BETREKKBLIJK
DE VERPLEGING EN HET ONDERWIJS
U 1 T n ^ B JIA C H.T I N M EI 1 S 7 7.
c* V .
F. C. DONDEBS.
Het liet veertiemle iiiiniiuer dee wetciischa|»|ielijke hijblitdeu. nbsp;nbsp;nbsp;„
UTRECHT,
ËLJ
Ct
Achttiende jaarlijksoh verslag, door F. C. Donders . . nbsp;nbsp;nbsp;. Blz. i
WETENSCHAPPELIJKE BIJBLADEN.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De grenzen van het gezichtsveld, in verband met die
van het netvlies, door F. C. Donders........ 1
27
51
63
2. nbsp;nbsp;nbsp;Bepalingen betrekkelijk het gezichtsveld bij eenigenbsp;zoogdieren, door Dr Gbossmann en Dr. iVlAYnsHAUSEN
3. nbsp;nbsp;nbsp;Een pankratische kijker, door F. C. Donders. . . .
4. nbsp;nbsp;nbsp;Korte beschrijving van alhier geconstrueerde werktuigen
5. nbsp;nbsp;nbsp;De quantitatieve bepaling van het kleuronderscheidings-
77
87
vermogen, door F, C. Donders.........
6. nbsp;nbsp;nbsp;Naschrift op : een pankratische kijker, door F. 0. Donders
-ocr page 6- -ocr page 7-ACHTTIENDE JAARLIJKSCH VERSLAG,
betrekkelijk de verpleging en het onderwijs in het Nederïandsch Gasthuis voor Ooglijders, van den 1. Januari 1876 totnbsp;den 1. Januari 1877, — ter vergaderingnbsp;van Bestuurders en Afgevaardigden, gehouden te Utrecht den 29 Mei 1877,nbsp;uitgebracht door F. C. Donders, Directeur der Instelling.
Voor de achttiende maal breng ik heden verslag nit over onze stichting. Voor de achttiende maal heb ik hetnbsp;voorrecht hier getuigenis te mogen afleggen van haren bloei.nbsp;Getrouw aan den geest, die haar in het leven riep, gingnbsp;zij voort aan haar tweeledig doel te beantwoorden, behandeling en verpleging van behoeftige en minvermogendenbsp;ooglijders en onderwijs in oogheelkunde.
Het vorig jaar wees ik U op de treffende overeenkomst der resultaten, in 1874 en 1875 verkregen. Ook hetnbsp;jaar 1876 week nauwelijks van zijne voorgangers af.
-ocr page 8-2
De lijders, die hier hulp zochten, waren afkomstig uit:
Behandelden. nbsp;nbsp;nbsp;Verpleegden.
stad Utrecht....... 618. nbsp;nbsp;nbsp;16.
Prov. nbsp;nbsp;nbsp;Utrecht...... 283. nbsp;nbsp;nbsp;24.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Priesland...... 22. nbsp;nbsp;nbsp;10.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Groningen..... 7. nbsp;nbsp;nbsp;7.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Drenthe...... 14. nbsp;nbsp;nbsp;11.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Overijssel..... nbsp;nbsp;nbsp;72.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;39.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Gelderland..... 187. nbsp;nbsp;nbsp;57.
„ nbsp;nbsp;nbsp;N. Holland ....nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;127.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;16.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Z. Holland..... nbsp;nbsp;nbsp;194.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;36.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Zeeland...... 50. nbsp;nbsp;nbsp;40.
„ nbsp;nbsp;nbsp;N, Brabant ....nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;187.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;99.
„ nbsp;nbsp;nbsp;Limburg...... 1. nbsp;nbsp;nbsp;1.
Vreemdelingen...... 6. nbsp;nbsp;nbsp;2.
Van de overeenkomst met de vorige jaar moge blijken uit de vergelijking van
1874. 1875. 1876.
behandelde lijders. . • nbsp;nbsp;nbsp;. •..... 1735. nbsp;nbsp;nbsp;1726.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1768.
verpleegde lijders.......... 348. nbsp;nbsp;nbsp;362.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;358.
aantal verpleegdagen........ 8987. nbsp;nbsp;nbsp;9197.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9886.
De gemiddelde verplegingsduur was iets langer, bereikende in de vorige jaren van 25 tot 26, thans ruim 27 dagen.
Van de verpleegden werden opgenomen:
179 voor eigen rekening nbsp;nbsp;nbsp;met 4126 verpleegdagen
44 „ rekening van particulieren „ 1267 nbsp;nbsp;nbsp;„
46 nbsp;nbsp;nbsp;„nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;j,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;„nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gemeente-besturennbsp;nbsp;nbsp;nbsp;„nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1754nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;„
4 kosteloos nbsp;nbsp;nbsp;_148 nbsp;nbsp;nbsp;„
-ocr page 9-Komt kostelooze verpleging slechts weinig voor, de verzekering mag worden afgelegd, dat geen hulpbehoevende werd afgewezen. Tot het geven der kleine tegemoetkoming van 60 centen daags worden gemeente- ennbsp;armbesturen in den regel gaarne bereid gevonden, ennbsp;voor lijders, die de tusschenkomst dier besturen kunnennbsp;ontberen, is het een groote voldoening, het gering bedrag aan verpleegkosten, dat hun wordt in rekeningnbsp;gebracht, uit eigen middelen te kweten.
Tot staving van de juistheid dezer opvatting is het wel voldoende te wijzen op het feit, dat uit de laatste tweenbsp;jaren, dus van meer dan 700 verpleegden, geen enkelenbsp;post onbetaald bleef.
Van de belangrijkheid der voorgekomen gevallen getuigt op nieuw het betrekkelpk groot aantal kunstbewerkingen, die in het afgeloopen jaar gevorderd werden. Toch is het getal een weinig beneden dat van vroegernbsp;jaren gebleven. In plaats van 77 extracties van cataract,nbsp;in het vorig jaar verricht, kwamen er in dit jaar slechtsnbsp;63 voor; in plaats van 86 iridectomiën slechts 59; maarnbsp;daarentegen werden 3 iridotomiën verricht, werd hetnbsp;aantal tenotomiën met 8 vermeerderd en werden kystennbsp;uit de oogkamer verwijderd. In het geheel kwamen 251nbsp;groote operaties voor.
De statistiek, die U een beeld geeft van de behandeling en de verpleging, is aan het eind van het verslag tenbsp;vinden. Ditmaal onthoud ik mij van het wijzen op buitengewone of treffende ziektegevallen , waartoe de gelegenheid overigens niet zou ontbreken, om een oogenbliknbsp;uwe aandacht te bepalen bij de bemoeiingen onzer instelling op het gebied der oogheelkundige policie. Ik hebnbsp;het oog op de keuring van het personeel, dat met denbsp;dienst op de spoorwegen is belast. Zooals men weet
-ocr page 10-bestaan de signalen, waarop dat personeel te letten heeft, bij dag in gekleurde vlaggetjes, bij avond en bij nachtnbsp;in gekleurde lichten van lantarens. De witte kleur, zoowelnbsp;van vlaggen als van lantarens, heteekent veilig; de groene:nbsp;geef acht', de roode; gevaar. Geen wonder dus, dat reedsnbsp;voor vele jaren de noodzakelijkheid werd erkend, bij hetnbsp;personeel der spoorwegen niet slechts de gezichtsscherpte,nbsp;maar tevens het kleuronderscheidingsvermogen te onderzoeken, dat bij betrekkelijk vele personen ontbreekt ofnbsp;onvolkomen is. Wie zich in het volle hezit daarvan verheugen mag staat verbaasd, wanneer hij een andernbsp;scharlakenrood met groen of grijs ziet verwarren. Maarnbsp;ook de kleurblinde zelf is zich van zijn gebrek vaak nietnbsp;bewust, soms zelfs moeielijk te overtuigen, dat hij nietnbsp;ziet als ieder ander. Zonder te vragen, of zij in overeenstemming is met zijne indrukken, heeft hij zich zoonbsp;goed mogelijk gevoegd naar eene terminologie van kleuren,nbsp;die hij zeker zelf niet zou hebben uitgevonden. In dennbsp;aard der voorwerpen of in bijkomende eigenschappen zochtnbsp;hij zekere aanwijzing voor de kleursbenaming; en datnbsp;anderen een groot verschil ontwaren, waar hij gelijkheidnbsp;ziet, kwam niet bij hem op. Toch zal men hem, indiennbsp;hij heeft leeren denken, van zijn gebrek kunnen overtuigen.nbsp;Een rood en een groen lint mogen gelijken indruk op hemnbsp;maken, met een groen glas voor het oog, ziet hij hetnbsp;roode, met een rood glas het groene veel donkerder. Ennbsp;wanneer door een en hetzelfde glas schijnbaar gelijkenbsp;ongelijk worden, dan moeten zij in werkelijkheid verschillen. Kan hij die redeneering volgen, zoo zal hijnbsp;zich gewonnen geven. De verklaring ligt voor de hand;nbsp;het roode glas laat alleen roode, het groene glas alleennbsp;groene stralen door en ieder glas vermindert dus denbsp;lichtsterkte der tegenovergestelde kleur.
-ocr page 11-Er bestaan verschillende vormen van kleurblindheid. De meest voorkomende is die, waarbij rood een zwakkennbsp;indruk maakt (zoogenoemde roodblindheid), en zoowelnbsp;met blauw en groen als met grijs kan verward worden.nbsp;Die vorm wordt doorgaans daltonisme genoemd, naar, —nbsp;ter eere, kan men wel nauwelijks zeggen, van den groetennbsp;scheikundige Dalton, die, zelf Igder aan kleurblindheid,nbsp;van zijn bevinden een nauwkeurige beschrijving gaf.nbsp;„Karmozijn,” zegt hij, „schgnt mij blauw, met eennbsp;„weinig donker bruin vermengd. G-roen houd ik voornbsp;„bruin en bruin voor groen. De roos, het viooltje ennbsp;„de koekoeksbloem zijn voor mij allen blauw. Bloed zienbsp;„ik als donker flesschengroen en de frissche wangen vannbsp;„een jeugdig meisje als inktvlekken”. Men ziet, dat denbsp;toestand juist niet benijdenswaardig is. Dalton verhaaltnbsp;ons verder, dat hy hetzelfde gebrek bij zijn broeder ennbsp;bij verscheidene zijner leerlingen aantrof, nooit bij vrouwen.nbsp;Inderdaad komt het bij vrouwen hoogst zeldzaam voor.
Het ware daltonisme is aangeboren. Ik ben niet ongeneigd aan te nemen, dat de kleurzin zich bij kinderen eerst allengs ontwikkelt, en dat vroegtydige oefening opnbsp;die ontwikkeling niet zonder invloed is. In den laatstennbsp;tijd werd van verschillende zijden beweerd, dat ook opnbsp;volwassen leeftijd, als gevolg van verwonding of vannbsp;ziekte, kleurblindheid zou kunnen ontstaan. Op dienbsp;bewering valt veel af te dingen: komt zij verkregen voor,nbsp;dan is ze ondergeschikt aan eene vermindering der ge-zichtsscherpte — de amblyopie, die tevens aanwezig is.nbsp;Maar aan die bewering hebben wij toch te danken, datnbsp;het geneeskundige staatsbestuur op de noodzakelijkheidnbsp;van keuring en zelfs van herkeuring van het spoorwegpersoneel opmerkzaam werd, en dat van de commissienbsp;van toezicht een wenk uitging aan de Directies onzer
-ocr page 12-6
Spoorwegmaatschappijen, voldoende, om deze tot het beramen van de noodige maatregelen uit te lokken. Die van den centraalspoorweg dirigeerde eenvoudig haar personeel naar onze inrichting, alwaar met plichtmatigenbsp;bereidwilligheid 113 personen werden gekeurd; kleur-blinden bleken daaronder niet voor te komen, maar tochnbsp;twee personen, die wegens gebrekkig gezichtsvermogennbsp;absoluut, twee die relatief ongeschikt waren voor denbsp;spoorwegdienst. Meer omvattend waren de maatregelen,nbsp;die door de Directie der Maatschappij tot Exploitatie vannbsp;Staatsspoorwegen moesten worden genomen. Reeds vóórnbsp;twee jaren, door den Directeur-Generaal geraadpleegd,nbsp;had ik op het terrein der lunetten alhier, bij dag en bijnbsp;avond, voorts aan het station te Hilversum en in den con-ducteurswagen getracht, mij te vergewissen omtrent denbsp;eischen, die, in verband met de signalen, aan hetnbsp;spoorwegpersoneel zouden beboeren gesteld te worden.nbsp;Daarbij was mij gebleken, dat niet slechts kleurenzin,nbsp;maar in het algemeen ook een gezichtsscherpte noodignbsp;is, die door geringe graden van bijziendheid en vannbsp;gezichtszwakte reeds wordt uitgesloten. Aan de noodza-kelpkheid eener algemeene keuring van het spoorwegpersoneel viel dus, naar mijn oordeel, niet te twijfelen.nbsp;Genoemde Directeur-Generaal was gaarne bereid, zijnnbsp;personeel daaraan te onderwerpen. Maar er waren praktische bezwaren van verschillenden aard, die tot eenigenbsp;vertraging aanleiding gaven. Ten slotte kwamen wijnbsp;overeen, dat een proef zou worden genomen met hetnbsp;personeel der lijn Utrecht—Boxtel. Achtereenvolgensnbsp;werden nu 119 mannen en 32 vrouwen, tot dat personeelnbsp;beboerende, meerendeels door Dr. B o u v i n in onzenbsp;instelling onderzocht en daarvan één wegens kleurblind-heid en één wegens cataract afgekeurd, terwijl twee wegens
-ocr page 13-gezichtszwakte werden behandeld en ten slotte voor de dienst geschikt verklaard. Bovendien werden sommigennbsp;aangewezen, om na eenigen tijd een herkeuring te ondergaan. Deze proeve gaf aanleiding, dat over het uitgebreide net der Staatsspoorwegen twaalf artsen en oogartsen, waarvan negen kweekelingen onzer stichting,nbsp;werden uitgenoodigd, zich ieder op een bepaalde lijn,nbsp;met het onderzoek te belasten, en zonder uitzonderingnbsp;aanvaardden zij die taak, om zich met ijver en nauwgezetheid daarvan te kwijten. Het onderzoek geschieddenbsp;naar een vaste methode, die, zooveel mogelpk zich sluitende aan het herkennen der signalen, refractie, gezichts-scherpte en kleurenzin bij opvallend en doorvallendnbsp;licht in cijfers bepaalde, voor ieder oog afzonderlijknbsp;op daartoe ontworpen tabellen in te vullen. Uit dienbsp;tabellen werden nu alle twijfelachtige gevallen bekend,nbsp;en deze zouden in onze instelling aan een definitief onderzoek worden onderworpen. Voor het grootste gedeeltenbsp;hebben de gezegde Heeren hunne taak reeds volbracht. Ooknbsp;met het onderzoek der twijfelachtige gevallen is hier eennbsp;aanvang gemaakt. In meer dan één opzicht belooft datnbsp;onderzoek leerrijk te worden; maar het praktische resultaat is dit, dat ongesohikten zullen worden verwijderd,nbsp;en dat bouwstoffen zullen verkregen worden voor het ontwerpen van een keuringsreglement, waarvan wij durvennbsp;vertrouwen, dat het voor onze spoorwegen zal wordennbsp;ingevoerd.
Hiermede heeft onze instelling een nieuw gebied betreden, dat ik belangrijk genoeg achtte, om mij deze uitweiding tenbsp;veroorloven. Immers, bedrieg ik mij niet, dan betreft dienbsp;bemoeiing een gewichtig punt van Staatszorg. Wel beroept men zich van de zijde der spoorwegmaatschappijennbsp;op de statistieken van ongevallen, om te bewijzen, dat
-ocr page 14-8
slechts zelden een gebrekkig gezichtsvermogen daarvan de directe oorzaak is. Maar ziet men niet over hetnbsp;hoofd, dat de directe oorzaak, welke die zijn moge, doornbsp;mannen met volkomen gezichtsvermogen dikwyls zounbsp;zijn voorkomen of vermeden? Snel en zeker zien weetnbsp;een dreigend gevaar vaak nog af te wenden, waar eennbsp;onvolkomen zou zijn te kort geschoten en, schiet het tenbsp;kort, toch in de statistiek niet als oorzaak figureert.
In een volgend verslag hoop ik U de grondslagen te kunnen mededeelen, waarop deze aangelegenheid geregeld is.
Krachtens de Statuten heb ik thans onze stichting nog als instelling van onderwijs te gedenken.
De theoretische lessen meende ik, in aansluiting aan de physiologie van het gezichtsorgaan, te moeten bepalennbsp;tot de refractie- en accommodatie-anomaliën en tot denbsp;stoornissen der bewegingen. Alle overige ziektevormennbsp;werden uitsluitend klinisch behandeld, dat is, naar aanleiding van ziektegevallen, waarvan mp steeds een ruimenbsp;keuze ten dienste stond. Bovendien maakte Dr. S nellennbsp;de talrpke door hem verrichte operation dienstbaar aannbsp;het onderwijs en leidde Dr. Bouvin de oefening innbsp;het gebruik van den oogspiegel alsmede de operatievenbsp;oefeningen , hoofdzakelijk op oogen van geslachte dieren.
De gelegenheid, om van een en ander gebruik te maken, stond als altijd op de meest vrijgevige wijze open.nbsp;Wij mochten onder onze discipelen dan ook niet slechtsnbsp;de studenten onzer hoogeschool, maar ook weder Neder-landsche en vreemde artsen tellen. Studenten waren nietnbsp;in groeten getale aanwezig, maar toonden des te grooterenbsp;belangstelling. Het is een aangename ervaring, die zichnbsp;telkens herhaalt, dat voor de besten onzer studenten in
-ocr page 15-het algemeen de oogheelkunde een bijzondere aantrekking schijnt te bezitten. Onverklaarbaar is dit niet; want, brengt zij rijke vruchten voort, ook voor eene algemeenenbsp;medische ontwikkeling, die vruchten zijn niet te plukkennbsp;zonder meer dan gewone inspanning van den geest.nbsp;In het 161= jaarverslag wees ik overigens op twee omstandigheden, die weinig geschikt waren, om het beoefenennbsp;der oogheelkunde onder onze studenten aan te moedigen.nbsp;Een der omstandigheden was gelegën in den grootennbsp;afstand tusschen bet Ziekenhuis en het Gasthuis voornbsp;Ooglijders, de andere in het nog vigeerende Staatsexamen,nbsp;dat in het algemeen vrije studie uitdooft en de oogheelkunde op den achtergrond drong, omdat geen ophthal-moloog in de commissie zitting had.
Die laatste omstandigheid heeft opgehouden te bestaan. Wellicht heeft de gegeven wenk doel getroffen: althans innbsp;de laatstbenoemde commissiën zagen wij achtereenvolgensnbsp;de Heeren Do ij er en Gunning als oogheelkundigen optreden en in de commissie voor den volgenden cursus is Dr.nbsp;Snellen als zoodanig aangewezen. Hierin ligt een blijk vannbsp;waardeering, waarover wij reden hebben ons te verheugen.nbsp;Trouwens, men had slechts het voorbeeld te volgen,nbsp;door Oostenrijk en door Duitschland gegeven, waar denbsp;oogheelkunde als bijzonder vak in het examen-programmanbsp;is opgenomen en aan iedere Hoogeschool door een gewoonnbsp;Hoogleeraar vertegenwoordigd wordt.
Aan het bezwaar der eerstgenoemde omstandigheid kan alléén worden te gemoet gekomen, door onze instellingnbsp;in een ander gebouw over te brengen. Zal zij voor hetnbsp;onderwijs vruchten dragen, geëvenredigd aan hare onschatbare hulpmiddelen, dan zal het te eeniger tijd daartoenbsp;moeten komen. Meer en meer heb ik de overtuiging opgedaan , dat concentratie der inrichtingen voor natuur- en ge-
-ocr page 16-neeskundig onderwijs in het algemeen een eerste voorwaarde is voor haren bloei, en stelselmatig naar die concentratienbsp;te streven een eerste plicht van hen, aan wie de belangennbsp;eener instelling voor hooger onderwijs zijn toevertrouwd.
In mijn vorig verslag maakte ik melding van de tentoonstelling van wetenschappelijke toestellen, in het South Kensington Museum te houden, en deelde u mede, datnbsp;uit onze collectie de hier geconstrueerde werktuigen,nbsp;vereenigd met die van het physiologisch laboratorium,nbsp;derwaarts waren opgezonden. Aan eene uitnoodiging naarnbsp;aanleiding daarvan een voordracht te houden, heb iknbsp;gaarne voldaan, en in het verslag der Nederlandschenbsp;gecommitteerden (Staatscourant 11 Januari) mochten wijnbsp;lezen, „dat die merkwaardige verzameling van toestellennbsp;bijzonder de aandacht trok.” Ten behoeve van den Catalogus der tentoonstelling werd een korte beschrijving gegevennbsp;van al de ingezonden werktuigen, en het kwam ons doelmatig voor, die, ten behoeve vooral van onze discipelen,nbsp;ook in de bijbladen van dit verslag in het Nederlandschnbsp;te laten afdrukken.
|l
Onze bijbladen zullen voorts een onderzoek bevatten over de grenzen van het gezichtsveld, in verband metnbsp;die van het netvlies. Dit onderzoek stelde in het licht,nbsp;dat de absolute grenzen van het gezichtsveld in hetnbsp;algemeen aan de relatieve, zooals zij door de om denbsp;oogholte gelegen deelen bepaald worden, beantwoorden.nbsp;Op directe wijze werd door de heeren Dr. Grossmannbsp;en Mayerhausen aangetoond, dat het peripherischenbsp;gedeelte van het netvlies aan de slaapzijde ongevoelig isnbsp;voor lichtgolven: zij zagen, wat alleen bij ziekelijk uitpuilende oogen mogelijk is, het beeld eener helderenbsp;vlam, van de neuszijde in het oog schijnende, aan denbsp;slaapzijde door den harden oogrok heenschemeren, zonder
-ocr page 17-dat het beeld door den persoon zelf werd waargenomen. En, merkwaardiger wijze, vertoont zich intusschen, zoo-als uit Dr. Sattler’s onderzoek volgde, dit ongevoelignbsp;gedeelte van het netvlies geener lei afwijking van dennbsp;normalen bouw.
De eerstgenoemde Heeren hielden zich nog bezig met de bepalingen van den stand der oogen en de grenzennbsp;van het gezichtsveld bij verschillende diersoorten, voornbsp;welk onderzoek, dat grootendeels in de diergaarden vannbsp;Amsterdam en Rotterdam tot op leeuwen en tijgers werdnbsp;volbracht, hier de methoden werden vastgesteld. Zijnbsp;kwamen daarbij tot resultaten, die voor vergelijkendenbsp;physiologie en ontwikkelingsgeschiedenis zeker niet zondernbsp;waarde zijn.
In verband met den storenden invloed, dien bacte-nën-houdende etter op de ziekte-processen in het hoornvlies uitoefent, onderzochten zij verder de levensvoorwaarden dier raadselachtige kleinste wezens, van welk onderzoek de uitkomsten ook eene meer algemeene be-teekenis hebben.
Na hier vele maanden te zijn verbleven, hebben de genoemde Heeren ons eerst voor korten tgd verlaten,nbsp;allen om elders als assistent op te treden, Dr. Mayer-hausen en Dr, Grossmann resp. bij de akademischenbsp;kliniken te Basel en te Ereiburg in den Breisgau, Dr.nbsp;Sattler bij Dr. Williams te Cincinnati, —allen onsnbsp;de aangenaamste indrukken achterlatende. Intusschennbsp;wordt thans met een verbeterd werktuig de diepte dernbsp;oogkamer gemeten, in verband met den refractietoestand,nbsp;en de betrekking onderzocht tusschen de refractie en dennbsp;schedelvorm , in het bijzonder de onderlinge afstand dernbsp;oogen, die, met eenige wijziging, naar de methode vannbsp;Snellen en Landolt wordt bepaald, terwijl Dr.
-ocr page 18-B OU vin zich hezig houdt met het onderzoek der erfelijkheid van ooggebreken, die voor de leer der erfelijkheid in het algemeen een groote beteekenis heeft.
Vroeger reeds onderzocht ik het verband der refractie tot de grootte, waaronder de voorwerpen zich aan ons oognbsp;vertoonen, eene vraag, belangwekkend, zoowel uit eennbsp;psychologisch als uit een physiologisch oogpunt. Zijnbsp;moest hare beantwoording vinden door vergelijking diernbsp;grootten op de beide oogen in gevallen, waarin bij dezelfde persoon de oogen onderling in refractie verschillen.nbsp;Thans eerst belooft dat onderzoek nauwkeurige uitkomsten, nu het mij gelukt is, een Hollandschen verrekijkernbsp;te construeeren, met veranderlijke vergrooting, en daaromnbsp;pankratische te noemen, die, voor het eene oog gehouden,nbsp;ons de vergrooting leert kennen, waarbij de heelden dernbsp;heide oogen aan elkander gelijk zijn.
Zoo gaan wij voort te streven naar uitbreiding van het gebied onzer kennis, zonder voorshands meer tenbsp;vragen dan feiten, die ons het verhand en den oorsprongnbsp;der levensverschijnselen nader doen kennen. Leert nietnbsp;de geschiedenis, dat uit de meest abstracte waarheden,nbsp;zeker niet het minst in betrekking tot het gezichtsorgaan,nbsp;onverwacht en ongezocht vaak de nuttigste toepassingennbsp;geboren worden? En middelerwijl indachtig, dat onzenbsp;stichting in de eerste plaats is een instelling van liefdadigheid, beijveren wij ons, om de hulpmiddelen, waarover de kunst alvast beschikt, met milde hand tot behoud en herstel van ’t gezichtsvermogen aan te wenden.
Beide wegen, de directe en indirecte, voeren tot hetzelfde doel.
Uit naam ook van mijn mederegenten, ten slotte een woord over de finantieële uitkomsten, die het afgeloopen
-ocr page 19-13
jaar heeft opgelevexd. Over het geheel mogen zij bevredigend heeten. Uit een vergelijking dier uitkomsten in de beide laatste jaren zal dit IJ nader blijken.
1876.
/ 5989.05 „ 4762.65nbsp;„ 1359.7 Pnbsp;450.
Het verplegingsfonds ontving in:
1875.
aan verpleeggelden.....ƒ 5612.22'
„ jaarlijksche bijdragen . nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;„ 4971.80
„ aan renten van kapitalen . nbsp;nbsp;nbsp;„ 1249.10
„ huur van gebouwde eigendom. „ 450.
