TE ROTTERDAM, BIJ
M. WIJT amp; ZONEN,
drukkers van het Nederlandsche Zendelinggenootschap.
1859.
80.
Nquot;.
-ocr page 2- -ocr page 3-VOORBERIGT.
Gecommitteerden van het Nederlandsche
^indeling genootschap tot het opstellen, ver-
zamelen en uitgeven van kleine Stukjes ter
^^quot;ordering van Evangelische kennis en god-
zaligheid, ook bij min geoef enden; —
'tamelijk: l. meeens, Predikant, h. e. vinke,
Dr. en Hoogleeraar te Utreclit, j. molt.,
•^«^obz., Predikant te 's Gravenhage, .t. brave,
ï^redikant te Amsterdam, b. adeiani en
J- van oosterzee, Th. Dr, Predikanten
IVnbsp;VOORBEniGT,
te Rotterdam, ooereenkomstig hun ambt en
hujine bediening, dat oogmerk gaarne willende
heoorderen, en in uitzigt op des Heeren
medewerkenden zegen, bieden het nevensgaande
Strdcje humien landgenooten aan; erkennende
intussahen geene uitgave voor echt, dan welke
door een hunner of doamp;r de drukkers dezes
onderteekend is.
vVie CHRISTUS volgen wil, en den weg ach-
ter Hem niet altijd even gemakkelijk vindt,
heeft nimmer regt om te zeggen, dat zulks
hem tegenvalt, dat hij het zich anders had
Voorgesteld. De Heer, dien wij dienen, heeft
er voor gezorgd, dat zijne belijders zich op
het ergste'zouden bereid houden. Nooit heeft
Hij verzwegen wat er in gemeenschap met,
m navolging van Hem voor de zijnen te wach-
ten was. De wereld hangt eenen sluijer over
het einde van haren weg en bedriegt hare
djonaren. De Heer spreekt eerst met allen,
tot Hem komen, en wil dat zij de kosten
erekenen zullen. Hij heeft gezegd: de poort
ï« eng, ßn fig jy^^ namiw, die tot het leven
leidt (1); indien uw hand of voel u ergert,
houw ze af; indien uw oog u ergert, loerp het
uit (2); in de wereld zidt gij verdrukking heb-
ben (3). Zulke en soortgelijke uitspraken
doen ons duidelijk zien, dat Plij de moeije-
lijklieid van liet volgen van Hem niet heeft
verborgen. Het schijnt waarlijk, als of Hij
veeleer wilde afschrikken van, dan uitlokken
tot zijn discipelschap. En vooral gevoelen
wij dat, als wij uit zijnen mond dien hoofd-
eisch van het christelijk leven vernemen: zoo
iemand achter Mij wil komen, die verlooehene
zich zehen, en neme zijn kruis op, en volge
Mij (4).
Er is naauwelijks ééne uitspraak des Hee-
ren te vinden, welke, toen jezus haar voor
het eerst zijnen discipelen deed hooren, hun
vreemder in de ooren zal hebben geklonken;
geene ook, die in latere tijden meer ver-
geten en meer misbruikt is, geene die moeije-
lijker is in de beoefening, en tegelijk meer
algemeen verbindend voor ieder, die ten
(1) Matth. vii: 14. (2) Marc, ix : 43, 45 , 47.
(3) Joh. xvi: 33. (4) Matth. xvi: 24.
-ocr page 7-hemel wenscht in te gaan, dan juist deze.
Zij bevat eenen eisch, zoo stellig door den
Heer jezus gedaan, dat zij boven anderen de
aandachtige bepeinzing en ernstige behartiging
verdient van ieder, die het wel met zich zei-
ven meent. Het was die overtuiging gewis,
welke onze vaderen, voor de kinderen dio
ten Doop wei'den aangeboden, deed bidden:
wij bidden n, dat gij deze kinderen genadiglijk
wilt aanzien, — opdat zij hun kruis, chris-
tus dagelijks navolgende, vrolijk dragen mogen;
eu hen, voor de viering des Avondmaals
deed vragen: verleen ons ook uwe genade, dat
wij getroost ons kruis op ons nemen, ons zeiven
'verloochenen enz. (1)
Zullen wij dien eisch opvolgen naar den
wil des Heeren, dan is het noodig, dien regt
te verstaan, van zijne billijkheid overtuigd te
Wezen, en bij het besef, hoe moeijelijk zijne
beoefening is, tevens in te zien, dat dit niet
onmogelijk is. Eenige leiding, bij de be-
schouwing en overweging van jezus' eisch
(1) Zie Formulier om den heiligen Doop te bedienen enz.
ormulier van het heilig Avondmaal, bij de Herv. in gebruik.
is dan gewis welkom. Daartoe wenscht dit
boekje allen, die het in handen nemen, in
dit opzigt van dienst te zijn. .Moge de lezing
er van, onder den zegen des Heeren, velen
goed en nuttig wezen!
Zoo iemand achter Mij vnl komen, die ver-
looehene zichzelven, en neme zijn kruis op, en
volge Mij. Zoo sprak eens de Heer tot zijne
discipelen, toen Hij zich met hen alleen be-
vond. Tot het volk was het meer zijne taal:
komt tot mij; neemt mijn juk op u; mijn juk is
zacht, mijn last is ligt (I).
Tot jezus te komen, is, zijn discipel te wor-
den. Achter jezus te komen, is, zijn discipel
te Uij ven, zich zijn navolger te hetoonen. Dc
uitdrukking is ontleend van de gewoonte der
leerlingen, om Hem dien zij voor huimen leer-
aar erkenden, overal te vergezellen, met Hem
te wandelen. Jezus wil dan zeggen , die mijn
discipel wil zijn en blijven, en zich betoonen,
die moet bereid zijn, wat hem lief en dierbaar
(1) Matth. XI: 28 , 29.
is op aarde, lust, zin en wil, al is het op
zichzelven betamelijk, al is hij er zeer op ge-
zet, af te staan, te onderdrukken cn op te
offeren, wanneer het hem in de belijdenis
en navolging van mij zou hinderen en belem-
meren. Hij moet dat voor mij en mijne zaak
over hebben. Hij moet het voor mij ver-
zaken zoodra ik het eisch. Ja, zoover moet
liij in die zelfverloochening gaan, dat hij zelfs,
is het noodig, de liefde tot het leven op-
offert, en, wordt dit gevorderd, den smarte-
üjken kruisdood voor mij ondergaat; en al-
zoo op den weg van lijden en dood mij na-
volgt (1). Dat zoo iets hun lot kon wezen,
hadden de discipelen van jezüs zich nimmer
kunnen voorstellen. 'Wel had de Heer me-
quot;'gmaal daarvan tot hen gesproken, maar
steeds meenden zij, dat Hij dit meer deed ,
°in hen te toetsen, dan wel, dat Hij aankon-
•^igde, vi^at werkelijk gebeuren zou. Op troo-
quot;en te zitten, aan zijne regter- of linkerhand
geplaatst te worden, eer en aanzien te ge-
nieten, dat was het vrolijk verschiet, dat zij
(1) Vergelijk met Matth. xvi vs. 24 vs. 25.
zich beloofden, waarover zij vaak met el-
kander spraken, en waarop hunne hoop ge-
vestigd was. Maar bij gelegenheid dat jezus
van zijn aanstaand lijden en sterven sprak,
stelde Hij ook de toekomst zijner jongeren
geheel anders, dan zij tot hiertoe verwacht
hadden, aan hen voor. De discipel zou gelijk
zijn aan den Meester. Had men den Heer
des huizes gehaat, men zou ook de huisge-
nooten haten. Hierop moesten zij zich bereid
houden; en wie dat niet voor Hem over
had, wie daartoe niet besluiten kon, hij kon
ook zijn discipel niet zijn. Zoo iemand ach-
ter Hem wilde komen, die moest zichzelven
verloochenen, zijn kruis opnemen en Hem
volgen.
eisch van den heer jezus.
