-ocr page 1-

pc .

DE OUDSTE PSALM.

TE ROTTERDAM, lilJ

M. WIJT amp; ZONEN,

Orukliers van het Nederlandsche Zendelinggenootschap.

LXXXIV.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

V O O R B E RIG T.

Gecommitteerden van hel Nederlandsohe
^endelinggenoolsohap tot het opstellen, ver-
zamelen en uitgeven van kleine Stukjes ter
bevordering van Evangelische kennis en god-
zaligheid, ook hij min geoefenden; —
namelijk:
l. merens, Predikant, h. e. vinke,
Th. Dr. en Hoogleeraar
te Utrecht, j. moligt; ,
Jacohz., Predikant te 's Gravenhage, j. brave,
van der leeow, Predikanten «^Amsterdam,
R- adriani
en j. j. van oosterzee , Th. Dr.

-ocr page 4-

voonnRuiGT.

IV

Predikanten te Rotterdam, overeenkomstig
hun amht en hunne bediening, dat oogmerk
gaarne wdlende bevorderen, en in uitzigt
op des Heeren medewerkenden zegen, bieden
het nevensgaande Stukje hunnen landgenooten
aan; erkennende intussohen geene uitgarte
voor echt, dan welke door een hunner of
door de drukkers dezes onderteekend is.

-ocr page 5-

DE OUDSTE PSALM.

Kij liet zien van het bovenstaanclo op-
schrift zullen velen terstond denken, dat is
zeker de negentigste Psalm. Zoo is het
ook, lezers! In den bundel onzer gewijde
Schriften wordt geen ouder Psalm gevonden.
^Vel zijn er ondere liederen of dichtstukkon,
zooals dat van lamech op de uitvinding van
liet zwaard, (1) en het oudste triumflicd der
Wereld, op den wonderdadigen doortogt van
de kinderen Israëls door de roode zee, en
den ondergang van piiaraö met zijn leger. (2)
Doch in het boek der Psalmen staat in jaren-
tal Psalm XC vooraan. Indien iets dat
jaren of eeuwen telt, daardoor eerwaardig cn
aantrekkelijk wordt, dan prijst zich de over-

(1) Genes. iv: 23, 24. (2) Exod. xv: 1—19.

-ocr page 6-

weging van dien Psalm bij ons aan. Kuim
drie en dertig eeuwen zijn voorbij gegaan,
sints de dichter van dit lied stierf aan den
mond des Heeren. Wie telt de honderden
en duizenden, die door het lezen en bepein-
zen van dezen Psalm gesticht en gesterkt,
blijmoedig hun levenspad bewandelden en kalm
de doodsvallei zijn ingetreden? Immers, de
inhoud dezes lieds past voor alle tijden en
menschen. Ten alle dage toch is de herinne-
ring noodig van de kortheid en vlugtigheid
des levens; en zoo lang er brooze stervelin-
gen zijn, is er behoefte aan den troost,
dien het geloof aan Gods eeuwigheid en on-
veranderlijkheid schenken kan.

Lezers, moge het u goed en heilzaam zijn,
door dit boeksken op nieuw bij dien Psalm
en zijnen gewigtlgen inhoud bepaald te wor-
den! En geblede God over de lezing on
bepeinzing er van Zijnen onmlsbaren zegen!

-ocr page 7-

ALGEMEENE OPMERKINGEN.

5 1-

de dichter.

Het opschrift van den Psalm wijst mozes
«■Is dichter aan. Al is dit opschrift blijkbaar
van eene latere hand, omdat nergens in de
boeken van mozes, zoover zij door hem ge-
schreven zijn, de benaming man Gods
voorkomt, toch is er goede grond om dit
lied aan mozes toe te kennen. Er zijn wel,
zoover wij weten, geene andere Psalmen
door mozes vervaardigd, dan dit merkwaar-
dig gedenkstuk der oudheid. Doch wij kennen
liem als dichter uit het reeds genoemde zege-
lied aan de roode zee. P]n waar hij later
van de wetgeving gewaagt, daar wordt zijne
taal dichterlijk, ja, klimt in de zegenende
afscheidsrede over Israël tot profetische ver-
rukking. (1) Er bestaat overeenkomst tus-
schen die afscheidsrede en onzen Psalm: eene
overeenkomst, die ons hier van zelve aan

(1) Deuteron, xxxn : het begin, enz., en xxxui.

-ocr page 8-

mozes dout denken. Bovendien de heiiige
en gestrenge ernst van den wetgever ademt
uit Psalm xc ons tegen. Alleen in den
tijd van mozes past de klagt over het spoe-
dig afnemen van den levensduur. En meer
andere bijzonderheden, hier voorkomende,
roepen ons de geschiedenis der Israëliten
voor den geest, gedurende hutme omzwer-
ving in de woestijn. Voor ons bestaat er dus
geen twijfel, of mozes heeft dit lied ver-
vaardigd, te meer daar zelfs de uitleggers,
die het aan mozes ontzeggen, toch erken-
nen, dat het zeer oud moet zijn, en om
inhoud en taal met regt aan mozes kon
toegekend worden.

Mozes, wie kent hem niet, dien Midde-
laar tusschen Jehova en Israël, die in de
wolk de wet ontving en aan Sinaï's voet
het oude verbond plegtig had gesloten en
ingewijd? Hem, den eerbiedwaardigen gun-
steling en profeet des Heeren, een' dor
oudste weldoeners van het menschelijk ge-
slacht, hooren wij in dezen Psalm op eene
zielverheffende wijze spreken. Man Gods,

-ocr page 9-

Goddelijke man wordt Iiij genoemd, en deze
eertitel wijst op de uitnemendheid van den
persoon des dichters als een, die in vertrou-
welijken omgang met God leefde en op de
verhevene betrekking, die hij bekleedde, als
Waarborg voor het gewigt en de beteekenis
zijner woorden. Lutiier teekende hierbij aan:
' als die zulk een ambt heeft, van God hem
® opgedragen, dat men hem en zijne leer niet
quot; minder gelooven moet dan God zei ven.quot;

§ 2.

VOKM VAN HET LIED.

De Psalm wordt in het opschrift oen
gebed genoemd. Reeds daarom zou hij met
i'egt dien naam kunnen dragen, omdat de
dichter van den aanvang af God aanspreekt.
Maar het woord in het oorspronkelijke gebe-
zigd, en door gebed overgezet, beteekent
eigenlijk smeekgebed, en niet alle soor-
ten van uitstorting des harten voor, en
aanspraak aan God. Met grond is daarom
opgemerkt, dat het tweede deel des lieds.

-ocr page 10-

vs. 12-17, de eigenlijke kern, de hoofdzaak
van den Psalm uitmaakt. Immers daar gaat
de toon geheel in bidden en smeeken over.
Het eerste deel, vs. 1-11, kan dan aangemerkt
worden als inleiding, die de redenen ontwik-
kolt, welke tot bidden aanleiding geven en
dringen. Het is een gebed, dat mozes niet
voor zich zeiven doet, maar uit naam des
volks. Waarschijnlijk is het door den edelen
Godsman vervaardigd ten nutte van het volk,
om hen te doen verstaan, hoe zij in de aan-
doenlijke , sombere dagen, die zij beleefden,
bij het wegsterven van ontelbaar velen, be-
hoorden te denken en te bidden. Isracls
leidsman uit Egypte naar Kanaan legt het
als 't v/are zijn volk in den mond, ten einde
zulke gevoelens en gezindheden in hen op
te wekken, welke hun, in de omstandighe-
den waarin zij verkeerden, betaamden.

§ 3.

de omstandigïieden, waakondek het lied
vermoedelijk is opgesteld.

Die omstandigheden moeten vooral gekend

-ocr page 11-

worden, om het lied regt te verstaan. Ver-
scheidene bijzonderheden in den Psalm ver-
plaatsen ons in verbeelding in dat aandoenlijk
tijdperk, waarin het oordeel van God, na de
muiterij te Kades, door het wegsterven van
al de volwassenen, die uit Egypte geto-
gen waren, werd uitgevoerd. Wij lezen de
aanleidino- tot dit oordeel en de aankondi-

o

ging der bedreiging in het xiii« en xiv*^
hoofdstuk van het boek Numeri. Zie hier
de toedragt van het gebeurde. In het tweede
jaar van den uittogt waren de Israëli ten
aan de grenzen van het beloofde land ge-
naderd. Op Gods bevel werden er twaalf
mannen uitgezonden, uit elke stam één, om
de gesteldheid des lands en de inwoners te
bespieden. Deze komen terug, en geven hoog
op van de bekoorlijkheid en vruchtbaarheid
des lands. Doch met uitzondering van twee,
JOSUA en KALEB, noemen zij van wege de
vastheid der steden en de sterkte der inwo-
ners, de verovering van Kan aan eene on-
mogelijke zaak. De vergrootende berigten
van deze lafaards golden bij het dwaze volk

-ocr page 12-

nieer clan cle beloften van jehova, die hen
quot;it de slavernij van Egypte verlost had.
Men kwam in vollen opstand tegen God en
zijn' dienaar mozes. Ja, zoo zeer worden
in moedeloosheid en ongeloof de goddelijke
weldaden en ontvangene uitredding vergeten,
dat men reeds sprak van een hoofd te kie-
zen, onder wiens geleide men ijlings den
terugtogt wilde aanvangen naar Egypte.
Te vergeefs poogden josua en kaleb de
gemoederen tot kalmte en bedaardheid te
brengen. Zij zeiven kwamen hierdoor in ge-
vaar. Keeds nam men steenen op om hen
to verpletteren. Nu was de maat der onge-
regtigheid vol geworden. Het oordeel der
verdelging wordt bedreigd. Doch mozes treedt
als voorbidder op voor het volk. Jehova
verhoort hem, in zoo ver, dat
eene geheele
oogenblikkelijke vernieling niet geschiedt,
maar eene trapsgewijze wegsterving. Van
allen, die boven de 20 jaren uit Egypte
getogen waren, zou niemand, uitgezonderd
josua en kaleb, het beloofde land binnen-
gaan. Naar de 40 dagen, in welke zij het

