BIBLIOTHEEK DER RlJKSUNlVERSIVilT TE UTRECHTnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1929
Verzameling tooneel» stukken uit denbsp;nalatensclKsp vannbsp;ProL Dr.J. te WINKEL
â– r.
â– 'u . nbsp;nbsp;nbsp;lt;
•■,ï''. ii-
â–º V.
é
ry'- “i
quot;â– ij'
.fr-K
â– r^-
, ’. nbsp;nbsp;nbsp;'vl -
Igt;uIh V nbsp;nbsp;nbsp;» i,j. â–
â– ;lt;, V
• y
■■.■■•quot;?-
â– -?â–
â– â– â– '*; \
.^. V
â– 9 '
- ■S‘ - ‘
V.. gt;
-ocr page 3- -ocr page 4-f.
Ho
ï
'â–
‘ â–
HET
VOOR DE
B L T S P E L.
U it het F ranfch, van den Heer Mol lie re , V ertaald DOOR T. ARENDSZ.
I nbsp;nbsp;nbsp;Te AM.STELDAM,
I ÈylzAAK Düïm, Boekverkooper, op den Voorlt;!
I burgwal, op den hoek van de Stilfteeg; lyys» jSfet Privilegie.
sIBUOTHEEK DER rijksuniversiteit
UTRECHT.
-ocr page 6- -ocr page 7-VAN DE
De Staten van Holland en Weftvriefland doen te weten: alzo Ons te kennen is gegeven by de tegenwoordige Regenten van hetnbsp;Wees-en Oude Mannenhuis der Stad Amfterdam, en in die qua-liteyt, te famen Eygenaers, mitsgaders Regenten van den Schöuburgnbsp;aldaar, dat zy Supplianten , eenige Jaaren hadden gejouiflêert vannbsp;t Ociroy of Privilegie by hen van Ons op den 23 May 1714- geob-tineert; waar by VVy aan hun Supplianten goedgunftelyk haddennbsp;geaccordeert, en geoöroijeert, om, geduurende den tyt van vyf-tien doen eerft agter een volgende Jaaren , de Wereken , die tennbsp;dienfte van het Tooneel reets waren gedrukt, en van tyd tot tydnbsp;nog verder iiv het ligt gebragt, en ten Toneele gevoert zouden mogen werden, alleen temogen drukken, doen drukken, uytgevennbsp;ende verkoopen, cn bevonden dat de Jaaren, by 'tvoorfz. Odroy ofnbsp;Privilegie genoemt, op den zz May i'729. ftonden te expireren;nbsp;ende tïewyl zy Supplianten tenmeeftendienfte van den Schöuburg,nbsp;waar van hpnne refpeftive Godshuyzcn onder andere mede moetennbsp;werden gefubftenteert, de voorgemelde Wereken, zoo van Treur-ipellen, Blyf pellen, Klugtcn, als anders, die reets gedrukt, entennbsp;Toneele gevoert zyn, of in toekomende gedrukt, en ten Toneelenbsp;gevoert zoude mogen werden, gaerne alleen, gelykvoorheen, zou-Wyven drukjten , usugevea en verkopen, ten eynde dezelvenbsp;Ainbsp;nbsp;nbsp;nbsp;werk.
-ocr page 8-Wei'ckeii door het nadrukken van andere», haar Luyfter, fo in tael, als in ipelkonft, niet rao;,ten komen te verliefen, en dewyle fulxnbsp;haar Supplianten na der.xpiratie van ’t bovengemelde Oélioy, nietnbsp;gepermiteert Was, zoo keerden zy Supplianten haar tot Ons, On*nbsp;devdaniglyk verzoekende, dat Wy aan hun Supplianten, in kwaliteytennbsp;voorlz, geliefden te verleenen prolongatie van het voorfz. Oftroynbsp;of Privilegie, om de voorlz. Werken, zoo van Treurfpcllen, Bly-fpelien, Klugten, als anders, rects gemaakt en ten Tooneele gevoelt, ofals nog in het ligt te brengen, en ten Toneele te voeren ,nbsp;den tyd van Vyftien eetftkomende, en agter een volgende Jaten ,¦ alleen te mogen drukken en Verkopen, of te doen drukken en verkopen , met verbod aan allen andere op feekere hooge Peene by Onsnbsp;daar teegens te ftatuecren, SOO IS 't, dat Wy de Saake, en ’tnbsp;voorfz. verzoek overgemerkt hebbende, ende genegen v/ezendenbsp;ter bede van de Supplianten , uyt Onze regte wetenichap, Souve-raine Magt ende Authoriteyt, dezelve Supplianten geconfenteert,nbsp;geaccordeert en geoilroyeert hebben, conlcnteren, accorderen ennbsp;oaroyeren haar;by deezen, dat Zy, geduurende den tyd van Vyftien eerft agteieenvolgende Jaaren , de Wereken, die ten diendennbsp;van ‘t ToOneel reets waren gedrukt, en van tyt tot tyd nog verdernbsp;in het ligt gebragt , en ten Toneele gevoert zouden mogen werden , in diervoegen, als zulx by de Supplianten