§ 1.
Aard en omvang der zelfverloochening.
Waarin bestaat het verloochenen van zich-
zelven , zoo als dit door den Hoer jezus
gevorderd is? zoo vraagt welligt menigeen.
Die vraag is zeer natuurlijk en hare regte
beantwoording is noodig, omdat men zich
van dezen eisch des Evangelies meermalen
öf geheel verkeerde en overdrevene, öf ge-
heel verwarde begrippen gevormd heeft. Men
heeft onder de betrachting van dien eisch
verstaan, öf wat er niet toe behoort, öf wat
dien naam niet verdient.
Zelfverloochening heeft geene betrekking op
hetgeen uit zijnen aard en ten allen tijde zondig
en verboden is, als onreine lusten, kwade
begeerlijkheden, booze driften, en onbetame-
lijke neigingen des vleesches. Deze moeten
volgens het Evangelie niet maar verloochend,
neen afgelegd, gedood, gekruisigd worden.
In het bestrijden en afleggen dier lusten en
bev/egingen kan men jezus niet volgen. Zij
Werden in Hem niet gevonden, en konden in
Hem niet gevonden worden wegens zijne on-
bevlekte reinheid. Neen, spreekt jezus van
zelfverloochening, dan heeft Hij het oog op
onzondige, betamelijke, door den goeden cn
Wijzen Schepper ons ingeplante en op zich
zeiven geoorloofde wensclicn, begeerten en
genoegens, die uit onze zinnelijke natuur,
onze zelfliefde en de betrekking die wij op
deze wereld hebben, voortvloeijen. Denkt
aan de begeerte naar een stil en gei'ust
leven, naar de achting en vriendschap der
menschen, naar een onbekrompen genot van
het noodige, den wensch om van lijden en
verdriet bevrijd te blijven; de gehechtheid
aan onze vrienden en betrekkingen, aan ons
werk, aan de goederen en genoegens die
God ons geschonken heeft, en die wij met
een goed geweten en een dankbaar hart tot
Gods eer kunnen en mogen gebruiken en
genieten. Op deze dingen heeft de eisch
van zelfverloochening betrekking; want deze
waren het ook waarin jezus is voorgegaan,
en deze zijn het, waarin zijne discipelen lee-
ren moeten Hem na te volgen.
Zelfverlooclunmg is wat anders dan zelfbe-
heerschlng, of die wijze inteugeling van zich
zeiven, waardoor men zich wacht voor alle
onmatigheid In het gebruik en genot der
zienlijke dingen. Deze toch is die christelijke
nucliterheid en heilige bedachtzaamheid, welke
alle dagen pligt en roeping is. Zelfverloo-
chening staat hooger. Zij is niet slechts het
zich wachten voor onmatigheid, maar het
opofferen en afstand doen, zelfs van betame-
lijk gebruik en genot, zoo vaak wij daartoe
geroepen worden.
Zelfverlooching bestaat al verder niet in het
verachten en versmaden van het gebruik en
genot der zienlijke dingen, in het zich ont-
trekken aan den aardschen arbeid en het
verkeer met menschen, in zich te ontliouden
van het gebruik van spijzen, welke God geeft
te genieten, in het zich opsluiten in eenzame
afzondering, het zich opleggen van allerlei
boetedoeningen en kwellingen des ligchaams.
Zoo heeft men in vroegeren en lateren tijd
Jezus' eisch verstaan en verklaard. Er wa-
ren reeds in de dagen der Apostelen, die
luin ligchaam niet spaarden , zich onthielden
V'in spijzen, en daarin eene hoogere heilig-
1'eid zochten. Maar het Evangehe noemt dit
eene eigenwillige godsdienst, en zegt ons dat
de ligchamelijke oefening weinig nut doet.
en dat men niet uit de wereld gaan moet.
Wel vermaant het, zich onbesmet te bewa-
ren van de wereld, maar het verzekert ook,
dat alle schepsel Gods goed is, en dat er niets
verwerpelijk is, met dankzegging genomen zijn-
de (l). De Heer zelf, die leert, dat niet
hetgeen in den mond ingaat, maar hetgeen
uit den mond uitgaat en uit het booze hart
voortkomt, den mensch verontreinigt, is ge-
heel anders ons voorgegaan.
Zelfverloochening is ook niet eene eigen-
willige opoffering, om wat groots te zijn of
te schijnen, een gevolg van onvergenoegd-
heid, grilligheid en eerzucht. Zij bestaat niet
in het uitwendige en in het oog der men-
schen vallende onthoudingen. Neen, zij is
het verzaken van die betamende begeerten,
van die geoorloofde genietingen, welke ons
lief en dierbaar zijn, wanneer de Heer ons
roept, om deze ter wille van Hem op te of-
feren. Het is, als Hij ons tot wachten,
werken of lijden opeischt, en dat door ons
niet zou kunnen geschieden zoo wij er niet
(1) 1 Timoth. iv: 4.
-ocr page 15-(leze begeerte voor verzaakten, of dat genot
er voor opofferden. Zelfverloochening is dus
het opgeven van eigen zin en wil, plan en
lust, genoegen en goed, of wat het ook zijn
moge, wanneer en zoo vaak het in strijd is
met de gehoorzaamheid aan jkzus' bevelen,
onze verbindtenis aan Hem en de getrouwe
aankleving van Hem.
Zij is dus een pligt van eene verbazende
uitgestrektheid, die geene uitzonderingen
toelaat, wanneer de Heer de beoefening van
dien pligt van ons vordert. Niets kan er
bedacht worden zoo groot of dierbaar, het-
welk wij om zijnen wil, Indien het noodig
Was, zouden mogen weigeren af te staan;
al was het vader en moeder, vrouw en kind,
huis en goed, eer en aanzien, zelfs het
eigen leven. Men moet bereid zijn het kruis
op zich te nemen. Wel roept Hij niet Ieder-
een zijner discipelen tot zulke zware proeven.
