derde drvk.
TK ROTTERDAM,
bij M. WIJT amp; ZONEN,
Drukker« t.b ist Ncäcrllndioli. ZenioVmet'^«quot;*quot;^'quot;^''-
im,
-ocr page 2-À
-ocr page 3-Gecommitteerden van het Nederlandsche
Zendelinggenootschap. tot het opstellen,
verzamelen en uitgeven van Meine Stukjes,
ter bevordering van Evangelische kennis
en Godzaligheid, ook bij mingeoefenden;—
namelijk: r. j. van der meulen, b. va»
Marken, i. clarisse, a. l. m. Phil. en
Theol. Doet. en Prof., a. de vries.
t. egeling, j. c. vorstman, r. adrlani,
Predikanten te Amsterdam, Hoorn, Leyden
-ocr page 4-vo orberigt.
IV
en Ilotterdam; overeenkomstig hun Jmbtequot;
Bediening, dat oogmerk gaarne willende
vorderen, en in uitzigt op des Heeren meJ^'
werkenden zegen, Meden het nevensgaand^
Stukje hunnen Landgenooten aan; erkennen^
intusschen geene Uitgave voor echt, daquot;
welke door eenen hunner, of door de Drvh'
kers dezes, onderteekend is.
é
-ocr page 5-Evangeliesche herinneringen, vooral
aan Oude Lieden.
, Ja ! u, oude lieden ! wilde ik een vrien -
®lijk en tevens ernstig woord toespreken;
^heden, wier voeten reeds beginnen te wan-
plen; wier oogen reeds verdronken, wier
janden reeds beven , wier krachten vermln-
r^ren, en die dus dagelijks bij u zeiven en
uw eigen ligchaam kunt opmerken en ge-
baar worden, dat gij naar uw einde spoedt,
dat ge deze aarde niet lang meer zult
®etieden; ulieden wilde ik gaarne nog eens
toespreken, eer gij henen gaat, of het u
quot;iiisscbien nog van nut mogt zijn op de
poote reis naar de eeuwigheid, die gij
l^aast hebt afgelegd; of het u mogt opwek-
•^en, om u, van nu aan of bij voortduring,
te bereiden voor dat gewigtig uur van ster-
ken, dat ons brengen zal naar ons eeuwig
«luis.
Ik noem dit boekje: Evangelische herinne-
fingen vooral aan Oude Lieden. Dit verstaat
§ij allen misschien niet duidelijk genoeg.
Voor eenige jaren schreef een verstandig en
hroom man een boekje, genaamd: Evan-
gelische herinneringen aan Kranken. Eenigen
tijd daarna volgde er een diergelijk, g®'
naamd: Evangelische herinneringen aan
droef den. Nu wilde ik er een voor uliede»
schrijven en dit noem ik Evangelische her-
inneringen vooral aan Oude Lieden. Mi''
schien bemerkt gij hieruit nu reeds, da'
Evangelische berinnerlngetj, aangename, nut'
tige, vertroostende berinneringen zijn ; waB^
bedroefde menschen en kranke menschen eö
oude lieden zijn doorgaans te beklagen,
hebben boven anderen hulp , raad en troos'
noodig naar ziel en ligchaam. Zoo is be'
dan ook: Evangelische berinneringen wi'
zeggen, goede , nuttige , vertroostende efl
verblijdende herinneringen , die getrokken
zijn uit het Evangelie, dat wij vinden iquot;
onzen bijbel, en waarin gij en ik, ouden
en jongen, rijken en armen , gezonden en
kranken, kundigen en onkundigen , bekeerde
en onbekeerde menschen alle onze wijsheid i
besturing, hope en zaligheid zoeken moeten
en ook vinden kunnen. Daarom zijn dez«
herinneringen dan ook niet enkel en alleen,
maar vooral voor oude menschen; en ik
hope, dat ook jongere menschen dezelve
zullen lezen en ter harte nemen.
Toen het dan in mijne gedachte kwaï^
om u zulk een nuttig en biljd woord
het Evangelie toe te spreken, stelde ik vooraf
mij zelven voor, wat er alzoo meest vooiquot;
,'^Ude Uedea is na te denken; wat oude
'»eden bijzonder noodig hebben, en wat er
^oor hen in den bijbel staal. Dit zult gi)
yan nu in dit boekje vinden kunnen, net
's dus iets van groot belang voor u. Het
bovendien dingen, waarop gij vast staat
^nnt maken ; want alles, wat ik u zeggen
^Ude, zult ge of door de geschiedenis van
leven, endoor de stem van uw geweten,
door het getuigenis van Gods woord en
^Wen bijbel bevestigd vinden. Ik hope daar-
dat gij aandachtig zult opletten, en
•^nder bet lezen of hooren lezen , mij zoo
Soed zult begrijpen, dat ge in uwe ge-
dachten God zult danken, die mij lust gaf
Otn ulieden dus toe te sprete«. Ja eer-
^vaardiee grijsaards! bet is de liefde tot u
uwe zielen, die mij bestuurt; en ik wd
'len genadigen God bidden, dat Hij deze
^wekkingen en vermaningen zegene aan
^We zielen. Gij kent mij niet, die tot u
®tgt;reek, en ik ken u niet, die mijne woor-
den leest of hoort, maar, als mijn goede
^aad in uwe harten Inging, dan zouden wij
'^»isschlen elkander in den hemel leeren ken-
}gt;en, en dan zoude ik daar God verheer-
\'iken en met u blijde zijn over den tija,
dien ik aan het schrijven van deze ßiaaen
®iogt besteden.
Ik bemerkt, dat ik u allen niet op
zelfde wijze kan toespreken. Ik ken oud»^
menscben, die ik van tijd tot tijd gaarne g®
bezoeken, omdat ik, schoon zelfs niet joquot;?
meer, dikwijls wijsheid leere uit hunne vroDJ®,
ervaring en gesterkt worde door hun geloo'
en hunne hope. De vreugd en vergenoegd'
heid staat doorgaans op hun gelaat te lezeO'
zelden of nooit hoor ik hen klagen, als oV''
zich zeiven en hunne dagelijksche afdwaling«®
van hunnen God; maar hierbij leven zij
de vrolijke verwachting, dat zij welhaast va»
alle zonden verlost en bij hunnen Heer e**
Zaligmaker zijn zullen. Dit zijn aangenam^
en nuttige oude lieden; zij verspreiden wijs'
heid en vergenoeging, vrede en zegen rondoBquot;
zich. — Maar niet zelden ontmoet ik ook
anderen. Och! velen van hen zijn onkundig
in alles, behalve in het beroep en werk,
waarmede zij gedurende hun leven hun brood
gewonnen hebben; zij weten weinig of niets
van God en zijn woord, van den Zaligmaker
en zijne liefde voor zondaren; of indien de
zoodanige ook iets daarvan weten, zij hebbe»
er geen gevoel of besef van ; zij klagen veel,
maar met over hunne zonden, want daaraa»
denken zij niet; zij klagen alleen over de
ongemakken en onaangenaamheden van deo
ouderdom, over de verkeerdheden van ande-
ren ; zij zijn veelal gemelijk en ontevreden;
schoon zij binnen kort voor Gods regter-
zullen geroepen worden, denken zij^ aan
§®ene verandering of bekeering, terwi)! zij
«üüne schuld voor God hoe langer hoe groo-
ter maken.
Er zijn ook nog anderen, die van tijd tot
'ïid wel aan hunne bekeering denken, soms
^elfs met ernst; want, als men het ligchaam
^00 duidelijk voelt verzwakken en den hangen
dood ziet naderen, wordt het geweten wel
®ens wakker, en benaauwd; men begint te
'blagen, te bidden , men vraagt onderwijs en
ïaad; maar helaas! bij al dien schijnbaren
ernst blijft het hart gebonden aan de aarde,
en het is soms, of oude menschen de wereld-
sche goederen al liever krijgen, al gretiger
Vasthouden, naar mate zij er korter gebmik
en genot van hebben zullen. Zoo verliest de
arme mensch den hemel, omdat hi] de aarde
niet kan, niet wil loslaten.
Welk een onderscheid tusschen de menschen!
Gelijk de Bijbel ons overal in tweeën deelt,
in goeden en kwaden, in regtvaardigen en
goddeloozen, in tarw en onkruid, zoo deelen
zich ook de oude lieden in tweehoofd-soor-
ten, en, hoewel alle vromen niet even goed
en alle onvromen niet even slecht zijn, ectiter
blijft dit groote onderscheid, en elk behoort
tot één van beiden. Ik wil daarom eerst
liet een en ander opmerken, dat voor den
ouderdom in het algemeen nuttig is. Dan
zal ik het langst spreken tot zulken onder u,
die ongevoelig en onbekeerd nabij de eeuwig-
heid zijn, want deze hebben de meeste o^
derr.gti,gnbsp;; vayolgcns heb ik dan ook
die^rri'pherinneringen voor ulieden,
die nu met I^aulus zeggen kunt: Ik heb den
n^dif ? f V^ 'ft' S'^'-f behouden («)
en die gevolgehjk de blijde hope voedt, dat
ge binnen kort naar den hemel gaat.
Vooraf een vriendelijk verzoek aan de
kinderen, de gehnren en lebenden
van oude menschen.
Gij^lieden kunt en moet mij helpen om
dit boekje nuttiger te maken' Vele oude
mensehen kunnen het niet lezen; zjj Teb
ben geen lezen geleerd , of hunne oogk .t
bhnd geworden; daarom neem ik eerst in
vooral mijne toevlugt tot u. die het genoegen
bebt, dat ge uwen vader of moeder^tot eenquot;
zouL W if' '''nbsp;Misschien
onbekend leeraar, die u en uwe ouders Uef
(n) 2 Tim J.V: 7.
-ocr page 11-Wt, van u, of laat mii liever zeggen , God
yermaant er n toe. Doet het dan gaarne !
Ook voor n zeiven zoudt gij er groot voor-
deel van kunnen hebben.
, Of, hebt gij uwe ouders niet meer, maai
«ent gij andere bejaarde menschen in uwe
«tad, op uw dorp, in uwe buurt of onder
quot;We bloedverwanten; gaat lot hen on zegt;
Ik heb hier een nuttig boekje, dat vooral
Voor oude lieden is geschreven ; willen wi]
dat zamen lezen?quot;- Och! wij doen el-
«ander doorgaans weinig goeds, en er gaat
«00 menig uur nutteloos verloren ! Dit moe-
ten wij beter maken. Welaan! hiertoe hebt
§ij nu eene goede gelegenheid. En voor u
«elven zal dïe tijd ook met verloren zijn ;
terwijl gij dus anderen zoekt te helpen en
te slichten, zou Gods genade ook u een
grooten zegen geven kunnen.
I. De Ouderdom is, op zich zeiven beschouwd,
eene eer en zegen van hod.
De bijbel zegt: grijsheid is eene sierlijke
kroon; op den weg der geregtigheid wordt
zij gevonden. (i) Grijze haren versieren het
hoofd van een oud mensch , gelijk een
koning door zijne koningskroon
wordt. God geeft deze eer van ouderdom
(o Spveuk. XVI: 3[.
-ocr page 12-en grijsheid aan de genen, die Hem dienen.
Inderdaad : de ouderdom van een braaf,
Tachnr'nbsp;dubbel eerwaardig
en achtbaar bi, anderen. Als wij een oud
man of oude vrouw ontmoeten, denken wij:
ztn LTnbsp;'nbsp;heeft kannen
zien en hooren, die veel kunnen opmerken
een°t?onbsp;^^^ quot; een^nensch.
lolnbsp;Gods liefde en
ankmoedighejd, van zijne trouwe bewari^
7 *nbsp;«»^de lieden' ter-
stond gevoelen, als gij opmerkt V =
en vergankelijk het'LJscheli i We^ls
hoe ontelbaar vele ziekten en oevallen ons
hgchaam kunnen aantasten en al vroegV^^^^
Sfgeir ktnruï,
IchS ïe ilr'nbsp;«quot;de
welijks eënen meer ,an aUe X ' nquot;'
-ocr page 13-^aa uw leven wilde , dat gij nog niet sterven
^oudt. Is dit niet een' grooten zegen van
^ijne goede hand ?
En deze zegen wordt nog veel grooter,
gij bedenkt, waarom en waartoe Hij u
hier spaarde. Paulus noemt onzen levenstijd
®e/je« welaangenamen tijd, een dag van zalig-
^^id (i) omdat het een tijd is, waarin de
hefderijke God ons zijne genade laat ver-
kondigen, waarin Hij ons roept tot be-
''eerlng en ons belooft, dat Hij ons wil
hooren en helpen. Aan dezen kostelijken
Wenstijd heeft Gods lankmoedigheid over
eene dubbele lengte gegeven; Hij heeft
nu al zeventig jaren op de school ge-
raten, waar ge kunt leeren wijs worden
tot uwe zaligheid.