-ocr page 13-

Iaii:l verspied liadden, zouden zij 40 jaren
^ot straf van hun ongeloof omzwerven. En
tot bevestiging van de zekerheid dezer bedrei-
worden de tien verspieders, die het
kwaad gerucht gebragt hadden, door een'
Plotselingen dood ijlings neergeveld. Deze
fiankondiging trof het volk diep. De billijk-
heid der straf moesten zij erkennen, maar
toch die uitkomst was ontzettend en aller-
treurigst. Twee jaren waren er sedert den
Uittogt uit Egypte reeds voorbijgegaan , en
zouden zij nog 38 jaren in de woestijn
^an velerlei moeite en ontbering onderwor-
pen blijven. De ouden van dagen niet al-
leen, maar allen boven de twee en twintig
jaren (1) zouden hun graf in de woestijn
Vinden. Jongelieden, kinderen en die nog
zouden geboren worden, mogten het geze-
gende land, de erve der vaderen, inkomen.
Omtrent dit geheele tijdvak van 38 jaren vin-
den Wij niets aangeteekend, dan de vermelding

(1) Er waren ongeveer twee jaren voorbijgegaan. Wie
■J iet verlaten van Egypte twintig jaren telde, was dus
twee en twintig.

-ocr page 14-

van hunne nationale schande (1). De ge-
schiedenis zwijgt voorts van dien somberen
tijd, alsof er niets merkwaardigs in gebeurd
ware. Dit alleen kunnen wij ons voorstellen.
Men trok in de woestijn nu hier dan daar
heen, naarmate het jaarsaisoen en de gele-
genheid tot weiden voor het vee zulks eisch-
ten, en moest zich daarbij menige ontbering
getroosten. Maar dieper trof de gedurige
uitvoering van het goddelijk strafgerigt. Van
tijd tot tijd zag men het getal der bejaarden
verminderen. Hier kwijnden sommigen weg,
daar werden anderen ijlings weggerukt. En
tegen het einde der veertig jaren waren er
slechts vier overig boven den zestigjarigen
ouderdom, mozes en aaron, josua en ka-
lgt;eb. Hoe aandoenlijk is het stilzwijgen der
geschiedenis gedurende die 38 jaren! Het
teekent ons het akelige en treurige van dat
tijdvak, waarin niets voorviel dan voor en
na het afsterven van jongen en ouden, zoo-
dat de woestijn als een groot graf werd,
dat duizenden bij duizenden verslond.

(2) Arnos v: 25, 26, vergel. met Hand. vn : 42,43.

-ocr page 15-

Het is in dat tijdvak, dat de negentigste
Psalm ons verplaatst. Voorttrekkende door
de woestijn, waar telkens nieuwe graven zich
ontsloten, om de lijken te ontvangen van hen,
die gebogen gingen onder het ontzettend oor-
deel Gods, stortte de man Gods
mozes het
gebed uit, dat in dien Psalm voor ons is
bewaard. De geest van een groot man, die,
^yk aan ervaringen en grijs geworden onder
gewigtige ondernemingen, zelf aan het einde
van zijne loopbaan staat, ademt er ons uit tegen.

Na deze voorbereidende opmerkingen legge
de lezer den Psalm voor zich. Om den zin
beter te doen verstaan, diene ook de over-
zetting, die wij geven.

DE PSALM.

§ 1.

ophelderende oimschrijving.

Reeds merkten wij ter loops op, dat het
'■ed ni twee gedeelten zich splitst. liet
eerste, vs. 1-11, bevat eene treffende te-
genstolling van de eeuwigheid en onvei-ander-

-ocr page 16-

lijklieid Gods tegenover de onzekerlieid en
den korten dnur van liet mensclielijk leven,
vooral zooals het daar in de woestijn in-
gekort en afgesneden werd. Het andere,
vs. 12—17, behelst een gebed om een regt
gebruik van deze beschouwing en de ver-
nieuwing van Gods gunst, de wederkeering
van zijnen zegen.

Met eene krachtige aanspraak aan God,
den onveranderlijken en eeuwigen God, die
zich bij Zijnen naam jeiiovah aan hem had
bekend gemaakt, vangt de dichter aan.

Heer! Gij waart ons eene toevlugt van ge-
slachte tot geslachte.
Eigenlijk staat er: Gij
waart ons eene wonina;, een toevluets-

O 'nbsp;O

oord, zooals hetzelfde woord teregt door
woning vertaald is, Deuteron, xxxiii: 27,
en alzoo moest vertaald zijn, Psalm xci : 9.

Het is de erkentenis van Gods gunst,
hulp en trouw, die Hij aan abraham , izaak,
jakob en hunne kinderen bewezen had, en
die niet ophield. De toevlugt in den nood,
de sterkte ten allen tijd, dat zijt Gij niet
alleen immer geweest, o Heer! dat zijt Gij

-ocr page 17-

quot;og- Gij zijt de wijk- en schuilplaats voor
quot;en menscli, die onder de vlugt des tijds en
de rampen des levens rust en vrede zoekt!

Eer bergen loaren geboren, en Gij de aarde
«'i loereld had voortgehragt, ja, van eeuwigheid
eeuwigheid waart Gij, o God!

Zoo wijst de dichter den grond aan, waar-
om God van geslachte tot geslachte eene
honing voor de menschen is. Omdat Hij de
eeuwige is. En van die eenwigheid gewa-
gende, vat de dichter alle volkomenheid Gods
'aann te zamen. Is Hij toch de eeuwige,
begin noch einde heeft, en bij wien

geene opvolging van tijd is, daaruit volgt,
dat Hij

onsterfelijk, almagtig, wijs en volza-
g IS. Niets staat vaster dan bergen en
iquot;otsen. Zij waren daar in de woestijn in de
nabijheid, of op verderen afstand van Israël,
^^ereikbaar voor het oog. De oorsprong van
ye trotsche gevaarten dagteekent zich van
' ® g^ndvesting der aarde. De mensch, die
jin tijd en stof geboeid is, kan zich geen
'begonnen bestaan, geene eeuwigheid voor-
e en. De schepping en slooping der wereld

2

-ocr page 18-

is het eerste en laatste pimt, waar hij moet
begiiinen en eindigen. Wat daar voor of
achter ligt, is eeuwigheid. Eer Iloreb en
Sinaï, eer de gebergten van Moiib en Seïr,
eer de rotsen in de woestijn van Arabie,
of waar ook hun aanzijn ontvangen hadden,
oer de aarde en hemel uitgebreid \\'aren,
waart Gij, o God! En, al bleef er niets
over, Gij bestaat, Gij blijft, Gij regeert in
eeuwigheid. Daarom zijt Gij eene woning, een
toevlugtsoord van geslachte tot geslachte. (1)
Tegenover do eeuwigheid van God stelt de
dichter nu de nietigheid en ijdelheid van den
sterveling. Openbaart God zich ais den
Eeuwige, Hij laat den inensch zijne vergan-
kelijkheid gevoelen.

Gij doel den mensch wederheeren tot stof,
en spreekt: keert terug, gij kinderen der mensehen !
De oorsprong van den mensch was aan mo-
zes bekend. Hij was uit het stof der aarde.
Zijn dood is niet maar ophouden van den
adem des levens, neen, een wederke(!ren
tot het stof, waaruit hij genomen is. God
(1) Vergel. Psalm cn : 26—28.

-ocr page 19-

beeft daarover de beschikking. :Één wenk is
genoeg. Hij heeft maar te zeggen tot den
•nensch, hoe bloeijend zijn leven, hoe sterk
^'jne gezondheid is: terug, terug naar uwen
oorsprong, o menschenkind! En wat uit het
genomen was, wordt weder stof. Wij tellen
bij dagen, maanden en jaren, maar, al leefden
^^ü tien duizend jaren, wat is dat bij de
eeuwigheid? Laat do dicliter het ons zeggen,
'^«wi! duizend jaren zijn in uwe oogen als
dag van gisteren, als hij voorbij gaat, en
eene nachtwake.
Een oogenblik, eene
s^iaduw, eene gedachte, ja, als een derde
quot; vierde gedeelte van een' nacht, een niet
quot;oemenswaardig tijdstip, zoo zijn duizend
J^aren voor God. De langst levende mensch
een methüsale.w, de oudste van allen
ons bekende gestorvenen op de lijst van adams
jiakoinelingen, hij is enkel ijdelheid! Den
schijnt zijn gansche leven, vooral
Jr lüj aan het einde daarop terug ziet,
® echts een vhigtige dag. Den Eeuwige zijn
eeuwen slechts het kleinste, naauwelijks te
'^^^•'^Peuren deel van zijn aanzijn.