Doorgaans zijn het mindere opofferingen, die
Ily vraagt. En het Is ook In die groote
openbare en geruchtmakende verloocheningen,
'i'et alleen noch voornamelijk gelegen. De
stille verborgene opofferingen vallen vaak
niet minder zwaar, en zijn in het oog van
Hem, die in het verborgene ziet en den strijd
aanschouwt, niet minder welgevallig, dan het
geven van al zyno goederen aan de armen,
of het overgeven van zijn ligchaam opdat
het verbrand worde. En al kan de Heer
de verloochening vorderen van alles, wat
voor ons hart dierbaar is, het is toch maar
alleen van datgene, hetwelk wij toch eenmaal
bij onzen dood verlaten moeten. Ja, Hij
vordert dien pligt alleen gedurende dit leven.
Zijn eenmaal zijne discipelen uit dit land der
beproeving in de hoogere gewesten overge-
bragt, dan wacht hen verzadiging van vreugde.
Zelfverloochening behoort tot de proef van
weinige dagen in de leerschool dezer aarde.
In den hemel kan van haar geene sprake
meer zijn.
Het beginsel, waaruit de zelfverloo-
chening moet beoefend worden.
Heeft de Heer zelfverloochening van ons
geëischt, Hij heeft tegelijk aangewezen, op
welke wijze die pligt naar zijnen wil door ons
moet beoefend worden. Immers Hij zeide:
zoo iemand achter Mij wil komen, die ver-
looehene zichzelven, en neme zijn kruis op
en volge mij. Die laatste woorden zijn bier
van gewigt. De discipel van jezus moet
zichzelven verloochenen in gehoorzaamheid
en gelijkvormigheid aan den Heer. Jezus
IS ons daarin voorgegaan. Ja, Hij heeft
het daarin tot zulk eene verbazende hoogte
gebragt, dat de Vader alleen kan waarderen,
wat het Hem gekost heeft, toen Hij zich
geheel verzaakte, en tot de diepste diepte
van schandelijke verguizing en onuitsprekelijk
lijden is neêrgedaald. In de gestalte Gods
zijnde, heeft Ilij het geenen roof geacht Gode
evengelijk te zijn, maar heeft zichzelven ver-
'n-ietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aan-
genomen hebbende (1). Zijn aardsche loopbaan
een keten van zelfverloochening, van
saline kribbe tot aan zijn kruis. Ilij is den
^nenschen gelijk geworden (2). Aan al het
hunne heeft Hij deel genomen. Hunne ont-
(1) Filip. u: 6, 7quot;. (2) t. a. p. vs. 7b.
beringen, hunne behoeften, hunne smarten,
hun lijden heeft Hij ondervonden. En schoon
Hij had kunnen heerschen en zich kon laten
dienen, Hij was onder hen als een die dient.
Ja, in gedaante gevonden als een mensch, heeft
IJij sichzelven vernederd, gehoorzaam geworden
zijnde tot den dood, ja den dood des kruises (1).
Gethsemane, het paleis van kajapas, Pila-
tus en iierodes, Golgotha bovenal zijn de
schouwplaatsen geweest zijner vrijwillige ver-
nedering en gehoorzaamheid. En wie zich
daar slechts eenige oogen blikken als in ge-
dachten nederzet, hij gevoelt, hoe de Hoer
in waarheid den weg gegaan is, dien Hij ons
ter betreding aanwijst.
't Heelal zag nooit gehoorzaamheid
Tot zulken top geklommen;
Daar d'Englen voor de Majesteit
Van jezus' deugd veratommen (2).
Maar het is ook daarom, dat God Uem
milerniate verhoogd heeft, en heeft Ilem eenen
naam gegeven, welke boven allen naam is (3).
(1) t. a. p. vs. 8.nbsp;(2) Ev. Gez. xlvi : 40.
(3) Filipp. ii: 9.
-ocr page 19-Wat jezus nu deed uit gehoorzaamheid
aan zijnen Vader, die Hem dit gebod gegeven
had, dat moet de discipel doen uit gehoor-
zaamheid aan zijnen Heer, uit eerbied en
hefde voor Hem, en omdat Hij het vordert.
Het moet geene daad van eigene verkiezing
zijn; geene onderwerping aan den nooddwang
der omstandigheden. Neen, het moet eene
daad van gehoorzaamheid aan den hoogen
Leidsman zijn, waarbij men op Hem ziet,
aan Hem zich onderwerpt. En dat moet dan
ook geschieden in gelijkvormigheid aan Hem.
Onder alles moet men op zijn voorbeeld zien,
al is het op oneindigen afstand, echter
•^enigzins daaraan trachten te gelijken, zoodat
nien iets van den zin en geest zoekt to heb-
^en, welke er in Hem was.
Hare algemeenheid.
De Heer vordert zelfverlo'ochening van al
^line discipelen door alle tijden. Hij sprak on-
^^Paald: zoo iemand achter Mij wil komen.
liet is zoo, dat in den eigenlijken zin niet
allen geroepen worden, om het kruis op 7,ich
to nemen en het leven te verliezen. Zelfs
in jezus' dagen en in de tijden der vervol-
ging werd dit niet van iedereen dadelijk ge-
vorderd. Johannes, schoon hij er gewis toe
bereid was, is van deze proef verschoond
gebleven. Maar de zelfverloochening is en
blijft toch eene zaak, welke van eiken disci-
pel des Heeren geëischt wordt. Tot hare
beoefening wordt iedereen, schoon in onder-
scheidene mate, in de gelegenheid gebragt.
De dingen, waaromtrent zij gevorderd wordt,
zijn vaak zoo onderscheiden als de menschen
zelve. Wij allen zijn aan eene menigte van
zaken gehecht, en bemerken dit meestal niet,
voordat zij ons ontnomen worden. Dikwerf
zijn het zulke dingen, die niet onder de
aandacht onzer medemenschen vallen, maar
hun gewigt alleen ontleenen van onze bijzon-
dere gehechtheid En hoevele opofferingen
worden er ook nu nog gevorderd van hem,
die christus met woord en wandel getrouw
belijden wil! Hoeveel moet er verzaakt wor-
den om die gehoorzaamheid aan zijne geboden!
Welli een kruis moet er ook nu menigmaal
gedragen, welk lijden geleden, welke verliezen
ondervonden worden, die voor het hart een
zwaar offer zijn, om ze in gehoorzaamheid
en onderwerping aan den Heer te ondergaan!
Eigen zin en wil is zoo vaak in strijd met
den wil van den Heer. En er moet zooveel
in ons onderdrukt worden, zullen wij de
groote les der zelfverloochening leeren.
Het is dus duidelijk, iedereen gevoelt
bet, zij is een pligt, die nog dagelijks door
eiken Christen kan en moet beoefend worden,
schoon de trap, de mate en de soorten
van opofferingen, die er gevorderd worden ,
^ij den een en den ander grootelijks kunnen
verschillen. De redenen daarvan kunnen wij
iiiet altijd uitvinden. Maar hier past het ons
te zwijgen, en de wijsheid van den Heer te
gelooven en te eerbiedigen.
§ 4.
Hare b i 11 ij k h e i d.