IL Echter heeft de ouderdom ook zijne
lasten en ongemakken.
De oogen kunnen doorgaans niet goed meer
zien; de ooren niet zoo gemakkelijk meer
hooren, de ramen en handen zijn te stram
en te stijf om te werken; de lendenen en
lieenen moeten dikwijls met een stok worden
«ondersteund om het ligchaam te dragen; gij
Sevoelt van tijd tot tijd zwakheden en onge-
»nakken, waardoor gij meer en meer van de
hnln van anderen moet afhangen; gij w®^
Van week tot week ongeschikter voor de be-
(0 2 Kor. VI: 1,2-
-ocr page 14-ziglieden en genoegens van dit leven; gij slaap*
niet meer zoo gernst als in vroegere jaren-
Zoo blijft n hier op aarde, hoe langer hoe
minder te hopen over; de vrienden uWeJquot;
jeugd zijn reeds henen gegaan, en andere»
kunt gij niet gemakkelijk vinden; zoo zit g«
dikwijls eenzaam, hulpbehoevend neder. W»*^
al onaangenaamheid en ongemak ? Maar dat
neemt den zegen van een lang leven niet weg'
integendeel, deze zelfde ongemakken heeft
Gods wijsheid en liefde aan den ouderdom
verbonden, om u in uw eigen ligchaam eP
gevoel, dagelijks te waarschuwen, dat ge niet
lang meer zult leven , en dat gij u ieder uur
bereid moet houden. Hij trekt u uit den
gezelligen omgang met uwe medemenschen,
omdat het stiller leven voor oude lieden
dubbel heilzaam is. Hij geeft u slapelooze
nachten, opdat gij in de donkere eenzaamheid
te meer aan Hem en aan uwe nabij zijnde
verschijning voor zijn gerigt, zoudt denken ;
dat gij uw verloopene leven, zooveel gij kunt,
u zoudt in gedachten brengen en bedenken,
wie die groote en goede God is, die zoo
langen tijd voor u gezorgd heeft, en wie gij
zijt en hoe gij u gedragen hebt voor Hem.
O! dit kan zoo nultig zijn; want :
III. De ouderdom maakt eene groote
rekening en eene ztcare schuld.
i-e/ie/iiiey cquot;nbsp;------
Gij weet wel wat eene groote en zware
''^hning isP Het is een rekening, die ons
opgeeft wat wij, sedert lang, van tijd tot
t'id hebben ontvangen, wat wij daarvoor
Inhuldig ziin en nu moeten veranlwooi oen.
^00 maakt de ouderdom eene gi'oote en zware
^Hening, want als gijlieden, die nu al zoo
Me jaren geleefd hebt, eens nadenkt, wat
8e van uwen Schepper en Weldoener hebt
'»Mvangen voor ziel en ligchaam van uwe
lgt;ügd af, dan is dit waarlijk niet te tellen ;
liet is eene verbazende som van a lerlei zege-
lringen. Zal ik er u eenige optellen , die gi,
«tt ik ons duidelijk kunnen herinneren.'' üe
goeddoende God gaf ons ouders die ons lief
Wden en van onze kindschheid af voor ons
«orgden. Hij beschikte ons spijs en drank en
tleederen in minder of ruimer maat. Hi,
hersterkte ons duizendmaal door een gerusten
slaap om met nieuwe krachten ons werk te
doen Hij bewaarde ons ook in de losse jeugd
Voorquot; vele gevaren, waaraan wij soms door
onze eigene onvooizigtigheid en baldadigheia
Moot stonden. Hij gaf ons ieder geroep
en werk, waarin wij door quot;aarstigbe^ e„
ti-ouw ons brood vinden, en oiis ^ f^^l
onderhouden konden. Of,
goedheid ons ook niet eene echtgenoote en
waarschijnlijk ook kiniler^n, van welke wij
vele hulp en liefde ontvangen mogten? Het
IS zoo: het was alles geen zoet, wat wij
proefden; wij hadden ook onze droefenisse»
en hekommeringen, onze ziekten en smarten»
misschien wel vele en zware ; maar was ook
die moeite zelve geene Goddelijke weldadig-
heid, die ons daardoor wilde In toom houden»
opdat wij niet zouden weghollen ? Heeft lÜ)
ons met menigmaal weder uit die moeit®
uitgeholpen? En bedenkt bij dit alles nu nog»
wat Hij gedaan heeft aan onze zielen' Wij
zijn geboren uit christen ouders , in een land,
waar de weg der zaligheid naar Gods woord
duidelijk en zuiver wordt verkondigd. quot;WÜ
zijn gedoopt en hebben aan ons voorhoofd
een teeken ontvangen, dat Gods genade ons,
onreine zondaren , wilde aannemen en reini-
gen. Ook gaf zijne liefde ons scholen ett
meesters, waar wij leerden lezen en schrijven,
en onderwezen werden in andere nuttige
kennis. Wat meer is: Hij schonk ons vele
gelegenheden om onderrigt te ontvangen in
de allerbeste en zaligste wijsheid, in de ken-
nis van den dierbaren Zaligmaker en den weg
ter onzer bekeering en eeuwige behoudenis.
Wie weet, hoe dikwijls die liefderijke God
ons heeft toegesproken door eenen trouwen
leeraar, of andere verstandige en vrome
menschen, die ons vermaanden en opwekten?
^ie weet, hoe dikwijls Hij ons heeft bestraft
«Q beeft gewaarschuwd door de stem van
geweten?
Maar, boe zou iemand onzer kunnen op-
bellen alle de weldadigheden, die hij van
^ijue kindschheid af, tot nu toe heeft ontvan-
gen van dien God en Leidsman zijns levens?
Ik heb u maar een gedeelte opgenoemd,
öenkt zelve eens na! Gij zult er nog vele
andere en groote zegeningen kunnen bijvoe-
gen. Gij zult met den vromen man moeten
bekennen: O God! gij hebt mij geleerd van
''djne jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik
^We wonderen! (i)nbsp;,
En alle die ontvangene weldaden maken
tiü eene groote rekening en eene zware
schuld, waarvan wij verantwoording moeten
doen. En bij WienP Bi) den hoogen en
heiligen God, die naauwkeung, tot het
minste toe, alles weet, wat Hi) aan ons
gedaan en gegeven heeft. En wat zullen
nu den Heere vergelden ? i) moesten
ieder dag en week, van onze kmdsheid at,
Hem alle de liefde en eerbied van onze
harten, de dankbare gehoorzaamheid van
ons geheele leven geschonken hebben. Maar
ach! de beste mensch, die er leeft, üeeu
niet ten halve voldaan, wat bij aan zijnen
Goddelijken Weldoener schuldig was, en
(ij Pialm LXXI : 17-
-ocr page 18-hoe zal dat dan wel gesteld zijn met ons ?
U! er staat eene groote schuld open, waar-
voor WIJ beangst moeten zijn, en zeggen =
•/ / ° dezelve nooit voldoen, _ Pf^at zd
Ik Jen Heer vergelden P Alle Zijne weldadet^
zijn op mij! (i)nbsp;^
IV. Evenwel hebben vele mensehen, schoon
nu reeds hoog bejaard, nog nooit met
ernst aan die groote schuld gedacht.
Waarlijk ! wij moeten bedroefd ea ver-
baasd staan over ons zelven, als wij op-
merken hoe onbedachtzaam en ligtzinnlg
wi] veeM handelen met onze ontsterfelijke
zielen. Dezelfde mensch, die geen rust zoU
hebben wanneer hij aan zijne naasten zijne
schuld met kon voldoen, uit vrees, dat al
zijn goed verkocht, en hij arm uit zijn
huis gezet zou worden, die zelfde mensch
t)ekommert zich niet het minste over de
vreessehjke en onbetaalbare schuld, die hij
tieeft bl, den regtvaardigen God, die te rein
i'an oogen is, dan dat Hij het kwade onge-
stralt zoude aanschouwen, en die den schul-
digen geenzins onschuldig houdt. (2)
En nog veel aandoenlijker is dit, wan-
neer men ook oude mensehen ziet voort-
leven m zulk eene jammerlijke zorgeloos-
(1)nbsp;Psalm CXVI : ts.
(2)nbsp;Hal). I : i3rt, n„||,. .
-ocr page 19-^id. De jeugd is ijdel eu dartel; be-
looft zicli nog vele jaren levens, en maakt
Zichzelve wijs, dat zij in vervolg van Uja
•rog wel eens ernstiger en vromer worden
dit is reeds een gevaarlijk zelfbedrog.
als nu de jonge jaren reeds lang voorbi]
«ijn, als de jongeling, door Gods ver-
■iiaagjaambeid over bem, een man, als de
liaa een grijsaard is geworden, als de dood
voor de deur staat, en iederen dag dreigt
»aa te kloppen, om den ouden zondaar op
te roepen; en bij blijft dan nog zonder
quot;adenken, zonder zorg, o! dat is ver-
scbrikkelijk! Binnen weinige maanden , mis-
ScKien binnen weinige dagen, staat hi, voor
den alwetenden en heiligen God; boe za
liij zicb verantwoorden? Wat zal b.j tot
^i ne verscbooning inhvengen? Boven bon-
dird anderen gaf de Goddelijke liefde hem
tijd om tot inkeer te komen, maai hi
Wilde niet; hij leefde alleen om zijne schuld
Koe langer hoe grooter te maken. Schrik-
kelijke waarheid! hoe ouder de mensch
^erd, dies te slechter is hij geworden.
Zijt gij dan, die dit op u zeiven moet
passen, niet allerschandelijkst gezonken ? ^M^
gij niet hoogst ongelukkig ?
-ocr page 20-V. 0/ het i,9 eene groote schande en een
jammerlijk ongeluk, oud, en dan
nog onbekeerd en ver van God
te zijn.
Of is het geene schande, ondankbaar t®
zijn? Ondankbaar tegen God? Oude liedeo'
gij hebt nu reeds zoo lang geleefd, gij zij.^
bewaard boven de gezellen uwer jeugd, ggt;i
hebt ontelbare weldaden ontvangen , gij beH
vele getrouwe vermaningen geboord, of al'
thans kunnen hooren, maar gij hebt dit alle®
veracht en misbruikt, gij hebt geleefd allee»
om uwen kost te winnen, om te eten, te driO'
ken te slapen, uw geslacht voor te planten,
uw genoegen te zoeken ; dus deed gij nie'
veel meer dan een paard of enel; en gij zijt
toch zoo veel meer dan die redelooze die'
ren! Gijl een mensch, geschapen met re'
dehjk verstand, opdat gij uwen goeden eP
grooten Schepper zoudt kenuen en lief-
hebben, maar gij hebt Hem vergeten, gij
2«jt Hem ongehoorzaam geweest zeventig ja-
ren lang! Is dit geene schande P Is dit geeiie
lage en verfoeijelijke ondankbaarheid? Hoort
eens wat God zelfs zegt van zulke menschen:
Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de
krib van zijnen heer, maar dit volk heef
geene kennis, het verstaat niet. (i)
(i) Jet, I : S
-ocr page 21-Ën zulk een leven is niet alleen fii'oole
^'^Wnde, maar het is ook groote zonde, d.e
zwaarste straf verdient, en gij zilj nquot;
»iwen ouden dag daardoor allerongelukkigst.
7lt;is goedertierenheid gaf u dit lange leven
V.® een zegen; maar, arme mensch! gij hebt
r't Voor u in een vloek verandert; tel eens
7e vele jaren gij hebt geleeft, hoe vele
^agen er zijn in ieder jaar; en boe vele
^öttden gij deedt iederen dag? Dit maakte
getal van duizend, van honderd dui-
^«öd overtredingen, die geheel voor uwe
quot;■^kening liggen. Gij zult wel de meeste
^'iö die zonden vergeten zijn, maar zij
^^aan al te zamen aangeteekend bij God. hn
!oor iedere zonde verdienen wij straf, want
«ij is heilig eu regtvaardig, en m; allen
quot;toeten geopenbaard worden voor den regter-
quot;fodvaii Christus, opdat een ieder wegdrage,
\^tgene door het ligchaam (geschiedt),naar dat
gedaan heeft, het zij goed het zi] kwaad. (1)
al die zónde is in oude menschen nog
quot;binder te verschoonen, omdat zij zoo dik-
wijls gewaarschuwd werden, en boven an-
'^erea zoo veel meer tijd hadden, oni tot
^jadenken en bekeering te komen. Zijt gi)
dan niet allerongelukkigst P Oud en afgelcetd,
^^ dan nog ver van God en zijne gunsl.