-ocr page 20-

Gij doet hen wegstroomen; zij zijn een
slaap , aan den morgen groenen zij ah gras.
aan den morgen bloeit en groeit het, aan den
avond wordt het afgesneden en het verdort. (1)
Gelijk een stortvloed van de bergen af-
stroomt, en al wat in den weg staat en
daar beneden ligt in zijne vaart met zich
voert of overstroomt, zoo worden de
menschen weggerukt, onweêrstaanbaar, in
één oogenblik. Een geheel menschengeslacht
schijnt als door een stortvloed, die alles
medesleept, vernietigd te worden, zoo spoe-
dig gaat het voorbij. Dit beeld, om de
snelle vlugt van het inenschelijk leven uit
te drukken, is zeer gewoon. Maar het beeld
van den slaap, dat den dichter waarschijn-
lijk voor den geest kwam door de herin-
nering aan eene nachtwake, is éénig en
treffend. De geruste slaap is een staat van
bewusteloosheid, waarbij men zelfs geen tijd-

(1) Eene andere vertaling van deze beide verzen luidt
aldus :
Gij vaagt hen ais met een stortvloed wetj; zij zijn
ee.L droombeeld; aan den morgen, ah hel gra^ dat vergaat.
Aan den morgen bloeit het, en — vergaat. Tegen den
avond verwelkt tiet en verdort.

-ocr page 21-

verloop opmerkt. (1) Veelvuldig ook is in
^et Oosten het gebruik van het beeld aan
bet gras ontleend, om de broosheid en vlug-
^'glieid van den mensch aan te duiden. (2)
Gelijk het gras en kruid des velds, dat hi
den morgen welig, frisch en krachtig bloeit,
doch eer de avond daar is, afgesneden en
Verdord ter neder ligt, zóó is het menschelijk
leven. Zoo zag mozes het in de woestijn.
Zoo zagen het daar alle opmerkzamen voor
liunne oogen. En van waar dat? De dich-
ter zegt het:
Want wij vergaan door uwen
^oorn, en door uwe verbolgenheid worden wij
'verschrikt. Gij stelt voor U onze zonden,
verborgene zonden voor het licht van Uw
quot;■(ingezigt. Want alle onze dagen gaan daar-
heeii door Uwe verbolgenheid. Wij brengen

jaren door als een zucht, of als een
^demtogt.

(1) De woorden : zij zijn een slaap , kunnen ook aldus
quot;Pgevat worden, in verband met het onmiddellijk voor-
Saaiide: zij Ug^g^ ggj^ allen weder in de sluimering des
® Sommigen ook denken hier aan een droombeeld
'rende den slaap gezien, dat bij het ontwaken eens-
klaps verdwenen is.

Zie Psalm xxxvii: 2; cii : 12, 13; cm: 15,16.

-ocr page 22-

Het was een gevolg van het goddelijk
oordeel over hunne zonden. Die stonden
als een zwart register voor God, de open-
bare zoowel als de verborgene. Zoo wordt
hier de dood en het vlugtige des levens, in
overeenstemming met het verhaal in Gen. iii,
als gevolg der zonde beschouwd. De toorn
Gods veronderstelt de schuld van den mensch.
Wil men in den dood niet het loon der
zonde zien, wat moet men dan van God
denken, die den dood over ons beschikt?
Het verdient opmerking, dat hier ook van
verborgene zonden gesproken wordt. Cl) Het
gebied der zonde is wijd uitgestrekt. Ook
daar, waar men zich van geen schuld bewust
is, heeft men daarom geene zekerheid vrij
van schuld te zijn. Nieuw is hier ook de
vergelijking van de vlugtige levensjaren bij
eene zucht of een' ademtogt. Zoo als de
adem in den winter door do koude voor een
oogenblik gezien wordt, maar ras verdwijnt,
zoo nietig en broos is het leven der men-
schen op aarde. Dat was in vollen nadruk
(1) Zie ook Psalm xix : 13.

-ocr page 23-

waar in de woestijn. Wie teekent ons, in
hoe vele gedaanten de dood door dc leger-
plaats waarde? Overeenkomstig de goddelijke
strafgerigten zag men er dagelijks plotseling
Weggerukt of langzaam verdwijnen, nu door
pestilentie en verschrikkelijke plagen, dan
door slepende kwalen en knagende smarten,
^e gespaarden moesten eiken dag een soort-
gelijk lot verbeiden. Telkens kon men het
verder af of digt bij vernemen, dat God
bet misdrevene niet vergeten had, dat hunne
zonden voor Hem stonden.. Geen 38 jaar
bad de gepleegde weerspannigheid uitgewischt.
^let is hieruit, dat wij ook verklaren moe-
ten, wat de dichter vs. 10 getuigt:
De
dar; yfl^r jaren bevatten
70 jaar, en als
'C-, quot;tl ric zijn,
80 jaar, en het idtnemend-
'quot; Jan . is moeite en verdriet.

iegeijwoordig is dit doorgaans het hoogste
'^ïvensperk, toen niet alzoo. Velen telden
honderd en meer jaren. Aaron honderd
drie en twintig, mozes drie jaren minder.
Mik,jam, reeds een aankomend meisje, toen
mozes geboren werd, stierf in het laatste

-ocr page 24-

jaar der omzwerving in de woestijn. (1)
Josua werd honderd en tien jaren. Het
was dus toen niet volgens het gewone beloop,
dat 70 of 80 jaren het uiterste van 's men-
schen leven was. Integendeel, het was eene
aanmerkelijke afkorting, een vroegtijdige dood,
bijna gelijk staande met het sterven op het
40ste of 50®'® jaar onder ons. Van dat ver-
korte 70 of SOjarige leven was het
uitne-
menóste,
het meeste moeite en verdriet. Ook
dat is niet algemeen waar van ieder mensch,
noch van eiken godvreezende. Het zou eene
ondankbare klagt en in veler mond een leu-
genwoord zijn. Hoe velen, die slechts wei-
nig moeite en verdriet ondervinden, wier
leven als eene zacht vloeijende beek daarheen
gaat. En ook zij, wier leven minder geluk-
kig is, kennen toch hunne blijde dagen, zon-
der kommer of jammer, gekenmerkt door
menigvuldigen zegen en verschooning van
God. Maar in de woestijn was het van het
wegstervend geslacht ten volle waar. De
jeugdige of mannelijke jaren waren in de
(1) Numeri xx ; 1.

-ocr page 25-

liarde slavendienst van Egypte, en de latere
in de woestijn, waar zij zooveel moesten
Wissen en zooveel verduren, doorgebragt. En
dan nog vroegtijdig afgesneden. Hier kon
'nen het zeggen, geheel do omvang van
onzen levenstijd is moeite en verdriet.

Snel wordt het afgesneden en wij vliegen
^mrheen. En nu besluit de dichter met dezo
Vraag:
Wie kent de sterUe uws toorns, en
verbolgenheid, naar dat Gij te vreezen
Ach! hoe duidelijk zich de toorn Gods
ook openbaarde in de afkorting van hot men-
schelijke leven, toch bleven velen onaandoen-
'jk, ongetroffen, en namen de toevlugt niet
tot God. Velen erkenden het niet, dat,
^vaar men zich niet aan God hield. Zijn
toorn even groot was, als Zijne majesteit.

Hiermede eindigt het eerste deel van het
sel'ooiie lied. Na deze aandoenlijke teeke-
quot;quot;ig van het leven en sterven in de woestijn,
^ëi mozes het bedrukte volk eene bede in
quot; mond, om van deze treurige ervaringen
'et regte gebruik te maken, en om de we-
erkeering van Gods gunst en zegen over hen.

-ocr page 26-

Leer ons, zoo smeekt de zanger, leer ons
alzoo onze dagen tellen, dat wij een toijs harte
beJcomen.
Men telt doorgaans datgene, waarop
men prijs stelt, en waarvan men weinig be-
zit. Bij overvloed of geringschatting is men
niet gewoon te tellen, maar geeft weg zon-
der er veel op te letten. De korte levens-
dagen , die er nog overschoten voor de
Israëliten, mogten wel naauwkeurig geteld
cn besteed worden, want zij waren gewig-
tig, onzeker, en vlogen ras voorbij. Daarom
bad mozes om ze
alzoo, op die wijze, on
met dat gevolg te tellen, dat men een wijs
hart bekwam.
Een wijs hart is een god-
vruchtig hart. De vreeze des Heeren was
door alle tijden heen, bij mozes zoowel als
bij salomo, en bij ieder, die het doel des
levens in verband van het tegenwoordige
met het toekomende kent, het beginsel der
wijsheid die naar boven leidt. Het is die
wijsheid, welke ons wel doet leven en wel
doet sterven. Het is die rigting en stem-
ming der ziel, waardoor zij met eerbied voor
God vervuld is, in ootmoed voor Hem bukt.

-ocr page 27-

lust heeft om Hem te behagen, vermaak
vmdt in Zijne geboden en door geloof en
liefde aan Hem verbonden is. Dat bidt
Mozes van God:
leer het ons, leer ons zoo
onze korte droevige dagen waarderen en
gebruiken, dat wij waarlijk wijs worden, dat
Uwe oogmerken in ons, en onze groote en
gewigtige bestemming door ons mogen be-
reikt worden.

Na die bede kon de edele Godsman niet
eindigen, zonder de belangen zijns volks aan
dien eeuwigen God op te dragen, wiens
groote beloften, voor zoovele eeuwen ge-
daan, nu toch hare vervulling nabij waren.
Aldus gaat hij voort in naam des volks to

smeeken:

Keer loeder. Heer! Tot hoe lang? En heb
''Medelijden met uwe knechten!
Het gestrafte
Volk was toch Gods volk. Daarom erbarme
^od zich over hunne zwakheid en ellende.

Verzadig ons in den morgenstond niet uwe
(jenade.
Eene blijkbare toespeling op hot
manna, dat eiken morgen uit den hemel
viel. Voor den godvruchtigen Israëliet was

-ocr page 28-

de zigtbare spijs wel eene groote gave; maar
liij liad nog eene boogere begeerte, eene
meer dringende behoefte aan de gunst en
vriendschap van God. Verzadig ons met
uwe gunst, nog meer dan met liet hemeisch
brood, waarmee Gij ons eiken morgen
voedt. Geef na don nacht van jammer een
morgen van vreugde,
dan zullen wij juichen
en verblijd zijn al onze dagen! Verblijd ons
naar de dagen, waarin Gij ons gedrukt,
ons
vernederd
hebt; naar de jaren, waarin ivij
het kwade zagen!
Laat ons even lang geluk-
kig worden, als wij lang vernederd en ver-
ootmoedigd zijn.