/ 12283.12® / 12561.41® De verpleeggelden zijn gestegen, en wel met een bedrag van / 377, het natuurlijk gevolg van het grootenbsp;aantal verpleegdagen. Zijn de jaarlijksche bijdragen afgenomen? Gelukkigerwijze slechts schijnbaar. In 1875nbsp;werden, namelijk, achterstallige posten geïnd, tot eennbsp;bedrag van nagenoeg f 300, en na aftrek van deze is,nbsp;in plaats van achteruitgang, een kleine vooruitgang innbsp;de jaarlijksche bijdragen te bespeuren. Wij kunnen dannbsp;ook den pver van de meeste onzer commissiën nietnbsp;hoog genoeg waardeeren. — In de staging van renten dernbsp;kapitalen, eindelijk, vinden wij het aangename bewijs,nbsp;dat ons kapitaalfonds in 1876 niet stationair gebleven is.nbsp;De uitgaven, ten behoeve der verpleging, bedroegen:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ƒ 11692.29 nbsp;nbsp;nbsp;/ 11618.47 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
14
Ten aanzien dier uitgaven valt alleen op te merken, dat het onderhoud van gebouwen, voor een deel tennbsp;gevolge der werkzaamheden, waarmede de oeconoom zichnbsp;volijverig belastte, beneden het gewone cijfer bleef, ennbsp;dat in weerwil van den hoogen prijs der meeste levensmiddelen, door spaarzaam overleg de post voor voedingnbsp;slechts weinig buiten verhouding der verpleging gestegen is.
Vergelijken wy nu de ontvangsten en uitgaven, dan blijkt, dat de dienst van 1875 een voordeelig saldo vannbsp;f 590.83®, die van 1876 op nieuw van ƒ 942.94 heeftnbsp;opgeleverd.
Die uitkomst is verblijdend.
Levert de vooruitgang van het kapitaalfonds in 1876 evenveel stof tot tevredenheid? Het antwoord moet ontkennend luiden. Uit den aard der zaak is het kapitaalfondsnbsp;zonder buitengewone aanwending ieder jaar stijgende.nbsp;Het keert alleen zijn rente uit aan het verplegings-fonds en ontvangt als haten alle bijdragen, die niet alsnbsp;jaarlijksche geschonken worden. Zij ontbreken ook in hetnbsp;afgeloopen jaar niet. Zoo hadden wij het voorrecht Jonk-vrouwe Bogaers van Portenge, uit Rotterdam,nbsp;met een bijdrage van ƒ 300, als bestuurderesse te mogennbsp;inschrijven en ontvingen door tusschenkomst van dennbsp;Heer Pieterson, te Oosthroek, eene gift van ƒ 100.nbsp;Wiglen Mejufvrouw Rosa Mendes, te Amsterdam,nbsp;eene dankbare patiënte, die reeds meerdere blijken vannbsp;sympathie gegeven had, schonk haar de opbrengst eenernbsp;verloting, ten bedrage van / 150, en onze bestuurdernbsp;Prof. D o ij e r, te Leiden, bedacht haar op nieuw metnbsp;een gift van ƒ 50, terwijl, vooral door tusschenkomstnbsp;van onzen geachten correspondent te Enschedé, nog eennbsp;aantal kleinere giften, tot een gezamenlijk bedrag vannbsp;ƒ 120, als giften voor eens in het kapitaalfonds vloeiden.
-ocr page 21-Maar de totale aanwinst van dit fonds steeg toch niet veel hooger dan tot f 600. Aan alle edele gevers zijnbsp;gelijkelijk onze dank gebracht! Het zij ons vergund,nbsp;daarbij de hoop uit te drukken, dat een volgend jaarnbsp;het kapitaalfonds, waarin wij den éénigen zekeren waarborg vinden voor den bloei en de ontwikkeling onzernbsp;stichting, op een grooteren vooruitgang zal mogen bogen.
Overigens was het afgeloopen jaar niet ongelukkig in het aanwinnen van jaarlijksche bijdragen. Niet mindernbsp;dan 56 nieuwe begunstigers mochten wij in ons albumnbsp;inschrijven, dank vooral de welgeslaagde bemoeiingennbsp;van onze te Middelburg gevestigde Commissie en vannbsp;den nieuwen correspondent, dien wij in den Burgemeesternbsp;van Tilburg mochten aanwinnen.
Onder de nieuwe begunstigers trof ons de naam van den Heer J. J. Cremer, te ’s Hage, die door een gewonenbsp;jaarlijksche bijdrage ons scheen te willen doen vergeten,nbsp;hoe vaak hij op onbekrompen wijze zijn zeldzaam talentnbsp;aan de belangen onzer stichting had dienstbaar gemaakt.nbsp;Maar den Eegenten en Bestuurderen van Utrecht stondennbsp;die bewijzen van sympathie voor de instelling, wiernbsp;bloei en ontwikkeling ook hun ter harte gaat, levendignbsp;voor den geest, en van hunne dankbare waardeering hebben zij den gevierden schrijver, bij gelegenheid van zijnnbsp;zilveren huwelijksfeest, een klein bewijs willen aanbieden.nbsp;Zij drukten daarbij den wensch uit, dat hij nog eennbsp;reeks van jaren, in het gelukkig bezit zijner dierbarenbsp;betrekkingen, lust en kracht mocht behouden, om denbsp;bezielde taal zijner Muze te doen hooren, tot roem ennbsp;eer der Nederlandsche letterkunde en tot veredeling vannbsp;het Nederlandsche volk, dat zoo gaarne naar haarnbsp;luistert.
-ocr page 22-Die kleine hulde te mogen brengen aan onzen O rem er was hun een groote voldoening. Zij vormde een gelukkige tegenstelling met het weemoedige gevoel, datnbsp;zoo vaak ons reeds bezielde hij het huldigen der verdiensten van mannen, die de dood ons had ontrukt. Ook ditnbsp;jaar hebben wij het verlies te betreuren van een onzernbsp;meest gewaardeerde Stichters, die, als Secretaris der Am-sterdamsche Commissie, getrouw en onvermoeid de belangennbsp;onzer instelling behartigde. Ik bedoel mijnen hooggeschattennbsp;vriend, den Heer A. B. van der Vies. Heeds bg denbsp;stichting volijverig voor onze instelling werkzaam, hieldnbsp;hij niet op, haar bewijzen te geven van zijne sympathie,nbsp;die ik, als zoovele biijken ook zijner vriendschap, opnbsp;hoogen prijs stelde. Zijne nagedachtenis zal hier in dankbaar aandenken blijven. Wij achten het een voorrechtnbsp;te mogen vermelden, dat de Heer Otto van der Viesnbsp;zich bereid verklaarde, de plaats van zijn waardigen vadernbsp;in de Amsterdamsche Commissie in te nemen. De hoofdstad heeft thans hare eigen inrichting voor ooglijders ,nbsp;aan het hoofd waarvan wij onzen vriend en oud leerlingnbsp;Dr. Gunning geplaatst zien. In haren toenemendennbsp;bloei zullen wij ons oprechtelijk verheugen en achtennbsp;het een eersten plicht, hare belangen den liefdadigen zinnbsp;der ingezetenen van Amsterdam aan te bevelen. Maarnbsp;toch vertrouwen wij, dat de hoofdstad van Nederland,nbsp;genoemd en geroemd als de milddadige bij uitnemendheid,nbsp;hare hand ook niet onttrekken zal aan onze stichting,nbsp;die zich op den duur als eene Nederlandsche tracht tenbsp;handhaven.
In dit haar karakter blijve zij der belangstelling van het geheele Nederlandsche volk aanbevolen.
-ocr page 23-Ophthalmia catarrhalis . nbsp;nbsp;nbsp;,........122
„ nbsp;nbsp;nbsp;granulosa...........82
„ nbsp;nbsp;nbsp;blennorrhoïca......... 1
„ nbsp;nbsp;nbsp;diphtherina ......... 1
Ophthalmia sorophulosa..........161
Sphacelus corneae........... . nbsp;nbsp;nbsp;5
Ulcus cum hypopyo...........16
Ulcus corneae (keratitis)..........92
Irido-keratitis .............1
Prolapsus iridis.............4
Synechia anterior............20
Keratitis diffusa.............13
Staphyloma corneae et nbsp;nbsp;nbsp;staphyloma scleroticae an terms 11
Synechia posterior . nbsp;nbsp;nbsp; ..........15
Atresia pupillae en irido-chorioiditis......18
Sclerotitis anterior en nbsp;nbsp;nbsp;episcleritis.......10
-ocr page 24-18
Cataracta senilis,........'...lli
congenita........ .... nbsp;nbsp;nbsp;16
„ nbsp;nbsp;nbsp;pyramidalis .nbsp;nbsp;nbsp;nbsp; 2
„ nbsp;nbsp;nbsp;diabetica. ...........1
„ secundaria.......... . nbsp;nbsp;nbsp;6
„ nbsp;nbsp;nbsp;mollis.............8
., nbsp;nbsp;nbsp;traumatica...........5
Obscuratio corporis vitrei..........3
Retinitis (apoplectica, nbsp;nbsp;nbsp;luëtica) ...nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;....nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;5
„ nbsp;nbsp;nbsp;e morbo Brightii.........1
„ nbsp;nbsp;nbsp;pigmentosa (hemeralopia)......9
Solutio retinae.............12
Mergvlammen. nbsp;nbsp;nbsp;’..... 2
Glaucoma ... nbsp;nbsp;nbsp;¦nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;,.......14
Amblyopia congestiva...........26
„ et amaurosis cum papilla alba .... nbsp;nbsp;nbsp;37
„ gravidarum.........• nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1
Spasmus clonicus palpebrarum........3
Anophthalmos. . nbsp;nbsp;nbsp; 16
Corpora aliena . ........... . 45
Paresis muscularis (strabismus paralyticus, ptosis
paralytica et mydriasis nbsp;nbsp;nbsp;paralytica)...... 1
-ocr page 25-19
Entropion en dystichiasis..........6
Abscessus palpebrae........ • nbsp;nbsp;nbsp;•nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;4
Blepharadenitis .............3o
Dacryocystitis (obstructie nbsp;nbsp;nbsp;ductus lacrymalis) ...nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;35
Exanthema faciei et palpebrarum.......2
Asthenopia accommodativa......- nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;20
Astigmatismus . . •..........51
Anisometropie. ... nbsp;nbsp;nbsp;.........13
Herpes zoster trigemini nbsp;nbsp;nbsp;•.........1
Atrophia retinae.............
Neoplasma conjunctivae et bulbi.......1
Abscessus orbitae............1
Paresis oculo-motorii...........2
Coloboma chorioideae ........... nbsp;nbsp;nbsp;2
Coloboma iridis congenita..........2
Herpes corneae.............
Cyste in de oogkamer. ..........1
Gekeurd voor spoorwegen.........270
-ocr page 26-Extractie van cataract..........48
Lineair extracties............15
Puncties van cataract...........23
Nastaar-operaties.............7
Staphyloma-operatie...........8
Pterygium. . nbsp;nbsp;nbsp; 2
Entropion-operatie............26
Exstirpatio bulbi . nbsp;nbsp;nbsp;•..........11
Kapselklieving .............14
Ptosis ............... . nbsp;nbsp;nbsp;1
Cyste der oogkamer...........1
251
-ocr page 27-STIC HTERS-BESTUURDERS.
Jonkvr. Bogaers van Portenge.
STICHTERS.
N. N. door den Heer Pieterson.
BEGUNSTIGERS.
F. H. Coblijn.
Mej. E. M. A. Ie Clercq.
Jhr. Mr. M. M. van Aseb van Wijek.
Mr. O. M. Blanokenbagen.
Jonkvr. C. J. C. van der Muelen.
M. P. Vlamingb Eiebêrt.
Mevr. ter Haar geb. van Voorst.
Douair. H. A. M. Junius van Hemert- Taets van Amerongen.
Ds. W. A. Boland.
Mevr. de wed. I. G, Heesen geb. Boland.
P. Driesen.
Jhr. J. van den Bosch.
M. A. van Maanen.
E. nbsp;nbsp;nbsp;J. Idenburg.
Mr. C. H. F. A. Hooft Graafland.
J. nbsp;nbsp;nbsp;G. Hagen.
H. nbsp;nbsp;nbsp;I. H. van der Heijden.
K. nbsp;nbsp;nbsp;van Wieringen Jr.
Wed. I. Tennissen.
B. H. J. F. Entz.
Mr. E. H. Karaten.
F. nbsp;nbsp;nbsp;C. H. Baron van Tuijll van Serooskerken.nbsp;Mevr. de wed. Andresen.
I. nbsp;nbsp;nbsp;A. A. Fransen van de Putte.
F. van Heel.
Botterdam.
Oost broek
Utrecht.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
Dinxperloo.
id.
Leiden.
de Bildt.
Breukelen.
Jutphaas.
id.
Mijdrecht.
id.
id.
Meppel.
id.
Arnhem.
id.
Oostbroek.
Goes.
id.
Mr. A. M. Becius.
Mr. A. J. van Eekelen.
Mr. J. P. J. Buteux.
Mr. J. de Fremery.
Mej. M. J. Bomme.
W. C. L. Eitterliausen.
Mevr. Wed. Mr. E. G. Boesses geb. Faick. Mr. O. W. Star Wuman.
Mr. G. I. M. van Voorthuyzen.
Mr. I. P. K, Tak van Poortvliet.
Mevr. S. de Brouwer van Hoogendorp.
J. Dubbeldam.
J. F. Jansen.
J. H. A. Diepen.
A. A. Mutsaers.
J. A. A. Eerstens.
C. Swagemakers.
H. Swagemakers.
H. Lommen.
C. Eras.
J. Mutsaers.
0. Vreede d’Abel.
Henri F. W. van der Voort.
Mevr. H. van der Voort Camauër.
J. B. Brouwers.
Mevr. de wed. P. P. Pollet.
André J. van Spaendonck.
F. nbsp;nbsp;nbsp;L. van Spaendonck.
E. Janssens de Horion de Corby.
G. nbsp;nbsp;nbsp;Mombers.
GIFTEN VOOR EENS.
Mej. £. Mendes.
Prof. Doijer.
Jhr. Steengracht van Duivenbode.
H. Hope Loudon.
N. W.
Middelburg.
id.
id.
id.
id.
’s Hage. id.nbsp;id.nbsp;id.nbsp;id.nbsp;id.
Ammerstol.
Tilburg.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
id.
Amsterdam.
Leiden.
id.
Utrecht.
Bildt.
DOOR
F. C. DONDERS.
Bij iedere bepaling van de grenzen des gezichtsvelds behoort men uit te gaan van een vasten stand, en wel,nbsp;zooals nader blijken zal, van den primairen stand vannbsp;hoofd en oogen. Ten behoeve mijner bepalingen begonnbsp;ik dus met dien stand op te zoeken, daarop gebruiknbsp;makende van den hoofdhouder met bewegelijk mondstuk,nbsp;die bij de proeven van Mulder over parallelle draaibe-wegingen ons goede diensten had bewezen 1).- Was hetnbsp;mondstuk, nadat ik mij n gebit daarin had afgedrukt, eenmaal goed geplaatst, dan had ik de moule slechts tusschennbsp;de tanden te nemen, om telkens den primairen stand weernbsp;te vinden. Nu werd een perimeter-boog aangebracht,nbsp;van 90quot; naar de eene en 110° naar de andere zijde, ennbsp;wel zoo, dat in de positie, die de hoofdhouder gaf, hetnbsp;krommingsmiddelpunt met het voorste knooppunt van mgnnbsp;rechter oog samenviel. Bij het fixeeren van het nulpuntnbsp;van den perimeterboog was nu ook de primaire standnbsp;voor het oog gevonden. Het linker oog werd met eennbsp;platten dop bedekt. Na eenige oefening is men zeker,nbsp;de gezichtlijnen evenwijdig te stellen, zooals voor dennbsp;primairen stand gevorderd wordt.
IJ Verg. Onderzoekingen. 3e reeks. D, III bl. 129.
-ocr page 32-De bepalingen geschiedden in de richtingen naar boven en beneden (0° en 180°), naar de temporaal-en mediaan-zijde (90° en 270°), en voorts, weer te beginnen met0°,nbsp;in alle richtingen van 20 tot 20 graden. Het gezichts-teeken was een smal strookje krijtwitpapier, loopende overnbsp;het midden van den boog. Om het op de uiterste grenzennbsp;van het gezichtsveld te ontwaren, moet het vlak van dennbsp;boog goed zwart en het gezichtsveld in zijn geheel vrijnbsp;donker zijn; wordt dan het teeken nabij de grens stootsgewijs heen en weer gebracht, dan vindt men spoedig zoowelnbsp;de punten, waar het zichtbaar , als waar het nog nietnbsp;zichtbaar wordt, en resp. bij het terugtrekken al of nietnbsp;verdwijnt. De onzekerheid bedraagt zoodoende in de meestenbsp;richtingen minder dan een hal ven graad, mits — men denbsp;neiging heeft leeren overwinnen, om het oog naar denbsp;zpde te bewegen, van waar men het teeken verwacht.
Met evenwijdige gezichtslijnen waarnemende, is mijn rechter oog licht hypermetropisch (0.5 dioptrie), voor denbsp;Peripherie zeker in hoogeren graad. Dientengevolge kannbsp;bet gezichtsteeken in zijn verstrooiingsbeeld wel iets tenbsp;vroeg zichtbaar worden; maar, terwijl wij de gevondennbsp;grens op den perimeter-boog met den rand van het gezichtsteeken afiezen, laat zich compensatie wachten.
Het onderzoek geschiedde in een der hoeken van de kamer, in de richting van hare diagonaal, tusschen tweenbsp;wanden, die nabij den hoek ieder een venster hebben :nbsp;lag het gezichtsteeken rechts, dan bleef alleen het linksnbsp;gelegen venster open, en omgekeerd.
In de eerste reeks van bepalingen, was degezichtslijn op 0° gericht, dus horizontaal en loodrecht op de grondlijn.nbsp;Bij die richting is beperking van de zijde der deelen-, dienbsp;de orbita omringen, mogelijk. Men heeft slechts de oogledennbsp;en de wenkbrauwen op te trekken, om zich te overtuigen,
-ocr page 33-dat, alvast in de richting naar hoven, dergelijke beperking werkelijk bestaat. Zij geeft dus de relatieve grenzen vannbsp;’t gezichtsveld in den primairen stand.
In een tweede reeks werd de gezichtslijn zooveel graden naar de tegengestelde zijde gericht, dat beperking doornbsp;de omringende deelen was uitgesloten. Alléén in de richtingnbsp;naar hoven gaf het actief of passief optrekken der wenkbrauwen en oogleden dan nog een kleine uitbreiding aannbsp;het gezichtsveld Met die uitbreiding werd de grens opge-teekend : want om de absolute grenzen was het ons in dezenbsp;reeks te doen. In onderstaande tabel heb ik naast mijnenbsp;resultaten die van Aubert geplaatst, waarop ik laternbsp;terugkom.
|
lichting. |
DONDERS. |
AUBERÏ. | ||
|
I. Relatieve nbsp;nbsp;nbsp;11. Absolute grenzen. |
I. Relatieve II. Absolute grenzen. | |||
|
0“ |
33“ —42“ |
67 |
45° |
50° |
|
ao'' |
35-5—47° |
72,5 |
45° |
55° |
|
40° |
44 —56’ |
85 |
45’ |
60 |
|
60’ |
57“ —73° |
97,5 |
60’ |
75° |
|
80“ |
101“5° |
102’ |
75° |
85° |
|
U0“ |
103“5 |
lOS’S |
90“ |
90° |
|
100’ |
102°5 |
]03’5 |
85° |
90° |
|
120’ |
95’ |
96°5 |
85“ |
95quot; |
|
140’ |
94’ |
95’ |
80“ |
85° |
|
160“ |
85“ |
85°5 |
70“ |
70“ |
|
180° |
68' |
69’ |
55* |
60“ |
|
200' |
62°5 |
64° |
55-» |
67“ |
|
220“ |
53° |
60° |
58“ |
60' |
|
24'J ’ nbsp;nbsp;nbsp;. |
56 5 |
60°5 |
47“ |
55“ |
|
260’ |
58“5 |
59 |
55“ |
55“ |
|
270' |
60 5 |
00°5 |
65quot; |
55* |
|
280“ |
56 5 |
57’5 |
55“ |
55“ |
|
300' |
40 5 45 ' |
58 5 |
55quot; |
65“ |
|
320’ |
34’5 39° |
58''5 |
45“ |
55“ |
|
340° |
32“ 40° |
60° |
45quot; |
55“ |
Onderstaande figuur 1 veraanschouwelijkt de uitkomsten,
voor mijn rechter oog verkregen. Een blik daarop overtuigt ons, dat de absolute grenzen (buitenste lijn) naar denbsp;beide zijden en naar beneden nauwelijks van de relatievenbsp;(binnenste lijn) afwijken, en, bij gevolg, in een nauwnbsp;verband staan met de omringende deelen van het oog,nbsp;zooals deze zich in den primairen stand voordoen. Wordtnbsp;naar boven van 300“ tot 60“ het gezichtsveld door denbsp;omringende deelen beperkt, wij mogen niet voorbijzien,nbsp;dat we hier met bewegelijke deelen te doen hebben. Denbsp;oogleden willekeurig optrekkende, breidt men de grenzennbsp;van ’t gezichtsveld uit. Keeds in den primairen standnbsp;nader ik daarmede tot de absolute grenzen en bereik ze
-ocr page 35-volkomen bij benedenwaarts gericht blikvlak. Het verband tusscben relatieve en absolute grenzen schijnt dus voor de richting naar beneden met opgetrokken oogledennbsp;te gelden. Onwillekeurig ontstaan daarin belangrijkenbsp;wijzigingen. De speling, die men bij 0“, 20quot;, 40°, 60quot;,nbsp;voorts bij 300°, 320° en 340° vindt opgeteekend, is louternbsp;afhankelijk van de gemoedsstemming, waarbij de bepalingen op verschillende dagen en uren werden verricht. —nbsp;Met een woord zij er op gewezen, dat onder 220° ennbsp;240° van den neus eenige beperking uitgaat. De grondnbsp;daarvan zal ons later duidelpk worden 1).
Zooals verder blijkt uit de tabel, strekt mijn totaal gezichtsveld in horizontale richting zich over 2X103°5 =nbsp;207° uit. Bij het zien op afstand bedraagt het binoou-laire zien 2X60°5 = 121°. Aan iedere zijde blijft dusnbsp;103quot;.5 — 60°5 = 43° over, waar het gezichtsveld mono-culair is en correspondeerende punten der netvliezen werkelijk ontbreken. Schuiven de twee monoculaire gezichtsvelden door divergentie over elkander, dan wordt hetnbsp;totale naar beide zijden grooter; maar alle binoculair ziennbsp;met correspondeerende punten is opgeheven. Schuiven zenbsp;over elkander met convergentie, dan wordt het totalenbsp;kleiner; maar voor het binoculair zien van verwijderdenbsp;treedt dat van nabijgelegene in de plaats 2). Is, zooals
1) nbsp;nbsp;nbsp;Het heeft zijne belangrijke zijde, die verschillen onder verschillende omstandigheden na te gaan. De vorm van het relatievenbsp;gezichtsveld geeft aanwijzingen voor de formatie van het aangezicht, zijne uitgebreidheid vooral voor de diepte-ligging der oogon.
2) nbsp;nbsp;nbsp;A.eoommodatie voor de nabijheid en grootte en ligging dernbsp;pupil zijn zeker niet geheel zonder invloed op de grenzen vannbsp;’t gezichtsveld. Het uitpuilen der oogen, aan gezegde accommodatie verbonden (verg. Onderzoekingen 2e reeks. D. III.nbsp;bl, 298), kan de waarden der eerst? reeks iets verhoogcn,
-ocr page 36-gewoonlijk, het blik vlak daarbij naar beneden gericht, dan wordt het binocnlaire gezichtsveld door den neusnbsp;beperkt, — des te meer, hoe sterker de convergentie. Metnbsp;toenemende convergentie laat men het hlikvlak daaromnbsp;weder stijgen, en nu is het opmerkelijk, dat, althansnbsp;voor mijn oogen, zoodanig stijgen tevens voor het samenvallen der schijnbaar horizontale meridianen in hethorop-tervlak gevorderd wordt 1). Blijkbaar kunnen dus ooknbsp;de rolbewegingen van het oog zich in harmonie met denbsp;grenzen van het binocnlaire gezichtsveld ontwikkelen.nbsp;Overigens beantwoorden de grenzen van het gezichtsveldnbsp;in het algemeen aan de eischen voor de veiligheid onzernbsp;lichaamsbeweging. In den primairen stand wordt de bodemnbsp;voor ons zichtbaar, waar we bij de eerstvolgende schredenbsp;den voet zetten, en zelfs bij matig gebogen hoofd vallennbsp;voorwerpen, waartegen wij het hoofd zouden kunnennbsp;stoeten, nog binnen het gezichtsveld. Alléén wanneer wenbsp;in de nabijheid zien, richten wij het hlikvlak sterk naarnbsp;beneden; maar wij plegen daarbij te staan of te zitten ennbsp;kunnen dus een uitgebreid gezichtsveld naar boven nu ontberen. Wat aangaat de horizontale richting, herkennen wenbsp;het terrein steeds voldoende, om zonder gevaar zijdelings uitnbsp;te wijken. En reikt bij vele dieren het gezichtsveld verdernbsp;naar achteren dan bij den mensch, wij zijn niet gewoon onsnbsp;ruggewaarts te bewegen, noch als vele dieren gedwongen,nbsp;steeds tegen een dreigenden vijand op onze hoede te zijn;nbsp;trouwens, door eenig geluid opmerkzaam gemaakt, ziennbsp;we door draaiing van hoofd en oogen ook snel in iedere
en verwijding der pupil kan in de tweede reeks de randen van een verstrooingsbeeld iets vroeger zichtbaar maken. Maar voorshands zou een nadere analyse van dien invloed geen belang wekken.nbsp;1) Vergelijk Onderzoekingen. 3lt;gt;e Eeeks D. IV. bl. 93.
-ocr page 37-richting achter ons. — Zoover de grenzen van ’t gezichtsveld reiken, roept tevens het indirecte zien den blik op ieder buitengewoon verschijnsel, en onze behoeften uitnbsp;dit oogpunt strekken zich wel niet verder uit dan denbsp;eischen voor de veiligheid onzer beweging.