Jud en afgeleefd, en dan nog geheel on-
bereid om de eeuwigheid in te gaaquot; ,
(') 2 Kor. 5. \s 10.nbsp;°
VI. Bovendien is hel voor oude lieden duhhe^
moeijelijk, om nu nog tot verandering
en bekeering te komen.
Het is voor ieder mensch eene moeijelijl'^
zaak om zijn hart en zin opregt naar God t®
wenden , want onze natuur is diep verdorveo!
wij hangen vast aan de aardsche dingen; ivij
zijn zeer gezet op onze zondige lusten e»
genoegens; wij hebben geen behagen in ^^
kennis van den waarachtigen God en dequot;
eenigen Zaligmaker; hier komt nog bij, da'
wij dagelijks vele slechte, en weinig goede
voorbeelden rondom ons hebben. Dit all«'
maakt, dat de opregte en bestendige bekee'
ring eene moeijelijke zaak is voor den menscb-
Daarom ook zegt de Heer Jezus: Gaat
door de enge poort, want wijd is de poort efi
breed is de weg, die tot het verder f leidt, eigt;
velen zijn er, die door dezelve ingaan! Wa«'^
de poort is eng, en de weg is naauw die to^
het leven leidt, en weinigen zijn er, di^
denzelven vinden, (i)
Nog moeijelijker is het voor n, oude men-
sehen ! die nog nooit met ernst hebt gedacW
aan de behoudenis van uwe ziel. Dubbel
moeijelijk is uwe bekeering, want ^/e zondei^
zijn bij oude heden zeer diep geworteld. MeO
heeft dan van de kindschheid af naar eige»
(i) Mauh. YII : i3 , 14.
-ocr page 23-j!« geleefd; men is door de langheid van
jld vastgehecht aan zijne verkeerdheden en
gewoonten , men kan er zich dus met
^«Hakkelijk van losmaken , en dikwijls iieeit
daartoe ook geen lust. Ook worden oude
'^^tschen hoe langer zoo meer onvatbaar. De
vermogens der ziel, waarmede men in
^ïoegere jaren zoo veel goeds leeren kan,
Verzwakken en verstompen; daardoor kan
'•'eti nu de dingen niet zoo spoedig hegrijpen,
l'» niet zoo gemakkelijk in het geheugen
'^ewaren; het gezigt en het gehoor is soms
zeer verminderd, dat men den kostelij-
S bijbel niet meer kan lezen of hooren
®2en, en ook van den openbaren godsdienst
yinig nut kan hebben. Hierdoor is er m
'^^n ouderdom dikwijls ook weinig lust om nog
gt;t goeds te leeren. Men bemerkt hoe moei-
'elijk en langzaam dat gaat, en geeft daardoor
ras den moed verloren. Ook wordt me-
•l'geen zoo zeer geplaagd en belemmerd door
ongemakken van een afgeleefd ligchaam,
bijna aan niets anders met ernst denken
■^an. Wat dunkt u ? Is het dan voor een oud
^ensch niet dubbel moeijelijk om nu nog tot
l^ai-e bekeering te komen? Daarom zegt God
zijn woord tot ons: Gedenh aan uwen
^''hepper in de dagen uwer jongelingschap.
de kwade dagen komen, en de jaren nade-
'e«, van welke gij zeggen zult: ik heh geen
lust in dezelve, (i) En bedenkt bij dit all^f'
hoe weinig tijds u voor dit moeijelijk en gS'^'^^ê'
tig werk uwer bskeering overschiet. Gij
nabij het graf, nabij Gods ooideel!
weinige jaren nog? Misschien zijn n nog raa^^
weinige maanden over. En dit werk on^^'
bekeering is zoo gewigtig; het kost zoo ve''''
oefening en inspanning; bet is niet zoo spoed's
afgedaan. Vraagt het aan bejaarde menscheP'
die reeds In hunne vroege jeugd begonnef
God te zoeken en te dienen: zij zullen u
e'e'nen mond antwoorden, dat men zonde'
dagelijks waken, bidden en strijden, stilstaati
en zelfs achterwaarts gaat op den goede''
weg. Demeeslen hunner zullen met schaamt'^
belijden , dat zij nog niet meer dan de eerst^
beginselen van ware godsdienstigheid equot;quot;
vroomheid geleerd hebben. Hoe zult gij h«'
dan maken? Gij die oud geworden zijt iquot;*
zonde en zorgeloosheid, en uu nog maa'
weinig tijds overhebt? Waarlijk, het moe'
voor u wel zeer moeijelijk zijn, nu nog be'
keerd en behouden te worden.
Wat zegt gijlieden die dit leest of hoort
Treft het u niet? Bekommert het u niet-
Of kunt gij ook deze waarschuwing, die d«
Goddelijke liefde u aan de poort der eeu'
wigheid laat toekomen, van u werpen ? 0»'
gelukkig verhard mensch! wat is er dan mee»'
(i) Pred. Xn : t.
-ocr page 25-U te doen? Moet gij dan niet in uwe
i^'i'ien sterven en verloren gaan? Maar ik
ll^pe; althans van sommige uwer, wat beters,
r bid den genadigen God , dat deze trouwe
^''innering en opwekking nog den een' en
^gt;»deren ouden menscb treffen zgt;il. En als
pzelve u treft, dan zult gij ten hoogste ver-
^ëen, beklemd en bedroefd worden, en
baarlijk niet zonder reden : want uwe schuld
t groot en zwaar , en uwe toestand aller-
Hlagelijkst.
Maar denk echter niet, bedroefde en be-
®lt;^liaamde zondaar ! dat uwe toestand onher-
stelbaar zou zijn; denkt niet dat gij nu vol-
strekt alle hope op bekeering en zabgheid
^^Udt moeten opgeven.
^II. Hoe moeijelijk het ook moge zijn vwr
o«(/e mensehen, om nu nog bekeerd en zalig
te worden, het is echter niet onmogelijk.
Indien de wegdwalende zondaar zichzelven
^^Hen in eigene kracht, op den goeden weg
J^oet brengen en bewaren, zoude hij alle
^ope moeten opgeven, maar dit is het werk
^an Gods almagtige genade. Geen mensch
^'^ü zich ook in waarheid naar God wenden,
*iidien niet God zelf ons hart tot zich trok.
Ons hart, zeide ik, want het is niet alleen
^ös uitwendig gedrag, maar eerst en vooral
hai-t, dat veranderd en vernieuwd m.oet
É
-ocr page 26-worden ! Dit doet de genadige God , als Hi)
door zijnen Heiligen Geest ons geweten regt
wakker maakt, als Hij ons bepaalt bij ons-
zelven, en bij de schande en ellende der zonde»
waaiün wij gezonken liggen, als Hij ons leer»
beseffen, wat straf en jammer de verharde
zondaar heeft te wachten. Maar dit alleen
zoude ons nog niet helpen, dit zoude on«
veeleer wanhopend doen wegvlugten voor
den Alwetenden en Regtvaardigen, dan da'
wij tot Hem zouden wederkeeren. Daarom
wil Hij ons ook bepalen bij Zijne groot«
en onbegrijpelijke barmhartigheid, waardoor
Hij Zijn eigen geliefde Zoon overgaf in den
dood voor zulke onwaardige, verlorene»
strafschuldige zondaren tot eene verzoening
van onze zonden, opdat een ieder, die met
schuldbelijdenis nederbukt voor dien barni-
harligen God en Vader, en in dien Zalig-
maker zijne behoudenis zoekt, niet verloren
ga, maar het eeuwige leven hebbe. (i) Daaro»
roept het evangelie ons toe: fFerht uvfS
zelfs zaligheid uit met vreeze en heven, met
alle bedachtzaamheid en heilige zorgvuldig-
heid, %vant het is God die in u werkt, hei-
de, hei willen en het volbrengen naar zijn
welbehagen. (2) O! hoe gelukkig is de mensch»
die zulke Goddelijke opwekkingen en aan-
sporingen nog gewaar wordt in zijn hart! —'
(i) Joan. 3: vs. i6. (2) Philipp, j: vs. , i3.
Hebt gij, oude menschen' deze stem van
God ook wel niet eens gehoord in uw bin-
'lenste? Misschien wel in uwe vroegere le-
vensjaren. En komt die slem niet nu nog
op dit oogenblik , daar gij dit hoort of leest,
tot n? Maar gij hebt niet geluisterd! O hoe
Roekeloos, hoe ondankbaar, hoe slecht hebt
dus gehandeld! En evenwel is het nog
'liet te laat. Zoo waar als gij leeft, gij
^Unt nog veranderd en bekeerd worden:
Si) kimt nog vergeving ontvangen van alle
Uwe zonden, en in den hemel komen. —
Ik durf nog sterker spreken:
Vin. Oude lieden mogen, zoo wel als jon-
gere , denken en hopen, dal de genadige
God hen zeker zal aannemen, als
zij zich nu nog in opregtheid
tot Hem wenden.
Waarom heeft God u al zeventig jaren,
en mogelijk nog langer, gespaard, daar gij
Zoo velen uwer tijdgenooten zaagt henen
gaan naar de eeuwigheid? Gij zijt niet in
het leven gebleven, omdat gij beter waart
dan zij, of omdat de onafhankelijke God u
Uoodig had , maar door Zijne lankmoedigheid
en genade over u , zijt gij gespaard, opdat
gij te langer tijd zoudt hebben om te be-
denken, wat lot behoudenis uwer zielen
dient. Zoo mag en moet dan uwe ouderdom
u een sprekend bewijs zijn, dat die lank-
moedige God geen lust heeft in uw verderf,
maar daarin, dat gij u bekeert. — Wat zoudt
gij denken van eenen hovenier, die een' ouden
boom, welke geene vruchten wilde dragequot;,
echter jaren achtereen staan liet in zijnen
hof, terwijl hij gedurig andere boomen , hie«quot;
eu daar in den hof staande, uit roeide?,
Zoudt gij niet zeggen: deze hovenier moet
dien ouden boom wel bijzonder liefheb-
ben: hij hoopt zeker, dat die boom toch
nog eens vrucht zal geven. Zoo heeft God
ook u liefj daarom verlengde Hij uwe da-
gen ; daarom laat Hij u, ook op dezen oo-
genblik, nog vermanen en opwekken. —
Ik wil u eene gelijkenis verhalen , welke
de Heer Jezus, loen Hij hier op aarde was,
aan de menschen voorstelde, en waarin Hij
hun leerde de onafhankelijke goedertierenheid
van God, die ons, niet naar mindere of
meerdere verdiensten, maar uit vrije barm-
hartigheid aanneemt, als wij Hem en Zij-
ne dienst, hoe vroeg of laat dan ook, in
waarheid kiezen. Het is de gelijkenis van
de arbeiders in den wijngaard, (i)
»Een heer, die vele goederen had, ging
eens in den vroegen morgen uit om arbeiders
te zoeken en te huren, die moesten werken
in zijnen wijnberg. Hij vond er eenigen
(i) Matth. 20 : vs. i , enz.
die zich bij hem verhuurden , onder beding
dat zij eenen zilveren penning tot dagloon
ontvangen zouden. Maar de heer des wijn-
Wgs verlangde nog meer arbeiders, daarom
ging hij des morgens ten negen ure nogmaals
'lit, en zag eenige mannen ledig staan op
den weg, hij zeide tot hen: komt, gaat gij-
lieden arbeiden in mijnen berg, ik zal u een
behoorlijk dagloon geven. Deze mensehen,
Wel te vreden met die belofte, gingen heen
en arbeidden. Maar nog had de heer geene
arbeidefs te veel: toen hij dan midden op
den dag, en zelfs nog later, anderen ont-
tooetede , die almede ledig langs den weg lie-
pen , sprak hij ook dezen aan, en maakte
inet hen dezelfde afspraak: gaat werken in
üiijnen wijnberg, zeide hij, gij zult u over
mijn loon niet beklagen! Nu begon de
avond reeds te komen; het was nog maar
een enkele uur voor zonnen-ondergang,
daar vind de Heer van den wijnberg al weder
Zulke ledigloopers, en zegt tot hen : hoe
staat gij daar den gebeelen dag dus ledig?
Zij antwoorden hem: wij hebben geen werk;
niemand heeft ons gehuurd. Komt, zegt
hij nu tot hen, gaat ook gij, al is het reeds
laat, nu nog naar mijnen wijnberg, ik zal
Uwen arbeid, hoe lang of kort die dan ook
zijn moge, niet onbeloond laten. Deze
mensehen ware daarover blijde en weltevreden.