Uw werk worde zigtbaar voor uwe knech-
ten, en uwe heerlijkheid voor hunne kinderen!
Uw werk
is hier de groote daad van
Gods almagt, die het volk was toege-
zegd, de invoering in het beloofde land.
Door opregte liefde bewogen, neemt de dich-
ter hier alle volgende geslachten in zijn
gebed op.

En over ons home de vriendelijkheid des
Heeren, onzes Gods! En het loerk onzer

-ocr page 29-

blanden, o bevestig Gij dat! Ja, het werJt
onzer handen bevestig Gij dat!

De iiiniglieid van liet gebed stijgt hier tot
den lioogsten trap. In vurige taal wordt
Gods liefdevol en gunstrijk welbehagen, zon-
der overblijfsel van toorn of misnoegen in-
Seroepen. En in de vaste overtuiging, dat
zonder God geen menschelijk werk wel ge-
likken kan, wordt Gods zegen afgesmeekt
over het werk hunner handen. Hier schijnt
gedoeld te worden op hetgeen nu eerlang
zou moeten geschieden bij de op handen
zijnde verovering van of intrede in Kanaan.
^Vquot;ees bij ons, met ons, voor ons, o Heer!
-•egen onze pogingen en laat Uw aangezigt
Wederom in gunst en liefde over ons lichten!

§ 2.

DE SCHOONHEID VAN DEN PSALM,
is onder de verschillende uitleggers maar

f .nbsp;OO

Stem over de schoonheid van dit lied.
iilioiid en taal beide is beurtelings geprezen,
de laatste heeft men krachtig en edel ge-

-ocr page 30-

noemd, waardig den bloeitijd van Israëls
dichtkunst. En voorwaar, niet ten onregte!
Het lied is gewigtig, vol majesteit en gezag ,
uitmuntende door treffende vergelijkingen,
schitterend door zeldzame maar schoone beel-
den. Hierop in vlugtige trekken opmerkzaam
te maken, zal zeker niet geheel nutteloos zijn,
of in strijd met het doel van dit boekje. Im-
mers strekt het tot eer van de heilige Schrift,
als zij zich ook van de zijde harcr schoonheid
aanbeveelt, en ook in dit opzigt niet onder
doet voor geroemde meesterstukken van taal
en stijl uit latoren tijd.

Rijk en schoon zijn de beelden die wij hier
aanti'effen. Reeds in het eerste vers merken
wij dit op, waar de dichter God aanspreekt
als de woning, bet toevlugtsoord voor
zijn volk. Hoe juist gekozen is die benaming
in don mond van een volk, dat van geslacht
tot oreslacht zwervejide was geweest, zelden

Onbsp;Onbsp;'

een vast verblijf had bezeten, en al de on-
gemakken van zulk een zwervend leven had
moeten verduren. Neen, Israël had de ellende
daarvan naanwelijks gevoeld, want schoon zij

-ocr page 31-

nienigmalen, en nu gedurende bijna veertig
Jaren zonder dak waren geweest, in God
hadden zij eene woning gevonden.

Hoe aanschouwelijk wordt de eeuwigheid
Gods voorgesteld, hoe wordt die eeuwigheid,
Waarvan het menschelijk verstand zich geen
begrip kan vormen, ons als 't wai-e nabij
gebragt, als in vs. 3,4 wordt gezegd, dat
Gods bestaan zoo duurzaam is, dat 1000 jaren
Voor Hem zijn als één dag, en wel als een
dag, die reeds voorbij gegaan is, als de dag
^an gisteren, die voor ons is weggevlogen,
of als eene nachtwake, die slechts drie uren
duurde.

Bovenal, wat keur en rijkdom en juistheid
^an beelden vinden wij hier om de kortheid,
de vlugtigheid, de broosheid des menschelijken
'evens af te teekenen !

Een geheel menschengeslacht gaat zoo snel
Voorbij, als of het door een stroom, die alles
medesleept, werd voortgespoeld. (vs. 5^)

Als een slaap is de mensch. Bij het ont-
waken heeft men niet de minste herinnering,
hoe lang de slaap gedmird heeft. (vs. 5''.)

-ocr page 32-

Als het quot;gras is de mensch. Welig tiert
het gras in den morgenstond. Aan den
avond is het verdord en verflenst. Frisch
ontluikt de mensch in den morgen van zijn
leven; op den middag bloeit hij en is sterk
van kracht; en aan den avond is hij kwij-
nende, ja vaak plotseli?ig weggerukt eer nog
do avond zijns levens daalde (vs. 5quot; en 6).

Als een ademtogt, een zucht, een geluid
is het leven des menschen (vs. 9). Zoo snel
als een ademtogt verdwijnt, zoo snel als een
zucht, een geluid gehoord wordt en zich op-
lost in de lucht, zoo snel spoedt ons leven
voort.

i-Vij vliegen daarheen, zegt de dichter vs. 10,
en zoo vergelijkt hij het leven nog ten slotte
bij de vlugt eens vogels, die op geopende
wieken eenen voor het oogenblik onmetelij-
ken afstand, in een zeer kort tijdverloop
aflegt.

Niet alleen de keur en rijkdom van beelden
maakt dezen Psalm zoo schoon, ook de krach-
tige tegenstellingen dragen daartoe bij.

Het onbegonnene van Gods bestaan stelt

-ocr page 33-

^Ü tegenover den aanvang des menschen uit
bet stof. De eeuwigheid van Gods aanwezen
doet hij dieper gevoelen en sterker uitkomen
^oor de kortheid van 's menschen leven daar
tegenover te plaatsen (vs. 3, 4). Ja, hoe
®ehoon is in de eerste verzen de opklimming
om die eeuwigheid Gods aan te duiden. Eerst
heeft de Godsman verklaart, dat God een
toevlugtsoord is van geslachte tot geslachte.
Zoo bestond God gedurende den leeftijd van
alle vorige geslachten. Maar sterker nog
drukt hij dit uit in vs. 2. Ouder dan die
geslachten der menschen zijn de bergen, aan
^velke dichters gewoon waren eeuwigheid toe
te kennen, fl) Maar God was eer de bergen
^aren, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij
IS de eerste en de laatste.

En merken wij nu ten slotte nog op welk
eene verrassende wending in dit lied voor-
komt. In den vorm eener uitstorting des
karten voor God, eener stille overdenking
^as het aangevangen. En eensklaps gaat
het over in een gebed, dat bij toeneming
(') Zie Habakuk III: 6.

-ocr page 34-

vuriger wordt, en met krachtiger drang, met
eene treffende lierhaling eindigt.

Inderdaad, wie eenig gevoel voor hot
schoone en verhevene bezit, hij moet dit
lied reeds daarom als een meesterstuk waar-
deren. Maar hooger dan de schoone vorm
staat de belangrijke inhoud van dezen Psalm,
welke nog ieders behartiging verdient, en
waarbij wij opzettelijk zullen stilstaan. En
vooral met het oog daarop mag het met na-
druk gezegd worden: » in den stroom des
» tijds blijft dit lied een onvergankelijk ge-
» denkteeken van ongeschokt geloof in den
» eeuwigen God.quot;

§ 3.

als hoedanig deze psalm ons mozes
kennen doet.

Het is belangrijk, groote mannen gade te
slaan onder zeer bijzondere omstandigheden,
liet is vooi-al belangrijk, hun gemoedsbe-
staan te leeren kennen uit hetgeen zij onder
zulke omstandigheden spraken en deden. De

-ocr page 35-

XC^ Psalm vergunt ons een' blik te rigten in
het hart van mozes, toen het volk, dat hij
hef had, gebukt ging onder het oordeel Gods.
Wat moet het voor hem geweest zijn, zulk
aantal jaren, bijna een derde van zijn
aanschouwer en getuige te zijn van zoo-
jammer en ellende; de uitvoerder te
quot;toeten wezen der goddelijke gerigten? Wij
Weten wel niet, hoe en in welk eene mate
hem vergoed en verzacht is geworden
oor den omgang in de nabijheid van God.
^ar wij lezen niets van eene nieuwe ont-
dekkmg of openbaring des Heeren. In ver-
eeniguig rnet zijnen broeder aüron heeft
^lOZEs de door God aan hem gegevene vei'-
ordeningen omtrent Priesters, Levieten, ofFer-
_ «den, en tabernakel, en de burgerlijke
^nzettingen, voor zoover deze in de woestijn
'onden worden in werking gebragt, uitgevoerd
geregeld. Hij bleef aan het hoofd des
^olks als hun leidsman en rigter, die de
boorden Gods mededeelde. Doch het was
^oeh voor zijn edel, fijngevoelend hart een
^'Hartelijke en hoogst onaangename tijd. Het