Als wij zien op Hem, die met den eisch
-ocr page 22-van zelfverloochening tot ons komt, dan ge-
voelen wij hoe billijk die eisch is. Immers
jezus heeft regt om dit van zijne navolgers
te eischen. Hij doet het nooit buiten nood-
zaak. Hij doet het altijd met de beste be-
doelingen.
Of zou Hij geen regt hebben, om zelfver-
loochening van zijne navolgers te eischen, dien
do Vader heeft gesteld tot eenen Heer cn
Christus, en aan wien alle dingen onderworpen
zijn? Hij is ons Hoofd, onze Leidsman, ouzo
Heer en Koning. Moeten de leden des lig-
chaams niet doen, wat het Hoofd gebiedt?
Moet de Leidsman niet gevolgd, de Heer
niet gediend, de Koning niet gehoorzaamd
worden? Moeten onderdanen niet meermalen
opofferingen doen op het bevel van aardsche
vorsten, wanneer het bijzonder en algemeen
welzijn dit vordert? En zou men dan voor_
den Koning der Koningen, en den Heer der
Heeren minder doen? Is het niet zijn op-
pergezag, dat men erkent, en waaraan men
zich vrijwillig onderwerpt; is het niet trouw
en gehoorzaamheid, waartoe men zich jegens
I
i
Hem verbindt, wanneer men zijn discipel
wordt? Hij heeft zichzelven niet verheerlijkt,
maar het is Hem gegeven door den Vader.
Het is dus des Vaders wil, dat wij jezus
christus boven alles gehoorzamen.
En het is niet alleen het regt der verhe-
venheid, maar de aanspraak der liefde, die
tot gehoorzaamheid dringt. Het zyn de ver-
diensten van onzen Heer, welke zijn regt
verhoogen. Hij heeft ons gekocht met zijn
hloed; Hij heeft ons gered van den dood en
het verderf. Wij behooren Hem toe. Onze
ziel en ons ligchaam is zijn eigendom. Kan,
mag Hij dan niet eischen, dat wij voor Hem,
die om onzentwil alles verzaakte, over hebben
en overgeven wat ons dierbaar is, zoo vaak
Hij zulks als proeve van eerbied, liefde en
dankbaarheid van ons vraagt? Ja, wel heeft
Hij regt, om van zijne discipelen te eischen,
het kruis op zich te nemen, daar Hij voor
heu het niet afgewezen, maar beklommen
heeft, en geen oogenblik aarzelde om den
hittersten en schandelijksten dood aan het
kruis te sterven.
Hij, die zelf weet, wat verloochening is
en kost, eischt haar nimmer naar willekeur,
maar alleen, wanneer het noodig is, wanneer
cle wil des Vaders en ons heil het gebiedend
vorderen. Hij is, schoon zonder zonde, in
alles verzocht geweest als wij. Hij kent de
menschelijke natuur. Hij weet beter dan
iemand, wat de onderwerping en de gehoor-
zaamheid kosten, wanneer men schande en
kruis moet torschen. Van zijne wijsheid mogen
wij veilig verwachten, dat zij nooit buiten
noodzaak het zwaarste zal eischen, dat ge-
eischt kan worden. En hiervan zijn wij ver-
zekerd, dat Hij zijne discipelen te lief heeft,
dan dat hun bloed en hunne tranen niet
dierbaar zouden zijn in zijn oog.
Eischt Hij dan zelfverloochening, het ge-
schiedt met de beste bedoelingen. Het is
om te reinigen en te veredelen, om nader
te brengen, om meer vatbaar voor zijne
zalige gemeenschap te maken. Het is als
de onthouding, welke de geneesmeester den
kranke, tot zijn herstel, voorschrijft. Het is
de opoffering van het mindere, om dat met
iets heerlijkers te vergoeden. Een klein ver-
lies voor eene groote en eeuwige winst. Zijne
wijsheid en liefde moeten ons dit doen ge-
looven. De belofte van honderdvoudige ver-
gelding heeft Hij ons gegeven (1). En dit
staat vast, Hij zou ons niet liefhebben, Hij
20U ons niet kunnen zalig maken, indien Hij
anders met ons handelde en ons nooit tot
zelfverloochening riep.
Hare noodzakelijkheid.
Zelfverloochening wordt door jezus ons
voorgesteld als eene eerste les in zijne school,
als het kenmerk van zijne ware navolgers en
discipelen. En inderdaad, niets is noodiger
Voor onze geestelijke en hemelsche opvoeding
dan juist hierin beproefd en geoefend te worden,
^quot;j zijn zinnelijke schepselen, die maar al
te veel hangen aan het geen wij zien, en
'^y Wien de orde en het evenwigt tusschen
het hoogere en het lagere, dat in ons is,
Matth. XVI: 27; xix : 29.
is verbroken. In plaats dat de geest heer-
schappij voert over de zinnelijkheid, is het
vaak omgekeerd. Dio wanorde moet wegge-
nomen worden. Van daar dat de magt en
invloed der zinnelijke natuur moet onderdrukt
en te ondergebragt worden. Werd er van
adam, toen hij nog onzondig was, ter ont-
wikkeling van zijne opvoeding eene proef
van zelfverloochening gevorderd, in zich te
onthouden van hetgeen zijne zintuigen kon
bekoren; hoeveel te meer moet dit dan ge-
eischt worden van hen, bij wien die zinne-
lijkheid eene schadelijke overmagt verkregen
heeft, en die zonder de vernietiging van die
overmagt hunne hooge en edele bestemming
niet bereiken kunnen. Het is door de zonde,
dat de eigenliefde in ons een vermogen be-
komen heeft, hetwelk ons geheel beheerscht
en verontreinigt. Het is de eigenliefde, welke
ons tegen God doet opstaan, en Hem de
gehoorzaamheid weigeren. Het is de eigen-
liefde, waardoor wij onze eigen Heer en
Meestor willen zijn, zonder naar God te hooren
of onder Hem te bukken. Deze eigenliefde.
die bron van zoo veel kwaad, die vergiftig-
ster van zoo veel goed moet onderdrukt en
teruggebJ-agt worden binnen de grenzen, welko
zij overschreden heeft. Die eigenwijsheid,
dat zoeken van ons zeiven, die bedil- en
heerschzucht moet afgelegd worden. De op-
stand, welke in ons binnenste is losgebroken
tegen het hooge Bewind, dat ons andere
wetten geeft, dan wij verkiezen, en op andere
paden leidt, dan wij begeeren, moet gedempt
worden. De mensch, die zijnen God ver-
loochende, moet zichzelven leeren verloochenen.
Dat vermetel staan naar de heerschappij moet
verwisseld worden met het dienstknecht van
God worden. De meesterachtige knecht moet
oen gedwee kind worden, niet door eene ge-
weldige magt, welke hem te ónder houdt; maar
door eene vrijwillige onderwerping uit eerbied,
liefde en gehoorzaamheid aan zijnen wettigen
Heer. En om dat te leeren en te toonen
moeten er offers gevraagd en gebragt worden,
offers, welke door de eigenliefde smartelijk
Vallen, maar door de liefde tot God kunnen
gebragt worden.