Zl, spoedden zich voort, en arbeidden nog
het laatste uurtje van den dag mede in den
Wijngaard. Nu is de dag ten einde; er zal
afrekening geschieden en ieder der arbeiders
Tp I'T rfnbsp;De heer des wijn-
J^eigs laat daarom zijn rentmeester, die het
opzigt had over alle zijne goederen, bij zicb
komen en onderrigt hem, hoe het zich met
de onderscheidene arbeiders had toegedragen,
en wat hij aan ieder moest betalen. H^pt
Zff^nbsp;•^'^S'^^en, die het
aats in mijn werk z.jn gekomen, en ga voort
tot den eersten toe die zich voor den ge-
heelen dag verhuurd hebben , maar gij moet
aan ieder zonder onderscheid, het volle dag-
geld geven De rentmeester doet, gelijk zij'n
beer hem bevolen had, en geeft dus L de-
genen , die maar een enkel uur, of weini-e
-en gearbeid hadden, den volkn pLii^g!
Waarlijk! zoo veel hadden deze arbeiders
dènbsp;-quot;een
de mdde en onverdiende goedheid van den
heer des wijnbergs. Nu komen ook de
anderen die zich voor den geheelen dag
verhuurd hadden, en meenden dat zij nf
ook wel meer dan hunne medemakkers'ontquot;
vangen zouden; maar dit bedroog hen: zij
ontvmgen met meer dan hetgeen bedongen
was leder ook een zilveren penning. Nu
werden zij boos en beklaagden zich, als of
-ocr page 31-Iiüa groot ongelijk geschiedde. Hoe ? zeggen
^ij : aan hen, die maar een uur gearbeid
hebben, geeft gij zoo veel als aan ons, die
Van den vroegen morgen al gewerkt, en de
hitte van den dag gedragen hebben ? Maar
deze onbillijke klagt kon hun weinig helpen;
de heer van den wijnberg zeide tot een van
deze onvergenoegden : vriend! ik doe u geen
liet minste onregt; ik heb u immers ten volle
l'etaald wat gij bedongen hadt? Neem dan
Uwen penning en ga heen! Of mag ik met het
öiijne niet doen wat ik wil? Wilt gij nijdig
en afgunstig zijn, omdat ik mild en vriendelijk
ten? Zoo moesten nu de eersten, die zich
Van hunne moeite en arbeid zoo veel verbeeld-
den , ongetroost henengaan, terwijl de ande-
ren, die, zonder iets te bedingen, en tevreden
met hetgeen de heer des wijnbergs hun zou
willen geven, gewerkt hadden, zoolang zij
nog konden, rijkelijk cA boven alle hunne
Verwachting beloond werden.quot;
Wat dunkt u van deze gelijkenis, oude
lieden? Ik hope, dat gij de meening van
den Heer Jezus in dezelve verstaat. Het is
met u ook al aan den laten avond van uwen
levensdag gekomen; er schiet u nog maar
zeer weinig tijds, een enkel uurtje van dien
gewlgtlgen dag, over. Gij hebt misschien
ook dien geheelen levenstijd ledig doorge-
bragt; gij hebt u nog nooit In Gods werk en
dienst begeven; gij hebt geleefd zonder iets
goeds voor uwe zielen bij Hem te zoeken of
te winnen; maar zoo barmhartig is Hij over
zulke trage en nietswaardige menschen , dat
Hij u in het laatste uur vau uwen dag nog
toeroept: Gaat heen in mijnen wijngaard, en
wat regt is zal ik u geven; dat is te zeggen:
» verlaat uwen onnutten en slechten levens-
weg, die u geen het minste heil aanbragt,
en kiest mij tot uwen Heer, dien gij wilt
dienen; gij zult bet u nooit beklagen, Ik
zal het wel met u maken.quot; Is zulk eene
roepstem, die heden nog tot u komt, geene
groote barmhartigheid van God ? Schoon gij
oud en afgeleefd zijt, buiten zijne kennis en
dienst, wil Hij u nog aannemen onder zijne
dienaren; wat meer is: Hij verzekert u,
dat Hij het boven alle uwe verwachting, en
boven alle uwe verdiensten u zal wel doen
gaan, indien gij u toevertrouwt aan zijne
liefde en ontferming, en nu nog zijne dienst
in waarheid kiest. Zoudt gij dan nog langer
dit kostelijke leven verwaarloozen? Zoudt gij
nog langer doof willen blijven voor de stem,
die u reeds zoo dikwijls te vergeefs heeft
geroepen, en nu nog aan den laten avond
van uw leven u vriendelijk roepen laat? O!
dan ware het u beter, dat gij dit boekje niet
gelezen, dat gij deze gelijkenis niet geweten
had.
IX. Oude lieden moeten dan met dub-
belen ernst, en zonder eenig uiislel
hedenhen en ter harte nemen,
wat tot hunne eeuwige be-
houdenis dient.
Ik heb het reeds opgemerkt, hoe dwaas
en gevaarlijk bet is, als jonge menschen on-
bedacht en zorgeloos omtrent de behoudenis
Vnner zielen leven, den dood ver van zich
«tellen, en meenen, dat zij nog tijd heb-
ben ter hunner bekeering. Maar hoe veel
dwazer, hoe veel slechter en gevaarlijker
handelen hier oude lieden ! Lieve menschen!
Uw tijd is kort en weinig; die koslelijke tijd
Van voorbereiding, die aangenaame dag van
Zaligheid! Stelt u voor, dat Gods lank-
moedigheid u tachtig jaren zal laten leven;
boe veel hebt gij er dan nog over? Mis-
schien geen tien; misschien geen vijf. Maar
gij kunt u hier niets zekers beloven; mo-
gelijk leeft gij geen maand meer. En zult
gij dan nog langer uwen ouden dwaalweg
gaan, even als of er geen God, geen Za-
ligmaker , geene eeuwigheid, geen regtvaar-
dig oordeel voor u ware? Of zijt gij een
Van die geheel verblinden, die met ondank-
bare gemelijkheid zeggen: » ik wenschte
dat ik maar dood was, wat doe ik langer
op aarde?quot; O! gij weet niet vvat gij zegt;
gij kent den Heiligen en Regtvaardigen niet,
voor wien gij moet verschijnen, gij kent den
Lankmoedigen en Genadigen niet, die
liefde uwe dagen verlengt. Of veracht gij den
rijkdom der lankmoedigheid der goedertieren-,
heid en verdraagzaamheid GodsP fFeet gij niet,
en wilt gij niet ter harte nemen: dat zijne
goedertierenheid u tot hekeering leidtP (O
Neen! dit mag zoo niet; nu moest iederen
dag in den ouderdom u meer waard zijn,
dan een geheele maand u was in uwe vroege
jeugd; haast, haast gaat gij sterven, en dau
is het met u voor altijd beslist!
Als wij eene groote en gewigtige reis moe-
ten doen naar een ver land, waar wij nooit
geweest zijn, dan maken wij vooraf alle
mogelijke gereedheid, en zoeken ons te ver-
zorgen van alles, wat wij tot die groote reis
noodig hebben, en wat ons in dat vreemde
land kan te pas komen; wij zoeken een
leidsman en raadsman, die ons kan onder-
rigten van den regten weg. Als wij dit een
en ander verzuimen, loopen wij gevaar, dat
wij grootelijks zullen verlegen staan, als wij
de reis moeten aannemen, en nooit goed
zullen te regt komen. Oude lieden ! binnen
zeer korten tijd moet gij de reis aannemen
naar dat vreemde land, waar nog niemand,
die op aarde leeft, ooit geweest is , en waar
(i) Bom. II: 4.
äÜes geheel anders is dan hier. Zijt gij al
gereed voor die gewigtige reis? Kent gij den
J'egten weg wel ? Hebt gij al eenen goeden
*eidstnan? O! daar is er maar e'e'n: Hij is
»ezus Christus. Hij is de leidsman ter zalig-
'leid, en roept ons toe: Ik ben de weg, de
quot;gaarheid en hei leven, niemand komt tot den
^ader dan door mij. (i) Ei! wordt toch eens
Wakker! slaapt niet voort tot uwen dood toe,
^laar bedenkt nu nog wat lot uwe eeuwige
hehoudenis dient.
Wat is er dan te bedenken en te doen voor
oude mensehen, die tot nu toe leefden buiten
de genade van den Heer Jezus Christus,
buiten God en zijne dienst?
Dat is dan nu toch wel eene allergewigligste
Vraag voor ulieden; ik ken er geene, die
gewigtiger zijn zoude. Is zulk eene vraag
Onder het lezen van dit boekje nog niet bij
1 opgekomen! Hebt gij niet bij u zelven
gedacht: wat, moei ik ongelukkig zondaar
doen, om nu in mijnen ouden dag nog be-
touden te worden? Van u allen durf ik dat
niet hopen; ik vrees veeleer, dat de meesten
Ook deze laatste vermaningen en waarschu-
wingen zullen versmaden, gelijk zij er al zoo
Vele versmaad hebben; maar hier of daar
Zal er echter nog wel een enkele zijn, wien
de oogen open gaan, die levendig gevoelt,
(i) Joan, XrV: 6.
-ocr page 36-dat hij staat op den i-and van een eeuwig
verderf, en die vraagt: waar is er hulp ■
Waar is er behoudenis ? Eu hier ben ik verle-
gen , hoe ik u zal antwoorden ; niet omdat er
geene hulp en behoudenis voor u is, maaV
omdat ik niet weet, hoe ik ulieden dieo
eenigen velligen vreg duidelijk en krachtig
zal voorstellen, daar gij veelal onkundig, e»
door uwen ouderdom onvatbaar zijt. Maar
ik heb hope. Als Gods almagtige kracht en
invloed uwe harten opent, en uwe zielen
verlicht, dan zult gij mij verstaan, dan zult
gij op den goeden raad, dien ik u uit Gods
woord geef, acht geven en er naar luisteien,
tot uwe behoudenis.
Eersten vooral: dankt God dat gij nog leeft
Het zou wel goed zijn, als gij daarmede be-
gont. Knielt-neder voor den Lankmoedigen
en Ontfermenden , die u zoo langen tijd ver -
droeg in uw zondig en ondankbaar leven,
die u nog uit enkele liefde laat waarschuwen
en tot zich roepen, daar hij u, gelijk velen
wedervoer , al in uwe jengd had Imnuen
wegnemen van deze aarde, om u te straffen
voor uwe zonden. Waarom verschoonde
Hij u zoo lang? Erkent het, gevoelt het,
belijdt het! Dit was enkele liefde, bai-mhar-
tlgheid en genade.
Maar, zet er u dan ook toe, om bedaard en
ernstig na te denken over uw verloopene leven !
^lisschien vreest gij dit te doen, daar gij wel
Weet, welk eene menigte lelijke zonden n
^an zullen voor de aandacht komen; maar
dan zoudt gij niet opregt handelen. Neen ,
moeten het oog niet sluiten voor ons
zeiven, want dit maakt onzen toestand hoe
Unger hoe erger en gevaarlijker; wij moeten
Ois zeiven willen zien gelijk wij zijn , want
de regte kennis van onze kwaal baant den
Weg tot hulp en genezing. Plaatst het in
Uwe gedachten eens naast elkander, wie God
Was voor u, en wie gij geweest zijt voor
God! Hoe vele vermaningen en waarschuwin-
gen gaf Hij u; maar gij hebt dezelve altemaal
Verworpen. Hoe vele weldaden onlvingt gij
uit zijne hand; maar gij hebt dezelve mis-
bruikt, en in allerlei zonden doorgebragt:
de een was een leugenaar, de ander een
vloeker, de derde een hoereerder , de vierde
een gulzigaard en dronkaard, de vijfde een
dief en bedrieger, de zesde een verachter
Van de godsdienst en den dag des Heeren.
Ja ! waarschijnlijk staat gij aan meer dan eene
Van die opgenoemde zonden, in mindere of
öieerdere mate, schuldig. En hoe vele
slechte gedachten en begeerten, hoe vele
ondeugende woorden , hoe vele booze daden
hebt gij bovendien voor uwe rekening! Helaas!
die zijn ontelbaar.
Misschien is er wel eens een tijd geweest
-ocr page 38-in uw leven , dat uw geweten wakker werd,
dat gij begont een' anderen weg te zoeken,
en af te staan van uwe zonden; maar g»)
zijt wedergekeerd tot uwe vorige slechthe-
den, en nu zijt gij oud geworden in de
zonde.
Misschien deed gij geene belijdenis des
geloofs, voegdet gij u niet bij de gemeente
des Heeren, en hebt dus geleeft als een
beiden; en dat, daar gij geboren cn opge-
voed zijt in eeu land, waar Gods wooi'd
verkondigd wordt, waar zoo vele gelegen-
heden zijn om onderwijs te ontvangen i»
den goeden weg. Zoo hebt gij God en den
Zaligmaker veracht, en met uwe daden ge-
zegd : ik heb geen lust om Hem te dienen.