3*

-ocr page 36-

omzwervend herdersleven had iets stil een-
toonigs, maar de stilte en rust in die 38 ja-
ren was die des grafs. De toonen, die hij
nu maanden en jaren hoorde, waren die der
weenende kinderen bij de lijken der ouders,
wier ligchamen gevallen waren in de woestijn.
Het was niet de rust van het beloofde land,
waarop hij gehoopt had, noch ook het zachte
genoegen, dat hij te voren in Mi dian, bij
het hoeden van jethro's kudde gesmaakt
had. Allen, die hij in zijne jeugd gekend,
en bij zijne terugkomst in Egypte weder-
gevonden had, allen, die met hem van
gelijken leeftijd waren, ja 50 en meer jaren
jonger dan hij, zag hij wegsterven, en dat
in het ongenoegen en oordeel van God. Hij
blijft schier alleen over. En welk een hart-
zeer en verdriet het weêrstrevig volk hem
in die jaren zal berokkend hebben, is ons
wel niet aangeteekend, maar laat zich uit de
geaardheid dier natie ligt berekenen. Zoo-
danio- is nu de levensavond van een' man

O

die, als kweekeling eener vorstin, aan het
Egyptische hof in aanzien en weelde was op-

-ocr page 37-

gevoed. Zoodanig was het laatste gedeelte
der aardsche loopbaan van oenen tnan, dio
Van der jeugd af door God was afgezonderd
en gevormd tot zijn' bijzonderen vriend en ver-
ti'ouweling. Wat was nu het loon van al
die opofferingen, van zijne ijverige en getrou-
^ve pogingen voor het geluk zijns volk? Wat?
^iets dan moeite en verdriet. Indien hij ook
•^oen niet vastgestaan had als ziende den On-
zienlijke; indien hij niet op eene andore en
lioogere vergelding des loons gehoopt had,
quot;J Ware gewis van hartzeer verteerd of uit
'Moedeloosheid bezweken. Doch hij was
gc-
sterkt in den Ileere zijnen God. Hij werd
|oor hoogore beginselen gelold, dan zij, die
'un deel in dit leven zoeken, kennen of be-
^'tten. Wij weten dit van elders, en duidelijk
'ykt het ons uit onzen Psalm. Dit gebed
van MOZES, den man Gods, is het afdruk-
van hetgeen hij wenschte en hoopte, de
®lquot;egel, waarin wij het gevoel on de gesteld-
van zijn hart in dat merkwaardig tijdvak
JJ'ischouwen. Menige trek van zijn god-
tuchtig gemoed straalt hier door. Hoe

-ocr page 38-

liartelijk is de toon, waarop hij de jammeren
des volks voorstelt! Het is geene opgewon-
dene dichterlijke beschrijving, maar de uit-
drukking van een gevoelig hart, dat mede
lijdt, mede klaagt, mede bidt. Te meer
moet dit treffen, daar hij toen nog niet zeker
wist, dat het hem niet vergund zou zijn in
K anaan te komen, en hy geheel vrij was
van die misdaad, waarom het oordeel der
wegsterving over het volk was uitgesproken.
Geen zweem van uitzondering, van verheffing.
Het is, of hij mede gezondigd had, mede
moet sterven. Hij is als 't ware
één met hen.
En verre van over Gods handelwijze te kla-
gen of tegen Hem te murmureren, eerbiedigt
hij God in den weg zijner gerigten, en ver-
nedert hij zich onder Gods krachtige hand.
Het zijn de zonden, onze zonden, die dit
oordeel veroorzaken, die het ons waardig
maken. Dat betuigt hij zelf, hij wil dal
voor God verklaard hebben, en waren er
onder het volk, die niet openlijk door woord
en daad zich met de onstuimige menigte ver-
eenigd hadden, zij moesten gedenken, dat

-ocr page 39-

huune verborgene zonden, hun ongeloof,
hunne ondankbaarheid stonden in het licht
^an Gods aanschijn.

Gewigtig is ook het doel, het gezegend
gevolgd dat door deze zware bezoeking kon
bereikt worden, en zulk een belangrijk ge-
deelte uitmaakt van het gebed, dat zij nioes-
uitstorten, te weten: het bekomen
^an een wijs hart. Dit stelt mozes hier
^oor, als iets dat door den dood niet kon
ontnomen worden, maar dat, als een onver-
gankelijk en dimrzaam goed bewaard bleef.
Indien er geen leven na dit leven, geene
Zaligheid der ziel, geene goede vruchten van
'et vreezen van God te wachten waren,
dan kwam het er in dat korte leven in de
^voestijn niet op aan, of men een wijs dan
dwaas hart had. Maar nu hij op dat
'^^yze hart zoozeer aandrong, nu geeft hij
•^en wenk, ja, meer dan een wenk, dat
schoon veroordeeld naar het vleesch,
^hter kon behouden worden naar den geest,
n welk eene opwekkende aandrang, als hij
'•oet bidden:
leer ons ahoo onze dagen tellen.

-ocr page 40-

Het wijst aan dat God dit niet alleen kon,
maar ook wilde leeren aan een iegelijk, die
het in opregtheid van Hem bad.

Merken wij ook op, hoe de ernst van
den wetgever zich in dit lied niet verloo-
chent, gelijk reeds met een enkel woord
vroeger werd aangeduid. (1) Wij Iiooren
.den wetgever, als mozes zingen:
Wij ver-
gaan door uioen toorn, en door uwe verbol-
genheid worden loij verschrikt. Gij ste voor
U onze zonden, onze verborgene zonden voor
het licht van Uw aangezigt.
Zoo luide en
nadrukkelijk als hier wordt alleen in Gene-
sis
III en bij de afkondiging van verschil-
lende wetten gepredikt: dat de dood het
loon der zonde is.

En hoe toont mozes ook den vasten en
goeden grond te kennen, welke in dien ban-
gen tijd het bezwijkend hart van oud en jong
kon ondersteunen! God, de eeuwige en
onveranderlijke, de toevlugt te midden van
al wat sterft en vergaat. God, de Schepper
van hemel en aarde, hoezeer Hij zijnen

(1) Zie § 1 van de algemeene opmerkingen.

-ocr page 41-

toorn openbaart over de zonde, toch een'
toevlugt, die uit en door de kastijding leeren
W'1, dat men een wijs hart bekomt. Welk
^en heerlijk, Gode waardig en troostrijk
denkbeeld! God, die van eeuwigheid tot
eeuwigheid bestaat, die alles heeft voortge-
'^'^quot;^gt) het zeker toevlugtsoord, gelijk van
-^^^•■^
Ham, zoo ook van het geslacht, dat
•^'aar stierf, en dat over bleef. Aan wiens
gunst was dan ook meer gelegen, dan aan
•^l'e van Hem, van wien het verder alles
afhing, Jie gij^g poging moest zegenen,
■«onder wien geen werk gelukken kon? Met
^^em begint, in Hem eindigt de biddende
zanger, met en in Hem, die, wat er sterft
quot;f vergaat, blijft die Hij is, de onverander-
'JKe rots van het vertrouwen des harten
Joor allen, die Zijnen naam kennen en op
goedertierenheid hopen!
inderdaad, een mozks, dien wij ook van
^Idei's in zijne grootheid kennen, staat ook hier
ons in al zijne beminnelijkheid, in al den
quot;^eldom zijner ziel. De negentigste Psalm
®gtvaardigt zijnen eernaam, man Gods.

-ocr page 42-

BLIJVENDE BELANGRIJKHEID
VAN DEZEN PSALM.

Zoo gepast als dit gebed van mozes was
vooi- zijne tijdgenooten, zoo belangrijk en
leei-zaam blijft het voor ons ten allen tijde,
en niet het minst bij de verwisseling der
Jaren. De gedurige aandachtige overweging
er van kan niet anders dan heilzaam en nut-
tig voor ons wezen. Het is een psalm om
dagelijks te lezen en te bepeinzen, een
psalm voor het leven. Immers, hij wijst ons
aan: de juiste levensbeschouwing, het
regte levensgebruik, den éénigen le-
vcnstroost en de ware levenskracht.

§ 1-

de juiste levensbeschouwing.

Hoe moeten wij het aardsche leven be-
schouwen? Die allerbelangrijkste vraag, aan
welker beantwoording ons alles moet gelegen
zijn, als wij niet onnadenkend en zorgeloos
willen voortleven, vinden wij in dezen Psalm

-ocr page 43-

Ji'ist beantwoord. Het aardsclie leven heb-
ben wij te beschouwen, zoo als het door de
ervaring is gekenmerkt en soms met nadruk
door de Voorzienigheid aan ons wordt voor-
gesteld, als onzeker, kortstondig, met moeite
en verdriet vergezeld. Nadat de zonde is in
de Wereld gekomen, heeft God ons verblijf
Op aarde met wijsheid zóó ingerigt. Het is
onzeker. De duur en het einde hangt niet
^an ons, hangt alleen van God af.
Gij, zoo
spreekt mozes God aan,
Gij doet den mensch
'^'^ederheeren tot stof, en zegt: keert temg, gij
kinderen der menschen!
vs. 3. Gij doet hen
'^'^eystroomen.
vs. 5«. En dat dit zoo is van
^^ege de zonde, laat de dichter gevoelen als
bij zegt:
ivij vergaan door uwen toorn. Kort-
stondig is het leven. Als het gras, als eene
gedachte, een droom, eene nachtwake. Ze-
ventig of tachtig jaren is het hoogste perk,
dat slechts door enkelen bereikt wordt. En
'bt is in vergelijking van ons eeuwig voort-
^U'-end bestaan een stip, en als het geëindigd
IS. gelijk de dag van gisteren , als hij voorbij
gegaan is En hoewel wij niet van allen ten

