylerfundatie voldoen: in 1759 een bedrag van ruim drie gulden.131 In 1771 waren de huurlasten veertien gulden (tien huisjes, elk 28 stuivers per jaar). Deze lasten betaalde de fundatie ook voor de twee huisjes die zij bezat in de Breestraat. Zij stonden aan de Heul ('heul'= duiker of open riool) achter brouwerij 'De Lelie'. Deze brouwerij was gelegen aan de Langegracht nabij de Elleboogsteeg.132 In 1813 was de contributie op alle gebouwen en alle in de stad gelegen ongebouwde eigendommen tezamen eenenzeventig gulden. Deze bedragen zeggen alleen iets als ze wor-
den afgezet tegen het arbeidsloon. Een vakkundig wever in de stad verdiende rond 1780 vijftien stui- vers per dag, een poetsvrouw kreeg (in 1813) als dagloon veertien stuivers. In 1823 ontving een geschoold arbeider 23 stuivers per dag.133 In de jaren 1800-1815 stegen de kosten van levenson- derhoud sterk: voor het dagelijks brood was een derde van het dagloon nodig.134 Er waren alles bij elkaar eenentwintig armen-
huisjes te onderhouden: tien in de Sint Andries- straat, negen in de Valkestraat (in 1776 was een huis gesplitst) en twee in de Breestraat. En het verhuurde huis in de Coninckstraat.135 Het onder- houd van de oude huisjes vergde veel geld aan timmerlieden als Corn. van Dashorst en H. v.d. Bijtelaaren metselaars. In de jaren 1776 en 1777 kostten herstel en onderhoud ruim vijfhonderd gulden. Tussen 1812 en 1815 was er een bedrag van 345 gulden mee gemoeid. |
|||||||||||
131 Voor de tien huizen in de Sint Andriesstraat en de acht
in de Valkestraat. i32Brongers, p. 231. 133 Respectie- velijk: Van Wees, Burgerweeshuis, p. 125, Archief r.k. parochie Mijdrecht-Wilnis, nr. 220 en Van Munster en Van Schaik, p.63. 134 Noordegraaf, pp. 379 - 382 en |
|||||||||||
Grimth, p. 235. 135 apaa, nr. 120. 136 Ibidem: een deel
van het zo belegde kapitaal keerde niets uit ('uitgestelde schuld'): de zogenaamde tiërcering van de staatsschuld, zie Buist, p.293. N.B. duidelijke dieptepunten in de jaren 1787-1789 en 1792-1794. |
|||||||||||
DE BYLER- OF BIJ LAAR5FU N DATI E IN AMERSFOORT (152O-I950) C\
|
|||||||||||
gebruiken. De invoering van de 'Armenwet' in
1854 had namelijk de positie van de armen in de stad niet veranderd: in eerste instantie bleven zij voor steun aangewezen op de armbezorgers van de kerk waartoe zij behoorden.139 Uit de tabel 'huiszittende armen'die het r.k. armbestuur van de parochie op 't Zand invulde over de jaren 1855- 1874, blijkt dat het elk jaar tussen de vier-en zes- honderd personen steun verleende. De jaarlijkse collecten brachten echter te weinig op om de grote bedragen die daarmee gemoeid waren te dekken.1*0 In de 20e eeuw, met name na de Tweede
Wereldoorlog, is het onroerend goed van de Bijlaarsfundatie 'vervreemd'. In 1948 had het arm- bestuur nog vier huizen in de Sint Andriesstraat in bezit.141 Het land in de Horseweide werd ontei- gend in de jaren 1951-1953 ten behoeve van de nieuw te bouwen wijk 'De Kruiskamp'. De meeste huizen zijn door de gemeente gekocht, zodat er -na afbraak-nieuwbouw gepleegd kon worden. Het huis in de Breestraat werd in 1952 aan de ge- meente verkocht.142 De landerijen in Leusbroek waren door de
aanleg van de Geniedijk (Liniedijk) en de spoorlijn in dei9e eeuw al behoorlijk in omvang afgeno- men: in 1927 waren er twee stukken met elkeen grootte van ruim drie hectare over.143 Nadien zijn deze verkocht.144 Een aparte boekhouding van de Bijlaarsfundatie eindigde in het jaar 1949.145 |
|||||||||||
eeuw bezat zij een 'plecht' (= schuldbrief) voor
een bedrag van 784 gulden; deze werd in 1849 afgelost. In 1840 leende de fundatie aan het kerk- bestuurvan de Sint-Franciscus Xaveriuskerkop t Zand een som van vierhonderd gulden tegen vier procent rente, in 1849 kreeg het opnieuw een lening, nu achthonderd gulden, en in 1852 nog eens een lening van zeshonderd gulden, steeds tegen vier procent rente. 7 De Bijlaarsfundatie onder
beheer van het r.k. Parochiaal Armbestuur, vanaf 1855 Hethe rstel van de kerkelijke hiërarchie in 1853
bracht de rooms-katholieken in Nederland onder gezag van residerende bisschoppen.137 Amers- foort behoorde tot het aartsbisdom Utrecht en het was de aartsbisschop die de staties in de stad in 1855 'verhief' tot parochies. Kerkbestuur en armbestuurstonden voortaan onderzijn toezicht. De armbesturen van de twee staties van St. Fran- ciscus Xaverius en O. L. Vrouw ter Hemelvaart werden opgeheven en daarvoor in de plaats richt- te de aartsbisschop het R. K. Parochiaal Arm- bestuur op.138 Vanaf dat jaar legde het jaarlijks ver- antwoording af over onder andere het beheer van de Bijlaarsfundatie: de twee en twintig huisjes, de grond van de fundatie in Leusbroek en het in het Grootboek Nationale Schuld uitgezette kapitaal. De inkomsten uit rente, huur en pacht, én de armenhuisjes zelf kon het armbestuur goed |
|||||||||||
kadastraal sectie A nrs. 1111 en 1239 (in de jaren 1951-1952-
1953), en nr. 50: akte van overdracht aan de gemeente van Breestraat 67, kadastraal sectie E nr. 358 (1952). 143 APAA, nr. 121: bouw- en weiland resp. kadastraal Leusden Sectie A159 tot en met 164 en 457 en 458; en Sectie D196-197- 693. 144 Mededeling van wijlen de heer Th. Hamers te Leusden, voorzitter van het r.k. Parochieel Armbestuur te Amersfoort, voorjaar 2005. 145 APAA, nr. 127. |
|||||||||||
137 Rogier / de Rooy, pp. 93-94. 138 APAA II, nr. 20,
besluit van de aartsbisschop van Utrecht, 1855, zie ook Du Pui, p. 11. 139 Staatsblad voor 1854 nr. 100: wet van 28 juni 1854: particuliere met name kerkelijke instellingen zouden de armenzorg verrichten, zie Boogman, in AGN deel 12, pp. 364 -366 en 383. 140 APAA, nr. 51. 141 APAA, nr. 127; N.B. in 1874 waren de huizen in de Sint Andriesstraat vernieuwd en uitgebreid tot veertien, aldus Van Rootselaar, deel 2, p. 393. 142 APAA nr. 49: het betrof |
|||||||||||
C2 P.J.J.M. VAN WEES
|
|||||||||||
AGN deel 12, pp. 305-399.
William Bouwsma, John Calvin, a
sixteenth Century Portrait, New York/Oxford, 1988. F. G. M. Broeyer, 'Een gereformeerd
stempel op de samenleving?', in C. Dekker e.a.(red.) Geschiedenis van deprovincie Utrecht,
Utrecht 1997, deel 2, pp. 283-339. J. A. Brongers, Historische encyclope-
die van Amersfoort, Amersfoort [1998]. M. G. Buist, 'Geld, bankwezen en han-
del in de Noordelijke Nederlanden 1795-1844', in AGN„ deel 10, pp. 289-323. A.Th. van Deursen. Mensen van klein
vermogen. Het 'kopergeld van de Gouden Eeuw, Amsterdam 1991. Alistair Duke, Reformation and revolt
in the low countries, London -Ronceverte 1990. E. D. Eijken, Repertorium op de
Overstichtse en Overijsselse leen-
protocollen, ï^yg -1805, uitg. rijks- archief in Overijssel 1995. Willem Frijhoff / M. Spies, 1650
Bevochten eendracht, Den Haag 1999. R. Th. Griffiths, 'Ambacht en nijver-
heid in de Noordelijke Nederlanden 1770-1844', in AGN deel 10, pp. 219-253. S. Groenveld, Huisgenoten desgeloofs,
Hilversum 1995. S. Groenveld / H. L. Ph.
Leeuwenberg (red.), De Unie van
Utrecht, Wording een werking van een verbond en een verbondsdacte, Den Haag 1979. H. Halbertsma, Zeven eeuwen
Amersfoort, [1959]. J. J. Herks, De geschiedenis van de
Amersfoortse tabak, Den Haag 1967. J. van Herwaarden en R. de Keyser,
'Het gelovig volk in de late mid- deleeuwen', in AGN deel 4, pp. 405-421. W. Hiddema, Och, wat in lieve kien-
ders, vier eeuwen 'Klaarkampster Weeshuis' te Franeker, Franeker 1997-
J. Hovy, Amersfoort inprent, Zalt- bommel 1975. |
C. A. van Kalveen, 'De Sint-Joriskerk
in het middeleeuwse Amersfoort', in S. van Adelberg, De Amers- foortse Kerken, Amersfortia Reeks deel 1, Amersfoort 1984, pp. 12-23. C.A. van Kalveen, 'Kloosters en
kapellen en de Moderne Devotie',
in S. van Adelberg, De Amersfoortse Kerken, Amersfortia Reeks deel 1, Amersfoort 1984, pp.25-42. Fred van Kan, 'Die elendiche arme
mensen'. De amersfoortse armen- zorg in de Middeleeuwen', in Jaarboek Flehite zooi, pp. 78-94. F. J. W. van Kan, Inventaris van de
archieven van de parochie Sint Franciscus Xaverius, uitg. AE, Amersfoort 2000. Fred van Kan, 'Opdat zij verlost
mogen worden. De zorg voor het
zielenheil in middeleeuws Amersfoort', in Jaarboek Flehite 2002, pp. 36-66. Benjamin J. Kaplan, Calvinists and
libertines, confesion andcommuni- ty in Utrecht 1578 -1620, Oxford 1995-
W. J. Kistemaker (eindred.), 300 Jaar
evangelisch lutherse kerk Langestraat Amersfoort, Amers- foort 1986. A.J. M. Kunst, Van Sint-Elisabeths-
Gasthuis tot gereformeerd Burgerweeshuis, Utrecht 1954. L. V. H-, Herstelde Leeuw, of Discours
over 't gepasseerde in de Verenighde Nederlanden in 't Jaar 1650 en 1651, Amsterdam 1655. Liberale Gift 1747 (collectie ae).
Wilhelm Liese, Geschichte der
Caritas, 2 banden, Freiburg in Breisach, 1922. Ch. A. van Manen, Armenp&ege in
Amsterdam in ihrer historischen Entwicklung, Leiden 1913. S. W. Melchior, Blaffert van het huis-
geld, Amersfoort a. d. 1755 (collectie ae). O. Moorman van Kappen, Tot behoef
der arme wesen, hoofdstukken uit de geschiedenis van het burger- weeshuis te Harderwijk, Zutphen 1981. |
||||||||||
GEBRUIKTE AFKORTINGEN
AE Archief Eemland, Amersfoort
agn Algemene Geschiedenis der
Nederlanden, Haarlem 1977-1983
APAA Archief R.K. Parochieel
Armbestuur Amersfoort (in: Archief
Eemland)
A s Archief Staten (in Het Utrechts
Archief)
AvN Archieven van Notarissen (in:
Archief Eemland)
DTB Doop-, Trouw-, Begraafboeken
(in: Archief Eemland en Het Utrechts
Archief)
HUA Het Utrechts Archief, Utrecht
NSU Notarissen Stad Utrecht (in: Het
Utrechts Archief)
R s Resoluties van het Stadsbestuur
|
|||||||||||
LITERATUUR
A.J. van der Aa, Aardrijkskundig
Woordenboek der Nederlanden, dertein delen plus één deel aan- hangsel, Gorinchem 1839-1851. Algemene Geschiedenis der Nederlan-
den, 15 delen, Haarlem 1977-1983. G. Bakker e.a., Van Wezenzorg naar
Stadsbelang. Het Old Burger Weeshuis te Sneek, 1581 -1981, Bolsward 1981. A. van Bemmel, Beschrijving der stad
Amersfoort, 2 delen, Utrecht 1760. A. A. van Beurden, Het SintElisa-
beth'sgast- of ziekenhuis te Amersfoort, Amersfoort [1924]. Jan Bieleman, Geschiedenis van de
landbouw in Nederlandisoo - 1950, Amsterdam 1992. Ton Blekkenhorst, Hans Renes en
Ronald Rommes, 'Doorploegen, gids voor historisch onderzoek nar het boerenbedrijf in de provincie Utrecht', Trajecten door Utrecht 8, Utrecht 2003. F. Boerwinkel, Cronyk van Sint
Aagten Convent, Amersfoort 1939.
H. ten Boom (red.), Utrechters entre
deux, staden sticht in de eeuw van de reformnatie, 1520 -1620, Delft 1992. J. C. Boogman, 'De politiek ontwikke-
ling in Nederland 1840 -1874', in |
|||||||||||
DE BYLER- OF BIJLA ARSFU N DATI E IN AMERSFOORT (1520-1950) 53
|
|||||||
M. D. M. van Munster en P. van
Schaik, 'Arm in Amstelveen', in Amstelveense Historische Reeks, nr. 9, Ouderkerk aan de Amstel, 2003. L. Noordegraaf, 'Sociale verhoudin-
gen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770- 1813', in AGN deel io, pp.361-384. R- R. Post, Kerkgeschiedenis van
Nederland in de Middeleeuwen, 2
delen, Utrecht / Antwerpen 1957. G. M. du Pui, Inventaris van de archie-
ven van het R. K. Parochiaal Armbestuur te Amersfoort, 1558- 1956, uitg. AE Amersfoort 1985. Lucas Reijnders, Het boerenbedrijf in
de Lage landen. Geschiedenis en toekomst, 3e druk, Amsterdam 2002. H. K. Roessingh, 'Het sociaal-econo-
misch leven 1650 -1800', in AGN, deel 8, pp. 15-73. L- J. Rogier / N. de Rooij, In Vrijheid
Herboren., katholiek Nederland '853-1953, 'sGravenhagei953. Ronald Rommes, 'Geen vrolyk geloei
der melkzwaare kooijen', Runderpest in Utrecht in de acht- tiende eeuw' in Jaarboek vereni- ging Oud Utrecht, 2001, pp.87 - !35-
W. F. N. van Rootselaar, Amersfoort
777 -1580, 2 delen, Amersfoort 1878. B. H. Slicher van Bath, De agrarische
geschiedenis van West-Europa ($00-1850), Utrecht / Antwerpen 1960. I- G. Smit, De reformatie van Amers-
foort (circa 1579 -1625), in Ten Boom (red.), Utrechters entre deux..., pp. 231 - 255. I- G. Smit, De samenstelling van de
stadsregering van Amersfoort 1570-1590, doet. scriptie RU Utrecht 1968 (collectie GAa). J- Verduin, Boerderijen in Leusden,
ontstaansgeschiedenis in de Middeleeuwen, Woudenberg 1999. J. M. Verhoeff, De oude Nederlandse
rnaten en gewichten, Amsterdam 1983. G. N. M. Vis, Het Weeshuis te Woerden,
400 jaar Stadsweeshuis en gerefor- meerd Wees- en Oudeliedenhuis te |
|||||||
Woerden, 1595 -1995, Hilversum
1996. H. van der Wee, 'The agricultural
Development of the Low Countries as revealed by the Tithe and Rent Statistics, 1250-1800', in: Herman van der Wee and Eddy van Cauwenbberghe (ed.), Productivity of land and agricul- tural innovation in the low coun- tries (1250-1800;, Leuven Univ. Press, 1978, p. 1-25. P. J. J. M. van Wees, Het Burgerwees-
huis van Amersfoort, Amersfortia Reeks deel 14, Amersfoort 2002. |
|||||||
W.J.H. VERWERS EN A.D. DE JONGE
|
||||||
Het hofje
|
||||||
De Armen de
|
||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH CC
|
|||||||||||
Het Hoofdgebouw in het hofje De Armen de Poth dateert
volgens archiefonderzoek uit de eerste helft van de i6e eeuw. Dankzij recent uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek is nu een nauwkeuriger datering bekend geworden, niet alleen van het Hoofdgebouw, maar ook van de verschillende onderdelen ervan. Daaraan heeft ook het dendrochronolo- gisch onderzoek een belangrijke bijdrage geleverd. Dat wijst op een datering tussen 1520 en 1526. Door restauraties, voor- al in de i9e en 20e eeuw, zijn veel oorspronkelijke elementen aan de buitenzijde verdwenen of vervangen. |
|||||||||||
standhouden van het huidige hofcomplex, met
Hoofdgebouw en Sint Rochus-kapel. Als opdrachtgever heeft het College van
Regenten aan Onderzoeks- en adviesbureau BA AC te 's-Hertogenbosch de vraag gesteld wan- neer het Hoofdgebouw is gebouwd en welke de onderlinge relatie is tussen de verschillende delen van het Hoofdgebouw.1 Over de stichting De Armen de Poth is in de
loop der jaren veel bekend geworden. Er is niet alleen aandacht besteed aan de geschiedenis en de doelstellingen van de stichting, maar ook aan de Pothbroeders, Celzusters en hun activiteiten. Tevens zijn studies gewijd aan het kunstbezit van de stichting. Verschillende auteurs hebben onderzoek naar het hofje gedaan. In dit verband noemen we als belangrijke bronnen het werk van Van Bemmel (1760) en van Van der Leeuw (1898). Daarnaast zijn er ook artikelen over dit onder- werp in het Tijdschrift Flehite verschenen. Met name kunnen een serie artikelen over De Poth in het Tijdschrift Flehite (n r. 6,1974) worden ge- |
|||||||||||
Inleiding
De studie over het ziekenhuis voor besmettelijke
zieken in een voormalige tabaksschuuraan de Coninckstraat bracht het College van Regenten van de stichting De Armen de Poth ertoe niet alleen ter plaatse van dat pand bouwhistorisch onderzoek uitte laten voeren, maar ook in het Hoofdgebouw van het hofje.1 Het Hoofdgebouw heeft een vijftal vertrekken
met verschillende functies die samenhangen met de doelstellingen van de stichting. Oorspronkelijk betroffen die het beheren van een gasthuis, het bezoeken van "arme huyssittenden" en die te voorzien van de noodzakelijke levensbehoeften. In dit verband was een van de taken het uitdelen van proven, in de volksmond ook wel het "rond- gaan met de pot" genoemd (mondelinge mede- deling dr. F. van Kan). Aan de uitdelingen is tegen net eind van de 20e eeuw een eind gekomen. Bovendien werd door de stadsbestuurders van Amersfoort rond 1500 aan de stichting de zorg voor pestlijders opgedragen. Die situatie duurde tot 1667, het jaar van de laatste pestepidemie in Amersfoort. De huidige doelstelling van De Poth is het verschaffen van huisvesting aan oudere Amersfoorters met een smalle beurs en het in |
|||||||||||
1 Hoevers, 2005. 2 BAAC: onderzoeks- en adviesbueau
voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie ('s-Hertogenbosch en Deventer). |
|||||||||||
56 W.J.H. VERWER.S EN A.D. DE JONGE
|
|||||||||
is vermeld dat er uitgaven gedaan zijn voor het
Gasthuis, de "Nye Poth" en voor de bouw aan het Pothuis in de Teut. Weliswaar zijn er aanwijzingen dat er al eerder, in 1521/1522, gebouwd is in de Teut, maar onduidelijk is of die bouw betrekking heeft op De Poth.5 De bouwwerkzaamheden zijn in 1526 of 1527 beëindigd. Volgens Van der Leeuw vormden de vestibule,
de bakkerij en de kamer voor de uitdelingen oor- spronkelijk een afzonderlijk gebouw. Dat was aan de buitenzijde voorzien van rondbogen boven de ramen en de deur. Rechts en links ervan zijn gebouwen aangebouwd en in een andere stijl opgetrokken.6 Bovendien is de toegang van de "Camere" (thans Celzusterenkamer) niet op het westen, maar op het oosten gericht. De bouw van de Regentenkamer moet hebben plaats gevonden vóóri5Ö4. In 1583 werd het Provenhuis hoger gemaakt. Het bouwhistorisch onderzoek
HOOFDGEBOUW — Het Hoofdgebouw bestaat uit de volgende onderdelen: 1 Celzus- terenkamer, 2 Uitdeelkamer, 3 Bakkerij en 4 Vestibule met Opkamer, 5 Regentenkamer en 6 het huis van de Binnenvader en -moeder. De vertrekken nrs. 2-4 worden hier min of meer als een geheel behandeld, de overige krijgen afzon- derlijk de aandacht. Uitgangspunt bij de volgende beschrijving,
gebaseerd op het BAAC-rapport, is dat met name de voor de bezoeker zichtbare bijzonderheden aan de binnen- en de buitenzijde van de afzonder- lijke onderdelen van het Hoofdgebouw behandeld zullen worden. Daarbij krijgen vooral de vensters en de deuren veel aandacht. De kapconstructie, die van binnen voor de bezoekers aan het oog ont- |
|||||||||
noemd en een publicatie over de 20e eeuwse
restauratie.3 Opvallend is dat we over de gebouwen en
opstallen die erop het terrein gestaan hebben, matig zijn geïnformeerd. Een uitzondering vormen de huidige woonhuizen rondom het hofje waarvan de bouwdata precies bekend zijn, en de Rochus- kapel, die mede op historische gronden aan het eind van dei5e eeuw wordt gedateerd. Deze ge- bouwen evenals het in 1893 afgebroken Pesthuis blijven echter in deze bijdrage buiten beschou- wing. Onze aandacht gaat vooral uit naar het Hoofdgebouw in het centrum van het terrein en in mindere mate naar de voormalige tabaksschuur. Het gebrek aan kennis over de geschiedenis
van het Hoofdgebouw vormde de reden bouwhis- torisch onderzoek uit te laten voeren. Uit het ver- slag van bureau baac,4 dat het onderzoek uit- voerde, zijn hieronder de belangrijkste resultaten weergegeven. Voorafgaande daaraan is een samenvatting gegeven van de informatie die beschikbaar is over de (bouw)geschiedenis van het Hoofdgebouw. Op oude kaarten, onder andere die van Van
Deventer uit ca 1560, staat alleen de Sint Rochus- kapel afgebeeld, die een kwartslag gedraaid is ten opzichte van de reële situatie. Op latere kaarten zoals die van Braun en Hogenberg (1588) en van Blaeu (1649), zijn het Hoofdgebouw en het Pesthuis toegevoegd. Dat wil niet zeggen dat beide gebouwen na 1560 gebouwd zijn, zoals hier- na uiteengezet zal worden. Van der Leeuw (1898) is degene die het meest
uitgebreid over de bouwvan (de verschillende onderdelen van) het hofje heeft geschreven en met name over de stijl en de eventuele bouwda- tum. In rekeningen uit de jaren 1522/23 en 1523/24 |
|||||||||
3 Van den Braber, 1995. 4 De titel luidt: Amersfoort. Hofje 04.181. Het rapport bevindt zich in het archief van De
'De Armen dePoth.' Bouwhistorische verkenning, door Poth. 5 Van der Leeuw, 1898,25-26 en 78. 6Vander ing. A.G. Oldenmenger, maart 2005, BAAC rapport Leeuw, 1898,79-80.
|
|||||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH 57
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
kanten van de vensteropeningen. Geen van de
vensters heeft hier zijn oorspronkelijke vorm. Waarschijnlijk zijn de vensters in dei5eeni6e eeuw kleiner geweest. Op een foto uitio,22 kun- nen we ook zien dat de segmentbogen niet aan- sloten. In de i9e eeuw is dit deel van de gevel al eens vervangen. Rond de kelderlichten is het metselwerk in
1965 grotendeels vernieuwd. Toen zijn ook de ven- sterlichten vervangen. Links van de deur van de Celzusterenkamer
zien we twee halfsteense segmentbogen. Zij zijn ongelijk in breedte en hoogte. De grootste van de twee zou gediend kunnen hebben voorde ontlas- tingvan een kelderingangdie inmiddels is ver- dwenen. Opvallend is dat de kelderlichten niet regelmatig onder de vensters van de Celzusteren- kamer zijn geplaatsten dat zij, zoals je zou kun- nen verwachten, geen samenhang vertonen met de positie van de gewelven in de kelder. Aan de binnenzijde van de kelder is te zien dat de ven- sters oorspronkelijk groter zijn geweest. Naast de twee bestaande kelderlichten in de westzijde van de kelder zijn er een, mogelijk twee kelderlichten aan dezelfde zijde dichtgezet. De westgevel van het Hoofdgebouw is in de
20e eeuw sterk gerestaureerd. Daarom ontbreken vrijwel alle oorspronkelijke details. Een uitzonde- ring vormen de halfsteense segmentbogen boven de vensters van de bakkerij, die wellicht oorspron- kelijk zijn. Zij zijn goed opgenomen in het muur- werk en sluiten niet aan op de vensters. Dit in tegenstelling tot de vensters van de Uitdeelkamer. Erboven zien we drie baksteenlagen en een stenen rollaag in afwijkend baksel met een onregelmatige aansluiting op het overige muurwerk. In de Regentenkamer bevinden zich drie grote
kruisvensters die bij de restauratie in 1927 zijn aan- gebracht ter vervanging van de i9e-eeuwse schuif- vensters. Ook hier waren de oorspronkelijke ven- sters, zo die er al geweest zijn, kleiner. De oostgevel van het Hoofdgebouw wordt
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Regentenkamer
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Plattegrond van het Hoofdgebouw met
de verschillende vertrekken. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
trokken is, wordt alleen bij het dendrochronolo-
gisch onderzoek besproken. Tenslotte zal aan- dacht worden besteed aan de onderlinge relatie van de verschillende onderdelen van het Hoofdgebouw. Vensters — Het Hoofdgebouw is rondom
voorzien van vensters. Zij ontbreken aan de zuid- wand van de Regentenkamer en aan de westzijde van de Celzusterenkamer. In de noordmuur van de laatste zijn twee kloostervensters ontdekt die bij de bouw van de armenhuisjes zijn dichtgezet. De segmentbogen in de oostzijde van de
Celzusterenkamer tonen geen samenhang met de huidige vensters. Zij sluiten niet aan op de dag- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
58 W.J.H. VERWERS EN A.D. DE JONGE
|
|||||
Verkleinde raamopening in de kelder
onder de Celzusterenkamer. |
|||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH 5O,
|
|||||
Segmentboog buiten de as van het
venster aan de westzijde van de Bakkerij. |
|||||
ÖO W.J.H. VERWERS EN A.D. DE JONGE
|
||||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||||
1'
|
||||||||||||||||||||
"ir
|
||||||||||||||||||||
■*■■' "***■ *=■-----*—*------
|
-,-r
|
|||||||||||||||||||
»wa
|
||||||||||||||||||||
J
|
||||||||||||||||||||
Machinale (links) en handgevormde (rechts)
bakstenen in de oostgevel van de woning van de Binnenvader, ter weerszijden van de toegang. |
||||||||||||||||||||
voornamelijk gevormd door het huis van de Bin-
nenvader. Daarin zijn drie delen te onderscheiden die drie fasen vertegenwoordigen. Met name in dit gedeelte van het gebouw kunnen de vensters alleen in nauwe samenhang met het muurwerk worden besproken. Het linkergedeelte van de woning van de Binnenvader is gemetseld van waarschijnlijk hergebruikt materiaal. Daarom is een datering, mede vanwege de aangebrachte pleisterlaag, niet te geven. De vensters zijn in ieder geval in de 2oe eeuw aangebracht. Het onderscheid tussen het muurwerk links
|
en rechts van de deur in het vooruitspringende
middendeel van de woning berust op het voor- komen van machinale en handgemaakte bakste- nen. De schuifvensters rechts van de deur rusten op een borstwering van handgemaakte bakste- nen. Die dateren uit de i8e eeuw. Het opgaande muurwerk is daar ige-eeuws. Links van de deur is het muurwerk, bestaande uit machinale bakste- nen, rond 1900 aangebracht. De i8e-eeuwse borstwering van handgemaak-
te bakstenen rechts van de deur loopt door tot het deurtje in het rechterdeel van de woning. Rechts |
|||||||||||||||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH 6l
|
|||||||
wand. De deur is daar in 1965 bevestigd, het boven-
licht is iets ouder en dateert uit 1922. Uit dezelfde tijd dateren de geprofileerde dagkanten van de deur. Zij zijn in bestaand muurwerk aangebracht. Hetzelfde geldt voor de dagkanten van de venster- openingen. Daar kunnen twee ervan origineel zijn. Tijdens het onderzoek door baac was het pleister van de muren verwijderd. Dat bood de mogelijk- heid een aantal extra waarnemingen te doen. Zo bleken in de noordwand, ter weerszijde van de in 1922geplaatste schouw, twee dichtgezette deur- openingen aanwezig. Bij de linker toegang zijn |
|||||||
van deze lage deur zien we hergebruikt materiaal
'n het bovenste gedeelte van dat muurwerk. In de korte noordgevel van de woning (of aan-
bouw) dateren de vensters uit de 20e eeuw. Het venster in de zuidgevel is vermoedelijk aange- bracht in de periode dat de zuidmuur van de "egentenkamer is gerestaureerd, rond 1927. Toegangen en deuren — Het Hoofd-
gebouw toont aan west-en oostzijde deuren. De enige deur die van buiten toegang geeft tot de Celzusterenkamer bevindt zich in de oostelijke |
|||||||
02 W.J.H. VERWERS EN A.D. DE JONGE
|
|||||||||||||
Noordmuur aan de binnenzijde van de
Celzusterenkamer, ontdaan van pleis- ter. Ter weerszijden van de schouw en |
de kaarsennis, beide aangebracht bij de
restauratie in 1922, twee dichtgezette openingen. |
||||||||||||
die groter en hoger is dan die boven het er naast
gelegen venster. Rechts in de noordmuur van de kelder tekenen zich twee verticale bouwnaden af. Die wijzen wellicht op de aanwezigheid van een kelderingangdie is dichtgezet. De deuren in de westgevel van het Hoofd-
gebouw zijn niet meer oorspronkelijk. Bij de res- tauratie in de 20e eeuw is de deur van de Uitdeel- |
|||||||||||||
oorspronkelijke dagkanten met pleister waargeno-
men. Mogelijk behoorde deze toegang tot (een van) de oudste fase(n). Dat was niet het geval met de rechter opening die in bestaand muurwerk is ingehouwen. In dezuidwand bevindt zich de deur- opening die toegang geeft tot de Uitdeel kamer. Hoewel de toegang waarschijnlijk origineel is, zijn er in de 20e eeuw verschillende elementen, zoals dagkanten, opnieuw aangebracht.7 Mogelijk was de toegang naar de kelder oorspronkelijk in de oostmuur. Daarop zou de boog boven het linker venster aan de buitenzijde kunnen wijzen, omdat |
|||||||||||||
7 Van der Leeuw, (1898, p.80) meldt dat de deur destijds
dichtgemetseld was, maar dat de trap die toegang tot de kelder gaf, in functie was. |
|||||||||||||
63
|
||||||||||||||||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH
|
||||||||||||||||||||
/o^/r* S"
|
||||||||||||||||||||
\^>mJU^- \>*A<ïH>o£_
|
||||||||||||||||||||
\s* nAu.+MVc
|
||||||||||||||||||||
1_
|
||||||||||||||||||||
V
|
||||||||||||||||||||
ikltawii'
|
||||||||||||||||||||
— so«»-*«-> 1322- --------
|
||||||||||||||||||||
kamerin bestaand muurwerk aangebracht.
Hergebruikt is ook de sluitsteen met het jaartal 1628 boven de deur. Van de deuren in de oostgevel van de woning
van de Binnenvader is de middelste rond 1900 aangebracht. Beide overige dateren uit de periode van de restauratie in de 2oe eeuw. !Nterieur — Aan enige elementen in het
mterieur verdient aandacht te worden besteed. Dat geldt in het bijzonder voor de Celzusteren- kamer en de kelder. De laatste wordt door een |
||||||||||||||||||||
dwarsmuur, die later is aangebracht, in twee gelij-
ke delen verdeeld. In de zuidmuur van de kelder bevinden zich twee kaarsennissen. De positie ervan juist boven de vloer wijst erop dat de vloer oorspronkelijk lager is geweest, mogelijk bijna een meter. De balklagen in de Celzusterenkamer zijn
voorzien van sleutelstukken. Zij vormen de onder- steuningvan het uiteinde van de balken in de muur. Aan de zuidzijde zijn de sleutelstukken ver- sierd met een peerkraal en aan de noordzijde met een hangende kraal. Dat de Celzusterenkamer in |
||||||||||||||||||||
Sa w.j.h. verwers en a.d. de jonge
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
65
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Sleutelstuk in de vorm van een peer-
kraal onder een van de moerbalken in de Celzusterenkamer. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
tweeën verdeeld geweest is, is de meest aanne-
melijke verklaring voor deze verschillen in de balk- constructie. Op zo'n tweedeling zouden ook beide rookkanalen kunnen wijzen. Het ene in de zuidmuur is dichtgezet. De schouw in de noord- muur is bij de restauratie in 1922 aangebracht ter vervanging van een ige eeuws exemplaar, dat zich bevond op de plaats van een oudere schouw. Tenslotte zijn in de westmuur sporen van twee smalle binnenmuren waargenomen die ook op een tweedeling of zelfs driedeling kunnen wijzen Tenslotte moet gewezen worden op de spil-
trap in de vestibule. Die dateert uit het laatste kwart van de i6e eeuw. Elders in Amersfoort bevinden zich vergelijkbare trappen, zoals o.a. in het Observantenklooster. EXTERIEUR — Bij de bouw van de Celzus-
terenkamer heeft men destijds rekening gehou- den met een mogelijke uitbreiding. Daarop wijzen de zaagtandlijst onder de dakvoet en de staande tand over de gehele hoogte in de oostelijke gevel. Die komt ook voor in de westelijke gevel. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Interieur van de Vestibule met v.l.n.r de
deur naar de Opkamer, de ombouw van de kelderingang, de deur en het venster in de westgevel, de i6e eeuwse spiltrap. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
SA. W.J.H. VERWER.S EN A.D. DE JONGE
|
||||||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH 65
|
||||||||||
Sleutelstuk in de vorm van een peer-
kraal onder een van de moerbalken in de Celzusterenkamer. |
||||||||||
tweeën verdeeld geweest is, is de meest aanne-
melijke verklaring voor deze verschillen inde balk- constructie. Op zo'n tweedeling zouden ook beide rookkanalen kunnen wijzen. Het ene in de zuidmuur is dichtgezet. De schouw in de noord- muur is bij de restauratie in 1922 aangebracht ter vervanging van een i9e eeuws exemplaar, dat zich bevond op de plaats van een oudere schouw. Tenslotte zijn in de westmuur sporen van twee smalle binnenmuren waargenomen die ook op een tweedeling of zelfs driedeling kunnen wijzen Tenslotte moet gewezen worden op de spil-
trap in de vestibule. Die dateert uit het laatste kwart van de i6e eeuw. Elders in Amersfoort bevinden zich vergelijkbare trappen, zoals o.a. in het Observantenklooster. exterieur — Bij de bouw van de Celzus-
terenkamer heeft men destijds rekeninggehou- den met een mogelijke uitbreiding. Daarop wijzen de zaagtandlijst onder de dakvoet en de staande tand over de gehele hoogte in de oostelijke gevel. Die komt ook voor in de westelijke gevel. |
||||||||||
Interieur van de Vestibule met v.l.n.r de
deur naar de Opkamer, de ombouw van de kelderingang, de deur en het venster in de westgevel, de i6e eeuwse spiltrap. |
||||||||||
L
|
||||||||||
66 W.J.H. VERWERS EN A.D. DE JONGE
|
||||||||||||
AA AAA A
|
||||||||||||
TABAKSSCHUUR — In historische bronnen
wordt voor het eerst in 1669 melding gemaakt van een tabaksschuur, staande op de hoek van Coninckstraat en de Pothstraat. De stichting De Armen de Poth kreeg inkomsten uit de verhuur van de 54 m lange schuur. In 1873 kreeg de schuur, na verbouw, een andere functie, die van gemeen- telijk ziekenhuis. Daaraan kwam een eind toen aan het begin van de 20e eeuw, na opheffing van het ziekenhuis in 1904, er in het gebouw wonin- gen werden gevestigd. Dat gebeurde in de periode dat het hofje zijn huidige structuur kreeg. In het gebouw zijn veel i7e- en i8e-eeuwse
bakstenen aangetroffen, maar zij zijn waarschijn- lijk bij de verbouw in 1873 secundair gebruikt. Wel blijken er enige muurelementen uit 1873 bewaard te zijn gebleven, vooral aan de boven- en onderzij- de van de voorgevel. Omdat de positie van de bal- ken geen verband vertoont met de indeling van de gevels en de woningen, wordt aangenomen dat het dak behoorde tot het ziekenhuis en dateert uit 1873. Bij de verbouw in 1904 is een aantal oor- spronkelijke elementen verdwenen en vervangen. Zo heeft men ook in bestaand muurwerk nieuwe dagkanten aangebracht. Bij de renovatie van 1957 zijn de dakkapellen aangebracht. datering — Voorde datering van de verschil-
lende delen van het Hoofdgebouw zijn van belang: de oriëntatie van het Hoofdgebouw, bouwkundige waarnemingen en het dendrochro- nologisch onderzoek. ORIËNTATIE VAN HET
Hoofdgebouw — De Celzusterenkamer
(met kelder), de Sint Rochus-kapel en het voor- malige Pesthuis zijn gebouwd in een rechthoekig systeem. De richtingvan een aantal gevels loopt evenwijdig aan die van de oostzijde van Conincks- traat. De oriëntatie van genoemde gebouwen wijkt af van die van de Regentenkamer en het Provenhuis. Daarom wordt aangenomen dat de |
||||||||||||
2 Rochusfcapel
3 'Celzusterkamer'
4 Provenhuis, Bakkerij en Hal
5 'Regentenkamer
|
||||||||||||
C B C
Kadastrale kaart uit ca 1830. Daarop is
de oriëntatie van de verschillende bouw- elementen van De Poth aangegeven. |
||||||||||||
Celzusterenkamer (met kelder), de Sint Rochus-
kapel en het voormalige Pesthuis deel uitmaken van de oorspronkelijke opzet. De gedachte van die onderlinge samenhang wordt versterkt door het feit dat de voorgevel van de Celzusterenkamer, in tegenstelling tot die van de andere onderdelen van het Hoofdgebouw, gericht is op het binnen- terrein met het Pesthuis en de Kapel. BOUWKUNDIGE WAARNEMINGEN —
Bouwnaden geven een aanwijzing voor een fase-
ringvan de bouw. Uit de aansluiting van het muurwerk van de Celzusterenkamer op die van de ernaast gelegen Uitdeelkamer, in de westelijke buitenmuur, is op te maken dat de Celzusterenkamer eerdergebouwd is en dus ouder is dan de Uitdeelkamer. Of beide vertrek- ken oorspronkelijk met elkaar in verbindingston- den is onbekend. Door het hoogteverschil is dat echter niet waarschijnlijk. Tijdens het bouwhistorisch onderzoek werd
roetaanslag vastgesteld op een groot aantal bak- |
||||||||||||
Aansluiting van het muurwerk
van de Regentenkamer (links) op het oudere muurwerk van de Vestibule (rechts) in de voor- malige oostgevel. |
||||||
A Specieboarden
U b Zaagtand
c Rollaag
D Gevelanker
E Kapbalk
|
||||||
68 W.J.H. VER.WERS EN A.D. DE JONGE
|
|||||||||||
Uit de kapconstructie van het Hoofdgebouw
heeft men in totaal negen houtmonsters geno- men voor dendrochronologisch onderzoek. Daaruit bleek dat het hout van de kap van de Celzusterenkamer het oudst is en gedateerd kan worden in 1520 of kort erna. De bouwvan de Vestibule, Bakkerij en Uitdeelkamervond plaats in de tweede helft van 1525 of in het volgende jaar, omdat het houteen datering geeft van voorjaar 1525. Eén houtmonster wijst op hergebruik van hout (datering: najaar 1467).Tenslotte dateert het hout van de Regentenkamer uit het najaar van 1525. De bouwervan zal wel in 1526 of kort erna hebben plaatsgevonden. In de voormalige Tabaksschuur konden geen
dendrochronologische monsters uit de kap wor- den genomen, omdat door de huidige bewoning de kap niet bereikbaar was. conclusies — In het baAC-rapport worden
9 bouwfasen onderscheiden, vanaf 1495 tot ca 1900. De oudste fase, H95. hangt volgens de schrijvers van het rapport samen met Het Nye Pothuis. In zijn studie over de Amersfoortse armen-
zorg heeft Van Kan erop gewezen dat pestlijders aan het eind van de i5e eeuw werden verzorgd in een pesthuis dat gebouwd was'in De Kamp'.8 In een akte van 1495 wordt gesproken van het "Nye Pothuis," dat in bezit was van de Pothbroeders. Volgens Van Kan moet onder dit Pothuis hetzelfde gebouw worden verstaan als het Pesthuis en kan het niet worden gelijkgesteld met de latere Celzusterenkamer, zoals Van der Leeuw gedaan heeft. De bouw van het Pesthuis vond dus plaats in of kort vóór 1495 en heeft niets te maken met de bouwgeschiedenis van het Hoofdgebouw.9 Op bouwkundige gronden kan worden aange-
|
|||||||||||
stenen vlak boven de vloer aan de binnenzijde van
de kelder. Die resten wijzen op een brand. Het is niet uit te sluiten dat bij die brand de oudste delen van de kelder bewaard gebleven zijn. Op die oude kelder is later de Celzusterenkamer gebouwd. Daardoor is de kelder wellicht het oudste gedeel- te van het Hoofdgebouw. De scheidingtussen de Regentenkamer en de
Vestibule/Opkamer toont een koude naad in de westgevel. Hetzelfde is het geval bij de aansluiting op zuidelijke kopgevel. Deze naden zijn echter pas bij de restauratie van 1927 ontstaan. Hoewel hier- door over de relatieve ouderdom van beide ele- menten niets is op te maken, hebben we op zolder meer succes. Daar is de oostgevel onafgewerkt. Dat deel is dus nooit in het zicht geweest is. Bovendien is specie van het metselwerk van de Regentenkamer tegen het bestaande muurwerk van de Vestibule aangebracht. Voldoende argu- menten om aan te nemen dat de de Regenten- kamer jonger is dan de Vestibule. DENDROCHRONOLOGIE— Dendrochrono-
logie noemen we ook wel jaarringonderzoek. leder jaar wordt er bij een boom tijdens de groei een nieuwe jaarring aangemaakt. De dikte ervan is afhankelijk van de plaats waarde boom groeit en van de locale, jaarlijks wisselende, weersomstan- digheden. Door jarenlang onderzoek beschikken we thans over een aaneensluitende curve van jaar- ringpatronen vanaf heden tot in de Romeinse tijd. Als we een houtmonster uit een balk nemen, is het mogelijk het jaarringenpatroon van dat mon- ster te vergelijken met dat van de doorlopende moedercurve waardoor de ouderdom van de balk waaruit het monster is genomen, nauwkeurig kan worden vastgesteld. Eikenhout is het meest geschikt voor dit onderzoek. |
|||||||||||
8 Van Kan, 2000, 86 (Helaas is de bron van die medede-
ling in noot 100 niet aangegeven). Overigens laten de hierboven genoemde oude kaarten, die ruim 50 jaar |
|||||||||||
ouder zijn, op die plaats geen bebouwing zien. 9 Van
Kan, 2000, 86-87. |
|||||||||||
w
m 'Jr
i 7a
|
/N
|
|||||||||
I
|
||||||||||
lieringzolder boven de Bakkerij en de
rovenkamer. |
||||||||||
s
|
||||||||||
\
|
||||||||||
-JO WJ.H. VERWERS EN A.D. DE JONGE
|
||||||||||||||||
der gebouwd is, is niet bekend, mogelijk aan het
eind van de i5e of het begin van de i6e eeuw. Aansluitend aan dit gebouw werden in de
jaren 1525-1526 de Bakkerij, Uitdeelkamer en Vestibule opgericht (fase 3). Tenslotte werd, ver- moedelijk in 1526, de bouw van de huidige Regentenkamer gerealiseerd (fase 4). Bij Van der Leeuw wordt vermeld dat in 1583
het"Proovenhuis,"de huidige Uitdeelkamer, hoger werd gemaakt om op zolder koren te kun- nen opslaan.10 Dat betekent dat men bij die ver- bouwing de oude kap of delen ervan gebruikt heeft. Wanneer in 1547 de Celzusteren hun intrek
nemen in De Poth, wordt volgens de jaarrekenin- gen in 1546 een gebouw gerealiseerd dat als Celzusterenkamer dienst deed, zonder dat het destijds die naam al droeg (fase 5). Of het hierom volledige nieuwbouw ging, uitbreiding of verbou- wing, is onduidelijk. De dendrochronologische gegevens van de kap laten in elk geval zien dat de kap in 1547 niet in de (ver-)bouw betrokken is. In dei7eeeuw (fase 6) worden er verschillen-
de kleine pesthuisjes op het terrein van De Poth gebouwd. Daarvan heeft een aantal vermoedelijk tegen de noordzijde van de huidige Celzusteren- kamergestaan. In het midden van die eeuw heeft men de Rekenkamer/Regentenkamer verplaatst naar zijn huidige locatie. Toen is ook de schouw met de beschilderingen van Paulus Bor (cai6oo- 1669) en Matthias Withoos (1627-1703) aange- bracht. De verplaatsing in die periode was de reden om bij de restauratie in 1927 de Regenten- kamer in een ve eeuwse sfeer aan te brengen. Aan de buitenzijde van het Hoofdgebouw (zie
kleurentekeningxvn op pag. 128) blijken relatief weinig resten van de oorspronkelijke bouw bewaard gebleven te zijn. Veel metselwerk is ver- vangen, bogen boven de vensters sluiten niet aan |
||||||||||||||||
Provenkamer, Bakkerij
Vestibule en Opkamer |
||||||||||||||||
Regentenkamer
|
||||||||||||||||
□ Fase 1-2 1495 en 1520-1521
□ Fase 3 1521-1526
□ Fase 4 1526-1546
□ Fase 7-8 XVIII en xix
|
||||||||||||||||
Datering van de verschillende
vertrekken van het Hoofdgebouw. |
||||||||||||||||
nomen dat de kelder het oudste gedeelte is, ge-
volgd door de Celzusterenkameren de Uitdeel- kamer/Bakkerij/Vestibule. De Regentenkamer is het jongst, afgezien van de aanbouw waarin de woningvan de Binnenvaderen -moederzich bevindt. Deze relatieve datering krijgt meer bete- kenis door de resultaten van hetdendrochronolo- gisch onderzoek. En tenslotte moet bij de date- ringvan het Hoofdgebouw ook de oriëntatie van de overige gebouwen in ogenschouw worden genomen. In 1520 vond er in Amersfoort een grote stads-
brand plaats. Op de bewaarde kelderresten vond nieuwbouw plaats, zoals we weten uit historische bronnen uit 152.1 (in het rapport fase 2 genoemd). De nieuwbouw deed vervolgens dienst als Rekenkamer of Regentenkamer. Wanneer de kel- |
||||||||||||||||
10 Van der Leeuw, 1898, 81.
|
||||||||||||||||
HET HOFJE DE ARMEN DE POTH J\
|
|||||||||||||||||
op de dagkanten, vensteropeningen zijn later
vergroot, kruisvensters zijn gereconstrueerd etc. In de jongste fase 7-9 gaat het vooral om de
aanbouw van de woning van de Binnenvader (voor 1830), restauraties en verbouwingen in het Hoofd- gebouw. Opvallend is tenslotte dat de resultaten van
het historisch en archief-onderzoek naar het Hoofdgebouw door Van der Leeuw uit 1898 in grote lijnen bevestigd worden door het huidige onderzoek van baac. Uit deve eeuw, om precies te zijn uit 1669,
dateren ook de twee tabaksschuren aan de Coninckstraat." Een ervan maakt later, na verbou- wing in 1904, deel uit van het hofje, aangevuld |
met een rijtje van 12 woningen in het verlengde
ervan. Toen in 1893 het Pesthuis werd afgebroken, zijn de 12 woningen aan de oostzijde gebouwd. Tenslotte zijn de huisjes aan de noordzijde toege- voegd, na verkoop van de grond in 1894.12 Aan het eind van de i9e eeuw heeft het hofje
zijn huidige carré-achtige vorm gekregen. In ver- gelijking met hofjes elders in het land is het hofje De Armen de Poth dus een relatief jong bouw^ werk en kent het een enigszins afwijkende, eigen bouwgeschiedenis. Tenslotte is het aan te bevelen in de toekomst ook bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren in de Sint Rochus-kapel, zodat de geschiedenis van het gehele hofje min of meer volledig bekend wordt. |
||||||||||||||||
Ten onrechte wordt echter in de volgende alinea van het
rapport gezegd dat de vijf woningen aan de zuidzijde dateren van 1904. Het gaat hier om dezelfde huisjes. |
|||||||||||||||||
11 Hoevers 2005,156. 12 Volgens het BA AC-rapport (p.11)
werden de 6 woningen aan de Pothstraat gebouwd in 1890. Die bouw wordt ook vermeld bij Van der Leeuw. |
|||||||||||||||||
Hoevers, D.C., 'Het gemeentelijk zie-
kenhuis voor besmettelijke ziek- ten op het terrein van het Hofje Armen de Poth', jaarboek Flehite 6 (2005) 148-157 Kan, F. van, '"Die elendiche arme
mensen." De Amersfoortse |
|||||||||||||||||
LITERATUUR
Bemmel, A. van, Beschryving der stad
Amersfoort (Utrecht 1760) Braber, C. van den, 'De restauratie
van de Poth. Een terugblik', tijd- schrift Flehite 24 (1995) 48-52 |
armenzorg in de Middeleeuwen',
jaarboek Flehite 1 (2000) 78-93 Leeuw, J. van der, Het gesticht De Armen de Poth te Amersfoort (Amersfoort 1898) |
||||||||||||||||
JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||
'Wegh der weegen':
ontwerp en aanleg van de |
|||||
WECH DER WEEGEN : ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSE WEG JO
|
|||||||||
Vorig jaar verscheen de Cultuurhistorische Atlas van de pro-
vincie Utrecht. Deze beschrijft de ruimtelijke ontwikkeling van steden en landschappelijke structuren door de tijd. Bij het onderzoek bleek dat over één van de meest opvallende elementen op de zeventiende-eeuwse kaart van Utrecht, de Amersfoortseweg, vrijwel niets bekend was. Hierop beslo- ten Gedeputeerde Staten tot een aanvullende studie, waar- van in dit artikel de eerste resultaten worden gepresenteerd. Mede op basis van dit onderzoek zullen maatregelen wor- den geformuleerd die de ruimtelijke structuur van de weg beter zichtbaar zullen maken. De weg werd rond het midden van de Gouden Eeuw aan-
gelegd op de uitgestrekte heide tussen Amersfoort en Utrecht. Jacob van Campen, de architect van onder meer het Amsterdamse stadhuis, was de bedenker van de weg. Initiatiefnemers waren het stadsbestuur van Amersfoort en de Staten van Utrecht. Men beoogde niet alleen een kortere en betere verbinding tussen de beide steden aan te leggen. Het project was er ook op gericht om een groot stuk woeste grond tot ontwikkeling te brengen, naar analogie van grote droogmakerijen als de Beemster en de Purmer. De verfraai- ingvan het landschap zou hand in hand gaan met de eco- nomische ontwikkelingvan de Utrechtse Heuvelrug. |
|||||||||
De Amersfoortseweg doorsneed een uitgebreid landschap was de Amersfoortse Berg. Het was
heidegebied, dat door grootschalige boskap was een open, grotendeels boomloos landschap, nau-
ontstaan.1 Het meest opvallende element in dit welijks vergelijkbaar met dat van tegenwoordig.