Misschien deedt gij in vroegere jaren be-
lijdenis van den weg der zaligheid, en zijt
tot lidmaat der Christelijke gemeente aange-
nomen ; maar wal heeft hetugebaat? Gij zijt
een lidmaat in naam, en niets meer; een
lidmaat zonder gevoel, zónder geloof, zon-
der liefde, zonder vroomheid; gij zijt
een trouweloos lidmaat geweest, die uwe
belofte hebt vergeten en veracht; gij zijt
niets beter, maar misschien veel slechter
dan toen gij nwe belijdenis deedt.
Maar, terwijl ik u dus misschien al te
streng toespreek, en tot zelfbeproeving op-
wek, hoor ik meer dan eenen ouden
mensch zeggen: .. Dat geldt mij niet; van
®lle die opgenoemde zonden kenne ik mij
Vi'ij; ik heb steeds mijn best gedaan, altijd
trouw en eerlijk voor mijn huisgezin gezorgd,
jk heb mijne godsdienst waargenomen, ik heb
leder het zijne gegeven, niemand heeft iets
op mij te zeggen. quot; Wel, lieve mensch! zoo
gij hierin de waarheid spreekt, zijt gij boven
de meesten beminnelijk en lofwaardig; er
zijn niet vele zulke mensehen op welke nie-
mand , ook niet hunne huisgenooten, die
dagelijks met hen omgaan, iets te zeggen
hebben. Maar al is dit nu zoo: zou de al-
Wetende en heilige God, die ons overal
ziet en de minste zonde verfoeit, ook niets
op u te zeggen hebben ? Gij zijt braaf en goed
in uwe oogen, omdat gij eerlijk en zedig,
naarstig en trouw, godsdienstig hebt geleefd.
Maar, waarowi hebt gij dit gedaan? Misschien
omdat de liefde voor uw huisgezin en be-
roep, de begeerte om vopruit te komen in
de wereld, en niet minder te zijn dan een
ander, u daartoe opwekte. Dit is wel niet
af te keuren, maar gij hebt dan toch in alle
deze braafheid u zelven en uw huis, uw ei-
gen tijdelijk belang en goeden naam, meer
dan God, uwen schepper en weldoener, in
het oog gehad en gediend; gij hebt dan toch
m dat alles de aarde meer dan . den hemel
gezocht. Zou dit nu ware vroomheid zijn?
Gij zijt braaf en goed in uwe oogen, omdat
gij geen uitspattend zondaar zijt geweest ,
maar het minste kwaad is zonde voor God,
en verdient zijne straf. De mensch ziet aan
■wat voor oogen is, maar de Heer ziet het
harte aan (i). En hoedanig waren nu door-
gaans uw hart en zin , uwe gedachten en be-
geerten? Het woord van God zegt: gij zult
den Heer, uwen God, lief hehhen met geheel
uw hart, met geheel uwe ziel, met al mv
verstand. — Zalig zijn de reinen van harte (2).
Het woord van God zegt: die eene vrouw aan-
ziet om haar te hegeeren, die heeft alreeds
overspel in zijn hart met haar gedaan. Die
tot zijnen broeder zegt: gij dwaas! deze is
strafbaar voor het lielsche vuur (3). O! als
wij ons hart, dat is de gedachten , de lusten ,
de driften, de bedoelingen van onze zielen
nagaan, en die toetsen aan den heiligen wil
van God, dan moeten wij ons diep schamen
voor Hem; dan zullen wij, in plaats van ons
zeiven te verschoonen en te prijzen, ons
zeiven veroordeelen en verfoeijen; dan zullen
wij met den godvruchtigen David zeggen:
wie zou de afdwalingen verstaan P (4) Wie
zou alle zijne zonden kunnen optellen?
Dit alles, en nog meer hebt gij, lieve
(1)nbsp;I Sam. XVI: 7.
(2)nbsp;Matth. XXK : 3y. Hoofdst. V: 8.
(3)nbsp;Matth. V: 22 , 28. (4) Psalm. XIX: i3.
-ocr page 41-menschen! te bedenken en Jn te denken. Eu
dit moet niet vlugtig weg geschieden; dat
Zoude een bewijs zijn, dat de opregtheid bij
nog niet gevonden wordt, maar gedurig
^ met bedaarden ernst moet dat geschieden.
Het behoort mede tot de dwaasheid en ver-
blinding van den ouderdom, dat men de
Zonden van den vroegeren leeftijd, de slecbt-
heden zijner jeugd vergeet, zoodat de be-
öaauwende en beschamende indruk, dien wij
er van hadden, toen die zonde nog nieuwe-
lings bedreven was, door den tijd geheel ver-
dwenen is. Dit is een ongelukkig zelfbedrog.
Al schijnen ook de dingen, die wij zien
kleiner in ons oog, wanneer zij op een' ver-
ren afstand van ons zijn, zij blijven toch
even groot: zoo ook blijft de zonde betzelf-
de lelijke strafwaardige kwaad, al is het ook
een afstand van vijftig jaren, dat wij dezelve
bedreven hebben. O! als gij dus regt ern-
stig leerdet nadenken over u zelven en uw
verloopen leven, da n zoudt gij u meer en
meer schamen en bedroeven , gij zoudt uit-
roepen : „ ik ben schuldig voor God, Ik ben
der verdoemenis waardig 1quot;
Ja! daartoe moet bet komen bij ons, zoo
wij ooit zullen behouden worden. Gij moet
belijdenis doen van uwe zonden voor God.
Gij moet alle de ondeugendheden van uw
nart, en van uw geheele leven voor hem
bloot leggen. Of, zoudt gij u zeiven nog
willen verscboonen ? Ons eigenlievend hart
is daartoe zeer geneigd, en wij verstaan al-
lei-best de rampzalige kunst, om allerlei uit-
vlugten tegen onze schuld, allerlei bedekselen
onzer schande te zoeken; maar deze onze
hoogmoed en valschheid houden ons in het
verderf der zonden. Wij moeten het willen
welen en willen zeggen voor God en men-
schen, dat wij zulke zondaren zijn; ieder
moet zijne slechlheden voor den Alwetenden
met haren regten naam noemen, en zich
daarover voor ffem veroordeelen en verne-
deren. Wij moeten met David zeggen: te-
gen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan
dat kwaad is in Uwe oogen (i). Wij moeten
gelijk de verloren zoon betuigen: Fader! ik
heb gezondigd tegen Z7, en ben niet waardig
Uw kind genoemd te worden (2).
Maar, wat zou deze schuldbelijdenis ons
baten , indien er geene vergeving ware ? Die
opregt zijne zondenschuld belijdt, magen moet
ook om vergeving vragen, en op vergeving
hopen. En kan dan een heilig en regtvaardig
God aan zulke schuldige menschen vergeving
schenken? Ja! gij allen, hoe onkundig gij
misschien ook zijt, weet toch: daar is een
Middelaar Gods en der menschen, de menseh
Christus Jezus (3). ff ij hebben allen gezon-
(i) Psalm II: fi. (2) Luc. XV; 21. (3) I lim. II; 5.
-ocr page 43-cn derven de heerlijkheid Gods; wij
misten zijne Goddelijke gunst en goedkeuring,
e« worden om niet geregtmardigd en aange-
nomen, uit Gods genade, door de verlossing,
die in Christus Jezus is / (i) Het is dus enkele
genade en barmhartigheid. Of» zouden men-
sehen die eene schuld van zestig, zeventig
jaren voor hunne rekening hebben, dat kun-
nen goedmaken ? Och ! wij kunnen niet eene
enkele zonde te niet doen: genade alleen kan
ons helpen. Herinnert u, wat wij straks in
de gelijkenis van de arbeiders in den wijnberg
gehoord hebben: die ledig liepen, boden
zichzelven uiet eerst aan om te arbeiden,
zij zeiden niet, dat zij daar regt op hadden,
zij eischten geen loon, maar de Heer kwam
uit zichzelven tot hen, zocht hen op, en
zeide: » gaat in mijnen wijngaard, ik zal
het wel met u maken.quot; Wij hebben niets
te bedingen, want wij zijn alles onwaardig.
Gods ontfermende liefde moet tusschen
beide komen en ons aannemen ; dat wil Hij
ook doen, dat mogen wij gelooven, dat
moeten wij gelooven, en zoo met verlegen-
heid, maar tevens met eene goede hope, tot
God gaan, biddende met den beschaamden
en boetvaardigen tollenaar: o God zijt mij
zondaar genadig! De hoogmoedige farizeërs ,
die zichzelven prijzen, worden van God ver-
(i) Rom. III: 23, ^/j.
-ocr page 44-worpeu, maar de nederige zondaars, die zich-
zelven veroordeelen, worden aangenomen (O-
O! mijn bijna afgeleefde medemensch, wat
aangenaamheid en verkwikking zou het nog
kunnen geven aan uwe laatste levensdagen,
als gij dien weg van schuldbelijdenis leerdet
loslaan, als de genade van den Heer Jezus
Christus de grootste begeerte wierd voor
uwe harten!
En dan zoudt gij ook van uwe zonden af-
staan, en in uwen ouden dag nog een geheel
ander mensch worden. Alle menschen zijn
zondaars, verdorven van hart en onrein van
leven, maar onder de algemeene verdorven-
heid en schuld heeft ieder nog zijne eigene
zonden en slechtheden: zonden van ons
humeur of temperament, zonden van onze
opvoeding, zonden in ons beroep aange-
leerd, zonden die ons tot eene gewoonte
z.ijn pworden. Hier komen bij zonden on-
zer Jonkheid en vroegere levensjaren. Men
leefde misschien niet altijd zedig en kuisch:
men was niel altijd trouw en eerlijk in zij-
nen handel. Ook hebben oude lieden soms
oude veelen, waarover ja wel gras gegroeid
is, maar die nooit door eene opregte hartelijke
verzoening zijn weggenomen. En al is dit
zoo niet, wij allen plagen, bedroeven, bena-
deelen, beledigen wel eens anderen, moge-
(i) Luc. XVIII : 9—n.
Wel zulken die nu reeds dood zijn, en
die wij dus niet xneer vergeving van onze lief-
deloosheid vragen kunnen. Dit alles kan en
^ag en moet cns veroordeelen en zeer be-
droeven.
Maar ik moet ook niet vergeten Je zort-
^en, die aan den ouderdom meer dan aan
^en vroegeren leeftijd eigen zijn. Hiertoe be-
Iioort gemelijhe ontevredenheid, lastige bedil-
zucht. Ik weet wel, dat jonge menschen, in
Wnne ligtzinnigheid, meermalen de wijze en
trouwe waarschuwingen van bi'ave oude lie-
den aan knorrigheid en ontevredenheid toe-
schrijven, en daarom tot hunne groote schade,
op dezelve geen acht slaan; maar het is niet-
temin ook waar, dat oude menschen meer-
ïnaleu onredelijk klagen over de tijden die
zij beleven:het was, zoozij meenen, in hun-
öe jeugd, alles anders en beter. Dit geda-
i'ig klagen maakt hen onredelijk en lastig,
Zoo wel voor zichzelven, als voor degenen
die met hen omgaan. Ook strijdt zulk een
bestaan met de Christelijke zachtmoedigheid,
die vooral den ouderdom moet versieren;
dit stoot jonge menschen terug, en inaakt,
dat goede raad en Christelijke vermaning, die
oude en vrome menschen dikwijls geven ,
üu uit een gedurig bedlllenden mond, bij
de loszinnige jeugd geenen ingang vinden.
Er is nog eene andere ellendige kwaal.
-ocr page 46-waaraan de ouderdom niet zelden, meer da»
de jongere jaren, krank is. Ik heb dezelve
vroegeyeeds met een enkel woord genoemd:
het JS de verkeerde geheehtheid aan het aad
zi'nbsp;^^^ onde men-
schen dubbel dwaas en verderfelijk is Va»
daar zoo vele ergdenkende zwaarmoedigheid,
zoo vele hardheid en gierigheid. zelfs onregt-
vaardigheid bi, sommige oude lieden. De^
kwaal IS te erger en gevaarlijker, omdat de'
z^ken, die er mede hehebt zija dit moeije-
lijk als eene verkeerdheid willen beschouwen.
Zi, noemen het voorzichtigheid; hunne onTer-
vinding, zeggen ZIJ, heeft ben zoo veel ge-
den 'zirh.'llKnbsp;SewoT'
den, zij hebben zoo menig oud mensch arm
Men worden, men moet zoo blind van ver-
trouwen met Zljn, men moet zich zijn brood
met van onder den arm laten nemen, zoo-
eenenbsp;^^^^^nbsp;i
eene ongelukkige gezindheid, die bij velen
de wai;e en opregt hartelijke bekeering en
taa^'l^H-quot;nbsp;God in den'weg
d., .11 ^^ anderen, wier hart zich. on-
dei alle die verkleefdheid aan het aardsche
tot Godrigten wil, verhindert, dat zij zich
met geheel en volkomen aan Hem kunnen
overgeven, om al de vreugde en vrede en ho
pe van hunne laatste dagen , in Hem te hebben-
O! hoe veel is er in den ouderdom niet
^Ueen voor God, maar soms ook nog voor
l'e mensehen te betreuren ! Hoeveel Is er
^Veranderen! te verbeteren! te bestrijden!
hoeveel is er te waken en te bidden! Hoe-
veel hebben wij aan ons zelven te arbeiden,
onzen dood toe!