-ocr page 44-

allen tijde zeggen kunnen, dat het uitnemend-
ste moeite en verdriet is, zoo is toch zorg
en kommer, teleurstelling en droefenis met
het menschelijk leven, in eeno wereld vol
zonde en onvolmaaktheid zoodanig verbonden ,
dat niemand daarvan geheel vrij is. Dikwerf
wordt dit in geen geringe mate ondervonden.
Het ware leven, dat aan onzen wensch en
behoefte volkomen beantwoordt, wordt hier
niet gevonden; wij hebben het hier nooit
gekend, en het kan hier niet zijn. Zoo leert
de ervaring, zoo stelt de Schrift het ook hier
ons voor, ieder zal het gereedelijk toestem-
men , maar weinigen nemen het ter harte.
AI ziet men dagelijks jong en oud sterven,
al ervaart men gedurig het onbestendige,
onvoldoende en ijdele van al wat op de
wereld is, al kort onze levensdag in, men
werkt en slooft, men woelt en dartelt, als of
men hier eeuwen blijven zou, als of men zijn
deel zoeken moest op aarde. Gelijk een kind
zich aan den schijn vergaapt, zoo is de door-
gaande dwaasheid der stofbewoners. Zoo
mozes nog leefde, hij zou van het geslacht

-ocr page 45-

^an dezen tijd, met evenveel regt als van
^yne tijdgenooten, vragen:
wie kent de sterkte
^^^ toorns, en uwe verbolgenheid, naardat
te vreezen zijt?
vs. 11. Welk een ver-
^ederend bewijs van de verblinding des ver-
®^ands, de heerschappij der zinnen en van
aardschgezind zondig bestaan van ons
hart! Is ojig leven een ademtogt, weten wij
Wat de morgen baren zal, waarom dan
oogen afgewend van de waarachtige

hescho

'Uvving der dingen zoo als zij zijn ?
aarom oor en hart gesloten voor de stem,

gedurig van alle zijde ons toeroept: de
is kort, eerlang zal het ook tot u zijn:
kind van adam, terug tot het stof.
® de duur en het einde van ons leven in
hand, waarom dan zoo menigmaal onze
^fiiankelijkheid van God voorbijgezien bij
plannen en ontwerpen, waarom stout
vermetel gesproken als of alles alleen van
afhing ,
in plaats dat wij zouden zeggen :
^^dien de Heer wil en wij leven zidlen, zoo
^quot;-llen wij dit of dat doen?
(1)
O Jac. iv: 15.

-ocr page 46-

Is vaak hot uitnemondste van ons leven
moeite en verdriet, waarom zoo menigmaal
redeloos daarover geklaagd, in plaats van
daarin eene wijze beschikking Gods te zien,
om ons los te maken van eene aarde, waar-
aan wij te veel zijn gehecht? Waarom niet
gedurig in moeite en verdriet dezes levens
handwijzers naar boven gezien, die het ons
krachtig toeroepen:
Uer beneden is het niet?

O lezers! leeren wij van mozes de juiste
levensbeschouwing, zoo zij tot hiertoe de onze
niet was. Het onzekere en kortstondige van
otis aanzijn worde niet meer door ons ver-
goten. En als wij het moeitevolle des levens
ondervinden, dan, gedachtig aan onze zon-
den, ons verootmoedigt voor Hem, die voor
paradijsrozen hier beneden doornen heeft voort-
gebragt, opdat ons hart zou uitgaan naar het
Paradijs hierboven.

§ 2.

het regte levensgebruik.

Welk is het regte levensgebruik? Ziedaar
eene vraag niet minder gowigtig dan deze:

-ocr page 47-

^elke is de juiste levensbeschouwing? Ook
quot;P cleze vraag geeft mozks in onzen Psalm
et antwoord. Wij moeten
ahoo ome dagen
^^lleu, dat wij een loijs hart hekonien.
Er is
Verschillende soort van wijsheid. Die, welke
^OZES bedoelt, wordt in het leven geleerd,
bij het sterven, en na den dood in de
eeuwigheid, nog proefhoudende bevonden. Zij
^ Voor ieder, die ze begeert te verkrijgen.
quot;quot;J Wordt gekend, gekweekt en beoefend door
e opregte dienaars des Heeren, door alle
t'jden, onder alle hemelstreken. Het zijn de
^eodanigen, die niet aanmerken de dingen die
quot;^en ziet en tijdelijk zijn, maar die men niet
^'et en eeuwig zijn; die meer bedenken en
^eeken de dingen, die boven zijn, dan die
aarde zijn. Die in de kennis van God,
■^'J'i Woord en wog hun lust, in de gemeen-
^ehap met Hem hunne hoogste zaligheid, en
het dienen en gehoorzamen van God zin
vreugde hebben. Die de wereld gebrui-
maar niet m-sbruiken, die het doen van
' s wil in hunne roeping en hun kring als
doel des levens achten. In 't kort, het

-ocr page 48-

zijn dezulken, die wijs willen woixlen tot za-
ligheid. Zulk een wijs hart moeten wij hier
bekomen. Zonder dat is het leven te ver-
geefs, het oogmerk van ons aanzijn niet be-
reikt. Daarom gebruikt hij het leven op de
regte wijze, die het besteedt om die wijsheid
te verkrijgen. Het is de ware levenswijsheid.
Zij komt van God en leidt tot God. Het is
het ééne noodige, in het oog der wereld
dwaasheid, maar bij de uitkomst, de wijs-
heid, die rijkdom, leven en eere geeft. Het
is de wijsheid van eenen abraham en mozes,
van johannes en paulus, in de hoofdzaak
één, in de maat der ontwikkeling onderschei-
den. Het is de wijsheid van allen, die het
vernieuwde hart en geheiligde gemoed, door
de kennis van en het geloof in God en den
Zaligmaker en door de gemeenschap des Hei-
ligen Geestes bezitten. Het is de schat, dien
wij hier op aarde moeten trachten te beko-
men; het éénige, dat wij naar de volgende
wereld kunnen medenemen , en zonder het-
welk wij onnut onze plaats op aarde hebben
bekleed. Om ons dat te doen verkrijgen,

-ocr page 49-

Wordt het leven verlengd, het Evangelie der
§®nade gepredikt. Daartoe moet het onbe-
®tendige, ongenoegzame en de teleurstelling
wereld ons opleiden; daartoe de moeite
het verdriet, die ons treft dienen, om
hooge belang en de noodzakelijkheid van
geestelijke wijsheid te doen gevoelen.

Lezers, het leven, hoe kort ook, is lang
genoeg om dat wijze hart te bekomen. Te
zou het hier alleen kunnen worden door
'^'ize dwaasheid, als wij immer meenden tijd
genoeg te hebben, en verzuimden onze dagen
^ tellen. Ach, hoevelen zijn zoo dwaas !

hoevelen moet men nog den wensch
'uitboezemen, dien de man Gods, mozes kort
zijn einde uitsprak voor zijn volk:
o dat
waren! zij zouden op hun einde mer-

(1).

Hoevelen verspillen hunne beste
gen, en laten die wegvloeijen gelijk zand
de vingers, zoo lang zij nog op eene
^itelbare menigte meenen te kunnen rekenen,
quot;^ar hoe bedriegen zij zich! Immers, als

dan

' plotseling niet zelden, het leven ten

Deuteron, xxxu : 29.

-ocr page 50-

einde neigt, en onverwacht sleclits weinige
dagen of uren meer voor hunne oogen ,gtaan,
dan willen zij op eenmaal de groote levens-
taak aanvangen, maar dan weten zij niet,
waar te beginnen. En eene taak, waarvoor
God een geheel leven schenkt, zou die in
weinige dagen kunnen worden volbragt? O,
dat niemand toch zoo dwaas zij! Vrage een
iegelijk van God, op het voetspoor van mozes,
leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een
wijs hart bekomen,
vs. 12. Welligt zijn onze
dagen niet velen meer, en dit is zeker, zij
gaan spoedig voorbij De weg door dit leven
is spoedig ten einde gebragt, maar het leven
aan de andere zijde des grafs, waarvoor wij
hier moeten gevormd worden, dat leven is
eindeloos. Het einde, het beslissend einde
nadert met vaste schreden. Het zal niet uit-
blijven, omdat wij er niet aan denken, omdat
wij nog niet bereid zijn. Bij de stem, die
telkens gehoord wordt,
terug, o mensch 1 teruq
tot het stof,
wordt nog eene andere stem ge-
durig vernomen: terug, o mensch! van het
dwaalspoor, terug van de zonde, terug tot

-ocr page 51-

Uwen Maker, tot uweii God! Juist omdat
stem telkens weerklinkt, juist daarom is
het korte leven hem lang genoeg om een
quot;''JS hart te verkrijgen. Er is geen reden tot
'^'agt. Ep jg gyej^ oorzaak tot verontschul-
^'ging. Qod heeft ons den weg gewezen in
^D'i woord, en laat ons telkens opwekken
O® dien te bewandelen. W^at geen mozfc;s
Voor
Israël, liggende onder het vonnis des
doods, zijn kon, dat kan de Middelaar Gods
eii der menschen: onze zonden voor het
^a'igezigt van God bedekken, ons het wijze
^'art schenken, en van den toekomenden toorn
verlossen. Tot Hem dan het heenge-
Wend! Tot Hem, die onze leidsman zijn
en door wien wij alleen tot God kunnen
tornen, alleen voor God kunnen bestaan !

§ 3.

de éénige levenstroost.