|
|||||||||
1 Tot in de middeleeuwen was de Utrechtse Heuvelrug door in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Zie
geheel bebost. In de late middeleeuwen werden bossen over de ontwikkeling van het landschap van de Heuvel-
steeds zeldzamer. De boskap ging in verhoogd tempo rug Blijdenstijn 2005, p. 81-115; De Bont 1991, p. 21 e.v.
|
|||||||||
74 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
groot aantal plannen werd gelanceerd om Utrecht
op te stoten in de vaart der volkeren. Deze reeks begon met de plannen van Paulus en Hendrick Moreelse voor een enorme stadsuitbreiding. Hiervan kwam niets terecht. Een ander probleem van Utrecht was de bereikbaarheid. In de middel- eeuwen werd Utrecht gerekend tot de zeehavens, omdat toen de grootste zeeschepen de stad kon- den bereiken.5 Ook op dit punt werd gestreefd naar herstel van de oude, betere toestand. De stad lanceerde in de periode 1640-1720 een aantal plan- nen om zichzelf door middel van een verbetering van de infrastructuur een meer centrale plekte geven.6 Een kanaal zou de stad verbinden met de rivier de Eem en de Zuiderzee. Dit plan werd onder meer gefrustreerd door grondaankopen door Amsterdamse regenten. Everard Meyster combineerde in 1670 het
havenplan en de stadsuitbreiding in één megaloma- ne visie. Op de plattegrond zou de stad Utrecht als een zuivere ellips zichtbaar zijn, met een grachten- gordel die die van Amsterdam voorgoed zou doen vergeten en aan de noordzijde een ronde haven- kom en een kanaal naarde Eem.Toen kwamen het Rampjaar 1672 en de daaropvolgende Franse bezet- ting. De Rooms-katholieke Meyster werd lid van het stadsbestuur, maar de financiële slagkracht van de stad was te klein om grote werken uit te voeren. Ook Meysters plan belandde in het rijke archief van nooit uitgevoerde Utrechtse plannen. (Afb. 11) De ontwikkelingvan
Amersfoort Amersfoort was veel kleiner dan Utrecht en torste
niet de last van een groots verleden. De stad had in de jaren rond 1640 behoorlijk wat geld te verteren. |
|||||||||||
De zandige bodem en de hoge ligging maakten
het gebied ongeschikt voor akkerbouw. De belangrijkste functies waren de kap van brand- hout, schapen- en bijenhouderij en de jacht op konijnen en herten. Een ander gebruik dat grote invloed heeft gehad op het landschap tussen Amersfoort en Utrecht, was het steken van heide- plaggen. Deze werden als ondergrond in potstal- len voor schapen gebruikt. Het gebied was hier- door deels vervallen tot zandverstuivingen. (Afb. i) De stadsontwikkeling van
Utrecht: oude glorie, papieren plannen Aan het einde van de zestiende eeuw werd de oor-
log tegen Spanje verplaatst van Holland naar de landprovincies. Dit was het resultaat van een bewuste politiek, gericht op het veiligstellen van de 'Hollandse tuin', het economische kerngebied van de jonge Republiek. Zo kon de Republiek middelen genereren om de oorlog te bekostigen. De gewesten Gelderland en Utrecht waren hier- van het slachtoffer.2 De stad Utrecht, ooit veruit de grootste stad
in de Nederlanden, werd eerst ingehaald door Amsterdam, vervolgens door Den Haag, Rotter- dam, Haarlem en Leiden. Het was in de zeventien- de eeuw niet langer het bestuurlijk en cultureel centrum van Nederland, maar maakte deel uit van de periferie.3 De achterstand, die in korte tijd zo groot was geworden, was in Utrecht pijnlijk voel- baar. Het stagnerende Utrecht keek met de nodi- ge afgunst naarde enorme economische en demografische groei van de Hollandse steden. In de stad bestond de wil om Amsterdam weer in te halen en opnieuw op de voorgrond te staan.4 Een |
|||||||||||
2 Tracy 2004. 3 Zie voor een overzicht van de demo-
grafische en economische ontwikkeling van Utrecht: Bok 1994, p. 131-163. 4 Het (gedeeltelijk uitgevoerde) Amster- damse plan om een toren aan de Nieuwe Kerk te bouwen die hoger was dan de Domtoren, was ook een resultaat |
van deze concurrentiestrijd tussen de steden. De toren
was ontworpen door Jacob van Campen. 5 Sigmond 1989, p. 13. 6 Zie over de Utrechtse havenplannen Koen 1991. |
||||||||||
WECH DER WEEGEN : ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOO RTSEWEG 7C
|
|||||||||||
Dit was voor een deel te verklaren uit de groei van
de bombazijnweverij en de zijderederij.7 Maar vooral de teelten verwerking van tabak gaf de stedelijke economie een flinke impuls.8 De economische opleving had zijn weerslag
op de stadsfinanciën en daarmee op de publieke werken. Waar Utrecht het zocht in grootse plan- nen, was Amersfoort op basis van een meer realistische benadering bezig met de bouw van vestingwerken en de inrichting van stad en bui- tengebied.9 De stadsverdediging werd gemoder- niseerd; een voorbeeld is de bouw van de nieuwe voorpoorten brug buiten de Koppelpoort.10 Jacob van Campen adviseerde het stadsbestuur bij de bouw, mogelijk ook bij het ontwerp." Het stads- bestuur liet in de jaren veertig en vijftig op grote schaal houten kades in de stad vervangen door stenen kademuren.12 Dit was een kostbare opera- tie, die op termijn grote voordelen had. Stenen kades vergden veel minder onderhoud, functio- neerden beter en werden veel mooier gevonden.13 Inrichtingen beheervan wat wij 'openbare
ruimte' noemen was in de zeventiende eeuw vaak geen overheidstaak. In veel gevallen hadden de aangeërfden de verantwoordelijkheid over het |
deel van de weg of kade dat voor of over hun
grond liep. Verplicht onderhoud door particulie- ren had als voordeel dat geen beroep op de beperkte financiële middelen van de overheid hoefde te worden gedaan, maar als nadeel dat onduidelijkheden of conflicten konden ontstaan over wie nu eigenlijk wat moest doen en wie daar- voor moest betalen. Wegen rond Amersfoort
Amersfoort was in de jurisdictie, het gebied rond-
om de stad dat onder publiekrechtelijk gezag van de het stadsbestuur viel, bezig met de verfraaiing van het landschap. Het fatsoeneren en beplanten van wegen speelde daarin een belangrijke rol. Bij de verkoop van grond werd vaak als voorwaarde gesteld dat langs de wegen 'sierlijke' beplanting moest worden aangebracht.14 In toenemende mate was sprake van een gecoördineerde inspan- ning: in 1649 kregen vier leden van het bestuur opdracht om te kijken welke wegen nog beplant konden worden.15 In 1650 werd een commissie ingesteld die alle wegbeplanting moest schouwen, defecten moest repareren en rapport moest uit- brengen aan de vroedschap.16 |
||||||||||
som van meer dan vijftig gulden werden openbaar aanbe-
steed. AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 54VO (17 juli 1648). 10 Zie bijvoorbeeld AE 1-25 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 649VO (3 mei 1647). 11 Hovens 2004, p. 33-36. 12 AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 115-116 (17 mei 1649). 13 Abrahamse 2004. 14 Zie bijvoorbeeld AE 1-25 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 630VO-631 (6 maart 1647) 15 AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. ioivo (15 mei 1649). 16 AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 226VO (14 okto- ber 1650). Ook het buiten de stad gelegen kolfveld werd beplant met bomen. AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 79 (22 januari 1649). Het ging toen om een deel van het veld. Het jaar daarna werd onderzocht of de rest met "knoot-eijcken" kon worden beplant. AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 228VO (21 okto- ber 1650). Dat bleek mogelijk en de opdracht ertoe volgde een week later. AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 229VO (28 oktober 1650). |
|||||||||||
7 Zie voor een beknopt overzicht van de economische
geschiedenis van Amersfoort Herks 1967, hoofdstuk II; Halbertsma 1974, p. 52-81. De bombazijnweverij was zeer snel gegroeid en nam voor de betrekkelijk kleine stad die Amersfoort was rond het midden van de zeventiende eeuw grote vormen aan. De Vries en Van der Woude 2005, p. 344-345. 8 Zie over de Amersfoortse tabaksteelt Roessingh 1976, p. 186-194. Ouderf wordt geciteerd in een beschrijving van Amersfoort uit 1648, uitgegeven in 1693, gechreven door Theodorus Verhoeven. Roessingh wist niet wie Ouderf was, en wil mede daarom geen con- clusies trekken over de betrouwbaarheid van deze mede- deling. Hendrik Ouderff was een prominent bestuurder van de stad: hij was meerdere jaren 'cameraer', en voerde uit hoofde van die functie het beheer over de stadsfinan- ciën. We mogen er zonder meer van uitgaan dat hij wist waar hij over praatte, omdat hij direct betrokken was bij de verpachting van imposten, ook die op tabak. 9 De stad Amersfoort had daarvoor slechts een kleine organisatie tot zijn beschikking: alle stadswerken met een aanneem- |
|||||||||||
76 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
In de loop van de tijd heeft dit beleid tot resul-
taat geleid. Everard Meyster omschreef de omge- vingvan Amersfoort als een gebied dat sterken ten goede in verandering was. De beplanting speelde daarin een belangrijke rol: "Hoe goet en soet vertoont haer dese oort:/ Met Bergh en Dal, zo verr' als 't oogh kan reycken,/ Met beuck, met doorn, metyp, met els'en eycken/ Doorgaens, ronsom,en overal beplant...".17Van Bemmel beschreef de omgeving van Amersfoort als een "zeer lustigen en vermaakelyken oord". De wegen rondom de stad waren "volgens ordre en sierlyk met veelerhande soorten van Boomen beplant".18 Het feit dat de bezitters van de landgoederen die Amersfoort aan bijna alle kanten omgaven, zitting hadden in het stadsbestuur, heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de wil om het landschap vorm te geven volgens de ordeningsprincipes die ook in de landgoederen zelf werden toegepast. Bestrating vond men alleen in de steden en op
de direct erbuiten gelegen delen van de uitvals- wegen.19 Veel wegen waren buiten het zomersei- zoen onbegaanbaar. De Steenstraat van Utrecht naar De Bilt was een zeldzame uitzondering. Tussen Utrechten Amersfoort lagen meerdere
routes. Een ervan liep ten noorden van de latere Amersfoortseweg.20 Een meer zuidelijk gelegen route liep over Leusden en Zeist. Er moet over de heide tussen de steden ook nog een min of meer rechtstreekse route hebben gelopen.21 Deze wegen waren niet ontworpen, maar ingesleten in het landschap. Wegen door de heide lagen meestal |
op de laagste punten in het terrein.22 Ze hadden
vaak geen vastliggend tracé. Als de weg ergens ver- zakte of verstoof nam de weg een andere loop. In archiefstukken wordt de weg tussen Utrechten Amersfoort omschreven als 'zomerweg'.23 Kennelijk was de weg buiten het seizoen niet of nauwelijks bruikbaar. Besluitvorming en aanleg van
de Amersfoortseweg De aanleg van de nieuwe wegwas een Amers-
foorts initiatief. De oudste vermelding van de weg is te vinden in de notulen van de Amersfoortse vroedschap. Die gaf op 5 juli 1647 opdracht om een bijeenkomst te organiseren om te overleggen "hoe men op hetcierlickste sall mogen beplanten ende in goeder postuijre reguleren de wegh op den Bergh naer Utrecht". De Republiek onderhan- delde in 1647 met Spanje over vrede. Men voorzag met reden een periode van stabiliteit en economi- sche groei. Het ging niet alleen om een kortere en goed
berijdbare route tussen de beide steden, maar nadrukkelijk ook om een mooie weg. Een com- missie kreeg de opdracht om een voorlopig ont- werp ("provisioneel concept") op te stellen.24 Het ontwerp werd ingemeten en uitgetekend door een landmeter, Cock genaamd.25 In de zomer en het najaar startten de voorbe-
reidende werkzaamheden. Men liet een aantal mogelijke wegtracés in het terrein uitzetten. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd tot in de |
||||||||||
17 Met "doorgaens" wordt in zeventiende-eeuws
Nederlands "ononderbroken" bedoeld. Meyster 1655, p. 60,68. 18 Van Bemmel 1760, p. 1-3. 19 Van Bemmel 1760, p. 44. Pas in de achttiende eeuw begon men op enige schaal wegen te bestraten. In 1800 was de totale lengte aan straatwegen nog slechts 165 kilometer. Van der Woud 1998, p. 142. Zie ook Van der Meer en Van Schup- pen 1987. 20 De route van Utrecht naar Amersfoort werd ook 'Heezerspoor' genoemd. Blijdenstijn 2005, p. 94,97- 99. Ook Van Bemmel meldt dat de oude weg van Utrecht naar Amersfoort over Hees liep. Van Bemmel 1760, p. 835. |
|||||||||||
21 Zie Top 1990, p. 9 ff. In de resoluties van de Amers-
foortse vroedschap wordt gesproken over het "reguleren en in goede postuijre brengen" van de weg. Dit wijst erop dat er in enige vorm een voorloper van de weg in de buurt of op het latere tracé heeft bestaan. 22 Harten 1974. 23 UA 233-351-2 (Register van Akten en Commissies), fol. 84 en 89. 24 AE 1-25 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 659 (5 juli 1647). De commissie bestond uit de beide burgemeesters, de 'cameraer', ofwel thesaurier, vijf sche- penen en vijf leden van de vroedschap. |
|||||||||||
'WECH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG JJ
|
|||||||||||
week voorafgaand aan de volgende bespreking
van het project in de vroedschap. Deze vond plaats op 25 oktoben647. De commissie kwam met een advies naar de vroedschap.26 De heren waren meerdere malen in loco op den berch geweest en hadden daar de situatie in ogen- schouw genomen. Dit blijkt ook uit een aantal rekeningen die de stad heeft betaald aan "wagen- vrachten op de berg". Een wagenvracht was het zeventiende-eeuwse equivalent van een taxirit: de kosten van voertuigen chauffeur.27 Een deel van het geld was opgegaan aan wijn en andere pro- viand, hetgeen wijst op rondleidingen van de Amersfoortse bestuurders.28 De indrukken die op deze inspecties werden
opgedaan werden in de vergaderingvan de vroed- schap naast het "provisioneel concept" gelegd. Hieruit werd geconcludeerd dat de aanleg van de weg van de Calgenberg naarde Hoge Bilt wense- lijk en technisch mogelijk was. In de vergadering van de vroedschap werd ieders meninggevraagd over het vervolg van het project, "bijsonder haere resolutie ende inclinatie tot het maecken van de voorsz. wegh uoorsoo ueel het dese stadt aengaet". Hiermee kwam een heikele kwestie aan de orde: Amersfoort kon plannen maken zoveel het wilde, maar had buiten de eigen jurisdictie geen enkel recht van spreken. Slechts een klein deel van de weg zou binnen hetgerecht Amersfoort komen te 'iggen: de Calgenberg lag ongeveer op de grens |
|||||||||||
van de jurisdictie. Het stadsbestuur was bij de
aanleg van de weg afhankelijk van andere overhe- den. Nog afgezien daarvan stelde de vroedschap terecht dat het beter was om de weg "op een fat- soen ende uijt eener hant te doen maecken": de uniformiteit die men nastreefde in de vormge- ving, moest ook worden gerealiseerd door de uit- voering in één hand te houden. Men moest naar de Staten van Utrecht gaan met het ontwerp van de weg. Men zou de 'Edelmogenden'vragen of de gehele weg mocht worden aangelegd en of de commissie uit het Amersfoortse bestuur op- dracht van de Staten kon krijgen om de weg in het terrein uit te zetten, zodat de Staten tot een wel- overwogen besluit konden komen. De stad Amersfoort trachtte hiermee op een diplomatieke manier de verdere planningen uitvoering in eigen hand te houden. Twee dagen na de bespreking in de vroed-
schap van Amersfoort werd het plan besproken in de Statenvergadering. De Amersfoortse burge- meester Van Wijnbergen had de door Gerrit Cock getekende kaart bij zich en vertoonde die aan de heren. Er werd niet zonder meer beslist dat Amersfoort kon verdergaan met het uitzetten van het wegtracé in het terrein. De Staten stelden zelf een commissie in, die moest adviseren over het Amersfoortse plan.29 Deze commissie bestond uit drie mannen, vanzelfsprekend allen lid van de Staten van Utrecht: de heer van Drakesteyn, sche- |
|||||||||||
aan burgemeester Johan van Wijnbergen, die later in de
Staten als woordvoerder van het stadsbestuur zou optre- den bij besprekingen over de weg. Hij ontving negenen- twintig gulden "ter saecke van de wagenvrachten gedaen op de Amersfoorder Berch [...] in 't visiteren, besichtigen ende affbaecken van den selve voorgenomen wech". Voor dit bedrag zal een aantal bezoeken zijn afgelegd, want een dagtocht in een wagen kostte inclusief paard en koetsier niet meer dan drie a vier gulden. 28 AE 1-959 (Bijlagen bij de rekeningen 1647), ongenummerd (29 januari 1647). 29 UA 233-232-22 (Resolutiën Staten van Utrecht), 27 oktober 1647. |
|||||||||||
25 AE 1-25 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 686-
686vo (25 oktober 1647). We mogen ervan uitgaan dat het hier gaat om de in Amersfoort wonende landmeter Gerrit (of Gerard) Cock, die in 1642 door de Staten werd toegela- ten tot het ambt. UA 349-23 (Register van akten, commis- siën en instructiën), fol. 200VO-201 (21 januari 1642). Van deze landmeter zijn in de literatuur en online inventaris- sen geen kaarten terug te vinden. Zie ook Muller en Zandvliet 1987, p. 105. Hier wordt de admissie gesteld op 28 oktober 1642. Dit heeft waarschijnlijk te maken met een admissie door de Staten op voordracht van het Hof. 26 AE 1-25 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 686-
686vo (25 oktober 1647). 27 Het meeste geld werd betaald |
|||||||||||
■its e
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De Amersfoortse-
weg op een uit- snede van de pro- vinciekaart van Bernard de Roij uit 1696. De weg is hierop in zijn 'ideale' vorm weer- gegeven. Langs beide zijden zijn vakken van hon- derd bij honderd roeden getekend. Een aantal huizen en de namen van hun eigenaren zijn eveneens vermeld. De vakverdeling is niet weergegeven in de eigendom- men van Anthonie Carel Parmentier en David Godin, de beide grootgrond- bezitters aan het westelijk uiteinde. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■'■■■
; 1 - |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
t B "ïfe .....#:%SS::*^'i! , ...
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
"■'".Ma __________
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
s'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
» -^ *-■*■ \s »; \f u.\\s B f o s k j' .»
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
O O X T ~^S TL
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
«5 ,, ster: -A *r f
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
s*&#,
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■>'4A
h |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I ?'" f.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'*7 1^
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
J^, -^B' .Jfc^'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
f
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.:.;....■'.',,,,.■„ «a? ^^=ss-
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
a -n Do -/6 -«<•«•, ri •• 1
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
sn
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
:*■■'■-■'■■-■' K.lvnC,ivcJj.: i 7 . *-.,J,tlffV * > ■ I
'. V Tg O/ <J
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
barden N '; f; K ]- -l>-, -V « #
'%,'j.^ © é£ S* ^""
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Yr,;v' M
..o*%-- V
|
r>\ ïvCchto.s >]
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
^ ^--fS ^' *
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ü ai fr^;'"^^'J
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
#
% |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
T ,-
|
""Jr
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De Amersfoortse-
weg op een uit- snede van de pro- vinciekaart van Bernard de Roij uit 1696. De weg is hierop in zijn 'ideale' vorm weer- gegeven. Langs beide zijden zijn vakken van hon- derd bij honderd roeden getekend. Een aantal huizen en de namen van hun eigenaren zijn eveneens vermeld. De vakverdeling is niet weergegeven in de eigendom- men van Anthonie Carel Parmentier en David Godin, de beide grootgrond- bezitters aan het westelijk uiteinde. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
U,-t,n ',£.««
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
""' SLiÜrïs
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
;^'r-:-r , '
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
J\r
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
:; y JgHMt-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
' l' l'-v" ',' g N
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.1 **^._,.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
MJüiorrcMS
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
^ -J'*-. ^^
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
"A "
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
. ^ .-•-■•' ^
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
«1 ;ï
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■■'/... jgsari
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 v.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
4R ;:;.£*»."
} _ 'Ht* '-*■■•
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
W- i
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
i
1 !
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■ -z> ^ jvv a
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I /•
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-w
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
litvrnr Sï«r\
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■'<■.:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
!i IÉ3
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
TST:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
JA
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
i ■ *5 ;.' i
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
4#4
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jl\JL
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
*
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■ISdi Ik :
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
?3?
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
•-** 1
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
m
|
• t
|
| h I n
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
•V'
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
£H5
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'~j£&
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
o
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
. .. ..:.-,■
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.'/'ty.vhotcn
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I ^ ^i^MP^-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■*^^
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
; ■
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\>
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
u
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-W$
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'^, j ^r'V* I
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-: --* -7. . - . ..■;■■' ■•.
••"'t-1,.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
#':
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jfon S T. ^ /
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
a,......... -/.:f"
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
,."' ■ ƒ
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
3
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
';«
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
fttiSv/^
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
m
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
"■".. ifllBc"
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Èr^ïMm ■: *&"
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
JS
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 SWHS^fVN
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
>v
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'iïJllTKEI
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
3t\rf..........r8^.......sr ^WiMM , w
fel T G ,> f* tffeS « f!' V X^ D 0-/> ,VJ «., J| ., ,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'|■»•"/' |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'aBKj
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\1
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
J
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
V:l>-'"';' '..''■-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ë
' yechtens
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'«,,.-,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
i D 4\.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\./'K^;«r.....§»>.«« j&jï
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
«/j .,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
^ei.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ks
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■______
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
B 11
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
0 1: c k i
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
fM.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
80 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
koop, of zelfs voor niets, te kunnen uitvoeren. Met
de aanleg van de vakken kreeg het project echter ook een bredere doelstelling: het ging niet alleen om infrastructuur, maar ook om landinrichingen economische ontwikkelingvan de woeste grond. Men poogde in te spelen op de economische dynamiek van de buitenplaatsen. De Amers- foortse weg werd hiermee een project dat in zijn doelstellingen vergelijkbaar is met de grote droogmakerijen. De vakken zouden 25 roeden diep zijn, maar
wie een huis bouwde opzijn grond zou nog 50 roe- den daarachter in eigendom krijgen.33 Een aantal vakken zou toevallen aan de stad Amersfoort, die hiervoor op zoek moest naar investeerders. De Amersfoortse vroedschap keurde het idee goed en gaf de commissieleden uit haar midden carte Man- che om de zaak verder af te handelen, 'tot finale resolutie ende voltreckinge toe'. Ondertussen zou men in Amersfoort op zoek gaan naar investeer- ders in het project, dat er-althans op papier-zeer gunstig uitzag: men kon gratis een grote kavel grond krijgen, waarbij men als tegenprestatie het deel van de weg dat voor die kavel lag, moest beplanten en onderhouden. Wie er een huis op zette en dat zelf zou gaan bewonen, kreeg een driemaal zo grote kavel. De eerdere ambitie om uitvoering in één hand te houden werd hiermee verlaten. Van een overheidsproject was de Amersfoortsewegeen publiek-private samenwer- king geworden, waarbij moet worden opgemerkt dat de scheiding tussen publiek en particulier belang niet altijd even scherp was, zoals we vooral in het geval van Parmentier zullen zien. |
|||||||||||
pen Werckhoven van de stad Utrecht en Anthonie
Carel Parmentier, heer van Heeswijk en groot- grondbezitter in het gebied waar de weg zou wor- den aangelegd.30 Het Amersfoortse project behelsde op dat
moment uitsluitend een weg. Er was nog geen sprake van de uitgifte van grond langs de weg, zoals die later zou plaatsvinden. Op 5 mei 1648 besloten de Staten op basis van
het advies van de drie heren dat de voorbereidin- gen voorde aanleg zouden worden voortgezet. Een vierde lid werd toegevoegd aan de commissie: Johannes Heurenius, rentmeester van de domei- nen van de Staten van Utrecht. Men besloot het project te agenderen voor de volgende Staten- vergadering.31 Maar daar kwam niets van terecht. Op 17 mei
1649, meer dan een jaar later, was er nog niets gebeurd. Het geduld van de Amersfoortse vroed- schap raakte op. Men nam contact op met de Staten en bood hulp aan bij het vervolgvan het project. Desnoods zou Amersfoort de weg alvast op eigen kosten met greppels ("kielspitting") laten markeren.32 Op 25 juni 1649 kwam het bericht van de com-
missie van de Staten. De Statencommissie had een nieuw element toegevoegd aan het project. Hierin ligt waarschijnlijk de verklaring voorde lange onderzoeksperiode. Het ging niet langer uit- sluitend om een weg over de hei. Men wilde de grond aan beide zijden van de weg uitgeven aan particulieren. Hiermee deed het idee van de 'vak- ken'zijn intrede. De gronduitgifte was ongetwij- feld ingegeven door de wil om het project goed- |
|||||||||||
werd de roede decimaal verdeeld en bedroeg een voet dus
0,376 meter. In Amersfoort werd voor dijkwerk met Rijnlandse maten, voor het overige met Amsterdamse maten gewerkt. Verhoeff 1982, p. 3, 80-81. We moeten ervan uitgaan dat de Staten het project zelf hebben laten uittekenen en uitzetten en dat met de recenter ingevoerde land(meters) voet hebben gewerkt. Dat komt neer op een roede van 3,76 meter, bestaand uit 10 voet. |
|||||||||||
30 Zie over het grondbezit van Parmentier: Damsté 1978,
p. 27-30; Gewin 1916, p. 67-68.. 31UA 233-232-23 (Resolutiën Staten van Utrecht), 5 mei 1648. 32 ae 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 104 (17 mei 1649). 33 AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 109VO-110 (25 juni 1649). J.M. Verhoeff geeft de vol- gende maten: een (stads)voet is tien duim ofwel 0,268 meter, een roede is 14 voet ofwel 3,76 meter. Als landmaat |
|||||||||||
'WEGH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG 8l
|
|||||||||||
De weg naar de Galgenberg
Ondertussen zat men in Amersfoort niet stil. Men
was, in afwachting van de gewestelijke besluitvor- ming, aan de slag gegaan met het rechttrekken en beplanten van de weg die van de Utrechtsepoort naar de galgenheuvel liep.39 Het bestaande deel van de route naar Utrecht zou de aansluiting vor- men van de stad Amersfoort op de nieuwe weg. Dit wegvak viel onder de stedelijke jurisdictie, maar was in beheer bij de aangelanden. De aange- landen kregen de verplichting opgelegd om de weg te beplanten met eikenloten, "tot cieringe ende affbaeckinge" van de weg. Sommige grond- eigenaren weigerden om 'hun' gedeelte van de weg te beplanten. Op 26 februari 1649 werd een ultimatum gesteld: binnen veertien dagen moest de beplanting in orde zijn. Wie dat niet deed, ris- keerde aanleg van stadswege op zijn kosten met daarbovenop een boete.40 Maar ook dit dreige- ment maakte geen indruk op sommige eigenaren. Zij werden op het stadhuis ontboden.41 Lang- zamerhand kreeg men de eigenaren in het gareel en werd de weg beplant. Onder en buiten de Utrechtsepoort werd de weg in 1653 schoonge- maakt en opnieuw bestraat42 Ook dit wegvak werd beplant.43 Het resultaat van deze inspanning is te zien op de kaart van De Roij. |
|||||||||||
Het wachten was nu op de besluitvorming.
Die verliep traag. Pas op 23 oktoberi6so, tweeën- halfjaar na de opdracht, kwamen de commis- sarissen van de Staten met hun advies. Dit rapport of 'project', waarschijnlijk een geschreven stuk dat veel lijkt op het uiteindelijkgoedgekeurde stuk, werd niet besproken, maar uitgedeeld aan de Statenleden, zodat die de inhoud konden bestude- ren.34 Meer dan een jaar later werd de bestuurlijke impasse doorbroken. De Staten van Utrecht gaven de Gedeputeerde Staten een volmacht om het pro- ject uit te voeren en kenden het een subsidie toe van 2500 gulden.35 Dit was een zeer laag bedrag voor een megaproject als de Amersfoortseweg. Met deze volmacht verliet het plan het stadium van eindeloze discussies.36 Vanaf toen kon men beslis- singen nemen zonder ruggespraak met de alle ste- den en de Ridderschap. Op 12 augustus 1652 beslo- ten de Gedeputeerden tot aanleg van de weg.37 De reactie van de stad Utrecht op het plan
getuigt van weinig interesse. De vroedschap wijd- de er niet meer dan één regel aan: de Staten mochten hun gang gaan, de stad zag het belang er kennelijk niet van in en wenste zich er verder niet mee bezig te houden.38 |
|||||||||||
naer van Arien Henricksz.", vier gulden van de stad
Amersfoort voor het afbakenen van de weg op de berg. AE 1-959 (Bijlagen bij de rekeningen 1647), ongenum- merd (20 december 1647); AE 1-614 (Kleine rekeningen Amersfoort), 1648, ongenummerd, ongedateerd. 40 AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 86vo (26 februari 1649). 41 AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 88-88vo (5 maart 1649). 42 In de reke- ningen worden de daghuren van stratenmakers en sjou- wers en de kosten voor bezems en gereedschap vermeld. AE 1-619 (Kleine rekeningen Amersfoort), ongenummerd (31 september-24 december 1653). 43 Dat blijkt uit de bet- aling van arbeidsloon voor het rooien en planten van bomen. Deze waren afkomstig van het landgoed van bur- gemeester Van Dam en werden buiten de Utrechtsepoort geplant. AE 1-619 (Kleine rekeningen Amersfoort), onge- nummerd (31 december 1653). |
|||||||||||
34 Het rapport is niet opgenomen in de stukken. Voor
zover bekend is er geen exemplaar bewaard gebleven. UA 233-232-24 (Resolutiën Staten van Utrecht), 23 oktober 1650. 35 UA 233-232-25 (Resolutiën Staten van Utrecht), 31 december 1651. 36 De Gedeputeerde Staten vormden het dagelijks bestuur van het gewest. De Gedeputeerden hadden veel macht. Het algemene beeld is dat de Gedeputeerden gemachtigd waren om uitsluitend zelf- standig beslissingen te nemen over zaken van minder belang, maar dat in de praktijk alle besluiten die de Staten namen, werden voorgekookt door de gedeputeerden. 37 UA 233-264-57 (Resoluties Gedeputeerde Staten), 12 augustus 1652; een kopie bevindt zich in s AV V (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-04, onge- pagineerd (12 augustus 1652). 38 UA 121-24 (Resoluties vroedschap Utrecht), fol. 82 (31 december 1651, 5 januari 1652). 39 In december 1647 kreeg een zekere "Reijer, die- |
|||||||||||
82 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
Het project op papier
Het project, zoals dat op 12 augustus 1652 werd
goedgekeurd door Gedeputeerde Staten, telde zestien punten of'artikelen'. Samengevat werden in dit stuk de volgende zaken geregeld. Allereerst werd het bestek van de weg vastgesteld; alle maten werden gespecificeerd, zodat de eigenaren precies zouden weten wat ze moesten aanleggen. De weg zou maar liefst zestien roeden (60,16 meter) breed zijn. Van bestrating was geen spra- ke; de Amersfoortseweg is tot het begin van de negentiende eeuw een zandweg geweest.44 Aan beide zijden werd een wal van drie roeden (11,28 meter) breed aangelegd, die uit zoden werd opge- zet. De wal moest aan de wegkant vier voet hoog zijn, aan de buitenkant drie voet. De weg lag dus een voet verdiept.45 Op de wal moesten twaalf rijen "goed, gaeff ende wasbaereijken heghout" worden aangeplant. Net als de weg zelf zou deze aanplant "op een egale en rechte linie" komen te liggen. Op de weg zouden aan wederzijden drie rijen eikenloten worden geplant. Als een boom doodging, moest die in het eerstvolgende plant- seizoen worden vervangen. In de as van de weg moesten drie rijen abelen worden geplant. De beplantingen de wallen dienden om overstuiving van de weg te voorkomen. Het was op de heide |
gebruikelijk om landgoederen en wegen te omge-
ven met hegwallen, omdat anders iedere grond- verbetering en aanplant door het stuifzand teniet gedaan werd.46 Om de honderd roeden, langs de randen van
de vakken, moest een zijweg ("sortie") worden aangelegd met een breedte van drie roeden. Deze sorties zouden net als de weg zelf worden bewald en beplant, maar dan met een enkele rij eiken. Deze doorgangen op regelmatige afstanden dien- den om de gemeenschappelijk gebruikte heide aan weerszijden van de weg bereikbaar te houden, ondanks de doorsnijding van het gebied door de wegen de vakken. Al snel na de vaststelling van het project wer-
den de vakken (en de subsidie van 2500 gulden) verdeeld. Ook werd het project op een aantal pun- ten gewijzigd.47 De aanplant van abelen midden op de weg werd vooralsnog uitgesteld.48 De sorties moesten niet drie, maar vijf roeden (18,8 meter) breed worden.49 De schaal van het project werd hiermee nog groter dan eerder gepland. (Afb. 111) Grondbezit en gerechtsgrenzen
Met de aanleg van de weg werd inbreuk gemaakt
op de eigendoms- en gebruiksrechten van de grond. De grond die werd vergraven ten behoeve |
||||||||||
weg werden geplant, kwamen niet op tien, maar op
twaalf voet van elkaar te liggen. Hieruit blijkt dat men de bomen wilde laten uitgroeien en ze niet als hakhout of haag wilde laten functioneren. Buis 1985, p. 636-647. 48 Parmentier had op zijn gedeelte van de weg al abelen geplant. Hij was waarschijnlijk de enige. Het lijkt erop dat de bomen in 1662 weer zijn verdwenen. H AV, acte 8 (2 juni 1662). 49 Verder werd bepaald dat de eerste sortie op 70 roeden boven het gerecht van Zeist zou komen te lig- gen, de tweede aan de zuidzijde zou beneden 'den Dijstel' komen te liggen. Dit kon niet anders, omdat het land in particuliere handen was. De derde sortie zou boven het erf van de Dijstel zijn. ua 1055-11 (Losse stukken, beho- rende tot het archief van de Staten, 1646-1653), no. 293, 20-20C, 2-14-1, tussen 12 augustus en 17 december 1652 [datering JEA]. |
|||||||||||
44 Er is wel verondersteld dat al in de zeventiende eeuw
een straatweg werd aangelegd. Dit is onjuist. Zie bijvoor- beeld Van Groningen 2003, p. 16-17; Blijdenstijn 2005, p. 98-99. 45 Dit gebeurde waarschijnlijk om de hagen beter te laten groeien. 46 Dat blijkt uit een rekest van Guillelmo Bartolotti uit 1654, waarin hij de Staten vraagt om een stuk grond bij Heuvel en Dael te mogen overne- men. Een transcriptie is te vinden in Hepp 1992. 47 Het rapport van de commissie daaromtrent werd door Gedeputeerde Staten besproken en vastgesteld op 17 december 1652. UA 233-264-57 (Resoluties Gedeputeerde Staten), 17 december 1652. De samenstelling van de com- missie was in november gewijzigd. Burgemeester Wijck van Utrecht nam de plaats in van burgemeester Leeuwen. UA 233-232-26 (Resolutiën Staten van Utrecht), 2 novem- ber 1652. De rijen eikenloten die aan weerszijden op de |
|||||||||||
'WECH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG 83
|
|||||||||||
van de weg viel onder drie gerechten. Aan het
oosteinde lag Amersfoort; aan het andere uitein- de lag Zeist. Daartussen in lag het dorpsgerecht Soest. De aanleg was in het gerecht Amersfoort geen probleem: het stadsbestuur was initiatiefne- mer van het projecten had zelfde zeggenschap over de gemene grond onder zijn jurisdictie. Onder Zeist was de grond in eigendom bij twee grootgrondbezitters: aan de zuidzijde van de weg lag het bezit van Anthonie Carel Parmentier, heer van Heeswijk en lid van de Staten van Utrecht.50 Hij was er eigenaar van (onder veel meer) de hof- stede 'De Gulden Hoeve', alias 'De Klomp'. Parmentier had als bestuurder een belangrijke stem in aanleg en onderhoud van de infrastruc- tuur; hij zat in de Statencommissie die de besluit- vorming had voorbereid.51 Aan de noordzijde was de grond in particulier
bezit van David Godin. Hij was geen lid van de Staten, maar wel drost van Maartensdijken dus voorzien van een goed netwerk in het landsbe- stuur.52 Hij was in een vroeg stadium op de hoog- tevan de aanleg van de weg. Hij had in 1649 een groot stuk grond gekocht, dat behoorde tot het geseculariseerde bezit van de abdij van Oost- broek. De Staten verkochten hem de grond onder voorwaarde dat bij aanleg van de weg de daarvoor benodigde grond kon worden teruggekocht voor dezelfde prijs. Metditanti-speculatiebedingwerd |
voorkomen dat Godin meer kon vragen voor de
pas aangekochte grond.53 Hij kon geen winst maken op de grond zelf, maar wel rekenen op de waardevermeerdering van de grond langs de weg. Met de beide heren werden afspraken gemaakt over de aanleg van de weg. Maar bij de verdeling van de subsidie van 2500 gulden kwamen zij er ook niet slecht af. Het overgrote deel van het geld ging naar de vakken die waren toegekend aan- Parmentier en Godin. De beide heren kregen alle- bei 1020 gulden.54 De nieuwe eigenaren van de overige vakken kregen allemaal 20 gulden.55 We moeten de subsidie die aan Parmentier en Godin werd toegekend zien als relatiegeschenk van de Staten. Parmentier heeft vaker laten zien zijn Statenlidmaatschap en zijn status van groot- grondbezittergoed te kunnen combineren zon- der daar zelf slechter van te worden. In het geval van Godin bestond de mogelijkheid dat hij zou gaan dwarsliggen. Waarschijnlijk moet het bedrag dat hij ontving worden gezien als een (geslaagde) poging om dat te voorkomen. Bleef nog één belanghebbende over: het dorp
Soest en zijn inwoners. Deze waren stelselmatig genegeerd. Op 11 januari 1654, dus lang nadat het project door de Staten was vastgesteld, stuurden de buurmeesters, schepenen en ingezetenen van Soest een brief naar de Gedeputeerde Staten.56 Men meldde dat het dorp grote schade zou |
||||||||||
50 UA 233-231-26 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol.
214. 51 Parmentier zette zijn lidmaatschap van de Staten op regelmatige basis in ter behartiging van persoonlijke belangen. Zo was hij ook betrokken bij aanleg van de Zeister Vaart, die aansloot op de Biltse Grift. Het doel van zijn bemoeienis was een betere afwatering van zijn grondbezit. 52 Dat blijkt uit het feit dat zijn zoon Johan Louis Godin (1639-1688) wel Statenlid werd. Zijn andere zoon Carel was getrouwd met Elisabeth Parmentier, dochter van Anthonie Carel Parmentier. 53 UA 49-1592, fol. 142 e.v. (2 juni 1653), Transportacte Oostbroek. De rentmeester van Oostbroek heeft op 19 februari 1649 een hofstede met 32 morgen en 245 roeden land aan David |
Godin verkocht. Drie morgen en 290 roeden zijn op het
moment van transport al vergraven ten behoeve van de Amersfoortseweg. Zie ook Zie ook UA 49-1592 (Dorpsgerechten; De Bilt (11 juni 1653). 54 Ten oosten van de vakken van Parmentier en Godin lagen 23 vakken. Die kregen ieder 20 gulden. Bleef over 2500-460-2040 gulden, die verdeeld moet zijn tussen de beide heren. 55 UA 1055-11 (Losse stukken, behorende tot het archief van de Staten, 1646-1653), no. 293,20-20C, 2-14-1, tussen 12 augustus en 17 december 1652. 56 UA 233-232-27 (Resolutiën Staten van Utrecht), 14 februari 1654. Dit zal niet de eerste keer zijn dat deze kwestie door de inwoners van Soest bij de Staten werd aangekaart. |
||||||||||
84 jaap evert abrahamse
|
|||||||||||
komen te lijden door de aanleg van de vakken op
de heide die al sinds mensenheugenis tot de gemene gronden van het dorp hoorde.57 Maar de belangen van Soest wogen niet op
tegen die van de Staten en de eigenaren van de vakken. Het project was al door de Staten vastge- steld. In de jaren erna heeft Soest, blijkens de rekeningen van de buurmeesters, nog een aantal malen gepleit voor behoud van de "gemeente".58 Het dorp had een advocaat in de arm genomen.59 Maar het project was niet meer te keren. Soest leverde een achterhoedegevecht. (Afb. iv en v) De uitvoering en beplanting van
de weg Na de vaststelling van het project door de Staten
in decemben652 kon men beginnen met de werk- zaamheden. Het egaliseren ("applaneren") van het wegdek en de vakken in het heuvelachtige gebied en de aanleg van de wallen zal veel grond- verzet hebben gevergd. (Afb. vi) De stad Amersfoort moest nu ook buiten de
|
eigen jurisdictie aan de slag: men was er niet in
geslaagd alle vakken over te doen aan particuliere investeerders. De vakken die men niet had kun- nen uitgeven, bleven aan de stad, die daarmee ver- antwoordelijk was voor aanleg en beplanting van een flink deel van de weg. In april 1653 werden bedragen betaald voor het rooien en planten van eikenloten en voor het graven van plantgaten. De bomen op de Amersfoortseweg groeiden
niet vanzelf. De beplanting van wegen met bomen op de schrale heidegrond vereiste enige dendrolo- gische kennis. De bomen moesten in plantgaten worden gezet, waarin vruchtbare grond was aan- gebracht. In tijden van droogte was irrigatie ver- eist. De nieuwe aanplant op de heide werd omwonden met doorns, om vraat door konijnen en herten te voorkomen.6" De keuze van de boomsoorten, in eerste instantie eiken en abelen, later alleen eiken, was weloverwogen. Deze soor- ten groeien in principe goed op zandgrond. De meeste bewoners van de weg zullen als bezitters van landgoederen wel enige kennis in huis hebben |
||||||||||
57 De indieners hadden al "irreprochabel bewijs" van
hun rechten op de betreffende heide aan de Staten voor- gelegd. 58 GS m-II(Oud-archief Soest, register van reke- ningen van de buurmeesters, 1632-1654), ongenummerd (12 maart 1656). Het is niet uitgesloten dat de volgende vergoedingen voor reis- en verblijfkosten ook wijzen op de bemoeienis van de schepenen: GS 111-II (Oud-archief Soest, register van rekeningen van de buurmeesters, 1632- 1654), ongenummerd (8 december 1654); GS 111-II (Oud- archief Soest, register van rekeningen van de buurmees- ters, 1632-1654), ongenummerd (19 februari 1655); GS 111- II (Oud-archief Soest, register van rekeningen van de buurmeesters, 1632-1654), ongenummerd (11 maart 1655). 59 GS 111-II (Oud-archief Soest, register van rekeningen van de buurmeesters, 1632-1654), ongenummerd (26 april 1656). Het is niet duidelijk hoe de Staten verder hebben gereageerd en of er bijvoorbeeld schadevergoeding is betaald. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig in de archieven van de Staten en de Gedeputeerde Staten. 60 AE 1-619 (Kleine rekeningen Amersfoort), ongenummerd (7 april 1653). In het archief zijn betalingen voor de aan- koop van bossen doorns te vinden. AE 1-619 (Kleine reke- ningen Amersfoort), ongenummerd (19 april 1653). |
Hetzelfde geldt voor het arbeidsloon van het grondverzet
op de berg. AE 1-619 (Kleine rekeningen Amersfoort), ongenummerd (26 juni 1653). Om vraat te voorkomen, mochten de pachters op de Amersfoortse Berg geen konijnenbergen of-holen hebben binnen 100 roeden van aangrenzende particulier gebruikte landen. AE 1-314 (Request van de heer van Sijpesteijn), ongedateerd. 61 UA 233-232-26 (Resolutiën Staten van Utrecht), 30 maart 1653. 62 Gegevens over de weg zijn dan ook niet alleen te vinden in de archieven van de betrokken overheden, maar ook in een aantal huisarchieven en familiearchieven van eigenaren van vakken. Stukken afkomstig uit Amersfoort zijn in het huisarchief van Houdringe terechtgekomen; de eigenaar van Houdringe was ten tijde van de aanleg van de weg Mare Mamuchet, schout van Amersfoort. Dit laatste blijkt uit De Jong 1983, p. 20; Gewin 1916, p. 68. Het is mogelijk dat Mamuchet als vertegenwoordiger van de stad Amersfoort, die eigenaar was van een aantal vak- ken, is opgetreden. Verder is voor deze studie gebruikge- maakt van afschriften van stukken uit het huisarchief van Vollenhoven. De eigenaar van Vollenhoven, J. Wtenbo- gaert, staat vanaf 1655 vermeld als participant. |
||||||||||
'WEGH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG 85
|
|||||||||||
gehad over de aanplant van bomen. Parmentier
was in 1653 klaar met het beplanten van zijn deel van de Amersfoortseweg.61 Vergaderingen in Huis
ter Heide De Amersfoortseweg was een publiek-privaat
project. De eigenaren van de vakken waren ver- plicht de weg aan te leggen en te onderhouden.62 De weg werd in onderdelen uitgevoerd door de verschillende eigenaren; nergens blijkt dat zij een aannemer het werk voor gezamenlijke rekening lieten doen. Na de uitgifte van de grond trad de gewestelijke overheid alleen nog op als voorwaar- den die waren verbonden aan de gronduitgifte niet werden nageleefd. De eigenaren van de grond kwamen op gezette tijden bijeen in de herberg Huis ter Heide. Tijdens een maaltijd werd gespro- ken over aanleg en onderhoud van de weg. De eigenaren besloten in 1653 op eigen houtje om een wagenspooraan te leggen.63 In maarti655 kwamen de deelnemers bijeen.