Er is nog iets in ons, Jat de zelfverloo-
chening noodzakelijk maakt. Het is de on-
matige liefde tot het schepsel, die ons to zeer
beheerscht. De mensch is in den staat zijner
verdorvenheid gelijk aan eene dwalende ster,
die op hare onregelmatige loopbaan zich van
het middenpunt gedurig verwijdert en daar-
door licht, kracht en leven mist. De alge-
noegzame en volzalige God is het éénige
middenpunt voor het redelijke schepsel, rondom
hetwelk het zich steeds bewegen moet. Maar
de zonde heeft ons uit ons standpunt ver-
wijderd. Wij zoeken bij het schepsel, wat
het niet geven kan; wij beminnen het dik-
wijls meer dan den Schepper; wij stellen ons
vertrouwen en onze hope meer op de dingen
der aarde, dan op den levenden God. Dat
moet veranderen, zullen wij den hemel ingaan.
Het moet God, God alleen, God boven alles
in den hemel en op de aarde zijn, wien wij
meer dan alles schatten, zoeken en liefhebben.
Daartoe moet nu het een, dan het ander ons
ontvallen. Die steunsels, waarop wij buiten
God bouwden, moeten weggeslagen worden.
God alleen moet de rotssteen van ons hart
worden.
Hoe meer wij ons zeiven gewillig verloo-
chenen, des te meer naderen wij tot hooger
heiligheid, en worden geschikter voor de
Volmaaktheid. Deze toch bestaat in de alge-
heele onderwerping van den wil aan God;
en de volkomene overeenstemming en veree-
niging der ziel met den Allerhoogsten, zoo
dat ons denken, willen, streven en zoeken
is, wat God wil, kiest en doet.
De eisch van zelfverloochening is dus nood-
zakelijk. De Heer doet dien eisch niet om
zijnentwil, maar om onzentwil, uit liefde tot
Zal de zonde en de eigenliefde in ons
plaats maken voor de gehoorzaamheid aan en
de liefde tot God; zullen wij tot die heilig-
heid naderen, welke het einddoel der ver-
lossing isj en welke bestaat in de geheele
onderwerping van ons zinnen en willen, en
de overeenstemming van al wat in ons is,
met den wil des Heeren, dan kan het niet
ouders, of wij moeten onszelven verloochenen,
ons kruis op ons nemen, en jezus volgen.
Hare moeijelijkheid.
Hoe billijk, hoe noodzakelijk de eisch van
JEZUS is, de zaak die gevorderd wordt, is
niet klein. Zij is eene der moeijelijkste lessen,
die wij te leeren hebben. Zelfverloochening
kan niet beoefend worden , zonder dat wij
in strijd met ons zeiven komen, en ons als
't ware geweld moeten aandoen. Wel valt
het niet altijd even zwaar het een of ander
op te offeren. Maar dan betreft dit altijd
dingen, aan welke wij niet zeer gehecht zijn,
zoodat het naauwelijks den naam van zelf-
verloochening dragen kan, ja, dien naam
niet verdient. Maar als iets regt dierbaar
voor ons hart geworden is, als wij, hetzij
te regt of te onregt, groote waarde daar-
aan hechten, dan kost het overgeven pijn,
wanneer hot van ons ontnomen wordt;
of het gewillig afstaan, waar het van ons
geëischt wordt, zwaren strijd. Het is niet
gemakkelijk, om van heeler harte te zeg-
gen: niet mijn, maar uio wil geschiede, o
Vader! (\) De overleggingen des verstands
ter neder te vv'erpen, den opstand van liet
hoogmoedig eigenlievend hart te dempen, en
zonder tegenspreken den donkeren, moeijelij-
ken en smartelijken weg van vernedering en
lijden te betreden, dat is zwaar, zeer zwaar.
Daartegen komt vleesch en bloed menigmaal
op. Met is dikwijls met ons, als met jezus'
^ discipelen, toen Hij ze dwingen moest, om,
met verzaking van hunne schoonste uitzigten,
m het schip te gaan. De eigenwijsheid en
de eigenzin laten zich niet zoo ligt te onder-
brengen. Vooral wordt dit moeijelijk wanneer
er offers gevraagd worden, die het hart door-
boren , en men tot werkzaamheden en posten
geroepen wordt, welke met de vervulling van
onze geliefkoosde wenschen en neigingen lijn-
strijden. Dan ontstaat er een tweestrijd
tusschen neiging en pligt, tusschen genot en
roeping, tusschen vleesch en geest, welke niet
an met tranen en gebeden van onze zijde, en
'^oor de krachtige versterking van boven tot
*^en door God bedoelden uitslag brengen kan.
(1)
Luc. XXII: •12''.
-ocr page 32-Hare mogelijkheid.
Hoe zwaar de strijd ook valle, het is toch
mogelijk de overwinning in dezen te behalen.
Eene zoogenaamde sterkte van geest, welke
sommige heidensche wijsgeeren aanprezen,
waardoor men zich boven het lijden verheft,
zich daartegen verhardt, de goederen en ge- ^
noegens dezes levens veracht, en het gevoel
voor smart en hoon verstikt, is hier niet
voldoende. Het Christendom eischt wel het
gevoel te beheerschen en te onderwerpen,
maar wil het niet vernietigen. Het brengt
ons in geen tegennatnnrlijken toestand, maar
het verheft ons uit de laagte, in welke wij
door de zonde gezonken zijn, en brengt ons
terug tot de hoogte, van welke wij zijn af-
gedaald. Ook die overspannen geestdrift,
welke tot opofferingen besluit, in welke men
zichzelven behaagt, en waardoor de eer- en
roemzucht voedsel ontvangen, is niet genoeg.
Dat is zooveel als den minderen lust aan den
sterkeren ten offer brengen, en wierook te
ontsteken op liet altaar van eigenliefde. Neen,
om ons zeiven te verloochenen is andere
kracht noodig dan eigene kracht; een ander
beginsel dan eigenliefde; er moet niet maar
eene omwending, neen eene vernieuwing des
gemoeds plaats hebben.
De zelfverloochening, die CHRISTUS van zijne
discipelen vordert, wordt niet geleerd in de
scholen der wijsgeeren, maar aan den voet
van het kruis. Zij is de vrucht van het
geloof in, de liefde tot God en den Zalig-
maker en van de kracht des Heiligen Geestes.
2ij is eene plant, die nimmer groeit op den
Wortel des hoogmoeds. Dan moet zij sterven,
want het eene vernietigt dan het andere. Zij
kan alleen leven en tieren in den grond, die
Week gemaakt is door ootmoed en onder-
werping. Waar zelfverloochening geoefend
■^vordt, staat God in zijne deugden in de
hoogte, en de mensch, als nietig schepsel,
^quot;e niets waardig is, in de diepte; daar is
God, Heer; de mensch, dienaar; God, Vader;
•le mensch, onderworpen kind. Dan kan
quot;^en tot alles, zelfs het zwaarste bereid zijn.