■Al bestaat er geen reden tot klagen over
kortheid en het moeitevolle van het aard-
leven, er is toch in de gedachte daar-

4#

-ocr page 52-

aan iets aandoenlijks. De vertegenwoordiging
van het naderend einde en het wederkeeren
tot stof stemt menigmaal tot somberheid. En
als zich daarmede heimelijke vrees vereenigt
om onvoorbereid te sterven, geen wonder
zoo er dan pijnigende onrust in ons ontstaat.
Maar ziet, Israëls leidsman, de man Gods
MOZES wijst ons ook in dit lied' op den
éénigen levenstroost. Hij leert ons, wat wij
noodig hebben om in dit leven gerust en ge-
moedigd te zijn. Die levenstroost is in het
geloof in den eeuwiglevenden en onverander-
lijken God, die een toevlugtsoord is van
geslachte tot geslachte. Indien men onder
al het kortstondige en ras voorbijgaande, niets
zekers en eeuwigblijvend wist aan te wijzen,
tegenover de moeite en het verdriet der aarde
geene storelooze en alles vergoedende vreug-
de, dan ware het beter, dat wij elkander
nooit opmerkzaam maakten op het ijdele en
onvoldoende des tegenwoordigen levens. Dan
zou er regt zijn om dit woord tot onze levens-
leus te maken:
laat ons eten en drinken,
want morgen sterven wij.
(1) Maar er is een
(1) 1 Cor. XV: 32b.

-ocr page 53-

G^ocl en Vader in den hemel, die is van
eeuwigheid tot eeuwigheid. Er is een Zalig-
Haker op den troon des heelals, die nooit
sterft en het leven heeft aan het licht ge-
'^'■^gt. Er is een Greest, die ons wil troosten
leiden, en bij ons blijven in eeuwigheid,
al is het, dat alle vleesch is als gras,
alle 'heerlijkheid des menschen als eene
'^loeme des velds,
het woord des Heeren, dat
zaad der wedergeboorte
, dat ons
gedurig verkondigd wordt,
blijft in der eeu
'^^ghcid. (1^ Daarin is eene vastigheid voor
het geloof en de hoop van bekommerden,
Welke niet wankelen zal, al storten de ber-
pr» in en zinken de eeuwige heuvelen weg»
al bezweken de grondvesten der aarde.
'^'J is in het deelgenootschap aan God in
•^IIRISTUS. Dit is ook het éénige, dat onze
^'el tot rust kan brengen , en waardoor wij
geuioedigd in deze woonstede der zonde en
doods kunnen voortwandelen. Die eeu-
^'ge God wil ons een toevlugtsoord zijn.
^U Was het van geslachte tot geslachte. Mo-
1 Petr. I: 23—25.

-ocr page 54-

zes kende Hem als zoodanig. Hij had het
ondervonden van zijne vroege jeugd af. Die
God had reeds voor hem gezorgd, toen hij,
onbewust van zich zeiven, in het biezenkistje
dobberde op de wateren van den Nijl. Die
God was met hem gebleven aan het hof van
tarao, op zijne vlugt, in de woning van
jethro, en toen hij zich vertoonen moest
aan den Egyptischen dwingeland om Israël
te verlossen. In zijn veelbewogen leven had
hij de rijkste ervaringen opgedaan der trouw
van jehova. Daarom hield hij ook nu aan
Hem vast in bange en sombere dagen. Hij
stelde zich Hem gedurig voor oogen. Hij
kende Hem in al zijn weg, en daardoor had
hij zoo vee! moed en kracht. Want ook dit
wist hij bij ervaring, dat het gaan buiten
Gods weg beschaamd deed uitkomen. Door
dat geloof in den eeuwiglevenden God stond
hij zoo gerust en vast onder alles wat hem
bejegende.

Lezers, daar moet het ook met ons henen,
als wij regt gelukkig willen worden en ge-
troost zijn onder alle wisselingen en moeite.

-ocr page 55-

^at Js de éénige levenstroost. God moet
een toevlugt, onze wijkplaats zijn, zal Hij
de rotssteen van ons vertrouwen en liet steun-
punt van ons hart zijn. Hij moet als de
^Igenoegzame door u en mij, door ons allen
gekend en gediend worden.

Vraagt gij verlegen, hoe wordt God mijn'
toevlugt? Hoe zal Hij door mij als de Al-
genoegzame worden gekend en gediend? Het
évangelie geeft het antwoord. Door het
Ootmoedig geloof in den Heer JEZüS Chris-
'''Us moeten wij ons met God laten verzoenen.
■'Anders staan wij niet tot Hem in de regte
Verhouding, en de gedachte aan zijne eeuwig-
heid en onveranderlijkheid, wel verre van
ons te troosten, zal ons tot schrik en sidde-
^'quot;g zijn. Maar zijn wij waarlijk in Christus
tot God als Vader teruggekeerd, is onze
keuze opregt en onverdeeld om niet meer
Voor ons zeiven en de wereld, maar voor
God in christus te leven, zijn de beginse-
len van de vreeze des Heeren en van de
1'efde tot Hem, die ons zoo uitnemend heeft
lief gehad in ons, en toonen wij eenen ande-

-ocr page 56-

ren geest en zin, dan zij, die uit de wereld
zijn: dan behoeven wij niet ongerust of in
vreeze te zijn voor hetgeen ons nog in dit
leven kan bejegenen, al veranderde ook de
aarde hare plaats. Dan kunnen wij altijd
goeden moed hebben en getroost zijn in leven
on in sterven. Wij staan dan op eene rots,
die niet wankelen kan. Welgelukzalig de
mensch, die God tot zijne hulpe heeft en wiens
verwachting op den Heere zijnen God is, die
hemel en aarde gemaakt heeft, en die trouwe
houdt tot in eeuwigheid.
Me is er onder u,
die den Heere vreest, die naar de stem zijns
knechts hoort? als hij in de duisternissen wan-
delt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op
den naam des Heeren en steune op zijnen God{\).
God blijft, die Hij is en was, de toevlugt en
de sterkte in den dag der benaauwdheid, de
rotssteen der hope, het deel in eeuwigheid.
Als die groote en goede God met ons
is, wat schaadt het, of het uitnemendste on-
zer jaren moeite is en verdriet! Onder alle
smart verkwikt Hij de ziel door zijne nabij-
(1) Jes. L : 10.

-ocr page 57-

beid. Met Hem voor ons, wat schaadt liet,
dat wij onze jaren doorbrengen als eene ge-
daehte, en daarh.een vliegen.
Hoe sneller onze
Jaren voortspoeden, te ^^snolier brengen zij ons
de onmiddellijke nabijheid van den Eeuwig-
'evende. Daar worden geene dagen meer
8®teld, omdat er geen tijd meer zijn zal.

§ 4.

de wake levenskracht.

Het is een heerlijk uitzigt, waarvan wij
daar gewaagden. Maar aleer dat uitzigt voor
ons verwezentlijkt wordt, moet er welligt nog
Veel strijds gestreden , veel leeds geleden v.-or-
den. Het is goed ons daarop voorbereid te
houden. Maar niet minder goed is het ge-
te weten wat ons sterken kan onder
^quot;es. Daarom willen wij ons ten slotte te
binnen brengen wat hier beneden onze ware
'evenskracht is. Ook dit wijst de Psalm
ons aan. Het geloof in God, den Eeuwig-
levende, het toevlugtsoord voor de zijnen
Van geslachte tot geslachte, dat geloof deed

-ocr page 58-

mozes gedurig tot God gaan. Het drong
hem telkens zijn hart voor God uit te stor-
ten, al wat hem drukte of bezwaarde aan
God bekend te maken, en aan Hem de ver-
vulling van al zijne nooden te vragen. Zijn
wij door het geloof in cheistus jezus tot
God teruggebragt, wij zullen den troost
daarvan dan alleen dagelijks genieten, als wij
ook dagelijks met God gemeenschap oefenen,
als wij gedurig bidden. Ja, het gebed, zie-
daar onze ware levenskracht. Het
gebed is de ademtogt van ons geestelijk
leven. quot;Wordt dat verzuimd, dan ontbreekt
het kenmerk onzer terugbrenging tot God,
dan staan wij op ons zei ven en niets kan
ons welgelukken. En hoeveel behoefte en
aandrang is er dagelijks om te bidden? Is
het niet noodig, dat wij eiken dag bij ver-
nieuwing Gods gunst over ons inroepen en
met mozes bidden:
Verzadig ons in den mor-
genstond met uwe genade, en over ons kome de
vriendelijkheid des Heeren onzes Gods?
Gods
vadergunst is het meest bevredigend genot. En
zonder deze, hoe zouden wij kunnen juichen

-ocr page 59-

r/j

verblijd zijn in al onze dagen ? Is het niet
noodig, dat wij eiken dag Gods zegen afsmee-
ken over ons werk, en met mozes bidden:
werk onzer handen, bevestig Gij dat! ja het
'^quot;erk onzer handen, bevestig Gij dat!
Hoe zullen
^•j getrouw zijn in ons werk, hoe met lust en
yver daarin bezig zijn, hoe daarin wel slagen,
^oo God niet met ons is, zoo Hij zijnen
''Sgen onthoudt? Is het niet noodig, dat wij
eiken dag bij vernieuwing bij God de ware
^'ijsheid zoeken en met mozes smeeken:
leer
^is alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs
^^art bekomen?
Ach! al werd 't ons reeds
door Gods genade gegeven op ons einde to
nierken, al ontvingen wij van Hem een open oog
voor de ijdelheid en vlugtigheid onzes levens;

wij leven in deze wereld blijft er
gevaar om af te wijken van de ware wijsheid
en ons hart te hechten aan de vergankelijke
goederen en genietingen dezer aarde. liet
kan zijn dat wij zware tijden beleven met
geheel ons volk, of in huisselijk leven door
^org en kommer worden gedrukt. Zou dan
die bede van mozes niet gepast zijn:
Verblijd

-ocr page 60-

ons naar de dagen, loaarin Gij ons vernederd
hebt; naar de jaren, loaarin wij het kwade
zagen. Uw werk worde zigtbaar voor uwe
knechten 1
En als wij belang stellen in onze
kinderen en de kinderen onzes volks, in
volgende geslachten, zou het niet goed on
betamend zijn ook dit te smeeken:
uwe heer-
lijkheid worde zigtbaar voor de kinderen uwer
knechten!
En nu gewaagde ik nog niet van
onzen toestand als zondaren. Wie, die nabij
zijn hart leeft, gevoelt zich niet gedurig schul-
dig aan ontelbare overtredingen? Wie kan
al zijne afdwalingen kennen? En als wij dan
bedenken, dat de zonde, als opstand tegen
God, zijn heilig misnoegen ons berokkent;
als wij bedenken dat alle onze zonden, ook
de lang voorheen bedrevene, ook de meest
verborgene in het licht van zijn aanschijn
staan, hoeveel reden dan om ook gedurig
te bidden
keer weder, Heer! Tot hoe lang?
En hebt medelijden met uwe knechten!