Men had vastgesteld dat de weg in de winter en bij regenachtig weer niet berijdbaar was. Daarom werd aan de zuidzijde een sleuf gegraven. Het zand dat daaruit kwam, werd op het wegdek aan- gebracht, waarmee een "winterwech" zou ont- |
staan. Deze zou drie roeden breed zijn en één
voet hoger komen te liggen.64 Op sommige plek- ken was de weg zelfs in de zomer niet bruikbaar. De eigenaren van "defectueuse" vakken werd opgedragen om in die orde te brengen. In augus- tus van hetzelfde jaar kwamen de participanten opnieuw bijeen om vast te stellen of de eigenaren zich hielden aan de gemaakte afspraken. Dat bleek niet het geval. De weg was langs de meeste vakken niet volgens afspraak aangelegd. Veel eige- naren kwamen niet opdagen. Zelfs de vakken van initiatiefnemer Amersfoort waren niet in orde. Men sprak af dat de weg vóóri oktober zou wor- den opgeleverd conform de eerdere afspraken. De beplanting, de aanmaak en afbakening van de vak- ken en de wallen moesten opi mei 1656 klaar zijn. Deze keer werden de nalatige eigenaren harder aangepakt: afgevaardigden van de eigenaren zou- den de Staten verzoeken om het werk aan te besteden en te laten uitvoeren op kosten van de nalatigen. Daarboven zou als boete nog een derde deel van de aanneemsom in rekening worden gebracht.65 Zo'n vaart zou het niet lopen. De nala- tigen kregen alsnog de kans om hun belofte in te lossen.66 In maart 1656 werd een bode naarde nalatige eigenaren gestuurd om het ultimatum kracht bij te zetten.67 Veel heeft het niet gehol- |
||||||||||
hadden ontvangen. 65 SAVV (Gemeente De Bilt; archief
Houdringe) 647-11-09-1, ongepagineerd (20 augustus 1655); H AV, acte 4 (20 augustus 1655). Er ontbrak van alles aan de vakken van de volgende eigenaren: Parmentier, Godin, Van Sandenburch, Schade, Van Linschoten, Constant, Nijenrode, Van Hoorn, Cock, Van Ommeren, Heuff en de stad Amersfoort. Het archief bevat een onge- signeerde kopie: SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-09-2, ongepagineerd (20 augustus 1655). 66 SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-n, ongepagineerd (29 november 1655); hav, acte 6 (29 november 1655). De westelijke helft kreeg een voet- pad aan de noordzijde, de oostelijke helft ("van de halve galg tot Amersfoort") aan de zuidzijde. 67 S AV v (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-12, onge- pagineerd (29 november 1655/22 maart 1656). |
|||||||||||
63 SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-
07, ongepagineerd (4 augustus 1653). De eigenaren spra- ken af dat zij het spoor binnen zes weken zouden aanleg- gen. Er werd tijdens de vergadering voor 116 gulden gege- ten en gedronken; dit blijkt uit een aantekening onderaan het stuk. Kennelijk heeft een van de deelnemers zich opgeworpen als secretaris van het gezelschap. 64 Deze zou drie voet diep en een roede breed worden. SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-08-1, ongepagineerd (24 maart 1655); HAV.acr.e5 (24 maart 1655). Het archief bevat ook twee niet ondertekende kopieën van dezelfde datum. SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-08-2, ongepagineerd (24 maart 1655); SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647- 11-08-3, ongepagineerd (24 maart 1655). Deze waren ken- nelijk overgebleven nadat alle eigenaren een exemplaar |
|||||||||||
86 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
en werd een boete gesteld. Twee beheerders wer-
den aangesteld om dit verbod te handhaven.73 ' Wegh der weegen': het ontwerp
van de Amersfoortseweg De Amersfoortseweg was een revolutionair pro-
ject. De weg leek in niets op enige bestaande weg in de provincie Utrecht of in de Republiek. De Amersfoortseweg was in de eerste plaats onvoor- stelbaar breed, vele malen breder dan welke weg dan ook. De breedte van de weg werd door Constantijn Huygens benadrukt in een beschrij- ving op rijm van een tocht van Amersfoort naar Utrecht. Hij sprak van "d'allerbreedste Straet van d'allerbreedste Straten".74 Tot de komst van autosnelwegen in de twin-
tigste eeuw zijn in Nederland geen wegen van deze breedte aangelegd. De breedte bedroeg zes- tien roeden, meer dan zestig meter. De breedste wegen in het gewest Utrecht waren in de zeven- tiende eeuw de heerwegen. Die hoefden volgens het reglement niet breder te zijn dan nodig was om twee wagens elkaar te laten passeren. Ook verder werden aan wegen niet meer dan primaire praktische eisen gesteld.75 Het ontwerp van de Amersfoortseweg kwam
voort uit het klassieke ideaal van een weg/6 In de Renaissance trachtte men de essentie van de klas- sieke architectuur, stadsaanlegen landinrichting te doen herleven door de studie van aanvankelijk |
|||||||||||
pen: vier jaar later waren nog steeds delen van de
wegonbeplant.68 De datum waarop individuele eigenaren hun
gedeelte klaar moesten hebben, schoof steeds op. De wegwas nooit af: het verval trad in op het moment van oplevering van een deel van de weg. Op de droge heidegrond was het verval een snel voortgaand proces. Keer op keer moesten de Staten de eigenaren van de vakken eraan herinne- ren dat de weg volgens het'project'van 1652 beplant moest worden en blijven. Meermalen werd gedreigd met het afnemen van vakken. Dit gebeur- de in 1674,1684,1700,1708 en 1733.69 Blijkens een inventarisatie van wegen was de Amersfoortseweg in 1736 ook in de winter bruikbaar.70 In 1773 was de weg opnieuw ernstig in verval geraakt. Ook het gedrag van de voerlieden op de
Amersfoortse wegwas een bedreigingvoorde beplanting. Het wagenveer van Utrecht naar Amersfoort reed minimaal eenmaal per dag, afhankelijk van de hoeveelheid vrachten het aan- tal reizigers.71 Sommige koetsiers reden niet over de weg, maar door de aangeplante bomen. Die waren steviger dan de weg zelf, daarom was het aantrekkelijk om tussen de bomen te rijden.72 De kennelijk nog jonge bomen waren daar in ieder geval niet tegen bestand. Daarom werd in 1686 door de Staten een verbod uitgevaardigd op het rijden door de aanplant, over de wallen of door de vakken. Ook op vraat door schapen, ossen of koei- |
|||||||||||
68 HAV, acte 7 (7 oktober 1660). 69 UA 233-232-41
(Resolutiën Staten van Utrecht), 28 augustus 1684. Blijkens dit stuk was tien jaar eerder was ook een verorde- ning uitgevaardigd over het beplanten van de weg. Zie ook SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11- 14, ongepagineerd (4 september 1684). UA 233-232-49 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. 207,2 oktober 1700. SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-15, ongepagineerd (19 januari 1708); UA 233-232-79 (Reso- lutiën Staten van Utrecht), fol. 397-398VO, 25 november 1733. 70 Horsten 2005, p. 44. 71AE 1-2214 (Stukken betreffende de wagendiensten Amersfoort-Utrecht), no. 768 (19 januari 1653). 72 Het gedrag van de koetsiers was |
overigens ook vaak slecht. Niets sprak vanzelf; alles
moest in voorschriften worden vastgelegd. De koetsiers op het wagenveer werden gelast om hun wagens niet met waterverf, maar met olieverf te schilderen, maar we mogen aannemen omdat de passagiers na afloop van de rit soms een andere kleur hadden. AE 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 22ivo (16 september 1650). 73 Dit waren Teunis Willemsz. en Dirck Jansz. u A 233- 232-42 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. ioovo-101, 5 mei 1686. 74 Deze reis begon bij Nimmerdor en Doolom- berg, de beide landgoederen van Everard Meyster ten zuidoosten van Amersfoort en ging via De Bilt naar Utrecht. Worp 1897, pp. 289-291. |
||||||||||
'WEGH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG &J
|
|||||||||||
vooral literaireen later ook archeologische bron-
nen. Dit ideaal werd in tekst en beeld weergege- ven in Italiaanse tractaten, was vervolgens omge- werkt naar de Nederlandse situatie, aangepast aan eigentijdse eisen en via allerlei boeken en boekjes doorgedrongen tot de haarvaten van het intellec- tuele leven.77 Er bestond een grote kring van bestuurders, rijke opdrachtgevers en ontwerpers, waarvan de leden elkaar op de hoogte brachten van de inhoud van de tractaten. Over de verhouding tussen de architectuur-
theorie en het ontwerp van wegen bestaat geen literatuur. Maar wie de weg vergelijkt met de eisen die in de tractaten zijn gegeven, kan niet anders dan concluderen dat de ontwerper van de weg zeer goed op de hoogte was van de contemporai- ne architectuurtheorie. De aanbevelingen uit de tractaten, die hieron-
der worden uiteengezet, lijken vanuit onze optiek voor de hand te liggen. In de zeventiende eeuw was dat zeker niet het geval, gezien de staat van de meeste wegen in de provincie. Wegtracés lagen in het veen op de middeleeuwse dijkenstel- sels; in hoger gelegen, geaccidenteerde delen van het land volgden ze de hoogtelijnen. Een rechte weg was vrijwel nergens te vinden. De Amers- foortseweg leek in niets op al zijn voorgangers. Het klassieke ideaal:
wegenaanleg volgens Alberti, Palladio en Scamozzi De tractaten bevatten niet alleen aanbevelingen
over gebouwen, maar ook over de aanleg van |
|||||||||||
wegen. Hiervoor hadden nog bestaande onder-
delen van het Romeinse wegennet model ge- staan. Naarmate de tijd vorderde, werden in trac- taten meer eisen gesteld aan het ontwerp van wegen. Leon Battista Alberti wijdde er in 1450 in De re aediftcatoria slechts een kleine passage aan. Wegen, vooral militaire wegen, moesten volgens Alberti breed zijn en recht. Als er bochten in zaten moest dat worden opgevangen door de weg nog breder te maken. Verder moest een weg ruim en open zijn, zodat goed zicht in alle richtingen mogelijk was. Deze eis van overzichtelijkheid werd gesteld om overvallers geen kans te geven.78 Dit was op de Heuvelrug zeker een punt van zorg: het gebied was notoir onveilig voor reizigers. Latere tractaten van Andrea Palladio uit 1550
en Vincenzo Scamozzi uit 1615 waren veel uitge- breider. Een weg moest volgens Palladio's Quattro Libri dell'Architettura voldoen aan de volgende vijf kwalificaties: kort, comfortabel, veilig, vermakelijk en mooi. Aan de eerste twee eisen werd voldaan dooreen weg egaal en in een rechte lijn aan te leggen en door een zekere breedte, zodat wagens en vee elkaar zonder hinder konden passeren. Bochtige wegen moesten (nog) breder zijn dan rechte, om ze enigszins bruikbaar te maken. Veilig werd een weg door overzicht te bieden over de omgeving, zodat overvallers de reizigers niet ongemerkt konden benaderen. Aan de twee laat- ste eisen werd volgens Palladio automatisch vol- daan als de weg kort, comfortabel en veilig was volgens het genoemde recept: schoonheid kwam voort uit functionaliteit en gebruiksgemak. |
|||||||||||
75 Zo mocht niemand in of langs de wegen graven, maai-
en of plaggen afsteken, bomen moesten zodanig gesnoeid worden dat beladen wagens er zonder problemen langs konden. Mesthopen, omgehakte bomen en kadavers mochten niet op de weg worden gelegd, etc. UA 233-354- 8 (Plakkaatboek van de Staten van Utrecht), fol. 132-137 (7 mei 1662), Ordonnantie op het schouwen van de heer- wegen, dijeken, straten in den Gestichte ende Lande van Utrecht. De breedte van ongeveer twee roeden (ca. 7,5 |
meter) was in de meeste delen van de Republiek gebrui-
kelijk. Andere wegen waren smaller. Horsten 2005, p. 37. 76 Zie voor een inleidend essay en een overzicht van trac- taten Biermann et al. 2003. In de meeste tractaten komen ook vesting- en waterbouwkundige onderwerpen aan de orde. 77 Er bestond een levendige traditie van Nederlandstalige tractaten, maar ook de Italiaanse en Latijnse tractaten vonden hun weg in de Republiek. Boersma 1995, p. 31-32. 78 Alberti 1988, p. 105-107. |
||||||||||
88 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
Volgens L'idea della Architettura Uniuersale
van Vincenzo Scamozzi dienden wegen niet alleen ter ontsluiting, maar ook ter verfraaiing van het landschap. "Pracht en gemak" waren zijn belang- rijkste uitgangspunten voor de aanleg van wegen.79 Hierom moesten wegen recht, breed, vlak, goed begaanbaar, en goed onderhouden zijn. Boombeplanting was een belangrijke voorwaarde. Het liefst moeten dubbele of vierdubbele bomen- rijen aan beide zijden van de weg worden inge- plant. De ligging van een wegmoest zodanigzijn, dat een weids, ononderbroken zicht naar alle kan- ten ontstond. Wegen moesten dan ook liefst hoger liggen dan het omringende land. Een extra mogelijkheid was de aanleg van aparte banen voor koetsen, paarden en voetgangers, die door bomenrijen worden gescheiden. In dit licht mag het idee worden gezien om de Amersfoortseweg in het midden te beplanten met drie rijen abelen. Boombeplanting zorgde in Scamozzi's visie niet alleen voor een aangename en schaduwrijke omgeving, maar kon ook flinke inkomsten uit hout genereren. Bij de beplanting van wegen werd in Amersfoort geprobeerd om deze opbrengsten in te zetten als middel om particulieren te bewe- gen om wegen op eigen kosten te beplanten.80 In de tractaten kwam ook de relatie tussen
landgoedontwikkelingen infrastructuur aan de orde. Deze was zeer relevant voor de Republiek, waar de economische groei leidde tot de bouw van veel buitenhuizen. Naast de riskante buiten- landse handel was het bezit van huizen en land waaruit een agrarische productie voortkwam een veilige manierom geld te beleggen. De sterk toe- nemende drukte en de stank waren goede rede- nen om de steden te verlaten, vooral in de zomer. Vanaf de vroege zeventiende eeuw lieten stedelin- |
|||||||||||
gen buitenplaatsen aanleggen in het Sticht. Deze
ontwikkeling begon langs de Vecht en verplaatste zich geleidelijk verder oostwaarts in de richting van Eemland en de Utrechtse Heuvelrug.81 Palladio ging uitgebreid in op het verschijnsel
van de villa of buitenplaats als een in essentie ste- delijk fenomeen. Het bezit van een buitenplaats gaf de stedeling de gelegenheid zich bezig te hou- den met de landbouw, met wandelen en paardrij- den, met contemplatie en de studie van de lette- ren. Dit was niet alleen zo in Palladio's eigen tijd, ook de "antient sages", de wijzen uit de oudheid, zochten het platteland op om de drukte van de stad te ontvluchten.81 De ontwikkelingvan villa's was al in de Romeinse Oudheid in hoge mate gebonden aan de steden en de aanwezige infrast- ructuur. Bereikbaarheid was een vereiste, in de eerste plaats omdat landgoederen een woonfunc- tie hadden voor rijke stedelingen, maar ook omdat een villa de kern vormde van een (groot) agrarisch bedrijf, dat producten leverde waarvan de afzet- markt in de steden lag.83 Palladio noemt een goede verbinding met de
stad dan ook als doorslaggevend argument bij de keuze van een locatie. De beste verbinding werd gevormd dooreen rivier. Dit gold evenzeer voor de Republiek, waarde omstandigheden voor wegenaanleg en -onderhoud moeilijk waren; we kunnen zonder meer stellen dat de villa-ontwikke- lingen langs de Vecht, de Oude Rijn of in'sCrave- land om die reden eerder ontwikkeld zijn en ook op de lange termijn veel succesvollerzijn geweest dan de Amersfoortseweg. Het tracé van de Amersfoortseweg
Ook bij de tracékeuze van de weg werden de trac-
taten gevolgd. Een belangrijk aspect was de lig- |
|||||||||||
79 Scamozzi 2003, p. 210-215. Dit tractaat, oorspronkelijk
uitgegeven in 1615 in Venetië, werd via de graveur en prentverkoper Justus Sadeler, die de gehele oplage na Scamozzi's dood opkocht, op grote schaal verspreid in de |
Republiek. 80 A E 1-25 (Resoluties vroedschap
Amersfoort), fol. 688 (25 oktober 1647). 81 Kolman 1996, p. 15 ff. Zeilmaker 2004. 82 Palladio 1965, tweede boek p. 46-47. 83Laurencei999,p. 103 e.v. |
||||||||||
'WECH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ER5FOORTSEWEG 89
|
|||||||
ging van de weg ten opzichte van de hoogten in
het terrein. Boven op de Amersfoortse Berg bevond zich een kunstmatige, afgeplatte heuvel, waar de Amersfoortse galg stond. Een galg bevond zich altijd op een punt in het landschap waar hij van veraf te zien was. Zo'n locatie werd gekozen om opvoedkundige redenen, namelijk om duidelijk te maken hoe schout en schepenen van (in dit geval) Amersfoort omgingen met zware criminelen.84 Die werden, na hun terecht- stelling in de stad, achter een paard of wagen naar de galg gesleept en daar opgehangen en aan de ratten en kraaien gevoerd. Ze dienden als voor- beeld, "ten spiegel, en ten thoon der boose snoodigheen".85 Amersfoort beschikte, net als andere wat
grotere steden, overeen stenen galg van een vast type: een ronde of driehoekige stenen kuip met drie stenen zuilen, die door ijzeren stangen met elkaar waren verbonden. Het planten van bomen op galgenheuvels was over het algemeen verbo- den om de zichtbaarheid te garanderen en de afschrikwekkende werking niet te hinderen.86 De Amersfoortseweg liep vanaf de Berg eerst
vrij steil, dan geleidelijk naar beneden, waarbij tus- sengelegen hoogten werden vermeden. Op de hoogte kaart is te zien dat de weg vanaf de Amersfoortse Berg precies tussen twee stuwwal- len door naar lager gelegen gebied loopt. Het laagste punt lag in het gebied rond Vollenhoven. Vanaf de Berg had men overzicht over een groot deel van de weg. Dit overzicht en het ontbreken van reliëf in de weg waren eisen die gesteld wer- den door de tractaten. Everard Meyster, die als amateur-ontwerper, opdrachtgever van diverse bouwprojecten en 'buurman' van Van Campen goed op de hoogte was van de architectuurtheo- rie, noemde de afwezigheid van hoogteverschillen in de weg als een van de kwaliteiten: "Hoe heere- lijck verschiet/ Geen Heuvel in dees' Laen/ Soo verr'als 't ooge ziet".87 Het feit dat Meyster dit als kwaliteitvan de weg noemt, wijst erop dat Van |
|||||||
Campen dit een belangrijk aspect vond.
De weg is (letterlijk) ontworpen vanuit een
Amersfoorts standpunt. Dat ligt voor de hand: de wegwas een Amersfoorts projecten dat is goed terug te zien in het tracé. De tracékeuze heeft ertoe geleid dat de weg niet aansloot op de Biltse Steenstraat. Dit had vanuit infrastructureel oog- puntvoorde hand gelegen. Een tweede verklaring voor het ontbreken van
een directe verbinding met de Steenstraat zou kunnen liggen in ook de aanwezigheid van de hof- steden 'De Klomp' en 'Den Eyck' eigendom van Parmentier en Godin, de twee meest invloedrijke grondbezitters in het gebied, aan het einde van de weg. Paradijs uit wildernis:
de betrokkenheid van Jacob van
Campen
Wie de Amersfoortseweg vergelijkt met de
ideeën zoals die in de tractaten zijn weergegeven, en vervolgens op zoek gaat naar degene die deze tractaten goed kende én als adviseur op het gebied van architectuur en publieke werken voor de stad Amersfoort actief was, komt uit bij Jacob van Campen. Het verband tussen zijn architecto- nische ontwerpen en de tractaten is onomstre- den. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat Van Campen zijn kennis uit de tractaten ook op het gebied van de wegenbouw heeft toegepast, net als in de architectuur in een vorm toegesne- den op de Nederlandse situatie. Van Campen was als geen ander bekend met
de problematiek van grote bouwprojecten en openbare werken. Hij was in Amersfoort adviseur bij de bestrating en het onderhoud van twee ste- gen in de stad, de bouw van een brug over het Spui en de herbouw van de toren van de Onze- 841-Iovy 1975, p. 56-57. 85 Meyster 1655, p. 62 86 Zie
over de rol van de galgenheuvel in de Nederlandse recht- spraktijk Jelgersma 1978. 87 Meyster 1655, p. 11. |
|||||||
O0 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
Lieve-Vrouwekerk.88 Zijn hand wordt wel herkend
in het ontwerp van de voorpoort van de Koppel- poort.89 Van Campen heeft ongetwijfeld de hand gehad in de aanpak van de wegenstructuur rond Amersfoort. Op zijn landgoed Randenbroek liet hij een tweetal brede, lijnrechte, beplante lanen aanleggen. (Afb. vil en VIn) De betrokkenheid van Van Campen bij de aan-
legvan de Amersfoortseweg wordt onmiskenbaar aangetoond in een toneelstuk van Everard Meyster, bijna-buurman, vriend, geloofsgenoot en bewonderaar van Van Campen.90 Zijn Goden Land-Spel, dat hij schreef naar aan leiding van de bouw van het Amsterdamse stadhuis en de daar- op volgende conflicten bevat de volgende passage over Van Campen: "Sijn kunst moet eeuwigh flick'ren/Waer sijn Palleysen bliek'ren./Dat noyt sijnn' naem vergaet/ Soo lang als Rambroeck staet;/ Rambroek! uyt hem gebooren,/Wat was het doch te vooren?/ Hoe weynigh en hoe niet,/ By dat men 't nu wel siet./ En wat den wegh der weeghen?/ Hier door dees' hey geleegen?91 Jacob van Campen wordt in het toneelstuk
nadrukkelijk niet alleen als architect opgevoerd, maar als de initiator en ontwerper van grote land- inrichtingsprojecten rond Amersfoort: "Nu maelt |
|||||||||||
men de gedaent', en weezen van dien Heer;/ Die
zulk een Paradijs, schier soeter, en veel meer,/Als oyt de Werelt zagh, door zijnn' vernuftigheden,/ Uyt wildernis, vermogt te vinden en te smeden". De omgeving van Amersfoort, met de Berg, de landgoederen, maar vooral de weg, nemen een prominente plek in. Het landschap is eerder thema dan decor in Meysters toneelstuk. In Meysters visie was de Amersfoortseweg het land- schappelijk equivalent van het Amsterdamse stadhuis. Wegenaanleg als uiting van wijs
bestuur: de Utrechtse Via Appia Meyster vergeleek de Amersfoortseweg met de
bekendste Romeinse weg, de Via Appia: "Wat wil dit worden voor een steeg! Een steeg der steegen/ Een wegh van Appius, jae meer, een wegh der wee- gen".92 Die vergelijking lijkt een gemeenplaats, maar is geenszins toevallig gekozen: met de aan- leg van de Amersfoortseweg trachtte men het landschap niet alleen te ontsluiten, maar ook een nieuw aanzien te geven naar klassiek voorbeeld. Wegenbouw werd al in de Oudheid gezien als meer dan een de aanleg van een verbinding tussen twee plekken. Het was onderdeel van een politiek |
|||||||||||
88 ae 1-26 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 230
(4 november 1650). Bok 1995, p. 50-51; Van Hoorn 1991, p. 28-39. 89 Hovens 2004, p. 33-36,118. 90 Hamer 1987. 91 Meyster 1655, p. 15. Het landgoed Randenbroek ("Rambroeck") was door vererving in handen van Van Campen gekomen. In 1629 leed het grote schade door de oorlogshandelingen. Van Campen herstelde de schade, bouwde een nieuw huis, vergrootte het landgoed door grond aan te kopen en legde verschillende wegen aan. In het eerste bedrijf wordt de Amersfoortseweg al aangeduid als de "wegh der weeghen". Deze passage staat niet in de hoofdtekst, maar in de reizang tussen het eerste en het tweede bedrijf. Van Campen is door Marten Jan Bok eer- der met enige aarzeling aangewezen als 'auctor intellectu- alis' van de Amersfoortseweg op basis van het feit dat de weg een prominente plek inneemt in het stuk. De genoemde passage zit echter niet in de hoofdtekst, maar in de eerste "rey" (reizang). Van Campens naam komt niet voor in rekeningen van de stad die met de weg te |
|||||||||||
maken hebben; in de literatuur wordt nergens gewag
gemaakt van betalingen. Waarschijnlijk moeten we de bemoeienissen van de steenrijke Van Campen zien als uiting van betrokkenheid bij de stad en zijn omgeving, waarbij hij als grootgrondbezitter vanzelfsprekend goede relaties met het lokale bestuur onderhield. Van Campen heeft het concept van de weg bedacht; het tekenwerk en het uitzetten in het terrein is door Gerrit Cock gedaan, zoals een ontwerper tegenwoordig ook tekenaars en visu- alizers in dienst heeft. 92 Meyster 1655, p. 11. Meyster noemt ook de "Elyseesche velden". Die konden in zijn ogen niet tippen aan de Amersfoortseweg. Hij kan hier- mee niet de Parijse Champs-Elysées hebben bedoeld. Die worden in de literatuur gedateerd in 1668, als ontwerp van Le Nötre. De nieuwe avenue lag op dat moment nog buiten de stad, in het verlengde van de middenas van de Tuileries en doorsneed de Faubourg St.-Honoré. Zie: Nagle 1989; Sutcliffe 1996, p. 29-30. |
|||||||||||
'WEGH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEC 0,1
|
|||||||||||
die gericht was op beheersing van een territoir.
De aanleg van een wegwas daarmee een politieke daad. In de Romeinse tijd was wegaanleg onder- deel van een beleid om een territorium af te bake- nen, zoals Augustus uitging van "tota Italia" en Trajanus van "Italia restituta", het herstelde Italië. De aanleg van wegen duidde op leiderschap. De initiatiefnemer was niet alleen de patroon van degenen die het werk uitvoerden, maar ook van de reizigers en van de gemeenschappen die aan de nieuwe weg kwamen te liggen.93 Ook Con- stantijn Huygens legde een verband tussen leider- schap, goed bestuur en wegenbouw.94 De Amersfoortseweg werd door Everard
Meyster in dergelijke termen opgevat. Everard Meyster beschreef niet alleen de weg, maar wijdt daarna nog bladzijdenlang uit over de initiatiefne- mers, "die drongen/Ten oirbaer van't gemeen, (als Mannen, daereen staet/Op rusten magh,) dees'wegh meest door, die soo recht gaet/Tot twee beroemde steen".95 De Staten van Utrecht en het stadsbestuur van Amersfoort werden omstandig geprezen als opdrachtgevers van de weg. De mannen die de vakken in bezit kregen, vormden samen het bestuur van de steden Utrecht en Amersfoort en van het gewest Utrecht. Maar ze waren niet alleen collega's. Vrijwel alle betrokkenen waren door huwelijken familie van elkaar. De Amersfoortseweg was een gezamenlijke onderneming van een aantal grond- bezitters, die ook de bestuurlijke elite vormden. Zij deelden eenzelfde esthetiek; Jacob van Cam- pen was als een van de weinigen in de Republiek in staat om die om te zetten in ontwerpen. Een aantal aspecten kwam samen in het project, waar- mee dat in Meysters ogen een icoon van goed bestuur werd. De verfraaiing van het landschap |
|||||||||||
ging hand in hand met de economische ontwikke-
lingvan het gebied en de verbetering van de ver- binding tussen Utrechten Amersfoort. "Heeren Participanten":
eigendom en bebouwing van de Amersfoortseweg Langs de weg werden kavels uitgegeven meteen
breedte van honderd en een diepte van vijftig voet (376 x 188 meter). Een 'vak' besloeg twee van der- gelijke tegenover elkaar gelegen kavels. De diepte was hiermee verdubbeld ten opzichte van het eer- ste conceptplan. De grond zou in volle en vrije eigendom overgaan; de eigenaar had de verplich- ting zijn vak langs de sorties te bewallen en beplanten. Indien iemand een huis op zijn vak zou bouwen en dat zou gaan bewonen, mocht hij aan de achterzijde vijftig roeden toevoegen, zodat een vierkante kavel van honderd bij honderd roeden zou ontstaan. Hierbij werd als voorwaarde gesteld dat de sorties ook over een lengte van honderd roeden moesten worden beplant. De eigendomssituatie op de heide was kenne-
lijk nogal onoverzichtelijk voorde Gedeputeer- den; daarom werd een clausule opgenomen dat grond die al in particulier eigendom was, geen deel zou uitmaken van de vakken. Een aantal eige- naren kreeg verdubbeling van de vakken. De eer- ste die kavels van honderd roeden diep in bezit had was Anthonie Parmentier, heer van Hees- wijk.96 Volgens de kaart van De Roij had hij een huis gebouwd op zijn vak. In 1655 vroegen de eige- naren van de vijf vakken, gerekend vanaf Huister Heide in oostelijke richting, of zij verdubbeling van de vakken konden krijgen, ook al hadden ze geen huis op hun vak gebouwd. Als reden werd aangevoerd dat het cultiveren van de grond strek- |
|||||||||||
95 Meyster 1655, p. 11. 96 Dat blijkt uit UA 233-264-58
(Resoluties Gedeputeerde Staten), 10 augustus 1653; HAV, acte 3 (10 augustus 1653). |
|||||||||||
93 Laurence 1999, p. 39 e.v. 94 Huygens 2004. Huygens
was zelf initiatiefnemer van de aanleg van de 'Zee-Straet' tussen Den Haag en Scheveningen. Deze werd in navol- ging van de Amersfoortseweg geconcipieerd in 1653. |
|||||||||||
0,2 JAAP EVER.T ABR.AHAMSE
|
|||||||||||
te tot groot voordeel van de provincie. De Staten
gingen mee in deze redenering en gunden de eigenaren nog vijftig roeden extra, op voorwaarde dat die te zijner tijd net als de rest van de vakken werden bewald.97 De eerste twaalf vakken vanaf Amersfoort
werden verdeeld onder de burgers van die stad, of meer specifiek gezegd: onder het stadsbestuur en daaraan gelieerde figuren. De vakverdeling van Amersfoort werd vastgesteld op 20 december 1652, drie dagen nadat Gedeputeerde Staten de vakverdeling voor het Utrechtse deel hadden vast- gesteld. De eigenaren legden zich vast op het ega- liseren en beplanten van de weg voor hun vak. Van de twaalf Amersfoortse vakken bleven er uitein- delijk vijf in eigendom van de stad: ook de initia- tiefnemer zelfwas niet in staat om voldoende investeerders te vinden.98 De overige vakken wer- den verdeeld door het Utrechtse stadsbestuur.99 De eigendomssituatie uit de zeventiende
eeuw zag er als volgt uit. Vanaf Amersfoort waren de vakken verdeeld zoals oorspronkelijk vastge- steld: een vak bestond uit twee percelen van hon- derd roeden breed en vijftig roeden diep, aan weerszijden van de weg. De vakken werden van elkaar gescheiden door sorties. De vakken zijn vanaf Amersfoort nog altijd goed zichtbaar in het landschap en op de hoogtekaart. Vanaf vak 19 lagen de vakken niet aan weerszijden van de weg, maar hadden vier eigenaren elk twee percelen aan een zijde. Deze percelen waren dus 200 roeden breed langs één kant van de weg. De rest van de vakken was in het bezit van Godin aan de noord- kanten Parmentieraan de zuidkant. Deze twee grootgrondbezitters hadden geen belang bij de aanleg van erfscheidingen aan de zij- en achterzij- |
|||||||||||
den van hun grond. Op hun grond begint de
structuur te vervagen. De vakkenstructuur zoals die nog te zien is op de hoogtekaart, weerspiegelt de zeventiende-eeuwse eigendomsverhoudingen. Belastingparadijs Amersfoortseweg
Investeringen in infrastructuur of in het cultiveren
of droogleggen van land kostten de initiatiefne- mers veel geld. Als het bestuur dat werkzaam acht- te werd het investeringsklimaat aangepast. Vrijstelling van belastingen was hierin een belang- rijk middel. Ook bij droogmakerijen werden inves- teerders met gunstige voorwaarden over de streep getrokken. De aanleg van de Amersfoortseweg is hiermee vergelijkbaar: ook deze transformatie van het landschap was een risicodragende investering voorde deelnemers. Vrijstellingvan lasten moet worden gezien als investeringspremie: wie geld wilde steken in technisch en commercieel risico- volle projecten werd daarvoor beloond, als daar- mee ook het algemeen belang werd gediend. Dat gold ook voorde nieuwe eigenaren van de
vakken langs de Amersfoortseweg. In het onher- bergzame gebied kon het land alleen door grote investeringen productief worden gemaakt. Om mensen naar het gebied te trekken, werd een zeer gunstig belastingklimaat geschapen. De eigena- ren van de vakken werden vrijgesteld van alle las- ten op grond, huizen en bewoners. Over de grond werden geen tienden geheven. Deze bepalingen golden voorde eerste vijfentwintig jaar.100 Maar al dertien jaar later, in 1666, verzochten
de bewoners van de Amersfoortseweg om verlen- ging van de belastingvrijdom. Als reden werd aan- gevoerd dat meer dan de helft van de belasting- vrije periode inmiddels verstreken was. De mees- |
|||||||||||
97 SAW (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-
10, ongepagineerd (9 november 1655). Het rekest werd opgesteld door Jaspar Schade, blijkens een aantekening op de achterzijde. 98 ae 1-27 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 213VO-214 (20 december 1652). 99 In de |
|||||||||||
oudst bekende versie van de vakverdeling worden alle
vakken behalve dat van Splinter toegewezen aan "burge- meester Wijckcum suis". Zie AE 1-27 (Resoluties vroed- schap Amersfoort), fol. 217-224vo (27 december 1652). |
|||||||||||
'WEGH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG 93
|
|||||||||||
te vakken waren nog leeg; de huizen die er ston-
den waren pas gebouwd. Het viel de bewoners niet mee om hun verplichtingen na te komen, en daarom vroegen ze een verlenging van de belas- tingvrijdom met nog 28 of 29 jaar. Dit verzoek werd ingewilligd.101 In 1686 werd opnieuw voor 25 jaar vrijstelling verleend. Toen die termijn in 1707 bijna afliep, volgde opnieuw een verzoek om verlenging, ditmaal tot 1750. De Staten kwamen hierin tegemoet, omdat de grond langs de weg niet veel waard was.102 De kosten van het onder- houd van de weg en de beplanting waren zo hoog, dat een kavel op de vrije markt nauwelijks ver- koopbaar zou zijn.103 Als voorwaarde werd gesteld dat de bomenrijen moesten worden her- steld.104 Er verscheen een plakkaat van de Staten, waarin hiertoe werd opgeroepen, opnieuw op straffe van inlevering van de grond.105 Deze gang van zaken herhaalde zich opnieuw na 25 jaar, met dit verschil dat nu extra argumenten werden aan- gevoerd: een aantal arbeiders verdiende een in- komen met het werk aan de weg en grote delen |
|||||||||||
van de grond waren nog steeds niet in cultuur
gebracht. Als er belasting moest worden betaald, zou dit waarschijnlijk ook niet gebeuren. Ter ondersteuning van de aanvraag werd een rampen- scenario voor het gebied geschetst: als er geen voortzetting van vrijstelling kwam zou "dat dis- trict van menschen verlaeten, ende weeder tot sijn natuurlijke staet in heijde [...] gebragt wor- den". Werd het verzoek ingewilligd, dan waren de eigenaren bereid tot verdere investeringen in het gebied, "tot cieraed van de Provincie".106 Ook nu werd vrijstelling verleend op voorwaarde dat "onbeplante ende defectueuse vacken" tijdens het eerste plantseizoen werden hersteld.107 Het steeds opnieuw verlengen van de vrijstelling is een indicatie voor de mislukking van het project. Er viel niets te verdienen op de hei, waarmee ook de verfraaiing van het landschap in het water viel. Het Huis ter Heide
De enige die flink aan het project moet hebben
verdiend was Jacob Splinter (1593-1678). Hij kreeg |
|||||||||||
ning van eeuwige vrijheid van tienden staat in een ander
handschrift op het stuk geschreven. Zie ook s AV V (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-13, onge- pagineerd (26 juli 1663). In 1661 werd door de bewoners opnieuw gevraagd om verlenging van de belastingvrij - stelling. UA 1055-12 (Losse stukken, behorende tot het archief van de Staten, 1654-1675), ongenummerd, in of na 1661. 101 UA 233-232-32, (Resolutiën Staten van Utrecht), 4 juli 1666. 102 UA 233-232-55 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. 311-311VO, 31 december 1707. 103 De vakken waren overigens zeker niet waardeloos; in 1662 verkocht de Heer van Linschoten zijn vak aan Anthonie de Goijer. Het bracht 550 gulden op. UA 84-528 (Archief Huis Linschoten), koopcontract d.d. 1663. 104UA 233-232-56 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. 20-21,19 januari 1708. 105 Het gedrukte stuk bevindt zich in de Staten- resoluties. UA 233-232-56 (Resolutiën Staten van Utrecht), Insertio ü, ingebonden tussen fol. 20 en 21,19 januari 1708. 106 UA 233-232-79 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. 397-398VO, 25 november 1733. 107 UA 233- 232-80 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. 38V0-40,13 januari 1734. |
|||||||||||
100 Hiermee werden de volgende provinciale belastingen
bedoeld. Het morgengeld was een belasting op de grond die in de provincie Utrecht uiteenviel in de reële lasten voor de eigenaar en de personele lasten voor de gebruiker. Per morgen bedroeg de belasting een gulden en vijftien stuivers. Verder werd huisgeld geïnd, dat varieerde al naar gelang de grootte en het type huis. De tienden vormden een belasting op de jaarlijkse opbrengst, die aanvankelijk tien procent bedroeg en na 1628 2/7 van de opbrengst. Verder werd nog oudschildgeldgeïnd; de grondslag voor deze belasting was al in de zeventiende eeuw duister. Sickenga 1864, p. 337-339. In 1653 besloten Gedeputeerde Staten dat volledige vrijstelling van de bewoners van de Amersfoortseweg gezien de beperkte gewestelijke midde- len niet verantwoord was. Daarom werd wel impost op brandewijn en andere sterke drank geheven. UA 233-264- 58 (Resoluties Gedeputeerde Staten), 11 januari 1653. Het ging om een nadere interpretatie van het vastgestelde 'project'. Zie ook SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-05, ongepagineerd (11 januari 1653). De tiendvrijheid werd op 26 juli 1664 voor eeuwig ver- lengd. UA 233-264-57 (Resoluties Gedeputeerde Staten), 12 augustus 16 52. De beslissing van de Staten tot verle- |
|||||||||||
Q4 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||
het exclusieve recht om te tappen langs de weg.108
Splinter was bouwheer en uitbater van de herberg "HuysterHeyde".10? Jacob Splinter was herbergier, maar evenmin
als de andere deelnemers aan het project was hij kleine zelfstandige. Hij maakte deel uit van een oud Utrechts geslacht dat al sinds de zestiende eeuw een rol speelde in het stadsbestuur. Zelfwas hij sinds 1627 lid van de vroedschap en gedurende vele jaren schepen en kameraar. Hij was daarnaast bezitter van een brouwerij in Utrechten een her- berg, gelegen onder Lage Weide. Zijn vrouw Emmerentiavan Helsdingen was dochter van een brouwer. Haar zus was getrouwd metjohannes Heurnius, die als rentmeester van de domeinen namens de Staten betrokken was bij de aanleg van de weg.no Met deze familierelatie en het lidmaat- schap van de vroedschap is waarschijnlijk de ver- klaring gegeven voor zijn deelname op zeer gunsti- ge voorwaarden. Splinter zal de nieuw te bouwen herberg hebben gezien als onderdeel van zijn bedrijfsstrategie. Hij heeft als ondernemer zijn |
|||||||||||
kans gezien en zich als eerste een plek te verwer-
ven aan de Amersfoortseweg. De voorwaarden die in het'project'werden opgenomen maakten de herberg op voorhand tot een commercieel succes. De bebouwing van de
Amersfoortseweg Jaspar Schade, geëligeerde Raad van de stad
Utrecht, gaf het goede voorbeeld door als eerste een huis te bouwen aan de Amersfoortseweg.1" Dit huis, Zandbergen, is toegeschreven aan Jacob van Campen. Wanneer het precies gebouwd is, wordt nergens vermeld.112 Niet veel deelnemers zouden hem volgen: tegen het einde van de zeven- tiende eeuw stonden langs de weg zeven huizen, als we de kaart van De Roij mogen geloven."3 Al deze huizen bevonden zich rond het midden van de weg, de meeste onder het gerecht Soest. Maar de neergang was eigenlijk al begonnen
voordat enig huis was gebouwd. Al in 1653 trok de belangrijkste 'externe' investeerder, Guillelmo Bartolotti, zich terug uit het project."4 Hij was al |
|||||||||||
108 Het bestaande Panhuis hield zijn vergunning. Het
Panhuis op de hoek van de Panweg was de enige bestaan- de herberg in de wijde omtrek. Gewin 1916, p. 67-68. Jacob Splinter was de eerst genoemde eigenaar van een van de Utrechtse vakken; hij wordt als enige met name genoemd in de eerste versie van de vakverdeling. 109 Hij zou aanvankelijk eigenaar worden van vak 13. AE 1-27 (Resoluties vroedschap Amersfoort), fol. 217-224VO (27 december 1652). In een tweede versie van de lijst van eige- naren staat zijn naam bij vak 15, in wat later Soesterberg is gaan heten, later bij de vakken 20 en 21 aan de noordzijde. SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-06, ongepagineerd (20 maart/7 me> 1653)- In alle literatuur staat dat Splinter zijn perceel in 1653 heeft geruild met Bartolotti tegen de vakken 20 en 21, aan de zuidkant van de weg onder de jurisdictie van Zeist. Dit is niet juist; Bartolotti trok zich terug. Vak 15 ging in een later stadium over in handen van Everard van Weede van Dijkveld, maar het recht een tapperij te exploiteren bleef in handen van Splinter. SAVV (Gemeente De Bilt; aichief Houdringe) 647-11-06, ongepagineerd (20 maart/7 me> 1653). Zie over de geschiedenis van de herberg ook: Galis 1971. 110 Malherbe 1996, kol. 60-62. 111 UA 233-231-26 (Resolutiën Staten van Utrecht), fol. 107VO-108. |
H2 Damsté geeft geen datering. Damsté 1985, p. 31-34.
Van Groningen dateert het huis "omstreeks 1653". Van Groningen 1999, p. 101. 113 Op de kaart wordende vol- gende huizen genoemd: "Den Heer Schade", "Graeff van der Nath", "de Heer van Heeswijck", "Den Heer van Dijckvelts Huys", "Onder Water" en "Weerdenborgh". Het is niet gezegd dat het hier gaat om fraaie buitens. Rondom de huizen van Parmentier en Van Weede van Dijkveld staat een boomsingel of tuinaanleg aangegeven. De overige huizen zijn kleiner weergegeven. 114 SAVV (Gemeente De Bilt; archief Houdringe) 647-11-06, onge- pagineerd (20 maart/7 mei 1653); H av, acte ie (20 maart 1653). 115 Leonhardt 1979, p. 50. Guillelmo Bartolotti 1 en Balthasar Coijmans deelden in 1631 met een vermogen van 400.000 gulden de tweede plaats op de kohieren van de vermogensbelasting. Bartolotti's zoon liet 1,2 miljoen gulden na. Er hebben contacten bestaan tussen Bartolotti en Van Campen, onder meer via Huygens. Balthasar Coijmans was de achterbuurman van de Bartolotti's. Coijmans was de eerste opdrachtgever van zijn "seer gemeensame vriendt" Van Campen: het huis aan de Keizersgracht is van zijn hand. De families Bartolotti en Coijmans waren door huwelijken verbonden. Leonhardt !979. P- 53 e.v. |
||||||||||
'WECH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG C15
|
|||||||||||
in 1631 de op een na rijkste man van Amster-
dam."5 Bartolotti zou vier vakken in bezit nemen. De familie had kennelijk plannen om een buiten- verblijfaan de Amersfoortsewegte bouwen, maar heeft daar op het laatste moment van afgezien. Bartolotti kocht datzelfde jaar een groot stuk grond aan de Birkstraat in Soest. Hier werd in 1654 de buitenplaats met hofstede "Heuvel en Dael" aangelegd."6 De vier vakken die Bartolotti 'achterliet' zou-
den overgaan op de overige participanten. Als zich onder de deelnemers geen gegadigden zou- den melden voor de vier vakken, zouden de parti- cipanten samen de lasten dragen van de wegaan- leg ter hoogte van deze vakken. Deze actie maakt duidelijk dat het project niet zonder risico was."7 Er is een aantal redenen te bedenken waarom
het project niet liep zoals gepland. Het klimaat zat niet mee: in de winter was het op de hei, en zeker op de Berg, koud en winderig, in de zomer was het er heet en stoffig. Ook de aanwezigheid van de galg zal een negatief effect hebben gehad op de bereidheid om landgoederen te bouwen, niet alleen vanwege het onsmakelijke uitzicht, maar ook vanwege de lijkenlucht. Er is minstens één geval bekend van een regent die halverwege de zeventiende eeuw klaagde dat hij vanuit zijn bui- tenhuis uitkeek op een galgenveld. Voor het gewone volk had dit uitzicht een educatieve func- tie, maareen burgemeester van Amsterdam hoef- de niet voortdurend naar lijken in ontbinding te kijken."8 Ook een aantal eigenaar-bewoners van zaagmolens en steen- en pannenbakkerijen aan de Vaartse Rijn vroeg in 1674, toen de galg vlakbij hun woningen door een storm zwaar was geha- vend, om verplaatsing, om verschoond te blijven van het "gesicht ende reuck van de doode, half jae |
|||||||||||
heel verrotte misdadigers, die men aldaer pleeght
aen te hangen ofte tentoon te stellen"."9 Uitein- delijk was het uitzicht vanaf de Amersfoortseweg op de galg de reden om deze te slopen en op een andere plek, uit het zicht van de voorbijgangers, in hout te herbouwen. De Amersfoortse vroed- schap was het eerste college in Nederland dat om deze reden een galg liet verplaatsen.120 Andere, mogelijk zwaarder wegende oorza-
ken voor de terughoudendheid om landgoederen aan te leggen en huizen te bouwen lagen in de bodemgesteldheid en de bereikbaarheid. Het kostte veel geld, moeite en tijd om de zandgrond in cultuur te brengen. Landgoederen leverden hun agrarische productie aan de steden; hiervoor was een verbinding over water het meest geschikt. Dat werd in de zeventiende eeuw niet alleen in de praktijk, maar ook in een handboek over aanleg van landgoederen onderkend.121 Er waren in de omgeving andere plaatsen die zich veel beter leenden voor de aanleg van landgoederen. Maar de voornaamste reden dat de bouw
langs de Amersfoortse weg niet op gang kwam staat los van de weg zelf. Deze moet hebben gele- gen in de economische neergang. Nog tijdens de aanleg van de weg brak de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) uit. Deze werd in 1665-1667 gevolgd door de Tweede Engelse Oorlog. De beide oorlo- gen trokken een zware wissel op de economische ontwikkelingvan de Republiek, niet in het minst omdat honderden koopvaardijschepen verloren gingen. Maar de doodklap kwam met het Ramp- jaar 1672 en de daaropvolgende Franse bezetting van Utrecht. Dit leidde tot grote economische schade, zowel in Utrecht zelf als op het platteland. Veel regenten ontvluchtten het gewest Utrecht.122 Dit had kwalijke gevolgen voorde Amersfoortse- |
|||||||||||
116 Leonhardti979, p. 80-81. 117 SAVV (Gemeente De
Bilt; archief Houdringe) 647-11-06, ongepagineerd (20 maart/7 mei 1653). 118 Jelgersma 1978, p. 19. Reinier Pauw, burgemeester van Amsterdam, was rond 1650 eige- |
naar-bewoner van het Huis te Heemstede, van waaruit
hij (van grote afstand) op het Haarlemse galgenveld uit- keek. 119 Jelgersma 1978, p. 20. 120 Jelgersma 1978, p. 22. 121 Van der Groen 1988. 122 Rutgers 1975, p. 141. |
||||||||||
C>6 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||||||||||||
dan toe minder aantrekkelijk waren. Met de
Amersfoortseweg deed de moderniteit zijn intre- de in de regionale infrastructuur: deze wegwas in tegenstelling tot alle andere landwegen, niet alleen bruikbaar voorde locale bevolking, die langzaam hobbelend zijn weg kon vinden over de hei en wist waar die verzakt of versperd was. Met de aanleg werd het gebied voor iedereen opengelegd. Net als bij droogmakerijen hoopte men pro-
ductieland te winnen. De weg zou de gehele omgeving voorzien van een nieuwe structuur, een nieuw landschapsbeeld en nieuwe functies. Het project was zeer ruim opgezet; op een hectare grond meer of minder hoefde men niette kijken. Een groot gebied veranderde in één keer van
eigenaar. Het ging over in particuliere handen, waardoor veel investeringen te verwachten waren. Deze ingreep heeft door allerlei onvoorziene tegenslagen niet het gewenste effect gehad op landschap en bewoning, maar de nieuwe struc- tuur is bepalend geweest voor de verdere ontwik- keling van de verre omgeving. — Met dank aan Boudeuiijn Bakker, Roland
Blijdenstijn, Martenjan Bok, Max Crameren
Erik Schmitz.
|
|||||||||||||
weg, omdat de gewenste bouwinitiatieven van
hun kant moesten komen. (Afb. ix) Besluit
Met de aanleg van de Amersfoortseweg trachtte
men met beperkte middelen en een grote rol voor particulieren om het landschap geheel te her- scheppen door middel van een grootschalige doorsnijding. Verfraaiing van het landschap zou hand in hand gaan met economische ontwikke- ling en betere ontsluiting. Een economisch en landschappelijk nagenoeg waardeloos gebied werd met één groot gebaar veranderd in een woongebied waarvan de vormgeving ruimschoots voldeed aan alle eisen van de tijd en waarbij op de koop toe een belangrijke verbetering werd aange- bracht in de infrastructuur van de provincie Utrecht. Hiermee werd ingespeeld op het verwachte
einde van de Tachtigjarige Oorlog. Vooral op het platteland zou de veiligheid verbeteren en de eco- nomie een opleving doormaken. De Staten van Utrecht zullen hebben gedacht dat deze factoren zouden leiden tot een hernieuwde toename van het aantal buitenplaatsen, ook op plaatsen die tot |
|||||||||||||
LeonBattista Alberti, OntheArtof
Building in Ten Books, Cambridge
MA/Londeni988.
Abraham van Bemmel, Beschryving der stad Amersfoort, Utrecht 1760.
Veronica Biermann et al., Architec- tural Theoryfrom the Renaissance
to the Present: 89 essays on uj tre-
atises, Keulen 2003
Roland Blijdenstijn, Tastbare Tijd: Cultuurhistorische atlas van de
provincie Utrecht, Utrecht/
Amsterdam 2005.
Marten Jan Bok, Vraag en aanbod op de Nederlandse kunstmarkt, 1580-
1700, diss. Utrecht 1994.