Ziet! dit is de weg, die ook voor oude
lieden nog tot zaligheid leidt. Dit noemt
God s woord geloof en bekeering, en roept ons
^oe: de goddelooze verlate zijnen weg, en de
^quot;geregtige man zijne gedachten, en beheer e
^Ich tot den Heere, zoo zal Hij zich over hem
^^tfermen, want onze God vergeeft menigvul-
'^iglijJt (i). Ik kan dit u niet op het hart
drukken; geen mensch , hoe wijs en vroom
l^ij aij, kan ons op dien goeden weg bren-
gen. De genadige God, die ons zoo lang
liet leven, die ons deze vermaningen nog
laat hooren, Hij zelf trekke ons uit de magt
der zonde , Hij zelf roepe krachtig tot onze
hielen, door zijnen Heiligen Geest, en neme
oiis aan om Jezus wil!
Xl. Hoogst gelulildg zijn oude lieden, die
reeds in vroegere jaren den weg des ge-
loofs en der godzaligheid leerden be-
wandelen.
Mijne vrienden! broeders en zusters! die
ik om Christus wil lief heb, schoon ik u
(t) Jesaia LV: 7.
-ocr page 48-Van aangezigt niet kenne! Mag ik unie'
gelukkig noemen? Gij gezegenden van den He-
mel ! Geliefde kinderen Gods ! gelukkig vind'
ge u, als ge achterwaarts, gelukkig als g®
voorwaarts ziet op uwen weg.
Ziet terug, op die zeventig, tachtig mxef^)
die gij hebt afgelegd! Hoe veel lankmoedig-
heid en genade, hoe veel hulp en zorg»
hoe vele bewaring en uitredding, hoe vele
vertroosting en gebedsverhooring hebt gij al
op dien weg ontvangen van uwen getrouwen
God en Vader, om uwes Zaligmakers wil!
Hoe vele gedenkteekenen van goddelijke
liefde, magt en trouw staan daar opgerigt!
Gij zult ook wel met de oude bijbel-heiligen
willen zeggen: d God! gj hebt mij geleerd
van mijne jeugd af; van mijner moeders schoot
%vaart Gij mijn helper. Ik ben geringer dan
alle deze weldadigheden en deze trouw, aan
uwen knecht bewezen. Door de genade Gods
ben ih die ik ben (i). Welk een aangenaam
en bemoedigend terugzien !
Misschien denkt gij : ma.n- het is ook eeti
zeer beschamend terugzien! O ja! als wij
ons herinneren de ontelbare menigte over-
tredingen , waardoor zelfs de leedersie eu
trouwste dienaren van God zich besmet
Äien, ook nog nadat zij uit de magt der
zonde tot Hem getrokken werden. Gij zoudt
(I) Gen. XXXIIr lo. Ps. LXX:5,6,17. iKor. XV: 10.
-ocr page 49-dan ook niet opregt en getrouw handelen,
gij uw oog hiervoor wlldet toesluiieu:
nioeten verootmoedigende zelfkennis lee-
tot onzen dood toe. Maar gij behoeft
'^'et terug le zien op alle deze verkeerdhe-
als op eese schuld, die u bulten den
'^einel zou sluiten. Neen, duizendmalen hebt
8'i dezelve beleden voor uwen God, en al
^adt gij het ook nooit gedaan gelijk het
pehoort, gi) moogt het nu nog doen, en
gedurige vex'ootmoediging, u troosten met
^ijne vergevende genade. Is het zoo niet,
•^at met het toenemen nwer jaren , ook de
Overtuiging in u toeneemt, dat het Evan-
gelie eene kracht Gods Is tot zaliglield, en
dat het dagelijksche schuldbelijdende geloof,
i'Ust troost geeft aan het hart, moed
en kracht geeft om legen de zonde te
''trljden, en hope, dat wij dezelve eens
geheel zullen overwinnen ?
O! welk eene zalige toekomst, als gij
quot;Voorwaarts ziet! Hoe digt zijt gij bij den
Iiémel! Mogelijk durft gij dit niet zoo vol-
mondig zeggen, als gij ziet op uwe blijvende
Verkeerdheid, op de laauwheid uwer liefde
iegens God en den verlosser, op uwe traag-
heid in den strijd legen de zonde. Ja,
dit alles is onze schande en schuld; maar
het verdriet, dat gij daarover gevoelt, mag
1 een onderpand zijn van uwe aannaderende
verlossing en vrijheid ; het is eene goede hope,
met op onze waardigheid, maar®« genade,
en terwijl wi, het ééne oog droevig en neer-
drukkend slaan op ons zeiven, mogen eigt;
moeten wi, het andere oog blijde en goeds-
moeds gevestigd houden op onzen Heer Jezus
Christus Zoo deed Paulus, toen hij uitriep^
Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen?
maar m éënen adem voegde hij er bij: Jk dan^
ixoddoor Jezus Christus, onzen Heer (i)
Zoo moogt gij dan nu goedsmoeds eö
dankbaar uw emde verwachten; zoo moogt
gi] m uwe laatste levensdagen aan andere»
getuigenis geven, hoe goed en trouw Go^
was voor u ; zoo moogt gij bij nw verscheiden
alle uwe lieve achterblijvende betrekkingen
en derzelver belangen aan de genade van uwe»
Verlosser en aan de liefdezorg van uwéö
Uod en Vader opdragen en toevertrouwen-
Wier mag de oude aartsvader Jakoh u te»
voorbeeld zijn Schoon die man gedurende
2 n leven vele bittere en bange dagen ter
zijner verootmoediging en beproeving gehad
ftad, schoon wij hem daarover ookmeermale»
hooren klagen, echter was op zijn sterfbed
ai zijn zeggen, de taal van dankbaarheid e»
vertrouwen; toen hij zijne kleinkinderen,
m^ozef geboren, voor zich zag, zeide hij:
I^ie God, die mij gevoed heeft van dat ik v»as
li\ B___ trrr . ./
(I) Bom. vri: s4, 25.
-ocr page 51-Oi op dezen dag, die engel, die mij verlost
van alle kwaad, zegene deze jongens!
ga sterven, zeide liij tot zijnea geliefden
quot;Ozef, maar God zal met u wezen; het was
Van zijne laatste woorden: op uwe
^o-ligheid wacht ik, o Heer! (t)
En nn wilt gij immers het overige gedeelte
Van uwen weg niet ledig noch onvruchtbaar
'^ijn? Neen!
Oodvreezende mensehen moeten vooral in
den ouderdom nog vruchten dragen.
Als het geloof in God en Zijne voorzienig-
heid, het geloof in Zijne vaderlijke liefde en
'^rouw, het geloof aan Zijn Evangeliewoord,
Vele jaren lang is beproefd, is geoefend en
quot;evestigd geworden, zoudt gij dan in uwen
Ouderdom niet met geheel uw hart, met alle
'iWe krachten, in al uw denken, willen,
spreken en doen, aan dezen uwen God en
Zaligmaker vasthouden? Zou zulk eene be-
vinding gene hope geven ? Zou die hope in
liWen ouden dag geene lijdzaamheid, hemels-
gezindheid , en allerlei goeden werk bij u te
Weeg brengen?
Ik noem de lijdzaamheid, want deze komt
doorgaans, vooral in den ouderdom, te pas:
de zwakheden en ongemakken van het lig-
chaam laten zich dan meer en meer gevoe-
(i) Gen. XLMIT: i5, i6, 21. Gen. XLIX: 18.
-ocr page 52-len, daardoor hangen oude lieden in vele
opzigten af van de hulp hunner huis-enooten,
en men IS dan altijd niet zoo gereed en ge'
makke .jk geholpen, als men wel wenschte-
Dit valt moeijehjk te dragen, de hooze e»
eigenlievende natuur wordt dan wel eenS
gaande in gemelijkheid en onvergenoega«
klagten. Daarom moet de ouderdom geduld
leeren en oefenen Het is eene erge e»
schandelijke zaak dat zulken , die als vrom«
menschen bekend slaan , zich in hunne laatste
levensdagen onaangenaam maken bij hunne
vrienden door hunne verkeerdheden: want
daardoor besmetten en verdonkeren zij hunne
nagedachtenis, en geven een' kwaden indruk
van de dienst van God. Ik wil echter
gaarne erkennen, dat het verdriet van den
ouden dag soms zeer zwaar en grievend zijn
kan: men ziet soms oude menschen hard en
liefdeloos behandeld van hunne eigene kin-
deren of kindskinderen, aan welke zij, toen
ZIJ konden, wèl deden, en die de eersten
moesten zijn, om de moeiten hunner grijze
ouders of grootouders te verzachten , en
derzelver laatste dagen te verkwikken. Zulke
liefdelooze kinderen mogen wel toezien- want
dit geeft geen goed geweten, geen zegen, het
kan hun op hunne beurt wel eens dubbel te
huis gezocht worden. En wat zal ik tot
uheden zeggen, oude menschen! die dus
beproefd wordt ? Het smart u met reden; de
'^onde uwer kinderen moet n drukken; wat
'^ult gij beter dan liet oog weenend en biddend
laar boven slaan? Moeijelijk is bet, onder
^llke beproevingen , steeds het geduld en de
Zachtmoedigheid te bewaren, maar niet out
Ulogelijk voor het geloove en de hope van den
christen. Denkt dan veel aan uwen Verlosser,
aan de gadelooze lijdzaamheid, waarmede
Öij om uwentwil het bitterste lijden, en de
gi'ievendste verongelijkingen, ook van zulken
die Hij menigmaal had welgedaan, verdroeg.
Denkt veel aan den rustigen hemel, waar
Voor u eene plaats is, en waartoe gij, oök
door deze uwe laatste beproevingen, te meer
üioet toebereid worden.
En dit is de Hemelschgezindheid, waartoe
ik u ook wilde opwekken. Het betaamt
lederen christen, dat hij gedurig de dingen,
die boven zijn, hepeinze, begeere, en zoeke
daarin zich te vermaken. Zulk eene oefening
is hem ook niet geheel vreemd; maar hoe
nader hij bij den hemel komt, des te meer
nioet ook het oog op den hemel, en het
hart in den hemel zijn. Grijsaards vooral
nioeten zingen:
Hoe digter ik nader,
Aan 't huis van mijn vader ,
Hoe sterker ik hijg
Naar de eeuwige woning,
Het feest van mqn krooning,
En 't eind van den krgg.
En wat zou mg hind'ren!
'k Zie d' uurtjes reeds mind'ren.
Laat 's werelds gedruisch,
Mijn moed niet verslappen,
Nog weinJp stappen ,
En dan ben ik t'huis.
Maar om dus te kunnen denken, te kun-
nen hopen en zingen, moeten oude lieden
zich, zoo veel mogelijk is, van de aardsche
zorgen ontdoen. Gij begrijpt wel, dat ik u
hiermede geene luije ledigheid en gemakkelijk-
heid in uwen ouden dag wil aanprijzen. Velen
uwer zijn ook wel gedrongen, zoo lang zij
eenigzins kunnen, te arbeiden, om een stuk
eerlijk brood; en dit is dan ook braaf en goed.
Maar het is niet zelden aan oude lieden eigen,
dat zij nog allerlei bemoeijingen zoeken; dat
zij nog alles zelve doen willen, en zich dus in
velerlei bekommeringen zetten en houden. Is
dit wel noodig.? Is dit wel goed voor u.?
Brengt het u niet meer schade dan voordeel
aan ? Gijlieden vooral moet toezien, dat op
u niet toepasselijk zij, wat de Heer Jezus
tot Martha zeide: gij hekommert cn ontrust
u over vele dingen, maar één ding is noodig.
Oude mensehen vooral moeten, zoo veel zij
kunnen en mogen, het hart geheel vrij heb-
ben en vrijhouden voor de hemelsche dingen;
zij vooral moeten liever het voorbeeld van
Maria, dan van Martha navolgen, (i)
Ik herinner mij hier den ouden braven
(j) Luc. X: 38-4q.