Dan verlaat abraham niet slechts vaderland
en maagschap en vaderlijk huis, maar kan
ook zijn geliefden izak ten offer brengen.
Dan kan job , na alles verloren te hebben,
zeggen: de Heer heeft gegeven, en de Heer
heeft genomen; de naam des Heeren zij ge-
loofd! (1) Dan kan een jonathan, omdat
God het wil, den troon voor david afstaan,
en zich vergenoegen met de tweede naast
hem (e zijn. Dan kunnen de Apostelen de
schande en de smart der geeseling zich ge-
troosten ; stefanus zich onder de steenwor-
pen laten verpletteren, jacobus het hoofd
onder het zwaard buigen.
De geschiedenis toont ons in tal van voor-
beelden , dat het mogelijk is te voldoen aan
den eisch van den Heer jezus, zelfs tot het
opnemen van het kruis. Hij, die het van
zijne discipelen vordert, is niet alleen de
voorganger, die den weg aanwijst en het
voorbeeld heeft nagelaten. Hij is ook de
Leidsman, de Helper, door wiens kracht wij
alles vermogen, en die nooit iets eischt,
(1) Job l: 211'.
-ocr page 35-waartoe Hij geene hulp beloofd heeft. Hun,
die in Hem gelooven, op Hem zien, en van
Hem afhangen, zijn alle dingen mogelijk.
Hare zaligheid.
Reeds de beoefening zelve geeft genot.
Zelfverloochening is oene overwinning van
den geest over het vleesch, van den nieuwen
mensch over den ouden. Zij brengt rust en
vrede in het hart; zij verheerlijkt God; zij
doet iets van het gevoelen dat in christüs
^as, in ons komen; ja, zij brengt ons den
nemel nader.
^laar hoe heerlijk bovenal zijn hai-e ge-
volgen voor de toekomende wereld! Heeft
volgeling van, de kruisdrager achter
CHRISTUS reeds hier, te midden van zijnen
en zijne smarten, veel genot, oogen-
' ken waarin hij een voorsmaak van de
^'eugde des hemels geniet, eerst aan het einde
^^^^^'^^J'ijno volharding bekroond. Het pad,
hij bewandelt, loopt uit op het leven.
3*
-ocr page 36-Leven is in Bijbeltaal geluk. En wel mag
het lot van den volgeling des Heeren gelukkig
heeten. Daar vindt hij in plaats van strijd,
vrede; in plaats van afmatting en vermoei-
jenis, jeugdige frischheid en kracht. Daar
wordt hem ruim, heerlijk en eeuwig vergoed,
wat hij hier verzaakte in gehoorzaamheid aan
God en om des Heeren wil. Daar brengt
do smaadheid van CHRiSTüS eere aan voor de
Engelen Gods; het verlies van goederen, een
onverliesbaren schat; de droefheid over smar-
telijke ontbering, eene eeuwige vreugde.
Niet ééne verloochening hier geleerd en
beoefend, of zij wordt daar door den rijken
on milden Heer honderdvoudig beloond. Daar
wordt aan den volgeling des Heeren het kruis
van de schouders genomen, en een eere-
kroon hem op den schedel gedrukt. Hij be-
reikt het toppunt van geluk, onmiddelijke
vereeniging met Christus, en door Hem
met God. Daar smaakt hij verzadiging van
vreugde voor Gods aangezigt; lieflijkheden
aan zijne regterhand eeuwigUjk en altoos.
En had hij hier beneden dagelijks te lijden
en te strijden, daar neemt zijne zaligheid toe
van dag tot dag, zonder immer te worden
verstoord. In 't kort, daar is een gedenk-
boek voor het aangezigt des Heeren, voor
allen die Hem vreezen. En die hier alles
wilden verliezen om zijnentwil, zij zullen het
weder vinden bij Hem, die de tranen telt, de
moeite en het verdriet aanschouwt, en don
beker koud water niet vergeet. Door de
enge poorte des doods gaat de kruisdrager
achter Christus in tot de stad des levens.
wenken voor allen, die aan den eisch
van jezus gehoor geven willen.
Eerste wenk.
De eisch van jezus moet niemand afschrik-
ken en terughouden, om een waar discipel van
Hem te worden, en Hem met hart en leven
^fi dienen. Is de eisch billijk en noodzakelijk;
Hij, clie eischt, ons tot gehoorzamen in
staat stellen, en het opgeofFerde om zijnent-
wil, rijkelijk vergoeden, dan mag niemand
alleen op de donkere zijde zien, en de licht-
zijde vergeten. Wie om dezen eisch weigert
een discipel van jezus te worden, hij bedenke,
wat hij kiest. Zijn eigen ongeluk. Wat hij
behouden wil, zal hij verliezen. Wilt gij
ten leven ingaan, mijn lezer, dan moet gij
van de dwaze gehechtheid aan de zienlijke
dingen, van de ingenomenheid met uzelven
genezen worden; dan moet gij tot de onder-
werping en gehoorzaamheid aan God worden
teruggebragt; en dit kan niet geschieden,
zonder dat gij uzelven leert verloochenen.
Wilt gij dat niet, dan sluit gij uzelven buiten
den hemel, kiest u den dood, en zegt de
gehoorzaamheid aan Christus als uwen Heer
op. Gij verloochent dan den naam, dien gij
draagt, en schaamt u dien voor het oog der
wereld. Gevoelt toch, dat gij, door het leven
naar het goeddunken van uw eigen hart, en
door het volgen van den zin en smaak der
wei-eld, veel meer moet opofferen, dan gij
in de dienst van christus geroepen wordt
te verzaken. Vergelijkt het eens met elkander.
Wat haat het een mensch, zoo hij de geheele
wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? (1)
Ziedaar het grootste, dat er te winnen, maar
ook het ergste, dat er te verliezen is. Dat
schade aan de ziel lijden is het zeker gevolg
van den wandel naar het vleesch, van het
onvernieuwd blijven in den geest des gemoeds,
van het volgen der begeerlijkheden van ons
eigen hart. Die schade is tot in eeuwigheid
niet te herstellen. Ach! het einde van den
Weg der wereld bedriegt. Zoo wij de getui-
genis konden hooren van allen, die dien weg
tot het einde toe hebben betreden, wat al
jammerkreten zouden wij vernemen; wat al
vruchtelooze wenschen: mogt ik nog eens
aanvangen, nog eens eene andere keuze doen!
Is er dus iets, dat ons moet afschrikken,
bet zij dan de vrees, dat dit eens ons lot
20U worden.
Tweede wenk.