Marten Jan Bok, 'Familie, vrienden en opdrachtgevers', Jacobine
Huisken, Koen Ottenheym, Gary
|
|||||||||||||
Schwartz (xed.),Jacob van Cam-
pen: Het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1995, PP- 27"53-
Chris de Bont, Het historisch-geo-
grafischegezicht van het Nedersticht, (Staring Centrum, rapport 133) Wageningen 1991. Tjeerd Boersma (red.), Nederland als
kunstwerk: vijf eeuwen bouwen door ingenieurs, Rotterdam 1995. P.J. van den Breemer en J. Hepp,
'"Heuvel en dael", later "Vosse- veld'", Van Zoys tot Soest 12 (1992), no. 4, p. 10-12,13 (1992), no. 1, p. 14-15, no. 2, p. 13-14, no. 3, p.4-10. J. Buis, Historiaforestis: Nederlandse
bosgeschiedenis, Wageningen/ Utrecht 1985. |
|||||||||||||
GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN
AE: Archief Eemland, Amersfoort
GAA: Gemeentearchief Amsterdam GS: Gemeentearchief Soest HAV: Huisarchief Vollenhoven S AV v: Streekarchief Vecht en Venen, De Bilt
UA: Het Utrechts Archief LITERATUUR
Jaap Evert Abrahamse,
'Stadsontwerp en verkeer in
Amsterdam: Gebruik en inrich- ting van de buitenruimte in de zeventiende eeuw', Historisch- geografisch tijdschrift 22 (2004), pp. 86-97. |
|||||||||||||
'WECH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG Q7
|
|||||||||
P.H. Damsté, Oostbroek en DeBiltc.s.:
De geschiedenis van een ambachts-
heerlijkheid, Zutphen 1978. P.H. Damsté, 'De geschiedenis van het
portret van Jaspar Schade door Frans Hals', Oud-Holland 99 (1985), pp. 30-43. K.W. Galis, 'De herberg "Het huis ter
Heide"', Seijst 1(1971), pp. 72-80. Everard Gewin, De Bilt: een
Utrechtsen dorp in vroeger eeuw,
Utrecht 1916. Jan van der Groen, Den Neder-
landtsen Hovenier, Utrecht 1988
(fotomechanische herdruk van de uitgaven uit 1687 en 1721). Catharina L. van Groningen, De
Utrechtse Heuvelrug/ De Stichtse
Lustwarande: Buitens in het groen, Zwolle/Zeist 1999. Catharina L. van Groningen, De
wooncultuur op de Stichtse Lustwarande van de zeventiende tot de twintigste eeuw, diss. Utrecht 2003. H. Halbertsma, Zeven eeuwen
Amersfoort, Amersfoort 1959, tweede druk Schiedam 1974. Dianne Hamer en Wim Meulen-
kamp, De dolle Jonker: leven en werken van Everard Meyster, Amersfoort 1987. J.D.H. Harten, 'Het kaartbeeld van de
provincie Utrecht in historisch geografisch perspectief', Marijke Donkersloot-De Vrij en C. Koe- man, Kaartenmakers van 't Sticht: Een overzicht van de historische kartograüe van de provincie Utrecht, 1500-18/0, Alphen aan den Rijn 1974, pp. 3-6. W.J. van Hoorn, Een hofstede ge-
naamd Randenbroek: Van leengoed tot stadspark, Amersfoort 1991. Frits H. Horsten, Doorgaande wegen
in Nederland, 16e tot ige eeuw: Een historische wegenatlas, Amster- dam 2005. Sandra Hovens en Max Cramer
(red.), De Koppelpoort: Hart van de Amersfoortse stadsverdediging, Amersfoort/Bussum 2004. J- Hovy, Amersfoort inprent, Zalt-
bommel 1975. Jacobine Huisken, Koen Ottenheym,
|
Gary Schwartz (red.), Jacob van
Campen: Het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1995. Constantijn Huygens, De Zeestraat
van 's Gravenhage naarScheve- ningen: in hedendaagse spelling overgebracht, geannoteerd en van een inleiding voorzien door Ad Leerintveld, Den Haag 2004. H.G. Jelgersma, Galgebergen engal-
gevelden, Zutphen 1978. R. de Jong, U.M. Mehrtens et al.
(red.), Buitenplaatsen bij De Bilt: Vollenhoven, Houdringe en Beerschoten, Zeist 1983. D.T. Koen, Utrecht havenstad? Zeven-
tiende- en achttiende-eeuwseplan- nen tot aanleg van een scheep- vaartverbinding met de Zuiderzee, Jaarboek Oud-Utrechti99i,pp. 121-143. Chris Kolman, Ben Olde Meierink
et al., Monumenten in Nederland: Utrecht, Zeist/Zwolle 1996. Tom van der Meer en Steven van
Schuppen, Op weg:4ooojaar Nederlandse wegen, Den Haag 1987. Ray Laurence, The Roads of Roman
Italy: Mobility andCultural Change, London/New York 1999. Gustav Leonhardt, Het huis Bartolotti
en zijn bewoners, Amsterdam 1979. L.J. Malherbe, 'Splinter en Segerman,
leden van het Utrechtse stadsbe- stuur in de 16 en 17 eeuw, De Nederlandsche Leeuw, maandblad van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde 113 (1996), kol. 38-71. R. Meischke, 'Buitenverblijven van
Amsterdammers voor 1625', Jaarboek Amstelodamum 70 (1978), pp. 82-106. E.M. [Everard Meyster], Het eerste deel
der Goden landspel om Amers- foort, van 't nieuw stad-huys bin- nen Amsterdam: Gespeelt, en ver- toont aldaer Anno 1655. Wel eer doorjor. EM. gerijmt. Met uytleg- gingh verlichten verciertdoor D.v.W., Amsterdam 1655. J. Nagle, 'La ville de 1'absolutisme
triomphant: De Francais Ier a. |
Louis XV', Louis Bergeron (red.),
Paris: Genese dun paysage, Parijs 1989, pp. 93-145. Andrea Palladio, The FourBooks of
Architecture, New York 1965. Jean-Luc Pinol (red.), Histoire de
FEurope urbaine (vol. I: De 1'anti- quité au XVIIIe siècle), Paris 2003. H.K. Roessingh, Inlandse tabak:
Expansie en contractie van een handelsgewas in de vf en i8e eeuw in Nec/erland, Wageningen 1976. CA. Rutgers et al., Van standen tot
staten: 600 jaar Staten van Utrecht i$75-i975, (Stichtse Historische Reeks 1) Utrecht 1975. Vincenzo Scamozzi, De grondge-
dachte van de universele bouw- kunst: villa's en landgoederen, Amsterdam 2003. F.N. Sickenga, Bijdrage tot de geschie-
denis der belastingen in Nederland, diss. Leiden 1864. J.P. Sigmond, Nederlandse zeehavens
tussen 1500 en 1800, Amsterdam 1989. Anthony Sutcliffe, Paris: An Archi-
tectural History, New Haven/ London 1996, p. 29-30. Wim Top, Soesterberg van toen tot nu,
Alphen aan den Rijn 1990. James D. Tracy, ForHolland's Garden.
The war aims of the States of Holland, 1572-1588, Amsterdam 2004. J.M. Verhoeff, De oude Nederlandse
maten en gewichten, (Publikaties van hetP.J. Meertens Instituut, deel 3), Amsterdam 1982. Jan de Vries en Ad van der Woude,
Nederland 1500-1815: De eerste ronde van moderne economische groei, Amsterdam 2005. J.A. "Worp (red.), De gedichten van
Constantijn Huygens naar zijn handschrift uitgegeven: zevende deel 1661-16/1, Groningen 1897. Auke van der Woud, Het lege land:
De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848, Amsterdam/ Antwer- pen 1998. Michel Zeilmaker, Buitenplaatsen in
Utrecht, Utrecht 2004. |
|||||||
M. MIJNSSEN-DUTILH
|
||||
'Zwaar met ijs
bezet en bovenmate met water bezwaard. De doorbraak van de Grebbedijk
op 5 maart 1855 en wat daaraan voorafging |
||||
'zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' qq
|
|||||||||||
Op 5 maart 1855 brak de Grebbedijk voor de laatste keer tot
de huidige tijd door. Binnen vierentwintig uur stond het gebied tussen Rhenen, Wageningen en Veenendaal hele- maal onder water. Na de doorbraak van de Slaperdijk liepen ook de lage gronden van Renswoude, Scherpenzeel, Wou- denberg, Leusden, Stoutenburg en Amersfoort geleidelijk onder. (Afb.x) Hoe kon dit gebeuren en wat waren de gevol- gen? De hoogteverschillen in het landschap maken het Valleigebied kwetsbaar voor overstromingen. Dat is ook nu nog zo. In dit artikel wordt ingegaan op
het verloop van de overstroming in 1855 en de waterhuis- houding in de Vallei, die door het landschap wordt bepaald. |
|||||||||||
Medaille voor hulp
bij de watersnood van 1855 (Museum Flehite). |
|||||||||||
Een dijkdoorbraak veroorzaakt
door ijsgang op de Rijn Het was een lange en erg koude winter van 1854 op
1855. Er was veel sneeuw gevallen. Rond de jaarwis- seling stond het water op de Nederrijn en Lek al hoog. Op de eerste dag van het nieuwe jaar deed zich een stormvloed voor op de Zuiderzee; toen nog niet door een afsluitdijk afgeremd. Het water rees in Spakenburg tot 2.75 meter+ap, maareen paar centimeters onder het peil van de beruchte vloed van 1825. In Eemnes viel er bijna een door- braak in de Wakkerendijk in de Noordpolder. Ook in Amersfoort steeg het water tot 1.93 meter +ap. Het gewoon dagelijks hoog water was daar 0.27 meter +a p. Heel het laag gelegen deel van Eemlandaan de oostkant van de Eem stond onder water door overloop van de Slaagse dijk onder Hoogland, die expres laag werd gehouden vanuit de foutieve gedachte dat Amersfoort dan minder gevaar zou lopen. Het water liep over de Laakkade naar Arkemheen, en werd daar gedeeltelijk geloosd door de Nijkerkersluis. Zoiets kwam regel- |
|||||||||||
matig voor, daarom keek niemand er echt van op.
Het water bleef niet langen de polders waren onbewoond, behalve op hoger gelegen plekken. Op 17 januari 1855 werd er al drijfijs gezien op
de Rijn bij de Grebbe. Een week later was de rivier dichtgevroren van de Grebbe tot Schoonhoven. Begin februari kon men bij Wijk bij Duurstede het water oversteken met rijtuigen op het ijs. Er volgde een korte periode met sterke dooi. Dan wast het water altijd. Maar de vorst viel opnieuw in en de rivier raakte bij Vreeswijk van dijk tot dijk bedekt met een schild van ijs, dat daar een dikte van 36,5 centimeter bereikte. Er werd vrolijk gereden met schaatsen en sleden van Vreeswijk tot Rotterdam. Bij het invallen van de dooi op 25 februari was
de Nederrijn "zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard". Omdat het 's nachts bleef vriezen, nam het ijs maar weinig af in sterkte. Nog op 4 maart kon men per ijsschouw de rivier over- steken. Ondertussen bleef het water stijgen. Die dag deed zich een verandering voor in de toestand op de bovenrivieren, waardoor het achter de ijs- |
|||||||||||
100 M- MIJNSSEN-DUTILH
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
hijkiac
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Geldersche Vallei
* Vivatcrüoj langs dt Limtescfu' heel
Laigtc-p'ofÜ. Lengte «*o«l l.'.mumiii
Hoogte scJ.....H830 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Lengteprofieltekening van de Gelderse
Vallei vanaf de Grebbedijk tot de Zuiderzee, waarop de hoogteverschil- len zijn aangegeven. Uit: W.B. van Goor, Nota betreffende de Afwatering der |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Geldersche Valleiin verbandmet
Kanaalaanleg. Uitgave van de Kanaalvereniging de Geldersche Vallei, 1917; Bijlage 2. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
dammen opgehouden water doortocht kreeg. Er
vielen doorbraken in de rechter Bovenrijndijken, waardoor water werd afgevoerd naarde Gelderse IJssel en Nederrijn, terwijl de Waalmond nog steeds dicht zat. 's Middags op 4 maart kwam er bericht uit Arnhem over zware ijsgang daar bij een waterstand van 45 centimeter beneden het nood peil en een stijging van 1.40 meter in een etmaal. De rivier was nog steeds bezet met dik, nog gezond ijs. De deskundigen begonnen het ergste te vrezen. Op 5 maart 1855 in de vroege morgen begon
|
de Lekdijk Bovendams boven (d.i. stroomopwaarts
van) Culemborg over te lopen over een lengte van 1680 meter bij een waterstand van 24 centimeter boven noodpeil. Rond 11.30 uur was er ook over- loop van de dijk beneden Amerongen bij een stand van 26 centimeter boven noodpeil. Die dijk was in 1854 net verbeterd. Het ijs kruide op sommige plaatsen tot een hoogte van 2 meter tegen de dijk op, vooral bij Eist. Daar werden ontzettende mas- sa's ijs in de tuinen tegen de huizen en op de waar- den gedreven. Aan de Grebbe stond het water op 3 maart nogi.70 meter onder het noodpeil, dat daar |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' ioi
|
|||||||
op 11 meter+AP lag. In 24 uursteeg het water ook
hier met een meter en in de vroege morgen van 5 maart stond het aan het noodpeil. In die tijd lag het AP of Amsterdams peil hier ongeveer 6 centi- meter hoger dan het huidige nap of Normaal Amsterdams peil. De Crebbedijk viel onder de zorg van twee
dijksbesturen, de Dijkstoel van Wageningen en Bennekom voor het gedeelte in Gelderland, en de Dijkstoel van de Rhenensche Nude en Achter- bergsche Hooylanden voor het veel kleinere en minder kwetsbare gedeelte in Utrecht. Deze dijks- besturen hadden een samenwerkingsverband met het Veenraadschap van de Geldersche en Stichtsche Veenen en de buitenpolders Manen en Veldhuizen, en gezamenlijk werden ze de Colle- giën der Exonererende (= waterlozende) Landen genoemd. De achtergrond daarvan is een verhaal op zichzelf, dat hierna in het kort zal worden behandeld. Beide dijksbesturen waren al lang van mening dat de Grebbedijk verzwaard moest wor- den, want een toestand als in de eerste maanden van 1855 kwam in die tijd vrij regelmatig voor. Het liep echter meestal goed af, zoals nog in 1854, toen er ook ijsgang was op de Rijn en er dijkbewaking was van 11 januari tot 2februari. Al in 1843 had de waterstaatsingenieur voor Gelderland M.H. Conrad een plan gemaakt voor verhogingen ver- zwaringvan Grebbedijk. De kosten daarvan waren begroot op ƒ 97.000,-, een enorm bedrag in die tijd, en dat ging ver boven het vermogen van de Exonererende Landen. Na veel heen en weer gepraat was er tenslotte een veel goedkoper plan uitgevoerd, nadat zich in februari 1848 omstandig- heden op de Nederrijn hadden voorgedaan, die vergelijkbaar waren met maart 1855. De tegenover de Grebbe liggende dijken aan de zuidkant van de rivier waren daarna verbeterd. De noodzaak om dat ook aan de noordkant te doen werd wel dege- lijk ingezien. En dus werd er in 1851 en 1852 een noodkade aangelegd op de Grebbedijk, waardoor de waterkering bij Wageningen aan het huis het |
Roode Hart op 12.40 meter +ap was gebracht en
aan de Grebbe bij Rhenen op 11.75 meter+ap. Het Gelderse deel van de dijk lag toen nog veel dichter langs de rivier, waar nu de zomerkade ligt, waar- door dat gedeelte ook kwetsbaarder was voor de drukvan het water. De noodkade was geen dijk- verzwaring, maar een kade die bovenop de dijk was gelegd. (Afb. xi) De kosten beliepen ƒ 16.000,-, waarin de provincie Utrecht ƒ 3000,- bijdroeg. Op 5 maart 1855 merkte men om 6 uur's mor-
gens dat het ijs in beweging begon te raken. De waterstand bereikte het noodpeil van 11 meter +AP en bleef verder stijgen. Rond 14.00 uur liep het water op drie plaatsen over de dijk, omdat de noodkade door ijsschollen werd weggedrukt. Een uur later braken vrijwel gelijktijdig de noodkade door op de dijk bij de boerderij de Doven (die toen nog binnendijks lag) en de Marsdijk (de zomerdijk van de Marspolder) aan de overzijde van de rivier bij het huis de Spees tegenover de Grebbeberg. Nog een uur later viel er een door- braak in de Grebbedijk zelf boven de Doven bij een waterstand van 11.215 meter +ap ofwel 0.215 meter boven noodpeil. Het binnenwater in de Nude stond maar op 6.25 meter+AP, een verschil van zo'n vijf meter dus. Dat kon de dijk niet aan. De doorbraak bereikte een wijdte van 165 meter en een diepte van 5 meter-AP. De waterstand buiten de Grebbesluis viel na
de doorbraak tot 10.15 meter+AP bij een binnen- stand van 7.9 meter+ap. Door de dijkbreuken ontstond er een grote zijdelingse afvoer van water. De afvoer van het ijs vertraagde hierdoor, waar- door de rivier verstopt raakte en het water nog hoger werd opgestuwd. Om 21.30 uur brak daar- door de winterdijk van de Nederbetuwe bij Lienden op drie plaatsen door. Ook waren er dijk- breuken verder stroomafwaarts bij Mauriken bij Ingen. In het hele rivierengebied vielen 17dijk- doorbraken langs de rivieren en 30 doorbraken in binnendijken en buitenpolders. Langs de |
||||||
BwMn.v-O.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||
7b,, Bar ,Wm u . //.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
'zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' 103
|
|||||||||
veen ter dikte van een voet (ongeveer 30 cm) door
het water opgelicht. Stukken ter grootte van drie morgen (2,5 hectare) dreven weg. Onder Manen gebeurde dat meteen bunder veen (een hectare). Enkele stukken waren begroeid met lies en strui- ken, zodat ze eruit zagen als vaste grond. Dit doet denken aan de drijvende eilanden (mogelijk in het Meer Flevo, de voorloper van Almere en later Zuiderzee), beschreven door Plinius. Het centrum van Veenendaal, dat in de i6e eeuw is gesticht als woonplaats voorde turfarbeiders, ligt hoger, op twee zandbulten de Grote en de Kleine Veenlo genaamd, op een maaiveldhoogte van ongeveer 9 meter+NAP. De overstroming komt hier pas later en minder hoog, ongeveer een halve meter na twee dagen. In 1855 steeg de waterstand in Veenendaal van 5.17 meter +A P op 5 maart tot 9.05 meter+AP op 10 maart. Zes mensen uiteen gezin, waaronder vijf kinderen, verdronken, toen hun boot omsloeg. Veel huizen stortten in. De Slaperdijk
In de vroege ochtend van 6 maart begon het water
bij de Slaperdijk ten noorden van Veenendaal te stijgen. Deze dijk is in de ve eeuw aangelegd door de Utrechters onder leidingvan Amersfoort, juist om na doorbraak van de Grebbedijk het water te keren uit de provincie Utrecht. Hij ligt daarom gro- tendeels op de provinciegrens. Waterstaatkundig is dat niet de beste plek, maar kennelijk was het toen de beste oplossing. In de dijk lagen bij de voormalige herbergde Roode Haan een drietal duikers (buizen door de dijk) voor de afwatering van het zuidelijker, hoofdzakelijk Gelderse, gebied naarde Lunterse beek en zo verder naar Amers- foort. Deze duikers of heulen waren bewust te klein gemaakt in 1714, omdat de Utrechters al veel wateroverlast hadden en niet zaten te wachten op nog meer water uit Gelderland. Dat was onder de Republiek eigenlijk een ander staatje. Naast de drie heulen was in 1847/48 in het kader van het herstel van de Grebbelinie een inundatiesluis gebouwd, |
|||||||||
Bovenrijn in Duitsland waren en6 dijkdoorbraken.
Ongeveer honderd dorpen raakten overstroomd en minstens dertien mensen verdronken. In de Vallei loopt de helling van de bodem van
zuidoost naar noordwest. Amersfoort ligt zo'n 5.5 meter lager dan de Nude. Het gevolg is dat na een doorbraak in de Crebbedijk de hele Vallei lang- zaam volloopt tot aan het Randmeer toe, als er niets tegen gedaan zou worden. Het idee van de Crebbelinie als waterlinie is op deze hoedanigheid gebaseerd. De overstroming verloopt wel traag, zodat er tijd is om maatregelen te nemen. Laten wij volgen wat er in maarti855 gebeurde: Drie uur na de dijkbreuk op 5 maart begonnen
de lage gedeelten van Rhenen, Bennekom, Gel- ders Veenendaal, Ede en Lunteren onder te lopen. In de nacht gebeurde dit ook in Stichts Veenen- daal. Het maaiveld (d.i. de hoogte van de bodem) in het zuidoosten van Veenendaal, het Binnenveld, ligt tegenwoordig op een hoogte van 6.3 meter +NAP. Bij overstroming komt de hoogste waters- tand hierop zo'n drie a vier meter. Het laagst gele- gen deel van het gebied ter weerszijden van de Bisschop Davidsgrift is daarom nu door het water- schap Vallei 8c Eem aangewezen als bergingster- rein voor overtollig water bij overvloedige regen- val, zodat andere delen van de Vallei dan droog kunnen blijven. De bodem ligt hier zo laag, omdat er in de i6e eeuw veel turf is gestoken, waardoor het maaiveld meters lager is komen te liggen. In 1855 wel"d van sommige hooilanden in Achterberg door het overstromingswater de bovenste laag |
|||||||||
Pagina 102 boven
Situatietekening van de doorbraak in de
Grebbedijk in 1855. Uit: Sloet en Fijnje,
1856.
Pagina 102 onder
Lengteprofieltekening van de door-
braak in de Grebbedijk in 1855. Uit: Sloet en Fijnje, 1856. |
|||||||||
104 M- MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||
Munnikeheul, de duiker voor de Munnikebeek
door de Slaperdijk onder Renswoude, bij een waterstand van 8.8 a 8.9 meter +ap aan de buiten- kant of oostzijde van de dijk. Aan de binnenzijde stond het water op 4.74 meter+AP. Er ontstond een gat van 32 tot 40 meter wijd en 8.7 meter diep onder de dijkskruin. Renswoude kwam nu midden in de nacht snel onder water te staan. In Scherpen- zeel hoorde men de noodklok luiden. De opzichter van de waterstaat, gestationeerd aan de Slaperdijk, redde velen het leven. Wel verdronken enige var- kens en een koe. Tweederde deel van de bevolking moest vluchten. Het detachement artillerie, dat sinds enige dagen in Renswoude was ingekwar- tierd om de Slaperdijk te bewaken, vertrok hals over kop naar droger oorden, maar het ook aanwe- zige detachement infanterie kon niet meer weg- komen. Op 10 maart 's morgens was Renswoude al aan alle kanten door het water omringd, de meeste huizen stonden onderwater. Die dag vertrok de infanterie alsnog, maar de manschappen moesten wel ten minste een kwartier over de straatweg door het water waden om de dijk te bereiken. Later werden de Witte- en Hooibroeker bruggen aan de kerk of Emminkhuizerlaan afgebroken om het ver- keer door een veer op Emminkhuizen te herstel- len. Over de spoordijk bleef het treinverkeer met Utrecht mogelijk tot vóór de spoorbrug bij de Klomp. Ook in Scherpenzeel begon het water verder te stijgen.'s Middags op 10 maart liep de Dorpsstraat over ter lengte van 500 m, zodat het dorp in tweeën werd gesplitst. De waterafvoer werd belemmerd door de Lambalgerkade. Dit was een van de keerkades, die bij inundatie moesten voorkomen dat de kommen van de Grebbelinie weer leegliepen. Maar in 1855 werd door deze kade de stroom geleid naar enige huizen, waarvan er drie instortten en vierandere ernstig werden beschadigd. Ondertussen lag het gat in de Grebbedijk nog
steeds open. Pas op 11 maart kon het herstelwerk beginnen en toen kon ook de Grebbesluis weer |
|||||||
die met schotbal ken kon worden afgesloten. Deze
damsluis was in maart 1855 tijdig gesloten door de luitenant der Genie, gestationeerd aan de Grebbe- sluis. De heulen waren voorzien van een kistdam aan de buitenzijde, dus aan de kant van Veenen- daal. De waterkering bleek hier afdoende, de dijk heeft het gehouden. In de nacht van 7 op 8 maart stonden de hui-
zen in Gelders Veenendaal tot aan het dak onder water. Aan weerszijden van de spoorbrug bij de Klomp spoelde de grond van de spoordijk weg. De brug zelf bleek zo stevig gebouwd, dat hij mid- den in het water bleef staan. De waterstand bij het tolhuis aan de Jufferswijk kwam op 2.35 meter boven het maaiveld of 9.15 meter +ap. Het water steeg tegen de oostkant van de Slaperdijk, die daar zuid-noord loopt tussen Renswoudeen Lunteren. De dijk eindigt bij het fort Daatselaar aan de Lunterse beek. Ook daar lag een schotbalk- sluis die op tijd was gesloten. Het water kon dus niet weg uit het gebied tussen de Grebbe en Veenendaal, het gebied van de Collegiën der Exonererende Landen. Aan de Grebbe was op 8 maart de waterstand binnendijks dan ook hoger dan die buiten. Op 9 maart begon de overstroming langzaam
om de kop van de Slaperdijk bij Daatselaar te lopen, omdat de waterkering daar niet eindigt tegen echt hogere grond. Het water werd door de op verscheidene plaatsen gedichte Groeperkade uit Renswoude gehouden en het liep aan de noordwestkant daarlangs naar de straatweg Renswoude-Scherpenzeel en verder naar de Lun- terse beek, die nog niet buiten zijn oevers was getreden. Aan de Rode Haan was de stand inmid- dels ruim 9 meter+ap. Aan het eind van de mor- gen kwam de straatweg Renswoude-Scherpenzeel onder te staan. Het water liep zo wel aan de noord- als aan de zuidzijde langs het dorp Scherpenzeel, maar het gemeentebestuur had de Dorpsstraat nogdroog weten te houden.'s Avondsom 21.30 uur ging het echter mis, want toen bezweek de |
|||||||
'ZWAAR MET IJS B6ZET EN BOVENMATE MET WATER BEZWAARD.' 105
|
||||||||||||||||
Veenendaal gezien vanaf de Melm,
26 maart 1855. |
||||||||||||||||
fcj W e* tf id ld fe! vj
|
||||||||||||||||
fc<yüy^fc*fc»ö 0
|
||||||||||||||||
MeTêRs
|
||||||||||||||||
7ï j rö
|
||||||||||||||||
2 -S H 5
|
||||||||||||||||
Tekening van de spoorbrug bij station
De Klomp, waarop de hoogte van het Water op 19 maart 1855 is aangegeven. Copie, door A.P. de Kleuver, van een tekening in het archief van de Neder- landsche Rhijnspoorweg Maatschappij (in: Archief Nederlandse Spoorwegen, Utrecht). |
||||||||||||||||
L
|
||||||||||||||||
10Ö M. MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||||
te stuiten. De helling van de bodem beneden de
Slaperdijk naar Amersfoort is veel steiler dan tus- sen de Grebbe en Veenendaal. Na de overstro- mingvan Scherpenzeel liep het water met grote kracht langs het dal van de Lunterse beek naar de Grebbelinie. De dijk daarlangs brak door bij Lam- balgen, boven Bruinenburg, twee maal beneden Bruinenburg, bij de Bruinenburgersluis en bij Asschat. Ook de Groeperkade brak door. De gemeenten Woudenberg, Leusden en Stouten- burg kwamen nagenoeg geheel onderwater, Leersum en Amerongen gedeeltelijk ook. Verscheidene huizen stortten in en door gebrek aan vervoermiddelen was het voor de mensen vaak onmogelijk om hun spullen in veiligheid te brengen. Het vee kon wel grotendeels gered wor- den. Een deel van de inwoners van Woudenberg vluchtte in de kerk, die door dammen werd verde- digd tegen het water. Een ander deel nam zijn toe- vlucht tot de pyramide van Austerlitz op de Heuvelrug. In Hamersveld en Leusbroek zou plaatselijk 1.5 tot 2 meter water hebben gestaan. Volgens de peilstift ingemetseld in de frontgevel van de kerk van Leusden-Zuid kwam het water daar op 14 maart ongeveer een halve meter boven het maaiveld. Op de straatweg van de Bavoortse brug naar Arnhem stond 1.14 meter water tot 9.07 meter+ap. Op 11 maart's middags begon de overstroming
in Asschat, Stoutenburg en een deel van Hoeve- laken. Het water kwam hier langs de Grebbelinie- dijk en door de Moorsterbeek, die uitkwam in de Modderbeek. Alle lage gronden langs de Modder- beek liepen onder. Aan de Horsterbrug stond 0.6 meter. De boeren vluchtten met hun vee. De vol- gende dag stond de Hessenweg tussen de Koper- molen en Klein Hondhorst helemaal onder water. De stijging duurde tot 15 maart. Toen was de Hessenweg overstroomd vanaf de tweede steeg tot voorbij de steeg van het Gasthuis Daatselaar ter diepte van een meter of meer, behalve tussen de Birkesteeg en het huis Paasmaandag en voor |
|||||||||
Kaart van Renswoude waarop de
Munnikeheul is aangegeven. Uit: J. Kuyper, Gemeente-atlas van de Provincie Utrecht, 1868. |
|||||||||
geopend worden om het vloedwater te lozen. Ook
de militaire schotbalkensluis aan Rode Haan werd geopend. Men had besloten om de zomerkade langs de uiterwaard de Benedenste polder onder Wageningen op 4.5 meter Wagenings peil te bren- gen om een eerste ring rond de doorbraakte krij- gen. Dat werk was klaar op 15 maart, maar het werd niet goedgekeurd. Daarom werd er daarna een kade gelegd, dicht voor de doorbraak, ter lengte van 280 meter, hoog 5 meter aan Wage- nings peil en breed op de kruin 2 meter, met glooiingen buiten van 2:1 en binnen van 2,5:1. Deze kade was gereed op 7 april, en voorzien van vol- doend beslagwerk op 15 april. Overstroming in de Vallei
Na de doorbraak van de Slaperdijk in de avond van
9 maart was het vloedwater in de Vallei niet meer |
|||||||||
'zwaar, met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' 107
|
|||||||
het huis Vuilboom. De Kopermolen stond tot het
dak in het water. In Amersfoort waren op 12 maart de Herenstraat, de Sint Andriesstraat en de Coninckstraat afgedamd. De Sint-Aagtenkapel werd ingericht voorde opvangvan arme bewoners die door het water uit hun huizen waren verdreven. Zo'n 60 mensen maakten gebruik van deze voor- ziening. Aan de Kleine Koppelsluis steeg het water 52 centimeter. De Eem trad buiten zijn oevers, waardoor de afvoer werd vergroot. Maar's avonds drong het water toch door in de huizen aan de Muurhuizen. De Korte - en Langegracht, het Havik en het Spui waren niet meer begaanbaar. Veel inwoners moesten zich terugtrekken op de hogere verdiepingen van hun huizen. Het watersteegi.5 meter in 24 uur en de stijging hield aan tot 16 maart. Aan de Kleine Koppelsluis was de stand toen 1.78 meter+ap en aan de brug bij Monniken- dam 2.18 meter +AP, dat is ongeveer anderhalve meter hoger dan normaal. Gelukkig was het weer gunstig: de zuidwestenwind bevorderde de afvoer van de Eem. Op 15 maart was het bewoonde deel van
Scherpenzeel weer droog. Vier dagen later gold dat ook voor Woudenberg. De straten van Amersfoort waren weer begaanbaar. Maar volgens het ge- meenteverslag over 1855 werd de gewone waters- tand pas eind maart weer waargenomen. Rens- Woude en Achterberg moesten tot half april wach- ten vóór het water was verdwenen en Stichts Veenendaal en de lage delen van Ede zelfs tot eind april. Er had daar zeven weken water gestaan. Het herstel van de Crebbedijk duurde van 29
mei tot 5 oktober 1855. De oude dijk langs de rivier Werd verlaten en vervangen dooreen inlaagdijk, een nieuw gelegde dijk meer landinwaarts, ter lengte van 1320 meter. De dijk volgt daardoor nu niet meer de scherpe bocht van de rivier en is minder kwetsbaar voor de drukvan het water bij grote afvoer. Hij werd verhoogd toti2.65 meter bij Wageningen, afdalend tot 12 meter+ap bij Rhenen. De kruinsbreedte werd gebracht op 5 |
|||||||
meter en de glooiingen buiten op 3:1 en binnen op
2:1. Door deze maatregelen is er na 1855 geen doorbraak meer geweest. Bijna anderhalve eeuw later bleek de dijk wel te smal voor de nu geldende eisen. Bij hoog water zou het grondwaterpeil in het dijklichaam te hoog kunnen worden, waar- door dat zijn stevigheid zou verliezen. Om dit op te lossen werd een flauwer talud (glooiing) bin- nendijks aangelegd. Na het hoge water van januari 1995 heeft het waterschap Vallei 8c Eem de dijk- verbetering uitgevoerd. Tegen piping (onderloop van water door de dijk) is een ondoordringbare kleidrempel aan de buitenzijde aangelegd. De klei is gehaald uit de uiterwaarden bij Wageningen door het graven van een nevengeul voorde rivier. Waar verbreding van de dijk niet mogelijk was, zoals bij de stad Wageningen door de bebouwing en bij het natuurgebied de Blauwe Kamer, is een stalen damwand geslagen. De dijkshoogte is nu minimaal 12.18 meter+NAP. Oorzaak en gevolg: het weggraven
van de waterscheiding Zoals boven al even aangeroerd is de huidige
waterstaatkundige toestand in de Vallei ontstaan door het afgraven van het hoogveen rond Veenen- daal in i6e eeuw. Nadat het bestuur in alle Neder- landse provincies in handen was gekomen van Keizer Karel V, trad een periode van rust in, waarin de economie opbloeide. De vraag naar brandstof in de steden nam sterk toe en in die tijd betekende dat vraag naar turf. In de Vallei lag een hoogveen- gebied rond de Emminkhuizerberg, dat heel geschikt was voor turfsteken. Al aan het eind van de i5e eeuw had bisschop David van Bourgondië (ca.1427-1496) dat ingezien en hij had de naar hem genoemde grift laten aanleggen om de turfpramen met hun vracht naarde Grebbe te kunnen laten varen, van waar verder vervoer over de Rijn moge- lijk was. De bisschop kreeg echter ruzie met zijn onderdanen en de Stichtse burgeroorlog (1481- 1483) die daar het gevolg van was, verhinderde de |
|||||||
108 M. MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||||
Portret van Gilbert van
Schoonbeke (1519-1556). Aan hem werd in 1550 door Karel V octrooi verleend voor turfwin- ning in de Vallei en voor aanleg van de Schonebekergrift. Uit: Gemeentearchief Veenendaal. |
|||||||||
Schoonbeke een nieuw kanaal aan de westzijde
van de beek graven, dat bij Monnikendam in de Stadsbuitensingel uitkwam. Op i6e-eeuwse kaar- ten is dit kanaal duidelijk aangegeven. De pramen mochten dan verder door de Westbuitensingel naar de Eem varen, zoals op de bekende gravure Amorfortia van Braun en Hogenbergte zien is. Vervolgens kon het vervoer over de Eem en de Zuiderzee naar Amsterdam plaatsvinden. Maar daarvoor moest eerst ook nog de Eem door Van Schoonbeke worden uitgediept. De stad Amers- foort had deze zware eisen gesteld, omdat het stadsbestuur de hele onderneming niet zo zag zit- ten. Als het dan toch moest, wilde men er zoveel mogelijk voordeel voorzichzelf uithalen en de uit- diepingvan de Eem was zeker ook in het eigen voordeel. De beken die aan de zuidkant van Amersfoort samenvloeiden, voerden altijd veel zand mee, dat beneden de stad in de Eem neer- sloeg, omdat daar de stroomsnelheid verminder- de. De rivier raakte daardoor te ondiep voor grote- re schepen om de stad te bereiken. En in een tijd dat het vervoer van zware goederen over de onverharde wegen door de modder in ons natte klimaat uiterst moeizaam was, was de haven voor Amersfoort van levensbelang. Daarnaast was men terecht bang voor een
grotere afvoer van water uit de hoger gelegen veengebieden naarde stad. Amersfoort ligt op het punt waar al het water uit de Vallei samenkomt, vóór het door de Eem naar het noorden wordt afgevoerd. De beken in dit gebied zijn zogenaam- de laaglandbeken, die voornamelijk worden gevoed door regen- en kwelwater. Het waterpeil kan daardoor snel sterk wisselen. Bij veel regen treden de beken op laaggelegen plaatsen buiten hun oevers, bij langdurige droogte vallen zij soms droog in hun bovenloop. Voorde stad was juist een constante en regelmatige aan- en afvoer van schoon water van levensbelang. De bierbrouwe- rijen en de textielindustrie met zijn blekerijen en watermolens hadden dat nodig, maar ook moest |
|||||||||
uitvoeringvan de turfwinningin de Vallei. Na 1550
werden de plannen weer opgevat en het Veen- raadschap der Geldersche en Stichtsche Veenen, een samenwerkingverband van een aantal Utrechters, kreeg een octrooi of vergunningvan de Keizer om turf te gaan steken in dit gebied. Het dorp Veenendaal werd gesticht als woonplaats voordeturfarbeidersen hetVeenraadschap heeft daarover het bestuur gevoerd, tot Veenendaal in de Franse tijd een zelfstandige gemeente werd. Een tweede octrooi werd verleend aan de Compagnie van de Antwerpse projectontwikke- laar Gilbert van Schoonbeke (1519-1556), die zijn turf haalde uit de wat noordelijker gelegen venen. Voor zijn diverse ondernemingen op industrieel en stedebouwkundig terrein had hij veel brand- stof nodig. Het vervoer daarvan mocht echter niet plaats vinden over de Bisschop Davidsgrift, want daartoe had hetVeenraadschap het alleenrecht, omdat het de grift op eigen kosten had verbeterd. Van Schoonbeke legde daarom een eigen grift aan, vanaf de Emminkhuizerberg naar de Woudenbergse grift, die doorgetrokken werd naar de Leusder grift, terwijl de Lunterse beek er aan de noordkant van Woudenberg met een duiker onderdoor geleid werd. Deze grift kwam bij het huis Lockhorst uit in de Heiligenbergerbeek. De turfpramen mochten echter niet over de beek naar Amersfoort varen, omdat zij het water te zeer zouden vervuilen. Langs de beek bij Amers- foort lagen de blekerijen, die voor de stad van groot economisch belang waren en die absoluut schoon water nodig hadden. Daarom moest Van |
|||||||||
'zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' 109
|
||||||||||||||||
l'giiii 'm f 1' .-^ i.% p-In irnti^ e 11 W.na.tvn^i uaw^g. foe^Ti
|
||||||||||||||||
met een niet-uitgevoerd plan tot
afsluiting van de Eem bij Baarn uit 1919. Uit: Archief Hoogheemraad- schap van de Bunschoter Veen- en Veldendijk; inv.nr. 664. |
||||||||||||||||
Overzichtskaart van de afwaterings-
gebieden in de Vallei, die hun water afvoeren naar de Eem bij Amers- foort. Vervaardigd door Provinciale Waterstaat van Utrecht in verband |
||||||||||||||||
en kostbare investeringen toch met zijn onderne-
ming is doorgegaan, geeft ons wel een indruk van hoe winstgevend deze geweest moet zijn. De turfgraverij werd zó voortvarend aange-
pakt dat tegen het eind van de i6e eeuw bijna al het veen was weggegraven. Toen bleek dat de bewoners van Amersfoort en omgeving terecht bezwaar hadden gemaakt tegen de hele onder- neming. De gevolgen voor de waterhuishouding waren ernstig en onomkeerbaar. Het hoogveen- gebied in het midden van de Vallei had niet alleen |
||||||||||||||||
men de grachten, die ook open riolen waren, kun-
nen doorspoelen. Bij een te grote toevoer van water naar de stad bestond er overstromingsge- vaar, als de Eem niet voldoende kon afvoeren door een hoge waterstand op de Zuiderzee bij noord- westenwind. Dat kwam nog wel eens voor. Amersfoort zat dus klem tussen het water boven en beneden de stad. Vanwege de bezwaren van de lokale bewoners kreeg het octrooi van Van Schoonbeke maar een looptijd van 36 jaar. Dat Van Schoonbeke ondanks al deze belemmeringen |
||||||||||||||||
110 M. MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||
altijd veel water vastgehouden, maar het had ook
gefungeerd als waterscheiding, waardoor het gebied ten zuidoosten van de Emminkhuizerberg kon afwateren naarde Rijn. (Afb. xn) Door het turfsteken was het maaiveld nu meters gedaald en de waterscheiding was verdwenen. De hele Vallei lag open voor overstroming bij een doorbraak van de Grebbedijk. De eerste keergebeurde dat in januari 1573, maar toen bereikte het water Amersfoort nog niet. Dat was wel het geval begin maart 1595, toen er ernstige schade in de stad werd aangericht. In de eerste helft van de 17e eeuw brak de dijk en aantal keren door, zoals in januari 1643 en februari 1644, waardoor het grond- werk onder de schotbalken bij Grote Koppelpoort wegspoelde. De voorpoort en de brug waren zó ernstig verzwakt, dat zij in 1645 vernieuwd moes- ten worden. Bij de volgende doorbraak op 16/17 januari 1651 was de maat dan ook vol, zeker toen de dijk opnieuw overliep op 2/3 decemben65i. Maar Amersfoort had geen zeggenschap over de Grebbedijk, dat hadden alleen de grondeigenaren in Wageningen en Rhenen, voorzover hun landen door de dijk beschermd werden. Zij moesten ook betalen voor het dijksonderhoud. De zaak lag echter nog gecompliceerder. Het
weggraven van de waterscheiding had namelijk niet alleen ernstige gevolgen voor het lagere noordwesten van de Vallei. Ook het zuidoosten kwam in de problemen, omdat de afwatering naar de Rijn door de maaivelddaling steeds moeilijker werd. Vanwege de helling in de Vallei was de enige andere mogelijkheid afvoer van water naar de Lunterse beek in het noordwesten en die beek kwam uit in de stadsgrachten van Amersfoort, waar men juist niet op nog meer water zat te wachten. Het waterstaatsrecht liet niet toe dat iemand zo maar een nieuwe afvoerroute voor zijn overtollig water kon opeisen. Oude rechten moes- ten gerespecteerd worden, maar als de situatie veranderde, gold de regel Wien water deert, die water keert, ofwel wie last heeft van te veel water, |
die maakt een waterkering, zodat de overlast zich
naar de buren verplaatst. Daar kwam nog bij, dat het zuidoosten van de Vallei grotendeels in Gel- derland ligt en het noordwesten met Amersfoort in Utrecht. Dat waren onder de Republiek twee zelfstandige staatjes, die niet van zins waren eikaars problemen op te lossen. Om de toegeno- men afvoer naar de Lunterse beek te stuiten had- den de Utrechters al in 1608 een dam gelegd bij de Rode Haan (het laagste punt in de waterschei- ding en later de Slaperdijk), die alleen geopend mocht worden voor de afvoer van overstromings- water. Dat betekende dat de normale lozing van regen- en kwelwater vanuit het Gelderse zuidoos- ten van de Vallei voortdurend werd belemmerd. En dat leidde vaker tot wateroverlast in het gebied van de Collegiën der Exonererende Landen dan de hinder die het noordwesten van de Vallei onder- vond doordoorbraken van de Grebbedijk. In 1651 waren beide partijen dan ook tot het
uiterste getergd. Door oelefiere disputen en heftige krakelen liepen de onderhandelingen op niets uit. De Wageningers dreigden de dijk niet alleen niet te herstellen, maar hem zelfs af te graven, als zij geen recht kregen om af te wateren naar de Lunterse beek. De Amersfoorters c.s. wilden daar niet over praten, zolang de dijk niet eerst zó goed gemaakt werd, dat hij niet meer zou doorbreken. De Staten van Utrechten Gelderland bemoeiden zich ermee. Dat leidde tot een eigenlijk heel aan- vaardbaar concept-akkoord: de dijk zou hersteld worden en er zou bemaling met watermolens worden aangelegd op de Bisschop Davidsgrift op kosten van alle belanghebbenden, zowel in Gel- derland als in Utrecht. Daarna zouden de oude onderhoudsplichtigen, dus de grondeigenaren onder Wageningen en Rhenen, weer verantwoor- delijk zijn voor het onderhoud van de dijk. Door de bemaling zou het zuidoosten van de Vallei weer kunnen afwateren op de Rijn en was de aan- leg van een waterlozing naar de Lunterse beek niet meer nodig. De Utrechtse Staten gingen vlot |
||||||
'zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' m
|
|||||||
akkoord met de overeenkomst, maar die van
Gelderland, nooit zo besluitvaardig, hielden de zaak te lang aan. De Wageningers weigerden iets aan de dijk te doen vóór de start van de bouw van de watermolens. Het wantrouwen tussen partijen groeide na de overloop van de dijk in december 1651. Tenslotte gaven de Staten van Utrecht op 17 september 1652 toestemming voor de aan leg van een slaperdijk langs de vroegere waterscheiding, ongeveer op de provinciegrens, om het vloedwa- ter in elk geval uit het eigen gebied te houden bij een nieuwe dijkdoorbraak. De aanbesteding vond plaats in oktober 1652, in maart 1653 gevolgd door de aanleg van een sluis in de dijk voorde Juffers- wijk. Dit was een eenzijdige maatregel van Utrechtse kanten er werd geen waterlozing langs de Rode Haan naarde Lunterse beek toegestaan. Van bemaling voorde Gelderse landen in het zuidoosten kwam ook niets meer. Voortaan lag het gebied tussen Veenendaal en de Grebbe nog sterker te verdrinken dan voorheen. De effectiviteit van de nieuwe Slaperdijk werd
niet onmiddelijk op de proef gesteld. Het duurde tot januari 1682 vóór de Grebbedijk weer overliep en een nieuwe doorbraak vond pas plaats op 24 februari 1711. De onderhandelingen werden daarna hervat en het duurde drie jaar vóór men tot over- eenstemming kwam. De Conventie van 1714 hield in dat de Grebbedijk hersteld, verhoogd en ver- zwaard zou worden tegelijk met de aanleg van een waterlozing door drie heulen of duikers door de Slaperdijk bij de Rode Haan. Het water zou dan geleid worden door het eerste gedeelte van de oude Schonebekergrift en vervolgens door de Broeksloot naar de Lunterse beek. Het plan voor 20'n afvoertraject dateerde al uit 1627. De kosten van hetdijksherstel zouden half/half gedeeld worden door de eigenaren van alle landen boven en beneden de Slaperdijk. Bij een nieuwe door- braak van de Grebbedijk zouden alle belangheb- benden binnen en buiten de Slaperdijk naar rato van grondbezit bijdragen. De kosten van aanleg |
|||||||
van de waterlozing kwamen ten laste van de
Exonererende Landen buiten de Slaperdijk. Aan de Rode Haan, bij het Geeresteinse schut in de Lunterse beek bij Woudenberg, en aan de Kleine Koppelsluis in Amersfoort zouden peilschalen worden geplaatst. De heulen aan de Rode Haan mochten alleen gesloten worden, als het water boven deze peilen kwam of als de Grebbedijk weer doorbrak. In dat geval moesten ze weer geo- pend worden, zodra de doorbraak bevangen (voorlopiggedicht) was. Dat laatste is niet gebeurd in 1855, maar de lozing is wel op tijd her- vat door de naast de heulen gelegen militaire inundatiesluis aan de Rode Haan. De Grebbedijk vóór 1855
Het dijkbeheer langs de grote rivieren gaf reden
tot zorg in de eerste helft van de io.e eeuw. Daarom had Koning Willem I in 1821 een Com- missie tot onderzoek der beste rivierafleidingen ingesteld die in 1827 rapport uitbracht. Er kwam echter geen oplossing en dus volgde er een twee- de Riviercommissie, die werkzaam was van 1828 toti849. Bij Koninklijk besluit van 21 augustusi835 nr 23 werd het Reglement op de correspondentie bij ijsgang en hoog opperwater op de rivieren vastgesteld. Hierin werden regels gegeven voor het instellen van dijkbewaking- het oproepen van hetdijkleger-en de berichtgeving van hogerop gelegen posten aan punten verder stroomaf- waarts over de waterstand op de rivieren en het volume van de afvoer, zodat men tijdig maatrege- len zou kunnen nemen om de dijken te bescher- men. Onderstaand staatje geeft een beeld van de problemen op de Nederrijn in de jaren vóón855, ontleend aan het archief van de Dijkstoel van de Rhenensche Nude en Achterbergsche Hooylanden: 20-29 maart 1827 Dijkleger opgeroepen aan de
Grebbedijk
iomaarti83i Hoogwater op de Rijn |
|||||||
112 M. MIJNSSEN-DUTILH
|
||||||||||||||
26 december 1833-12 januari 1834 Dijkleger; nacht 3-10 maart 1844 Dijkleger.
van 3i/i2opi/i 30 januari-7februari 1846 Dijkleger
|
||||||||||||||
noodlottig
29 januari 1834 Dijkleger
14december 1836 Dijkleger
5-7maarti838 Dijkleger
17 februari 1841 Het water staat op en aan de
Crebbedijk; overloop van de dijk
bij Heteren. Deze is daarna verhoogd |
||||||||||||||
7-10 februari 1848 IJsgangopde Rijn, dijkleger
23 december 1849-19 januari 1850 IJsgangop de
Nederrijn en
Lek december 1853-eind januari 1854 De Lek
dichtgevroren
11 januari-2februari 1854 Dijkleger
|
||||||||||||||
Ook tegenwoordig komen er in
de Gelderse Vallei nog wel over- stromingen voor. Zij worden niet veroorzaakt door een dijk- doorbraak, maar door zware regenval. Daardoor stonden vroeger vrijwel elke winter enkele duizenden hectaren onder water. Maar na de aanleg van het Valleikanaal is de water- huishouding flink verbeterd. Tegenwoordig lopen nog maar enkele honderden hectaren af en toe onderen dat gebeurt bovendien zeker niet meer elke winter. Wel is het opvallend dat de wateroverlast op precies dezelfde plaatsen voorkomt als vroeger. Zo vreemd is dat niet, want het water stroomt natuur- lijk nog altijd naar de laagste plekken. Bekende plaatsen zijn het Binnenveld bij Veenendaal en de lage gronden net ten oos- ten van Amersfoort en Leusden. Het zijn de laagst gelegen delen van het afwateringstraject van |
de Vallei en dus ook van de
voormalige Crebbelinie. Bij de aanleg van deze waterlinie wist men exact de laagste en daar- door gemakkelijkst inundeer- bare gronden te vinden. (Afb. xv en xvi) Vroeger waren de overstro-
mingen door teveel regen- en kwelwater vooral schadelijk voorde landbouw. Maar nu zijn de stedelijke gebieden in de Vallei sterk uitgebreid. Overstromingen in zulke gebie- den richten veel meer schade en overlast aan dan vroeger. Dat hebben we gemerkt bij de over- stromingen van 1998. Daarom heeft Waterschap Vallei &. Eem nu de laagst gelegen gebieden (in totaal circa 850 hectare) aangewezen als waterbergings- gebied. Dat is nodig om de lage delen van Veenendaal, Leusden en Amersfoort te vrijwaren van wateroverlast. Doordat het klimaat veran-
|
|||||||||||||
dert, zullen er in de toekomst
vaker hevige regenbuien voor- komen en dan zullen de water- bergingsgebieden dus ook vaker nodig zijn. De ligging van deze gebieden wordt vastgelegd in de keur van het waterschap en in de bestemmingsplannen van de gemeenten, zodat daar niet gebouwd mag worden. Deels liggen de waterbergingsgebie- den op landbouwgronden. Hiervoor heeft het waterschap een schaderegeling gemaakt. Voor een ander deel worden het nieuwe natuur- en recreatiege- bieden. Samen met de gemeen- ten en natuurbeschermingsor- ganisaties maakt het water- schap daar nieuwe inrichtings- plannen voor. IrH.J.Nobbe
Senior medewerker water-
huishouding van Waterschap Vallei & Eem |
||||||||||||||
'WECH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG HJ
|
|||||
I Uitsnede uit een kaart van de provincie
Utrecht, waarop de toestand van de Amersfoortse Berg is te zien vóór de aanleg van de weg. De Berg is weergegeven als een woest gebied; verschillende karresporen verbinden de steden Amersfoort en Utrecht. Collectie: Archief Eemland. |
|||||
harfi <,mi 'eipifii riiuycii
|
|||||||||||||
Ufo
|
|||||||||||||
'l.Jclïnf/ï'&rtill
■
|
|||||||||||||
'WEGH DER WEEGEN': ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG ll^
|
||||||||
IV Op deze kaart uit 1681 worden de
grenzen van het rechtsgebied van Amersfoort weergegeven. De Amers- foortseweg staat er ook op; een aantal 'vakpalen' is te herkennnen. De oriën- tatie van de kaart vloeit voort uit de richting van de weg; deze werd kenne- lijk gezien als het belangrijkste element in het landschap rond Amersfoort. Collectie: Archief Eemland. |
||||||||
Pagina 114 boven
II Het plan-Meyster, waarin de stad
Utrecht zou worden uitgebreid en zou worden voorzien van nieuwe infrastruc- tuur in de vorm van een havenkom en een kanaal naar de Eem. Collectie: Archief Eemland. |
||||||||
Pagina 114 onder
UI 'Caarte van Seijst en Dribergen' uit
1652. Het tracé van de weg, de aanzetten van de sorties en de namen van een aan- tal grondeigenaren is erop weergegeven. Collectie: Archief Eemland. |
||||||||
I
|
|||||||||||||||||||||||||
'O
|
|||||||||||||||||||||||||
l
|
|||||||||||||||||||||||||
w
|
|||||||||||||||||||||||||
■■■
|
|||||||||||||||||||||||||
,
|
|||||||||||||||||||||||||
tot en met 11 zijn te herkennen.