^arzillai, die David en zijn huis, op de vlugt
Ahsalom, zoo edelmoedig had geholpen
verzorgd. De Koning wilde hem naderhand,
dankbaarheid, mede naar Jeruzalem aan
hof nemen, maar de man zeide: •gt; Ik ben
tachtig jaren oud, lekkernij en vrolijk gezang
mij weinig meer vermaken, een oud
J^an voegt ook slecht aan een hof, laat mij
bever stil wederkeeren naar mijn eigen huls,
Opdat ik daarstervequot; (i). Gij prijst Barzillai,
denkt: de man handelde verstandig. Wel
Jiii dan! doet even zoo , en laat de aardsche
beslommeringen en verstrooljingen vallen; zij
doen niemand nut, en voegen althans den
Ouden van dagen niet. De vierentachtig jarige
Anna begreep dit ook zoo, en wilde daarom
«are laatste dagen liever in den tempel, en
in godsdienstige overdenkingen en gesprekken
doorbrengen (2).
Ik sprak ook van allerlei goedm werk.
f aulus spreekt er ook van, dat de oude man-
den nuchter zijn, stemmig, voorzigtig, gezond
het geloof, in de lirfde, in de lijdzaani-
«ejÉ? (3). En als ik denk aan die nuchtere,
stemmige, voorzigtige beoefening van geloof
ea liefde, dan denk ik daarbij, in de eerste
plaats, aan het bezoeken van kranken, het
troosten van bedroefden, het onderrigten van
(i) 2 Sam. XIX : 31—87. (2) H : 87 , 38.
C3) Tit. II: 2.
-ocr page 56-onkundigen, het vermanen van wegdwalenden.
Oude menschen, vooral zulken die oplettend,
en in de vreeze Gods zochten te leven, hehhen
hier veel opgemerkt en geleerd; Joh zeide =
in de stokouden is de wijsheid, en in de lanh
heid van dagen is het verstand (i). Immers,
zij weten veel beter dan jongere, hoe het op
deze wereld gesteld is, hoe velerlei dwaasheid,
onrust en ellende het menschdom drukt;
daarbij kunnen of behoeven zij niet meer zoo
werkzaam te zijn in hunne vroegere betrek-
kingen en bezigheden; zij hebben dus me-
nigmaal boven anderen veel tijd en gele-
genheid om in stilte liefde te oefenen. Het
moet u dan eene aangelegene en tevens eene
aangename taak zijn, om, waar gij kunt, wat
goeds le doen, wat kwaads te weren, leed
weg te nemen ofte verzachten, en met woord
en daad anderen te helpen. De ouderdom
geeft daartoe ook achtbaarheid en invloed;
jonge menschen willen liever van hen, die
ouder zijn, dan van gelijken in jaren bestraft
worden; vooral, wanneer zulke oude men-
schen reeds jaren lang God zochten en dien-
den. En, wanneer de ouderdom daarbij dan
vriendelijk en vergenoegd is, o! dan vinden
hunne goede leer en voorbeeld nog veel ge
reeder ingang. Ik heb zulke vriendelijke,
altijd vergenoegde vrome grijsaards gekend,
(I) Job xn -.12.
en ken er nog, eerwaardige ons aanlagchentie
Vaders en moeders in de christelijke gemeente,
die overal, ook bij jonge menschen, welkom
Zijn, omdat zij nooit anderen lastig zijn, maar
dikwijl s in aangenaamheid en hartelijkheid,
Wat goeds en beminnelijks, wat groots en
heerlijks van God en zijne dienst, van den
Heer Jezus Christus en zijne liefde, van de
Vertroostende kracht zijns woords, van de
trouw zijner beloften, van de kracht en vrucht
des gebeds weten te verhalen en te zeggen.
Zulke oude lieden zijn levendige bewijzen
Van de aangenaamheid die er is in de dienst
Van God. Wie zou niet gaarne zulk een
ouderdom willen hebben? Gebruikt dan iedere
goede gelegenheid, die de Voorzienigheid u
geeft, om in vriendelijkheid nog wat goeds
te spreken en te doen. Zoekt zulke gelegen-
heden op, in uw huis, bij uwe bloedverwan-
ten en vrienden, in uwe buurt, en waar gij
kunt; dus zult gij uwe nagedachtenis zegenen,
dus zult gij nog leven en spreken hier op
aarde, nadat gij gestorven zijt.
Er is nog iets , dat ik u ernstig wilde aan-
bevelen: Doet ook in uwe tijdelijke zaken alles
af, wat kan en moet gedaan worden. Be-
Zorgt toch . wat bezoi'gt moet worden, vooral
dat, wat voor uwe rekening ligt, en wat na
UWen dood door een ander in het geheel
niet, of althans niet zoo goed verrigt kan
worden. Toen Jozuaond was en weibedaagd,
zeide de Heer tot hem: Gij zijt oud en wei-
bedaagd, en daar is zeer veel lands overgeble-
ven, dat van de Kananieten nog moet gewo»'
dan deel dit land eer gij sterft, tot een erf-
deel onder de stammen, (i) Deze deeling
kon door niemand zoo goed, als door Josua
geschieden, en daarom werd het hem vóór
zijnen dood aanbevolen. De meeste men-
schen, ook oude van dagen, worden door
den dood overvallen in hun werk; zij worden
midden uit hetzelve uitgeroepen, en er blijft
zoo veel onbesteld, zoo veel ongedaan en
half gedaan , omdat zij het van den eenen
aag tot den anderen verschuiven. Dit is niet
goed, dit verzuim veroorzaakt na onzen
dood dikwijls veel verdriet, vele moeite, ve-
te zonden, die wij hadden kunnen voorko-
men : ^reul uw huis , want gij gaat sterven!
W — Dit IS eene boodschap van God aan ie-
deren mensch, maar vooral aan oude lieden,
nedenk dan wat u te beschikken is; doet
weg, wat weggedaan moet worden, en wat
misschien zeer ongelukkig en verkeerd on-
der eens anders oogen komen zoude, opdat
men zich met over uwe onvoorzigtigheid be-
klage na uwen dood, maar dat gij integen-
deel ook dan nog vele zonden voorkomen, en
(') Jos. xm : , , 7.nbsp;IInbsp;XX :
-ocr page 59-liefde en vrede moogt bevorderen. Maakt, zoo
'heel in u is, dat u hier niets overblijvè te doen,
dan dagelijks de komst van uwen Heer , wa-
dende en biddende, hopende en dankende,
te wachten , en met den ouden Simeon te
heggen : Na laat Gij, Heer! uwen dienstknecht
vrede henen gaan, naar uw woord, want
fgt;iijne oogen hebben uwe zaligheid gezien (i).
O! gelukkige ouderdom, ook onder zijne
Ongemakken en lasten! ik zie dien vermoei-
den, maar in den Heer gesterkten reiziger
aan het einde van zijnen vreemdelingsweg,
staande aan de poort des hemels, wachtende,
dat de deur geopend wordt, opdat de
Vriendelijke Engelen hem juichend binnen
leiden.
De taal van eenen vromen grijsaard, hem
door onzen beroemden en godvruchtigen van
Alphen in den mond gelegd, kan dan ook
de uwe zijn;
Al ben ik oud, mgn hart is jong ,
En heeft geen lust in klagen ,
In lied'ren, die mgn' jonkheid zong.
Vindt mgne stamelende tong,
Nog daag'lqks welbehagen.
Ik zong als jong'ling : o God, is goed !
Als man leerde ik hem danken j
Maar nu mgn struikelende voet
(O Lue. II: 29 , 3o.
-ocr page 60-De laatste treden grafwaarts doet,
Verdubbel ik mijn' klanken.
De kruin, die mq tot sieraad strekt,
Moet van Gods liefde spreken;
Mijn hand schrqft, bevend uitgestrekt,
Op 't graf, dat mq welhaast bedekt,
Daarvan dit duurzaam teeken:
Gods goedheid is voor mij geweest
Een bron in dorre streken ,
Heb in den dood zelfs niet gevreesd,
O wand'laar die dit grafschrijt leest,
Ik zwijg, maar steenen spreïen!
XIII. Tot besluit nog een woord aan oude
lieden, die in eenig liefde-gesticht zijn
opgenomen en daar verzorgd worden.
Er zijn weinige landen op de aarde, waar
zoo vele bewijzen en gedenkteekeuen zijn
van de milde en weldadige liefde der vroe-
gere tijden omtrent arme en ellendige men-
schen, als in het goede land, dat wij be-
wonen mogen. Hier vindt men aalmoeze-
niers en hinderhuizen, waar verlatene kin-
deren en vondelingen worden aangenomen
en opgevoed; hier vindt men weeshuizen,
waar kinderen en jonge menschen, die
hunne ouders verloren, en nu hulpeloos zijn,
weêr vaders en moeders vinden in hrave
menschen, die hen verzorgen en voorthelpen;
hier vindt men gasthuizen voor zieken en
Zwakken; liier vindt men hofjes, oude man-
nen- en vrouwen-huizen, waar oude lieden,
die hun brood niet meer kunnen winnen,
van zichzelve geene middelen hebben
Oöx te bestaan, vriendelijk worden opge-
komen, geherbergd, gekleed, verzwgd en
geholpen naar ziel en lichaam. Ülieden!
behoeftige, afgeleefde oude menschen , aan
Welke dezen zegen te beurt viel in uwen
Ouderdom, wil ik opmerkzaam maken op
het groote voorregt, dat Gods goeder-
tierenheid u schenkt. Gij kunt nu uwe
laatste levensdagen doorbrengen zonder kom-
ïner over uwe tljdeljjke behoeften, want de
liefde en weldadigheid van anderen zorgt
Voor u, en gij vindt dagelijks voor u gereed ,
al wat gij behoeft; hier ontvangt gij gedurige
onderwijzing, vermaning en opwekking uit
het woord van God; hier geeft zijne lank-
moedigheid u nog eenige geruste en onbekom-
merde dagen , om na te denken over uwe
eeuwige behoudenis, en u toe te bereiden
Voor uwen naderenden uitgang uit deze
Wereld,
Acht toch uwe voorregten niet hlein, maar
zijt daarvoor danhbaar aan God en menschen.
Gij behoort immers niet tot die lastige oude
menschen, die steeds klagen en het altijd
nog anders en beter hebben willen? Met zulk
een gemelijk en onvergenoegd bestaan zoudt
giJ de goede dagen, die gij hebben kunt,
voor u zeiven verbitteren; gij zoudt onaan-
genaam en onbemind zijn bij degenen, die
met u omgaan, en, dat nog erger is, gij
zoudt u hoogst schuldig maken aan snoode
ondankbaarheid jegens den liefderijken God,
die u boven atideren zoo vriendelijk verzorgt
en weldoet. O! hoe vele behoeftige, zwakke,
oude menschen zouden blijde zijn, als zij in
uwe plaats waren! Gij moest dan die onver-
genoegdheid zoeken af te leeren, en u zeiven
daarover schamen en verfoeijen voor God.
Wl) zijn immers niets waardig; en zullen wij
dan nog twisten en klagen, als wij meer
ontvangen dan vele anderen, als wij bewel-
dadigd worden, ook boven zulke menschen
die misschien beter zijn dan wij? De bijbel
zegt van de goddelooze menschen: Dezeznn
murniurecrders, klagers over hunnen staat ,
wandelende naar kunne begeerlijkheden (i).
,•.0/77nbsp;opwekken tot vriendelijke
inschikkelijkheid omtrent elkander. Dat aan-
genaam en betamend bestaan zal van zelfs
plaats hebben, indien er dankbare verge-
noegdheid m uw harte woont, want de ver
genoegde mensch is altijd vriendelijk; maar
bi, oude heden ontbreekt menigmaal het een
en het ander; men kan elkander niet ver-
dragen: men misgunt aan zijn gebuur, wat
(i) Jult;I. : i6.
-ocr page 63-God hem geeft; men ziet meer op de gebre-
ken van zijnen medgezel, dan op eigene ver-
keerdheden; men spreekt uit afgunst en lief-
deloosheid kwaad van elkander. Dit alles
maakt de zamenwoning van vele oude lieden
Onder e'e'n dak, en de buurschap in hetzelfde
gesticht zeer lastig en verdrietig. Er is den-
kelijk wel een en ander oude van dagen, die
hier zijnen naam leest, die bier zijn bestaan
vindt afgeteekend, en die bij ondervinding
Weet, dat het waarheid is, wat ik zeg.
Neemt gij dan deze vermaning in dank aan?
Of wilt gij uwe laatste levensdagen, die
Gods liefde u geeft, misbruiken, om de
ontelbare menigte uwer zonden nog grooter
te maken en uw oordeel te verzwaren ?
Kunnen wij ooit barmhartigheid, verschoo-
ning en gunst bij God verwachten, als wij
aan elkander geene barmhartigheid, ver-
schooning en vriendelijkheid bewijzen wil-
len?