Den grond van alle zoodanige betrekkingen vind ik in de wet van oefening, zooals zij in 1848 door mijnbsp;werd ontwikkeld, zonder voorbij te zien, dat ook natunr-keus daarop haren invloed kan doen gelden.
In hoeverre de grenzen van ’t gezichtsveld bij anderen door de omringende deelen mogen beperkt worden, kannbsp;ik niet met voldoende nauwkeurigheid beoordeelen. Bepalingen ontbreken niet. [Jschakoff 1) geeft zelfs denbsp;verschillen dier beperking aan voor verschil van refractie-toestand, en Dobrowolsky 2) gaat reeds een stapnbsp;verder en meent van die verschillen te kunnen rekenschapnbsp;geven. Maar het is mij niet gebleken, dat bij die bepalingennbsp;zorg was gedragen voor het waarnemen in den primairennbsp;stand en voor het uitsluiten van bewegingen van hetnbsp;hoofd. Dit is intusschen een eerste voorwaarde voor eennbsp;betrouwbaar resultaat. Wordt het hoofd te veel gebogennbsp;of opgericht, het aangezicht zijdelings gewend, zoo gaatnbsp;de fout in haar geheel op de uitkomsten der eerste reeksnbsp;over: die fout kan verscheidene graden bedragen. En opnbsp;de bepalingen der tweede reeks doet zij zich alvast in zooverre gevoelen, als bij het richten der gezichtslijn buitennbsp;het nulpunt van den boog de correspondeerende meridiaannbsp;van het oog van richting verandert, en de meridiaan,nbsp;waarin de meting wordt volbracht, dus niet de bedoelde
1) ]S agel’s Jahreebericlit über 1870. S. 131. 2^ Klinische Monatahlatter. B. X. S 159,
-ocr page 38-is. De bepalingen voorts van Landolt zijn reeds daarom voor mijn doel onbruikbaar, omdat hij de blinde vleknbsp;tot centrum maakte. Daaraan is het wel hoofdzakelijknbsp;toe te schrijven, dat hij naar de mediaanzijde de grootenbsp;beperking vond, waarop Aubert opmerkzaam maakte. Zoonbsp;blijven ons alléén de uitkomsten over, door Pörster opnbsp;het rechter oog van Aubert verkregen. Of bij die bepaling het hoofd gefixeerd werd en wel in den primairennbsp;stand, vind ik niet vermeld. Ook zijn de uitkomsten tenbsp;veel in vijftallen van graden aangegeven, om te kunnennbsp;aannemen, dat het daarbij om de grootste nauwkeurigheidnbsp;te doen was. Maar in de hoofdzaak stemmen de uitkomstennbsp;toch geheel met de mpne: geen beperking hoegenaamd doornbsp;de omringende deelen in den horizontalen meridiaan, aanzienlijke beperking alléén in de richting naar boven. Dienbsp;overeenstemming heeft des te grooter beteekenis, omdat ernbsp;een groot verschil is in de uitgebreidheid van ons gezichtsveld , bedragende, in den horizontalen meridiaan, bijnbsp;Aubert slechts 145°, bij mij niet minder dan 164°.nbsp;Dus, onder zeer verschillende beperking door de omringende deelen, telkens zoodanige absolute grenzen als metnbsp;die beperking in overeenstemming zijn! Het verband isnbsp;alzoo niet twijfelachtig. Ten overvloede heb ik nog bepalingen gedaan op een vijftal personen omtrent de grenzennbsp;in den horizontalen meridiaan (90° en 270°) , met zooveelnbsp;nauwkeurigheid als mogelijk was, zonder den primairennbsp;stand rechtstreeks op te zoeken. Er werd, namelijk, gezorgd , dat het knooppunt van het oog met het krommings-middelpunt van den perimeterboog genoegzaam samenviel,nbsp;en aan het hoofd zoodanige stand gegeven, dat de horizontale meridiaan door het meest wijkende gedeelte van dennbsp;neuswortel ging: inderdaad schijnt dit voor den primairennbsp;stand te gelden. De handen van achteren tegen de slapen
-ocr page 39-leggende, trachtte men nu verder het hoofd van den onderzochten persoon zóó te draaiien, dat de gezichtslijn loodrecht op de grondlijn kwam te staan. De uitkomsten zijn zeer bevredigend:
|
Hamen |
Gebnzen bij 90“ |
Geenzen |
BIJ 270“ | |
|
relatieve. |
absolute. |
relatieve. |
absolute. | |
|
Bouvin. .... |
1U2. |
102. |
61. |
61. |
|
Goenee. .... |
102. |
102. |
61. |
60. |
|
ten Bosek. . nbsp;nbsp;nbsp;,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. |
102 |
102. |
61. |
61. |
|
Baling..... |
104. |
105. |
62.5 |
62.5 |
|
Verhüefi' .... |
97. |
97. |
53. |
54. |
Opmerkelijk is, dat bij Verhoeff, die diepliggende oogen heeft, evenals bij A u b e r t, de kleine relatievenbsp;uitbreiding door de absolute ook weder niet overschreden
Alvorens nu naar den oorsprong te vragen der absolute grenzen van het gezichtsveld, in verschillende richting , hebben wij te onderzoeken, of ook de grenzen van het netvlies aan die absolute grenzen beantwoorden. Wij
willen dit in het byzonder nagaan voor den horizontalen meridiaan.
Van verschillende zijden ia opgemerkt, dat het netvlies, gerekend tot de ora serrata, aan de mediaanzijde zich verder naar voren uitstrekt dan aan de temporaalnbsp;zijde, en onder anderen heeft U scha kof f daarin dennbsp;grond willen vinden van het verschil in uitgestrektheidnbsp;van het gezichtsveld in de daaraan beantwoordende richtingen. Op een paar oogen heb ik mij overtuigd, dat,nbsp;gerekend van den rand van het hoornvlies, het netvliesnbsp;aan de mediaanzijde werkelijk 0.5 tot 1 m. m. meer naar
-ocr page 40-voren reikt dan aan de temporaalzijde. Bovendien ligt, in liet emmetropische oog, de fovea centralis van het netvlies ongeveer 1.3 m. m. temporaalwaarts van het punt,nbsp;waar de hoornvliesas het netvlies snijdt. Het netvliesnbsp;vormt dus, van de fovea tot aan de ora serrata, aan denbsp;temporaalzijde een korteren hoog dan aan de mediaan-zijde. Maar het verschil bedraagt wel niet meer dan 2nbsp;m.m., en dit bedrag wordt uit het knooppunt onder eennbsp;hoek van slechts 12° a 13° gezien. Hiermede wordt dusnbsp;geen rekenschap gegeven van een verschil van meer dannbsp;40“ tusschen de uitgestrektheid van het gezichtsveld naarnbsp;de mediaan- en de temporaalzijde. Deze uitkomst voertnbsp;tot het besluit, dat het netvlies aan de temporaalzijde,nbsp;gerekend van de ora serrata, over een uitgestrektheidnbsp;van verscheidene millimeters ongevoelig is.
Ik wenschte mij hiervan nu ook op directe wijze te vergewissen.
Te dien einde onderzocht ik in de eerste plaats, onder welken hoek met de gezichtslijnen men van de temporaal-en van de mediaanzpde met den oogspiegel uit den fundusnbsp;oculi gereflecteerd licht kan waarnemen. Hierbij bevondnbsp;het onderzochte oog zich eenige c.M. boven het krom-mingsmiddelpunt van den perimeterboog en fixeerde innbsp;horizontale richting een punt boven het nulpunt van dennbsp;boog, terwijl de oogspiegel op gelijke hoogte boven dennbsp;perimeterboog verschoven werd. Op deze wijze werden denbsp;grenzen spoedig gevonden. Natuurlijk moest voor hetnbsp;onderzoek naar de mediaanzijde het aangezicht voldoendenbsp;naar dien kant gedraaid worden, maar bleef toch de ge-zichtslijn op 0quot; gericht. Bij Dr. Bouvin vond ik vannbsp;de mediaanzijde reflexie tot 76“, van de temporaalzijdenbsp;tot 86“: dus resp. (76“ — 61“ —) 15quot; verder ennbsp;(86— 102nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;16quot; minder ver dan het gezichtsveld reikt.
-ocr page 41-Bij Goenee werd van de mediaanzijde tot 78“ a 79®, van de temporaalzijde tot 94° het gereflecteerde lichtnbsp;waargenomen, naar de mediaanzijde dus 18“ verder,nbsp;naar de temporaalzijde 10“ minder ver dan de voor hetnbsp;gezichtsveld gevonden grenzen (zie hl. 323). De bepaling was geschied in betrekking tot de gezichtslijn:nbsp;om over symmetrie van het oog te kunnen oordeelen,nbsp;moest zij tot de hoornvliesas worden teruggehracht. Bijnbsp;Dr. Bouvin nu bleek hoek y 4“.5, bij Goenee 7“.5nbsp;te bedragen 1). Met deze correctie worden de grenzennbsp;voor Bouvin tot 76 4.5“ —80“ 5 en tot 86 - 4..5 —nbsp;8l“.5 teruggehracht, voor Goenee tot 94“ - 7“.5 —nbsp;8G“.5 en tot 78.5 7°5 = 86“. Het blijkt dus, datnbsp;aan beide zijden der hoornvliesas het door den fundusnbsp;oculi teruggezonden licht ongeveer onder gelijke hoekennbsp;merkbaar wordt, van de mediaanzijde aanmerkelijk verder,nbsp;van de temporaalzijde minder ver dan het gezichtsveld reikt.
In de tweede plaats onderzocht ik, hoever van den rand der cornea ik drukken moet, om phosphène op te wekken,nbsp;en in welke richtingen zich deze dan vertoont. En hetnbsp;bleek daarbij, dat die afstand aan de temporaalzijde ongeveernbsp;4 millimeters grooter zijn moet, dan aan de mediaanzijde,nbsp;en dat de richtingen, waarin ze zich projiciëeren, aan denbsp;grenzen van het gezichtsveld beantwoorden. In dennbsp;primairen stand valt bij temporale drukking de phosphène juist met den neuswortel samen , en komt bij nasalenbsp;drukking blijkbaar minstens 100“ naar buiten te voorschijn.nbsp;Eeer leerzaam is het gelijktijdig opwekken van de uiterstenbsp;temporale phosphène op het eene en de uiterste nasale op hetnbsp;andere oog: men overtuigt zich daarbij, dat de eerste zich
l) V is de hoek lusschen de gezichtslijn en de normaal op het midden der cornea, in den regel nauwelijks afwijkende van dennbsp;hoek ci tusBchen de gezichtslijn en de lange as.
-ocr page 42-30°a 40° verder van het mediaanvlak uitstrekt dan de laatste. Ik trachtte verder de grens op het eene oog door een directnbsp;beeld of nabeeld, die op het andere door phosphène tenbsp;vinden, en door vergelijkende projectie den hoek nauwkeurig te bepalen, maar verkreeg geen scherper uitkomstennbsp;dan met de twee phosphènes. Afdoende waren ze intus-schen in allen deele.
Eindelijk wenschte ik de netvliesbeelden zelven te bezigen.
Eicht men het oog een weinig naar buiten, dan ziet men aan de nasaalzijde het beeld eener sterk naar buitennbsp;gehouden vlam, vooral bij blonde individuen, door denbsp;sclera heenschemeren. Men kan voor lederen hoek, waaronder het licht invalt, den afstand meten van het beeldnbsp;tot aan den rand der cornea. Maar aan de temporaalzij denbsp;is in gewone gevallen het beeld niet te zien: draaitnbsp;men het oog mediaanwaarts, dan belet de neus hetnbsp;excentrisch invallen van licht en draait men het buitenwaarts, dan verbergt zich de sclera achter den buitenooghoek. Zelfs het terugkaatsen der vlam op een kleinnbsp;metalen spiegeltje, bevestigd aan een neusdeksel, dat totnbsp;aan den inwendigen ooghoek reikte, beantwoordde niet aannbsp;het doel. Ik hoopte op geschikte gevallen van exophthalmos , en die lieten zich niet wachten. De Heerennbsp;Grossmann en Mayerhausen hadden de goedheidnbsp;zich met het onderzoek van een van deze te belasten.nbsp;Hun verslag luidt als volgt:
Anamnese. Cornelia Bakker, aus Amsterdam, 20 Jahr alt, war in ihrer Jugend nie krank. Von ihrem lOten Jahre an beoback-tete sie ein starkeres Herrortreten des linken Bulbus. Spiitcrnbsp;steliten sick zeitweise Kopf- und Augensckmerzen ein, an denennbsp;Patientin jetzt nock öfters leidet; doek kann der Beginn diesesnbsp;Debels nicht genau angegeben werden. Die Zunakme der Pro-
-ocr page 43-trasio bulbi war eine ganz allmahliche, und wird angegeben, dass besondera nach langerem „Gehen gegen den Wind” einenbsp;temporare Vermehrung der Protrusion sich einstellt, die jedochnbsp;nach kurzer Zeit wieder verschwindet. In der Familie dernbsp;Franken ist ein ahnlicher Fall nicht bekannt.
Status praesetis. Patientin ist ron blonder Haarfarbe und im allg. gesundem Aeusseren. Der linke Bulbus zeigt eine relativenbsp;Protrusion von 7“'“ (die absolute Protrusion betragt 18mm, mitnbsp;dem S n e 11 e n’sohen Statometer bestimmt). Ausserdem bietetnbsp;die aussere Configuration des Auges durchaus keine Abnormitat.
Tension ist ebenfalls normal. Die Refraction ist für das linke Auge H. 0,5 Ah. 0,75 ( 45°), fiir das rechte z= M 0,5.
Selischarfe betragt für beide Augen fast %.
Das Gesichtsfeld des linken Auges mit dem Förster’solien Perimeter durch Versohiebung des mit einem weissen Papierchen versehenen Keiters in gewöhnlicher Weise mit Fixation auf dennbsp;NMpunkt des Gradbogens gemessen, erstreckt sich in den ganznbsp;normalen Grenzen nach aussen bis 96o nach innen bis 60°.
Wie aus dem Vorhergehenden zu ersehen, konnte also das in Kede stehende Auge in Beeug auf seine Fmihtionen durchaus alsnbsp;ein normales geiten, und die an demselben gefundenen Fesultatenbsp;ohne weiteres auf jedes andere gesunde Menschenauge übertragennbsp;werden, wahrend auf der andern Seite der enorme Exophthalmusnbsp;Messungen möglioh machte, die bei einem in Bezug auf seinenbsp;Lage normalen Bulbus unausführbar sind. Als drittes gliick*nbsp;liches Moment kommt noch die hoi blonden Individuen besteh-ende Pigmentarmut der Hetzhaut und in Folge dessen Diaphanitdtnbsp;der Solera hinzu,
Dieselben oben angegebenen Perimeterwerthe wurden erhalten, wenn anstatt des Ileiterchens eine stark leuchtende Gasflammenbsp;auf dem Perimeterbogen hin- und herbewegt wurde, nur mitnbsp;dem Unterschiede, daas dann auf der temporalen Seite die Flammenbsp;noch bei ca. 106° als ganz difiuses Licht gesehen wurde. Atropi-
nisirung vergrösserte die Breite des Gesichtsfeldes nicht urn einen Orad.
Der mit dem Ophthalmometer nach der Donders ’schen Methode gefundene Werth für Winkel 7 betragt für das protru-dirte Auge 6°.
-ocr page 44-Wurde demnach als Fixationsobject nicht der Nullpunkt des Perimeters, sondern ein 6“ nach rechts gelegener Punkt gewahlt,nbsp;80 daas also die Corneamitte gerade dem Nullpuncte gegenübernbsp;stand, sohatte das Gesichtsfeld auf der temporalen Seite natürlichnbsp;seine Grenze bei 96„ — 6 = 90o, wahrend auf der nasalen Seitenbsp;dieselbe sich bei 60o 6„ = 66o befand.
Da, wie erwiihnt, Patientin blond war, konnte man sehr gut das auf der Retina entworfene Flammenbildchen durch die Scleranbsp;hindurchschimmern sehen und auf dieser die Entfernung desnbsp;Bildohens vom Cornealrande mittelst eines mit Nonius verschenennbsp;Schieberzirkels ziemlioh genau messen, und so auch die einernbsp;Verschiebung der Flamme langs des Perimeterbogens entspre-chende Verschiebung des Bildchens auf dem Bulbus bestimmen.
Diese Sichtbarkeit des Flammenbildchens batte jedoch nach vorn zu eine gewisse Grenze, indem dasselbe, wegen des innbsp;Folge der schlitzförmigen Projection der Pupille geringen ein-fallenden Strahlenkegels allmahlich so lichtschwach wurde, dassnbsp;es nicht mehr deutlioh zu erkennen war, bis es schliesslich ganznbsp;verschwand. Ebenso war den Messungen nach hinten eine be-stimmte Sohranke gesetzt, einerseits, weil die Drehung desnbsp;Bulbus nach der entgegengesetzten Seite natürlich nur bis zunbsp;einem bestimmten Punkte möglich war, anderseits aber dienbsp;Bildchen wegen der auf der Sclera aufliegenden Kecti so schwachnbsp;erschienen, dass sie für eine genaue Messung nicht verwerth-bar waren.
Es steilte sich nun heraus, dass bei der dem Winkel y entspre-chenden Fixation von 6“ nach rechts vom Nullpunkte die 'Entjerumig von der Cornea, in welcher das Bild der Flammenbsp;auf der temporalen Seite noch deutlioh durchschien, 0““ betrug,nbsp;dass jedoch die Flamme hier von der Patientin noch nicht percipirtnbsp;wurde, Dieser Stand des Bildchens entsprach einem Stande dernbsp;Flamme bei 90° der rechten Perimeterhalfte. Erst in einer Entfernung von 12,1““ vom Hornhautrande trat Perception ein,nbsp;und entsprach diese Stelle 66 Perimetergraden. Die Qreme dernbsp;Messbarkeit des Bildes nach hinten lag auf der temporalen Seitenbsp;bei 17““ vom Cornealrande, entsprechend einem Stande dernbsp;Flamme bei 40 Perimetergraden.
Was die nasale Seite betrifi't, so fiel hier das erste deutliche Durchsehetnen des Bildchens mit der Pereeplion der Flamme zusammen
-ocr page 45-und zwar in einer Ertfernung von 8quot;quot;“ rom Hornhautrande , entsprechend der Grenze des Gesichtsfeldes nach der entgegen-gesetzten Seite, namlioh 90 Perimetergraden Die Oreme dernbsp;Messbarkeit des Bildes nach hinten lag jedooh hier schon beinbsp;16,7“quot;», entsprechend einem Stande der Flamme bei 60“ dernbsp;linken Halfte des Gradbogens.
Es braucht wohl kaum erwahnt zu werden, dass, um die Mes-sung der dem hinteren Pole benachbarten Bilder zu ermöglichen, das Auge eine Anzahl Grade naeh der entgegengesetzten Seitenbsp;fixiren musste, und die den Bilddistanzen entsprechenden Grad-entfernungen auf die ursprüngliehe Stellung (namtich Fixationnbsp;6“ nach rechts vom Nullpunkte) reducirt wurden.
Höchst interessant ist übrigens die Symmetrie in dem Standorte der Bildchen, bei einem Flammenabstande einer gleichen Anzahlnbsp;Grade nach beiden Seiten ron dér Cornealmitte,
|
d der Flamme ullpunkt nachnbsp;Und links. |
Die diesem Flammenstande entsprechende Entfernung des Bildchens vom Coruealrandenbsp;der entgegengesetzten Seite. | |
|
temporale Seite. |
nasale Seite. | |
|
60» |
16,3 mm |
16,7 |
|
60“ |
13,2 |
13,6 i““gt; |
|
70“ |
11,2 |
11,6 mm |
|
80° |
9,3 |
9,6 |
|
90“ |
8,01“'“ |
8,0 “'m |
ebereinstimmung der Werthe ist nun allerdings keine so Ul vollkommene; der Dnterschied jedoch betragt immer nurnbsp;Zehntel Millimeter, und kann diese Difl'erenz sehr gutnbsp;6chnung eines bei der grosseren oder geringeren Difiusitatnbsp;^Gnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;begangenen Messfehlers gesetzt werden,
rap iach finden sich diese Verhaltnisse in der beigegebenen g dargestellt. Der Perimeterkreis, dessen Grade verzeichnetnbsp;, st aus dem hinteren Knotenpunkte des Auges hlt;i beschrie-en, er Ort der Bildchen mit dem entsprechenden Flammen-atande am Perimeter durch gerade Linien verbanden.
-ocr page 46-'iO-
eo°
Co
.Sn
7Öquot;
80quot;-
Aus der Figur ergiebt siob, dass die Linien sich alle nahezu in einem Punkte kreuzen, dor etwas tiefer im Auge liegt, alsnbsp;die auB Ophthalmometerbeobachtungen abgeleitete Lage vannbsp;Nur eine Linie kreuzt die Gesichtslinie bedeutend weiter nachnbsp;hinten, namlich die ven 16.7 mm. zu 60°; wahrscheinlich ist der
-ocr page 47-an der anderen Seite gefundene Werth, 15.3 min. zu 50„ der richtige. — Weiter sieht man, dass an der Medianseite dienbsp;Bilder Smm. hinter der Hornhaut sclion merkbar werden, dienbsp;an der Schlafenseite erst 12.1“”“, ein Unterschied van 4.i™“i. —
Een tweede geval leverde mij nagenoeg dezelfde uitkomsten.
Het gold een blonden 17-jarigen knaap, schipper van beroep. In Juli 1856, onder hevige hoofdpijn, eerst meer aanhoudend,nbsp;daarna bij aanvallen, heeft zich aan de rechter zijde amblyopie metnbsp;gezichtsveldsbeperking, aan de linker zijde allengs exophthalmosnbsp;ontwikkeld, die nu, April 1877, sedert 3 maanden stationair,nbsp;misschien zelfs een weinig aan het afnemen was. Dit oog hadnbsp;volle gezichtsscherpte. De grenzen van ’t gezichtsveld warennbsp;eveneens normaal, 100° aan de temporaal, 68“ aan de nasaalzijde,nbsp;en Werden scherp aangegeven. Ook de bewegingen waren, innbsp;Weerwil der belangrijke uitpuiling, weinig gestoord. Het oognbsp;^as emmefropisch. De oogspiegel vertoonde geen afwijkingen,nbsp;hoegenaamd, op ’t rechter (amblyopischj oog daarentegen eenenbsp;famelijk gevorderde atrophia n. optici Door de sclera der blauwenbsp;eogen schemerden aan temporaal- en nasaalzijde de netvliesbeelden eener vlam duidelijk door. De hoek y bedroeg 6°. Hanbsp;correctie, reductie dus der waarnemingen op de hoornvliesas,nbsp;vond ik:
Afstand van hoornvlies.
| |||||||||||||||
|
In onderstaande tabel zijn deze uitkomsten met die van ’t vorige geval vereenigd: |
|
Afstand van hoornvlies. | ||||||||||||
|
Deval.
I.
I.
I.
II.
-ocr page 48-|
18 | |||
|
I. |
66° |
12 1 | |
|
I. |
70° |
11.2 |
116 |
|
II. |
75° |
10.35 | |
|
I. |
80° |
9.3 |
9°.5 |
|
II. |
85° |
8.55 |
8°.6 |
|
I. |
90° |
8 |
8 |
|
II. |
95° |
7°.5 |
De overeenstemming in deze beide emmetropische oogen is trefiend genoeg. Het zou niet onbelangrijk zijn, bij voorkomendenbsp;gelegenheid, de methode ook op myopische en hypermetropisohenbsp;oogen toe te passen. — Dezer dagen zag ik een geval van morbusnbsp;Basedovii, waarop de doorschemerende beelden ook aan de tempo-raalzijde goed te zien waren. Doch aangezien deze oogen emme-tropisch waren, achtte ik het minder noodig, hier ook de liggingnbsp;dier beelden weder te bepalen.
Het kan nu aan geen twijfel meer onderhevig zijn, dat de netvliesbeelden, in betrekking tot het hoornvlies,nbsp;voor gelijke hoeken eene genoegzaam symmetrische liggingnbsp;hebben, en dat de gevoeligheid van het netvlies, gerekendnbsp;van den rand der cornea, aan de temporaal-zijde eerstnbsp;ongeveer 4 mm. meer naar achteren aanvangt dan aannbsp;de nasaal-zijde.
Onderscheidt zich nu het ongevoelige stuk door zijnen bouw ? Het bleek niet, dat met het oog op deze vraag denbsp;nasaal-en temporaalzijde vergeleken waren. Dr. Sattlernbsp;uit Cincinnati, die zich hier met het onderzoek van hetnbsp;netvlies bezig hield, had de goedheid, daarop nu bijzonder te letten, en deelde mij het volgende mede:
Von der Macula nach der Peripherie zu nimmt die Retina allmalig au Dicke ab, bedingt durch eine Abnahme der einzelnennbsp;Schichten. An der Ganglienzellenschicht is dies am ausgepriig-testen, dann an der Nervenfaserschicht und ausseren granulirtennbsp;Schicht: die Elemente der Körnerschiohten haben auch an Zahlnbsp;abgenommen, ebenso auch die der Stabchen und Zapfen, dienbsp;nicht mehr in massenhafter Anzahl verhanden sind.
Mit dieser allmaligen Verminderung der einzelnen Schichten
-ocr page 49-tritt die Stützsubstanz bedeutend an Machtigkeit hervor, ao daea in der Gegend der Ora serrata sie eine Saulen oder-Pallisaden-formige Anordnung annimmt.