Ook deze kaart is georiënteerd op de Amersfoortseweg. Collectie: Archief Eemland. |
|||||||||||||||||||||||||
v Grenskaart van het gerecht Amers-
foort uit 1681, waarop het oostelijke uit- einde van de weg is weergegeven. De galg, een aantal 'sorties' en de vakpalen 1 |
|||||||||||||||||||||||||
WEGH DER WEEGEN : ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSEWEG 117
|
|||||
vi Hoogtekaart van de Amersfoortse-
weg en zijn omgeving. Op de kaart is het oorspronkelijk tracé van de weg en de latere verleggingen goed te zien. Het Oostelijk deel van de weg is in de loop van de tijd vervallen tot een pad door het bos, dat uitkomt bij de snelweg A28. Ook de vakkenstructuur is voor een groot deel herkenbaar. Collectie: Archief Eemland. |
|||||
118 JAAP EVER.T ABR.AHAMSE
|
||||||||||||||||||||||||||
i <lv
|
||||||||||||||||||||||||||
//
|
||||||||||||||||||||||||||
%\
|
||||||||||||||||||||||||||
/'
|
||||||||||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||||||||||
vu Zeventiende-eeuwse ontwerp voor
het rechttrekken en verbreden van een deel van de Heiligenbergerweg bij Jacob van Campens landgoed Randbroek. Gebaseerd op metingen op 1659. Nieuwe situatie. Collectie: Archief Eemland. |
||||||||||||||||||||||||||
WEGH DER WEEGEN : ONTWERP EN AANLEG VAN DE AM ERSFOORTSE WEG lig
|
||||||||||||||
V^>
|
||||||||||||||
VIII Ontwerp voor het rechttrekken en
verbreden van een deel van de Heiligen- bergerweg bij Jacob van Campens landgoed Randbroek. Bestaande situatie. Collectie: Archief Eemland. |
||||||||||||||
120 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
|||
afrrMrmjcf of Ür#. w m //twen
j/e oe />M»reK£r/Mc o/> /f/ta#r- /</-• Va
J>£ favrs» i/irr* ree roe #rmi aynwio/fff #osr-&* j*t/i.ec &&s
" meit- ; bus retnmoramc K Het'oe ..... e/y. ..
u, ... tj/foe/ y/// &0S //
|
||||||||
l
|
||||||||
120 JAAP EVERT ABRAHAMSE
|
||||||||
oSaes7-£jfBt»o
|
||||||||
HA AAS
tOrEBÖKBlIPfcr
kjfclörf 1855. - |
||||||
x Overzichtskaart van
het overstroomde gebied in de Gelderse Vallei na de doorbraak van de Grebbedijk in 1855. Uit: Sloet en Fijnje, 1856. Pagina 123
xi Dwarsprofielteke-
ning van de noodkade op de Grebbedijk bij de Doven, aangelegd in 1851/1852. Uit: Archief Collegiëën der Exonererende Landen, kaartnr 27; Archief Eemland. |
||||||
-
|
|||||
124 M' M|JNSSEN-DUTILH
|
||||||||||||||
xii Schetskaart waarop de waterschei-
ding (A-B) in de Vallei en de ligging van de Slaperdijk zijn aangegeven. Bron: Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO. |
||||||||||||||
He//i'e'enberfi"erb eek
|
||||||||||||||
m
Bisschop DavidfrGrirt
|
||||||||||||||
1470-1480))
|
||||||||||||||
3
|
||||||||||||||
i ■ ma»Wi.;
|
||||||||||||||
xiii Figuratieve situatietekening van
de Heiligenbergerbeek bij het Huis Randenbroek, gemaakt naar aanleiding van de inspectie van de beek in 1841. Uit: Archief Dijkstoel Rhenensche Nude en Achterbergsche Hooylanden. |
||||||||||||||
'ZWAAR MET IJS BEZET EN BOVENMATE MET WATER BEZWAARD.' 125
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
BIJLAGE 2
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
Jk
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
'. AMEBSF&anrX
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
BAEME^ELPSCHg BEEK
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
«^.^1-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
-'j-r-^ï----. ^*
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
/ \ ,-5/ f-Bk
Vökm' ! 1 wmttsate I VOVon k"<***»Ji V V.
x~feo"tm , |
||||||||||||||||||||||||||||||||
HEJUGEflBtMlS' BÈEK\
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
A %
|
'^.VAGEninGEn EJfl EPE, '~-.,\~28km
~-5SkmT |
|||||||||||||||||||||||||||||||
VALLEIKAflAAL
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
VEPKLACirib
.-onrwoeOEn arwATEein&SKariaaL m£T km-VCBDEEime
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
V <■■ V-w26 km'
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
-kiipeum ("■■■■ ■ ma de Et".
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
5 BESTiitlDC ET OITUOBPEII WMEPGiMEri
-. wovmcuuc oetns
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
xiv Overzichtskaart van het plan voor
de aanleg van het Valleikanaal. Uit: Her Rapport inzake de Afwatering van de Geïdersche Vallei, 1933. Bijlage 2 |
||||||||||||||||||||||||||||||||
120 M. MIJIMSSEN-DUTILH
|
||||||||||||
wnxiznrxcmt' waterbeheersplai
|
||||||||||||
i Grens Waterschap Vallei & Eem
^^P Waterbergingsgebted Deelstroomgebieden |
||||||||||||
xv Kaart van de door het Waterschap Vallei
& Eem aangewezen waterbergingsgebieden in de Vallei. |
||||||||||||
van de landen beneden de Slaperdijk. Maar de
grondeigenaren daar wilden niet bijdragen. In augustus van ditzelfde jaar was door regenval de waterstand hoog in het Valleigebied, zowel boven als beneden de Slaperdijk. Op voorstel van Gede- puteerde Staten van Gelderland vond een opna- me plaats van het afwateringstraject vanaf het peil bij Geerestein onder Woudenberg tot aan de schotbalksluis aan de Kleine Koppel in Amers- |
||||||||||||
Op 17 februari 1841 stond het water openaande
Crebbedijk. De Nederrijndijkaan de overkant bij Heteren liep over. Het Utrechtse College ter Directie van de Slaperdijk drong hierna aan op verhogingen verbreding van de Crebbedijk. De Exonererende Landen wilden wel meewerken aan het leggen van een noodkadeop de dijk van goede kleispecie, van zo'n 3 voet breed en 2 voet hoog op gezamenlijke kosten van hun gebied en |
||||||||||||
'ZWAAR MET IJS BEZET EN BOVENMATE MET WATER BEZWAARD.' 127
|
|||||||||
Xvi Overzichtskaart van het gebied van
het Waterschap Vallei & Eem. |
|||||||||
foort, dus van de Heiligenbergerbeek en de weste-
lijke Singelgracht van Amersfoort, de voornaam- ste afvoerwatergangen voor het water afkomstig uit het gebied boven de Slaperdijk. (Afb.xin) Deze inspectie werd uitgevoerd op 14 oktober 1841 door de hoofdingenieur van de waterstaat in UtrechtThierens en de waterstaatsingenieur van Gelderland M.H. Conrad. De waterleiding was ver- beterd en opgeruimd in 1817 en 1835. Volgens de |
|||||||||
Coliegiën der Exonererende Landen zou het
waterlossend vermogen van de beken voldoende zijn, als het onderhoud ervan goed was. Maar dat moest worden uitgevoerd door anderen dan zij- zelf en het liet volgens hen veel te wensen over. Vanwege de hoge waterstand beneden de Slaperdijk werden de heulen aan de Rode Haan gesloten in decemben84i, uiteraard tot verdriet van de Exonererende Landen. |
|||||||||
128 W.J.H. VER.WER.S EN A.D. DE JONGE
|
|||||||||||||||
'fffflffn'
|
|||||||||||||||
Geel: 1 x 22/22,5 x 10>5 ioL-61,5 (1/1957)
Rood: 1,5/5 x i°/n,5 x 22,5/2110L - 62 (1521) Groen: 1/5 x 10/10,5 x 19.5/2010L-61 (1525-1526) Roze: 1526-1516 Blauw: restauratie xx |
|||||||||||||||
V 'Z t
|
|||||||||||||||
Groen: 17/17,5 x 8/8,5 x 3.5/4» IQL 46,5, kop/3-klezoren xixd
Geel: 17/18 x 8/9 x 3,25/3,510L 44,5, kop/3-klezoren XVIII
Rood: 19/20 x 9/10 x 3,5/5,10L 55, zacht en geel baksel, mogelijk herbruik (???)
Paars: 22,5/23 x 10,5/11 X4/4.510L 55 (xvm?)
Blauw: machinale steen (circa 1900)
Rosé: restauratie 1966
Cyan: restauratie XX
Wit: oorspronkelijk vijftiende- of zestiende-eeuwse muurwerk
Zwart: onbekend
|
|||||||||||||||
xvii Hofje De Armen de Poth. Dateri11
van de verschillende elementen in de westgevel (boven) en de oostgevel (onder). |
|||||||||||||||
'zwaar met ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' 129
|
|||||||
In 1842 bestonden er plannen voorde aanleg
van de Rhijnspoorwegvan Utrecht naar Arnhem langs de Slaperdijk en dwars door het fort Buurtsteeg, De Exonererende Landen vreesden dat de spoordijk hun afwatering nog meer zou belemmeren en zij richtten in november een requestaan de Koning tegen de aanleg vanwege het waterkerend vermogen van de spoordijk bij een doorbraak van de Grebbedijk. Het verzoek werd afgewezen. De ministeries van Binnenlandse Zaken en van Oorlog wezen bovendien een even- tuele verhoging van de Grebbedijk af, omdat zij die onraadzaam uonden uoorde uerdediging uan de positie uan de Grebbe en niet noodzakelijk in het belang uan de adressanten. Zij verzekerden de ongeruste waterstaatsbesturen - in strijd met de Conventie van 1714-dat bij doorbraak van de Grebbedijk van hogerhand gezorgd zou worden dat alle sluizen, duikers en heulen in de Slaperdijk en in de spoordijk terstond zouden worden geo- pend om het vloed water af te voeren naar de Eem en de Zuiderzee en dat deze niet zouden worden gesloten vóór het water op het gewone zomerpeil zou zijn teruggebracht. In februari van het volgen- de jaar weigerde het Rijk dan ook bij te dragen aan verhoging van de Grebbedijk. De Koning benoem- de een Commissie tot onderzoek van herstel van de Grebbelinie, die op 30 januari 1845 rapport uit- bracht: Men wilde van de gelegenheid gebruik maken om ook verbetering te brengen in de afwa- teringvan het hele Valleigebied, waar nu al tweeëneenhalve eeuw moeilijkheden over bestonden. Het voorstel hield de aanleg van een afwaterings- en scheepvaartkanaal in langs de Grebbelinie tot in de Eem bij de Glashut. De vaart zou verdeeld worden in zeven panden met zes damsluizen, die zowel voorde scheepvaart als voorde defensie nodig waren. Langs de zuidkant van Veenendaal zou een Omleidingskanaal wor- den aangelegd voor de Bisschop Davidsgrift naar de Rode Haan. Dit is het eerste plan voor een kanaal, gebaseerd op terreinmetingen. Al eerder, |
|||||||
in 1830, hadden de ingenieurs H.F. Fijnje van Sal-
verda en P. van Loon een plan gemaakt voor een kanaal via de Boveneindse Grift, dejufferswijken een nieuw te graven waterleiding langs de Greb- belinie vanaf Bruinenburg, buiten Amersfoort om naarde Eem bij de Glashut. De Exonererende Landen hadden er geen ver-
trouwen in. Zij lieten in september 1843 een plan voor verhogingen verzwaring van de Grebbedijk maken door de ingenieur van Gelderland Conrad. De kosten werden zoals gemeld begroot op ƒ 97.000,-en dat was volgens de dijkstoel van de Rhenensche Nude wel wenselijk, maar ver boven het vermogen van de Exonererende Landen. In maart 1844 moest het dijkleger in actie komen vanweg het hoge water, waarna de dijk hersteld werd in augustus. Toen werd ook een plan van het ministerie van Oorlog bekend voorde aanleg van een post aan de Grebbe met een inundatiesluis en daarnaast een duikersluis in de Grebbedijk voor de afwatering. De Collegiën van de Exonererende Landen maakten ernstig bezwaar hiertegen. Een duikersluis had volgens hen geen enkel nut en zou alleen maar de dijk verzwakken. Zij wezen op de onzekerheid over het onderhoud van de werken, als de Grebbelinie weer eens buiten gebruik gesteld zou worden. Het ministerie van Oorlog reageerde niet op de bezwaren en liet de werken aanbesteden in oktoben844. De Collegiën pro- testeerden bij Gedeputeerde Staten, maar dat haalde niets uit. Dit jaar was door de aanhouden- de zware regen overal in de Vallei de waterstand buitengewoon hoog, met overstromingen als gevolg. Veel grondeigenaren klaagden over slecht onderhoud van kaden en watergangen. Gede- puteerde Staten van Utrecht drongen dan ook bij de polderbesturen aan op beter onderhoud. De volgende winter was lang en koud, met
harde vorst. In april 1845 vond overleg plaats over het kanaalplan van de Commissie van 1843. De kosten waren begroot op ƒ 600.000,-, waarvan ƒ 200.000,- ten laste van de ingelanden, de |
|||||||
HO M. MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||
dijken veel hoger waren geworden. Tenslotte
kwam men tot overeenstemming, waarbij Gedeputeerde Staten van Utrecht een subsidie van ƒ 3000,-toezegden. Het eerste perceel van de noodkade werd gelegd in 1851. Tegelijkertijd liet het College van de Slaperdijk de sluis in de Jufferswijk vervangen dooreen gemetselde dui- ker. In 1852 kwam het tweede stuk van de noodka- de gereed. De waterkering was nu in Wageningen aan het Roode Hart 12.40 meteren aan de Grebbe bij Rhenen 11.75 meter+ap. In november volgde de benoeming van weereen Commissie tot onderzoek van de verbetering van de uitwatering van de Gelderse Vallei onder voorzitterschap van de Commissaris des Konings van Utrecht. De commissie benoemd in 1843 werd ontbonden. Oktober 1852 was weer erg nat. In de periode 1846-1852 was de gemiddelde waterstand van de Grift aan de Grebbe 's zomers 5,83171 +AP (= 5,771x1 +nap) en's winters 5,88m (=5,8201 +nap). De noodkade kon voor het eerst zijn dienst
bewijzen in 1854, toen er ijsgang op de Rijn en dijkbewaking was van 11 januari tot 2 februari. Hoe hoog het water toen kwam, is niet bekend. Pas het volgende jaar bleek dat de noodkade niet tegen het ijs was opgewassen, zoals hiervóór is ver- haald. De commissie voor de verbetering van de uitwatering van de Vallei benoemd in 1852, bracht rapport uit op 8 mei 1855. Ook hier kwam weer het plan voor een afwaterings- en scheepvaartka- naal van de Grebbe naar de Eem met een omlei- ding om Veenendaal naar voren. Maar daarnaast moest er een waterschap komen, dat de hele Gelderse Vallei zou omvatten, om een einde te maken aan de eeuwigdurende ruzies over de waterhuishouding. Bij het rapport was een ont- werp-reglement voor zo'n waterschap gevoegd. De kosten moesten ten laste komen van het Rijk en de beide provincies, anders zou er volgens de commissie van het hele plan niets terecht komen. En inderdaad stemden deze partijen hier in eerste instantie mee in. Maar de geschiedenis herhaalde |
|||||||
grondeigenaren dus, zou komen. Het plan werd
aangenomen doorVeenendaal en Woudenbergen voorwaardelijk geaccepteerd doorWageningen, Rhenen, Hoevelaken, Scherpenzeel en Rens- woude. Tegen waren Ede, Manen, Veldhuizen, Stoutenburgen Amersfoort. Dus er gebeurde niets. Begin 1846 was weer dijkbewaking nodig. Het ministerie van Oorlog trok de Grebbesluis, die het jaar tevoren vernieuwd was, aan zich ondanks bezwaren van het Veenraadschap der Geldersche en Stichtsche Veenen, dat formeel eigenaar van de sluis was, omdat die oorspronke- lijk was aangelegd voor de aan het schap toebeho- rende Bisschop Davidsgrift. De sluis was echter al sinds 1830 afgedamd, want er kon niet meer door geloosd worden en onderhoud ervan had dus geen zin meer. Ondertussen werd verder gewerkt aan het herstel van de Grebbelinie. In 1847-1848 werd de damsluis in de Slaperdijk bij de Rode Haan gebouwd naast de drie heulen van 1714. Begin februari 1848 was er ijsgang op de Rijn
onder omstandigheden die vergelijkbaar waren met maart 1855. De Exonererende Landen wilden de verbetering van de waterkering niet langer uit- stellen. Zij vroegen aan de provinciebesturen van Utrechten Gelderland om een plan vooraanleg van een nood kade op Grebbedijk met verwijzing naar het oude plan van 1843. De ingenieur van Gelderland Conrad kwam in januari 1849 met het gevraagde plan, dat ƒ16.000,- moest kosten. De dijkstoel van de Rhenensche Nude maakte een reglement op het onderhoud van de Grebbedijk. En natuurlijk ontstond er onenigheid over de ver- deling van de kosten van de aan te leggen nood ka- de tussen de waterstaatsbesturen boven en bene- den de Slaperdijk. De provinciale besturen beleg- den daarom in mei 1850 een conferentie tussen de Collegiën der Exonererende Landen en het College van de Slaperdijk, want de aanleg van de noodkade kon niet langer worden uitgesteld. Een doorbraak van de Grebbedijk werd steeds waar- schijnlijker geacht, omdat de tegenoverliggende |
|||||||
'ZWAAR MET IJS BEZET EN BOVENMATE MET WATER BEZWAARD.' IJl
|
|||||||||
Het Valleikanaal in het Amersfoortse
stedelijke gebied. |
|||||||||
Valleigebied onder één waterschapsbestuur werd
gebracht, het huidige Waterschap Vallei 8c. Eem. DeGrebbedijkis na 1855 nooit meer doorge- broken. Het afwateringskanaal door de Vallei is tot stand gekomen in de jaren na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932. Daardoor kon immers de waterstand op het IJsselmeer beheerst worden en was een regelmatige afvoer van water door de Eem beter verzekerd. Bij de plannen voorde aan- legvan het Valleikanaal was de toenmalige hoof- |
|||||||||
zich. Net als twee eeuwen daarvoor stelden de
Staten van Utrecht het reglement voor het Water- schap der Celdersche Vallei vrij vlot vast in de zomer van 1856. In Gelderland daarentegen wilde men eerst de belanghebbenden horen. Een jaar later bleek dat Gelderland alleen wilde meewer- ken aan de aanleg van een kanaal zonderscheep- vaartmogelijkheid, Utrecht wilde juist alleen een kanaal mét scheepvaart. Het plan kwam weer tot niets. Het zou nog tot 1997 duren vóór het hele |
|||||||||
132 M. MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||
Drie Sluizen, dat loosde op de Eem met een dui-
ker bij de huidige brug over de rivier tegenover het industrieterrein Isselt. De Voortse wetering is helemaal opgegaan in het Valleikanaal en bijna niemand kent nu de naam nog. Het kanaal volgt tot aan de uitmonding in de Eem de Liniedijk, die nu is veranderd in de ringweg rond de stad. Behalve dat het kanaal als hoofdafvoerleiding
voor het Valleigebied is verbreed en rechtgetrok- ken, is het een groot voordeel, dat niet meer al het water dat van boven komt, zich in de stadsgrach- ten van Amersfoort verzamelt, waardoor de stad in periodes met veel regen steeds aan overstro- mingsrisico blootstond. Door het meeste water buiten de stad om te leiden, kon het waterpeil in de bebouwde kom beter beheerst worden. Vóór de Tweede Wereldoorlog was het gebied ten noorden van de oude stad langs het kanaal nog niet bebouwd. Omdat samenwerking niet het sterke punt was van de grondeigenaren in het Valleigebied, is het kanaal aangelegd en onder beheer gebleven van provinciale waterstaat van Utrecht. Het huidige waterschap Vallei &. Eem heeft het beheer pas onlangs overgenomen, vol- gens het principe vastgelegd in de Waterschaps- wet van 1991, dat alle zaken die met water te maken hebben, zoveel mogelijk door één bestuur, een waterschapsbestuur, moeten worden behar- tigd. Dat is zeker geen overbodige luxe, want door de klimaatverandering neemt het overstromings- risico in de Vallei eerder toe dan af. Bij de harde regenbuien die wij de laatste jaren kennen, komt zó veel water naar beneden, dat de afvoer daarvan sneller moet plaats vinden om te vermijden dat laaggelegen gronden onder lopen. Door de sterk toegenomen bebouwing is het niet altijd mogelijk die afvoer goed te laten verlopen. Daarom heeft het waterschap bepaalde lage gronden die van ouds het eerst onderliepen, aangewezen als opvanggebieden voor overtollig water. (Afb. xvn) Door het wateroverschot zich vanzelf op die plaat- sen te laten verzamelen, kan de afvoer beter gere- |
|||||||
dingenieur van provinciale waterstaat van Utrecht
A.A. Mussert nauw betrokken, tot hij vanwege zijn politieke activiteiten voorde NSB werd ont- slagen. Het traject van het kanaal is vrijwel gelijk aan dat van al die vroegere plannen. (Afb. xiv). Men wist altijd wel hóe het moest, alleen kon men het niet eens worden over wie wat moest betalen. Voorde aanleg van het kanaal is grotendeels gebruik gemaakt van al bestaande watergangen, die zijn rechtgetrokken en verbeterd. Het kanaal volgt de oude Bisschop Davidsgrift vanaf de Crebbesluis en het Omleidingskanaal aan de zuid- kant van Veenendaal (aangelegd in 1866). Het kruist de Slaperdijk bij de Rode Haan, waarde heulen zijn weggehaald, maar waarvan de restan- ten nog zichtbaar zijn. Dan volgt het de Schonebekergrift tot aan de plaats waar de Grebbelinie naar het noorden buigt en de water- gang vroeger Broeksloot of Broekersloot heette. De Schonebekergrift stroomde daar verder naar het westen door de zogenaamde Scheele duiker door de Crebbeliniedijk (scheel = scheef). Bij Lambalgen kwam de Broeksloot uit in de Lunterse beek, die daar naar het noorden stroomde. Het gedeelte van de beek tot het punt waar deze weer westwaarts liep op de grens van Woudenberg en Leusden, is nu vergraven tot Valleikanaal. Daar is de beek afgesneden van het kanaal, dat verder noordwaarts de vroegere sloot aan de oostkant van de Crebbeliniedijk volgt tot aan de oude Moorsterbeek of Asschatterbeek, die in Stoutenburg uitstroomde in de Modderbeek. Die beek kwam op zijn beurt uit in de Barneveldse beek bij de Barneveldse sluis door de Crebbeliniedijk. Deze natuurlijke watergangen zijn voor het Valleikanaal vergraven. Vanaf de Barneveldse sluis volgt het kanaal weerde sloot langs de Grebbelinie om Amersfoort heen naar de vroegere Voortse wetering, die het water vanuit het zuidoosten van Hoogland naar de Oude Eem afvoerde. Met de Koperwetering en de Oude Eem viel dit gebied onder het vroegere waterschap De |
|||||||
'ZWAAR MET IJS BEZET EN BOVENMATE MET WATER BEZWAARD.' I??
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Overstromingen in vroeger tijd
Misschien is het aardig om te besluiten meteen
laatste uitstapje naarde overstromingen in het verleden. Het zal wel toeval zijn, maar toch valt het op dat het Valleigebied in de i6e en ve eeuw nog wel eens in hetzelfde jaar werd getroffen door overstromingen vanuit zowel het noorden (de Zuiderzee) als uit het zuiden (de Rijn). Het is overigens niet zo, dat er altijd een samenhang was. Zie bijlage i, die misschien niet helemaal volledig is: |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
geld worden en geleidelijker plaats vinden. Dat
betekent wel dat bebouwing daar moet worden uitgesloten. Voorbeelden van zulke retentiegebie- den zijn het Binnenveld ten zuiden van Veenendaal, een strook aan de oostzijde van de Grebbelinie bij Asschat, en de Schammerpolder in Leusden. Het waterschapshuis staat daar in Leusden vlak naast, zodat een noodsituatie meteen aan den lijve gevoeld wordt. En zo blijven de bebouwde delen van Veenendaal, Leusden en Amersfoort droog. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BIJLAGE 1
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Doorbraak of overloop van de Grebbedijk
|
Stormvloed op de Zuiderzee
Overstroming in Eemland |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2/3 februari
20/21 augustus
Datum onbeken
Bunschoter Veer
pastoor van Eem
niet over de dijk
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Januari
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1573
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Begin februari doorbraken in de Bunschoter
Veldendijk, de Eemlandse dijk, de Slaagse dijk en de
Vudijk.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1643
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Februari: het grondwerk onder schotbalken bij
Grote Koppelpoort in Amersfoort spoelt weg: de voorpoort
en brug ernstig verzwakt, deze moesten in 1645 vernieuwd
worden
Januari
2/3 december overloop
Januari overloop
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1644
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1651
|
4/5 maart Sint-Pietersvloed, heel Eemland
ondergelopen.
26 januari, ernstige schade aan de Bunschoter
Veldendijk en aan de Kleine Slaagse dijk.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1682
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1J4 M- MIJNSSEN-DUTILH
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BIJLAGE 2
HOOGTEN + NAP IN HET VALLEIGEBIED TEGENWOORDIG
Verval Rijn - Zuiderzee ca 6.50 m volgens Sloet
Verval Rijn - Amersfoort ca 5.70 m volgens Sloet |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gegevens van Waterschap Vallei & Eem
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
LITERATUUR BETREFFENDE DE
OVERSTROMING IN 1855 G.A. van Beek, Hoe Renswoude in
maart 1855 getroffen werd door een watersnoodramp, Het ouwe Renswou, mededelingenblad van de Historische Vereniging 'Oud- Renswoude', 17 nr 2, (oktober 2000) 12-15. G.A. van Beek, Veenendalers op de
vlucht na doorbraak Grebbedijk, Tijdschrift Oud~Utrechtys nr 6 (2002)144-146. G. van Leeuwen en J. Verduin, Terug
in de tijd. Wetenswaardigheden uit de archieven van Leusden en Stoutenburg. Hoofdstukzo, Twee overstromingen, Leusden, (najaar 1993) 246-261. W. van de Poll, (Regter in de Arron-
dissements-Regtbank te Tiel), |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BRONNEN
Archieven aanwezig bij Archief
Eemland te Amersfoort Archief Collegiëën der Exonererende
Landen.
Archief Dijkstoel van de Rhenensche Nude en Achterbergsche
Hooylanden.
Archief Dijkstoel van Wageningen en Bennekom.
Archief College ter directie van de Slaperdijk.
Archief Heemraadschap van de Rivier de Eem, beken en aankleve van
dien.
Archief Hoogheemraadschap van de Bunschoter Veen- en Veldendijk.
Archief Stadsbestuur van Amersfoort (1259) 1300-1810).
Archief Gemeente Amersfoort (1811- 1945) inv.nr 2760.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Archieven aanwezig bij het
Gemeentearchief te Veenendaal: Archief van het Veenraadschap der
Geldersche en Stichtsche Veenen. Archief Gemeente Veenendaal. Archieven aanwezig bij het
Gemeentearchief te Wageningen: Archief Stad en Gemeente
Wageningen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'zwaar wet ijs bezet en bovenmate met water bezwaard.' iqc
|
|||||||
Schets van den Watervloed in
Gelderland, Noord-Brabant, Utrechten Zuid-Holland in Maart 1855, Wed. D.R. van Wermes- kerken, Tiel, 1855. J. Renes, Watersnood in Leusden. Blad
van de Historische Kring Leusden 9 nr 1, (april 1993) 126-144. G.M.J. van Schuppen-Diepeveen en
J.T. Slok, Watersnoodramp 1855, Themanummer van de Historische Vereniging OudVeenendaal, 20 (januari 2005). L.A.J.W. Baron Sloet (Griffier der
Staten van Gelderland) en H.F. Fijnje (Hoofd-ingenieur van den waterstaat in dat gewest), Beschrij- ving van den Watervloed in Gelderland in Maart 1855, G.J. Thieme &. D.A. Thieme, Arnhem, (1856). Pp. 107-203 en 223-224. Rik Valkenburg, Toen de vloed over
het land raasde. Verhalen, tekenin- gen, foto's, impressies en documen- tatie over de watersnood van 1855, Uitgeverij Frits Hardeman, Ede (1995). [Met uitgebreide literatuur- opgave]. Verslag van Gedeputeerde Staten aan
de Provinciale Staten van Utrecht over de toestand der provincie, uit- gebragt in de zomervergadering van 1856, L.E. Bosch en zoon, Utrecht. Pp.127-128 en 141-154. |
|||||||
LITERATUUR BETREFFENDE DE
WATERSTAATSGESCHIEDENIS
VAN DE GELDERSE VALLEI A. van Bemmel, Beschrijving der stad
Amersfoort, Zaltbommel 1969 [Herdruk]. Commissie voor de Geldersche Vallei,
ingesteld bij beschikking van den Ministervan Binnenlandsche Zaken en Landbouw van 16 april 1931, Rapport inzake de afwatering van de Geldersche Vallei. Algemee- ne Landsdrukkerij, 's-Gravenhage, 1933-
H.P. Deys, De Gelderse Vallei. Geschie-
denis in oude kaarten. Hes Uit- gevers, Utrecht, 1988. M. Mijnssen-Dutilh, Fiere disputen
en heftige krakelen. Het grondge- bruik in de Gelderse Vallei en de waterstaatsproblemen ten gevolge daarvan, Leusden Toen, blad van de Historische Kring Leusden 17 nrs 2 en 3 (2001) 465-467 en 477-481. M. Mijnssen-Dutilh, Grebbelinie en
Valleikanaal, een Siamese twee- ling in de Vallei, of hoe waterover- last ten dienste van de landsverde- diging kan worden gebruikt, Amersfoort Magazine 7 nr 1 (2004) 41-47. L.A.J.W. Baron Sloet, Bijdragen tot
dekennis van Gelderland, Is. An. Nijhoff en zoon, Arnhem, 1852- 1855. Pp.182-192. H. Soly, Urbanisme en kapitalisme te
Antwerpen in de i6e eeuw: de stedebouwkundige en industriëële ondernemingen van Gilbert van Schoonbeke. Historische Uitgaven Pro Civitate, reeks in-S00, ni4j, Gemeentekrediet van Belgiëë (Brussel) 1977. T. Stol, De veenkolonie Veenendaal.
Turfwinning en waterstaat in het zuiden van de Gelderse Vallei 1546- 1653. Stichtse Historische reeks 17, Walburg pers, 1992. |
|||||||
AREND RUIZENDAAL
|
||||||||||||
'Waar spannen
wij ons dan nog |
||||||||||||
ffli 'TOi. Xj
|
||||||||||||
CYVi *£<&-
|
||||||||||||
Worden bij deze leefdeliik nitgcnoodigd de proefvaart op/^Julij \l
tegenwoordig ^^^"^B ^ yi
Van Amsterdam lorg.J^ui» ir Baarn, »£#» tf ^9*Av+rC^fafA-€f"
,, Baarn ■ ., yfc? A Amsterdam, // /^ UEd. Dw. Dienarenj
P. P. KIEVITS &■; |
||||||||||||
rv£
|
||||||||||||
'waar spannen wij ons dan noc voor in?' 137
|
|||||||||
Tot nu toe is nauwelijks geschreven over de tevergeefse
inspanningen van de Amsterdamse ondernemers P.P. Kievits, H. van Dortmond en J.H. Swart om tussen Amsterdam en Amersfoort met moderne stoomvaartmiddelen een dienst te starten. Dit is onterecht. Deze kleine geschiedenis is een goed gearchiveerde botsing tussen oud en nieuw. Het illus- treert dat de 'vooruitgang' van de industriële revolutie kon worden verhinderd door vernieuwingsangst, een veroude- rende bestuurlijke inrichtingen falend ondernemersschap. Dit verhaal is geschreven in het voorjaar van 2000.
Ik nam deel aan een cursus bronnenonderzoek van Prof. Dr. Piet't Hart. Eén van de opdrachten bestond uit het in een verhaal gieten van ontdekte archiefstukken. De Eem heeft altijd mijn warme belangstelling gehad. Juist daarom viel mij 'in het archief een aantal brieven op die het fundament van de hier beschreven gebeurtenissen vormen. Het verhaal volgt het archief naar eer en geweten maar ook is veel ruimte gegeven aan de menselijke factor, zoals die verondersteld werd door mij, maar uiteraard minder onderbouwd. Voor dit jaarboek is het verhaal opgefrist. Het menselijke
kantje vond ik wel aardig en heb ik maar zo gelaten. |
|||||||||
Wij er s wil wel
Begin november 1858 was de Amersfoortse bur-
gemeester Wijers persoonlijk aanwezig op het Ministerie van Binnenlandse Zaken om de verzan- ding van de Eem onder de aandacht te brengen van de minister.1 De verzanding was ernstig en Amersfoort was vol ledig verantwoordelijk voor het onderhoud. De boodschap was dat dit onbe- taalbaar dreigde te worden voor deze armlastige stad. Hoewel de minister een onderzoek toezeg- de, haalde dit bezoek maar weinig uit. |
|||||||||
Mogelijk tijdens deze reis, ontmoette Wijers
de Amsterdamse ondernemers Kievits, van Dortmond en Swart. Deze ontmoeting was niet toevallig. Wijers probeerde namelijk de onderne- mers over te halen om een moderne verbinding over water tussen Amsterdam en Amersfoort op te zetten. Als zij een concessie zouden aanvragen 1 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur
Amersfoort 1813 -1945, inv.nr. 11, raadsnotulen, 8 november 1858, punt 196 |
|||||||||
1^8 AREND R.UIZENDAAL
|
|||||||||||||||
steenkolen. Het zou dus de haven van Amersfoort
binnenstomen met een ruim dat deels leegge- stookt was voor de vaart vanaf Amsterdam. Mogelijk waren er zelfs nog steenkolen aanwezig voorde terugreis naar Amsterdam. Dit alles ten laste van de mogelijke winst op de verhandelbare vracht. Een korting op de tarieven van het vht-geld moest dit verlies aan omzet en potentiële winst compenseren. Temeer daar de gebruikelijke tarie- ven voor het vht-geld betrekking hadden op de totale lading, voor een stoomschip deels niet te verhandelen lading. |
|||||||||||||||
Kievits & Co ziet er brood in
Na rijp beraad zagen Kievits 8c Co er toch wel wat
in. Wijers' missie had het resultaat waar hij op gehoopt had. De ondernemers vroegen 8 novem- ber 1858 een concessie vooreen stoomvaartdienst tussen Amsterdam en Amersfoort aan.3 Die werd 15 decemben858 verleend voor het daaropvolgen- de jaar, mits zij aan een paar voorwaarden zouden voldoen: voor de dienst moest een goede stoom- boot ingezet worden en deze moest zijn kwalitei- ten bewijzen middels een proefvaart.4 Om maximaal profijt te halen uit de concessie
moest de dienst operationeel zijn gedurende het lucratieve hoogseizoen. Dit betekent dat haast geboden was. Al tijdens de zachte winter van i858-'59 werd veel werk verzet door Kievits 8c Co. Allereerst werd het technisch ontwerp van de stoomboot vastgesteld.5 Een uitdagende klus. De stoomboot moest stabiel en veilig zijn op zee maar ook zo'n geringe diepgang hebben dat het over de ondiepe Eem kon varen. Ook moesten de potentiële reizigers argumenten in handen gege- |
|||||||||||||||
Advocaat Albertus Gerardus
Wijers (1816-1877). Van 1842 tot 1844 de eerste secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrie- ken te Amersfoort. Burgemeester van Amersfoort van 1852 tot 1877. (Archief Eemland) |
|||||||||||||||
voor een stoomvaartdienst tussen beide steden
en deze dienst ook werkelijk zouden uitvoeren, dan konden zij rekenen, zo stelde Wijers voor,2 op een vaste ligplaats in de Eemhaven én betaal- den de ondernemers niet het normale maar een lager tarief voor het vuur-, haven- en tongeld (vht-geld). De toegezegde korting op de tarieven van het
vht-geld was hard nodig om concurrerend te zijn voor de traditionele beurtvaart. Een stoomboot vervoerde veel minder handelswaar dan een zei- lend beurtschip van vergelijkbare grootte. Niet onverwacht, want een stoomboot moest een flink deel van het ruim reserveren voor brandstof, voor |
|||||||||||||||
2 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-1945,
inv.nr. 3235, Brief van 17 decemben858 van Kievits & Co. aan de burgemeester van Amersfoort. 3 Amersfoortse Courant van 9 november 1858 (no. 572). Het bericht is van 8 november. 4 Archief Eemland, Archief Gemeente- bestuur 1813-1945, inv.nr. 3235, Brief van 17 decemben858 van Kievits 8t Co. aan de burgemeester van Amersfoort. |
5 Een raderstoomboot met paviljoen, grote kajuit en
voorkajuit met een stoommachine van 24 pk. De lengte was 28,83 el> de waterverplaatsing was 64 ton, de diep- gang was 7 palm of 2,5 voet, de breedte overderaderkas- ten was 5,94 el, de breedte van beide raderplanken was 6 voet, de diepte van een raderplank was 1 voet. |
||||||||||||||
'waar spannen wij ons dan noc voor in?' log
|
|||||||||||||||||||||
SSss^
|
|||||||||||||||||||||
-ÏTiK:?ir =
|
|||||||||||||||||||||
../O, EEK3S.TTCr, Stalde .-.,o . ■tmcr.i/ffiTrt :
|
|||||||||||||||||||||
De Eembrug over de Eem bij Baarn
in 1740. Gravure van Jan de Beijer naar Hendrik Spilman, ca 1770 (Museum Flehite, F238/1921-143) |
|||||||||||||||||||||
ven worden om hen deze moderne vorm van ver-
voer te laten kiezen in plaats van het traditionele beurtschip. Een hoge snelheid, punctualiteit en uitmuntend comfort zouden hiervoor kunnen zorgen, zo werd gedacht. De eisen aan snelheid, comfort, en veiligheid bepaalden het technisch ontwerp van dit schip, dat later de "Stad Amersfoort" zou worden genoemd. Verkenning in de winter
Voordat zij echter opdracht gaven voorde bouw
van de stoomboot inspecteerden de heren Kievits &. Co. het te varen traject ook ter plekke. Waar- schijnlijk medio januari 1859 bekeken zij de |
Eembrug bij Baarn. Het leverde een tegenvaller
op: de Eembrug stond in de weg. De breedte tus- sen de pijlers van de brug was te smal voor het te bouwen schip en moest dus vergroot worden. Dat regelen we even, moeten ze gedacht hebben. Natuurlijk was het mogelijk geweest om het
ontwerp van de stoomboot aan te passen. Dat ontwerp was net klaar. De Amsterdamse verken- ners hebben deze mogelijkheid waarschijnlijk nooit serieus overwogen. Eerst maar eens infor- matie inwinnen. Navraag ter plekke, mogelijk in Baarn bij burgemeesterJ.C.G.C. Laan,67 leerde hun dat er een commissie was, de "Commissie, beheer voerende over de Eembrug" (hierna Eem- |
||||||||||||||||||||
6 J.C.G.C. Laan was kort daarvoor, op 11 oktober 185S als
burgemeester benoemd. Hij bekleedde deze functie tot 28 november 1867. 7 Archief Eemland, Archief Eembrug- commissie, inv.nr. 6, ingekomen stukken, brief van |
Kievits 8c Co. aan burgemeester Laan, d.d. 26 januari
1859. In deze briefis een suggestie van persoonlijk of schriftelijk contact op 13 januari 1859 aanwezig. |
||||||||||||||||||||
I4O AREND RUIZENDAAL
|
|||||||||||
brugcommissie genoemd) die het onderhoud aan
de brug plande en liet uitvoeren.8 Dit beheer werd gefinancierd met tolgeld, te betalen bij pas- sage van de Eembrug. De Amsterdammers hoor- den ook dat het de burgemeester zelf was die secretaris was van deze commissie. Dit gaf een opening. Terug op het kantoor in Amsterdam wer- den twee brieven opgesteld, beide gedateerd 2.6 januari, met een tweetal wensen. De eerste brief was gericht aan de hiervoor genoemde commissie met het verzoek de doorvaart onder de Eembrug te verbreden, met de opmerking dat een geldelij- ke vergoeding bespreekbaar was. De tweede brief was gericht aan burgemeester Laan met het ver- zoek het voorstel te steunen.9 De commissie wordt gewekt
Door de brief van de Amsterdamse ondernemers
werd de Eembrugcommissie onverwacht bij elkaar geroepen.10 Tot dit jaar leidde de commis- sie een tamelijk slapend bestaan. In de jaren vóór 1859 werd er niet meer dan éénmaal per jaar ver- gaderd en soms sloeg men zelfs een jaartje over. De onderwerpen waren normaliterverpachting van de tol en het onderhoud. In dit jaar zou men in totaal driemaal over de kwestie Kievits &. Co. vergaderen, naast de reguliere vergadering. Tijdens een ingelaste vergadering op 9 febru-
ari in het gemeentehuis van Baarn werd het ver- zoek van Kievits en companen behandeld. De heer Kievits was ook aanwezig. Hij was uitgeno- digd om zijn zaak toe te lichten. Ondanks het feit dat de commissie speciaal bij elkaar geroepen was om het Amsterdamse verzoek te bespreken wil- den de leden dat blijkbaar niet al te zeer laten merken. Kennelijk in afwachting op afhamering |
van de overige agendapunten moest de heer
Kievits op de gang wachten totdat zijn zaak aan de orde kwam. Eindelijk werd hij binnengeroepen. Al snel bleek dat de wens van Kievits moeilijk
lag. De verbreding van de doorvaart onderde Eembrug zou naar schatting ruim 3000 gulden gaan kosten. Deze commissie kon niet zonder ruggespraak meer dan 1000 gulden uitgeven. Voor hogere uitgaven moest eerst toestemming verkregen worden en in dit geval was algemene instemming met een uitgave als deze niet erg waarschijnlijk. In de Eembrugcommissie zaten namelijk vertegenwoordigers van andere be- stuursorganen, doorgaans colleges van eigenaren van landerijen aan weerszijden van de Eem. Deze colleges hadden geen enkel belang bij riviervaart. Hun belangen lagen bij een zo goedkoop mogelijk transport van vee en landbouwproducten over land, en dus bij zo laag mogelijke tolgelden bij de Eembrug. Aanpassingvan de Eembrug naarde wens van de Amsterdammers kostte geld en dit geld moest via hogere tolgelden terugverdient worden. Hoe anders? Voor deze colleges was het ook onaantrekkelijk dat de verbrede Eembrug tweekleppig moest worden in plaats van éénklep- pigen daarom door twee brugwachters bediend moest worden. Deze brugwachters moesten elk leven van de tolgelden. Kortom, het verbreden van de Eembrug leidde onvermijdelijk tot hogere tolgelden. Daarnaast waren er nog andere argumenten
tegen verbreding van de doorvaart. Net een jaar eerder was er een redelijk omvangrijk onderhoud aan de Eembrug uitgevoerd. De aflossing van de kosten, die hoger waren geweest dan 1000 gulden, zou volgens afspraak worden uitgesmeerd over de |
||||||||||
januari 1859. In deze briefis een suggestie van persoonlijk
of schriftelijk contact op 13 januari 1859 aanwezig. 10 Eembrugcommissie, inv.nr. 1, notulen van de vergade- ringen. Verslag van 9 februari 1859. |
|||||||||||
8 Deze commissie werd pas in 1957 opgeheven. In dat jaar
nam de provincie het onderhoud over. Borger, 1982, "Staat van land en water". Stichtse Historische Reeks nr.7, p.21 9 Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingekomen stukken, brieven van Kievits 8t Co. aan burgemeester Laan, d.d. 26 |
|||||||||||
'waar spannen wij ons dan noc voor in?'
|
|||||||||
de te verwachten schade aan de oevers van de
Eem naar verwachting minimaal zijn. De kosten van onderhoud aan de oevers zou dus gering blij- ven. Maar om al deze voordelen te behalen moest wel de Eembrug verbreed worden. Dit was on- vermijdelijk. Het betoog van de heer Kievits werd mogelijk
niet door iedereen begrepen. Zeker de opsteller van de notulen, secretaris Laan, was niet in staat om van de hele voordracht een duidelijke en slui- tende samenvatting op papier te krijgen. Was Kievits' verhaal niet helder of moet dit gezien worden als indicatie dat het fenomeen stoomboot in deze regio nog relatief onbekend was? Wat de reden ook was, Kievits' plan werd geen doorgang gegeven. De commissie besloot enerzijds een advies van een expert van Waterstaat te vragen over de te verwachten schade aan de Eemoevers. Daarnaast wilde de commissie een definitieve calculatie op laten stellen van de te verwachten kosten van verbreding van de doorvaart. Een besluit werd verschoven naar een volgende ver- gadering. Kievits moest nog even wachten. Wijers zag zich geplaatst voor een dilemma.