Ik moet u nog iets herinneren: Zoekt toch
uwen ledigen tijd, zoo veel gij kunt, nuttig
te besteden. Vele zonden komen voort uit
zelfverveling, vooral ook bij oude men-
schen. Het ligchaam heeft geen kracht of
lust meer tot den arbeid, en zij weten dus
niet, wat zij met hunnen tijd doen zullen;
maar er is misschien nog wel het een of ander,
dat gij zoudt kunnen doen, bij voorbeeld:
netten breiden, kousen breiden; althans met
uwe redelijke vermogens, hope ik, dat gij
nog wel zult kunnen bezig zijn. Daarom
raad ik u wat goeds te lezen ofte hooren
iezen. Zulken die nog een goed gezigt beb-
ben moekn anderen hierin voorgaan In hel-
pen. Gi, hebt uwen kostelijken bijbel, en er
Zljn behalve den bijbel, vele eenvoudige en
goedkoope boekjes door het Zendelinggenoot-
schap uitgegeven, die gij met nut en cenoRffpn
lezen zoudt: Over ket nuttig herhgaan. O^er
k^ allerbeste boeh Zamenspraken over de
fVedergeboorle. Jezus, de Geneesmeester van
kranken; ook is er eene nuttige leerrede van
bcharp, over den ouderdom, en vele an-
dere boeken. Ei! beproef het eens, misschien
doet het aan uwe zielen goed. Of zult gii
de allerlaatste levensdagen, die Gods liefde
en lankmoedigheid u geeft, geheel nutteloos
laten verloren gaan? Waartoe leeft gij dau
nog langer op aarde ?nbsp;'
Dit een en ander geldt vooral ook ulieden,
godvreezende ouden, die uwe laatste levens:
dagen std en onbezorgd in eenig liefdegesticht
moogt doorbrengen. O! mijn lieve broeder
of zuster! als uw geweten u zegt, dat gij
aan de medgezellen van uwen oudcrL,„ »oi
wel t^ot hulp en leering zijn kunt, onttrekt J
dan hieraan met. De oude menschen rondom
« zijn uwe naasten, die Gods voorzienigheid
tij u heeft geplaatst, om uwe liefde en uwe
naarstigheid te beproeven. Hier kunt gij nog
Wat zaaijen voor de eeuwigheid; hier moet
gij uw licht laten schijnen, opdat uw Vader
in den hemel vei-heerlijkt worde.
Of zult gij zeggen: » Ik kan dat niet doen.quot;
Ik moet u antwoorden: gij kunt wel, want
Waar licht is, daar kan en zal het ook schijn-
sel geven. Of is de kennis en de vreeze
Gods, die bij en in u is, zulk een zwak en
onbeduidend hegxnsel, dat gij daardoor niets
meer vermoogt dan een ander mensch? Dat
moogt en durft gij niet denken, neen! de
vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid{i).
Of zegt gij:« Ik vind er geenen, die
daar lust toe hebben ?quot; Maar hebt gij het
al eens beproefd? O! al is het er slechts
een of twee , die naar uwe opwekking willen
luisteren, dan is het reeds de moeite waar-
dig; en deze een of twee zouden ook an-
deren aanlokken, vooral. Indien gij hierin
den goeden tijd en gelegenheid leert waar
te nemen, en niet meesterachtig, maar
vriendelijk en bescheiden handelt.
Ook moogt gij niet zeggen: »Het zal niet
helpen, het zal geen nut doenwant zoo
denkt gij klein van den rijkdom en de kracht
van Gods genade. Gij weet niet of het nut
zal doen, en moet hier veel liever het beste
(i) Spreuk. IX : lo.
-ocr page 66-hopen, dan het ergste vreezen. In allen
gevalle, uwe zaak is te arbeiden en te zaai-
jen, waar gij kunt, en het is de zaak van
God , den wasdom en de vrucht te geven.
Weet gij wel wat er van oude vrome men-
schen in den bijbel staat? De Regtvaardige
zal groeijen als een palmboom, hij zal was-
sen als een cederboom op Libanon. In den
grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten
dragen (i). Daarom wensch ik, dat gij on-
der die groeijende en vruchtdragende grijs-
aards ook eene plaats zult zoeken, tot eer
van uwen God en Zaligmaker, en ter be-
vordering van de zaligheid uwer eigene
zielen.
En hiermede neem ik afscheid van allen,
die dit Boekje zullen lezen, en bid den
genadigen God, dat mijn schrijven en uw
lezen aan ons zamen nog blijdschap geve
in den zaligen Hemel!
■Ji) Psalm XCII: i3 , i5.
-ocr page 67-M. Avuï amp; ZONEN , Drukkers van het Nederlandsche
Zendelinggenootschapi worden ook uilgegeifen
de navolgende Kleine Stukjes.
Evangeljflcho herinneringen aan Kranken.
Over liet nuttig Kerkgaan.
Over het doen van Belijdenis.
Ben woord voor mensehen die niet ter kerk kunnen gaan*
Het Christendom beschaamd door Heidenen.
Evangelische herinneringen aan Bedroefden.
Evangelische herinneringen aan Vaders en Moeders.
Een quot;woord aan Vaders on Moeders, over den Uoop,
Over het allerbeste Boek.
Onderwijs over het Bijbellezen.
Levensgeschiedenis van den grootsten Man.
let« over het .Avondmaal,
Opwekking tót de fauisselijke Godsdienst.
H* Zamenspraak tusschen drie vrienden over deWedergeb.
Het leven van William Kellij.
Drie zamenspraken tusschen een Leeraar en eenHuism.
Het dorp Ecrenhoef, tol vorigen welvaari;:óhersteld..
Het nadeel van het bi| de straat loopen der kindereu
'S* Waarschuwing tegen ae Ontucht.
Iets voor herstelden uit krankheid*
lots voor Gevangenen.
Geschenk dor christelijke liefde voor kinderen
Geschenk voor Lidmaten der christelijke kerk.
Heb ik wel pnoeg voor de Eeuwigheid 7
Tweede Geschenk der christelijke liefde voor linderen
Voor Dienstboden.
Over de Feesten.
*8. Iets voor Armen.
Jezus , de geneesmeester van kranken.
'o. Evangelische Herinneringen aan oude lieden«
Verzameling van leerz.brieven en opwekkende verhalen
'tt. Opwekking tot weltevredenheid.
'S. Een good woord aan christen—oudera over de opvoeding
Franke , de kracht de« Geloofs.
Sehet« van het leven van Afrikaner.
Se. Waarschuwing tegen het Kwaadspreken.
^7« Iet« over de ZeUkennia.,
Sa. Een woord van onderrigt en troost , in Sterf huisen.
Men doet niet, wat men kan.
VtiendeUjke raad aan zwaarmoedigen.
Waarom word ik niet beter ?
ia. Wie aijn , hier op aarde , de gelukkigste menschen ?
45. Gedenk te Sterven.
44,nbsp;Het Voorbidden , een pligt der Christelijke liefde.
45,nbsp;Opwekking tot getrouwe deelneming in het Maan-
delijksche Gebed.
46 Troostwoord voor Christenen, inalle wederwiiardighedea.
4 i5 Ct.
|
- |
lO |
)) |
|
- |
10 |
)gt; |
|
- |
lO |
» |
|
- |
iO |
)gt; |
|
i5 |
)gt; | |
|
- |
so |
)) |
|
- |
o5 |
» |
|
10 |
)gt; | |
|
_ |
a5 |
)gt; |
|
s5 |
» | |
|
i5 | ||
|
i5 |
.)gt; | |
|
- |
07è |
)gt; |
|
— |
i5 |
)» |
|
_ |
i5 |
)gt; |
|
- |
35 |
M |
|
_ |
30 |
}» |
|
3o | ||
|
- |
20 |
» |
|
- |
45 |
}gt; |
|
- |
34 |
igt; |
|
- |
s5 |
)l |
|
so |
M | |
|
— |
s5 |
)» |
|
• |
s5 |
)gt; |
|
- |
SC | |
|
lO |
1» | |
|
.a4 |
)gt;• | |
|
a?! | ||
|
so | ||
|
- |
»0 |
n |
|
•• |
ao |
)gt; |
|
- |
i5 | |
|
— |
lO |
» |
|
10 |
■n | |
|
- |
90 |
n |
|
s5 |
» | |
|
- |
lA | |
|
- |
)gt; | |
|
- |
aS |
i» |
|
so |
»' | |
|
s5 | ||
|
- |
.7è | |
|
•1 | ||
|
- |
gt;7è |
ó
Bij dê Drukkers en Boekverkoopers m. wijt amp; zohe«
^^ zijn mede te bekomen de volgende Kleine Stukjes-
i. Nood^.k.Hjiheicl der kenn!, van Jez«, Christa.
Hot geluk van God tolnbsp;Vriend t, hebboa.
3.nbsp;Het waar geluk , geachetn in drie ge.prekken.
4.nbsp;Van Bijk , iet» over de Bekeering.
5.nbsp;I)nbsp;»nbsp;over do Sacraraenlett.
6.nbsp;»nbsp;gt;1nbsp;over de RegU„inigheid.
7.nbsp;»nbsp;»nbsp;voorbeelden v,„ Vroegbekeerden.
8.nbsp;nnbsp;»nbsp;bij de uitdeeling desBiibeli
9.nbsp;Jezuj , de Wf.re Zondaarsvriend
D:quot;gotr'i\T°;; rri^taV.
• ä. Iets over hét Vloeken!
»3. Hartelijke opwekking en wclmetnendo raad.
4. De weg d«, He,l, in zestien korte voorstellen.
15.nbsp;De godvruchtige Zeeman.
16.nbsp;Een woord tot bemoediging.
17.nbsp;let. over do Vereeniging.
18.nbsp;Jonathan de Baggerman.
19.nbsp;Franke, heilige en veilige weg.
ao. Overdenking over het VVoderzien.
ai. Ernstige gedachten over de Eeuwigheid.
M. Raadgevingen. Wenken. Middelen.
»5. Leven en Sterven van een vroeg -odvreezend Dochtertje
»4- Onderwijs om zalig te worden.nbsp;'
S5. Het boerenmeisje.
a6. Jozef.
«7. Schets van Jezus leven.
S8. Vrolijk uitzigt van een 96 jarigen Rrijsaard.
Sg. Ds goedo Moeder.nbsp;quot;nbsp;quot; •gt; ,
3o. Th. Hoog, over do vroege Godzaligheid.
— ;- opleiding-van hot Nageslacht..
oa. Gedachten van een oud Godgeleerden.
35. Hogondorp, ootmoed voor God.
54. Wonderbare oogbeschouwing..
35.nbsp;Realer , over de Gezangen...
36.nbsp;Een boekje voor menschen om don Bijbel to lez. de a5 Ex.
37- Honigdroppen uit do Steenrota Jezus Christus.
58. fessen der wijsheid voor alle Christenen..
39.nbsp;Een zestiental beknopte Proekjes.
40.nbsp;Ij'ven «n hekoering van vrouw tangerveld.
^ Jiquot;nbsp;' »«ligra.kond Geloof.
4.. Kort Begrip der christelijke religie.
45. Bokoeringgesehiedenissen en Sterfbedden.
44. Spiegel dor^oddelijko voorzienigheid.
quot;r—O— —■nbsp;voorzie
Iiovon van Mevrouw Faterson.
46.nbsp;Gesprokken en Overdenkir---
|
i 10 |
Ct. |
|
- ,5 |
» |
|
- i5 |
V |
|
- 40 |
V |
|
- 10 |
» |
|
-45 |
1gt; |
|
- 40 |
)) |
|
- oS |
)» |
|
- jO |
)) |
|
- o5 |
» |
|
- 10 |
)) |
|
- o5 |
» |
|
- 10 |
J» |
|
- 20 |
)» |
|
- 30 |
)) |
|
-07i |
; ** |
|
- i5 |
»» |
|
- 10 |
j) |
|
- o5 |
» |
|
- 10 |
)) |
|
-07i |
)) |
|
- 10 |
ïgt; |
|
- so |
1) |
|
- o5 |
» |
|
-oal |
)) |
|
-oaf |
)) |
|
- 10 |
1» |
|
- i5 |
)» |
|
- so |
» |
|
- ao |
)) |
|
- a5 |
» |
|
- 3o |
gt;» |
|
- 50 |
ï) |
|
- 40 |
igt; |
|
- i5 |
i) |
|
- a5 |
V |
|
- 90 |
)) |
|
- a5 |
)gt; |
|
1gt; | |
|
- 10 |
» |
|
- 60 |
» |
|
- 10 | |
|
- 3o |
» |
|
- 85 |
» |
|
- 10 |
V |
|
- 55 |
tt |
|
- 35 |
» |
47.nbsp;idem jnbsp;idem.
(tweede Stukje)
Black , de Schoorsteenveger.
S. Nimmer te Laat.
O, Nimmer to Vroeg,
fl. Do kracht van de Godsdienst.
S. Do Oïdejaara-avond.