Die Ora serrata und angrenzenden Partien warden ron Henle und Heinrich Miiller zuerst genau untersucht. Ersterer con-atatirte namentlich die Forsetzung der Eetina in der Form einernbsp;einfachen Zellenschicht auf die Corona ciliaris. H. M ii 11 e r stimmtenbsp;dieser Ansicht bei und hob hervor dasa die indifferenten Zeilennbsp;der Pars ciliaris eine Fortsetzung der ihrer specifischen Elementenbsp;entkleideten Netzhaut waren. Was das Verhalten der specifischennbsp;Elemente der Netzhaut an und in unmittelbarer Nahe der Oranbsp;betriiFt, fand H. Miiller, dass die sammtlichen Schichten bisnbsp;in die Nahe der Ora so abgenommen haben, dass die Dicke der-selben nur 0,12 bis 0.14 mm. betragt. Nerven und Ganglien-Kugelnnbsp;Bind sehr sparsam geworden. Stabchen und Zapfen sind deutlich,nbsp;wenn auch etwas niedriger geworden. An der Ora selbst ver-diinnt sich die Eetina sehr rasch, wiewohl ohne markirten Absatz,nbsp;zu jener einfachen Zellenschicht. Senkrechten Schnitten durchnbsp;den vorderen Theil der Eetina, hauptsachlich an Augen alterernbsp;Personen, findet man, dass das Auf horen der Eetina oft durchnbsp;jahen Abfall oder hSckerartigen Vorsprung markirt ist und nichtnbsp;Belten in den allervordersten Partien eine geringe Dickenzunahmenbsp;mit Liicken- und Spalten-bildung, Heinrich Miiller schriebnbsp;diesen Befund der Einwirkung der Conservations-Flussigkeitennbsp;zu: von Iwanoff und Merkel wurde dies aber als Alterser-scheinung gedeutet und Oedem der Netzhaut genannt. Dienbsp;Liicken, die unter einander zusammenhangen, sind mit serösernbsp;Flüssigkeit angefüllt und könuen zu einer erheblichen Atrophienbsp;der Netzhaut an den betreffenden Stellen führen. Unter 48nbsp;Greisen-Augen fand Max Schultze 26 mit Oedem der Notz-haut; er erklarte auch, dass dieser Process sich nicht allein aufnbsp;die Ora serrata beschranke, sondern auch an anderen Theilennbsp;der Netzhaut vorkomme.
In unmittelbarer Nahe der Ora in einem sehr beschrankten Eaume lösen sich die bis dahin regelmassig geordneten Elemente der Netzhaut in das engmaschige, saulenartig angeordnetenbsp;Stiitzfaser-Geflecht, welches unregelmassig mit zelligen Elementennbsp;angefüllt ist, auf. Diese sind wahrscheinlich mit den Kornernnbsp;identisch. Eon Pacini werden sie als Ganglien-Kugeln aufge-
2*
-ocr page 50-fasBt. Was nun das Verbal ten der einzelnen Schichten zu einander betrifit, so findet man an senkrechten Durchschnitten ,nbsp;dass NerFenfasern bis an das vorderste Ende gehen und dassnbsp;dort wahrsoheinlioh derselbe Zusammenhang besteht, wie innbsp;den anderen Theilen ziemlich. allgemein angenommen wird.nbsp;An der Ora selbst sind die Wervenfasern schwer zu verfolgen,nbsp;da die limitans interna daselbst einen sehr feinfaserigen Bannbsp;hat. An in Osmiumsaiire erharteten Elachen-praparaten gelangnbsp;dies besser, jedoch auoh unvollsiandig. Wurden aber kleinenbsp;Stiickchen von 1, 2 oder 3 mm. Entfernung von der Ora zerzupft,nbsp;so fand man immer deutliche Nervenfasern.
Gangliënzellen waren schwer nachzuweisen und wurden nur sehr vereinzelt gefunden.
Die aussere granulirte Schicht ersoheint als deutlicher aber statig abnehmender Saum bis an die ausserste Grenze.
Die Eornerschichten naheren sich, indem die einzelnen Ele-mente schon sparlicher geworden, einander mehr undmehr; die aussere granulirte Schicht wird bald zu einem schmalen Saumenbsp;reduzirt und bei der Auflosung der typischen Schichtung ver-schwindet sie ganzlich. Etwas vor der allgemeinen Auflosungnbsp;verschmelzen die beiden Körnerschichten zu einer einzigen Lage.nbsp;Erhartete Durchschnitte wie auoh Zerzupfungs-Praeparate zeigennbsp;ein eigenthiimliches Verballen der Stiitzfasern zu den Körnern.nbsp;Sie scheinen soheidenartige Ueberziige der Eorner zu bilden; oftnbsp;sieht man ein, haufiger aner zwei oder drei Eorner in solchennbsp;saulenartigen Ueberziigen. Weitere Isolation zeigt die Eornernbsp;mit ihren bipolaren Eortsatzen, ihren Zusammenhang unternbsp;einander wie auch den innigen Zusammenhang mit den Zapfennbsp;und Stabchen.
Das Vorhandensein von Stabchen und Zapfen in den aussersten Betinal-ïheilen ist deutlich nachweisbar. Die Anordnung scheintnbsp;ausseist variabel. Max Schultze nimmt an, „dass die Ver-theilung der Stabchen und Zapfen dieselbe bleibt von einernbsp;gewissen den gelben Eleck umkreisenden Linie, bis zur Oranbsp;serrata: etwa 3—4 Stabchen in gerader Linie zwischen zwei Zapfen.”nbsp;Die Zapfen der Ora difieriren von denen aus anderen mehr cen-tralen Theilen, indem ihre Langen-Dimension geringer ist (H. M ii 1-ler). Merkel bestatigte dies fiir Menschen und verschiedenenbsp;Thieren (Huhn, Bind, eta.). Dann erscheinen sie auch wie von oben
-ocr page 51-nacli unten comprimirt, mit breiten Ziipfenkornen und kürzeren wie eingeechobenen Endgliedern, und wird dies um so ausge-sprocbener je weiter man nach der Peripherie zurückt.
Von einem plötzlichen Aufhören einer oder mehrerer Schichten ist niohts zu sehen; alle Schichten lassen sich bis an die Auilö-sungstelle verfolgen und sind sie auoh an dieser Stelle an Zerzupquot;nbsp;fungspraparaten. mit Ausnahme vielleioht der ausseren granulirtennbsp;Schicht, deutlieh naehweisbar und scheinen die einzelnen Elementenbsp;auch dort denselben (Jonnex einzugehen wie in anderen Theilen 1).
Mit Eücksicht auf die ungleiche Ausdehnung der Lichtemp-findlichkeit auf der nasalen und auf der temporalen Seite der Ketzhaut, wuvde nach etwaigen Structurunterschieden auf diesennbsp;beiden Seiten gesucht. Eine genaue Prüfung vieler Durchschnitts-sowohl wie Zerzupfungs-praeparate von den an die Ora granzen-den Partien der inneren und ausseren Netzhauthiilfte Refertenbsp;aber ein durohaus negatives Eesultat Auf beiden Seiten zeigtennbsp;allgemein gleichweit von der Ora ontfornte Stellen gleiehe Structur,nbsp;Heeft het onderzoek van Dr. S at tier nog niet denbsp;grootste nauwkeurigheid bereikt, zooveel is althans gebleken, dat ook ter plaatse, waar het netvlies voor verschillende prikkels ongevoelig is, de gewone morphologischenbsp;elementen niet ontbreken. Maar zonder merkbaar verschilnbsp;in vorm , zouden samenstelling en omzetting van de normanbsp;kunnen afwijken, en daarmede de functie zijn opgeheven.nbsp;Voor die afwijking zal de ontdekking van Bell wellichtnbsp;het criterium leveren. Men heeft reeds opgemerkt, datnbsp;in de peripherische deden, tot op eenigen afstand van
1) Für die Stabehen und Zapfen mit ibren anbaftenden köruern wurde von Hen Ie beim Menscben und einigen Saugetlnerennbsp;eine Umliüllungsmembran bescbrieben.
Landolt bescbrieb denselben Befund beim Eroscbe.
An Zerzupfungspraparaten ersoheinon sehr oft grosse Verschie-denheitcn in der Anzahl; oft sind die Zapfen in grösseres Anzahl und oft die Slabcben, — dies für die ausserste Peripherie annbsp;Stückchen von 2, 3, 4 mm. von der Ora.
-ocr page 52-de ora serrata, het netvlies geen „Sehroth” ontwikkelt, zonder er op te letten, of in iedere richting die afstandnbsp;dezelfde is. Zouden nu wellicht de grenzen van hetnbsp;„Sehroth” aan die van het gezichtsveld beantwoorden ?nbsp;Het laat zich vermoeden, maar ik bad nog geen gelegenheid, mij er van te vergewissen.
Hoe het zij, het staat vast, dat een gedeelte van het netvlies ongevoelig is voor prikkels, en nu is het denbsp;vraag, of die toestand aangeboren dan wel verkregen is.nbsp;In het aanwezig zpn van het orgaan, en wel zondernbsp;kennelijke verandering der structuur, schijnt een argumentnbsp;gelegen voor het individuëel ontstaan. Toch hechte mennbsp;daaraan niet te veel. Darwin deed reeds opmerken,nbsp;dat sommige organen zich in het nageslacht handhaven,nbsp;nadat ze hebben opgehouden physiologisch werkzaam tenbsp;zijn, en wijst, onder anderen, op de oorspieren bij dennbsp;mensch. Een tweede argument is de gemakkelijkheid,nbsp;waarmêe torpor in het algemeen optreedt in die gedeeltennbsp;van het netvlies, waarvan we in ’t belang der functienbsp;psychisch abstraheeren. Bij monoculair convergeerendnbsp;scheelzien bereikt de torpor binnen betrekkelijk kortennbsp;tijd soms reeds een belangrijke hoogte. En ook hier isnbsp;verandering noch ophthalmoscopisch te bespeuren, nochnbsp;anatomisch gebleken. Bevreemden zou het ons zeker niet,nbsp;wanneer op de torpide gedeelten ook hier het Sehrothnbsp;niet tot ontwikkeling kwam, en dus een centrale invloednbsp;op die ontwikkeling zou blijken te bestaan. Maar, afgezien hiervan, is het feit op zich zelf reeds interessant,nbsp;omdat het ons eenig genetisch inzicht geeft in de beperking van het absolute gezichtsveld binnen de grenzennbsp;van het relatieve. Men heeft wel gezegd, dat de beperkende deelen toch ook voorwerpen zijn, die licht innbsp;het oog zenden, en daarom ontkend, dat zij oorzaak
-ocr page 53-23
zouden kunnen zijn van den torpor der correspondeerende gedeelten. Maar die redeneering ziet voorbij, dat nietnbsp;de duisternis, maar de psychische abstractie van dennbsp;prikkel ongevoelig maakt. Zoo is het in ’t geval vannbsp;scheelzien, waarbij het afwijkende oog beelden ontvangt,nbsp;die de waarneming met het andere oog belemmeren, ennbsp;de torpor het sterkst intreedt in de gele vlek en harenbsp;omgeving, welker beelden het meest hinderen. Zoo ooknbsp;kan het zijn ten aanzien der beperkende deelen. Bij hetnbsp;zien in den primairen stand zou het beeld van den neusnbsp;beantwoorden aan het temporaal-peripherisch gezichtsveldnbsp;van het andere oog, en dus slechts storen, zonder voordeel aan te brengen. Zelfs wanneer bij zijdelings gerichtenbsp;bliklijnen of bij matige convergentie het beeld van dennbsp;neus op gevoelige deelen van het netvlies komt te vallen,nbsp;plegen wij het te ignoreeren , en onder sterke convergentie,nbsp;waarbij dit wellicht niet gelukken zou, richten wij, zooals iknbsp;reeds deed opmerken, het blikvlak meer naar boven, en breiden daardoor tevens het binoculaire gezichtsveld verder uit.
In betrekking tot de grenzen van ’t gezichtsveld naar boven en beneden, zijn geen beelden te onderdrukken, die elkandernbsp;wederzijds zouden kunnen storen; maar buiten die grenzennbsp;valt niets voor, wat verdient de aandacht te trekken, ennbsp;het wordt om deze reden verwaarloosd.
Het fundamenteele feit der hier voorgedragen theorie is dit; dat het mede van den wil of van de opmerkzaamheidnbsp;afhankelijk is, welk beeld, bij den wedstrijd der oogen, uitnbsp;twee vormen of twee kleuren de overwinning zal behalen,nbsp;een feit, waarop Helmholtz vooral gewezen heeft.
Op grond van het bovenstaande zou men mogen beweren, dat, wanneer bij de geboorte het netvlies tot op zijn uiterste grenzen gevoelig ware, zich, in verband met denbsp;omringende deelen, een zekere beperking zou ontwikkelen.
-ocr page 54-Maar volgt daaruit, dat die gevoeligheid bij de geboorte werkelijk bestaat? Integendeel! Veeleer ligt er in opgesloten, dat de torpor moet aangeboren zijn. Zal niet, ten slotte,nbsp;typisch worden wat van geslacht tot geslacht de vocr-waarde vindt voor zijn ontstaan ? Zelfs zij , die geneigdnbsp;zijn, in de voortgaande ontwikkeling der dierlijke vormennbsp;de nataurkeus op den voorgrond te brengen, ontkennennbsp;niet de wet van oefening, van „use and disuse”, noch denbsp;erfelijkheid van hetgeen door haar gewrocht is. Intusschennbsp;zijn overtuigende feiten hier nog schaarsch en onze kennisnbsp;zoo fragmentair, dat men iedere gelegenheid moet te baatnbsp;nemen, om ze uit te breiden. En in betrekking tot hetnbsp;vraagstuk, dat ons bezig houdt, mag men zich van hetnbsp;onderzoek wel eenige vrucht beloven. Beslissend zullennbsp;vooral de feiten zijn, die eenig licht geven omtrent hetnbsp;plaats maken van gevoel voor torpor of van torpor voornbsp;gevoel. Wij vragen dus, onder welke omstandighedennbsp;zoodanige overgang te wachten is, en onderzoeken, of ennbsp;in hoever die heeft plaats gehad. Enkele gevallen hebnbsp;ik kunnen nagaan. B;i strabismus divergens, waar denbsp;neus geen beperking gaf, waren de grenzen van ’t gezichtsveld toch de gewone, zelfs in een geval van vermoedelijk aangeboren, typisch erfelijk strabisme. Ooknbsp;in verschillende gevallen van exophthalmus had het gezichtsveld zich niet uitgebreid Voor zoodanige uitbreidingnbsp;zijn in het boven beschreven geval I, vooral wanneer hetnbsp;niet uitpuilende oog het gezicht geheel mocht verliezen,nbsp;de omstandigheden zeker zoo gunstig mogelijk. Watnbsp;zal de tijd hier vermogen? Wat zou geschied zijn, wanneer zoodanige toestand op zeer jeugdigen leeftijd warenbsp;ingetreden? — Vroegtijdig verlies van een oog schijnt nietnbsp;tot uitbreiding van het gezichtsveld op het andere tenbsp;leiden, hoezeer bij ter zijde gerichten blik aan de medi-
-ocr page 55-aan-zijJe zou gewonnen worden en stoornis onder geenerlei omstandigheid daarvan te duchten ware. — Een individu,nbsp;hy wien de rug van den neus zoo goed als ontbrak, hadnbsp;ook de beperking op de gewone plaats. Overigens leerennbsp;de gevallen van torpor bij strabismus cpnvergens, datnbsp;zelfs verlies van het tweede oog de eenmaal verlorenenbsp;gevoeligheid en de gezichtsscherpte niet meer te voorschijnnbsp;roept, en het zou dus niet vreemd zijn, dat de gewonenbsp;grenzen, wanneer ook niet aangeboren, bij exophthalmus,nbsp;hij verlies van neus of anderszins niet weder overschredennbsp;werden. Alléén wanneer zeer kort na de geboorte, terwijlnbsp;zich nog geen beperking kan ontwikkeld hebben, de voor-waarden voor de relatieve grenzen mochten gewijzigd zijn ,nbsp;zou men uit den negatieven invloed op de absolute eenignbsp;besluit kunnen trekken. Verlies van een oog komt kort nanbsp;de geboorte niet zoo zeldzaam voor, en in zoodanig gevalnbsp;heeft de bepaling zeker reeds eenige waarde. Op lateren leeftijd laat zich eer nog een invloed verwachten van toevallig bijkomende beperking der relatieve grenzen doornbsp;een gezwel; want, naar hetgeen wij bg couvergeerendnbsp;strabisme zien, zou torpor lichter ontstaan dan verdwijnen Juist intusschen bij strabisme, zooals het onderzoek van enkele gevallen mij heeft geleerd, is de secundairenbsp;stoornis in haren aard en uitbreiding nog zeer onvolkomennbsp;onderzocht, en stellig is van die zijde meer licht te wachten.nbsp;Met de waarneming kan vorder proefneming hand aannbsp;hand gaan , in verband met de grenzen van ’t gezichtsveld en van het binoculaire zien bij dieren, waarover wijnbsp;spoedig een bijdrage van de Heeren Grossmann ennbsp;Mayerhausen te wachten hebben.
Bij deze aan v/ij zing van het te onderzoeken veld meen ik mij thans te moeten bepalen. Onvruchtbaar zou hetnbsp;zijn, der bekende feiten reeds een conclusie te willen
-ocr page 56-afpersen. Waarschijnlijk zal die ook niet met een eenvoudig ja of neen te formuleeren zijn. Zekere speling in de absolute grenzen, ook bij verandering van refractienbsp;(progressieve myopie), in betrekking tot de relatieve, isnbsp;niet te miskennen. Maar genoeg,—ik wenschte slechts eennbsp;kleinen aanstoot te geven tot het verzamelen van feiten,nbsp;waarvan vragen hare beslissing wachten, die nog eennbsp;verdere strekking hebben dan de physiologie van het oog.
-ocr page 57-DOOE
Dr, GEOSSMANN en Dr. MAYEliHAUSEN.
^oor het menschelijk oog is de uitgebreidheid van het gezichtsveld met den perimeter gemakkelijk genoeg tenbsp;bepalen. quot;Wij kennen voldoende zijne grenzen in allenbsp;richtingen, en weten, dat het zich in horizontale richtingnbsp;voor elk oog ongeveer 100° temporaalwaarts en 60° mediaan-waarts uitstrekt. Dit vertegenwoordigt voor evenwijdigenbsp;gezichtslijnen een binoculair gezichtsveld van 2 X 60° =nbsp;40quot; 'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;oog aan de temporaalzijde nog
verder reikt, en dus een vereenigd gezichtsveld van ^00. Bovendien is ons bekend, dat de gezichtslijn bijnbsp;de meeste menschen gemiddeld een hoek van 5° vormtnbsp;caet de normale op het midden der cornea, hoek y ge-oemd, en dat dus bij het zien op afstand de hoornvlies-naar buiten gericht zijn, divergeerende onder eennbsp;t t 1 ®ii§®veer 10°. Bij hypermetropen kan die hoeknbsp;®t;ijgen en pleegt bij myopen kleiner te zijn, —nbsp;tan hier nelft negatief worden.
ij dieren atnit de bepaling van het monoculaire en
-ocr page 58-28
binoculaire gezichtsveld op groote moeielijkheid. De methoden, bij den mensch gebruikt, zijn hier niet aanwendbaar. En toch is het wenschelijk in hooge mate, ook bij dieren , in een opklimmende reeks, daaromtrent eenigenbsp;kennis te erlangen, waardoor alléén de weg kan wordennbsp;gebaand tot een inzicht in de genese dezer belangrijkenbsp;functie. Er zijn dieren, wier vereenigd gezichtsveld innbsp;horizontale richting een volkomen kring, dus 360°, schijntnbsp;te bedragen, terwijl het binoculaire zien wellicht geheelnbsp;ontbreekt. Anderen daarentegen, namelijk zekere aapsoorten , bij welke de grenzen van monoculair en binoculairnbsp;gezichtsveld weinig van die van den mensch schijnen afnbsp;te wijken , en ook de stand der oogen, zooals die doornbsp;hoek y wordt bepaald, daarmêe genoegzaam overeenstemt.
Om eenige nadere kennis hieromtrent te verkrijgen, staan ons verschillende wegen open.
Wat den stand der oogen betreft, heeft Johannes M ü 11 e r 1) op een groot aantal schedels naar de divergentienbsp;der assen onderzoek gedaan. Hij ging van de onderstellingnbsp;uit, „dass bei den Thieren die Ebene des Augenhöhlenrandesnbsp;„auch zugleich die Ebene ist, auf welcher die Achsennbsp;„der Augen senkrecht sind.” Iedere andere methode,nbsp;om de divergentie der oogen bij het levend dier te bepalen, vindt hij veel onzekerder en moeielijker. In zijnenbsp;tabellen geeft hij ons de convergentie C der genoemdenbsp;vlakken; trekt men dit cijfer van 180°af, dan zou mennbsp;de divergentie der oogassen vinden. In alle klassen van gewervelde dieren vond hij de uitkomsten zeer uiteenloopend.nbsp;Onder de zoogdieren, b. v. bij de apen van 105 tot 158°,nbsp;bij de vledermuizen van 52quot; tot 92°, bij de verscheuren denbsp;dieren van 84” tot 114”, bij de tandeloozen van 6” tot
1) Vergleichende Phjaiologie der GesichtBsinreB. 1826 S. 142
-ocr page 59-29
71°, bij de herkauwende van 42quot; tot 63quot;, bij de Cetacea van 15quot; tot 39quot;; onder de vogels van 10quot; (bij Buceros exca-vatus) tot 74quot; bij den uil. Ouder de amphibiën, bij de schildpadden van 43quot; tot 73quot;, bij de kikvorschen van 23“ totnbsp;87quot;, bij de slangen van 22quot; tot 39quot;, onder de visschennbsp;van 0quot; tot 82quot;. Zelfs bij soorten van hetzelfde geslachtnbsp;en bij variëteiten van dezelfde soort kwamen groote verschillen voor: bij Cervus van 43quot; tot 63quot;, bij Phoca vannbsp;61quot; tot 113quot;, bij Hyla van 23quot; tot 70quot;, bij Cyprinus vannbsp;van 23quot; tot 48quot;, — bij honden van 83quot; tot 105quot;. — Ooknbsp;de bepalingen van Leuckartl), die zich met de onderstelling van Müller vereenigt, gaven resultaten, welkenbsp;met die van Müller overeenkomen, alléén zich binnennbsp;engere grenzen bewegende.
Bij zeer vele dieren convergeeren de vlakken der oog-kuilsranden tevens naar boven, bij enkele, zooals bg de Cetaceën en zee schildpadden, naar beneden. Ook deze hoeken heeft Müller gemeten en hierin insgelijks kolossalenbsp;verschillen gevonden, bij papegaaien van 67“ tot 160“,nbsp;in het geslacht Hyla van 0quot; tot 109quot;, bij Cyprinus vannbsp;49quot; tot 145quot; enz. — Waar deze hoek groot is, komt hetnbsp;op de richting aan, waarin men den naar voren gerichtennbsp;hoek meten zal. Müller geeft bij horizontalen standnbsp;van den kop aan de beeneu van den goniometer ook eennbsp;horizontale richting. Of die horizontale stand nauwkeurignbsp;te bepalen is, en of daarmede een juist re.sultaat zounbsp;verkregen worden, meen en wij te mogen betwijfelen.nbsp;Bovendien komen groote individuëele verschillen voor,nbsp;vraarbij , zooals reeds Müller onderstelde, en door
1) Organologie desAuges.in Handbuch der gesammten Augen-heilkunde, redigirt von Alfred Graefe und T h e o d. 8 a e m i B c h, B. 11, Ie. H. S. 163.
-ocr page 60-Leuckart bepaald wordt uitgesproken, de leeftijd van het dier in het spel is. Van een en ander getuigen ooknbsp;de metingen, die wij op eenige schedels uit het Utrechtschenbsp;Museum verrichten;
|
NAMEN ME DJEEEN. |
Convergentie der orbitaalvlakken | |
|
naar Muller. |
naar eigene meting. | |
|
Simia satyrus. |
147» |
175» |
|
Lemur mongoz. |
Hó» |
— |
|
Lemur albifrons. |
— |
88» |
|
Jacchus vulgaris. |
— |
110» |
|
Hapale .faechus- |
105» |
— |
|
Canis lupus |
liO» |
90» |
|
Felis leo. |
112» |
135» |
|
Felis catus domostious. |
106» |
120» |
|
Halmaturus giganteus. |
47» |
45» |
|
Cavia cobaya. |
46» |
70» |
|
Lepus cuniculus. |
31» |
40 |
|
Mus rnttus (albus.) |
41» |
— |
|
Mus musculus (albus) |
41» |
60» |
|
Klephas afrioanus. |
49» |
65» |
|
Hippopotamus niger. |
79» |
80» |
|
Camelus dromas. |
62» |
60» |
|
Equus caballus. |
42 Vj» |
78» |
Met deze uitkomsten kan men zich niet tevreden stellen. Al verklaart Joh. Müller, dat iedere methode, om denbsp;divergentie der oogen bij levende dieren te meten, veelnbsp;onzekerder en moeielijker is, hebben wij gemeend het tenbsp;moeten beproeven. Eveneens wenschten wij, in verbandnbsp;met de divergentie der oogassen, nog andere bepalingennbsp;te doen, waarvoor ons geen andere weg openstond. 1)
1) Door op hetzelfde individu den stand der gezichtassen te bepalen bij het leven on na den dood den hoek C te moten,nbsp;zal men zich ook kunnen vergewissen, in hoeverre de onderstelling, waarvan Joh. Muller uitging, juist is.
-ocr page 61-Achtereenvolgens zullen de voor verschillende doeleinden aangewende methoden en de daarby verkregen uitkomstennbsp;ter sprake komen.
I Wij vingen aan met het meten van den hoornvliesboog. Bij vele dieren levert het geen bezwaar, de richting dernbsp;normaal te vinden op de beide hoornvlies-grenzen van dennbsp;horizontalen meridiaan, en daarmede is die boog bekend.nbsp;De methode berust daarop, dat een lichtstraal, die nanbsp;reflexie tot de lichtbron terugkeert, met den krommings-straal van het reflecteerende punt van den spiegel samenvalt.nbsp;Zij geeft een middel aan de hand, om de richting dernbsp;krommingsstralen van de cornea voor ieder punt harernbsp;oppervlakte te bepalen.
Fig. 1 stelt het onderzochte oog voor:
In l bevindt zich een gasvlam. Ge-bruikt men alsnbsp;brander een spitsnbsp;toeloopend glazennbsp;buisje, dan kannbsp;men door het onderste blauw gekleurde gedeelte der vlamnbsp;het reflexiebeeld opnbsp;het hoornvlies zeernbsp;wel onderscheiden.nbsp;Terwylhet waargenomen oog in rust blijft, brengt men nu de vlam zoonbsp;ver naar buiten, tot het reflexie-beeld op de uiterstenbsp;grens van het hoornvlies zichtbaar wordt. Gelijktijdignbsp;geschiedt hetzelfde door een tweeden waarnemer met eennbsp;vlam, die zich in V bevindt: ^ c en V c' zijn dan denbsp;richtingen van de grensstralen van het hoornvlies in den
-ocr page 62-32
bedoelden meridiaan. De hoek, dien zi] vormen, werd gevonden, door het oog met het krommingsmiddelpunt onbsp;zoo nauwkeurig mogelijk onder een zinklood te brengen,nbsp;dat zich loodrecht boven het middelpunt der bewegelijkenbsp;armen van Snellen’s ophthalmotropometer bevond en denbsp;branders op de bewegelijke armen van het instrumentnbsp;te bevestigen.