Hij wilde maar al te graag deze dienst op Amers- foort realiseren. Hij had niet zomaar zijn steun toegezegd aan de ondernemer Kievits en zijn compagnons. Maar deze toezegging had hij gedaan uit hoofde van zijn functie als burgemees- ter van Amersfoort. Helaas, in deze commissie vertegenwoordigde hij niet Amersfoort, maar verdedigde hij de belangen van het college van de Bunschotense Veen- en Veldendijk. Dit college had geen enkel belang bij de voorgenomen stoomvaartdienst. In de Eembrugcommissie kon Wijers zich dus geen warm voorstander betonen. |
|||||||||
komende jaren." Ze waren net met de afbetaling
begonnen en zouden dit de komende jaren nog moeten blijven doen. Waarom zouden ze nu alweer hoge kosten maken? Bovendien speelde ook de angst voor hoge indirecte kosten mee. De commissieleden, vooral de landeigenaren, waren nogal beducht voor de te verwachten schade aan de Eemoevers, veroorzaakt door de snel varende stoomboot. Ook niet-zakelijke argumenten wer- den aangehaald: 'Eigen schuld. Hadden die Am- sterdammers maar niet zo'n brede boot moeten laten bouwen!' Eén van de weinige voordelen van het plan
was het feit dat de Eembrugcommissie een vrijwel geheel nieuwe brug in handen zou krijgen. De kosten van onderhoud zouden de komende jaren minimaal zijn, en Kievits was bereid deze nieuwe brug voor de helft te betalen, zo werd de commis- sie toegezegd. Andere voordelen waren echter nog moeilijker te vinden. Een commissielid noem- de nog het feit dat men het algemeen belang zou steunen of de stoombeurtvaart in het bijzonder, maar dergelijke invalshoeken waren vrijwel irrele- vant voorde commissie. Alles leek af te hangen van de argumenten van Kievits. Het lukte Kievits niet de commissie te over-
tuigen. In de notulen van de vergadering is een nogal technische uiteenzetting te lezen. Kievits had kennelijk besloten om de commissie te over- tuigen van de noodzaak om een brede stoom- boot te bouwen. Dit had alles te maken met de gewenste snelheid van het vaartuig. Zo'n snelle boot zou meer klandizie kunnen trekken vanwe- ge de grotere tijdswinst op de zeilende beurt- vaart. Het was ook noodzakelijk voor de dienst- regeling waar Kievits &. Co. zich aan moesten houden. Daarnaast moest de boot ook wel een geringe diepgang hebben. Hoe anders zou het over de ondiepe Eem kunnen stomen? Maar de gekozen breedte, snelheid en diepgang van de boot hadden ook voordelen voor de heren com- missieleden. Bij deze minimale diepgang zou ook |
|||||||||
11 Eembrugcommissie, inv.nr. i, notulen van de verg
ringen. Verslag van 9 september 1857. |
|||||||||
142. AREND RUIZENDAAL
|
|||||||||||
Subsidie op belastingen
Wijers deed ondertussen al het mogelijke om zijn
beloften aan Kievits 8t Co in te vullen, maar niet tegen elke prijs. Dat bleek al een week na de gebeurtenissen in
Baarn, tijdens een vergadering op dinsdagis febru- ari12 van de Amersfoortse gemeenteraad. Aan de orde was een ingekomen verzoek van Kievits &. Co. om het jaarlijks te betalen vht-geld vooraf te compenseren. Dit was blijkbaar hun interpretatie van de toezeggingen van Wijers aan hen. Het is niet waarschijnlijk dat Wijers het verzoek van Kievits &. Co. tijdens de vergadering met vuur heeft verdedigd. Het vermoeden bestaat dat hij nog steeds sympathie had voorde ideeën van de Amsterdamse ondernemers maar hiervoor zijn eigen nek toch niet teveel wenste uit te steken. Op zijn verzoek werd een commissie benoemd en bemand, die het verzoek zou moeten bestuderen.13 Wijers zal vermoed hebben dat deze commissie wel een positief advies zou uitbrengen. Hij hoefde dit advies dan alleen nog maar uitte voeren. Onverwacht adviseerde deze commissie nogal
gereserveerd tijdens een volgende gemeente- raadsvergadering te Amersfoort op dinsdag 22 maart.14 Het voorstel was om gedurende zes maanden het totaal door Kievits 8c Co. betaalde vht-gelden op te tellen en dit bedrag te vergelij- ken met het totale tonnage vervoerde nuttige vracht. Met deze berekening kon dan vastgesteld worden of de stoomboot van deze ondernemers echt zo weinig verhandelbare vracht kon vervoe- ren. Blijkbaar was er enige twijfel. Achteraf zou dan wel blijken of subsidie noodzakelijk was geweest. Het nadeel van dit voorstel was dat de Amsterdamse ondernemers pas na een halfjaar, |
|||||||||||
eventueel, subsidie zouden krijgen. Kievits &. Co.
wilden juist vooraf geld zien van Amersfoort. Wijers besefte dit. Hij stelde de gemeenteraad voor in te stemmen met een subsidieverstrekking voor de periode van één jaar tot de helft van de betaalde vht-gelden. Feitelijk werd het tarief van de vht-gelden dus tot maximaal 50% verminderd. Dit voorstel werd met een kleine meerderheid aangenomen. Dit leek dus goed af te lopen voorde Amster-
dammers. Maar er traden een tweetal complica- ties op, zoals duidelijk werd tijdens de raadsver- gaderingvan dinsdags april.15 Er was ontevreden- heid. De groep beurtvaarders die tot op dat moment de dienst tussen Amsterdam en Amers- foort onderhield had natuurlijk gehoord dat de Amsterdamse ondernemers subsidie toegezegd was ter compensatie van het vht-geld en eisten nu een vergelijkbare subsidie. Dat was wellicht te ver- wachten, maar het bleek dat Kievits &. Co. zelf ook niet tevreden waren met de verleende subsidie. De ondernemers ontvingen liever vooraf een vaste som geld waaruit de vht-gelden betaald kon- den worden. Zij beweerden dat dat de gebruikelij- ke gang van zaken was in andere steden, zoals Amsterdam en Zwolle. De bedoeling van Kievits Sc Co. leek duidelijk.
Zij wilden zo snel als mogelijk geld van Amersfoort hebben. Niet voorde betaling van toekomstige vht-gelden. Het was ondertussen onwaarschijnlijk dat de dienst nog het lopende jaar serieus gestart kon worden. Dit jaar zouden Kievits 8t Co. dus ook niet of nauwelijks vht-gelden aan Amersfoort hoe- ven af te dragen. Het geld van Amersfoort zou wel gebruikt kunnen worden voor de aanpassing van de Eembrug bij Baarn. Volgens het voorstel van de |
|||||||||||
beoordelen. 14 Archief Eemland, Archief Gemeente-
bestuur 1813 -1945, inv.nr. 11, raadsnotulen, 22 maart 1859, punt 29 15 Archief Eemland, Archief Gemeente- bestuur 1813 -1945, inv.nr. 11, raadsnotulen, 5 april 1859, punt 44 |
|||||||||||
12 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-1945,
inv.nr. 11, raadsnotulen, 15 januari 1859, punt 25 13 De commissie bestond uit, of had affiniteit met, het koop- mansbedrijf. Ook een oude Kamer van Koophandel colle- ga van Wijers moest het verzoek van Kievits &. Co. |
|||||||||||
'waar spannen wij ons dan noc voor in?' 143
|
|||||||||||
Amsterdamse ondernemers zou eigenlijk Amers-
foort de verbreding van de doorvaart onder de Eembruggaan betalen, doormiddel van een vooraf toegekende subsidie op de te betalen vht-gelden. Overigens, was dit scenario nog het meest gunstig voor Amersfoort, de Eembrugcommissie of de Eemvaart in het algemeen. Kievits en Co. hadden namelijk alleen voor het lopende jaar een conces- sie bemachtigd, onder de voorwaarden dat de stoomvaartdienst in dat jaar operationeel zou wor- den. Aan deze voorwaarde was nog in het geheel niet voldaan. Het was dus onzeker of zij voor het volgende jaar nog wel een concessie zouden krij- gen. Waarom dan nog de Eembrug aanpassen? De kans dat ze het geld van Amersfoort zouden accepteren en vervolgens met de noorderzon zou- den vertrekken was zeer reëel. Waren deze onder- nemers wel betrouwbaar? Wijers zal rekening hebben gehouden met
deze mogelijkheid. Zijn conclusie was simpel. Ondanks zijn belofte aan Kievits &. Co. zou hij nooit goedkeuren dat Amersfoort de subsidie voor- af beschikbaar zou stellen. De tijd was echter nog niet rijp voor openheid. Het verzoek van Kievits &. Co. om de subsidie vooraf te krijgen werd nog niet ingewilligd. Eerst moest maar eens navraag gedaan worden in Amsterdam en Zwolle.l6 Angst voor de oevers
Ondertussen naderde de stoomboot van Kievits
&. Co. zijn voltooiing. In een brief aan de burge- meestervan Baarn d.d. 14april1? drongen zij aan op enige haast rond de besluitvorming van de Eembrugcommissie. Zij verwachtten dat de proef- vaart namelijk reeds eind mei of begin juni uitge- voerd zou kunnen worden. Laan negeerde dit ver- zoek waarschijnlijk. Wat had hij, nu hij aangespro- ken wordt als burgemeester, te maken met de |
Eembrugcommissie? Op 20 april werd dit verzoek
namelijk herhaald.18 Zij schreven: "Als de Eem- brug, niet verbreed kan worden, dan kan er geen proefvaart plaatsvinden. Als ergeen proefvaart plaatsvindt, dan kan de stoombootdienst niet starten". Deze op zichzelf logische gedachtegang werkte averechts bij de burgemeesters van Amersfoort en Baarn, beiden ook leden van de Eembrugcommissie. Het versterkte het vermoe- den, al gevoed door de subsidiewens van Kievits &. Co., dat men te maken had met niet betrouwbare ondernemers, die niet serieus van plan waren deze dienst te starten. Toevallig dezelfde dag, 20 april 1859,was deze
commissie weer bijeen om een definitief besluit te nemen over het verzoek tot verbreding van de doorvaart onder de Eembrug.19 De heren Kievits &. Co. waren niet bekend met deze datum, ze waren niet uitgenodigd en dus niet aanwezig bij deze vergadering. De commissie had enig huiswerk laten afron-
den, meteen negatief en een positief resultaat. Door de architect C. Kater en ingenieur A.J.M. Beusekom was een gedegen onderzoek uitge- voerd, wat zelfs een bouwtekening van de nieuwe brug had opgeleverd. Daarin werden de kosten van de verbreding van de doorvaart begroot op 3900 gulden. Positiever was dat een geconsul- teerde ingenieur van Waterstaat, de heer De Reede, uitgesproken had dat hij geen schade aan de oevers verwachtte. Een hoofdelijke stemming leverde desondanks geen meerderheid op voor de verbreding van de doorvaart. Meest genoemde argument om tegen te stemmen was nog steeds de angst voor schade aan de oevers. Bij deze vergadering had Wijers wél de juiste
argumenten gevonden om voor verbreding van de Eembrug te stemmen. Hij verbaasde zich over de |
||||||||||
16 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813 -
1945, inv.nr. 11, raadsnotulen, 5 april 1859, punt44 17 Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingekomen stukken, het |
citaat is geïnterpreteerd. 18 Eembrugcommissie, inv.nr.
6, ingekomen stukken. 19 Eembrugcommissie, inv.nr. 1, notulen van de vergaderingen. Verslag van 20 april 1859. |
||||||||||
144 AREND RUIZENDAAL
|
|||||||||||
angstvoorde Eemoevers bij de commissieleden.
Dit ondanks de mening van de expert dat leerde dat er geen gevaar voor de Eemoevers te verwach- ten zou zijn. Wijers meende dat de landeigenaars en dus de achterban van deze commissie voorde- len van de stoombootdienst zouden kunnen heb- ben in de vorm van een nieuwe wijze van trans- port voor vee of landbouwgoederen. Het mocht echter niet baten. Op 23 april schreef Wijers een brief aan Kievits
&. Co. met het slechte nieuws.20 In dezelfde brief wilde hij ook nog even zijn gram halen over de opmerkingen van de Amsterdamse ondernemers in hun brief van 20 april. "Is het mogelijk dat de stoombootdienst niet doorgaat? Waar spannen wij ons dan nog voor in?", was de teneur van zijn kritiek. Wantrouwen en weerstand
Kievits &. Co. probeerden het nogmaals, op 2 mei.
Een herhaling van zetten zou het niet moeten worden. Dat had weinig zin. Hun aanbod moest nog aantrekkelijker zijn. Niet de helft van de kos- ten, maar het gehele bedrag wilden Kievits 8c Co. betalen.21 De verbouwing moest dan wel in eigen beheer uitgevoerd worden. Mogelijk een poging de kosten van verbreding binnen de perken te houden. Zij drongen er verder op aan om dit maal wel een vertegenwoordiging van de onderneming bij de vergadering uit te nodigen. Burgemeester Laan, de secretaris van de
Eembrugcommissie, had zo zijn bedenkingen over de nog niet afnemende belangstelling voor de Eembrugen verzamelde de commissieleden middels een weinig enthousiaste brief. Het ant- woord van Wijers is bewaard gebleven.22 Hij |
bevestigde de suggestie van Laan dat men maar
meteen paar vreemde snuiters te maken heeft:"., in sommige opzichten zondigen zij tegen de vorm", maar schreef wel dat "een spoedige beslis- sing gewenst was". Had Wijers nog hoop of wilde hij het avontuur snel beëindigen? Volgens zijn brief was het belang van de stoombootdienst steeds boven elke twijfel verheven. De Amsterdammers speelden het ook niet
bijzonder tactisch. We hadden dat al eerder geconstateerd. Nu weereen tamelijk ongelukkige lobby. Kievits verraste de heer Callenkamp Pels, de burgemeester van Soest, vrijdagochtend 20 mei met een bezoek. De ondernemer wenste dat hij nog dezelfde middag persoonlijk bij de burge- meester van Baarn de belangen van Kievits &. Co. zou verdedigen. Gallenkamp Pels had nog tegen- geworpen, zo schreef hij nog dezelfde dag aan Laan,23 dat hij werkelijk niets te maken had met de hele voorgenomen stoombootdienst, maar, over zijn hart strijkend, had hij toch zijn medewerking aangeboden. Mogelijk was het slecht weer, mis- schien was er een andere reden, maar Callenkamp Pels reisde niet naar Baarn. Hij gebruikte de gele- genheid om zijn schrijfkunst te etaleren. In bloemrijke zinsneden, die enigszins verontschul- digen voor de bemoeienis, wijst hij zijn Baarnse collega op het algemene belang van de stoom- bootdienst. Het nieuwste voorstel van Kievits 8c Co., name-
lijk volledige betaling van de verbreding van de doorvaart, en de wervende tekst van de heer Callenkamp Pels werden voorgelezen op 25 mei, tijdens de derde ingelaste vergaderingvan de Eembrugcommissie.24 De heer Kievits en een onbekende tweede persoon van zijn onderneming |
||||||||||
20 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-
1945, inv.nr. 3235, Brief van 23 april 1859 van Wijers aan Kievits 8t Co. 21 Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingeko- men stukken, brieven van Kievits 8t Co. aan de Eem- brugcommissie (2 mei 1859), aan J.C.G.C. Laan (2 mei |
|||||||||||
1859) en een herinnering aan dhr Laan (12 mei 1859).
22 Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingekomen stukken,
Brief van Wijers aan], C.G.C. Laan, d.d. 14 mei 1859 23 Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingekomen stukken,
Brief d.d. 20 mei i8s9 |
|||||||||||
'waar spannen wij ons dan noc voor in?' 145
|
|||||||||||||||||||||||||||
%
|
|||||||||||||||||||||||||||
0**OOTSTAD-AMERSro
|
|||||||||||||||||||||||||||
*>
|
|||||||||||||||||||||||||||
I ^_ „ ^
|
|||||||||||||||||||||||||||
VTA*:)
|
|||||||||||||||||||||||||||
Worden bij deze beleefdelijk nitgenoodigd de proefvsart op/^Jalij 1859 met huane
tegenwoordigheid te veveeren. |
|||||||||||||||||||||||||||
Van Amsterdam 'smotg.^^ uur naai Baarn, -£» t/ -^r &***<***?t*
o Baarn „ /#? ,. „ Amsterdam, a- /^ V" ,, YYA. Dw. Dienaren. '
|
|||||||||||||||||||||||||||
P. P. KIEVITS & C°.
|
|||||||||||||||||||||||||||
#
|
|||||||||||||||||||||||||||
de bedoeling dat ze zelf daarop de
namen van de genodigden schreven. Ook burgemeester Wijers ontving een aantal van deze formulieren2 |
|||||||||||||||||||||||||||
Open uitnodiging om de proefvaart bij
te -wonen op 10 juli 1859. Aan vele belangrijke personen in de regio w/aren dergelijke formulieren verstuurd, met |
|||||||||||||||||||||||||||
bouwing van de Eembrug kon het naderende
hooiseizoen wel eens ernstig frustreren. Een belangrijke zorg voor de landeigenaren onderde commissieleden. Na het vooroverleg werden Kievits en de
onbekende tweede binnengelaten. De com- missieleden waren slecht geluimd. Ze hadden nog een appeltje te schillen over de dreiging de stoombootdienst niet te starten. Kievits nam de onrust niet weg. Hij bevestigde het verhaal zelfs, maar, zo zei hij, "het heeft mijn voorkeur niet". Hij maakte zich nog minder populair door te stellen dat de te verwachten schade aan de oevers het gevolg zou zijn van verwaarlozing. Een regelrech- te belediging. Erwaren zeker commissieleden die |
|||||||||||||||||||||||||||
hadden hun plaats op de gang weer betrokken.
Helaas, nog steeds vond de commissie verbre-
ding van de doorvaart onder de Eembrug onaan- trekkelijk, vanwege eerdergenoemde argumen- ten: angst voor schade aan de oevers, hoewel men ondertussen besefte dat de landelijke overheid hiervoor waarschijnlijk aansprakelijk te stellen was. Maar nog steeds was men beducht voor ver- hoging van de tol en had men geen boodschap aan het algemene belang. Ook was de behoefte niet gegroeid om de Amsterdammers een dienst te bewijzen. Ze hadden zich niet bijzondergeliefd gemaakt, eerder verdacht. Er waren ook wel wat inzichten gewijzigd.
Door het aanbod van Kievits &. Co. was het kostenaspect van de verbouwing weggevallen, maar deze positieve ontwikkeling werd overscha- duwd door een nieuwe zorg. Een eventuele ver- |
|||||||||||||||||||||||||||
24 Eembrugcommissie, inv.nr. 1, notulen van de vergade-
ringen. Verslag van 25 mei 1859. |
|||||||||||||||||||||||||||
146 arend ruizendaal
|
||||||||||
delijk op 11 juli 1859 uitgevoerd:29 "De raderboot,
tusschen Amersfoort en Amsterdam in dienst zul- lende worden gesteld, heeft gister een proeftogt, gechargeerd met geïnviteerden gemaakt, loopen- de tot de Eembrug. Waarschijnlijk voorzigtig- heidshalve is de afstand in ietwat meer tijdruimte afgelegd, dan wel, naar te hopen is, bij de in dienststelling het geval zal wezen". Blijkbaar waren er nog wat problemen op te
lossen. In tegenstelling tot het plan werd de dag na de proefvaart niet gestart met de reguliere stoombootdienst. De problemen hoeven niet uitsluitend technisch van aard te zijn geweest. Een mogelijke indicatie daarvoor wordt gevonden in het archief van de Eembrugcommissie.30 Hier wordt verslag gedaan van een verschil van mening tussen de Amsterdamse ondernemers en burge- meester Laan, in zijn functie als secretaris van de commissie. Kievits 8c Co. wilden de reguliere dienst zo snel mogelijk starten vanaf de Eembrug, om dat jaar nog iets terug te verdienen van de investeringen. Laan vond dat strijdig met de regels van de verleende concessie. Volgens de concessie moesten ze een stoomdienst op Amersfoort uit- voeren. Het leek hem beter om voor de vierde maal een verzoek tot verbreding van de doorvaart onder de Eembrug in te dienen bij de Eembrug- commissie. Ook leek het de burgemeester on- waarschijnlijk dat een dienst vanaf Baarn voorde ondernemers zou leiden tot een gezonde omzet, laat staan winst. |
||||||||||
in andere functies verantwoordelijk waren voor
oevers of dijken. Met name werd Wijers en de Amersfoortse gemeenteraad een hard verwijt gemaakt. Zij waren grotendeels verantwoordelijk voor het onderhoud van de Eem. Weer nam de Eembrugcommissie geen be-
sluit. Voor Wijers kwam dit resultaat niet onver- wachts. De uitkomst en de motivatie van deze vergadering wist hij tijdens de gemeenteraads- vergadering de dag ervoor, al mede te delen.15 Een deel van de dienst
Op 28 juni27 meldden Kievits 8c Co. aan burge-
meester Wijers dat de stoomboot gereed was en klaar lag voor inspectie door de burgemeester. De proefvaart zou zaterdag 2 juli plaatsvinden. Voor de organisatie van de proefvaart was een lid van de Eembrugcommissie gevraagd, namelijk de oude heer H.A. Laan. Waarschijnlijk was hij gevraagd, om de Amsterdammers weer op goede voet te laten komen met de commissie. Of dat nog mogelijk was zou je je kunnen afvragen. Ook Wijers was gevraagd als lid van het organisatie- team. Hij bedankte echter voor de eer.28 Uiteraard voer de boot niet vanaf Amersfoort
maar zou het het traject Baarn - Amsterdam - Baarn afleggen. Vele notabelen uit de regio waren uitgenodigd, ook Wijers mocht zich gelukkig prij- zen. Het plan was al de volgende dag te starten met de reguliere stoombootdienst. Volgens de Amersfoortse Courant werd de proefvaart uitein- |
||||||||||
juni 1859 van Kievits & Co. aan de burgemeester van
Amersfoort. 28 Archief Eemland, Archief Gemeente- bestuur 1813-1945, inv.nr. 3235, Brief van 30 juni 1859 van Wijers aan Kievits &. Co. Tijdgebrek was het argument van de burgemeester. 29 Amersfoortse Courant van 12 juli 1859 (no. 641). Het bericht beschrijft de gebeurtenis- sen van 11 juli. 30 Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingeko- men stukken, Brief van Kievits & Co. aan J.C.G.C. Laan, secretaris van de Eembrugcommissie, d.d. 12 juli 1859. en kladbrief, d.d. 13 juli 1859, waarschijnlijk van J.C.G.C. Laan aan Kievits & Co. |
||||||||||
25 Tijdens de vergadering van de Amersfoortse gemeen-
teraad de dag ervoor etaleerde Wijers voorspellende gaven. Hij zei; "Waarschijnlijk zal de stoomboot dit jaar niet in werking komen, door het besluit van de Eembrugcommissie dat de brug voor het einde van de hooibouw niet kan worden veranderd". Archief Eemland, inv.nr. 11, raadsnotulen, 24 mei 1859, punt 80. 26 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-1945, inv.nr. 3235, In een brief van 28 juni van Kievits &. Co. Aan Wijers werd de zending van een aantal deelnamekaarten aangekondigd. 27 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-1945, inv.nr. 3235, Brief van 28 |
||||||||||
'waar spannen wij ons dan noc voor in?' 147
|
|||||||||||||||||||||
Tweede advertentie, d.d.
26 juli, gepubliceerd in de Amersfoortse Courant, met de regeling en de prijsstelling van de stoombootdienst. Op 22 juli was de eerste ad- vertentie verschenen, waarin de alinea begin- nende met 'Passagiers en goederen...' ontbrak31 |
|||||||||||||||||||||
Een vierde verzoek tot verbreding van de
doorvaart is er niet meergekomen. De reguliere stoombootdienst startte vanaf Baarn op 25 juli. Dat kan geconcludeerd worden uit advertenties die vanaf 22 juli regelmatig verschenen in de Amersfoortse Courant. De Stad Amersfoort vertrok aldaar dagelijks
om 7.00 uur en's zondags om 6.00 uur. Uit Amsterdam was de afvaart om 16.30 en op zondag om 8.00 uur. De stoomboot kende drie tarieven voor reizigers: paviljoen 1,60, ie kajuit 1,30 en 2e kajuit 1,00. Amersfoort laat Kievits & Co.
vallen In een p.s. van de al eerder aangehaalde brief van
28 juni 32 vroegen Kievits 8c Co. aan burge- meester Wijers of er al een besluit genomen was over de hoogte van het te betalen vht-geld. Zoals we al gelezen hebben was een besluit hierover bewust vertraagd. Echter, ondertussen was het duidelijk dat de verbreding van de doorvaart onder de Eembrug én de stoomvaartdienst op Amersfoort dit jaar niet meer zou lukken. De kwestie over de hoogte van het door Kievits 8t Co. te betalen vht-geld enerzijds, of het door Amersfoort toe te kennen bedrag aan subsidie aan Kievits 8c Co. (en andere beurtschippers) kon nu dus opgelost worden. De eerstvolgende vergaderingvan de Amers-
foortse gemeenteraad was op 30 juli. Na kennis te hebben genomen van de regelingen rond de be- talingvan de vht-gelden in de steden Amsterdam en Zwolle formuleerde burgemeester Wijers een nieuw voorstel voor subsidie aan Kievits 8c Co.33 In tegenstelling tot het besluit van 22 maart, toen nog voorgesteld werd om voor de periode van 1 jaar de helft van de betalen vht-gelden kwijt te schelden, |
|||||||||||||||||||||
STOOMBOOT
STAD
|
|||||||||||||||||||||
iccfl
|
|||||||||||||||||||||
genoegen dot
|
|||||||||||||||||||||
sfiJ\ Dc »«■
;. geachte publiek te Tcrrottigcn. dat de
'?. ■fri"rs Stoomt'OOtJienst is gco[iend on Maan-
dag tien 25 Julij. Tonrionjiig van de Befnbrug nalêj Tlnarn: dat er dagelijks gelegenheid ïal In- slaan tan Amersfoort naat ile Eoml/rug en terug, tot vervoer van passagiers en goederen, indirecte verbinding met de STOOM POOT. ttageUJktvhe OfesMf,
UITGEZONDERD ZONDAGS.
Des Morsen» (cc 7 ure tan de EEMDRUG.
. Namiddags ■ l', • • AMSTERDAM.
n*-a XO%'n.*t\!N extra Hrlxr,
aangehangen ZONDAG 24 JullJ.
Des Morgens ten 8 ure tan AMSTERDAM.
. Namiddags . (1 . .de EEMDRUG.
r jissn fficr.s-vrarltt:
PAVILJOEN.....fl.m.
!c KAJUIT.......1.30.
2e . .......1,110.
Passagiers en Goederen zullen opgenomen en
afgezet worden, als volgt:
,. van N1JKERK, BUNSCHOTEN en SPAKEN- BURG , aan liet Haventje. die run EEUNES-BDITEN en LAREN, aan de Eemnesser-vaart.
B^y He gelegenheid ürn van en nanr de Stoomboot te rijden is gevestigd bij A. VAN .V/.l/HTo'/.'.V, Diligence-ondernemer in de Slijkstraat alllier. |
|||||||||||||||||||||
stelde Wijers nu voorom 9/10 van dit bedrag kwijt
te schelden, voor onbepaalde tijd. Echter, deze regeling zou pas ingaan vanaf het moment dat de dienstregeling daadwerkelijk tussen Amersfoort en Amsterdam in werking zou zijn. Dit voorstel leek gunstig, maar feitelijk bete-
kende het dat Kievits 8c Co. dit jaar geen subsidie zou ontvangen. Immers, hun boot zou Amers- foort vooralsnog niet bereiken. De Eembrugcom- missie was nog steeds niet akkoord met het voor- stel tot verbreding van de Eembrug bij Baarn. Het was al bijna augustus. Het concessiejaar was zo goed als voorbij, zeker de meest winstgevende maanden van dat jaar, en het was bijzonder twij- felachtig of Kievits 8c Co. voor het volgende jaar nog wel een nieuwe concessie zouden kunnen bemachtigen. Dit besluit van de gemeenteraad luidde het einde van de stoombootdienst in. Uiteraard kon Wijers dit hele scenario voorzien.
Als Kievits 8t Co. voor dit jaar geen subsidie zouden ontvangen was ook de claim van de Amsterdamse |
|||||||||||||||||||||
31 Amersfoortse Courant van 22 juli 1859 (no. 644) en 26
juli 1859 (no. 645). 32 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-1945, inv.nr. 3235, Brief van 28 |
|||||||||||||||||||||
juni 1859 van Kievits 8t Co aan burgemeester Wijers.
33 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813 - 1945, inv.nr. 11, raadsnotulen, 30 juli 1859, punt 103 |
|||||||||||||||||||||
I48 AREND RUIZENDAAL
|
|||||||||||
beurtschippers op niets gebaseerd. Volgend jaar
zou er geen concessie voor deze stoombootdienst komen. Dus ook dan was er geen verzoek tot subsi- die voorde onderneming van Kievits8tCo. te ver- wachten. Ook dus niet van de Amsterdamse beurt- schippers. Het vht-probleem was opgelost. Wel jammer van de stoombootdienst. De afwikkeling
Op het kantoor van Kievits &. Co. zal men onder-
tussen gewerkt hebben aan een ontsnappings- strategie. De dienst tussen Amsterdam en Baarn was absoluut niet interessant.34 Wan neer de dienst tussen Amsterdam en Amersfoort niet zeer spoedig gestart kon worden, dan hield alles op en moesten ze een oplossing zoeken voor hun stoomboot. Verkoop of inzet in een bestaande dienst waren opties, maar mogelijk was de inzet van de boot in een geheel nieuwe dienst lucratie- ver. Zou het toevallig zijn dat Kievits 8t Co. op 8 juli 1859 een concessie kregen vooreen stoom- bootdienst tussen Utrecht en Vreeswijk?35 Ondanks deze nieuwe concessie en het ver-
ruimde subsidieaanbod van Wijers waren de Amsterdamse ondernemers nog niet tevreden. Kievits en companen bleven vragen om een gun- stiger regeling, die waarschijnlijk inhield dat ze een vergoeding vooraf wilden, in plaats van achteraf. Dit leidde tot een schriftelijke aanvaring tussen de ondernemers en een coalitie van burgemeesters. Op 5 augustus36 schreef burgemeester Gallen-
Kamp Pels van Soest aan Kievits 8c Co. een brief waarin hij de resultaten verwoordde van een ver- |
gadering tussen ambtsgenoten, waarschijnlijk hij-
zelf, burgemeester Wijers van Amersfoort en bur- gemeester Laan van Baarn. De brief startte met de zinsnede: "Het gevoelen mijner geachte ambtge- noten, waarmede ik mij heb verenigd komt korte- lijk hierop neder:". Daarna werden in zeer heldere, tamelijk harde taal de ondernemers gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid tot het aangaan van risico's en het doen van investeringen, waarbij hooguit eventueel resterende tekorten aangevuld zouden kunnen worden door overheden. Ze gaven het op. Op vrijdag 26 augustus
schreven Kievits & Co. de burgemeester van Amersfoort dat de stoombootdienst a.s. maandag tot nader aankondiging zou worden gestaakt. En de Eembrug?
Op 20 september werd de technische staat van de
Eembrug gecontroleerd. Het paalwerk onder de brug was in slechte staat. Spoedig herstel was noodzakelijk, zo bleek. De Eembrugcommissie, die dezelfde dag vergaderde, sprak wijselijk niet meer over Kievits 8t Co.37 Nabeschouwing
Erwas bewondering voor de nieuwe mogelijkheden
van de techniek. Burgemeester Wijers liet dat dui- delijk merken. Wijers was nog jong en had tijdens zijn jaren bij de Kamer van Koophandel al kennis mogen maken met de leef- en gedachtewereld van ondernemers. Nu hij burgemeester was wilde hij de nieuwe mogelijkheden van de techniek kennelijk graag aanbieden aan de stad. Ter meerdere eer en |
||||||||||
van 26 juli 1859 (no. 645). Het bericht is gedateerd 25 juli
1859. 36 Archief Eemland, Archief Gemeentebestuur 1813-1945, inv.nr. 3235, Afschrift d.d. 6 augustus 1859 gericht aan Wijers van deze brief van GallenKamp Pels aan Kievits &. Co. Eembrugcommissie, inv.nr. 6, ingeko- men stukken, Afschrift d.d. 6 augustus 1859 gericht aan J.C.G.C. Laan van deze brief van GallenKamp Pels aan Kievits 8t. Co. 37 Eembrugcommissie, inv.nr. 1, notulen van de vergaderingen. Verslag van 20 september 1859. |
|||||||||||
34 Amersfoortse reizigers moesten met de diligence van
en naar Baarn gebracht worden, wat de reistijd behoorlijk verlengde. Om voldoende passagiers te werven werd ook geadverteerd met een ophaaldienst vanuit Nijkerk, Bunschoten/Spakenburg, Eemnes-Buiten en Laren. Echter, de weg van Nijkerk over Bunschoten/Spakenburg naar Baarn was zelden bruikbaar en vanuit Eemnes- Buiten en Laren zullen er snellere manieren zijn geweest om naar Amsterdam te reizen. 35 Amersfoortse Courant |
|||||||||||
'WAAR SPANNEN WIJ ONS DAN NOC VOOR IN?' ]AQ
|
|||||||
glorie van hemzelf? Waarschijnlijk. Wel is het aanne-
melijk dat een goed functionerende stoomboot- dienst Amersfoort wel degelijk in de vaart der volke- ren had kunnen opstuwen. Zeer gewenst voor deze noodlijdende stad. Natuurlijk was dit was niet de enige strategie
om de economie van Amersfoort uit het slop te trekken. In dit verhaal zijn de spoorwegen helemaal niet genoemd. Maar, de pogingen om Amersfoort een stoombeurtvaart te geven werden geheel over- schaduwd door de hoge mate van aandachtvan publiek en bestuur voor de ontluikende aan leg van spoorwegen. Met veel energie werd geprobeerd om Amersfoort zo vroeg mogelijk op het spoor- wegennet aangesloten te krijgen. De spoorwegen hadden de toekomst. Mogelijk werden pogingen om het oude concept van de beurtvaart te moder- niseren, bij voorbaat gezien als een laatste stuip- trekking van dit overbodig wordende systeem. Maar er was ook argwaan voor de techniek.
De stoombootdienst zou er niet zo maar komen. Een oude vaarweg als de Eem moest ervoor aange- past worden. De oeverbescherming was plotseling niet meer afdoende. Te zwak voor de te verwachten golfslag, zo werd gevreesd. Kennelijk moest deze stoomboot ook breder zijn dan de zeilende beurt- schepen. Maar, waarom zo breed dat de oude Eembrug bij Baarn daarvoor moest wijken? Uit niets bleek dat de bestuurders het begrepen. Voortdurend werden de Amsterdammers verweten dat ze een te brede boot hadden gebouwd. Ze zou- den hiervoor geen goede reden hebben gehad. Volgens de bestuurders hadden zij ook geen goed excuus om subsidie te vragen, ondanks het nadeel van het met kolen gevulde ruim. Een ondernemer hoorde zijn risico zelf te dragen en deze niet af te wentelen op de overheid, zeker toen bleek dat de Amsterdamse beurtvaarders hetzelfde idee plotse- ling ook aantrekkelijk leken te vinden. Kon het zittende bestuur nieuwe problemen
aan? Alle raden, commissies en colleges waren ingericht en bemand om de dagelijkse problemen |
|||||||
het hoofd te bieden. Niet vreemd uiteraard, maar
dit verhaal schetst de moeilijkheden waar het bestuur voor staat als zich onverwachteen nieuw probleem voordoet. De Eembrugcommissie hoef- de zich tot dan toe uitsluitend zorgen te maken over onderhoud, tol en verpachting van de tol. Ineens bleek dat de brug een hindernis vormde voor de vooruitgang. Schijnbaar onoplosbaar, want er was geen pleitbezorger van dit soort zaken in de commissie aanwezig. De Amersfoort- se gemeenteraad deed het al niet veel beter. De raad had het zeer moeilijk met de wens van de ondernemers tot verlaging van de vht-gelden. Ondernemers hoorden niet te vragen om subsi- die. Toch was deze wens billijk: de wind was gratis maar kolen niet. Zonder subsidie op de vht-gelden zou stoomvaart niet concurrerend zijn. De ge- meenteraad heeft dat nooit willen inzien. Wie weet wat er nog besloten werd als Kievits
8t Co. voldoende tijd hadden gehad. We zullen het nooit weten. De concessie was maar één jaar gel- dig. Nooit zijn de verschillende bestuursorganen in de verleidinggekomen om slagvaardiger beslui- ten te nemen. Waren deze ondernemers geschikt voor hun
vak? Het is jammer dat het nog niet bekend is of het bedrijf Kievits 8t Co. geleid werd door oude rotten in het vak of door starters. Dat laatste is niet onwaarschijnlijk, gezien hun optreden dat vaak als onhandig ervaren werd door de bestuur- ders. De financiële slagkracht van de Amsterdam- mers leek ook beperkt. Deze mogelijk nieuwe ondernemers leken te zijn opgegroeid met de mogelijkheden van de techniek, zonder te besef- fen dat deze in een veranderende wereld moest opereren en ingepast moest worden. Ze zagen kansen, ze durfden te ondernemen, maar faalden. Tot slot. Mijns inziens het aardige van dit ver-
haal is dat het illustreert dat geschiedenis niet alleen bestaat uit succesverhalen, maar vooral uit vele mislukkingen. |
|||||||
FRED VAN KAN
De
Amersfoortsche
win kei iersbeurs |
||||
DE AMERSFOORTSCHE Wl N KELI ERSBEU R5 VAN 1923 1^1
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In het najaar van 2005 kreeg Archief Eemland een album in
handen met foto's gemaakt door de Amersfoortse fotograaf Serre met de Amersfoortsche Middenstandsbeurs van 1923 als onderwerp. Dit vormde de aanleiding voor het schrijven van deze korte bijdrage. Een selectie uit de foto's is bij dit artikel opgenomen.1 |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De Eerste Wereldoorlog bracht in Amersfoort net
als elders in ons land de middenstand in de pro- blemen. Als gevolg van schaarste stegen de inkoopprijzen voor de winkeliers fors en die wer- den doorberekend aan de consument, met een daling van de vraag als gevolg. Het einde van de oorlog bracht niet direct verbetering, de aanvoer werd wel goedkoper, maar de winkeliers zaten dikwijls nog met kostbare onverkochte voorraden. Wel kon nu weereen breder assortiment worden aangeboden. Om de verkoop te stimuleren, werd in 1919 door de middenstandsverenigingen Han- del en Nijverheid en De Hanze een winkelweek met etalagewedstrijd georganiseerd. Zo zouden de Amersfoorters kunnen zie waartoe de winke- liers weer in staat waren en hoopte men de regio te stimuleren om in Amersfoort haar inkopen te doen. Ook wilde men het imago van de winkeliers verbeteren. Hoewel slechts enkelen onder hen oorlogswinsten hadden gemaakt, werd de hele middenstand daar volgens haar organisaties op aangekeken. Het Amersfoortsch Dagblad schreef dat de winkeliers er bovendien van werden ver- dacht te hoge prijzen te berekenen, een onterech- te beschuldiging waar nu mee kon worden afgere- kend. Winkelweek en etalagewedstrijd werden op een strategisch slim moment georganiseerd, rondom de viering van koninginnedag, destijds op 31 augustus. De winkelweek ten spijt verbeterde de positie
van de middenstand niet, want in de jaarverslagen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken over |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
GEBOUW - „KECOFA"' - AMERSFOORT
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gebouw Necofa zoals afgebeeld in Amersfoortsch
Dagblad De Eemlanderjrg. 21 (1923) nr. 253, p. 2 (Archief Eemland, Beeldcollectie 92500). 1920 en 1921 wordt nog altijd van malaise gespro-
ken. Twee jaar later, in 1923, rapporteert de kamer nog steeds negatief, de koopkracht herstelt zich aldoor niet, terwijl toenemende concurrentie van het grootwinkelbedrijf wordt ondervonden. De middenstanders zelf meenden dat zij vooral te lij- den hadden door de concurrentie van de grote steden Utrechten Amsterdam. Het Amers- foortsch Dagblad tekende daarbij aan dat de trek van het Amersfoortse winkelend publiek naar elders allereerst te maken had met het feit dat in |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1, Met dank aan Agnes Witte, fotoconservator van
Archief Eemland. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
*>ts
|
||||||||||||||
Bff»
|
||||||||||||||
k
|
||||||||||||||
Geheel rechts de bakkerijstand, daar-
naast een drankenhandelaar. Links een automobiel (de Chevrolet van Nef- kens?) en de Germaan-rijwielen van de firma J. v.d. Kommer (Archief Eemland, Beeldcollectie AFT001001119). |
||||||||||||||
"De firma A. Vonk, exposeert met zijn
bekend roggebrood. Dank zij de goede kwaliteit en lekkere smaak mocht deze firma op de a.w.b. reeds menige nieuwe cliënt boeken." |
||||||||||||||
currentie van de grote steden daalden hun omzet-
ten, en dat was niet alleen een probleem voor de middenstand maar voor alle Amersfoorters. Immers, als de middenstand meer verdiende, kre- gen de lokale belastingen een bredere basis en kon het belastingpercentage vervolgens omlaag en daar zou een ieder van profiteren! De Amersfoortse middenstanders wilden zich
niet laten meeslepen door'het pessimisme van onzen tijd' maar besloten, 'in tijden van algemene malaise'een grote tentoonstelling op te zetten, de |
||||||||||||||
Amersfoort zoveel medewerkers van de spoorwe-
gen woonden. Zij reisden vrij per trein en konden zo zonder kosten in de namiddag in bijvoorbeeld Amsterdam gaan winkelen. Zij bedachten niet dat dezelfde producten ook gewoon in Amersfoort te koop waren. De Amersfoorters voor wie dit vrij reizen niet speelde, waren volgens het dagblad ten onrechte de mening toegedaan dat de grote steden voordeliger producten te bieden hadden. De krant drong er bij haar lezers op aan om zich voorde eigen winkeliers in te zetten. Door de con- |
||||||||||||||
\t
|
||||||||||||||||||||||||||
|SOLEX
|
||||||||||||||||||||||||||
JL£
|
||||||||||||||||||||||||||
%
|
||||||||||||||||||||||||||
±*&
|
||||||||||||||||||||||||||
>'sj(^i
|
||||||||||||||||||||||||||
csss».^
|
||||||||||||||||||||||||||
De stand van Het Motorhuis van W. van
Beek, "alleenvertegenwoordiging voor de bekende Indian Motor, onderdeden en olie". Zij exposeerde: "de Indian, Adie, James en Orionnette Motorrij- wielen." "Een losse motor was te be- zichtigen, dit om de werking goed te |
doen uitkomen, tevens 't eigen merk rij-
wielen dezer firma, n.1. Elta-rijwielen en Elta-banden. Deze rijwielen worden gemaakt voor personen van ieder gewicht. Een en ander was aardig op- gesteld." (Archief Eemland, Beeld- collectie AFT001001115). |
|||||||||||||||||||||||||
Amersfoortsche Winkeliersbeurs. Zij wilden daar-
mee hun bedrijfstak een forse impuls geven. De beurs werd van 23 april toten meti mei 1923 gehouden. Men wilde laten zien, dat de stad alles in huis had, een keur van producten, van goede kwaliteit en niet te duur. Met de beurs richtte men zich niet alleen op het stedelijk publiek, maar de organisatoren verwachten net als met de win- kelweken, ook de bewoners van de omliggende dorpen aan te trekken, in de hoop dat men de plattelanders ook in de toekomst als klant zou |
behouden. De beurs werd dooreen speciaal
comité georganiseerd, bestaand uit J.M. van Dijk (Utrechtseweg 123), B. Kramer (Langestraati2i), M. van Dijk (Arnhemseweg 6) en W. Willingjr. (Prinses Julianaplein 4). Als sponsor trad waar- schijnlijk de Middenstands-Credietbank op, die kreeg tenminste bij de opening verschillende bloemstukken als dank overhandigd. Aan de beurs namen 45 bedrijven deel. Op maandag23 april 1923 werd de winkeliers-
beurs geopend in een voormaligfabriekspand aan |
|||||||||||||||||||||||||
154 FRED VAN KAN
|
|||||||||||||
t
|
|||||||||||||
"De firma J.M. van Dijk, meubileerin-
richting, heeft beslag gelegd op één der lokaaltjes. Van het geheel heeft zij een warm intérieur weten te schep- pen. Zoo heeft zij een volledige hee- renkamer gemaakt, welke uiterst modern en toch goedkoop is. Voorts zijn geëtaleerd verschillende chique salon-meubelen, welke zeer de aan- dacht trekken. De groot voorraad tapijten, zoowel hier als bij de overige stands, wijzen op den ontzaglijken voorraad, waarvoor deze firma be- schikt. De afdeeling tafel- en divan- kleeden is eveneens ruim voorzien, waarbij menig aardig patroon tot koopen lokt. Nog zal geëxposeerd worden een volledig huiskamerameu- blement, dat zeer laag in prijs gesteld |
is. Men kan zich op de beurs door de
firma van Dijk volledig laten installee- ren, waarbij ten slotte de gedemon- streerde Hoover-stofzuiger voor het schoonhouden zorg draagt." (Archief Eemland, Beeldcollectie AFT001001129). Pagina 155 boven
Stand van de firma Ponne. "De naam
'Ponne' is van algemeene bekendheid hier en in den omtrek. De firma die hem draagt verrichtte pioniersarbeid op electrisch gebied hier en in den omtrek. Zij was de eerste, die hier ter stede electriciteit als licht- en kracht- bron toepaste. En met de jaren ont- wikkelde ze zich ook op ander gebied. De vermaarde Deutz-motoren worden |
door haar actief vertegenwoordigd en
in de latere jaren groeide de zaak 'Ponne' tot een eerste klas firma op electrisch- en werktuigkundig gebied. Ook agenturen van last-auto's voert zij." (Archief Eemland, Beeldcollectie AFT001001127). Pagina 155 onder
Stand van de nog steeds bestaande
rijwielhandel J. v.d. Kommer. "Bijzon- der trok de aandacht het Germaan- transportrijwiel zoo geconstrueerd dat de gang bijzonder licht is, niette- genstaande zwaren bouw. De bagage- drager is gemakkelijk afneembaar. Speciale rijwielen worden ook ver- vaardigd." (Archief Eemland, Beeld- collectie AFT001001135). |
|||||||||||
1^6 FRED VAN KAN
|
|||||||||
"Een van de stands die onder de groot-
ste van de tentoonstelling genoemd moet worden is die van de firma Nieuwkerk en Elzenaer, electrische meubelfabriek alhier. Deze stand biedt een bijzonder mooi geheel. Verrassend is de groote sorteering meubelen, welke zijn tentoongesteld. Een zeer practische kamerindeeling geeft een aardig geheel van elk der tentoongestelde ameuble- menten. Een ieder is in de gelegenheid een overzicht te verkrijgen, wat voor meubelen de firma produceert. Een |
voordeel is het te noemen, dat alle meu-
belen naar elk gewenscht model en in iedere kleur vervaardigd kunnen wor- den, waartoe de modern ingerichte meubelfabriek geheel en al in staat is, zoodat alle opdrachten stipt kunnen worden uitgevoerd. De verstelbare ligstoel is een ruststoel bij uitnemend- heid, met losse kussens enz. Een bezoek aan dezen stand is dan ook wel de moei- te waard." (Archief Eemland, Beeld- collectie AFT001001142). |
||||||||
DE AMERSFOORTSCHE Wl N KELI ERSBEU RS VAN 1923 I57
|
|||||||||||
Ai
|
|||||||||||
"De stands 13 en 14 worden ingenomen
door de Firma R. van den Burg die met eenige prachtinstrumenten exposeert, o.a. de meer en meer in gebruik komen- de Kastner pianola. Op schitterende wijze gaf een der Firmanten de As dur Polonaise van Chopin weer, waarbij wij opmerkten hoe de verschillende tempi, de uitdrukking, het pedaliseeren geheel door den bespeler beheerscht werden. De ingewikkeldste composities worden op gemakkelijke wijze ten gehoore gebracht terwijl met weinig oefening |
|||||||||||
het mechanische spel geheel te vermij-
den is. Vervolgens zagen wij een schitte- rend Mannborg orgel in moderne stijl uitgevoerd; vele karakteristieke geluiden als harp, cello, clarinette, schalmei, enz. bouwen het volle spel tot een machtig geheel op. Van dit fabrikaat heeft de firma de hoofdvertegenwoordiging voor Nederland. Als bijzondere attractie zijn twee draagbare kofferharmoniums ten toongesteld, waarvan een geopend, de ander gesloten." (Archief Eemland, Beeldcollectie aftooio 01148). |
|||||||||||
Stand van Mej. E.G. van Egdom, Dames- en
Kinderhoeden (Archief Eemland, Beeld- collectie AFT001001152). |
||||||||
in, waaronder de gasfabriek met een tentoonstel-
ling ter bevordering van het gasgebruik. De stand- houders waren niet alleen Amersfoortse bedrij- ven, maar de beurs trok nu ook ondernemingen uit onder meer Rotterdam, Den Haag en Amster- dam. De organisatie wees erop, dat promotie van de middenstand nodig bleef omdat velen nog altijd naar de grote steden uitweken in de overtui- ging dat in Amersfoort te hoge prijzen werden gerekend en ook de malaise was nog niet voorbij. De beurskrach van 1929 en de daarop volgende grote crisis moest toen nog komen ... |
||||||||
de Nijverheidsstraat. Daarin was tot in 1921 de
Nederlandsche Confectiefabriek van de firma N.V. vh. A. Cohen gevestigd geweest, een filiaal van een onderneming met een hoofdvestiging in Amsterdam. Het fabriekspand werd na het vertrek van de Necofa voor verschillende activiteiten gebruikt, zoals in 1923 bijvoorbeeld voor een over- dekte kermis en voor de feesten tergelegenheid van het vijfentwintigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina. De beurs werd een groot succes; op maandag
30 april werd de 700oste bezoeker verwelkomd. De sfeer op de beurs werd verhoogd door de aan- wezigheid van een salonorkest dat een dagelijks wisselend programma uitvoerde. In 1924 werd de winkeliersbeurs in Necofa her-
haald. Er schreven ditmaal maar liefst 58 bedrijven |
||||||||
DE AMERSFOORTSCHE Wl N KELI ERSBEU RS VAN 1923 1CQ
|
|||||||||
N. A. Los, Oude Soesterweg 10.
Bloemisterij.
B.G. Molle, Manufacturenmagazijn "De Faam". Langestraat 5.
H. Nefkens, Varkensmarkt 5, Vlasakkerweg 28. Pfaff
Naaimachines.
B. Nieweg, Langestraat 39. Luxeartikelen, jubileumborden.
Nieweg en van Harten, Lange Beekstraat 37. Elektrotechnisch
bureau.
Fa. van Nieuwkerk en Elzenaar, Elektrische Meubelfabriek.
Langestraat 84, Aldegondestraat
105-107.
Fa. M. N. R. Oosterveen, (B. Silfhout) Langestraat 42. Kruidenierswaren,
comestibles.
Th. F. v. d. Pol, Korte Beekstraat 2. Fotograaf.
Fa. L. G. Ponne, Vlasakkerweg 48. Elektrotechnisch bureau, automo-
bielen en motoren. L.J. B. Posthouwer, Utrechtsestraat 25. Rijwielen en motoren.
Fa. L. A. v. Rije en Co., Langestraat 79.
Electrotechnisch bureau.
B. Ruitenberg Hzn., Utrechtsestraat 26. Heren- en dameskleding..
G. J. Sasbach, Utrechtseweg48. Luxeartikelen en parfums.
L. B. J. Serre, Utrechtseweg42.
Fotografische artikelen. W. Sluiter, Julianaplein. Eysink rijwie-
len en onderdelen. W. Steenbeek, Lavendelstraat 4.
Schoenhandel, machinale schoen-
makerij, schoenmakersfourni tu- ren. F. J. Verwer, "De Moor", Langestraat
8. Hulskamp en limonades.
H. A. Vierdag Jr., Utrechtsestraat 7. Sigarenmagazijn. G. van Vliet, Krommestraat 66a.
Kruidenierswaren, biscuit van de
fabriek "de Lindeboom", fa. Wed.
v. Doesburgh.
A. Vonk, Havik 21. Broodbakker. J. Vonk, Restauratie. Banketbakkerij. Langestraat 87.
W. Vonk, Langestraat 97. Koekbakker. W. de Voogd Jr., Arnhemsestr. 2. Huishoudelijke Artikelen.
|
Fa. Gebr. de Vries, Lieve
Vrouwestraat 50. Krommestraat
38. IJzerhandel, gereedschappen. Fa. J. W. Wentzel, (A.J.Fortgens),
Langestraat 106a. Fotograaf. H. Wolfswinkel, Fruithandel, come-
stibles. Utrechtsestraat 32. BRONNEN EN LITERATUUR
Amersfoortsch Dagblad (1919,1923 en
1924).
Bouwkundig Weekblad 42 (1921) nr. 16 pp. 97-98.