Wie loaarlijk jezus' discipel wil worden,
nioet, bij de verbindtenis aan Hem, rekenen
(1) Matth xvi: 26».
op het volhrevgen van den pligt der zelfver-
loochening. Het is gemakkelijk, met den man,
die tot jezus zeide: Meester! ik zal Uvolgen,
loaar Gij henengaat (1), in een oogenblik
van opgewekt gevoel te zeggen, of te zin-
gen: ja, ü kiest mijn hart eeuwig tot zijn
koning! (2) Maar als men in zulke oogen-
blikken niet denkt aan hetgeen er verloochend
en verzaakt moet worden om zijnentwil, dan
gaan vele discipelen terug, zoodra die eisch tot
hen komt, en zij zeggen: die rede is hard;
wie kan dezelve hooren (3). Dan gaat de jon-
geling, die zoo even Hem voor den goeden
meester verklaarde , bedroefd henen, omdat
hij te zeer verkleefd was aan zijne goederen.
En zij, die het woord des koningrijks, om
de heerlijke dingen, die zij daarvan verwach-
ten, met vreugde aannamen, worden weldra
geërgerd, als er verdrukking en vervolging
om dat woord komen. De Joden in jezus'
dagen zagen met verlangen de komst van
den christus te gemoet, en beloofden zich
(1) Matth. viii: 19b. (2) Ev. Gez. xlviii : 10.
(3) Joh. vi: 60b.
-ocr page 41-alles van zijne verschijning op aarde, maar
wilden zich niets laten ontnemen van hetgeen
hun gewin was; niets van hunne eigengereg-
tigheid en aardsgezindheid, niets van het
genot dezer wereld wilden zij zich ontzeg-
ggt;'n. Zij namen eere van elkander en de
eer, die uit God was, zochten zij niet.
I^aarom konden zij niet gelooven in Hem,
die armoede van geest, reinheid van hart,
honger en dorst naar geregtigheid en zelf-
verloochening vorderde. Zou nog niet die
joodsche zin, om bij het discipelschap van
Jezus, en bij het verwachten van de zalig-
heid door Hem, alles te willen behouden en
aan te kleven, wat de zinnen bekoort en
het wereldlievend hart aangenaam is, onder
ons te bespeuren zijn ? Maar een Christendom
zonder kruis, een geloof zonder strijd, een
discipelschap zonder iets af te staan en te
Verloochenen, dit zal toch wel het regte niet
Z'jn. Het staat zoo duidelijk in het Evangelie:
iemand achter Mij wil komen , die verloo-
ehene zichzehen, en neme zijn kruis op, en
^^^Ige Mij: dat wij geene vrijheid hebben om
daarvan iets af te dingen, of bij het op ons
nemen van 's Heeren juk, dezen eisch voor
onszelven of anderen door te schrappen. Een
iegelijk moet dus zichzelven onderzoeken of
hij even gezind is, zich dan en daar, waar
christus het eischt, aan dezen eisch te
onderwerpen, als hij gezind is, zich met de
beloften van den Heer te troosten. Wie
daartoe geen lust heeft, is mijns niet waar-
dig; hij kan mijn discipel niet zijn, zegt de
Heer.
Hoe wordt de lust en gezindheid om aan
den eisch van jezus ons te onderwerpen in
ons gewehtf
Eerbied voor, geloof in, liefde tot christus
kan ons alleen daartoe in staat stellen.
Eerbied en ontzag voor Hem als onzen
Heer en Meester, wiens dienaren wij zijn,
die reift heeft om van ons te eischen, wat
O
Hem behaagt, en aan wien wij in alles
volstrekte gehoorzaamheid schuldig zijn, die
eerbied moet in ons binnenste huisvesten,
zullen wij onderhouden, wat Hij geboden
heeft, en afstaan wat Hij wil verzaakt hebben.
Waar dit ontbreekt, daar acht men zijne
geboden voor niets, daar verzet men zich
tegen zijnen wil, en wil niet bukken onder
zijn bestuur. Naarmate de Fleer rijst in onze
schatting, in diezelfde mate dalen wij in onze
eigene oogen. En omgekeerd, naarmate wij
ons zeiven grooter toeschijnen, staat Christus
lager in onze schatting. Wij kunnen daarom
geene te hooge gedachten van Hem koesteren,
en den eerbied voor Hem niet te zeer aan-
kweeken; want hieruit alleen kan de onder-
werping aan zijn gezag en zijne magt ge-
boren worden.
Maar niet alleen het ontzag voor Hem,
ook het geloof in Hem, als den behouder
®n leidsman onzer ziel, als den éénigen naam,
door welken wij kunnen zalig worden, als
dengenen, die met wijsheid en liefde ons lot
bestuurt en al zijne beloften vervullen wil,
ook dat geloof moet in ons zijn, zullen wij
den eisch van jezus opvolgen. Dat geloof
vereenigt ons met Hem, doet zien op Hem,
kraclit zoeken bij Hem. Daardoor komen
ons zijne bevelen zoowel als zijne beloften en
wegen, aangename en onaangename in het
beminnelijkst licht voor, zoodat wij niet alleen
bukken en volgen uit gevoel van minderheid,
maar vol vertrouwen op Hem, uit overtuiging
dat zijn wil altijd goed is, en dat Hij in al
wat Hij beveelt en van ons eischt, onze
zaligheid bedoelt.
Het is dat geloof, dat ook werkzaam is
door de liefde. Hebben wij Hem lief, die
ons eerst heeft lief gehad, gevoelen wij ons
zoo onberekenbaar aan Hem verpligt, dan
zijn zijne geboden niet zwaar, dan zijn wij
opgewekt en bereid, om alles Hem toe to
wijden en voor Hem over te geven, waar
toe Hij roept. De liefde van cheistus dringt
ons om voor Hem te leven; en het geloof
overwint alle dingen.
Vierde wenk.
Ieder moei voor zichzelven trachten le weten,
waarin hij bijzonder moet leeren zichzelven te
verloochenen; en den weg waarlangs, en de loijze
waarop de Heer het hem leeren wil, aan Hem
overlaten. Ieder heeft niet hetzelfde te ver-
loochenen. Ieders weg is niet dezelfde. Do
een wordt meer geroepen tot lijden, een
ander tot werken; de een moet leeren wach-
ten, een ander moet meer vurig en ijverig
Worden; de een heeft meer te strijden met
voorbarigheid en ongeduld, een ander met
traagheid. Hier is men te veel gehecht aan
de eer en de goedkeuring der menschen, daar
aan de goederen en genoegens dezes levens.
Nu een3 is het de ingenomenheid met zich-
zelven, dan eene te sterke verkleefdheid aan
vrienden en betrekkingen, welke heerschappij
oefent. Vandaar dat hetgeen voor dezen zwaar
Valt om te verloochenen, voor genen ligt is,
omdat zijn hart er minder aan gehecht is.
^'j willen nu wel verloochenen wat ons
ßimder kost, maar niet, hetgeen ons grooten
strijd zou veroorzaken. Maar de Heer houdt
^oorgaans zulke wegen met ons, dat Hij juist
datgene beproeft, wat ons het zwaarste
valt en het meest in den weg staat. Wat
nu bij iedereen is, moet zelfkennis, ernstig
nadenken en gebed ons leeren. En kunnen
wij het daardoor niet weten, dan kunnen de
omstandigheden, waarin de Fleer ons brengt,
de wegen, waarop Hij ons leidt, het ons ont-
dekken. Waar de meeste tegenstand en on-
willigheid zich openbaart, waar de meeste
pijn veroorzaakt wordt, daar is de gehecht-
heid der ziel, welke moet verloochend
worden.