Nam men rustige momenten waar, zoo werden op die wijze zeer overeenkomstige waarden verkregen. De afstandnbsp;der vlammen van het oog was betrekkelijk groot, en denbsp;uitkomst dus nauwkeurig genoeg, al viel o niet volkomen samen met het middelpunt van den boog, waaropnbsp;werd tifgelezen. Naar deze methode werden bij den menschnbsp;en bij eenige dieren, deels in het physiologisch laboratorium , deels in de diergaarden van Amsterdam ennbsp;Eotterdam 1), een zekere aantal bepalingen gedaan Wijnbsp;vonden:
1) Aan de Heeren Directeuren Westerman cn van Bemin elen zij voor hunne groote liberaliteit en zeer gewaardeerde ondersteuning onze oprechte dank gebracht.
-ocr page 63-|
K A M E N. |
Hoornvl Kecbter oog. |
lesboog. Linker oog. |
|
Homo n°. 1. |
86» |
87» |
|
u nbsp;nbsp;nbsp;»nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;% |
78» |
76» |
|
M nbsp;nbsp;nbsp;n 3. |
84» |
84» |
|
»» nbsp;nbsp;nbsp;s» 4. |
80» |
82» |
|
n nbsp;nbsp;nbsp;5, |
78» |
79» |
|
.. .. 6. |
74» |
76» |
|
Simia satyrus. |
82» 6 |
82°6 |
|
Semnopittiecus entellus. |
90» |
90» |
|
Cercopithecus fuliginosus. |
82» |
82» |
|
„ nbsp;nbsp;nbsp;callitrichua. |
82» |
82o |
|
Inuus nemestrinua. |
86» |
85» |
|
Macacus carbonarius. |
82» |
82» |
|
Cynocephalus niger. |
84» |
84» |
|
Macacus cynomolgus. |
85» |
86» |
|
Jacchus vulgaris. |
80» |
80» |
|
Lemur mongoz. |
100» |
100» |
|
Felis domestica. |
99» |
96» |
|
Canis familiaris. |
100» |
96» |
|
Capra Hircus. |
90» |
90» |
|
Cavia cobaya. |
105» |
107» |
|
Lepus cuniculus. |
112» |
112» |
|
ld. var. alba. |
104» |
102» |
|
Mus rattns, var. alba. |
110» |
110» |
|
Mus musculus, var. alba. |
130» |
1250 |
|
Halmaturus Benetti. |
110» |
nQQ |
|
Eana temporaria. |
107» |
106» |
In het algemeen zijn bij hetzelfde individu de bogen aan beide zijden gelijk. De meting kan met voldoendenbsp;nauwkeurigheid geschieden; verschillen van 2°, als bijnbsp;den mensch gezien worden, kunnen van minder scherpenbsp;begrenzing tusschen hoornvlies en sclera afhankelijk zijn;nbsp;enkele hij dieren gevonden verschillen zijn wellicht aannbsp;beweging der oogen te wijten.
3
-ocr page 64-34
Uit deze bepalingen blijkt, dat de hoornvliesboog bij den mensch wel het kleinst is, namelijk 74° tot 86°, gemiddeld 80°33; dat hij bij de apen van 80° tot 90°, gemiddeld 83°6, bij halfapen (Lemur mongoz) reeds 100° bedraagt, bij de Ferae daarmede nagenoeg gelijk staat, ennbsp;bij de knaagdieren van 105^ tot 130°, gemiddeld totnbsp;lir7, stijgt. Betrekkelijk klein werd hij bij Capra Hir-cus gevonden.
In hoeverre de hoornvliesboog beteekenis heeft voor de uitgestrektheid van het gezichtsveld, zullen wij laternbsp;onderzoeken.
II. Ei] de bepaling van den stand der oogen, gaan wij uit van de onderstelling, dat' het hoornvlies symmetrisch is en zijne as in ’t midden heeft. Dan mogen wijnbsp;die as zoeken midden tusschea de beide grensstralen. Bijnbsp;den mensch en bij het konijn bleek ons die onderstellingnbsp;juist genoeg te zijn voor ons doel.
Sommige dieren nu, zooals konijn en kikvorsch, houden de oogen bijzonder rustig. Konijnen plaatsten wij in een kastje, waarboven de kop alléén uitstak, ennbsp;zagen nu vaak in een kwartier uurs geen beweging hoegenaamd.
Bij deze dieren zou men den hoek tusschen de as van het hoornvlies en het mediaanvlak achtereenvolgens aannbsp;de beide zijden kunnen bepalen en met de som diernbsp;hoeken de divergentie der hoornvliesassen gevonden hebben. Bij dieren met meer bewegelijke oogen daarentegennbsp;moeten de bepalingen door twee waarnemers gelijktijdignbsp;op beide oogen geschieden.
Waar het inogelijk was, werd het hoofd, en daarmede het mediaanvlak, fig. 2 m m' bevestigd. Met den uitwendigen
-ocr page 65-arm van het werktuig werd dan de richting van den buitensten grensradius l o bepaald en de binnenste arm l'onbsp;evenwijdig gesteld aan mm'. Daarmede was de boek lol’
|
Op deze wijze vonden wij: | ||||||||||||||||||||||||||||||
|
bekend, en men had daarvan slechts dennbsp;halven boornvlies-boog l o a af tenbsp;trekken , om dennbsp;boek a o l' te vinden, dat is: de boeknbsp;van de hoorvliesasnbsp;a o op bet medi-aanvlak. Dezelfdenbsp;meting geschieddenbsp;gelijktijdig aan beide zijden. De somnbsp;der gevonden hoeken leverde den di-vergentie-hoek dernbsp;hoornvliesassen.
Wij maken hier voorloopig opmerkzaam, dat bij de
3*
-ocr page 66-36
knaagdieren, met hunnen grooten hoornvlieshoog, tevens de hoornvliesassen zeer sterk divergeeren.
III. Gelukte het de dieren te laten fixeeren, dan liet zich de hoek tusschen de gezichtslijn en de hoornvliesas,nbsp;Y genoemd, met voldoende nauwkeurigheid bepalen. Bijnbsp;den mensch bedraagt hij, zooals wij zagen, gemiddeld 5°,nbsp;zoodat bij het zien op afstand onze hoornvliesassen ondernbsp;een hoek van 10° divergeeren. Bij dieren nu is hij in hetnbsp;algemeen grooter dan bij den mensch. Om hem te kennen , was het voldoende, voor het eene of het anderenbsp;oog een der grens-radii (fig 3 ^c) en tevens de richting,nbsp;waarin het gefixeerde voorwerp / zich bevond, te bepalen. Door van den hiermede gevonden hoek ^ o/ de helftnbsp;van den bekenden hoornvliesboog af te trekken, werd dannbsp;y — a of gevonden. Tamelijk groote afstand zoowel vannbsp;vlam als van lokspijs bevordert de nauwkeurigheid.
In beginsel nu is deze methode zeer goed; maar ze leverde het bezwaar, dat bij het aanwenden van den stra-bometer de meestenbsp;dieren niet tot fixeerennbsp;te brengen zijn. Eennbsp;kleine hond alléénnbsp;fixeerde goed, en bignbsp;dezen vonden we y =nbsp;26°. Wij moesten dusnbsp;van ’t gebruik van dennbsp;strabometer afzien.nbsp;In plaats daarvan namen we een eenvoudige stift,nbsp;waarvan twee draden uitgingen, een daarvan (fig 3 onbsp;droeg een brander, de andere (o /) de lokspijs.
-ocr page 67-De stift werd dicht boven het eene oog, nagenoeg boven o, gehouden. Op het oogenblik nu, dat het diernbsp;blijkbaar fixeerde, werd de vlam in de richting gebrachtnbsp;van den buitersten grens-radius c), en op een graadboog , die met de stift verbonden was, werden de richtingen der beide gespannen draden afgelezen. Van diennbsp;hoek had men nu weder alleen den hal ven hoorn vliesboognbsp;l c a af te trekken, om hoek y te vinden. Op een talnbsp;van kleinere dieren, welker kop tamelijk in rust tenbsp;houden was, werd op die wijze de bepaling gedaan.
|
NAMEN DEE DIEEEN. |
Hoek y. |
|
Simia satyrus. |
5°8 |
|
Semnopitbecus entelluB. |
15» |
|
Cercopithecus fuliginosus. |
6» |
|
Cercopitheous Callitrichus. |
6» |
|
Inuus nemestrinus. |
9» |
|
Macacus carbonarius. |
9» |
|
Macacus oynomolgus. |
70 |
|
Cynocepbalus niger. |
13» |
|
Jaccbus vulgaris. |
30» |
|
Lemur mongoz. |
16» |
|
Halmaturus Benetti. |
38»5 |
Elk dezer waarden is de gemiddelde van een zeker aantal metingen, die onderling weinig afweken, zoodat zij aannbsp;nauwkeurigheid zeker weinig te wenschen overlaten.
Bij een aantal van dieren was echter ook deze'methode nog niet aanwendbaar Sommigen zijn handelbaar genoeg; maar het hoornvlies is voor een deel met de oogleden bedekt, en, waar het had mogen gelukken die tenbsp;ontblooten, zou hierbij toch geen fixatie meer te verkrijgen geweest zijn. Andere dieren weten ons op eennbsp;eerbiedigen afstand te houden In al deze gevallen bleef
-ocr page 68-38
ons geen ander middel over als het reflectie-beeld, door de vlam gezien, eenvoudig hij taxatie op het middennbsp;van het hoornvlies te brengen. Na eenige oefening gelukte dit met voldoende nauwkeurigheid, zooals bleeknbsp;uit de vergelijking der resultaten voor gevallen, waarinnbsp;beide methoden aanwendbaar waren. De laatste werd nunbsp;vooral toegepast bij groote zoogdieren, die duidelijk binoculair fixeerden. Bij deze kon nu ook de hoek y bepaaldnbsp;worden. Waar de stift met de beide draden niet aanwendbaar was, werd de lokspijs, naar omstandigheden,nbsp;op het 3-, 5- of 10-voudige van de onderlinge distantienbsp;der oogen gehouden, zoo goed mogelijk in het mediaan-vlak, en de richtingen der normalen op het midden dernbsp;corneae werden nu gelijktijdig bepaald, in den regel,nbsp;terwijl de dieren duidelijk fixeerden.
In fig. 4 zijn /Jen^' de knooppunten der oogen,/me?
Fig. 4.
de doorsnede van het mediane vlak,nbsp;h m dus de halvenbsp;onderlinge distantie van h h'. In ƒnbsp;bevinde zich het gefixeerde voorwerp:nbsp;dan is in den driehoek h mfy k 711 —nbsp;tg kfTn. Bij gevolgnbsp;daar km en m fnbsp;meetbaar zijn, isnbsp;de hoek kfm^ zijnde de halve conver-gentiehoek der ge-zichtslijnen ft, bekend. En is de
-ocr page 69-39
divergentiehoek a d d — 2 8 tevens bepaald, dan kent men y, namelijk hoek a k f ¦=:nbsp;nbsp;nbsp;nbsp; 8. Om bij groote
dieren, die men niet konde naderen, dien hoek a da' te vinden, werden de branders l en ï (fig. 5) op tweenbsp;houten latten P S en Q T bevestigd; a en a! werdennbsp;Kg- 5-nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;door een dun koord
verbonden, dat bij a bevestigd was, bij d door een opening in de latnbsp;liep en bij lederen standnbsp;der latten kon gespannen worden. Bij dienbsp;spanning konden de hoeken a a' d en a' a d opnbsp;de graadbogen wordennbsp;afgelezen, die hunnenbsp;middelpunten hadden innbsp;a en a' en wier nulpunten resp. met a dnbsp;en a' d samenvielen.nbsp;Kicht men nu de lattennbsp;zoo, dat men, fixeerendenbsp;\nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;/nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;door de vlammen, hare
\ / nbsp;nbsp;nbsp;reflectiebeelden in het
^ nbsp;nbsp;nbsp;midden der resp. hoorn
vliezen ziet, dan vindt men den divergentiehoek der hoornvliesassen a d a\ door de hoeken a a' d en a' adnbsp;(die tot denzelfden driehoek behooren als a d d) vannbsp;180° af te trekken.
Naar deze methode verkregen wij:
-ocr page 70-|
40 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deze methode, die ons overigens zeer wel voldeed, kon niet bij zooveel dieren worden toegepast, als wijnbsp;gewenscht hadden. Met het stijgen, namelijk, van d,nbsp;komt de koord a a' (fig. 5.) te dicht bij den kop vannbsp;het dier, en soms treden de wanden der kooi ook alnbsp;vroeger belemmerend in den weg. Wij gelooven echter, datnbsp;men door oefening en overleg alle bezwaren zou kunnen te boven komen. In onderstaande tabel vereenigennbsp;wij al de door ons gedane bepalingen.
-ocr page 71-|
NAMEK DEE DIEKSOOETEN. |
(180”- |
-2/.P) |
bc o o pQ ai 0) a o O |
Diver =2r', zouder |
gentie met |
g gt; 2 (S ^ . m ^ CS ...4 o eS gt; Mnbsp;.2 'ÖJ |
Y |
r' |
|
Schedelmeting | ||||||||
|
Joh. M. |
deoDze. |
fixatie. | ||||||
|
Homo. |
10° |
00 |
5 | |||||
|
Simia satyrns. |
147° |
176° |
82°6 |
7o6 |
20 |
5°8 | ||
|
Semnopithecus entellus |
90 |
24 |
15 |
15 | ||||
|
Cercopithecus fuliginosus. |
82 |
6 |
15 |
6 | ||||
|
„ nbsp;nbsp;nbsp;callitrichua. |
82 |
6 |
15 |
6 | ||||
|
Inuus nemestrinus. |
85 |
12 |
16 |
9 | ||||
|
Macacus cynomolgus. |
86 |
8 |
15 |
7 | ||||
|
„ nbsp;nbsp;nbsp;carbonarius. |
82 |
12 |
16 |
9 | ||||
|
Cynocephalus niger. |
84 |
20 |
16 |
13 | ||||
|
„ nbsp;nbsp;nbsp;Mormon. |
165 | |||||||
|
Hapale jaochus. |
105 | |||||||
|
Jacchus vulgaris. |
110 |
80 |
54 |
15 |
30 | |||
|
Lemur mongoz. |
116 |
100 |
24 |
15 |
16 | |||
|
„ nbsp;nbsp;nbsp;albifrons. |
88 | |||||||
|
Felis leo. |
112 |
135 |
31 |
10 |
21.6 | |||
|
„ Tigris. |
20 |
10 |
16.5 | |||||
|
„ Leopardus. |
65 |
20 |
10 |
20,5 | ||||
|
„ domestica. |
105 |
120 |
97 |
46° |
22°5 | |||
|
Canis lupus. |
70 |
90 |
40 |
20 | ||||
|
„ familiaris. |
88 |
98 |
56 |
40 |
5 |
26 |
28 | |
|
Ovis Aries. |
130 | |||||||
|
„ stertopygos. |
9o |
3 |
57 | |||||
|
Capra Hircus. |
140 |
90 |
90 |
98 |
45 | |||
|
Cervus dama. |
137 |
96 |
3 |
57.5 | ||||
|
C'amelus dromas. |
52 |
60 |
120 |
3 |
69.6 | |||
|
Auchenia Lama. |
120 |
110 |
3 |
64 5 | ||||
|
Hippotamus niger. |
79 |
80 |
105 |
52.5 | ||||
|
Equua caballus. |
42.6 |
78 |
120 |
112 |
3 |
65.5 |
60 | |
|
„ Mulus. |
112 |
3 |
65 5 | |||||
|
Elephas africanus. |
49gt; |
66 |
104 |
10 |
61.5 | |||
|
Mus muBculus. var. alba. |
41 |
50 |
127.5 |
142 |
71 | |||
|
Mus rattus var. alba. |
41 |
110 |
144 |
72 | ||||
|
Cavia cobaya. |
46 |
70 |
106 |
140 |
70 | |||
|
Lepus cuniculus. |
31 |
40 |
112 |
153 |
76.6 | |||
|
gt;1 nbsp;nbsp;nbsp;„ var. alba. |
104 |
170 |
85 | |||||
|
Halmaturus giganteus. |
45 |
47 | ||||||
|
„ nbsp;nbsp;nbsp;Éenetti. |
110 |
71 |
35.5 | |||||
|
F an a temporaria. |
106 |
121 |
60.5 | |||||
42
gentie van de vlakken der oogkuilsranden. Loodrecht op die vlakken worden ondersteld de hoornvliesassen tenbsp;staan. Met de divergentie der hoornvliesassen = 2 /nbsp;zou de hoek dan 180quot; moeten bedragen.
De tweede kolom is de uit grens-radii afgeleide cornea-boog in den horizontalen meridiaan,
- bij Op deze
De derde kolom geeft de divergentie der hoornvliesassen , zonder fixatie en met fixatie. Waar fixatie bestond, waren de oogen gericht op een punt, dat in het mediaan vlak lag, bij den mensch alléén op oneindigen,nbsp;bij alle overige dieren op eindigen afstand, die in kolomnbsp;4 is aangegeven: de cijfers drukken dien afstand uit alsnbsp;veelvouden van de onderlinge afstanden der oogen bijnbsp;het onderzochte dier. Hieruit laat zich nu de hoek berekenen tusschen hoornvliesas en gezichtslijn. Bij dennbsp;mensch is hij gelijk aan den kalven divergentie-hoek. Bijnbsp;dieren moet de halve convergentie-hoek der gezichtslijnen,nbsp;waarbij de divergentie der hoornvliesassen bepaald werd,nbsp;er worden bij gevoegd: bij een convergentie op 15-maligenbsp;onderlinge distantie der oogen bedraagt de con vergen tie-hoek 6quot;. Wij vinden dus bij den mensch y
Semnopithecus entellus y = nbsp;nbsp;nbsp;-f- f = 15.
wijze zijn al de waarden van y in de tabel berekend. — Waar geen fixatie te verkrijgen was, onderstellen wij,nbsp;dat de gezichtslijnen evenwijdig zijn, in zooverre bijnbsp;deze dieren van gezichtslijnen mag sprake wezen. Denbsp;halve divergentie-hoek is dan, evenals bij den mensch,nbsp;de hoek tusschen hoornvliesas en gezichtslijn. Bij denbsp;onzekerheid, of de gezichtslijnen bij de bepaling welnbsp;evenwijdig waren, hebben wij gemeend dien hoek alsnbsp;y' van y te moeten onderscheiden. Enkele malen werdnbsp;de divergentie der hoornvliesassen met en zonder bekende fixatie bepaald, en lieten zich dus y en y' beiden
-ocr page 73-43
berekenen. Bij Canis familiaris zijn zij genoegzaam gelijk, maar wijzen in den toestand van rust eennbsp;kleine divergentie aan, zooals bij den mensch ooknbsp;wel voorkomt; bij het paard daarentegen, waar /nbsp;kleiner is dan /, een zekere convergentie, die wellichtnbsp;voorbijgaande was.
Alvorens te onderzoeken, wat uit de gedane bepalingen ten aanzien van het gezichtsveld is af te leiden, hebben wp naar de beteekenis te vragen van den cornea-boog. Het is klaar, dat de hoek met de hoornvliesas,nbsp;waaronder men de cornea nog ziet en ook nog stralennbsp;haar zullen binnendringen, van dien boog afhankelyknbsp;is. De onderstelling ligt dus voor de hand, dat met denbsp;grootte van dien boog het gezichtsveld zich verder uit-breidt. Wij weten, dat bij den mensch de halve hoorn-vliesboog slechts 40“ bedraagt, en dat het gezichtsveldnbsp;naar buiten zich 95°, dus 55° verder uitstrekt dan denbsp;buitenste grensradius van het hoornvlies. Bij Mus mus-culus stpgt de hoornvliesboog tot 127°.5. Zou men nunbsp;mogen aannemen, dat, evenals deze boog, het gezichtsveld zich bijna 24quot; verder van de hoornvliesas uitstrektnbsp;dan bij den mensch ? De bouw van het oog moet hieropnbsp;het antwoord geven. Men zal moeten onderzoeken, ondernbsp;welken hoek met de hoornvliesas nog beelden op hetnbsp;netvlies gevormd worden. Dit nu is alhier voor weinigenbsp;jaren geschied voor het geïsoleerde konijnenoog door denbsp;Heeren Landolt en Nuël 1). Bij het konyn bedraagtnbsp;de corneaboog gemiddeld 108°, dus 28° meer dan bij dennbsp;mensch; en is de onderstelling juist, dan zou dus hetnbsp;gezichtsveld zich tot 95° -j- 14° = 109° van de hoornvliesas
1) Onderz 3“ Serie D, 111. blz. 6.
-ocr page 74-44
moeten uitstrekken. Landolt en Nuel vonden evenwel, dat de beelden, die door de sclerotica heenschemeren, „wanneer de as van het oog volkomen verticaal is en hetnbsp;„pupilvlak iets hooger staat dan de vlammen, — derhalvenbsp;„bij het invallen van het licht onder een hoek van 90° metnbsp;„de as, — zeer peripherisch, ongeveer in de streek der oranbsp;„serrata, gelegen zijn.” Hieruit mag men afleiden,nbsp;dat onder een hoek van meer dan 95° bij het konijn welnbsp;geen netvliesbeelden meer gevormd worden , en daar wordtnbsp;ook, bij den mensch zoowel voor het gezichtsveld alsnbsp;voor de doorschemerende sclerotica-beelden, de grens gevonden 1). Het is zeker wenschelijk, dat bij een groo-ter aantal dieren de betrekking tusschen den hoornvlies-boog en de uitgebreidheid van het gezichtsveld onderzochtnbsp;wordt; maar na de negatieve uitkomst, voor het konijnnbsp;vèrkregen , moeten wij dien boog voorshands buiten rekening laten. Is hij voor de grootte van het gezichtsveldnbsp;werkelijk zonder gewicht, dan zal toch het resultaat zijn,nbsp;dat de peripherische deelen van het netvlies bij grooterenbsp;corneabogen, coeteris paribus, meer licht door de pupilnbsp;ontvangen.
De grootte van den hoornvliesboog dus ter zijde latende, willen wij thans nagaan, wat uit de gedane metingennbsp;ten opzichte van het gezichtsveld bij dieren is af tenbsp;leiden. Wij gaan daarbij uit van het gezichtsveld bijnbsp;den mensch, dat door het onderzoek met den perimeternbsp;op meer directe wijze bepaald is. Fig. 6 stelt zijnnbsp;gezichtsveld voor in den horizontalen meridiaan bij hetnbsp;zien op oneindigen afstand. De gezichtslijnen go en
1) Vergelijk boven bldz. 341 Donders. De grenzen van hot gezichtsveld in verband met die van het netvlies.
-ocr page 75-45
g O’ zijn evenwijdig, de hoornvliesassen, a e en w c' vormen, nagenoeg in o, met de gezichtslijnen een hoek
van 5°, en divergeeren dus onder 10“; lo en lo' zijn de grens-radii der cornea, aan iedere zijde een hoek vannbsp;40° met a o vormende; to en to' zijn de temporale, monbsp;en m o' de mediane grenslijnen van ’t gezichtsveld. Zijnbsp;vormen resp. hoeken van 95° en 65° met de hoornvliesas,nbsp;zoodat het monoculaire gezichtsveld zich in horizontalenbsp;richting over 160° uitstrekt, waarvan naar iedere zijdenbsp;60° (hoek gom) samenvallen, zoodat het binoculairenbsp;gezichtsveld, hoek g om en hoek g’o'm\ 120° bedraagt.nbsp;Het verschil tusschen het gezichtsveld van den menschnbsp;en van fixeerende dieren is vooral afhankelijk van hoeknbsp;y. Bij den mensch is die kleiner dan bij eenig dier;nbsp;maar Simia satyrus en Cercopithecus volgen hem toch opnbsp;den voet. Bij Lemur mongoz, een half-aap, is y reedsnbsp;= 15°; bij Felis leo stijgt hij tot 21°5. Met het toenemen van y worden de monoculaire gezichtsvelden groo-
-ocr page 76-46
ter, strekken zich temporaalwaarts verder nit en kunnen te gelijker tijd zich nog voor een goed deel binoculairnbsp;bedekken. Bij den leeuw is de temporale grens o t vannbsp;het gezichtsveld 16°5 meer naar achteren gericht dannbsp;bij den mensch, de mediane o m misschien ook meer me-diaanwaarts. Bij den mensch, namelijk, is naar de'nbsp;mediaan-zijde het gezichtsveld beperkt door den neus, ennbsp;daar de absolute grenzen diezelfde beperking hebbennbsp;ondergaan 1), zoo reikt het niet verder dan 65° met denbsp;hoornvliesas, als hoek a om. Maar bij den leeuw zalnbsp;die beperking met y — 21°5 zich niet zoo spoedig voordoen , wellicht, evenals bij den mensch, 60° verder reiken dan de gezichtslijn. In dat geval zouden wij voornbsp;ieder oog een gezichtsveld krijgen van 95°-j- 81°5=: 176°5,nbsp;en voor beide oogen 233°, waarvan 120° binoculair zien.nbsp;Om de uitgebreidheid van het binoculaire juist te kennen, zouden we moeten weten, onder welken hoek denbsp;omringende deelen der orbita hel gezichtsveld afsnpden.
Blijkbaar ligt het gezichtsveld bij de apen tusschen dat bij dèn mensch en bij de halfapen. Is bg Jacchusnbsp;vulgaris y bijzonder groot, wij weten, dat de kleinenbsp;Hapalini met hunne 32 tanden en kleine klauwvormigenbsp;nagels een eigen groep van dieren vormen, die ook innbsp;hunne levenswijze, vooral in de wijze om zich op de takkennbsp;der boomen te bewegen, meer met de eekhorens dan metnbsp;de overige apen overeenstemmen.
Verwijderen wij ons verder van den mensch, dan strekt zich het gezichtsveld meer en meer naar achteren uit ennbsp;gaat zeker wel een deel van het binoculaire verloren.nbsp;Nemen wij, als voorbeeld, dat van den Elephas africanusnbsp;fig. 7. Hier bedraagt hoek aogoiy 61°5, en toch schijnt
1) Verg. boven Onderzoekingen, bl. 332.