H. Buiter en M.I. Jansen, 'Handel en dienstverlening', in: Geschiedenis
van de Provincie Utrecht vanaf
1780 (Utrecht, 1997).
Kamer van Koophandel en Fabrieken voor "de Geldersche Vallei" te
Amersfoort. Jaarverslag over 1920,
1921,1923.
Officieele catalogus Amersfoortsche Winkeliers Beurs A.W.B, te houden
in gebouw "Necofa" te Amersfoort
van 23 tot z8 april.
Waar zal ik koopen? Propagandaboekje uitgegeven ter gelegenheid der
Amersfoortsche winkelweek.
|
||||||||
BIJLAGE. DE DEELNEMERS AAN
DE AMERSFOORTSCHE MIDDEN- STANDSBEURS VAN 1923. W. van Beek, Langestraat 112. "Indian"
Motoren.
A. H. van Bemmel, Smallepad 18. Bloemisterij.
A.H. G.vanBerkel, Heiligenbergerweg 2. Fabriek van
limonades en siropen.
Sporthuis Bokking, Sigarenmagazijn, Langestraat 80.
Fa. R. van der Burg, Arnhemsestraat 8. Piano- en orgelhandel.
J.M. van Dijk, Utrechtseweg 123, Complete meubileringen.
W. Duijn, Leusderweg 31. Kruidenierswaren, Biscuits van
Meursing's Machinale Fabrieken
van Gebak.
Fa. Gebr. van Eeden, Arnhemsestraat 6. Zadelmakerij, lederwaren, reis-
artikelen. Mej. E. G. v.Egdom, Westsingel 21. Dames- en kinderhoeden.
Electro-Lux, H. Portman, Leusderweg 125,
Stofzuigapparaten.
J.W. van Eist, (vh. A. Bakkenes), Kamp 92. Brandstoffen.
L.A.A. van Hamersveld, Amhemseweg 10. Automobielen.
R. Hoksbergen, Schimmelpenninckstraat 2.
Mineraalwater en limonade.
L.H. Houbaer, Langestraat 66. Heren- en kinderkleding. N.V. Kantoorboekhandel & Drukkerij vh. B. Kramer,
Langestraat 65 en 121.
Kantoorboekhandel, "Onoto"
Vulpenhouder "Ultrajectum"
Losbladig boek, "Corona"
Schrijfmachine.
G. A. Keuneke, Langestraat 105. Lederwaren en reisartikelen.
J. v.d. Kommer, Bloemendalsestraat 34. "Germaan"-Rijwielen.
R. Kok, Utrechtseweg 71. Brandstoffen.
Fa. J. A. J. Lohmann, "Nieuw Parijs" Langestraat 35. Galanteriën en
luxeartikelen.
|
|||||||||
MAX C RA MER, ALBE RT VAN ENGELENHOVEN, SANDRA H OVENS
EN JAAP VERNHOUT |
||||||
Jaaroverzicht
Monumentenzorg |
||||||
JAAROVERZICHT MONUMENTENZORG 2005 l6l
|
|||||||||
In 2005 zijn veel monumenten van particuliere eigenaren
gerestaureerd. Daarnaast is veel tijd besteed aan verschil- lende projecten, waaronder de organisatie van de themadag over het voortbestaan van het industriële erfgoed in Amersfoort. De voltooiing van de restauratie van de Sint-Aegtenkapel, waarbij bureau Monumentenzorg de directie voerde, vormde een van de hoogtepunten van het jaar, hetgeen ook gold voorde Open Monumentendag die in het teken stond van het religieus efgoed. De publicatie 'Middeleeuwse Huizen, mocht zich tenslotte in zo'n grote belangstelling verheugen, dat inmiddels een herdruk is verschenen. |
|||||||||
Bestemmingsplan Utrechtseweg
en omgeving In het kader van de herziening van de verschillen-
de bestemmingsplannen, kreeg het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg in 2005 de opdracht de waardevolle objecten in het gebied tussen de Stichtse Rotonde en de gemeentegrens met Soesterberg in kaartte brengen. Hiervoor werden verschillende werkbezoeken aan het plangebied gebracht, waarin ondermeer de terreinen van de Bernardkazerne van Zon en Schild zijn gelegen. De resultaten van het onderzoek dienen als basis voor de historische paragraaf van het bestem- mingsplan. Boerderijen
Nadat in 2003 alle historische boerderijen in
Amersfoort zijn geïnventariseerd, (zo'n 200 stuks) is bureau monumentenzorg momenteel bezig deze aan een nader onderzoek te onderwerpen. Archief- zowel als bouwhistorisch onderzoek naar de boerderijen, zowel als de aanwezige bijgebou- wen op het erf zal uiteindelijk meer inzicht bren- gen in de agrarische bouwkunst in Amersfoort. |
|||||||||
De meest waardevolle boerderijen/erven zullen
terzijner tijd als monument worden aangewezen. In het verslagjaar zijn voor meerdere boerde-
rijen voorbereidingen gestart voor restauratie. Dit betreft onder meer de boerderijen Landsicht, Zeldertseweg 60, Bosserdijk, aan de Zeven- huizerstraaten de naamloze boerderijen aan De Bik 29 en Coelhorsterweg 6. Deze laatste wordt, inclusief erf, volledig in authentieke vroegige- eeuwse staat hersteld. In het volgende jaarboek zal uitvoeriger op de restauratie van de boerderij- en worden teruggekomen. Digitale Monumentenkaart
In 2005 ontstond een grote behoefte om al het
analoge materiaal dat bij de registratie van monu- menten en waardevolle panden komt kijken, in digitale vorm beschikbaar te krijgen. Hiervoor was veel aanvullend onderzoek noodzakelijk, omdat bleek dat met name de adresgegevens van de rijksmonumenten, die in de jaren zestig van de twintigste eeuw door de minister waren aangewe- zen, niet meer overeenstemden met de werkelijk- heid. Vandaar dat pand voor pand de monumen- |
|||||||||
1Ö2 MAX CRAMER, ALBERT VAN ENGELENHOVEN, SANDRA HOVENS EN JAAP VERNHOUT
|
|||||||||
Boerderij Bosserdijk vóór de van links naar rechts: Max Cramer,
restauratie met op de voorgrond de Jaap Vernhout, Sandra Hovens en
medewerkers van het gemeentelijk Albert van Engelenhoven. Op de
bureau monumentenzorg; foto ontbreekt: Abe van der Veen.
|
|||||||||
ten en waardevolle panden op een digitale onder-
grond zijn aangegeven, waarbij de kleur de status van het pand aangeeft. Vervolgens zijn de adres- gegevens gecontroleerd en zijn de betreffende registratienummers in een onderliggende tabel toegevoegd. Eind 2005 was dit project nagenoeg afgerond. Deze digitale monumentenkaart zal als basis dienen voor een monumentenbeheersys- teem, dat in nauwe samenwerking met de ge- meente Leeuwarden wordt ontwikkeld. Naar verwachting kan in 2007 met de werkelijke im- plementatie van dit systeem worden begonnen. |
|||||||||
Voorbeeld van de digitale monumentenkaart.
Op deze kaart staan de beschermde monumen- ten (rijksmonument in rood en gemeentelijk monument in blauw) en de waardevolle panden (* in geel, ** in oranje en *** in bruin) aangege- ven. Bovendien zijn de beschermde stadsgezich- ten en de complexen op deze kaart opgenomen. |
|||||||||
Zicht (vóór de restauratie) op de in stadswapen van Amersfoort. Onlangs
1956 gereed gekomen brug over de is deze brug tijdens de renovatie van Eem. De pyloon is voorzien van het de Eemkaden gerestaureerd. |
||||
104 MAX CRAMER, ALBERT VAN EN C ELEN HOVEN, SANDRA HOVENS EN JAAP VERNHOUT
|
||||||||
i
|
||||||||
Industrieel Erfgoed, themadag
Hoewel de laatste jaren de belangstelling, mede
door de inzet van de Stichting Industrieel Erfgoed in de Stad Amersfoort (Siësta) flink was toegeno- men, ontstond de behoefte om het draagvlak voor deze specifieke categorie monumenten te vergro- ten. In een nauwe samenwerking met de betrok- ken partijen -Siësta, de Oudheidkundige Vereni- ging Flehite en de Utrechtse Stichting Industrieel Erfgoed (usine)- heeft de gemeente Amers- foort op 27 mei 2005 een themabijeenkomst ge- organiseerd in het voormalige fabriekscomplex Rohm 8c Haas. Hiervoor waren niet alleen verte- genwoordigers van de op dit terrein werkzame organisaties uitgenodigd, maar ook een groot aantal ambtenaren van de gemeente Amersfoort. Allereerst presenteerde de wethouder de nota 'Tussen Spoor en Eem', waarin de gemeente aan- gaf op welke wijze zij met de industriële comple- xen in dit gebied wilde omgaan. Een viertal spre- kers was uitgenodigd hun visie op dit onderwerp te geven. Historicus Paul Brusse ging in op de vraag hoe de industrie zich in Amersfoort vanuit het verleden zich had ontwikkeld, Gerard Over- kamp (lid van een belangenorganisatie van bewo- ners en gebruikers) besteedde aandacht aan her- ontwikkelingen van fabriekscomplexen in Gouda, Chris Jagtman (commercieel directeur van AM- Wonen) hield een referaat over het Cobercoter- rein in Arnhem en de Enkafabriek in Ede en Arno Boon (Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed) ging in op de vraag hoe fabriekscomplexen kunnen worden herbestemd en welke kansen en bedreigingen daarmee verbonden waren. Dagvoorzitter en gemeentesecretaris Gerard de Kleijn leidde ver- volgens op inspirerende wijze de discussie tussen de aanwezigen in de zaal, de sprekers en de panel- leden Jan-Willem van Lieshout (Molenbeek 8c Partners, Bedrijfsmakelaars in Amersfoort) en Erik Meijer (hoofd directiesecretariaat ns). De slotconclusie was dat deze middag de kansen voor |
||||||||
behoud van een aantal industriële complexen in
Amersfoort waren toegenomen. Onderhoud en Beheer
Voorde instandhouding van speciale categorieën
rijksmonumenten hanteert het rijk een onder- houds-subsidieregeling. Dit betreft ondermeer de kerken, molens, hofjes en landhuizen. Ook in Amersfoort maken diverse kerken en
ook het hofje Armen de Poth, dankbaar gebruik van deze regeling. Op basis van een 10-jarig onderhoudsplan worden aan deze gebouwen jaar- lijks onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd. In het komende jaar wordt de regelgeving ten
aanzien van de restauratie- en onderhoudssubsi- dies gewijzigd. Voor alle categorieën rijksmonu- menten is deze nieuwe regeling vooral gericht op instandhouding van de monumentale objecten. Een verschuiving van grootschalige restauraties naar periodiek herstel wordt daarmee nagestreefd. Open Monumentendag 2005
De ige editie van dit succesvolle evenement stond
dit jaar in het teken van 'religieus erfgoed'. Amers- foort greep dit thema met beide handen aan door een inventarisatie van alle religieuze gebouwen binnen de gemeentegrenzen te maken. Maar liefst 89 panden, daterend vanaf de i2e tot aan de 2ie eeuw zijn door fotograaf Tjeerd Jansen prachtig in beeld gebracht. Dit overzicht kreeg een plaats in het speciaal voor deze open monumentendag uitgebrachte nummervan het Amersfoort magazine met als titel 'Kerken, kloosters en kapellen in Amersfoort'. Inhoudelijke artikelen over de 'Reformatie in Amersfoort', 'de Amers- foortse Synagoge' en 'Van schuilkerk tot water- staatskerk avant la lettre'gaven de bezoekers van deze dag de nodige achtergrondinformatie. Voor het eerst waren de synagoge en de joodse be- graafplaats een deel van de dag voor publiek ge- opend. Hiervan werd zo veel gebruikgemaakt, dat aan het eind van de middag zelfs een groot aantal |
||||||||
JAAROVERZICHT MONUMENTENZORG 2OO5 -|6<;
|
||||||||||
zen in de binnenstad, die in oorsprong allen uit de
(late) middeleeuwen dateren. Met name het dendrochronologisch onderzoek (dendro: boom, chronologie: tijdrekenkunde) speelde bij dit onderzoek een belangrijke rol. Dankzij deze tech- niek is duidelijk geworden dat de huizen in de stad, vaak ouder zijn dan gedacht. Zo dateren de huizen Krommestraat 20 en Langestraat 9 uit de I4e eeuw. Het muurhuisTinnenburg, Muurhuizen 25 en Hof 39, zijn beide ise-eeuws, maar het muur- werk van beide panden is in oorsprong zelfs i3e- eeuws. Het boek opent met een hoofdstuk over het ontstaan en de ontwikkeling van Amersfoort en de huizen die uit archeologisch onderzoek bekend zijn. Dat het niet vanzelfsprekend is dat Amersfoort nog zoveel middeleeuwse huizen telt, blijkt in het afsluitende hoofdstuk over de ge- schiedenis van de monumentenzorg in de stad. Perioden van hoop en vrees wisselen elkaar lang af totdat in de late jaren zeventig krachtig wordt ingezet op behoud van de huizen in de historische binnenstad. Het boek verscheen op de jaarlijkse studiedag
van de Stichting Bouwhistorie Nederland, die op 24 september 2005 in Amersfoort plaatsvond. Voor het einde van het jaar was het boek uitver- kocht, waarop werd besloten tot een tweede druk. Restauraties
ACHTER DE ARNHEMSE POORTWAL 3-5
— Dit pand bestaat uit een winkel/woonhuis op
de hoek met de Arnhemsestraat, dat omstreeks 1900 werd gebouwd (nr. 3) en een erachter gele- gen deel dat nog uit de vroege ve eeuw dateert (nr. 5). In 2005 is het interieur deels vernieuwd en het dak en de buitengevels van nr. 5 zorgvuldig gerestaureerd. De vroegi7e-eeuwse kopgevel is uitgevoerd als een zogenaamde golfgevel, ook wel Gelderse gevel genoemd, een betrekkelijk zeld- zaam geveltype in Amersfoort. Een mooi voor- beeld van zo'n gevel elders in de stad is de voor- gevel van het huis Bloemendalsestraat37. |
||||||||||
Het speciaal voor de Open Monumentendag
2005 uitgegeven nummer van het Amersfoort magazine stond geheel in het teken van het religieus erfgoed. Op de omslag de Sint-Rochuskapel, deel uitmakend van de Stichting De Armen de Poth. |
||||||||||
bezoekers teleurgesteld moest worden. De com-
binatie met de Dag van de Amateurkunst bleek opnieuw een succesformule, waardoor het bezoe- kersaantal de cijfers van de voorgaande jaren ruim overtrof. Publicaties
Middeleeuwse huizen in Amersfoort, Auteurs:
Albert van Engelenhoven en Francien Snieder, Uitgeverij thoth, Bussum. (n.b. lees ook de recensie elders in dit jaarboek) De interessante en soms spectaculaire uit-
komsten van het bouwhistorisch onderzoek dat in de periode 2002-2005 door Albert van Engelen- hoven in de stad werd uitgevoerd, was de aanlei- ding tot het publiceren van dit boek. Het is de weerslag van het onderzoek naar een tiental hui- |
||||||||||
L
|
||||||||||
+
|
|||
JAAROVERZICHT MONUMENTENZORG 2OO5 1Ö7
|
|||||||||||
Tijdens de restauratie heeft dit rijksmonu-
ment de voor de Neorenaissancestijl zo kenmerkende luiken terug gekregen. |
|||||||||||
Pagina 166
Een fraai gerestaureerde piron siert
weer de daken van het Sint Pieters- en Bloklands Gasthuis. |
|||||||||||
medemensen. Aanvankelijk werden in het gast-
huis alleen zieken verpleegd. Later bood het ook onderdak aan bejaarden en proveniers (burgers die zich in het gasthuis inkochten om verzekerd te zijn van een verzorgde oude dag). Bij de bestaande kapel ontstond een mannen-
en een vrouwenafdeling. In 1804 werd het Sint Pietersgasthuis samen-
gevoegd met het gasthuis uit de Langestraat, dat |
|||||||||||
ACHTER DAVIDSHOF 1, SINT PIETERS-
EN BLOKLANDS GASTHUIS — Het Sint Pietersgasthuis ontstond aan het einde van de i4e
eeuw, op het nog niet ommuurde grondgebied tussen de Koppelpoort en het Observanten- klooster. Onder invloed van Geert Grote, stichter van
de Moderne Devotie, ging men zich in die periode meer richten op de zorg voor in nood verkerende |
|||||||||||
l68 MAXCRAMER, ALBERTVAN ENGELENHOVEN, SANDRA HOVENS ENJAAPVERNHOUT
|
|||||||
De leibedekking van kappen, torens en dakka-
pellen werd eveneens vernieuwd. Glas-in-loodra- men werden hersteld of teruggebracht. Ook de kapconstructie werd onder handen
genomen om de stabiliteit van de hoogopgaande daken te waarborgen. De restauratie werd uitgevoerd door Bouw-
bed rijf Van Hoogevest. Het meest in het oog springende onderdeel
van het werk was het terugbrengen van de raam- luiken in de voorgevel. Deze luiken, met de voor de neorenaissancestijl zo kenmerkende rode 'zandlopers', kreeg het gebouw weer de kleurrijke uitstraling die het in oorsprong had. Een verrijking van het stadsbeeld op deze plek. De Stichting Sint Pieters- en Bloklandsgast-
huis heeft daarmee weer getoond dat zij een bij- zondere eigenaar en gebouwenbeheerder is, die bijdraagt aan het instandhouden en zelfs verbete- ren van de historische kwaliteiten van de stad. Op 27 oktober 2005 kon de restauratie worden
afgerond. Wethouder Monumentenzorg P. Jonk- man, en dhr. Elion, voorzitter van de Stichting Sint Pieters- en Bloklands Gasthuis voltooiden het werk door de plaatsing van de twee nog ontbre- kende pirons op de torens van het hoofdgebouw. breestra AT 52 — Dit huis behoort tot de
ring van muurhuizen ter plaatse van de eerste stadsmuur van de stad. Bouwhistorisch onder- zoek bracht het bouwjaar aan het licht, dit is omstreeks 1550. In 1979 is het huis volledig gerestaureerd.
Op de eerste verdiepingen de zolder is dit jaar
een nieuwe woning ingericht, JACOB CATSLAAN 26, RK SINT
ANSFRIDUSKERK — De neogotische St.
Ansfriduskerk werd gebouwd tussen 1914 en 1916, naar ontwerp van de kerkenbouwer W. ter Riele. De kerk, met de asymmetrisch geplaatste toren, vormtéén herkenningspunt voorde omgeving. |
|||||||
in 1573 was gesticht uit de nalatenschap van
Wouter van Blokland. Daarop ontstond de huidige naam van het complex: het gecombineerde Sint Pieters- en Bloklandsgasthuis. Het middeleeuwse gebouwencomplex dat in
de loop der jaren was ontstaan bevatte vele bij- zondere onderdelen. Zowel de kapel als gasthuis- zalen bevatten belangwekkende interieurs en vormden belangrijke schakels in het historisch stadsbeeld. Niet iedereen was hiervan echter onderde indruk. In 1904 liet één van de regentessen van het
gasthuis, mevr. Scheltus-Fenema, een aanzienlijk legaat na. Haar voorwaarde aan deze schenking was echter dat de oude gebouwen van het com- plex onmiddellijk werden gesloopt en plaats zou- den maken voor verfrissende nieuwbouw! Gelukkig was het rijk alert en maakte, in de
persoon van RijksbouwmeesterCuijpers, bezwaar tegen de afbraakplannen. Met succes, want in 1912 werden de kapel en mannenzaal gerestaureerd. Uniek is de mannengasthuiszaal met de nog authentieke bedsteden en betimmeringen. De overige delen van het complex werden wel
gesloopt en maakten plaats vooreen nieuwe hoofdgebouw in Neorenaissancestijl, naar ont- werp van architect Kroes. Door het behoud van de historische onderdelen werd dit nieuwe gebouw niet, zoals in de oorspronkelijke plannen bedoeld, georiënteerd op de Westsingel, maar op Achter Davidshof. Het hoofdgebouw werd in 2000 eveneens
aangewezen tot rijksmonument. De bouwkundige staat van het gebouw liet echter te wensen over. De Stichting St. Pieters- en Bloklands Gasthuis nam daarom het architectenbureau Van Hooge- vest in de arm om een restauratieplan voor te bereiden. De uitvoering vond plaats in 2005. Veel schade aan metselwerk en natuursteen in
de gevels werd hersteld. Het merendeel van deze schade was ontstaan door roestende verankeringen in het muurwerk, die eveneens werden vervangen. |
|||||||
JAAROVERZICHT MONUMENTENZORG 2O05 iÖQ
|
|||||||||||||||||
\
|
|||||||||||||||||
r
|
|||||||||||||||||
Interieur van de RK Sint Ansfriduskerk
na de restauratie, waarbij de gewelven |
|||||||||||||||||
in de oorspronkelijke kleurstelling zijn
hersteld. |
|||||||||||||||||
In het interieur is de basilicale opzet van de
kerk duidelijk zichtbaar. De wanden en gewelven waren oorspronkelijk licht van kleur. Op enkele plaatsen waren hierop schilderingen aangebracht. Later, vermoedelijk in de jaren '60, werd het gehe- le interieur donkerblauw geschilderd. Al gedurende een reeks van jaren worden aan
de kerk onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd op basis van het meerjarenplan 'Investeren in duurzaamheid'. In 2005 werd het interieur onder |
handen genomen. Het terugbrengen van de oor-
spronkelijke kleur op de wanden en gewelven vormde een ware metamorfose van de kerkruim- te. Ook decoratieve banden in metselwerk werden weer van hun ontsierende verflagen ontdaan, waardoor de gewelfconstructie weer duidelijk wordtgeaccentueerd. Wellicht zullen in een later stadium nog enkele van de decoratieve muurschil- deringen worden teruggebracht. |
||||||||||||||||
170 MA* CRAMER, ALBERT VAN ENG ELEN HOVEN, SANDRA HOVENS EN JAAP VERNHOUT
|
|||||||
van het 'Hollands Classicisme'.
De panden werden enige tijd geleden eigen-
dom van de Amersfoortse N.V. Stadsherstel. Stadsherstel investeerde het afgelopen jaar in de restauratie ervan: kappen, goten, lood- en zink- werk, kozijnen en overig timmerwerk werden grondig aangepakt. L angestraat 104 — Dit winkelpand is kort
na 1900 gebouwd. De voorgevel is uitgevoerd in een sobere variant van de Jugendstil. In later tijd is de gevel bovendaks om onduidelijke reden verwij- derd. Deze verminking is in 2005 teruggedraaid. Aan de hand van oude foto's kon de geveltop worden teruggebracht. Tevens is de oorspron- kelijk aanwezige gele okerkleur weer op de gevel aangebracht. langestraat 121 — Van het winkelpand
Langestraat 121 werden het afgelopen jaar de gevels hersteld. Het interieur werd grondigver- bouwd en opgeknapt. De eigenaar kon gelukkig worden overtuigd
van de historische waarde van de middeleeuwse gewelfkelder in het pand. Deze werd ingepast in het ontwerp, ondanks de niveauverschillen die dit opleverde in de winkel. Veel van dergelijke kelders in de Langestraat zijn in het verleden om deze reden verloren gegaan. leusderweg iio,
NIEUWEKERK — Regelmatig vielen er de afge-
lopen jaren leien van het dak van de Nieuwekerk aan de Leusderweg. Het gevaar dat dit opleverde was voor het kerkbestuur aanleiding om met spoed herstelplannen te maken. Nader onderzoek wees uit dat de Noorse leien
zelf nog in goede staat verkeerden. De bevestigin- gen echter waren van slechte kwaliteit. Ook het aansluitende loodwerk was aan vervanging toe. Het afgelopen jaar werd het dak daarom verdekt: de bestaande leien werden opnieuw aangebracht. |
|||||||
kamp 6 — Kamp 6 wisselde in 2005 van eige-
naar. Achter de rijke i9e-eeuwse gevel gaat een bijzonder interieur schuil, met ondermeer fraaie betimmeringen, bewerkte stucplafonds en een bijzondere kap met gebogen spanten. Achterstallig onderhoud maakte een restaura-
tie van zowel kap, gevels en interieur noodzakelijk. Tegelijkertijd werd het pand uitgebreid en ver-
bouwd tot kantoorpand voorde nieuwe eigenaar: makelaarshuis De Ruiter. KAMP 10 — De bovenverdieping en kap van het
pand 'd'gekroonde bye-korf' aan de Kamp werd in de afgelopen jaren verbouwd en hersteld tot een fraaie bovenwoning. Kapconstructies, balklagen, vloeren, ramen en kozijnen werden daarbij gron- dig hersteld. KORTEGRACHT 25 — De percelen tussen de
Kortegracht, de Drieringensteeg en de Muurhuizen behoren van oudsher tot het synagogecomplex. In 172.5 kocht de Joodse gemeente het stuk
braakliggende grond van de dames Van Draken- burgh,'de Jufferen'genaamd. Daaraan dankt deze plek in de stad nog steeds de benaming'het Jufferen gat'. Hier bouwde de Joodse gemeente twee karak-
teristieke i8e-eeuwse huizen, met daartussen een tuinmuur met ingangspartij. De slechte bouwkundige staat van het hoek-
pand op nummer 25 was het afgelopen jaar aanlei- dingtot een restauratie van de kap,goten, betim- meringen en het metsel-, pleister- en voegwerk van de gevels. KROMMESTRAAT 36-4O, DE KROON —
In de panden van'Dille en Kamille'was in het ver-
leden brouwerij 'de Kroon' gevestigd. In de ve eeuw waren in Amersfoort 350 brouwerijen gevestigd. In die periode kreeg het pand aan de Krommestraat ook haar huidige verschijnings- vorm, met de karakteristieke halsgevel in de stijl |
|||||||
JAAROVERZICHT MONUMENTENZORG 2005 171
|
|||||||||||
In het dakvlak werden ladder- en klimhaken aan-
gebracht om reparaties en inspecties in de toe- komst mogelijk te maken. MUURHUIZEN 19, BOLLENBURG — Het
huis Bollenburg kreeg in 2004 een nieuwe eige-
naar. Het monumentale Muurhuis, vooral bekend als 'het huis van Johan van Oldenbarneveldt', werd in het afgelopen jaar verbouwd. De nieuwe ele- menten werden respectvol ingepast in het histori- sche interieur. MUURHUIZEN 80-84 — Ook de reeds eer-
der beschreven restauratie van de pakhuizen Muurhuizen 80-84 kon in 2005 worden afgerond. De restauratie van deze twee bouwvallige pakhui- zen en de verbouwing ervan tot 3 riante stads- woningen, vormde een ware metamorfose van dezegevelwand. PLANTSOEN - NOORD 2,
volmolen — In het plantsoen, gebouwd
tegen de koppelpoort, bevindt zich de Volmolen. Dit 'industriegebouw' werd in de ve eeuw gebouwd voor de lakenproductie. In het interieur bevond zich een werktuig om geweven wol te ver- vilten, met behulpvan zand, kokend wateren urine. Het mechaniek werd aangedreven door waterkracht, waarbij dankbaar gebruik werd gemaakt van het verval in de beek op deze plek. |
|||||||||||
De met zorg gerestaureerde Jugendstil-gevel
van Langestraat 104 |
|||||||||||
het Waterschap Vallei en Eem zijn vervolgens
plannen ontwikkeld om dit beeldbepalende object te restaureren. Een artikel in het december- nummer van de kroniek, waarin op de ont- staansgeschiedenis en de werking van de stuw werd ingegaan, had tot doel de interesse van alle betrokken partijen te wekken, waardoor draagvlak voor herstel kon worden vergroot. Daarnaast werd het artikel toegezonden aan een groot aantal monumentengemeenten in het land met als toe- gevoegde vragen of men ervaring had met de res- |
|||||||||||
PLANTSOEN NOORD BIJ 2,
Stoneystuw — In augustus 2000 werd de
stuw in de Beek door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen als rijksmonument. Het betreft hier een, oor- spronkelijk door de Britse ingenieur F.C.M. Stoney (1837-1897) ontworpen, constructie waarmee de waterstanden in de Beek op ingenieuze kunnen worden geregeld. Door technische aanpassingen was dit industriële monument echter zijn beeld- bepalende windwerk kwijt geraakt. In overleg met |
|||||||||||
172 MAX CRAMER, ALBE RT VAN ENCELENH OVEN, SANDRA H OVENS EN JAAP VERNHOUT
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
/ hensljlli-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jleemraadscnap gsJL/smt
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
J£i
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
aniiiejB SI
|
onensmis
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
"AeïJj
|
■ouwen, van een
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
//nnrsneas
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-AsnzjaAu
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-Acnier aanzicnz,
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-JJsJ\£m.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bouwtekening van de dubbele Stoney-schuif
uit 1909. De stuw werd gebouwd door de Hilversumse firma Ensink. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
tauraties van dit soort objecten en of er wellicht
nog ergens oude onderdelen van het raderwerk voorhanden waren. Op de eerste vraag heeft het gemeentelijk bureau Monumentenzorg een groot aantal positieve reacties ontvangen, echter de gouden tip voor het hergebruik van oorspronkelij- ke onderdelen is jammer genoeg nog niet binnen- gekomen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
PLANTSOEN - ZUID,
monnikendam — De waterpoort Mon-
nikendam maakte in oorsprong deel uit van de tweede stadsmuur rond Amersfoort, gebouwd tussen 1380 en 1450. Toen de stadsmuren in de ige eeuw werden
gesloopt, om plaats te maken voor een plantsoen rond de stad, werd de waterpoort gespaard en ingepast in deze plannen. Diverse gebruikers van de ruimtes in de poort wisselden eikaarde afge- |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
JAAROVERZICHT MONUMENTENZORG 2OO5 173
|
|||||||||
Bergkwartier, diverse monumentale huizen
met name aan de Johan van Oldenbarneveltlaan, Regentesselaan en het Frisia-complex, rond de Borgesiuslaan. Hooglandseweg-Zuid 26, aan het laatige- eeuwse huis werd een reconstructie van de oorspronkelijke fraai bewerkte makelaar in de top van de voorgevel herplaatst. Juliana van Stolbergkazerne, enkele woningen in dit voormalige kazernecomplex. Kamp 44, gevels en geveltimmerwerk. Kamp 73, gevels en geveltimmerwerk. Kamp 75, gevels en geveltimmerwerk. Kamperbinnenpoort 2, interne wijzigingen in winkel en woonhuis. Lavendelstraat 2, op dit rijksmonument werd
een dakkapel geplaatst. Utrechtsestraat 25, de fraaie glas-in-lood ven- sters in het trappenhuis van v&d. VanTuyllstraat27, aan de pastorie van de rk Sintjosephkerk in Hooglanderveen vonden reparaties van het dak plaats. Diverse kappen in de stad werden voorzien van ladderhaken. Dit om de instandhouding van de monumenten te waarborgen. De Monumentenwacht kan d.m.v. deze voorzie- ningen inspecties uitvoeren aan kappen en goten en ook nood reparaties verrichten. |
|||||||||
lopen decennia af. Steeds bleek de ruimte in het
voormalige verdedigingswerk te beperkt, en van- wege de afmetingen zelfs niet meer te voldoen aan de aangescherpte horeca-normen. Omdat een goede functie een belangrijke meerwaarde geeft aan een monument, maakte het Architec- tenbureau Pouwen Dillen een inventief ontwerp vooreen uitbreidingvan het gebouw, onder het aansluitende talud. In het afgelopen jaar werd deze uitbreiding gerealiseerd ten behoeve van het restaurant 'de Monnikendam'. STADSRING 248-250 — Dit dubbele heren-
huis is omstreeks 1900 gebouwd. Hoewel de hoge trapgevel in neorenaissancestijl grote overeen- komsten vertoont met het door H. Kroes in 1898 ontworpen museumgebouw voor Flehite aan de Westsingel, zijn er geen aanwijzigen dat hij als architect verantwoordelijk is voor het ontwerp van dit huis. In verslagjaar is het huis van binnen en van buiten hersteld en geschikt gemaakt voor gebruik door een advocatenkantoor. 'T ZAND 37, SINT AEGTENKAPEL — De
restauratie van de Sint Aegtenkapel, die in het
vorige jaarboek al gedeeltelijk aan bod kwam, kon in 2005 worden afgerond. Op 10 februari 2005 werd het'hoogste punt'van de werkzaamheden bereikt met de voltooiing van het herstel van het torentje. Wethouder Monumentenzorg P. Jonk- man bekroonde het werk met het terugplaatsen van de opnieuw vergulde torenhaan. Na afloop van het voorstellingenseizoen in de
kapel kon in de zomer worden gestart met het interieur. Met name de inpassing van de nieuwe elektra- en beveiligingsinstallaties vroegen de nodige inventiviteit van aannemer en installateur. Restauraties, partieel
Van diverse Amersfoortse monumenten werden
specifieke onderdelen gerestaureerd zoals onder- meer: |
|||||||||
Wethouder P. Jonkman
plaatst de torenhaan terug op St. Aegtenkapel. |
|||||||||
MAARTEN VAN DIJK, RON A. HULST, FRANCIEN SNIEDER,
MILO VERHAMME, MATTIJS WIJKER Jaaroverzicht
Archeologie |
|||||
9,
|
|||||
JAAROVERZICHT ARCHEOLOGIE 2005 I75
|
|||||||||
Het jaar 2005 kenmerkte zich door veel grootschalige
opgravingen binnen de Amersfoortse gemeentegrenzen. Om al het onderzoek te kunnen uitvoeren, waren naast de vaste groep archeologen in dienst bij de gemeente Amers- foort en de grote groep vrijwilligers, drie archeologen op detacheringsbasis bij de sectie archeologie werkzaam. De opgravingen in het gebied de Wieken-Vinkenhoef
zijn voortgezet, er waren verschillende opgravingen in de binnenstad en een verkennend onderzoek bij kasteel Stoutenburg. |
|||||||||
Wederom De Wieken
Evenals vorige jaren is op het bedrijventerrein
De Wieken, waar tbv natuurontwikkeling in een brede strook langs de Barneveldsche Beek ook grondverzet plaatsvindt, in 2005 ook weer enkele maanden gegraven. Aan de noordzijde van de Hogeweg, bij woon-
huis en bedrijf van Besseling, was door aftopping en ploegen het prehistorisch niveau vooreen groot deel verdwenen. Gelukkig konden nog de onderkanten van veel paalsporen worden gedocu- menteerd. De paalsporen kwamen in drie clusters voor. In het midden lagen de sporen van een huis- plattegrond met een dubbele paalzetting in de wanden. Deze prehistorische boerderij kon slechts voor de helft worden vrijgelegd; de rest ligt (of is reeds verdwenen) onderde tuin van het woonhuis. De boerderij was noordwest-zuidoost georiënteerd. Ten noorden van de boerderij bevonden zich de paalsporen van drie kleinere structuren. Deze bestonden elk uit vier paalspo- ren in een vierkant geplaatst. Het zijn de resten van spiekers, die bedoeld waren voor de opslag |
|||||||||
van bijvoorbeeld landbouwgewassen.
Zuidoostelijk van de boerderij zijn de paalsporen van negen spiekers aangesneden. De drie concen- traties van paalsporen vormden samen (een deel van) een boerenerf waarbij niet alle spiekers gelijktijdig waren, want in tenminste één geval oversneden de sporen van een spieker de sporen van een tweede. In de paalsporen zijn aardewerk- scherven gevonden die aangeven dat de boerderij met de bijgebouwen uit de Late Ijzertijd (ca. 250 v. Chr.-ca. o) dateren. Het tweede onderzoek werd uitgevoerd op de
kop van perceel 326 aan de zuidkant van de Hoge- weg. Een oude kadasterkaart (Slits, gemeente Amersfoort, sectie A, eerste blad, 1832) deed ver- moeden dat hier een tabaksschuur heeft gestaan. De aangetroffen sporen wezen uit dat er inder- daad in de i8e en io,e eeuw een kleine tabaksplan- tage heeft gelegen met in de onmiddellijke nabij- heid een tabaksschuur. De plantage bestond uit ongeveer 11 meter lange tabaksbedden die naast elkaar lagen. Ze waren duidelijk te herkennen aan de spitsporen in de ondergrond. Helaas hebben |
|||||||||
Wieken-Vinken-
hoef, overzicht van de opgegraven Ijzertijd-erven. |
||||||
Wieken-Vinken-
hoef, opgraving van huisplatte- grond uit de Ijzertijd aan de Hogeweg. |
||||||
JAAROVERZICHT ARCHEOLOGIE 2005 177
|
|||||||
deze bedden andere sporen ernstig verstoord.
Ten zuiden van de bedden en tussen en ook
onder de bedden zijn paalsporen met scherven uit de Ijzertijd teruggevonden: de resten van een boerderij met een drietal spiekers en een aantal afvalkuilen, een boerenerf uit de Late Ijzertijd. Op basis van de min of meer regelmatige ver-
spreidingvan de erven uit de Late Ijzertijd in het gebied Wieken-Vinkenhoef, werd op het perceel 326 nog een erf vermoed. Ten noorden van de oude Horstwetering is dit erf teruggevonden. Het gaat om één van de grootste erven die in de omgeving is opgegraven. Het bestond uit de spo- ren van twee grote gebouwen (boerderij en bij- gebouw ?) en van zestien spiekers. In het westen werd het erf verstoord door de sloot van perceel 326, waardoor de plattegrond van een groot gebouw niet compleet is. Helaas was het andere grote gebouw eveneens vergraven door een dicht- gegooide sub-recente sloot. Uit een afvalkuil en de paalsporen van de houten structuren is aarde- werk uit de Late Ijzertijd afkomstig. Tot dusver zijn tijdens opgravingen in het
gebied Wieken-Vinkenhoef de resten gevonden van tenminste veertien boerenerven uit de Late Ijzertijd. Verspreid aangetroffen paalsporen van spiekers doen vermoeden dat er ooit nog meer erven zijn geweest. Hooiberg aan de Oliesteeg
Na de sloop van drie schuren ten behoeve van
nieuwbouw op het perceel Oliesteeg 11-15 werd een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het ter- rein bevindt zich binnen de tweede stadsmuur, waarvan de bouw in dit gedeelte van de stad om- streeks 1380 begon. Onder een dik ophogingspakket met puin
bevond zich een laag waarin zich grote paalsporen en een kringgreppel aftekenden. Het toont aan dat op het terrein een spieker (voorraadschuur) of hooiberg met een diameter van ca. 9 meter heeft gestaan. Het aardewerk dat in deze sporen wijst |
|||||||
op een I5e/i6e eeuwse datering van de structuur.
Nadat de hooiberg buiten gebruik is geraakt, zijn hier runderen, een paard en een varken begraven. Ze waren met de poten omhoog in grote kuilen gelegd; waarschijnlijk betreft het dieren die ten- gevolge van een ziekte waren overleden. In de noordoosthoek van het opgravingster-
rein is een waterput aangesneden, waarvan nog de rechthoekige houten bekisting met daar bin- nen een houten ton restte. Boven de 60 cm dikke laag bevond zich een puinig pakket, dat op een- zelfde niveau lag als de onderkant van een funde- ringsrestant. Een fundering, op kleine afstand en evenwijdig aan de straatzijde (westzijde van het terrein), opgebouwd uit breukstenen, duidt op bebouwing in de ve en i8e eeuw, dat later (waar- schijnlijk in dei9e eeuw), op de fundering van de straatgevel na, rigoureus is afgebroken. Vlak onder het maaiveld kwamen achttien
bakstenen poeren tevoorschijn, samen met twee noord-zuid lopende muren. Op de poeren hebben de stijlen van een gebouw gestaan dat volgens de vondsten in de bouwinsteken en onderde poeren uit de i9e eeuw stamde. De meeste van deze poe- ren deden dienst als funderingen voorde-weer latere-grote schuren die voorafgaande aan de opgraving zijn gesloopt. In een aantal van de poe- ren waren bewerkte zandstenen raamlijsten verwerkt, die uit de i6e eeuw dateren en als sloop- afval zijn hergebruikt. ize-eeuwse akkerlaag onder
Lieve Vrouwekerkhof 2a In januari 2005 werd bij verbouwingswerkzaam-
heden in café Marktzicht, aan het Lieve Vrouwe- kerkhof, een deel van een kelder weggebroken. De sectie archeologie heeft van deze werkzaam- heden gebruikgemaakt om twee profielen en funderingen en muurwerk te documenteren. De oudste sporen van menselijke activiteit
bestonden uit een akkerlaag en een greppel. Hoewel hierin geen vondsten zijn gedaan, kon de |
|||||||
I78 MAARTEN VAN DIJK, RON A. HULST, FRANCIEN SNIEDER, MILO VERHAMME, MATTIJS WIJKER
|
|||||||||
Oliesteeg, opgraving met poeren van
grote ige-eeuwse schuur. |
|||||||||
ouderdom van deze sporen worden vastgesteld.
Deze akkerlaag komt overeen met die bij archeo- logisch onderzoek op het Lieve Vrouwekerkhof in 1986, samen met sporen van een boerderij, aangetroffen zijn en die stammen uit de i2e eeuw. In het profiel was duidelijk zichtbaar dat het
akkerland in gebruik kwam als woongebied; een serie van leemvloertjes, behorend bij houten woonhuizen, tekende zich af bovenop de akker- laag. Regelmatig zijn nieuwe leemvloertjes aan- gelegd, als de oude verzakt of versleten was. Ter |
versteviging werd tussen de oude vloeren de
nieuwe een laag grond opgebracht. Uit deze ophogingslaagjes is aardewerk uit de i3e en i4e eeuw afkomstig. In de i5e eeuw werd het houten huis vervan-
gen door een bakstenen opvolger; de voorgevel van het huidige pand rust nog op de funderingen van dit huis. Oude loop van de Eem
In opdracht van de gemeente vond een onderzoek
plaats naarde staat van de fundering van de bak- |
||||||||
JAAROVERZICHT ARCHEOLOGIE 2005 17Q
|
|||||||||||
Archeologen onder het pand Lieve-
Vrouwekerkhof 2a, bezig met opmeten van het muurwerk. |
|||||||||||
stenen keermuur die de grond van het plantsoen
achter de St. Aegtenkapel en de panden 't Zand 29 t/m 41 op zijn plaats houdt. Het grondwerk is begeleid door de sectie archeologie, waarbij de mogelijkheid werd aangegrepen twee grondbo- ringen te doen, met als doel de loop van de Oude Eem op te sporen. Een eerste boring werd gedaan in het oosten
van het terrein, achter de St. Franciscus Xaverius- kerk. Onder een pakket met veel puin werd een kleilaagje van ca 20 cm aangetroffen, direct op het natuurlijke zand. Deze kleilaag is vermoedelijk |
|||||||||||
ontstaan door overstromingen van de Oude Eem.
De tweede boring vond plaats naast de plek
waar tot in de twintigste eeuw een waterloopje stroomde, het zogenaamde kanaal van Codde, vernoemd naarde lakenhandelaar Marten Codde die in de ve eeuw op het terrein van het voormali- ge St. Agathaklooster een lakenfabriek had. Het waterloopje hield mogelijk verband met de fabriek. Hier werd een andere bodemopbouw aan- getroffen. Onder hetzelfde pakket met puin werd een kleipakket van 20 cm dik aangetroffen met daaronder een 35 cm dikke veenlaag. Naar alle |
|||||||||||
l80 MAARTEN VAN DIJK, RON A. HULST, FRANCIEN SNIEDER, MILO VERHAMME, MATTIJS WIJKER
|
|||||||
waarschijnlijkheid is hier de oostoever van de
Oude Eem aangetroffen. Het kanaaltje van Codde was dus niet de eerste waterloop op deze plek en is waarschijnlijk uitgegraven in de reeds verzand- de en dichtgegooide Eemloop. Putten Achter de Arnhemse
Poortwal Achter de Arnhemse Poortwal is een gebied dat
wordt omsloten door de bebouwing van de Utrechtse- en de Arnhemsestraat en de Stadsring. De Arnhemse Poort (oorspronkelijk Slijkpoort genaamd) bevond zich daar waar de Arnhemse- straat (vroeger Slijkstraat geheten) de stadsmuur kruiste. Aan de binnenzijde van de stadsmuur was ter versterking een aarden wal opgeworpen, van- daar waarschijnlijk'poortiW. Na sloop van enkele (winkel)panden en voor-
afgaand aan nieuwbouw, heeft de sectie Archeo- logie in de zomer van 2005 hier een onderzoek gedaan. Naast sporen van bewoning (paalsporen van boerderijen) zijn vooral veel putten en kuilen met afval gevonden. Het vroegste bewijs van menselijke activiteit,
dat bij deze opgraving werd gevonden, is een akkerlaag die in de i3e en i4e eeuw ontstaan moet zijn. Ook sloten en greppels duiden erop dat vanaf de i3e eeuw mensen in dit gebied actief zijn ge- weest. Het akkerland was van boeren die in de directe omgeving hun bedrijf hadden. Heel dicht- bij zelfs: want toen de sectie archeologie in 2000, voorafgaand aan de bouw van het winkelcentrum Amicitia, archeologisch onderzoek uitvoerde, zijn de resten van twee boerderijen uit de i4e eeuw gevonden, (ziejaarboek flehite 2000.) Ook in het gebied Achter de Arnhemse Poortwal, dat in 2005 is onderzocht, zijn paalgaten van boerde- rijen uit de ^4e /ise eeuw gevonden; hiervan kon echter geen complete huisplattegrond worden gereconstrueerd. De paalsporen bevonden zich wel op regelmatige afstand van elkaar (ca. 2.75 meter) en lagen in lijn. De richting hiervan |
|||||||
^^ i
Archeologisch onderzoek Achter de
Arnhemse Poortwal. spreekt vooreen boerderij die loodrecht op de
Arnhemsestraat stond. In de eerste helft van dei5e eeuw is het gebied
van de Arnhemse Poortwal en omgeving binnen destadsmuurgekomen, het is mogelijk dat toen de boerderijen hier langzaamaan verdwenen. Archeologisch onderzoek heeft in dit gedeelte van de stad niet alleen boerderijen ter plaatse van Amicitia aangetoond, maar er werden ook over- blijfselen van boerderijen gevonden aan de Utrechtsestraat (waar nu de ingang naar de Jorisdriehoek is) en op de Varkensmarkt, waar |
|||||||
l8l
|
|||||||||||||
JAAROVERZICHT ARCHEOLOGIE 2005
|
|||||||||||||
Meursingterrein aan het Smallepad,
vlak met paalgaten van boerderijen en |
|||||||||||||
grondverbeteringssporen (donkere
banen in het gele zand). |
|||||||||||||
Utrechtse- en Arnhemsestraat beginnen.