O, heil ons, dat wij, hoe schuldig en
onwaardig ook in eigene oogen , door en in
CHRISTUS den toegang hebben tot den troon

-ocr page 61-

Van Gods genade. Daarheen dan dagelijks
de toevlugt genomen met onze zonden. Aan
God, den Vader, dat dwaze onrehie, van
Heni verwijderde hart opgedragen, ter rei-
nignig en vernieuwing. Op Hem ons oog
gerigt met vurige smeekingen, opdat Hij
eiken dag verkwikke en verzadige met
Zijne goedertierenheid, opdat Zijn aanschijn
gunst tot ons gewend zij, en Hij ons
'eide, helpe en besture op den weg door
dit leven. Nooit wordt de juiste levens-
beschouwing de onze, nooit zullen wij
bet regte levensgebruik kennen, nooit
zullen wij den éénigen levenstroost be-
stendig genieten, zoo wij vergeten , dat de
Ware levenskracht alleen het gebed is.
Elke dag, waarop wij het gebed verzuimen,
verloren voor de eeuwigheid.
In God
lecen wij, bewegen wij ons en zijn wij.
(1)
is de bron, de éénige bron van licht
eu leven, van vreugd en kracht, van heil
en zaligheid, Wie dagelijks bij Hem ver-
vervulling zoekt voor alle zijne nooden, lig-
(1) Hand. xvn: 28^

-ocr page 62-

chamelijke en geestelijke, hij zal ervaren, hoe
goed het is nabij God te zijn.
Itie den Heer
verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij
zullen opvaren met vleugelen, gelijk de aren-
den; zij zullen loopen en niet moede ivorden,
zij zullen wandelen en niet mat worden. (1)

Ziedaar lezers! den oudsten Psalm u
bij vernieuv\fing te binnen gebragt, en in
zijnen belangrijken inhoud u voorgesteld.
iVIogen de v*'enken van den edelen Godsman
mozes, die hier ons gegeven worden, voor
niemand verloren gaan! Hij spreekt door
dit gebed tot ons, lang nadat hij gestorven
is. Hij zelf heeft zijnen vurigsten wensch
op aarde niet vervuld gezien, in te gaan in
Kanaan. Ook voor hem, als voor zijn volk,
is de dood het loon der zonde geweest.
Maar zijne bede is verhoord^, ook voor hem-
zelven:
over ons kome de vriendelijkheid des
Heeren onzes Gods !

(1) Jes. xl: 31.

-ocr page 63-

Zijn sterven, aan de eene zijde een bewijs
^at God regtvaardig is, dat Hij de zonde
^^faft ook in zijne vrome dienaren, is aan
® andere zijde eene treffende proeve, dat
y liefde blijft voor de zijnen, ook in de ure
doods. De Heer had iets beters voor
^'jnen dienaar weggelegd, dan het ingaan in
'et aardsche Kanaan. Hij bragt hem zacht

kalm in het betere Kanaan over.
^ Ons einde zij eens aan het zijne gelijk!

n heeft de overweging van zijn gebed iets
^aartoe bijgedragen, om ons op ons einde
doen letten, voor dat einde te bereiden,
in vrede ons te doen henengaan. Hem
^y daarvoor de eer, van wien elke zegen af-
valt, aan wien elke zegen moet worden
dank geweten!

-ocr page 64-

/C / ,nbsp;Cc,

I .iSvftag.herinii.aaiiKraiiken 10
2.Over het nuttig Kerkgaan.
3.Over bet doen v. Belijdenis

4.nbsp;Ken woord voor menschen,

die niet ter kerk kunn.gaan 7^

5.Hetnbsp;Chi'islend. bescliaamd
door Heid-.-nen . ......10

6.Ev.herinii.aannbsp;Bedroefden 15

7.Kvangelis.nbsp;herinneringen
«an Vaders en Moeders . . 13

8.Eennbsp;woord aan Vaders eii
Moedei s over den Doop. . 03

9.Over het allerbesle Boek. 7^
}U.Oriderw.overliet BijbeUfZ. 20
11 .Helleven van den Heer Jezus
l^.Ieta over hel Avondmaal .
15.Opwekking tol de buisse*

li)ke Godsdienst ......12^

H.Üiamenspraak tuaschen drie

vriend, over de Wedcrgeb- 07i

15.Hetnbsp;tev.van WilliamKclly 10

16.Drienbsp;zamenspr. tuaschen
een'Jjeerdar cn ecnHuism. 10

17.Hetnbsp;dorp fierenhocl, tol
vorigen welvaart hersteld. 20

18.Hetnbsp;nadeel van hel bii de
straat loopen der kinderen J2-J

19.nbsp;VVaarflch. legen deOntuchl —
20.Iets voor herstelden uil

krankheid.........

il.Iets voor G-evangenen. . .
22.Geschenk der Chrislelijke

liclde voor kinderen. ... 20
13.Geschenk voor Litlraalen . 15
2-i.Heb ik wel genoeg voor de
eeuwigheid?........

25.Tweedenbsp;Gesch. der Chria-
t'^Iijke liefde voor kinderen

26.Voornbsp;Dienatboden.....

J7.0ver de Feesten .....
28. Iels voor Armen......

Jezus, de Geneesmeester . 10

50.Kvuiig.nbsp;herinneringen aan
oude Lieden........

51.VerKamel.nbsp;van leerz. brie-
ven en opwekk. verhalen .

i2. Op wekk. tot weltevreden h. 12 a-
»5 . Een goed wooi d aan Chris-

len-oudersover de opvoed. 15
?4.Frarikr, dc krachtdea Gel. 12^
J5.Schct« van het leven van

Afrik«n«.r. .........

5li .Waarschuwing tegen het

kwaadspreken.......

37.Iels over de Zelfkennis. . 15
58.Een woord van onderrigt
en troosl in Sterfhuizen. . 20
Men doet niet wat men kaïilJi^
iO.Vriendel. raad aan zwaar-

moedigen..........

41,Waarom word ik nietboter 17^

A lUi^f

Coûts.

42.Wienbsp;zijn, liier op aarde,

de gelukkigste mensclien . 15

43.Gedenknbsp;te sterven.....15

'*4.Het Voorbidden, een pligt

der Christelijke liefde. . . 12^
45.0pw. lot gelrottwe deelne-
ming in hel Maand.Gebed . 174

46.TroosVw.nbsp;voor Christenen . 15

47.Bijbelsnbsp;Leesb. voor Krank. lÓ
481et8 uit het levenvan F.Neff 20
49.HelGe)oofin JezusChristus 20
öO.lJe Christel. Oefenschool. 20

51.Üenbsp;Goede Herder.....174

52.nbsp;iiljbelsch Onderwijs ov
's Menschen bekeering .

53.Genadenbsp;en Pligt.....

54.Geschenknbsp;aan allendieGods
woord mogen hooren

55.nbsp;De Zelfbeproeving.....17|

56.IIetwand.alskind.deaLicht8 17^
57.Een
woord aan allen die

gaarne bet beste voorbeeld
wenschen na te volgen. . . 17^
58.Iels over het Geweten . . 174

59.Cliristel.Godsvrucht,nbsp;geen
Dweeperj)..........174

60.Geschied.v.JohannesEliot.

61.Eennbsp;woord over onsf
Geestelijken wasdom. .

62.Dunbsp;Christen......

63.Aanprijzingnbsp;van een god-
vruchtig huiselijk levin.

64.Herinn.nbsp;van een' Dorpsl

65.Wenkennbsp;omtrent hel
brek aan schuldgevoel

ee.Handl. tot de Algem.Kaart
der Christel. Zendingsp

67.Denbsp;wederzijdsche pligt. in
het Christel, leven.....1^4

68.Denbsp;ware vooruitgang ... 10

69.Godsnbsp;hoogheid en dcrMeu-
schen geringheid.....10

70.Hoenbsp;wil de Heer dal zijne
Discipelen omtrent Hem
zullen gezind zijn .... 10

71-Godsdiensligh. uiï nood. iO

72.Bidtnbsp;Eonder ophouden . . . 12^

73.Hetnbsp;beste Avondmaalskleed. 124

74.nbsp;Daniël..........20

75.]gt;cnbsp;beste Fakkel......10

76.Denbsp;vriendschap der -wereld. 8

77.^81nbsp;doel men voor Israël? 12^
TR-Maria, do Mcider dos Hoeren. 17^

79.Dclevensav.nbsp;van Vader Jacob 12}

80.Hctlicfheb.nbsp;der verschijning
van Christus. ........ 9

81.nbsp;Geef ons heden ons da»e-
lijksch brood.......l^i

83.Uitwendige godstUenatijh.

zonder fjodsd. des harten . 124
83, Over het vertrouwen opGod.

Bij M. Wut amp; Zonen, Driikkors van het Ned-Zeiulrlinggrn otjsch.
,worden ook nir.gegeveii dt* vollende Kleine üiukjes:

17É

m
m

12J
15

15

124

. 15
30

I