-ocr page 77-47
aan fixatie niet te twijfelen. Stellen wij de temporaal-grens ot weder op 95° met a o, dan blijft die grens naar achteren slechts 180° — (95° 61°5) = 23°5 van het
mediaanvlak mm' verwijderd, terwijl, aangenomen, dat hier ook aan de mediaanzijde het onbeperkte gezichtsveld zich 95° uitstrekt, naar voren de gezichtsveldennbsp;nog 2 X 33°5nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;67° zouden over elkander vallen. Dit
zou voor ieder oog een gezichtsveld geven van 190° en voor beide oogen van niet minder dan 313°, waarvan 67° binoculair. Wij hebben hier de berekening gemaakt voor den olifant en niet voor het paard, omdatnbsp;bij het paard de lokspijs slechts op het drievoudige vannbsp;de onderlinge distantie der oogen werd gehouden en hetnbsp;ons bij vergelijking van y en /' twijfelachtig voorkomt,nbsp;of het paard wel voldoende convergeerde. Zonder fixatienbsp;werd de divergentie 120°, met fixatie 112° gevonden;nbsp;blijkbaar is er dus eenige convergentie ontstaan, maarnbsp;eene zeer geringe, van niet meer dan 4“ voor ieder oog,nbsp;en dit is zeker ontoereikend, om op den geringen afstandnbsp;der lokspijs te fixeeren. Wij vinden dan ook bij de
-ocr page 78-48
berekening y kleiner dan /, waaruit zou volgen, dat bij het gewone zien, zonder bepaalde fiixatie, reeds eennbsp;convergentie zou hebben bestaan, wat mogelijk, maarnbsp;toch niet zeer waarschijnlijk is.
Eindelijk bij dieren, die minder duidelijk fixeeren, bepaaldelijk bij knaagdieren, kan het gezichtsveld zich nog verder naar achteren uitstrekken, ook zonder datnbsp;het binoculaire zien naar voren ontbreekt. Nemen wijnbsp;als voorbeeld het konijn. De sterkste divergentie levertnbsp;ons het witte konijn (fig. 8), een divergentie, namelijk,nbsp;a ma' van 170”, zoodat, aangenomen, dat de gezichtslijnen
h’ ff'
l'/
go en g' d recht naar voren gericht zijn, ze daarmede een hoek •/ vormen a oy van 85°,— in het gezichtsveld naarnbsp;voren nog 2 x 10° = 20° {gob g' o' b') binoculair ziennbsp;zou mogelijk blijven en naar achteren de gezichtsvelds-grenzen der beide oogen o ^ en o' t' evenwijdig aan hetnbsp;mediane vlak m ni zouden loopen. Wij zijn hier dus op
-ocr page 79-49
de grens aangekomen , waar ook naar achteren binoculair zien zou kunnen beginnen, bij buitenwaartsche bewegingnbsp;der oogen wellicht voorhanden is Deze voorstelling omtrent het gezichtsveld bij het witte konijn berust op desnbsp;te vasteren grondslag, omdat, zooals boven werd vermeld ,nbsp;juist bij bet genoemde dier het dóórschemeren der netvliesbeelden tot op 95° van de hoorn vliesas is waargenomen.
Onderzoekingen , als de hier medegedeelde, werden door Prof, Donders vooral verlangd, om een nader inzichtnbsp;te verkrijgen in de ontwikkeling van bet binoculaire zien.nbsp;Wat wij konden mededeelen is echter nog te fragmentair,nbsp;om ons in vele beschouwingen daaromtrent te mogennbsp;verdiepen. De overgangs-vormen bij zoogdieren liggennbsp;evenwel reeds tamelijk klaar voor oogen. Bij den meestnbsp;zjidelingschen stand der oogen ziet het dier nog recht voornbsp;zich uit, en wel tot op betrekkelijk geringen afstand van denbsp;oogen, op grooteren afstand dus zelfs binoculair. Wordtnbsp;in de opklimmende reeks de divergentie der hoornvliesassennbsp;geringer, dan verliest het gezichtsveld naar achteren ennbsp;breidt zich naar voren binoculair uit. Hiermede wordtnbsp;ook het binoculair fixeeren duidelijker en duidelijkernbsp;en de fixeerende netvliespunten naderen meer tot hetnbsp;midden van het netvlies. Bij den mensch en bij de an-tbropoiden zijn zij zelfs weinig van het midden verwijderd en karakteriseeren zij zich als gele vlek met foveanbsp;centralis. Alleen bij sterke myopen kunnen zij het midden werkelijk bereiken, waarmede / = o wordt.
Ons eerste streven zal nu moeten zijn, nauwkeurig te onderzoeken, of op de plaats, waar het beeld van het gefixeerde voorwerp komt te liggen, het netvlies zich doornbsp;bijzonderen bouw onderscheidt. Dat dit niet alleen bijnbsp;den mensch en bij de apen, maar ook bij verschillendenbsp;Sauri, bg de schildpad, de krokodil en verwante dieren
4
-ocr page 80-¦werd gezien, vindt men reeds bij Job. Müller opgeteekend; maar bij de latere onderzoekingen over het netvlies heeftnbsp;dit punt te weinig de aandacht getrokken. Onze bepalingen van / geven een aanwijzing, in welk gedeelte vannbsp;het netvlies men vooral zal te zoeken hebben.
Verrassend was de ontdekking van Heinrich Müller, dat bij sommige vogels twee punten van direct zien opnbsp;het netvlies voorkomen, het eene blijkbaar voor mono-culair, het andere voor binoculair zien. In verbandnbsp;hiermede zou het belangrijk zijn, ook bij reeksen vannbsp;vogels den stand der oogen naar onze of naar beterenbsp;methoden te bepalen.
Eindelijk moet de leer van het gezichtsveld gecompleteerd worden met een onderzoek over de bewegingen der oogen bij dieren, — een moeielijke, maar zeker hoogstnbsp;dankbare studie, waaromtrent wij slechts eenige geïsoleerde feiten hebben verzameld, die wij meenen voorshandsnbsp;te moeten achterhouden.
Op de vraag, in hoeverre men uit de helling van het vlak der oogkuilsranden tot die der hoornvliesassen kannbsp;besluiten, zouden de in de tabellen vermelde uitkomstennbsp;wel gelegenheid geven terug te komen. Prof. Dondersnbsp;deelt ons echter mede, dat hij dergelijke metingen naar eennbsp;gewijzigde methode op grooter schaal wenscht uit te breiden,nbsp;ook op schedels van verschillende menschenrassen, ennbsp;waarschijnlpk mogen wij dus hieromtrent eene mededee-ling van zijne hand te gemoet zien.
-ocr page 81-DOOR
F. C. DONDEKS.
Een hollandsche of Galileïsche kijker bestaat, zooals men weet, uit een negatief oculair, met brandpuntsafstandnbsp;ƒ, en een positief objectief, met brandpuntsafstand f l.nbsp;Deze l is de afstand tusschen oculair en objectief, bijnbsp;welken de focaal-afstand van den kijker oneindig is, datnbsp;is, waarmede evenwijdig op het objectief vallende stralennbsp;evenwijdig uit het oculair in het oog treden, De ver-
. nbsp;nbsp;nbsp;. ƒ I
grooüng IS m = ——
Een dergelijke kijker heeft, bij brandpuntsafstand F = 00, dus ee» constante lengte en een constante vergroeiing.
Ik heb nu getracht een kijker te construeeren, waarmede door verschuiving der glazen , binnen zekere grenzen, alle vergrootingen in een coniinueele reeJes te verkrijgen zijn.nbsp;Voor zoodanigen kijker schijnt de benaming pankratiscknbsp;niet ongepast.
De aanleiding tot de constructie lag in de behoefte aan een veranderlijke vergrooting tot vergelijking der grootten,nbsp;waaronder hetzelfde voorwerp zich aan oogen van verschillende refractie vertoont. Niet zelden komt verschilnbsp;van refractie voor tusschen de twee oogen van denzelfden
-ocr page 82-persoon (anisometropie). Ligt de grond van het verschil niet in verschil van dioptrisch stelsel, maar, zooalsnbsp;gewoonlijk, schier uitsluitend in verschil van lengte dernbsp;gezichtsas, dan is, bij correctie der ametropie door eennbsp;in het voorste brandpunt geplaatst glas, het netvliesbeeld,nbsp;zooals Knapp bewees, van gelijke grootte als dat vannbsp;het emmetropische oog. In dat geval zullen dus denbsp;Tl et vliesbeelden van hetzelfde voorwerp, wanneer de ametropie is gecorrigeerd, op beide oogen van gelijke groottenbsp;zijn. Het is nu de vraag, onder welke relatieve groottennbsp;wij alsdan met ieder oog het voorwerp zien. Door eennbsp;zwak prisma voor een der oogen, — liever nog voor elk oognbsp;een zéér zwak prisma te houden, het eene met den hoeknbsp;naar boven, het andere met den hoek naar beneden,nbsp;vertoont het eene halfbeeld zich boven het andere ennbsp;kunnen de grootten van beide onderling vergeleken worden, Als voorwerp kieze men een platte figuur, — eennbsp;vierkant, eeir driehoek of cirkel,
Op deze wijze bleek al aanstonds, dat in den regel het voorwerp zich voor een myopisch oog kleiner, voor eennbsp;hypermetropisch grooter vertoont dan voor een emmetro-pisch. Maar het was mij te doen, om de juiste verhoudingnbsp;dier grootten te kennen, en dat doel scheen alleen nauwkeurig te bereiken met de bepaling, bij welke vergrootingnbsp;van het kleinste of verkleining van het grootste beidenbsp;aan elkander zouden gelijk worden. Dé gewenschte vergrooting en verkleining nu kunnen worden verkregennbsp;door een zwakken kijker, voor een der oogen gehouden.nbsp;Als zoodanig gebruikte ik twee ringen, op een ouderlingennbsp;afstand van twee parijsche duimen, waarin glazen dernbsp;brillenkist werden geplaatst van twee duim verschil innbsp;brandpuntsafstand, combinaties dus van — V2 met '!*,nbsp;— 'h met - - Vs enz. tot — Vis met -t- Vao. Bij de eerste
-ocr page 83-53
was »«=2, bij de laatste »a = 'Vn. Was de combinatie gevonden, die bet kleinste half beeld aan het grootstenbsp;gelijk maakte, dan moest bij omkeering van den kijker,nbsp;die nu voor het andere oog gehouden werd, het grootstenbsp;halfbeeld gelijk worden aan het kleinste: daarin had mennbsp;een zekere contróle. Toch waren aan de methode grootenbsp;bezwaren verbonden. Bij vergelijkende proefneming metnbsp;verschillende combinatiën wankelde men in de keuze;nbsp;het heên en weer beproeven was tijdroovend en hetnbsp;resultaat was onzeker en niet nauwkeurig. Bovendiennbsp;was het minimum van vergrooting, met de beschikbarenbsp;glazen te verkrijgen, voor vele gevallen te groot. Hetnbsp;was klaar, dat een kijker, waarvan de vergrooting, metnbsp;behoud van zyn focus op co, binnen zekere grenzen konnbsp;variëeren, beter aan het doel zou beantwoorden, en iknbsp;stelde mij daarom de vraag, of een dergelijke kijkernbsp;zich liet construeeren.
Al spoedig overtuigde ik mij, dat verschillende combinaties van drie of meer lenzen zich daartoe laten gebruiken. Onder deze gaf ik de voorkeur aan een combinatie van drie lenzen, en wel aan de volgende: I. een vaststaand concaaf oculair^ III. een bewegelijk concaafnbsp;oljectief en, tusschen deze beide, II. een verschuifbarenbsp;convexe lens, sterker dan I of III, maar zwakker dan
I III.
Het was mij voorshands te doen om grenswaarden van 4nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;3
m = 'g- tot OT = -j-, te verkrijgen door een korten kijker.
Hieraan zou worden voldaan, wanneer de valenties van I, II, III resp. 12, 21 en 12 dioptriën waren, dat is,
wanneer deze brandpuntsafstanden hadden van -jg ^
1
^2 meter. Werd dan II met III vereenigd, dan had men
-ocr page 84-54
een positief objectief van 21 — 12 = 9, een negatief oculair
van 12, en dus m — g-. Werd II met I vereenigd, dan had men een positief oculair van 21 —12 = 9, een
9
De lengte van
negatief objectief van 12, en dus
= 0.027
den kijker zou bij deze vergrooting -g' — jg
Meter bedragen. In aanmerking nemende, dat II niet met I of III kan vereenigd worden, maar slechts er tegenaan geschoven, en dat de grenswaarden van m dus niet te bereikennbsp;waren, koos ik I = 12, II n: 20, III =12 dioptriën, ver-1 12 8
tegen WO ordigende m — -g- tot »* = nbsp;nbsp;nbsp;, maar in wer-
., nbsp;nbsp;nbsp;,4nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;3
kelijkheid ongeveer gevende -g- tot
Bij de aanwending ging ik uit van m =zl en F = lt;x.
Lens II ligt daarbij in het midden tusschen I en III, die zoover van elkander staan, dat hunne brandpuntennbsp;cp en q)' tevens de geconjugeerde brandpunten zijn vannbsp;11. L is dan = 33.3 mm. Schuift men nu II terug, dannbsp;wordt M gt; 1, maar spoedig wordt het beeld onduidelijk:nbsp;zal, namelijk, F— oo blijven, dan moet ook III wordennbsp;teruggeschoven, aanvankelijk langzaam, allengs sneller,nbsp;3nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1
zoodat bij m nbsp;nbsp;nbsp;maximum der vergrooting, Z = -g
41.66 mm. komt te bedragen.
meter = 125—83.33:
1
12
-ocr page 85-55
Voor mingeoefenden levert die verschuiving der heide lensen een pracüsch bez-waar. Is door verschuivingnbsp;van II nagenoeg de verlangde grootte verkregen, dannbsp;moet men III verschuiven, tot het beeld scherp wordt,nbsp;vervolgens op nieuw II voor de verlangde grootte en,nbsp;zoo noodig, andermaal III. Ik stelde mij nu de vraag,nbsp;of dit bezwaar niet door zekere combinatie zou zijnnbsp;uit den weg te ruimen, en ik zag al spoedig in, datnbsp;het althans tot een minimum zou kunnen gereduceerdnbsp;worden, door aan III en I verschillende waarden te geven.nbsp;Voor m — \ komt II dan niet meer op het middennbsp;tusschen I en III te liggen en bij het terug schuivennbsp;van II, waarbij ra gt; 1 wordt, moet III dan aanvankelijknbsp;een weinig tot I naderen, om eerst bij verder toenemendenbsp;vergrooting zich op nieuw van I te verwijderen. Wijnbsp;verkrijgen dus in dit geval met het stijgen der waardennbsp;van ra een keerpunt voor de waarden van l. In plaats van
12 nbsp;nbsp;nbsp;20nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;12,
gebruikte ik nu
12 nbsp;nbsp;nbsp;20nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;11,
later
12 nbsp;nbsp;nbsp;19nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;11,
welke combinatie voor kleine vergrootingen inderdaad uitnemend voldeed.
Om voor alle gevorderde berekeningen gemakkelijke formules te verkrijgen en zoo mogelijk aanwijzing vannbsp;nog betere stelsels, wendde ik mij tot mijn geachtennbsp;vriend en collega Gr r i n w i s , die , bereidvaardig alsnbsp;als altijd, mij het volgende toezond :
I nbsp;nbsp;nbsp;IInbsp;nbsp;nbsp;nbsp;III
Oculair. Middenlens. Objectief. Brandpuntsafstanden ƒnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;fnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;fquot;
-ocr page 86-66
-ƒ=“ nbsp;nbsp;nbsp;ƒ=*nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-7^=“’
Verder afstand I en II (oculair tot middenlens) = A „ II en III (middenlens tot objectief) = A'nbsp;1) Wanneer A of A' bekend zijn, de vergrooting mnbsp;te vinden:
h — a ah t\ nbsp;nbsp;nbsp;/n
m ........v
^ - (gt; ^ ^
2) Wanneer gegeven is, A en A' te vinden:
_ c m — (è — ^.....(3)
a b
{h — c) m hem
A' =
3) Wanneer m gegeven is, de lengte ^van het gebeele stelsel te vinden:
. . (5)
— {b c — 2ac aJ)ra a’
ah ci
In de eerste plaats gebruikte ik nu deze formules tot berekening van a en a' en van l — A a', voor denbsp;verschillende waarden van m in bet stelsel» = 12, 5 quot; 20,nbsp;c — 12, en vond:
|
m |
A |
A' |
1 |
|
1.5 |
41.66 |
0 |
41.66 |
|
1.4 |
36.60 |
2.381 |
39.05 |
|
1.3 |
31.66 |
5.125 |
36.79 |
|
1.2 |
26.66 |
8.333 |
35.00 |
|
1.1 |
21.66 |
12.121 |
33.69 |
|
1. |
16.66 |
16.66 |
33,33 |
|
0.9 |
11.66 |
22.222 |
33.89 |
|
0.8 |
6.66 |
29.16 |
35.83 |
|
0.7 |
166 |
38.095 |
39,76 |
|
0.66 |
0 |
41.66 |
41.66 |
57
De resultaten dezer berekening heb ik in fig. 2 ver-Fig. 2.
eenigd. De abscisse I t, waarop de waarden van m zijn aangeteekend, vertegenwoordigt tevens de constante ligging van I. De lijnen II II en III III geven de standen aan van II en III voor alle waarden van m. Zoonbsp;leveren ons de ordinaten der figuur de standen der glazennbsp;en dus de waarden van A , A' en ^ voor alle waardennbsp;van OT, in de werkelijke afmetingen van den kijker. ^
Het blijkt, dat II, voor gelijke verandering van m, overal gelijke verplaatsing ondergaat, m. a. w., dat de arithmetischenbsp;veranderingen der waarden van m aan de verschuivingennbsp;geëvenredigd zijn, en dat dus de vergrootingen op eennbsp;eenparig verdeelde schaal zullen zijn af te lezen.
Het blijkt verder, dat voor kleine afwijkingen van m — \ slechts geringe verplaatsing van III gevorderdnbsp;wordt, maar dat deze bij rti r= 1.2 reeds 1.66 m.m. bedraagt: blijft die verplaatsing uit, dan verkrijgt de kijkernbsp;reeds een negatieven brandpuntsafstand van 2.86 meter,nbsp;waarbij de beelden verre van scherp zijn. Op de betee-kenis hiervan komen wij later terug.
-ocr page 88-58
Voor stelsels, als het hier beschrevene, is het maximum van vergrooting
M = a : h—c
b—c
= 13,
L =: 1000—83.33 = 916.66 m.m.
Is « = 12, b = 2‘d, c = 12, dan is M = 12; 11 = 1.0909
L = 90.9—83.33 = 7.6 m.m.
Hiermede naderen veij de grenzen van b, in betrekking tot a en c. Is ^ = c, dan worden M en L oneindig.nbsp;Is è = 2 c, dan is M = 1 en L = 0.
De maximale lengte L =
Is a “ 12, h dan is M =:
Mi
1 Ë
Verlangt men voor gelijke grenswaarden van M langere of kortere kijkers, dan heeft men de waarden van a,bencnbsp;slechts allen evenredig te verkleinen of te vergrooten.
In de tweede plaats hebben wij de formules toegepast op het stelsel « = 12, 6 = 19, c = 11 en daarvoor gevonden ;
|
1.5 |
41.66 |
0 |
41.66 | |
|
1.4 |
36.84 |
2.734 |
39.574 | |
|
1.3 |
32.02 |
5.846 |
37.866 | |
|
1.2 |
27.19 |
9.57 |
36.76 | |
|
1,19 (= |
12‘\ ¦ 11V |
26.71 |
9.97 |
36.68 |
|
1.1 |
=S) |
22.37 |
13.92 |
36.29 |
|
10909 ( |
21.93 |
14.35 |
36.28 | |
|
1 |
17.54 |
19.14 |
36.68 | |
|
0.9 |
12.72 |
25 52 |
38.24 | |
|
0.8 |
7.89 |
33.43 |
41.32 | |
|
0.7 |
3.07 |
43.75 |
46.82 | |
|
0.6363 |
0. |
51.95 |
51.95 |
é\
-ocr page 89-59
Vergelijkt men iig. 2 en 3, dan komt een opmerkelijk verschil aan den dag. Wel stijgt m weer gelijkmatignbsp;met A en met het stijgen van m neemt lt;? = A A'nbsp;eerst af en dan weer toe; maarnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1 valt, zooals ik
had voorzien, niet meer samen met het minimum van
d nbsp;nbsp;nbsp;quot;ï 2
l, dat eerst bij m , dat is bij m =-^1 bereikt
wordt. Aan beide zijden van het minimum vinden wij nu telkens twee overeenkomende waarden van l, — en wel
c? nbsp;nbsp;nbsp;144
voor m :=¦
-y nbsp;nbsp;nbsp;— 1.19 gelijke waarde als voor
1. Deze wijkt nog vreinig van het minimum af; m = 1nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;l— 36.68
¦ minimum van l = 36.28
12
M —
1= 36.68
144
121
Het verschil bedraagt slechts 0.4 mm.
-ocr page 90-60
144
Dit beteekent, dat men van = 1 tot m = nbsp;nbsp;nbsp;, om
¥= CP te houden, de objectieflens slechts 0.4 mm. heeft te verschuiven.
En de vraag is, of die verschuiving werkelijk gevorderd wordt, m. a. w., of men binnen de gezegde grenzen vannbsp;m niet met verschuiving der middellens volstaan kan.
is A — 21.93, A' = 14.35, ^ = 36.28. Gaat men
Om daarover te oordeelen , berekende ik den brandpuntsafstand van het stelsel, wanneer de verschuiving van III was uitgebleven. Bij de geringste lengte vannbsp;het stelsel, beantwoordende aan een vergrooting vannbsp;1^
11
nu uit van m — 1 met E = co, waarbij L 36.68 , en verschuift men alleen de middellens, dan krijgt mennbsp;A = 21.93, A' = 36.68— 21.93 = 14.75. Voor dezennbsp;stand der glazen nu vond ik door berekening een positieven brandpuntsafstand F = 17.3 Meter. Die blijftnbsp;voor de scherpte der beelden zoo goed als onmerkbaarnbsp;en mag, ook in betrekking tot de vergrooting, welnbsp;worden verwaarloosd. Hetzelfde geldt van den negatieven brandpuntsafstand van 20 Meters, dien ik berekende voor A = 28.639 en a' = 1.049, l constantsnbsp;36.68, waarbij A aan een vergrooting van m — 1.23nbsp;beantwoordt. Het gekozen stelsel kan dus gebruiktnbsp;worden van wj = 1 tot w = 1.23 en , bij omkeering,nbsp;van OT = 1 tot OT = 0.813, zonder verschuiving dernbsp;objectieflens. Dit gewichtige voordeel werd verkregen doornbsp;I en III niet gelijk te stellen. Voor het doel, waarmede ik den pankratischen kijker construeerde, behoefnbsp;ik de gezegde grenzen bijna nooit te overschrijden.
Buiten en — waar het op groote nauwkeurigheid aankomt — ook binnen die grenzen, zal men wél doen,
-ocr page 91-61
F= GD te houden. Er zou wel een mechanisme zijn aan te brengen, waardoor te gelijk met de verschuiving vannbsp;II de correspondeerende voor III verkregen werd, waarbijnbsp;dan ook a — c zou kunnen zijn. Maar het is voldoende, eennbsp;dubbele verdeeling aan te brengen, ééne om den standnbsp;van a, eene andere, om den correspondeerenden standnbsp;van III af te lezen : naar gelang de waarnemer dan IInbsp;verschuift, om de gevorderde vergrooting op te zoeken,nbsp;kan men aan III den correspondeerenden stand geven. Voornbsp;de middellens is de verdeeling gelijkmatig (zie IIII fig. 3);nbsp;hoe ze voor de objectief-lens zijn moet, volgt uit denbsp;kromme III III.
Dat binnen de gewone grenzen van m de verschuiving van III zoo gering is, maakt, dat het beeld niet ophoudtnbsp;scherp te zijn en neemt dus alle bezwaar weg voor hetnbsp;opzoeken der gevorderde vergrooting. Heeft men die gevonden , dan kan de waarnemer zelf III, zooveel noodig,nbsp;naar den stand van II verschuiven , en nu II nogmaalsnbsp;stellende de uitkomst wel voor nauwkeurig houden.
Om al de vooideelen te hebben van zoodanig stelsel, zy in ’t algemeen a : c-= den vierkantswortel uit de vergrooting,nbsp;die men slechts bij uitzondering heeft te overschrijden.
De verlangde absolute grens van m verkrijgt men door de keuze van l (zie boven). Met h wijzigt zichnbsp;nu ook de brandpuntsafstand F', die het stelsel bij
M = - aanneemt, en wel zoo, dat in de stelsels, die voor c
mijn doel in aanmerking komen, F ongeveer evenredig aan b. Ik vond , namelijk, voor
a = 12 b = 20 c = 11, F =;: 18.386 M. a = 12 ó = 19 e = 11, F = 17.307 M.
De lengte van den kijker bepaalt men naar welgevallen, door, met behoud der betrekkelijke, de absolute waarden
-ocr page 92-van a, 4 en c te veranderen, waaraan de lengte van den kijker omgekeerd evenredig is. Aan het verlengen vannbsp;den kijker is het voordeel verbonden, dat E grooter wordtnbsp;en de beelden, bij het nalaten der verschuiving van III,nbsp;dus minder in scherpte verliezen.
De pankratische kijker laat zich nog voor andere doeleinden gebruiken en het beginsel kan op andere diop-trische stelsels worden toegepast. Ik vind wellicht aanleiding, daarop later terug te komen.
-ocr page 93-1. nbsp;nbsp;nbsp;Dubbelbril tot bepaling der refractie, (^Handbuch dernbsp;AugenJieilhunde. Saemisch und G r a e f e III. p. 50)nbsp;Snellen. Een tooneelkijker in den vorm van een bril,nbsp;bestaande uit een paar negatieve glazen van 1 duimnbsp;brandpuntsafstand en daarvoor een paar positieve glazennbsp;van 2 duimen afstand. Bij het uitschuiven wordt tevensnbsp;een wijzer bewogen over eene schijf, waarop eene schaalnbsp;is aangebracht, die, voor de verschillende graden vannbsp;uitschuiving de breking van het systeem aangeeft.