Geleidelijk aan hebben de boerderijen plaats
moeten maken voor de stedelijke bebouwing; hoe snel het proces zich in dit gedeelte van de stad heeft voltrokken is nog niet helemaal duidelijk, maar tegen de tijd dat de tweede stadsmuur aan deze zijde was voltooid -omstreeks 1450-, zullen de meeste boeren toch wel zijn vertrokken en maakten de boerderijen plaats voor stadse huizen. Het opgravingsterrein bevond zich achter de
huizen, die-waarschijnlijk vanaf de i5e eeuw- aan de Arnhemsestraat (toen Slijkstraat ge- |
|||||||||||||
noemd) verrezen. De resten die bij het archeolo-
gisch onderzoek zijn aangetroffen getuigen hier ook van: vier waterputten en vele afvalkuilen uit verschillende perioden waren hier in de bodem gegraven. De bodem bestond overigens uit het oorspronkelijke dekzand, daarboven de akkerlaag uit de i3e /i4e eeuw en daarop weer een dik opho- gingspakket van bijna twee meter. Zo'n ophoging kan zich in één keer hebben voltrokken, maar kan ook ontstaan zijn door een proces van eeuwen langgrond opbrengen. Een van de waterputten bevatte, opmerkelijk
|
|||||||||||||
182 MAARTEN VAN DIJK, RON A. HULST, FRANCIEN SNIEDER, MILO VERHAMME, MATTIJS WIJKER
|
|||||||
genoeg, heel veel aardewerkscherven en beer. Dit
is echter minder vreemd en zeldzaam dan het lijkt, want niet langer in gebruik zijnde waterput- ten werden wel vaker met de inhoud van elders leeggehaalde beerputten gevuld. De waterput had een bakstenen bovenkant en een houten ton eronder die, doordat hij onder het grondwaterni- veau was ingegraven, goed geconserveerd was. Het aardewerk in de ton stamt uit de ve eeuw, waaronder een puntgave pispot, en bijvoorbeeld (iets minder complete) majolica borden. Ook een kleipijp met steel en vele fragmenten van drink- glazen bevonden zich in de ton. De meest specta- culaire vondst hierin is echterwel een grootaantal glazen kralen, waarvan de rijgdraad zelfs bewaard is gebleven. Het Meursingterrein aan het
Smallepad Tussen november 2005 en januari 2006 heeft de
sectie archeologie op het terrein van de voormali- ge Meursingfabriek, gelegen aan het Smallepad, een archeologisch (hoofd)onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek volgde op een vooronderzoek dat in oktober 2005 had plaatsgevonden. Aanleiding voor het onderzoek was de bouw van het nieuwe racm gebouw (Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten), door de Rijksgebouwendienst. Het terrein ligt tegen de middeleeuwse stad aan, net buiten de tweede stadsmuur en op een steenworp afstand van de Koppelpoort. Ondanks de bouw van de tge- en 20e eeuwse Meursingfabriek bleek de ondergrond in minder sterke mate te zijn verstoord dan ver- wacht: tussen en onder de (recente) verstoringen waren diverse archeologische sporen en vondsten bewaard gebleven. De oudste sporen en vondsten dateren uit de
Late Middeleeuwen: drie (gedeeltes van) bootvor- mige boerderijplattegronden en een vijf-palige spieker. Tijdens de bouw dan wel sloop van de Meursingfabriek zal een groot aantal sporen zijn |
verdwenen. De boerderijen hadden alle drie een
zw-no oriëntatie en waren minimaal 6,5 meter breed. De oorspronkelijke lengte kon bij geen van de boerderijen worden achterhaald, maar één boerderij had een lengte van minstens 25 meter. Aan de noordzijde van één van de boerderijen is een deel van een erfgreppel gevonden. De vijf-pali- ge spieker stamt uit dezelfde periode als de boer- derijen, maar tot welk erf de spieker heeft behoord is niet duidelijk. Uit de aardewerkvondsten blijkt dat de paalkuilen van de boerderijen eind i2e / begin i3e eeuw zijn dichtgemaakt. Uitgaande van een levensduur van een houten huis van ongeveer 25 jaar, zullen de boerderijen vanaf de tweede helft i2e eeuw bewoond zijn geweest. In het westelijk deel van het terrein is, even-
wijdig aan het Smallepad, een deel van een pad of weg aangetroffen. Tussen en parallel aan een tweetal sloten zijn verschillende karresporen aan- getroffen. De karresporen, herkenbaar als licht grijze langwerpige banen in het zand, lagen op een onderlinge afstand van ongeveer 1,35 meter. Uit de karresporen zelf komen geen vondsten, in de twee parallel lopende sloten is echter materiaal uit de 12e toti4e eeuw gevonden. De weg wordt aan de hand van deze vondsten in dezelfde perio- de gedateerd. In de daarop volgende eeuw(en) kende het
terrein een agrarisch gebruik. Over het gehele ter- rein zijn langgerekte stroken omgespitte grond (grondverbeteringssporen) aangetroffen. Het omspitten gebeurde om de grond te bemesten en dus vruchtbaarder te maken. Verschillende sloten zorgden in deze periode voorde ontwatering van het terrein. De sloten en grondverbeteringsspo- ren dateren uit de i3e en i4e eeuw. In het oostelijk deel van het opgravingsterrein,
richting Eem, bevonden zich enkele waterlopen. De oudste waterloop, die in de i3e eeuw is dicht- geslibt, had een no-zw oriëntering. Aan de nw zijde zijn de resten van houten beschoeiing aan- getroffen. In de daarop volgende fase is een water- |
||||||
JAAROVERZICHT ARCHEOLOGIE 2005 183
|
|||||||
loop met een een totaal andere oriëntering aange-
legd. Deze tweede, bredere, waterloop (minimaal 15 meter breed), is in de i3e eeuw aangelegd en doorsnijdt bovengenoemde waterloop. Haaks op de waterloop stond weer een andere loop (n -z). Beide waterlopen zullen een belangrijke functie hebben gehad bij de afwatering van Amersfoort en met name het gebied aan de noordwestzijde van de stad. Rond 1400 is de waterloop gedempt. Aangezien een relatief klein deel is opgegraven, is het vrij moeilijk meer uitsluitsel te geven omtrent de functie van de waterloop. Archeologisch gezien is er, wat betreft het
gebruik van het Meursingterrein, een hiaat tussen de i6e en de eerste helft van de i<5e eeuw. Dankzij kaarten en schilderijen is echter bekend dat het Meursingterrein in de i6e eeuw een functie had in de lakenindustrie, op bijvoorbeeld de stadsplatte- grond van Braun en Hogenberg (1588) zijn hier zogenaamde 'ramen' getekend. Vanaf de ije eeuw tot en met de eerste helft van de io.e eeuw is het gebied als bleekveld in gebruik. In 1866 wordt op het terrein de stoomweverij
van Bonnike gebouwd. Deze gaat vrij snel failliet en in 1885 koopt de Amsterdamse scheepsbouwer Meursing het gebouw om er een moderne brood- fabriek op stoomkracht in te richten. Van de fabriek zijn over het gehele terrein spo-
ren aangetroffen, deze zijn tijdens het onderzoek grotendeels (op een beerput en een houten afvoer na) buiten beschouwinggelaten. Kolenkelder onder Kleine Haag 1-3
Vanwege een nieuwe bestemming voor het pand
Kleine Haag 1-3, zijn in november 2005 sloopwerk- zaamheden op het terrein uitgevoerd. De sectie archeologie kreeg tijdens de sloopwerkzaamhe- den de gelegenheid het bodemarchief op deze plaats te onderzoeken. Al snel bleek dat het plan- gebied zwaar verstoord was door rioleringen, lei- dingen en funderingsmuren en -poeren van een oude uitbouw. |
|||||||
De enige aangetroffen archeologische sporen,
waren de restanten van een keldervloer. Het blootgelegde deel is ongeveer drie meter lang en één meter breed. De vloer bestaat uit een enkele laag hele en halve bakstenen. De stenen lijken wil- lekeurig gelegd, maar hun richting is-voorzover waarneembaar-wel parallel aan de Kleine Haag. De stenen vertonen aan de bovenzijde een roet- laag. Dit doet vermoeden dat het hier de restan- ten van een kolenkeldervloer betreft. De bakste- nen liggen op een donkergrijze laag zand, die hier ongeveer4.ocm dik is. In deze laag is ve /i8e eeuws aardewerk aangetroffen. Onder dit pakket bevindt zich het witgele jonge dekzand. Kasteelterrein Stoutenburg
Kasteel Stoutenburg ligt in het dal van de Barne-
veldsche Beek in de Gelderse Vallei. De huidige eigenaar, de Stichting Het Utrechts Landschap, heeft een inrichtingsplan 'Heerlijkheid Stouten- burg' ontwikkeld, dat onder meer tot doel heeft de historische waarden, zoals het stelsel van slot- grachten, van het middeleeuwse kasteel Stouten- burg terug te brengen. In opdracht van de Stich- ting is in december 2005 op het voormalige kas- teelterrein een inventariserend archeologisch onderzoek verricht door de sectie archeologie van de gemeente Amersfoort. In 1259 verkreeg Amersfoort stadsrechten van
de bisschop van Utrecht. Wouter van Amersfoort, tot dan de schout van de stad, bouwde in dezelfde tijd een kasteel opzijn eigen grondgebied. In het- zelfde jaar als de verlening van het stadsrecht schonk Wouter dit kasteel Stoutenburg aan de bis- schop van Utrecht. Op zijn beurt beleende de bis- schop Wouter met het kasteel onder voorwaarde dat het de status van open huis kreeg. Dit hield in dat de bisschop te allen tijde over het kasteel kon beschikken, bijvoorbeeld als bescherming tegen machtsvertoon van het graafschap Celre. Voorzover bekend is het kasteel nooit belegerd geweest, tot het in 1495 door Gelderse troepen |
|||||||
Pijlpunten (i4e-
eeuw) gevonden in de grachten van kasteel Stoutenburg. |
||||||||
werd ingenomen, geplunderd en in brand gesto-
ken. Uiteindelijk is het in de jaren 1542/43 gesloopt. Betrouwbare afbeeldingen van het laatmid-
deleeuwse kasteel zijn er niet. Op kaarten van de provincie Utrecht, die vervaardigd zijn rond 1580 en in 1616, wordt de locatie van kasteel Stouten- burg aangegeven. Op het kadastrale minuutplan uit 1832zijn de ronde binnengrachten een dubbe- le, ovaalvormige buitengracht rond het voormali- ge kasteelterrein ingetekend. Op dit plan staan |
ook een ve/i8e-eeuws landhuis met bijgebou-
wen en een plein. Dit huis is in 1861 afgebroken en vervangen dooreen kasteelachtig buitenhuis dat evenwel al na vijftien jaar weer werd afgebroken. In 1956 is de doorgaande weg, de Stouten-
burgerlaan, die eerst rond het kasteelterrein liep, verlegd naarde huidige ligging dwars over het kasteelterrein. Tijdens deze werkzaamheden is een kort archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij een doorsnede van de binnengracht en |
|||||||
JAAROVERZICHT ARCHEOLOGIE 2005 185
|
|||||||
De proefsleuven hebben de buitengrachten
aangesneden, zoals die zijn weergegeven op de kadastrale minuut uit 1832. De dubbele buiten- gracht met tussenliggende singel omvatte de hoofdburcht met binnengracht en de voorburcht in het westen. Op de singel bevond zich waar- schijnlijk een aarden verdedigingswal. Er is ook een gracht aangetroffen die rond de voorburcht liep en vermoedelijk verbonden was met deNbin- nengracht. In de vulling van deze voorburcht- gracht is veel kloostermoppenpuin gevonden, wat wijst op bebouwing op de voorburcht (poort of brugge hoofd?). Ten westen van de voorburcht (dus er buiten, maar binnen de buitengrachten) is een greppel met veel i3e eeuwse aardewerkscher- ven aangesneden. Het vondstmateriaal duidt op bewoning in de i3e eeuw of vroeger. Er zijn name- lijk scherven van kogelpotten en één Pingsdorf- scherf uit dei2e/vroegi3e eeuw gevonden. In de vullingen van de buitengrachten zijn vier
pijlpunten voor kruisbogen gevonden, samen met veel scherven van steengoed uit de i4e eeuw. Uit één van de grachten is een Overijsselse duit uit 1786 geborgen. In de buitengrachten is ook veel aarde- werk uit de ve/i8e tot de i9e eeuw gevonden. Sporen van het landhuis uit de I7e/i8e eeuw
zijn niet aangetroffen, maar wel puin en uitbraak- sporen van het kasteel dat in 1861 werd gebouwd. Het inventariserende onderzoek heeft aange-
toond dat zich in de grond van het voormalige kasteelterrein veel waardevolle oudheidkundige resten bevinden. Dit heeft tot gevolg dat het kas- teelterrein de status van gemeentelijk archeolo- gisch monument zal krijgen. Het Utrechts Land- schap houdt in haar inrichtingsplan rekening met deze beschermde status. Bouwplannen zullen worden aangepast, zodat de archeologische res- ten niet worden aangetast en hun plaats in de ondergrond wordt gewaarborgd. In samenwer- king met de gemeente Amersfoort wordt gezocht naarde beste oplossing. |
|||||||
puinkuilen werden gedocumenteerd, maargeen
muurresten. Tijdens het inventariserende onderzoek in
2005 is door middel van drie, loodrecht op elkaar staande, proefsleuven het terrein van de hoofd- burcht binnen de ronde gracht onderzocht. Hierbij is, behalve veel puin van kloostermoppen, een deel van een cirkelvormige ringmuur met een middel- lijn van 40 meter en twee naar buiten gerichte steunberen aangetroffen. Het fundament bestond uit grote kloostermoppen meteen grondslag van keien en oerbrokken. In de bouwsleuf is steengoed uit de i4e eeuw aangetroffen. Van laat-middel- eeuwse bebouwing binnen de ringmuur is een poer van kloostermoppen vlak tegen de ringmuur aangetroffen. Samen met de twee buitenwaarts gerichte steunberen wijst de poer op een mogelij- ke bebouwing op de hoofdburcht van het kasteel Stoutenburg. Het aangetroffen fundament was in secties opgebouwd en is, gezien het voorkomen van kleinere formaten kloostermoppen, een i4e eeuwse reparatie van de ringmuur ter plekke van de bebouwing (zaalgebouw?). Het is een reparatie in de i3e eeuwse burcht. De ringmuur is een bouw- wijze die in de I3e eeuw voorkwam (in de ^/\e eeuw bouwde men kastelen meteen vierkante/recht- hoekige vorm) en het grote formaat van de ge- bruikte kloostermoppen wijst ook op deze eeuw. Kasteel Stoutenburg wijkt qua vorm en omvang niet af van andere i3e eeuwse ronde burchten in Nederland. In een tekening uit 1729 van C. Pronk staat het
landhuis Stoutenburg afgebeeld op een verhoging. Ook arceringen op twee i9e eeuwse kadastrale minuutplannen (1823 en 1832) suggereren een ver- hoging binnen de brede ronde gracht, dus ter plekke van de hoofdburcht. Op deze grond is het aanneme- lijk, dat de hoofdburcht van het laat-middeleeuwse kasteel Stoutenburg op een kunstmatige verhoging heeft gestaan. Bovendien heeft het onderzoek aan- getoond, dat de burcht op een zandopduiking in het dal van de Barneveldse Beek is gebouwd. |
|||||||
i86
|
|||||||||
H. Gros, Het rijksopvoedingsgesticht in
Amersfoort en Doetinchem. Een geschiedenis - mei 1940-mei 1956 (z.pl., [2005]). G. Harinck (red.), Holwerda herdacht.
Bijdragen over leven en werk van Benne Holwerda (1909-1952). AD Chartasreeks 10 (2005). Betreft de Amersfoortse gereformeer- de predikant die een belangrijke rol speelde in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. T. d'Hollosy, 'De Oude Eem in opgravin-
gen', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoorty nr. 1 (2005) 10-11. J. Hoogland, Bezieling, gedrevenheid en
verantwoordelijkheid in Amersfoort 1985-2010. Jasper Hoogland25 jaar in dienst van het lokaal bestuur, 20 jaar Amersfoort (Amersfoort, 2005). R.A. Hulst, 'Opgravingen aan de Olie-
steeg', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoorty nr. 2 (2005) 7. R.A. Hulst, 'Van laat-middeleeuwse boer-
derij naar historische hallenhuisboer- derij', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoort7 nr. 4 (2005) 10-11. Betreft archeologisch onderzoek te Nimmerdor. T. Jansen (fotografie) en M. Kruidenier
(tekst), Amersfoort en de industrie. Een zoektocht naar het industriële verleden van Amersfoort (Amers- foort, 2005). Fotoboek van bewaard gebleven
industrieel erfgoed. F. van Kan, 'Karel de Vijfde: te moe om te
regeren', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoorty nx. 4 (2005) 8-9. In 2005 was het 450 jaar geleden dat Karel V afstand deed van de regering; de Amersfoortse stadssecretaris Lodewijk Botter deed daarvan verslag. B. Knapen, De man en zijn staat. Johan
van Oldenbarnevelt 1547-1619 (Amsterdam, 2005). J. van Kregten en J. de Koning,
Mondrian - Montparnasse. Jubileum-
bundel (Amersfoort, 2005). Betreft het leven en werken van Piet Mondriaan in Parijs. Verschenen t.g.v. het tienjarig bestaan van het Mon- driaanhuis. |
|||||||||
S. Corbellini, Mannenregels vooreen
vrouwen wereld. De spirituele opvoe- ding van zusters in derde-rde-gemeen- schappen Traiecta 14 (2005) 177-192. Betreft o.m. het Amersfoortse St.- Agnietenconvent. M. Cramer enT. Jansen, 'Overzichts-
catalogus Religieuze gebouwen in Amersfoort', Amersfoort Magazine (2005) 31-54. M. Cramer, Van schuilkerk tot 'water-
staatskerk avant la lettre', Amersfoort Magazine (2005) 16-17. Over de Elleboogkerk en de kerk aan 't Zand. M. Cramer enT. Slijkerman,
'Stoneystuw aan Koppelpoort toe aan
cosmetisch herstel', Kroniek. Tijd- schrift historisch Amersfoort 7nr. 4 (2005)4-6. J. Dewïlde, G. Magnus en A.
Vandenbilcke, Eugen Yoors 1879-
19/5. Oorlogsgetuige 1914-1918 (leper, 2005). De Belgische schilder Yoors verbleef
tijdens de Eerste Wereldoorlog in kamp Zeist. Verschenen t.g.v. de gelijknamige tentoonstelling in het In Flanders Fields Museum te leper. K. van Dijk e.a. (red.), Hoogland5 dagen
Zandkruuersgat (Hoogland, 2005). A. Dijkhuis, Prins Hendrik. In 100 jaar
van schutterij tot sportschieten (Amersfoort, 2005). B.G.J. Elias, Flehite 1878-200$.
Geschiedenis van een Vereniging en
een Museum. Amersfortiareeks 16 (Amersfoort, 2005). A. van Engelenhoven, 'Coelhorsterweg
6. Boerderij in Hoogland wordt authentiek hersteld', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoort 7 nr. 2(2005) 2_3- D.W. Folmer, Dagboek uit Kamp
Amersfoort, 1942 (Zutphen, 2005).
M. Gerritsen-Kloppenburg, G. Raven,
Zorgen in hetVeen.75jaarSintJozef Hooglandse Historische Reeks (Hooglanderveen, 2005). N. de Geus en R Erkelens (red),
Droomtheater aan het water. Een theatercomplex voor Amersfoort (Amersfoort, 2005). Betreft plannen voor nieuwbouw van Theater De Flint aan de Eem. |
|||||||||
LITERATUUR BETREFFENDE DE
REGIO EEMLAND VERSCHENEN IN 2005 AMERSFOORT EN HOOGLAND
J. Bloemhof, J. van der Spek (bew.),
Amersfoort '40 -'45 (Amersfoort, 2005). Tweede, gewijzigde druk. T. Blom, Vermeerkwartier. Van Klom-
penschool tot Universiteit (Amers- foort, 2005). Fotoboek. G. Boekenoogen, 'Meursing - de plek.
Van parkeerterrein tot Hollandse luchten reflecterend glasgordijn', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoort jut. 3 (2005) 8-9. H. Bouwmeester, H. de Bruin en
P. Hanemaaijer, Stad in de steigers.
Twintig jaar samenwerken aan het
hart van Amersfoort (Amersfoort,
2005).
Gaat in op bouwprojecten in de jaren
1985-2005.
C. van den Braber, Geveltekens Amers-
foort (Amersfoort, 2005). R. Breuls, Vlinderbaan Amersfoort.
Natuurwandeling in Amersfoort langs
vlindertuinen, fiadderzomen, architec- tuuren historie. Natuurwandelingen in en om Amersfoort 7 (Amersfoort, 2005). C. van den Braber, 'De Amersfoortse
synagoge, Amersfoort Magazine (2005)13-15. B. Brokamp, 'Een raadsel opgelost.
Vondst blijkt onderdeel wapenuitrus-
ting', Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoorty nr. 4 (2005) 2-3. Betreft een in 1991 op de Hof gevon- den middeleeuwse neusstang. ƒ. Bijvank (eindred.) en D. Teunis, Van
mattenklopper tot multimedia. Van huishoudonderwijs naar beroepson- derwijs (Amersfoort, 2005). Uitgave t.g.v. 100 jaar huishoud- en industrieonderwijs in Amersfoort en het 50-jarig bestaan van het school- gebouw aan de Kapelweg 114. G. van Colmjon, 'Mondriaan op het
Mooierplein', DagbladTrouw, katern
Letter en Geest 12 februari 2005. Over de inspiratie die Mondriaan waarschijnlijk opdeed kijkend uit een raam van het ouderlijk huis. |
|||||||||
LITERATUUROVERZICHT 187
|
|||||||||
L. van Burgsteden, 'De siertuinen van de
Heiligenberg', Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 788-793. G. Derks, H. van Hees, T. van 't
Klooster en L. van der Linden, Van
't Klooster en Van Klooster door de eeuwen heen (Eemnes-Hoogland- Soest, 2005). Betreft de familie afkomstig van boer-
derij 't Klooster in Soest. W. de Greef, 'Oud-Woudenbergse fami-
lies (5)', Oud Woudenberg (2005) nr. 2 8-16. J. Groeneveld, 'Grensrelicten en oude
wegen op De Vuursche. De kaart van Lucas Jz. Sinck uit 1619', Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis 23 (2005) nr. 126-38. H.A. van Hees, 'Korte geschiedenis van
de familie Van 't Klooster (Van Klooster) in Eemnes', Tijdschrift Historische Kring Eemnes 27 (2005) 175-203. O. Honders, H. Moesbergen en P. de
Kruif, Woudenberg, vijftig jaar in beeld 1955-2005 (Zaltbommel, 2005). Fotoboek. C. van Kooten, 'De koepel van Stoop',
OudWoudenberg (2005) nr. 113-15 en nr. 3 9-10. J. Kruidenier, 'Ruslui in Baarn', Baerne.
Tijdschrift van de Historische Kring Baerne 29 (2005) nr. 13-8 en nr. 2 23-33. J. van der Laan, 'Kasteelterrein Draken-
burg', Baerne. Tijdschrift van de Historische Kring Baerne 29 (2005) nr. 19-11. E. Leeuwin, 'Een Arts Crafts-Garden op
de Utrechtse Heuvelrug. De tuinaan- leg van het Kasteel De Hooge Vuursche te Baarn', Tussen Vechten Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis^ (2005) 3-18. W. Veen, 'Knalgroen, een korte maar
bewogen geschiedenis', Leusden Toen.
Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 814-816. E.J. Wolleswinkel, 'Voortgang herbouw
schaapskooi Melmse Veld', Het ouwe Renswou 22 (2005) nr. 3 7-11. H.R. van der Woude, Descendants of
Aart Stoffeisen van Veenendaal (Zuidlaren, 2005). |
|||||||||
voor de geschiedenis van het roc en
zijn voorlopers. N. van Vulpen, 'Jan Goes, een priester tussen de oude en de nieuwe tijd', De Bewaarsman 11(2005) 92-96. DE REGIO
E. van Andel, 'Wakkerendijk 36. Een
onderzoek naar de woning, eigenaars
en bewoners', Tijdschrift Historische Kring Eemnes 27 (2005) 116-124. J.A. Bakker, 'De Steen en het Rechthuis
van Lage Vuursche', Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor de regionale geschiedenis 23 (2005) 221-231. A. ter Beek, P. Koelewijn, D.T. Koen en
M. Mijnssen-Dutilh, Bunschoten in 1832. Grondgebruik en eigendom. Kadastrale atlas provincie Utrecht 11 (Utrecht, Stichting kadastrale atlas provincie Utrecht, 2005). F. Booy, 'Blik op de Brinkstraat', Baerne.
Tijdschrift van de Historische Kring
Baerne 29 (2005) nr. 2 21-22, nr. 3 25- 31 en nr. 414-25. W. Bos, 'De bewoners/eigenaars van de Heiligenberg na de Reformatie', Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 784-787.
W. Bos, Geschiedenis van enkele boerde-
rijen in Snorrenhoef Drojfelaar, Hardeveld, 't Hoendernest, Vicarie (Leusden, 2005). H. Bronkhorst, 'Eembrugge op een kaart
van 1526, Baerne. Tijdschirft van de Historische Kring Baerne 29 (2005) 14-24. H. Bronkhorst, 'Baarn heeft eeuwenlang
stadsrecht gehad', Baerne. Tijdschrift van de Historische Kring Baerne 29 (2005) nr. 48-12. ƒ. J. van Burgsteden, Aris Boersen, een
veelzijdig man', Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 801-803. Betreft Aris Boersen (1885-1965), inwoner van Achterveld. J.J. van Burgsteden, 'De Doelen',
Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 799-800. |
|||||||||
R. van der Linde-Beins, O. Maurer,
Willem van Dam (1895-1964).
Geboren tekenaar, gerijpt als schilder
(Amersfoort, 2005).
Verschenen t.g.v. de tentoonstelling
in Museum Flehite.
L. La Lione, Die goeie ouwe tijd van ... Anna, Lisa, Jane, Lily, Jesse, Tim, Ron
en Jack (Soest, 2005).
Verhalen over Amersfoort in de jaren
vijftig in romanvorm.
D. Logemann, M. van der Vliet e.a., Het Heiligenbergerbeekdal. Natuur- en
cultuur-as van Gelderse Vallei tot aan
het Stadscentrum van Amersfoort
(Amersfoort, 2005).
A.A. Manten, 'Nieuw Nederland en zijn Breuckelen, 1609-1664', Tijdschrift
Historische Kring Breukelen 20 (2005)
129-176.
O.m. over Amersfoorter Wolfert
Gerritsz. Van Kouwenhoven en
Nieuw-Amersfoort (nu Flatlands,
New York).
J. Maurer, Gebr. Nefkens N.V Een eeuw autogeschiedenis (Zaltbommel, 2005).
Onderzoek en Statistiek, gemeente Amersfoort, Amersfoorters over
Amersfoort. Uitkomsten stadspeiling
zoos (Amersfoort, 2005).
T. Rosenboom (bew.), Het einde van Johan van Oldenbarnevelt beschreven
door zijn knecht Jan Francken hertaald
door Thomas Rosenboom
(Amsterdam, 2005).
A. Schuurman en R. Hoegen, Een nieuw stadsdeel in Amersfoort. Vathorst. Een
wereld van verschil in ontwikkeling
1995-2005 (Amersfoort, 2005).
DC.W. Steenbeek, 'Het electriciteits- bedrijf van Hoogland. Het korte
avontuur van een gemeentebedrijf',
De Bewaarsman 11 (2005) 85-91.
D.C.W. Steenbeek, 'De Reformatie in Amersfoort, Amersfoort Magazine
(2005)10-12.
C. Strooper, M. Everloo, 50 jaar
Amersfoorts Dam Genootschap
1955-2005 (Amersfoort, 2005). D. Teunis, J. Bijvank, Veerkracht
(Utrecht, 2004).
Uitgave t.g.v. de fusie van RO C Amer-
landen en RO C Utrecht tot RO c Midden Nederland. Met aandacht |
|||||||||
l88 LITERATUUROVERZICHT
|
|||||||||
Leden van de familie Van Veenendaal
woonden in Baarn, De Vuursche en Soest. E. IJken, 'De beurtschipper en de tolgaar- der. Een conflict over tolgelden te Eembrugge dat in 1903 beslecht werd bij de Hoge Raad', Historische Kring Eemnes 27 (2005) 165-173. C. van Rijsdam, 'Geschiedenis schrijven
is aan de toekomst bouwen',
Tijdschrift Historische Kring Eemnes
27(2005)135-147.
Weerslag van een interview met
Eemnesser Teus Roodhart, water-
schaps- en agrarisch bestuurder.
R. van der Schaaf, 'Boerderij Wolfsstede
verandert', Tijdschrift Historische Kring Eemnes 27 (2005) 125-137. E. van Schalkwijk, 'Hoe, waar en
wanneer vindt ons Valleikanaal zijn
ontstaan? Leusden Toen 21 (2005) 804-809. W. Schipper, 'Grafheuvels op de grens
van Woudenberg en Leusden ... want stof zijt gij en tot stof zult gij werder- keren (Genesis 3 vers 19)', Oud Woudenberg (2005) nr. 13-12. D. Vader-Reinsma, 'Geschiedenis en het
kloosterleven van de Hohorst',
Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 781-783. W. Vedder, "Ik ben bij een aardige boer
...", Baerne. Tijdschrift van de Histo- rische Kring Baerne 29 (2005) nr. 23-10. Betreft de evacuatie van Baarnse
gezinnen tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Holten en Markelo. W. Veen, 'knalgroen. Een korte maar
bewogen geschiedenis, Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 814-816. E. Vermeulen, 'Herinneringen aan de
Laanstraat. De Florabioscoop',
Baerne. Tijdschrift van de Historische Kring Baerne (2005) nr. 4 3-6. R. Loenen, 'Historische herbergen en cafés in Utrecht 2. Hotel-café De Pyramide van Austerlitz', Oud Utrecht. Tijdschrift voorgeschiedenis van stad en provincie Utrecht 78 (2005) nr. 369-71. |
R. Loenen, 'Historische herbergen en
cafés in Utrecht 5. Lage Vuursche, ooit
boerderij-gerechts-kamer, nu café- restaurant', Oud Utrecht. Tijdschrift voorgeschiedenis van stad en provin- cie Utrecht78 (2005) nr. 3 69-71. E. Los en B. Olde Meierink, 'Gelukkig
op Geerestein. Het landelijke leven van een Amsterdamse patriciër op het Utrechtse platteland, 1834-1839, in: R. van der Laarse en Y. Kuiper (red.), Beelden van de buitenplaats. Elite- vormingen notabelencultuur in Nederland in de negentiende eeuw. Adelsgeschiedenis 3 (Hilversum, 2005)49-70. J.W. van Maren, 'Vergeten weg te gooi-
en', Het ouwe Renswou. Mede- delingenblad historische vereniging Oud-Renswoude 22 (2005) nr. 1 3-6. H. Moesbergen, 'Stichting Oud
Woudenberg 50 jaar', Oud Woudenberg (2005) nr. 4 3-14. M. Nagel, Beatrijs. Een middeleeuws
Maria-mirakel (Bunschoten, 2005); met cd. Uitgave van de Beatrijs in het
Bunschotens dialect. G. van Ophem, 'Meester Gerardus
Johannes Morren (1892-1945)', Tijdschrift Historische Kring Eemnes 27(2005)149-157. K. van Otterloo, 'Het kasteel, de boerde-
rij en de deur', Leusden Toen. Tijdschrift van de Historische Kring Leusden 21 (2005) 810-813. J.V.M. Out,'De hervorming in 1580 in
Eemnes. Antwoorden en nieuwe vra- gen', Tijdschrift Historische Kring Eemnes 27 (2005) 6-8. E. Pasker, Genealogie Pasker. 'Alzo ik
ondergetekende Jan Paske, kleermaker,
komende van Reurde in Gelderland...
(Hoogland, 2005).
De familie Pasker vestigde zich vanuit
de Achterhoek eerst in Nijkerk en
Hoevelaken en vervolgens in
Hoogland.
|
||||||||
OVERIG
R. Blijdenstijn, Tastbare tijd.
Cultuurhistorische atlas van de
provincie Utrecht (Amsterdam, 2005).
G.W.B. Borrie, MA. Reinalda (1888-1965)
een geboren bestuurder (Amsterdam, 2005). Reinalda was 1947-1954 commissaris
der koningin in de provincie Utrecht. M. Bosch, Een onwrikbaar geloof in recht-
vaardigheid. Aletta Jacobs 1854-1929 (Amsterdam, 2005). Aletta Jacobs was de echtgenote van Amersfoorter Carel Victor Gerritsen. M. Breij, B. Hogenkamp, J. de Kruif,
A. Pietersma en F. Vogelzang, Na gedane arbeid. Gids voor de geschiede- nis van cultuurbeoefening en vrij- etijdsbesteding in de provincie Utrecht. Trajecten door Utrecht 10 (Utrecht, 2005). V. van der Burg,' Op zoek naar de
Utrechtse stedelijke en provinciale
elite. De hoogstaangeslagenen in de provincie Utrecht 1848-1917', Oud Utrecht. Tijdschrift voor geschiedenis van stad en provincie Utrecht78 (2005)75-78. A. Janse, I. Biesheuvel en K. Tilmans,
Johan Huyssen van Kattendijke- kroniek. De historie of die cronike van Hollant, van Zeelant ende van Vrieslant ende van den Stichte van Utrecht. Rijks Geschiedkundige Publicatiën. Kleine Serie 102 ('s-Gravenhage, 2005). Ook voor de geschiedenis van Amers- foort en de regio een interessante bron. D. Verhoeven, Scholen stichten. Gids voor
historisch onderzoek naar het onder- wijs in de provincie Utrecht. Trajecten door Utrecht 11 (Utrecht, 2005). |
|||||||||
i8g
|
|||||||||
gegevens van 1832 als uitgangspunt. Afge-
sloten wordt met een aardige paragraaf over kaarten uit de tijd voorafgaand aan het kadaster; die danken we voornamelijk aan de inspanningen van het hoogheem- raadschap van de Bunschoter Veen- en Veldendijk en zijn voorgangers. De oorspronkelijke aanwijzende tafel
van 1832 bevat per perceel onder meer de naam van de eigenaar met beroep en woonplaats, de soort eigendom, de opper- vlakte en de waarde. Deze bron vormt met de minuutplans een heel interessante bron voor allerlei vormen van onderzoek, waar- op in de genoemde uitgebreide inleiding al een voorschot is genomen. Die inleiding vormt m.i. de belangrijkste reden om de publicatie op papier uit te brengen, want de beide bronnen hadden evengoed in digitale vorm gepresenteerd kunnen wor- den. Ik hoop dat dit alsnog binnen het pro- ject De Woonomgeving (www.dewoon- omgeving.nl/"www.dewoonomgeving.nl) zal gebeuren. Want daarmee komt de informatie in breder verband beschikbaar en ontstaat ook de mogelijkheid vanuit de situatie van 1832 door het toevoegen van informatie lijnen te trekken naar het verle- den en het heden. — FredvanKan
|
|||||||||
INGEZONDEN
DE KALENDEBROEDERSCHAP
WJ. van Hoorn
Onder de titel 'Matthias Withoos en zijn
kinderen' is in het jaarboek 2005 een arti- kel verschenen geschreven door M.W. Heijenga-Klomp. Op pagina 115 wordt ver- meld dat een zekere Lodewijck van Velsen deken was van de Calanderbroederschap. Deze broederschap was echter niet een soort gilde van kalanders (textielbewer- kers), maar een vereniging van geestelij- ken en leken die op de eerste dag van elke maand bijeenkwamen voor gebed (de calendae was in de Romeinse tijdrekening de eerste dag van de maand). Zij hadden in de Sint-Joriskerk een eigen altaar, dat bediend werd door een vicaris. Deze vica- rie werd op 21 januari 1390 gesticht. A. van Bemmel, Beschryving der stad
Amersfoort (Utrechti76o) 1112-113; W.F.N, van Rootselaar, Amersfoort 777- 1580 (Amersfoort 1878) 1356 |
|||||||||
RECENSIES
A. ter Beek, P. Koelewijn, D.T. Koen,
M. Mijnssen-Dutilh, Bunschoten in 1832. Grondgebruiken eigendom. Kadastrale atlas provincie Utrecht 11 (Utrecht, Stichting kadastrale atlas provincie Utrecht, 2005). 22 dln,. 111., kaarten. ISBN 90-75602-11-1.€19,75. In 1832 werd het kadaster ingevoerd. Deze
administratie is gebaseerd op de zo gehe- ten minuutplans en de oorspronkelijke aanwijzende tafels, die per gemeente wer- den opgemaakt. De plans zijn de oudste getekende kadastrale kaarten, met daarop aangegeven de gronden en het grondge- bruik; de tafels bevatten uitgebreide infor- matie over de verschillende percelen. Voor historisch onderzoek zijn beide bronnen van groot belang. Ze bieden immers een momentopname van een gemeente anno 1832. Terecht ijvert de Stichting kadastrale atlas provincie Utrecht er dan ook voor om deze bronnen uit te geven. Met Bunschoten 1832 is nu het elfde deel verschenen, en het tweede deel dat betrekking heeft op de regio Eemland (eerder, in 1998, verscheen het deel Leusden). Omdat het grootste gedeelte van de in 1857 opgeheven gemeente Duist, de Haar en Zevenhuizen in 1974 opging in Bunschoten, wordt in dit deel ook die gemeente behandeld. Het aardige van deze publicaties is dat
niet alleen de bronnen worden uitgegeven, maar dat die van uitgebreide inleidende hoofdstukken worden voorzien. Zo maken we ook in dit deel allereerst kennis met de geschiedenis van het Kadaster. Die uitleg wordt gevolgd door een hoofdstuk dat de ruimtelijke ontwikkeling van Bunschoten behandelt. De vroegste bewo- ning komt aan de orde, maar ook de mid- deleeuwse ontginningen krijgen aandacht, evenals de waterstaatkundige, de gerech- telijke, bestuurlijke en de kerkelijke orga- nisatie. Daarna wordt ingegaan op het vaststellen van de gemeentegrenzen in 1822, de daaropvolgende kadastrale opme- tingen en de grenswijzigingen tot op heden. Het hoofdstuk wordt vervolgd met een beschrijving van de het gehele grond- gebied: de wegen, de bebouwing, de eige- naren en het grondgebruik, alles met de |
|||||||||
1Q0 RECENSIES
|
|||||||||
Albert van Engelenhoven/Middeleeuwse
huizen in Amersfoort Uitgeverij THOTH, Bussum 2005, ISBN 90 68684094,132 pp, ill, €15,- Na het boek over de Koppelpoort in
Amersfoort is nu bij dezelfde uitgever THOTH een boek verschenen over de Middeleeuwse huizen in Amersfoort. In het eerste werk wordt, naast het eigentijd- se object, veel aandacht gegeven aan de historische ontwikkeling van de stad. Deze beschrijving vormt de weerslag van twintig jaar stadsarcheologie. In de nieuwe publicatie worden de Middeleeuwse hui- zen belicht. Beide boeken vormen daar- door een tweeluik dat in vele (Amers- foortse) boekenkasten een plaats verdient. Ook nu weer een pakkende omslag, met water, groen en een prominent Amers- foortshuis. Het tweede boek wordt geopend door
de stadsarcheoloog Francien Snieder, die het kader schetst van een zich al in de I3e eeuw snel ontwikkelende stad, die zijn agrarische voorgeschiedenis achter zich laat. Eenbelangrijk voorval daarbij is de vorming van de Zuiderzee na de grote overstroming van 1170. Met de zee kwam de wereld en daarmee de handel naar Amersfoort. Naast de eenzame vestiging in steen van de bisschoppelijke hof met zijn kapel bracht de bloei van de handel, in combinatie met de opkomende baksteen- productie, de eerste particuliere stenen huizen in het stadsbeeld. Nadat de eerste kleine kern binnen
een door de Korte gracht afgesneden bocht in de Eem vergroot was door het graven van de Westsingel werd er ook gezorgd voor een stenen verdedigingswerk, waar de stad na de stadsrechtverlening in 1259 recht toe had. Allereerst verschenen de poorten in steen: daar zijn al i3e eeuwse steenformaten gebruikt. De Langestraat en de Krommestraat vormden de belangrijk- ste, haaks op elkaar staande, straten. Daar, evenals aan de markt (de Hof) zijn de eer- ste stenen huizen bij archeologische onderzoek vastgesteld. Opmerkelijk is dat het gebied de Maath, ten oosten van de Langestraat nog tot in de 14e eeuw agra- risch blijft. Mogelijk viel dit nog buiten de eerste stadsverdediging, wat zou kunnen |
betekenen, dat bij toekomstige archeolo-
gisch onderzoek op achtererven van de Langestraat resten van een stadswal aange- troffen kunnen worden. Onderzoek ter plaatse van het vroegere stadhuis aan de markt (tot de dag van vandaag nog steeds Hof genoemd, naar de bisschoppelijke behuizing) bracht de fundering van ca 1300 van de vermoedelijke waag aan het licht. Zo'n instelling was van groot belang voor een goed gereguleerde handel, de basis van stedelijke welvaart. Een nabij gelegen stenen huis, waarvan de funderin- gen uit dezelfde tijd dateren, was waar- schijnlijk van een particulier, die als een der eersten welgesteld genoeg was om een huis in steen te bouwen. Dat de vroege geschiedenis niet alleen
onder de grond bewaard gebleven is, toont Albert van Engelenhoven aan met het eer- ste voorbeeld uit een reeks bouwhistorisch onderzochte panden: het pand Hof 39. Dit huis is in oorsprong het voorste deel van een groot huis, dat tot de Langestraat doorliep met een oorspronkelijke maat van 7,5 en 17 m. Daarmee introduceert hij meteen het prototype van het grote stenen koopmanshuis: een rechthoekig huis, met de smalle voorgevel gericht op de straat. Zo'n huis heeft een gemengde functie: voorin een zaal, achterin een woonkamer en opslag op de verdieping(en) en zolder, later komen daar nog kelders bij. Hoewel dat in dit boek niet zo expli-
ciet blijkt, is dit type koopmanshuis in de meeste Nederlandse steden universeel. De datering van dit huis geeft wat problemen, waar de auteur niet eenduidig uitkomt. De gebruikte bakstenen wijzen op de i3e eeuw, maar de bouwwijze met boognissen in de zijgevels en de daarbij behorende constructie met gebinten wijzen op de i4e eeuw. Een uitstapje naar een nabijgelegen stad als Utrecht, waar meerdere huizen van dit type zijn aangetroffen, had kunnen aangeven, dat dit type na de introductie van de gebintenconstructie in het stenen huis vanaf ca 1315 voorkomt. Voor de her- komst van de i3e eeuwse bakstenen mag misschien gedacht worden aan het ver- dwijnen van de bisschoppelijke behuizing. Als i4e eeuws huis past het uitstekend bij een eveneens onderzocht en besproken grootkoopmanshuisalsLangestaatg.Ook |
hier boognissen in de zijmuren en het nog
aanwezige Middeleeuwse hout van de kap leverde zelfs een datum op: 1356. De afge- beelde documentatietekeningen roepen de vraag op of er misschien een andere oor- spronkelijke situatie geweest is, waarbij er achter het grote stenen huis aanvankelijk sprake was van een woongedeelte in tradi- tionele vakwerkbouw en dat er pas in de i5e eeuw een extra woonkamer met insteekverdieping in de grote zaal wordt ingebouwd, terwijl het achterhuis ver- steend is. Voorbeelden van een dergelijke combinatie steen-vakwerkbouw zijn elders (o.a. Utrecht) vastgesteld voor de i4e eeuw. Het vestigt extra de aandacht op de
overige bebouwing van de Langestraat en de Krommestraat, waar tot nog toe nog maar weinig huizen onderzocht zijn. Een geoefende blik op een luchtfoto van Amersfoort leert dat daar nog een groot aantal Middeleeuwse huizen staan, de meeste geen monument. Daar staan de echte oude stadshuizen
van Amersfoort, minstens een eeuw ouder dan de Middeleeuwse villa's van de Muur- huizen. Terecht merkt de auteur dan ook aan het eind van het boek op, dat er in de nabije toekomst gewerkt moet worden aan een inventarisatie van de verborgen monumenten (de historisch belangrijke huizen achter een jongere gevel). Als dit goed van de grond komt, kan er nog heel wat belangwekkends over de geschiedenis van het Amersfoortse huis tevoorschijn komen. Langestraat 9 geeft ook aanleiding tot
een apart hoofdstuk over Middeleeuwse muurschilderingen. Even verhelderend is het hoofdstuk over de recent toegepaste datering met behulp van het jaarringenon - derzoek: de dendrochronologie. Dit is een belangrijke aanvulling op de vrij grove datering aan de hand van de steenforma- ten, waar altijd hergebruikt materiaal de onderzoeker op het verkeerde been kan zetten. Meer aandacht voor de gebruikte
soort metselspecie kan zo'n valkuil overi- gens vaak voorkomen. Bij de interpretatie van de soms variabele kapdata van het gebruikte eikenhout moet goed gekeken worden naar het jongste onderdeel in een |
|||||||
RECENSIES 1^1
|
|||||||
samenhangende constructie: dat geeft de
datum waarna de voorbereiding voor de bouw plaats vindt. Al vroeg was er historische belang-
stelling voor de categorie Muurhuizen, een echt Amersfoorts verschijnsel, maar als type horend tot de rijke Middeleeuwse huizen waar de woonfunctie domineerde en die bij voorkeur buiten de drukke han- delsstraten gebouwd werden. Misschien moet het i4e eeuwse achterhuis van Krommestraat 20 ook wel tot deze rijke woonhuizen gerekend worden. Als dwars- geplaatst huis wijkt het fundamenteel af van het stadshuistype waar handel en wonen samen onder één dak plaats vond. Ook hier levert Utrecht vergelijkbare voorbeelden van letterlijk teruggetrokken dwarsgeplaatste woonhuizen, waar in sommige gevallen later in de Middel- eeuwen een stenen voorhuis werd toe- gevoegd. Bij de bespreking van Muurhuizen 33
sluiten de resultaten van het bouwhisto- risch onderzoek naadloos aan op de infor- matie van het historisch onderzoek. Bij de restauratie is het enthousiasme over de bouwhistorische vondsten misschien wat te ver doorgeschoten in de gevelafwerking. De voorgevel heeft nu meer weg van een historische rebus dan van een strakke architectonische harmonie. Hoofdstuk 9 geeft een voorlopige
synthese van de diverse onderzoekingen, waar eerst terecht wordt ingegaan op het vrijwel volledig ontbreken van het houten (vakwerk-)huis. De door welvaart en ook door overheid gestimuleerde verstening van de stad heeft dit hoofdstuk in de ont- wikkeling van het stadshuis gewist. Alleen de archeologen sluiten af en toe op scha- mele sporen. Soms is het bodemarchief al vroeg verstoord door de aanleg van stenen funderingen en de bouw van kelders. Het afsluitende hoofdstuk over de
geschiedenis van de Amersfoortse Monumentenzorg kan model staan voor de trage en zoekende wijze waarop publiek en overheden in Nederland met het erf- goed zijn omgegaan. Het schipperen tus- sen aanwezige historische informatie en het historische beeld dat men graag zag heeft zelfs geleid tot de z.g. 'Amersfoortse ziekte'. Deze heeft tot redelijk recent (zie |
|||||||
stadsmuur Achter de Kamp) een spoor
door de stad getrokken en is daarmee zelf een stuk stadsgeschiedenis geworden. De fout dat daarbij veel nog aanwezige histo- rische informatie werd genegeerd, kan met de nieuwe aanpak van het huizenonder- zoek zoals dit boek beschrijft in de toe- komst worden gecompenseerd. De boeiend beschreven hoofdstukken
zijn zeer rijk geïllustreerd: heldere oude en nieuwe kaartbeelden, tientallen foto's, documentatie-tekeningen en reconstruc- tie-tekeningen. Veel is in kleur. Het for- maat van de afbeeldingen is door de vorm- gever over het algemeen goed doordacht, slechts een enkele tekening is nodeloos opgeblazen (p. 72,73 4 x te groot) ofte sterk verkleind (p. 96). Onder de foto's zijn veel historische foto's (zelfs diep uit de ige eeuw) gebruikt naast vaak kleur- rijke historische afbeeldingen. De auteur heeft voor zijn documentatie- en recon- structie-tekeningen een vlotte wijze van tekenen, vaak met een kleurtoets. Soms doet dat verlangen naar een definitieve en strak uitgewerkte variant zoals in de geest van de tekening uit 1886 van het huis van Van Oldenbarnevelt. Zoiets komen we ongetwijfeld tegen in het volgende boek waarin de oogst van de komende tien jaar onderzoek verschijnt. — BartKlück
|
|||||||
van Amsterdam. Project-archeoloog bij
BAAC bv; 1989-2000 veldarcheoloog te Maastricht. Vanaf 2003 werkzaam in de gemeente Amersfoort. Alle Diderik de Jonge (1944)
Studeerde theologie in Utrecht en Leiden. Publiceert sinds 1980 regelmatig over cultuurgeschiedenis van de laatste helft van de i8e eeuw met een accent op Haarlem, doopsgezinden en genoot- schappen. Is sinds 1996 werkzaam in het bedrijfsleven, na functies aan verschil- lende universiteiten en directeurschap- pen van culturele instellingen bekleed te hebben. Regent van het Hofje "De Armen de Poth". Fred van Kan (19 57)
Promoveerde in 1988 op: Sleutels tot de macht. De ontwikkeling van het Leidse patriciaat tot 1420. Van 1997 tot 2006 Gemeentearchivaris van Amersfoort;
thans Rijksarchivaris van Gelderland te Arnhem. Marguerite Mijnssen-Dutilh f1946)
Archivaris van het Waterschap Vallei & Eem. Studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Leiden, daarna opleiding tot Hoger Archief ambtenaar. 1976-1981 Provinciaal inspecteur van de archieven in Zeeland. Sinds 1982 werkzaam bij het waterschap. Arend Ruizendaal (1964)
Studeerde van 1985 tot 1990 Geologie en Geofysica aan de Universiteit van Utrecht. Tussen 1994 en 1999 Regionale Economie (Specialisatie GIS) aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1990 tot 1993 werkzaam als geoloog bij de Rijks Geologische Dienst, sinds 1994 IT |
Consultant. Geschiedenis is hobby.
Vooral de Eem, en de oudste water- en landroutes, regionale vestigingsfactoren en nederzettingsgeschiedenis hebben zijn warme belangstelling. Francien M.E. Snieder f1955)
Studeerde prehistorie met nadruk op mid- deleeuwse archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1987 stadsarcheo- loog van Amersfoort. Milo L. Verhamme (1977)
Studeerde mediterrane archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 2004 werkzaam als projectarcheo- loog bij de gemeente Amersfoort. W.J.H. (Pim) Verwers f1942)
Studeerde prehistorie te Leiden. 1970-
2002: werkzaam bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort als wetenschappelijk mede- werker en als provinciaal archeoloog van Noord-Brabant. 1998: promotie fVU Amsterdam) op: North Brabant in Roman andEarly Medieval Times. Regent van het Hofje "De Armen de Poth" en bestuurslid van het Landelijk Hofjesberaad. RJ.J.M. (Dick) van Wees (1940)
Geboren en getogen in Amersfoort; van
1967 tot 2000 leraar geschiedenis in Uithoorn; voorzitter van de Stichting Oud Uithoorn/De Kwakel; publiceert regelma- tig over onderwerpen van locale en/of regionale aard. Mattijs K. Wïjker (1976)
Studeerde mediterrane archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 2004 werkzaam als projectarcheoloog bij de gemeente Amersfoort. |
|||||||
OVER DE AUTEURS
Jaap Evert Abrahamse (1967)
Architectuurhistoricus. Studeerde in 1992 af bij Ed Taverne met als onderwerp de ruimtelijke planning van Parijs in de jaren 1960-1990. Op dit moment werkzaam bij onder meer de gemeente Amsterdam. Werkt daarnaast aan een dissertatie over de stedelijke ontwikkelingvan Amsterdam in de zeventiende eeuw. Gideon M.A. Boekenoogen (1929)
Werkzaam geweest in bedrijfsleven- export. Vanaf 1995 vrijwilliger bij de Archeologische Dienst van de gemeente Amersfoort. Max A. Cramer (1954)
Architectuurhistoricus. Sinds 1982 verbonden aan het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg Amersfoort. Publiceert regelmatig over jonge bouwkunst f1850- 1940) in Amersfoort en Hilversum. Maarten H.A. van Dijk (1977)
Studeerde mediterrane archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 2001
werkzaam als veldarcheoloog in dienst bij de Gemeente Amersfoort. Albert van Engelenhoven (1956)
Bouwhistoricus verbonden aan het Gemeentelijk Bureau Monumentzorg. Sandra Hovens (1968)
Bouwkundig ingenieur. Sinds 1993 amb- tenaar bij het Gemeentelijk Bureau Monumentzorg. Ron A. Hulst (1946)
Studeerde prehistorie met nadruk op mid- deleeuwse archeologie aan de Universiteit |
||||||||
üftse
|
|||||||
Dit boek bevat onder andere informatie over twee in Amersfoort sociaal
actieve instellingen. Verder komt de vroege drinkwatervoorzieningen de ook wel eens optredende wateroverlast aan de orde. De verkeersverbinding over land naar Utrecht met de aanliggende 'vakken' en de stoombootdienst over de Eem worden behandeld. Een vleugje nostalgie veroorzaakt het verslag van een tentoonstelling van de winkeliers in 1923. Tenslotte krijgen het Archief Eemland, de gemeentelijke monumentenzorg
en de archeologie gepaste aandacht. Voor ieder wat, uit verschillende perioden van onze stads- en streekgeschiedenis. |
|||||||
Stichting Flehite Publicaties
|
|||||||