De wijze, waarop dit geleerd wordt, is
zeer verschillend. Nu eens is het teleurstel-
ling en mislukken van onze wenschen en
plannen, dan verlies van hetgeen ons dierbaar
was; nu eens is het de laster en smaad der
wereld, dan de tegenwerking en belemmering,
die ons in den weg komen; nu eens is het
eigen lijden, dan dat onzer betrekkingen; nu
eens worden wij tot stil zitten geroepen, waar
wij wilden werken, dan moeten wij arbeiden,
waar de rust ons liefelijk was. Maar wie
zal al de wijzen opnoemen, waarop de zelf-
verloochening kan geleerd worden? Wij mogen
daaromtrent geene keuze maken, maar moe-
ten het aan den Fleer ootmoedig en met
vertrouwen overlaten en overgeven, wanneer
on hoe Hij ons wil beproeven en oefenen.
Vijfde wenk.
T)e Christen moet zich, ten aanzien van de
beoefening der zelfverloochening, niet heoordee-
^en naar de meerdere of mindere mate van
lijden en beproeving, die hem treft, maar naar
de icijze, loaarop hij zijn kruis opneemt, en
daaronder jezus navolgt. Abraham had min-
der te lijden dan jacob, en toch was hij
Veel grooter in zelfverloochening. Het kruis
'n gehoorzaamheid op te nemen is meerder,
dan zich, zonder dat men keus had of het
kon afwenden, er onder te buigen. Het
laatste is onderwerping; het eerste is vrijwil-
lig dragen. Wij denken vaak, dat iemand
oen meer gevorderd en geoefend christen is,
•laarmate hem boven anderen meer lijden
overkomt. Dat is niet zonder uitzondering
^^ar. De zoodanige is wel meer beproefd,
^''lar niet altijd meer geoefend. Het laatste
men alleen zeggen van hem, die het
meeste geleerd heeft zijnen zin en wil aan
dien des Heeren te onderwerpen, die bereid
is te doen en te laten, te gaan en te blij-
ven, over te geven en los te laten, te lijden
en te werken, wat de Heer hem oplegt, en
wiens spijze het is te doen wat den Heer wel-
behagelijk is, om het even wat het is. Tot
die hoogte brengt het wel niemand in dit
leven; maar hoe meer men in de gewiUigheid,
waarmede men verloochent, den Heere Chris-
tus navolgt, des te meer nadert men tot
die hoogte. Men zou zeker den onwil meer
onderdrukken, wanneer men oog en hart
meer op den grooten Voorganger en Voleinder
des geloofs vestigde. Waarom bezwijkt men
zoo spoedig onder het kruis? Omdat men
meer ziet op medemenschen en medechris-
tenen, die er van verschoond bleven, en te
weinig op christus, die het kruis verdragen
en de schande veracht heeft. Waarom zijn
zoo velen ongezind zichzelven te verloochenen?
Is het niet, omdat de onzienlijke dingen te
veel uit het oog verloren worden door het
deksel, dat de zienlijke dingen daarover ge-
legd hebben? Waarom klaagt men over
kleine opofferingen, die soms van ons ge-
vraagd virorden, tervcijl men verschoond blijft
van die grootere, virelke van de eerste dis-
cipelen gevorderd werden? Is het niet, om-
dat wij minder liefhebben, en meer vleesch
dan geest zijn? Niemand wordt geroepen om
het kruis op te zoeken. Wie. dat doet zal
er onder bezwijken. Maar wanneer het den
Heer behaagt, het ons op te leggen, het
dan in ootmoed en gehoorzaamheid, met het
oog op Hem op te nemen, dkt is zijn wil.
Het is de eerste en de laatste les, die wij
'n zijne school te leeren hebben.
Wie tot hiertoe verschoond bleef om dit
op een smartelijken weg te leeren, hij zoeke
m een werkzaam leven, in getrouwheid aan
Phgt en roeping, met opoffering en verzaking
Van hetgeen daarmede strijdt, den Heer na te
Volgen, en daardoor bereid te worden, om,
^vanneer de Heer tot lijden roept, waarvan
*och niemand altijd geheel bevrijd blijft, ge-
^^'Ihg dit te ondergaan.
Maar hoe het ook thans met u zij, lezers,
-ocr page 50-of vervolgens met u worde, zijt met de oot-
moedigheid bekleed (1). Vergeet niet, dat
deze aarde de plaats van beproeving en strijd
is. Zoekt hier noch rust, noch uw deel, en
laat het uw hoogste lust zijn, om, het zij
uitwonende, het zij inioonende den Heer welbe-
hagelijk te zijn (2).
Toen in de eerste eeuwen des Christendoms
vele vervolgingen tegen de belijders van den
Heer werden ondernomen op last der llo-
meinsche Keizers, werd ook de bloeijende
gemeente to Smyrna daardoor getroffen. Tal-
loos wreede martelingen werden uitgedacht
om de christenen aldaar tot verzaking van
hun geloof te brengen. En mogt ook een
enkele voor de folteringen bezwijken, en om
zijn leven te redden, zijnen Verlosser verloo-
chenen, de meesten verdroegen hun lot met
onwrikbare standvastigheid, en gaven schoone
(1)nbsp;1 Petr. v: 5ni.
(2)nbsp;2 Cor. v: 9.
-ocr page 51-bewijzen van hunne geheclitheid aan den Heer,
Onder dezen behoorde ook de grijze poly-
CARpus, een der Apostolische kerkvaders en
opziener te Smjrna. Zijn heldenmoed en
geloofskracht is tot op onzen tijd in gezegend
aandenken gebleven. Voor den regter ge-
bragt om verantwoording te doen van zijn
geloof, eischte men bij herhaling, dat hij zijne
belijdenis verzaken en tot het heidendom te-
rugkeeren zou. Dan vruchteloos! ledero
Pogmg leed schipbreuk op zijn onwankelbaar
geloof. Eindelijk riep de regter hem toe:
vloek christus, en wij zullen u loslaten! Maar
toen hernam hij met ernst en waardigheid, —
en deze taal is de bewondering aller eeuwen
Waardig, — zes-en-tachtig jaren heb ik jezus
Hediend, en nooit heeft IJij mij eenig leed ge-
daan; hoe zou ik dan mijnen Heer en Heiland
verloochenen!
vrome claudius, dit verhaal mededee-
voegde er deze opmerking bij: dat
loeinbsp;Heer zijn, voor wien men
jaar nog door het vuur wil hopen!
Zoo deze taal der rijpste ervaring weer-
-ocr page 52-klank vindt in uw hart, lezers! dan zult gij
den eisch van zelfverloochening niet hard,
maar goed en liefderijk noemen; en als van
u de volbrenging van dien eisch gevorderd
wordt, gewis toonen, dat ook gij voor dien
Heer alles overhebt.