Verkrijgbaar bij 11. Jung, opticus, Heidelberg.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Lens van Stokes met constante as. Snellen. (A. von
Graefe’s Archiv für Opkthalmologie.l^Td.'K.YK.l.T^.'iè.)
Twee cylinderlenzen (C—1/,^ en C -|- i/,,) zijn gecen-
1) Onderstaande beschrijving van werktuigen, voor een deel toebehoorende aan het physiologisoh laboratorium, werd gemaaktnbsp;voor den Catalogus der Loan, 'Exhibition of scientific Apparatus dennbsp;1 April 1876, in het South Kensington Museum te Londen,nbsp;geopend, waarvoor zij werden afgestaan. Ten behoeve van hen,nbsp;die zich in het gebruik daarvan willen oefenen, werd ze ooknbsp;in de bijbladen opgenomen.
Donders.
-ocr page 94-64
treerd voor elkander geplaatst en om een op het vlak loodrechte as draaibaar, en wel door middel van opgesloten stalen veeren gelijkmatig, maar in tegenovergestelde richting. De hoofdmeridianen van het systeem blijven hierbijnbsp;steeds dezelfde richting behouden. De breking in denbsp;hoofdmeridianen verandert nu bij draaiing evenredig aannbsp;den sinus van den hoek, die de assen der twee cylindersnbsp;maken. Hiernaar is de schaal vervaardigd, die op dennbsp;rand van een der glazen wordt afgelezen. Tot bepalingnbsp;der refractie laat men door deze lens van veranderlijkenbsp;sterkte naar evenwijdige lijnen zien, die in de richtingnbsp;loodrecht op een der hoofdmeridianen van de lens opnbsp;afstand opgesteld of wel in een koker daarmede verbonden zijn.
Vervaardigd door den opticien A. C r é t è s. Parijs.
3. Phakometer (Snellen), tot bepaling van de sterkte van lenzen, heeft tot grondslag, dat lichtbeeld en lichtbronnbsp;altijd op onderling gelijke afstanden van de te onderzoekennbsp;lens geplaatst worden. Het voorwerp (verlichte puntennbsp;op mat glas) en het scherm, waarop het beeld wordt opgevangen, worden, op volkomen overeenkomstige wijze,nbsp;maar in tegenovergestelde richting, elk door een opgesloten stalen veer voortbewogen.
Ten einde ook zwakke lenzen te kunnen bepalen, is ter weerszijde van de te onderzoeken lens (op afstand vannbsp;24.33 mm. van het midden) eene hulplens (van2.75dioptriën)nbsp;aangebracht. Het scherm, dat het beeld opvangt, beweegtnbsp;zich langs eene schaal, waarop telkens bij den dubbelennbsp;brandpuntafstand van het systeem der drie lenzen (doornbsp;berekening verkregen) is aan gegeven de waarde van denbsp;lenzen, die voor oogheelkundig gebruik aangewend wor •
-ocr page 95-65
den. Tot op i/jo dioptrie kan men met genoegzame j uist-heid schatten, hoeveel de onderzochte lens'van de op de schaal aangegevene sterkten verschilt.
De schaal is berekend voor de volgende hioonvexe lenzen, van glas met brekingsindex n = 1.5 en met de volgende dikten:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Daar het beeld steeds dezelfde grootte beeft, is het scherp instellen gemakkelijk. Op het scherm is het beeld afgeteekend. Wanneer het lichtbeeld deze figuur juist bedekt, zoo valt het centrumnbsp;van het glas samen met de middellijn van het instrument.nbsp;Niet alleen het brandpunt, maar ook het centrum kannbsp;dus direct worden bepaald. |
Q:-f
-ocr page 96-Men kan de schaal ten allen tijde controleeren, door de sterkere glazen ook direct — na verwijdering dernbsp;hulplenzen — te bepalen. Men neemt dan den dubbelennbsp;brandpuntsafstand, gerekend van het correspondeerendnbsp;hoofdvlak der lens tot aan het punt, waar het beeldnbsp;gevormd wordt.
Als zoodanig, is dit instrument alléén ingericht voor symmetrische (biconvexe) lenzen. Om planconvexe ofnbsp;periscopische glazen te bepalen, zal men wel doen, tweenbsp;glazen van gelijke sterkte zoodanig tegen elkander tenbsp;plaatsen, dat men een symmetrischen vormt verkrijgt.nbsp;Van dit systeem de ligging der hoofdvakken berekenende , kan men daarnaar de schaal reduceeren.
Fabriekant; D. B. Kagenaar, Utrecht, prijs ƒ42.50.
4. Hikroskoop om de diepte der oogkamer te meten. Donders en Mulder. Door verschuiving der geheele mi-kroskoopbuis wordt achtereenvolgens ingesteld voor a. oppervlakte der cornea, è. iris en c. reflexiebeeid; denbsp;verschuiving van a naar d is de schijnbare diepte dernbsp;oogkamer; die van a naar c geeft den radius der cornea,nbsp;die in staat stelt uit de schijnbare de ware diepte tenbsp;berekenen. Op het midden der objectief-lens is een kleinnbsp;spiegeltje gekleefd : ziet het onderzochte oog eene hierinnbsp;gereflecteérde verwpderde vlam , dan is het juist gericht,nbsp;accommodeert voor afstand en vertoont den onderzoekernbsp;het reflexie-beeld tot de bepaling van den radius der cornea.
5. Phacoidoscoop. Donders. Anomalies etc. p. 16, eene wijziging van de zoogenoemde ophthalmoscoop, waarmedenbsp;de vormverandering der lens als grond der accommodatienbsp;door Cramer {Het accommodatie vermogen pJigsiologisch toe-
-ocr page 97-67
gelicht. Haarlem 1853) werd ontdekt: men ziet de drie spiegelbeeldjes in het oog onder veranderlijke hoeken,nbsp;terwijl het onderzochte oog zich afwisselend voor afstandnbsp;en nabijheid accommodeert.
6. Plaatjes toof entoptisch onderzoek met 2 openiugen. Donders, {zie Anomalies etc. p. 201). Ter bepaling dernbsp;diepteligging van onregelmatigheden (mouches volantes,nbsp;zwarte vlekken, parelvlekken enz.) in de vochten vannbsp;het oog, naar de méthode k double vue: die van hetnbsp;eene oog worden in ’t gezichtsveld van het andere ge-projiciëerd en de afstand der dubbelbeelden wordt metnbsp;schuifpasser gemeten.
7. Optometer Donders. (The anomalies of refraction and accommodation of the eye. New Sydenham society,nbsp;London 1864. p. 115). Een langwerpige vierhoekige tafelnbsp;op voet, waarin drie sleuven met schaal verdeel in g,nbsp;waarin een draad- of punt-optometer verschuifbaar is.nbsp;Aan een der smalle einden twee ringen voor het opnemen van lenzen, wier onderlinge afstand door schroevennbsp;geregeld wordt, en die bovendien bewegelijk zijn innbsp;cirkelbogen, waarvan de middelpunten met de draaipunten der oogen samenvallen. De stand der oogen,nbsp;door twee zijdelingsche kijkertjes te controleeren, is verzekerd door het rusten der jukbeenderen op verschuifbarenbsp;houten staafjes. Zoodoende kan, bij vasten afstand tus-schen oog en glas, onder alle convergenties de gezichtslijnnbsp;met de as der lens samenvallen, — Het werktuig dientnbsp;tot bepaling der accommodatie-grenzen voor lederen graadnbsp;van convergentie: curven der dichtste en verste punten alsnbsp;functie der convergentie (relatieve accommodatie-breedte).
-ocr page 98-8. nbsp;nbsp;nbsp;ËeuToudig phacuophthalmolroop, Donders, dienendenbsp;om de bewegingen naar de wet van L i s t in g en de daaraannbsp;verbonden richtingen der meridianen aanschouwelijk tenbsp;maken {Arehiv für OpMlialmologie XVI. 1. p. 154). Innbsp;een buitensten vasten ring is een tweede ring draaibaar,nbsp;voorstellende het hoofdassenvlak, waarin alle assen liggen,nbsp;die het oog uit den primairen in de secundaire standennbsp;brengen. Vóór de draaiing om een dier assen, stelt mennbsp;de armen van het kruis verticaal en horizontaal: na denbsp;draaiing wijzen deze nu de standen aan van verticalennbsp;en horizontalen meridiaan.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Samengesteld phaeuophtlialmotroop, Donders, maakt,nbsp;evenals het enkelvoudige de draaiing naar de wet vannbsp;Listing aanschouwelijk; maar is ingericht, om ooknbsp;door draaiing om een verticale en een horizontale asnbsp;(Seitemcendung und Erhebung van Helmholtz) aan denbsp;bliklijn dezelfde richtingen te geven; in dit laatste gevalnbsp;wijst het kruis voor de meridianen een anderen standnbsp;aan dan bij draaiing om ééne as, naar de wet van Listing: het verschil is de zoogenoemde Eaddrehung vannbsp;Helmholtz.
10 en 11. Dezelfde werktuigen in het klein, voor eigen studie der oogbewegingen, gelegenheid gevende tot vergelijking van de richting der nabeelden met die der armennbsp;van het kruis bij overeenkomstige bewegingen. (Verg.nbsp;Onderz. Labor. Ser. II. D. III bl. 119 en Jrchiv f. OpMh.nbsp;B. XVI S. 160 )
-ocr page 99-12. Ophthalmotropometer Snellen. {Handbnch der Augenkeilkunde von Graefe und Saemisch III. p. 236)nbsp;Dit instrument bedoelt de bewegingen naar rechts ennbsp;links van elk oog afzonderlijk en van de beide oogen,nbsp;ten opzichte van elkander, te bepalen. Het bestaat,nbsp;in hoofdzaak, uit twee stangen, die, om een asnbsp;draaiende, een hoek met elkander vormen, direct af tenbsp;lezen op een graadboog, die met een der stangennbsp;verbonden is. Het instrument moet nu zoo geplaatstnbsp;worden, dat het draaipunt van de beide stangen zichnbsp;loodrecht onder het draaipunt van een der oogen bevindt.nbsp;Hiertoe is de plaat, waarop de stangen liggen naar vorennbsp;en achteren, en ook rechts en links verschuifbaar,nbsp;onafhankelijk van de steunpunten, waartegen het hoofdnbsp;aan de beide onderoogkuilsranden rust. Men laat nu hetnbsp;midden van een kijker fixeeren, die door een der stangennbsp;gedragen wordt en stelt door bewegingen rechts en linksnbsp;het instrument zóó, dat het oog in het midden vannbsp;het kijkerveld ligt. Draait men nu den stang met dennbsp;kijker eenige graden en laat men op nieuw fixeeren, dannbsp;zal het oog buiten het midden van het gezichtsveldnbsp;gezien worden, wanneer draaipunt van oog en vannbsp;instrument niet samenvallen. Door nu zooveel naar vorennbsp;of achteren te schuiven, dat het oog weder in hetnbsp;midden van het kijkerveld verschijnt, heeft men hetnbsp;instrument ten opzichte van het oog de gevorderde stelling gegeven.
Men kan nu bepalen; de bewegelijkheid van elk oog naar buiten, de grenzen van het zijdelings binoculairnbsp;zien, de convergentie bij rechtuit zien en bij eiken graadnbsp;van zijdelingschen blik, voorts den graad van afwijkingnbsp;by scheelzien, het draaipunt van het oog, enz.
Verkrijgbaar bij D, B. Kagen a ar, Utrecht.
-ocr page 100-70
13. nbsp;nbsp;nbsp;Ophthalmo-statometer, tot bepaling ran de exorbitale protrnsienbsp;ran den oogbol. Snellen. Twee staafjes, onderling verbonden met een dwarsstaafje , worden gesteund tegen dennbsp;binnensten en den buitensten orbitaalrand. Van uit hetnbsp;dwarsstaafje wordt eene kleine kruk naar beneden geschoven , totdat deze zacht aan drukt tegen den door hetnbsp;ooglid bedekten oogbol. De dikte van het ooglid moetnbsp;bg de aflezing worden afgetrokken. Men kan ook directnbsp;den stand van den top van het onbedekte hoornvliesnbsp;aflezen, door middel van een vizier, dat langs een dernbsp;staven verschuifbaar is. {Handbuch dar Augenheilkunde vonnbsp;Graefe und Saemisch III, p. 199.) Vervaardigdnbsp;door P. W. Hiele, Utrecht.
14. nbsp;nbsp;nbsp;Werktuig tot bepaling der bewegingen ran hoofd en oognbsp;by reranderde blikrichting. Donders en Eitzmann^nbsp;(verg. Arcliwfür Opldhalmologie XXI. 1.131). Een gebogennbsp;houten staafje, dragende aan de eene zijde een mondstuk,nbsp;aan de andere zijde een boog (met verschuifbaar vizier),nbsp;bewegelijk om een as, gaande door het draaipunt van hetnbsp;oog, — tevens het krommingsmiddelpunt van den boog.nbsp;Over de as van den boog vizeert men een punt a, vervolgens, zonder hoofdbeweging, een punt b en stelt hierop hetnbsp;vizier; daarna wederom a en na vrije beweging h vizeerende,nbsp;leert men met de alsnu gevorderde verschuiving van het vizier het aandeel kennen der hoofdbeweging. Ging na de vrijenbsp;beweging de boog niet meer door b, dan brengt men hemnbsp;op b en leest de daartoe gevorderde draaiing in graden af.
15. nbsp;nbsp;nbsp;Controleur der wetten ran Donders en Listing
(nog niet beschreven). Donders. Een gebogen houten staafje, aan de eene zijde voorzien met een mondstuk ,
-ocr page 101-71
aan de andere zijde meteen gekleurde strook, bewegelijk om een as, gaande door het draaipunt van het oog. Nanbsp;fixatie langs de as, het andere einde van den strooknbsp;fixeerende, ziet men het nabeeld in de verlenging van dennbsp;strook (wet van Listing), onverschillig langs welkenbsp;wegen de bliklyn dit einde bereikte (wet van Donders.)nbsp;Met zijdelingsche overhelling van het hoofd verricht,nbsp;kan de proef leeren , in hoeverre, bij de daaraan verbondene rolbeweging, de wet van Listing nog geldignbsp;blijft.
16. Spiegelende lens met mondstuk tot autoscopie. Donders. {HoUandische Beitrage zu den anatomischen undnbsp;pjiysiologischen Wissenschaften. Düsseldorf und Utrecht,nbsp;1846. p. 384 en Mulder, Archiv fUr Oplithalmologie, Bd.nbsp;XXI Abth. I. S. 87), hoofdzakelijk bestemd om, bijnbsp;zijdelingsche overhelling onder constante blikrichting,nbsp;aan de gefixeerde vaten de rolbewegingen van zijn eigennbsp;oog vergroot te zien : de eerste toepassing der methode ,nbsp;om door verbinding van een werktuig met het hoofd bijnbsp;onveranderde blikrichting waar te nemen.
17. nbsp;nbsp;nbsp;IQondstnk met twee rertikale staafjes. Donders.nbsp;Staafjes evenwijdig aan de schijnbaar vertikale meridianennbsp;en ongeveer 70 mm. van elkander, vertoonen evenwijdigenbsp;halfbeelden nabp elkander, bij alle bewegingen van hetnbsp;hoofd evenwijdig blijvende: de rolbewegingen door zijdelingsche overhelling van het hoofd en tronk zijn dusnbsp;voor beide oogen constant even groot.
18. nbsp;nbsp;nbsp;Staafje met graadboog, tot bepaling der zijdelingschrnbsp;overhelling van bet hoofd. Donders. Met evenwijdige
-ocr page 102-72
gezichtslijnen gezien , vertoont het staafje zich in dubbelbeelden van gelijke richting, als men het de helling geeft van het hoofd (te gebruiken bij proeven overnbsp;parallelle rolbeweging enz.).
19. nbsp;nbsp;nbsp;Inrichting tot bepaling ran den inrioed der voorbijgaandenbsp;en blyrende zijdelingscbe orerbelliiig op de rolbeweging.
Donders. (Verg. Mulder, Otiderz. Labor. Serie III. Dl. III. hl. 129). De inrichting bestaat uit; a. lioofdhonder,nbsp;bij in den primairen stand bevestigd hoofd draaiende om eennbsp;horizontale as, loodrecht op de grondlijn, in iederen standnbsp;snel en gemakkelijk te fixeeren; b eenige meters daarvannbsp;verwijderd, een ronde schijf, met horizontale in het hoofd-fixeervlak gelegen lichtlijn (van gasvlammen) , en metnbsp;inkervingen op den rand tot uitspanning van middellijnen. — Na de lichtlijn eenige sekunden in haar middennbsp;gefixeerd te hebben, sluit men de gaskraan, draait nunbsp;het hoofd met den hoofdhouder en zet dezen vast, terwijlnbsp;het nabeeld met de uitgespannen middellijn samenvalt;nbsp;bet verschil tusschen de helling van het hoofd en vannbsp;de middellijn is de rolbeweging.
20. nbsp;nbsp;nbsp;IRelroscoop tot bepaling van afmetingen van verwyderdenbsp;voorwerpen. Snellen. HandlucJi d^r Avgenheilkunde G r a e f enbsp;u. Saemisch III. 203.
Voor het objectief van een kijker zijn boven elkander aangebracht twee spiegels, die elk de helft van het gezichtsveld innemen en waarvan elk met het vlak van hetnbsp;objectief glas een hoek van 45° vormt, — onderling ondernbsp;een hoek van 90°. Langs een dwarsstaaf zijn bewegelijk ternbsp;wederzijde een aan de overeenkomstige spiegel evenwijdignbsp;spiegelvlak. Door den kijker ziende, ziet men door de twee
-ocr page 103-73
stellen spiegels twee voorwerpen recht i)oven elkander, en de afstand dezer twee voorwerpen van elkander,— opnbsp;welke distantie van den waarnemer zij zich ook bevinden — moet gelijk zijn aan den afstand der tweenbsp;buitenste spiegels.
c. Schijnbaar gelijk gerichte meridianen.
21. nbsp;nbsp;nbsp;Volkmann’s scbijreo tot bepaling van den hoek dernbsp;scheidingslijnen, op ééne plaat vereenigd. Donders.nbsp;De afstand der assen moet bij den proefnemer aan diennbsp;der evenwijdige gezichtslijnen gelijk zijn.
22. nbsp;nbsp;nbsp;ld. van glas, om het evenwijdig stellen der bliklijnennbsp;te vergemakkelijken.
23. nbsp;nbsp;nbsp;Stereoscoop met draaibare spiegels, tot bepaling vannbsp;den hoek der scheidingslijnen bij verschillende gradennbsp;van convergentie.
24. Isoscoop Donders (verg. Onderz. Labor. Derdenbsp;reeks III. Afl. 2. 45 en Arehiv für Ophthahnologie,nbsp;Bd. XXI. Abth. III. S. ] 06). Het werktuig bestaat uitnbsp;hoofdhouder en raamtoestel. In den hoofdhouder (beginselnbsp;van He ring) is het hoofd draaibaar om de grondlijnnbsp;en behouden dus de oogen hunne plaats in de ruimte.nbsp;Het raamtoestel, draaibaar om dezelfde as, bestaat uitnbsp;een vast raam en twee draaibare ramen , waarin op iederenbsp;plaats en in iedere richting draden kunnen worden nit-gespannen. Een der draden staat vast: aan den anderennbsp;wordt door draaiing van het raam de richting gegeven,nbsp;waaronder de beide draden, met de resp. oogen gezien,
-ocr page 104-74
evenwijdig schijnen: de hoek, dien zij nu vormen, wordt op den graadboog met nonius afgelezen. Het isoscoopnbsp;kan ook met vier bewegelijke ramen gemaakt worden.nbsp;Het werktuig dient, om den hoek der vertikale en diennbsp;der horizontale scheidingslijnen zoowel afzonderlijk alsnbsp;gelijktijdig te bepalen, en wel bij iedere neiging van hetnbsp;hlikvlak en iedere convergentie der bliklijnen, hetzijnbsp;symmetrische hetzij asymmetrische, en om tevens dennbsp;invloed op die hoeken te onderzoeken van lijnen en voorwerpen in het gezichtsveld.
d. Gezichtsveld.
25. Perimeter-boog met schematisch projectievlak. Snellen {Handbuch der Augenheilkunde von Graefe «««(iSaemischnbsp;III. p. 57.). Even onder het centrum van een beweegbaren metalen cirkelboog van 180’, bevindt zich eennbsp;steunpunt voor den infra-orbitaalrand, zoodat het oognbsp;zooveel mogelijk in het centrum gehouden wordt. Achternbsp;den cirkelboog bevindt zich een zwart bord, waaropnbsp;telkens onderling 10’ van elkander afwijkende meridianennbsp;getrokken zijn , waarop de als het ware gestrekte boognbsp;met zpne afdeelingen is afgeteekend. De grenzen van hetnbsp;gezichtsveld, aan den boog bepaald, worden op het bordnbsp;aangeteekend, waardoor men eene schematische figuurnbsp;verkrijgt, die eene duidelijke voorstelling geeft van denbsp;grenzen van het gezichtsveld.
Verkrijgbaar bij D. B. Kagenaar, Utrecht, prijs/22.50.
26. Cycloscoop Donders en Küster {Arc/iiv fdr QpUhalmologie. B. XXII Abth. 1. S. 168). bestaande,
-ocr page 105-uit stoel met hoofdhouder en boog met overspringende inductie-vonken. De boog maakt door draaiing omnbsp;verschillende assen de richting van alle meridianen,nbsp;van alle groote cirkels, van de directiecirkels vannbsp;Helmholtz en, door op en neerschuiven in dennbsp;standaard, die van parallel-cirkels aanschouwelijk. Terwijl het eene oog (bij bedekking van het andere) zichnbsp;in het krommingsmiddelpunt van den boog bevindt, innbsp;den primairen stand gericht op eene door bestrijken metnbsp;phosphorus eenigzins lichtende plek in een overigensnbsp;donker vertrek, kan men bij goed bevestigd hoofd denbsp;inductievonken zich als verwijderde sterren voorstellennbsp;en in het afgetrokken oordeelen, van welke richting dezenbsp;cirkels den indruk geven, zoowel uit het hoofdfixeerpunt,nbsp;als direct gezien. (Over de beteekenis van zoodanig onderzoek zie Helmholtz; PJiysiolagische Optih. § 28. p. 550nbsp;en volgende.)
27. Iloropteroscoop van Donders dienende tot bepaling van het lijn-horopter-vlak, bij verschillende helling vannbsp;het blikvak en verschillende graden van convergentie. Hetnbsp;horopter-vlak (de vierhoekige plaat) is draaibaar om denbsp;grondlpn van het door een mondstuk bevestigde hoofd; denbsp;onderlinge afstand der twee horizontale lijnen, met ofnbsp;zonder overkruising gezien, bepaalt de convergentie : aannbsp;het horopter-vlak geeft men nu de helling, waarbij de horinbsp;zontale lijnen gelijke richting hebben en draait vervolgensnbsp;het horopter-vlak om een horizontale as, door die lijnennbsp;gaande, tot de twee loodrecht daarop staande lijnen ooknbsp;evenwijdig zijn: men vindt zoodoende de positie voornbsp;handenarbeid, die, volgens Donders, in den loop dernbsp;tijden den hoek der schijnbaar gelijk gerichte meridianennbsp;heeft bepaald.
-ocr page 106-7G e. Stereoscopie.
28. nbsp;nbsp;nbsp;Vtfttkenstereoscoop, Donders. {Ned. Archief voornbsp;Genees- en Natuurkunde. Deel. II. bl. 335 en Archiv fürnbsp;OphtJialmologie. B. XIII, S. 1 33). Een kastje metnbsp;twee openingen voor de oogen , waarin een reeks allerkleinste inductie vonken een fixeerpunl leveren. Doornbsp;een in alle ricktingen verschuifbaren deksel gaan tweenbsp;electroden, tusschen welke men op iedere plaats vóórnbsp;en achter het fixeerpunt een sterken vonk kan laten overspringen; monoculair ziende, herkent men die plaats niet,nbsp;binoculair bij den eersten vonk.—Tusschen de openingennbsp;voor de oogen zijn andere electroden. Een vonk, overspringende tusschen deze 2 laatste electroden, is niet directnbsp;zichtbaar, maar twee reflectie-beeldjes er van ziet men opnbsp;eene gekleurde lens: één dier beeldjes is gekleurd, het andere niet. Bij binoculair zien is hunne ligging in betrekkingnbsp;tot het fixeerpunt spoedig te herkennen; maar zondernbsp;een fixeerpunt zijn vele vonken noodig, om hunne juistenbsp;ligging te beoordeelen. — In het algemeen zijn gekleurdenbsp;lenzen zeer doelmatig, om de reflexie-beeldjes van concavenbsp;en convexe oppervlakten en hunne onderlinge ligging aannbsp;te toonen.
29. nbsp;nbsp;nbsp;Ptotostereoscoop van Donders, naar het beginsel vannbsp;Bering ingericht. {Onderz, Labor. Serie III. Dl. II.nbsp;pag. 94). De vallende balletjes vertonnen zich opnbsp;de respectieve afstanden onder gelijke hoeken en gaannbsp;in gelijke tijden door het gezichtsveld, zoodat allenbsp;aanwijzing van het monoculaire zien is uitgesloten en denbsp;betrekkelijke waarde van het bijkomend oog uit de verhouding tusschen het aantal juiste en onjuiste gevallennbsp;(naar de methode van Eechner) kan worden afgeleid.
-ocr page 107-DOOK
r. C. DONDERS,
Zooals men weet, is bij de zoogenaamde kleurblindheid het herkennen van sommige of van alle kleuren geheel ofnbsp;gedeeltelijk opgeheven. Het scheen nu zoowel uit eennbsp;theoretisch als uit een praktisch oogpunt van gewicht,nbsp;den graad dier stoornis nader te bepalen, met anderenbsp;woorden, het onderscheidingsvermogen, voor iedere kleur,nbsp;numeriek vast te stellen. Ik wil trachten, eene methodenbsp;hier nader te omschrijven, die reeds voor twee jarennbsp;door mij werd aan de hand gedaan (Aanteekeningen,nbsp;Utrechtsch genootschap, 25 Juni 1875.)
Mijn onderzoek ging uit van de vraag, welke eischen men, ten aanzien van het herkennen der signalen, aannbsp;het spoorwegpersoneel te stellen had. De signalen bestaannbsp;hoofdzakelijk in witte, roode en groene vlaggen, voornbsp;opvallend licht, bij dag, en van al of niet door rood ofnbsp;groen glas gekleurde lichten, als door vallend licht, bijnbsp;nacht.
Eene numerieke bepaling is te verkrijgen door het aangeven eener grens, waarbij een kleur of kleurtoon
6
-ocr page 108-78
nog met zekerheid herkend of van andere onderscheiden wordt. Die grens kan men zoeken a. in de lichtsterkte,nbsp;b. in de saturatie en c. in den gezichtshoek. Voornbsp;lichtsterkte en voor saturatie kan ze gevonden wordennbsp;door vergelijking van grijze en gekleurde sectoren-ringen,nbsp;resp, op een zwarte en op een witte draaischijf, — ondernbsp;gelijke omstandigheden op het onderzochte en op eennbsp;normaal oog toegepast. Maar eenvoudiger dan dezenbsp;methoden is die, welke den gezichtshoek ten gronde legt.nbsp;Bovendien scheen zij zich voor mijn bijzonder doel è, priorinbsp;aan te hevelen, omdat de deugdelijkheid van het spoorwegpersoneel beoordeeld moet worden naar den afstand,nbsp;waarop, — den gezichtshoek, waarbij de signalen wordennbsp;herkend. Bij de toepassing is ze gebleken aan het doelnbsp;te beantwoorden.
Volkomen gemis aan onderscheidingsvermogen van deze of gene kleur komt betrekkelijk zelden voor: gesatureerdenbsp;kleuren, goed verlicht en onder tamelijk grooten gezichtshoek gezien, worden ook onderscheiden door de meesten,nbsp;die heeten kleurblind te zijn. Maar onvolkomenheid vannbsp;kleurenzin is algemeener, dan men zich doorgaans voorstelt, Naderende tot een klein gekleurd voorwerp, onderscheidt het normale oog de kleur slechts weinig later dannbsp;het licht; men zal niet lang te zoeken hebben, om iemandnbsp;te vinden, die de kleur eerst veel later ziet dan hetnbsp;licht. Hieraan is de door mij gevolgde methode ontleend.
Bij de proeven met opvallend Ucht werden ronde stukjes bloempapier gebezigd, ter grootte van 1, 2, 5 en meernbsp;m.m. middellijn, ieder stukje afzonderlijk op een lapjenbsp;zwart fluweel geplakt, — ook wel dergelijke stukjes uit denbsp;stof der witte, roode en groene seinvlaggen, De lapjesnbsp;heeft men slechts tegen fluweel te drukken, om ze er op tenbsp;doen kleven, en op een groot stuk, liefst een meter van de
-ocr page 109-79
volle breedte, tegen den wand bevestigd, werden ze, hetzij één voor één, hetzij velen te gelijk, aldus bevestigd.
Het kleuronderscheidingsvermogen K is nu omgekeerd evenredig aan de gevorderde lichtshoeveelheden, dusnbsp;evenredig aan de vierkanten van den afstand waaropnbsp;de kleuren worden herkend, en omgekeerd evenredignbsp;aan het vierkant van de middellijn ttd. Is D de afstandnbsp;waarop het normale oog de kleur bij m = 1 (d. i. voornbsp;stukjes van 1 m.m. middellijn) onderscheidt, zoo wordt
JA. nbsp;nbsp;nbsp;¦nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;£gt;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•
771“ nbsp;nbsp;nbsp;13
Men vindt voor het normale oog K =r 1 en voor ieder ander oog K lt; 1.
d
In de formule voor de gezichtsscherpte S = ^ komen
de afstanden eenvoudig als en D voor (niet als (P en en wel, omdat de herkenbaarheid van een letter-teeken evenredig is aan den gezichtshoek, in iederenbsp;afmeting. Bovendien werd in die formule D als constantnbsp;aangenomen. Dit kon geschieden, omdat, bij de gewonenbsp;afwisseling in de helderheid van den dag, in een geschikt vertrek S toch nagenoeg zijn maximum behoudt.nbsp;Voor het onderscheiden van kleur geldt dat niet in gelijkenbsp;mate. Wel wordt de mindere verlichting door grooterenbsp;gevoeligheid van het netvlies en wijdere pupil voor eennbsp;deel gecompenseerd; maar met het betere daglicht stijgtnbsp;de perceptie der meeste kleuren toch zeer merkbaar, ennbsp;het is daarom verkieslijk, bij ieder onderzoek gelijktpdignbsp;zijne eigene D te bepalen en die in rekening te brengen.nbsp;Trouwens ook bp de bepaling der gezichtsscherpte nemennbsp;wij de zwakke verlichting in aanmerking, wanneer zijnbsp;onze eigene gezichtsscherpte merkbaar reduceert. Geldtnbsp;het den kleurenzin, dan is dit des te eer noodig, omdat
6=*=
-ocr page 110-80
dezelfde proefkleuren niet altijd en overal te krijgen zijn, omdat niet alle beschikbare kleuren op gelijkennbsp;afstand worden herkend en omdat zij bij het gebruiknbsp;van hare frischheid verliezen. Intusschen kan men alsnbsp;algemeenen regel wel aannemen, dat heldere tamelijknbsp;gesatureerde kleuren, bij 1 m.m. middellijn, onder goedenbsp;verlichting tegen zwart fluweel, door een oog met vollenbsp;gezichtsscherpte , onder de altijd gevorderde correctie vannbsp;eventueele ametropie, op een afstand van 5 meters wordennbsp;herkend.
De methode onderstelt, dat de waarnemer zelf normalen kleurenzin heeft, waarvan bij vergelijking met anderen spoedig blijken kan. Het is verder noodig, datnbsp;vóór de bepaling de waarnemer en de te onderzoekennbsp;persoon een tijd lang bij gelijke verlichting —• in dezelfdenbsp;kamer — verhieven zijn. Daglicht stompt af voor allenbsp;kleuren, maar niet voor allen in gelijke mate: zoonbsp;eischt blauw, om te worden waargenomen, onder allenbsp;kleuren het minste licht, wanneer men uit het duister,nbsp;onder alle kleuren het meeste, wanneer men uit hetnbsp;licht komt. Het is mijn voornemen, op mijn onderzoeknbsp;omtrent dit punt, dat met andere vragen in verbandnbsp;staat, later terug te komen.
Voor doorvallend licht diende de vlam eener gewone standaardkaars, zoo als in Engeland voor de bepalingnbsp;der lichtsterkte van gasvlaminen gebruikelijk is. Zijnbsp;bevindt zich achter een zwart houten scherm met rondenbsp;opening van 25 millimeters middellijn, gesloten dooreennbsp;mat glas, waarvoor een metalen plaat met gaatjes vannbsp;1, 2, 5, 10 en 20 m. m. verschuifbaar is. Onmiddellijknbsp;achter de opening bevindt zich een draaibare schijf metnbsp;verscheidene gaten voorzien, waarvan het eene vrij is ,nbsp;de andere rood en groen glas der seinlichten en andere
-ocr page 111-gekleurde glazen bevatten, die men naar goedvinden voor de opening brengen kan. De kaars kan langs eennbsp;schaal verschoven worden , die den afstand a tusschennbsp;vlam en scherm aangeeft. Het roode glas laat de meestenbsp;roode stralen door tot in het oranje , geene andere, hetnbsp;groene een deel der stralen van geel tot blauw-groen,nbsp;en eenige roode bovendien. Bij dit onderzoek wordt hetnbsp;daglicht in zooverre uit de kamer geweerd , dat slechtsnbsp;een schemering overblijft, waarbij men elkander in denbsp;nabijheid nog herkent. Men kan nu voor ’t normalenbsp;oog den afstand A bepalen , waarbij voor wit en voornbsp;gekleurd licht, hij m ~ 1, D = 6 meters is. Bij diennbsp;afstand krijgt dan D in de formule de vrij constantenbsp;waarde van 5 meters. Met de standaardkaars en hetnbsp;door mij gebruikte fijn geslepen matte glas werd voornbsp;het witte kaarslicht A = 1.75 meter, voor het roodenbsp;A = 0.65 meter, voor het groene A — 0.25 meternbsp;gevonden. Bij dit onderzoek met doorvallend licht moetnbsp;er gezorgd worden, dat de opening ongeveer in denbsp;richting der kaars gezien worde. Overigens geschiedt hetnbsp;onderzoek als bij opvallend licht. Bestaat er kleurblind-heid, dan is, bij de resp. waarden van A, de graadnbsp;van helderheid voor de verschillende kleuren niet gelijk,nbsp;en de onderzochte personen zijn dan gewoon, in datnbsp;verschil van helderheid het criterium der kleur te zoeken.nbsp;Dit blijkt, wanneer men de waarden van a verandert,nbsp;waarbij zij, die bij de proef eenige aarzeling vertoonden,nbsp;dezelfde kleur vaak afwisselend rood en groen noemen.
Gebruikt men de grootste opening en brengt men de vlam in de onmiddellijke nabijheid van het glas, dannbsp;blijven er betrekkelijk weinigen o\er, die zich in de kleurnbsp;vergissen. Om nu bij de numerieke bepaling ook hetnbsp;herkennen bij sterker licht in rekening te brengen, heeft
-ocr page 112-82
men slechts den term aan de formule toe te voegen,
zijnde a de in het bijzonder geval gevorderde, A de normale afstand der vlam. Het kleuronderscheidingsver-mogen wordt dus:
K = -Stelt men
y nbsp;nbsp;nbsp;lt;m.
zoo volgt, terwijl L door waarneming gevonden wordt, voor het kleurondersoheidingsvermogen K =nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Ik
geloof, dat het meest praktische zal zijn, zich bij de opgave aan L te houden , en nu en dan eens te herinneren , dat L = ]/^K. Voor opvallend licht valt ^nbsp;nog weg, en voor doorvallend is meestal a = A, zoodatnbsp;men zich in den regel zal kunnen bepalen tot de formule
X, ~ nbsp;nbsp;nbsp;, en houdt men zich aan de opening
m
van 1 mm., tot de formule L = ~ •
Men heeft bezwaar gemaakt tegen iedere methode, die het noemen der kleuren vordert. Beter achtte men, uitnbsp;een tal van monsters de kleuren te laten sorteeren en tenbsp;letten* op de daarbij gemaakte vergissingen. Inderdaadnbsp;komt langs dien weg het bestaande gebrek snel en zekernbsp;aan het licht, en krijgt men ook aanwijzing omtrent denbsp;verschillende vormen, zoodat de methode zich tot voor-loopig onderzoek zeer aanbeveelt. Maar ik zie niet welnbsp;in, hoe ze aan een numerieke bepaling dienstbaar tenbsp;maken, waarom het mij te doen was. Bovendien, — denbsp;vraag omtrent geschiktheid voor spoorwegdiensten lostnbsp;zich op in het herkennen van kleuren, die bij name ge-
-ocr page 113-noemd zijn, en die men moet kunnen noemen, om er naar te handelen. De door mij voorgestelde methodenbsp;gaat dus recht op het doel af. En scheen ze daaromnbsp;a priori de voorkeur te verdienen, hij de toepassing isnbsp;gebleken, dat alle tegen haar ingébrachte bezwaren wegvallen, wanneer men, buiten grijs, alleen omtrent denbsp;hoofdkleuren, rood, groen, geel en blaauw te beslissen geeft.
Zeer interessant is het, getuige te zijn, hoe de onderzochte persoon van twijfel allengs tot zekerheid komt.— Men vertoont een enkel specimen op 5 meters afstand ;nbsp;hij ziet het vlekje, maar niet de kleur. Een stap nader:nbsp;hij waagt het ze .... „rood” te noemen. Nog een stap:nbsp;aarzelend zegt hij : „neen, . ,. . groen.” Eindelijk komt hetnbsp;„rood” er weder uit en hij eindigt met ze stelliger en stelliger voor rood te verklaren, ’t Is daarbij waarlijk nietnbsp;moeielijk te heoordeelen, waar hij zekerheid kreeg. —nbsp;Of men brengt een tal vlekjes van verschillende middellijnnbsp;op hetzelfde groote stuk fluweel, en laat snel achtereen denbsp;kleuren noemen van ieder met een stok aangewezen vlekje:nbsp;hij onvolkomen kleurenzin komt nu duidelijk aan dennbsp;dag, dat, al naderende, eerst de grootere, later de kleinerenbsp;juist genoemd worden , bij de hoogere graden ook in denbsp;nabijheid alleen de groote, en hij de hoogste zelfs ooknbsp;deze niet.
Zoodoende liet de graad der stoornis zich telkens met voldoende nauwkeurigheid numeriek bepalen.
Bij het onderzoek mag het voorwerp niet aanhoudend gefixeerd worden. Met afgewenden blik late men nadernbsp;treden en , stilstaande, onmiddellijk den naam zeggen dernbsp;aangewezen kleur. Volgt het antwoord niet vaardig , dannbsp;weêr een stap nader met afgewend oog en — op nieuwnbsp;de vraag. Bij het lange fixeeren kan de complementairenbsp;kleur zich geldend maken en de beoordeeling bemoeielijken.
-ocr page 114-84
Naar deze methode werd het personeel der maatschappij tot exploitatie der staatsspoorwegen , ongeveer 2300 personen , door twaalf daartoe aangewezen artsen en oogartsen onderzocht: de uitkomsten werden met die omtrentnbsp;refractie, gezichtscherpte enz., afzonderlijk voor iedernbsp;oog, vereenigd op daartoe ontworpen tabellen, en uit denbsp;tabellen werden de personen , ten getale van 152 , wiernbsp;geschiktheid twpfelachtig was, bestemd, om alhier, ondernbsp;medewerking van Dr. Bouvin, aan een hernieuwdnbsp;onderzoek te worden onderworpen. In deze gevallennbsp;werden nu ook de resultaten onzer methode met die vannbsp;andere bekende methoden vergeleken.
Vele der onderzochten gaven te kennen, dat hun gezicht hij proeven op het terrein wel beter zou voldoen. Met veertien personen , daartoe uitgekozen, werden nunbsp;zoodanige proeven genomen, en wel met de gewone signalen,nbsp;zoowel hij dag als hij avond. Zij zagen zich in hunnenbsp;verwachting bedrogen : de uitkomsten beantwoordden aannbsp;hetgeen het onderzoek binnenskamers had doen verwachtennbsp;en bewezen zoodoende de deugdelijkheid dier methode.nbsp;Een uitvoerig verslag over de resultaten in het algemeen,nbsp;in ’t bijzonder over die van het vergelijkend onderzoeknbsp;op het terrein, hetgeen door den Directeur-Generaal vannbsp;de genoemde maatschappij en door de meeste beambtennbsp;van de algemeene dienst belangstellend werd bpgewoond,nbsp;is door mij aan den Directeur-Generaal ter hand gesteld.
Het lag niet in mijne bedoeling, die resultaten hier in extenso mede te deelen, veel minder nog theoretischenbsp;beschouwingen daaraan te verbinden. Met een enkelnbsp;woord zij aangestipt, dat, hoewel het gebrekkig herkennen van rood en van groen wel zonder uitzonderingnbsp;vereenigd plaats vond, de graad der stoornis voor elknbsp;dier kleuren niet gelijk was, terwijl ook ten aanzien der
-ocr page 115-85
helderheid, hg gelijke waarneemhaarheid voor het normale oog, verschil werd opgemerkt: of deze verschillen innbsp;verhand staan met de zichtbare grens van het spectrumnbsp;aan de zijde van het rood, moet nader worden onderzocht.nbsp;Ik wensch er nog aan toe te voegen, dat het herkennennbsp;van blaauw en geel in alle door mij onderzochte gevallennbsp;voldoende was, één geval slechts uitgezonderd , waarinnbsp;ook rood en groen niet werden onderscheiden. Trouwens,nbsp;hg de eerste keuring werd bijna uitsluitend op het gebrekkig zien van rood en groen gelet.
Zooveel is gebleken, dat alvast voor rood en groen alle overgangen bestaan van K = 0 tot K ~ 1. In hetnbsp;algemeen kwamen slechts die gevallen bij mij in onderzoek , waarin K reeds was gebleken ver beneden 1 tenbsp;zijn. Er blijft dus over, bij een tal van personen, zonder onderscheid, de waarde van K voor iedere kleur naarnbsp;de beschreven methode te bepalen. Om daaruit echternbsp;resultaten te kunnen trekken, belangrijk voor de theorie,nbsp;zal men zich van de spectraal-kleuren moeten bedienen,nbsp;en wel van een spectrum van constant licht, terwijl ooknbsp;verder voor gelijkheid van omstandigheden wordt zorgnbsp;gedragen. Het is mij reeds gebleken , dat een dergelijknbsp;onderzoek op geen wezenlgke bezwaren stuit.
Twee zaken zijn er te bepalen: a. de gevoeligheid voor homogeen licht van verschillende golflengte, b. de betrekking tusschen die gevoeligheid en het onderscheidennbsp;der correspondeerende specifieke kleur.
In die laatste betrekking ligt waarschijnlijk de maatstaf der saturatie, waarin de kleur wordt gezien. Ziet het normale oog op grooteren afstand het homogeene lichtnbsp;dan de correspondeerende kleur, dan hangt dit waarschijnlijk daarmede samen, dat ook voor spectrale kleu-
-ocr page 116-ren in het volkomenste oog de saturatie nog onvolkomen is,
In verhand met a. en b., zullen zoowel door vermenging der spectraalkleuren met wit licht als met behulp der draaischijf ook de kleinste merkbare verschillennbsp;in den graad van saturatie kunnen worden vastgesteld.
Zou het gebrekkig kleurenzien wel op iets anders berus-sten als op geringere saturatie der waargenomen kleur ? En zouden de verschillende trappen van stoornis tot hetnbsp;totaal ontbreken ons niet het beeld geven der ontwikkeling van den kleurenzin ?
-ocr page 117-NASCHRIFT OP;
F. C. DONDERS.
In de Koninklijke Academie van wetenschappen, afd. natuurkunde, 29 September 1877, vertoonde de Heernbsp;Bosscha het model van een kleinen toestel, bestemd omnbsp;den pankratischen kijker te laten voldoen aan de voorwaarde, dat het optische stelsel werkelijk een kijker zij ,nbsp;waarvan in het proces-verbaal dier zitting een kort verslagnbsp;te vinden is. De Heer Bosscha had de goedheid daaraan eenige uitbreiding te geven en mij te veroorloven,nbsp;het hier te laten volgen.
ïOm aan de voorwaarde te voldoen, dat het optische stelsel een kijker zij, moet de brandpuntsafstand oneindig groot zijn.nbsp;Wanneer /j de brandpuntsafstanden van drie lenzen zijn ,nbsp;Aj de afstand der twee eerste lenzen, die der tweede ennbsp;derde, dan is de brandpuntafstand F van het stelsel bepaaldnbsp;door de betrekking:
(1)
f\ fi A
o is, ook kan geschreven worden,
(2)
Aan deze voorwaarde kan bij verschillende afstanden der lenzen voldaan worden met behulp der zoogenaamde ruitnbsp;van Peaucellier. Plaatst men de tweede lens op.de geleding, die de beide dwarsarmen verbindt, de eerste lens opnbsp;een afstand /jnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;buitenwaarts van een der hoekpunten,
de derde op een afstand -j- buitenwaarts van het tegenovergelegen hoekpunt, waarbij dan de zoo even genoemde dwarsarmen ondersteld worden de andere hoekpunten te verbinden, dan zullen de drie lenzen zich zoo bewegen, dat hetnbsp;stelsel, zoo het in een der standen een kijker is, in alle anderenbsp;deze eigenschap behoudt. Dezelfde ruit kan dienen voor anderenbsp;optische stelsels, wanneer slechts de middenste lens dezelfdenbsp;blijft, De ruit behoeft namelijk aan geen andere voorwaardenbsp;te voldoen, dan dat het verschil der vierkanten van eene zijdenbsp;en van een der dwarsarmen gelijk zij aan f^. Men heeft dannbsp;alleen de afstanden ,/j -j- en -f- naar eisch te wijzigen.nbsp;Moet de brandpuntsafstand des kijkers niet oneindig groot zyn ,nbsp;maar zekere eindige waarde a behouden, dan is in het lid
der vergelijking ('2) te vervangen door
in dit geval voldoet de ruit van Peaucellier: het verschil der vierkanten van eene zijde AB en een der dwarsarmen BCnbsp;behoeft slechts dienovereenkomstig gewijzigd te worden.
Ji
De inrichting van den toestel is in Fig. 1 voorgesteld. AB, BA zijn de vier zijden der ruit, BC de dwarsarmen, op
-ocr page 119-welker geleding G zich de middelste lens bevindt; de buitenste lenzen 1 en III bevinden zich op afstanden fy -\-f^ en ƒ3nbsp;buitenwaarts van de punten A. In de figuur zijn de buitenstenbsp;lenzen als negatieve voorgesteld. Zij behooren dan als negatieve grootheden te worden in rekening gebracht bij de bepaling van de plaats der buitenste lenzen, zoodat deze laatstenbsp;alleen dan zich buiten de punten A kunnen bevinden, wanneernbsp;de brandpuntsafstand der middelste lens grooter is dan dienbsp;der buitenste. Wijders is nu:
--fi
voor een kijker gericht op oneindig ver verwijderde voorwerpen.
voor een kijker met hoofd
/1/3'
brandpuntsafstand = a.
Men kan in het werktuig naar willekeur of éen der punten A of het punt C vast doen blijven. In het laatste geval wordtnbsp;de, samenstelling van het werktuig nog eenvoudiger, omdatnbsp;een enkele kruk kan volstaan.
De inrichting wordt nu die van Fig. 2. De middelste lens komt in C te staan, de buitenste op de vereischte afstandennbsp;der punten A.
Door de armen AB, AB hooger of lager op de kruk CB vast te koppelen , met andere woorden, het punt B te verplaatsen, verkrijgt de toestel de inrichting voor het standvastig blijven van naar willekeur gegeven brandpuntsafstand a.nbsp;Het is mij gebleken, dat Peaucellier zelf zijne ruit heeftnbsp;toegepast op een kijker met veranderlijke vergrooting. In het
-ocr page 120-90
Memorial de Vofficier du Génie No. 18 (1868), bladz. 350, beschrijft hij een toestel, bestemd om afstanden te meten metnbsp;behulp van de vergrooting, die men aan een kijker moet geven,nbsp;om een horizontale lat, op den te meten afstand geplaatst,nbsp;in het veld des kijkers steeds door twee in het brandvlaknbsp;van het objectief gespannen vertikale draden begrensd te zien.nbsp;Om de berekening van den afstand te ontgaan, zijn in dezennbsp;kijker de twee onderling verplaatsbare glazen van het objectief met de ruit verbonden, zoodat door de verplaatsing vannbsp;de derde geleding rechtstreeks de afstand kan worden afgelezen,nbsp;waarop het beschouwde voorwerp zich bevindt. Peaucelliernbsp;maakt ook melding van een middel, om bg de verschuivingnbsp;der objectiefglazen het beeld steeds scherp te doen blijven,nbsp;doch geeft daarvan geene beschrijving. De toestel, door denbsp;instrumentmakers Brünner vervaardigd, bleek geen voordeel boven andere afstandmeters bij terreinopnemingen op tenbsp;leveren.”
In dezelfde zitting bood de Heer J. A. C. Oudemans eene bijdrage aan voor de verslagen en mededeelingen dernbsp;natuurkundige afdeeling, getiteld: Théorie de la lunettenbsp;pancratique de M. Donders. — Ook de Heer Bosschanbsp;heeft zijn voornemen te kennen gegeven, het hier meêge-deelde uitvoeriger voor de verslagen en mededeelingennbsp;te bewerken, alwaar dus een en ander zal kunnen wordennbsp;nageslagen.
-ocr page 121- -ocr page 122- -ocr page 123- -ocr page 124-1. Sticlitei’s zijn allen, die 50 gulden of meer tot sticliting, inrichting of instandhouding der instelling hijdrag’en ofnbsp;bijgedragen hebben. Zij worden onder dien naam in hetnbsp;album der stichting vermeld.
2 Onder den naam van Bestuurders worden in het album opge-teekend, al diegenen, welke 250 gulden of meer tot stichting, inrichting of instandhouding bijdragen ofbijgedragen hebben.
3. Als begunstigers worden aangemerkt al diegenen, welke zich tot eene jaarlijksche bijdrage van minstens / 2.50nbsp;verbinden.
Bewijs van inschrijviag worde verzouden aan Prof. DONDEIiS of aan den Heer Mr. VERLOREN VAN TUEMAAT, Secretaris der Instelling, bij verkiezingnbsp;ook aan den Secretaris van een der Plaatselijke Commissiën (verg. Album, 6enbsp;daarlijksch Verslag bl. 10).
Behoeftige en minvermogende ooglijders, die geneeskundige hulp Verlangen, moeten zich ’s morgens vóór tien uramp; aanmelden. Zij ontvangen de geneeskundige adviezen kosteloos. Er wordt gezorgd, dat brillen en dergelijke behoeften tegennbsp;fabrieksprijs kunnen verkregen worden.
De verpleegkosten zijn voor dit jaar vastgesteld op (gt;0 cents per dag. Hieronder zijn alle verplcgingsbehoefteu (verzorging,'voeding, huisvesting, bewasschiug, enz.) begrepen.
De verpleging wordt alleen toegestaan; i'adisn de ooglijders voorzien zijn van:
a. nbsp;nbsp;nbsp;Zindelijke kleeding en het noodige ondergoed ter verschooning' (van elk dernbsp;oaderkleederen minstens één stuk),
b. nbsp;nbsp;nbsp;Reisgeld voor de terugreis naar de woonplaats.
c. nbsp;nbsp;nbsp;Het bedrag der verpleegkosten, of cene verklaring door w'ieu de verpleeg-kosteu zullen betaald worden.
Brieven moeten franco ingezonden worden; wordt antwoord verlangd, zoo moet een postzegel of briefkaart worden ingesleten.
Deze inrichting is uitsluitend ten dienste van hehoeftige en minvermogende ooglijders, die niet wel in staat zijn de geneeskundige hehandeling te hekosligen.nbsp;Bewijs van onvermogen kan worden gevorderd.
MODEL VAN VERKLARING.
Door Ondergeteekeude wordt ter verpleging in bot ïiederlaudsch Gasthuis voor hehoeftige eu minvermogende ooglijders aanbevolen de ooglijder
De verpleegkosten en kleine voorschotten voor brillen of dergelijk' behoeften, benevens eventueele kosten van corr- .. ndentie of incasseering, ziu:en dadelijknbsp;na afloop der verpleging, voldaan wo door........................ ...................