is verzegt, «nnbsp;hier voeren uytgedrukt ftaat, binnen den voorfz. Onfen Landen,nbsp;alicen zalleii mogen drilleken, doen drukken, uytgeven en verko-peu, verbiedende daaromme allen ende eenen ygelyken , dezelvenbsp;Wereken, in ’t geheel ofte ten dcclete Drukken, naar te drukken,nbsp;t-c doen Naardrukken , te Verhandelen, of te Verkopen , ofte elders Naargedrukt, binnen den fclven Onien Lande te brengen , uyt tenbsp;geven of te Verhandelen en Verkopen , op Verbeurte van alle de nagedrukte, ingebrachte, verhandelde ofte verkogte exemplaren, endenbsp;ton boete van drie duylend guldens, daer en boven, te verbeurennbsp;te appliccren een derdepart voor den Officier,die de Calange doennbsp;zal, een derde part voor den Armen der Plaetlen daer 't Cafus voornbsp;vallen zal , en het refterendc derdepart voor de Supplianten, ende dit t’elkens zoo meenigmaal, als dezelve zullen werden agter-haalt, alles in dien verftande, dat Wy de Supplianten met deze onzen Oftroye alleen willende gratificeeten tot vethoedinge van hunnenbsp;fchade door het Nadrukken van de voorfz. Werken, daar door innbsp;gcenigen deelen verdaan, den innehouden van dien te autorileeren,nbsp;ofte te Advoiiëren, ende veel min dezelve onder onze protexie, ende bcfcherminge, eenig meerder Credit, aanzien ofte reputatie tenbsp;geeven, nemaar de Supplianten in cas daar inne iets onbehoorlyksnbsp;zoude induëren, alle het zelve tot hunne Laften zullen gehoudennbsp;wezen te verantwoorden, tot dien eynde welexpreflèlvkbegeerende,nbsp;dat by aldicn zy dezen onzen üftroye voor dezelve Weiken zullen willen ftellcn,daar van gecnegeabluevicerde ofte gecontraheerde mentienbsp;zullen mogen maken, nemaar gehouden wezen, hetzelve Oëfroy in 'tnbsp;geheel, en zonder eenige omiffie daar voor te drukken, of te doen drukken.
-ocr page 9-fcen, ende dat zy gehouden zullen ryn, een Exemplaar van de voorfz, werken, op Groot Papier, gebonden en wel geconditioneett te brengennbsp;in de Bibliotheek van onze UniverCteyt te Leyden, binnen den tyd vannbsp;zes weeken, na dat zy Supplianten dezelve Werken zullen hebbennbsp;uyttegeeven, op een boete van zes hondert guldens, na expiratie dernbsp;voorfz. zes Weken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van denbsp;Nederdtiytfe Armen van de plaats alwaar de Supplianten wonen ;nbsp;voorts op peenc van met ’er daad verfteeken te zyn van het effeii:nbsp;van dezen Octroye. Dat ook de Supplianten fchoon by het ingaannbsp;van dit Oftroy een Exemplaar gelevert hebbende aan de voorfz.nbsp;Onle Bibliotheek, by zoo verre zy geduurende den tyd van dit Oftroynbsp;defelve Werken zouden willen herdrukken met eenige vermenrderin-gen, of anders, hoe genaamt, of ook in een ander formaat, gehouden zullen zyn wederom een ander Exemplaar van de zelve Werken, Geconditioneert als vooren , te brengen inde voorfz. Bibliotheek, binnen defelve tyd, en op de boete en penaliteyt, als vooren.nbsp;Ende ten eynde de Supplianten van dezen Onzen Confente, endenbsp;Ofttoye mogen genieten, als naar behooren , Laften wy allen endenbsp;eenen ygelyken, dien het aangaan mag, dat zy de Supplianten vannbsp;den inhoude van dezen doen , laten , ende gedogen , ruftelijk,nbsp;vredelyk , ende volkomentlyk genieten ende gebruyken, cesferendenbsp;alle belet ter contrarie. Gegeven in den Hage, onder onzen Grotennbsp;zegele hier aan doen hangen op den zy Mey, in ’t Jaar onzes Heerenbsp;ende Zaligmakers duylend zeven hondert agtentwintig,
J G. V. Boetzelaar.
Onder ftond. Ter Ordonnantie van de Staten, was getekent
WILLEM BUTS,
Lager ftond,
Aan de Supplianten zyn , nevens dit Oftroy , ter hand geftelt by Extrath Authenticq, haar Ed. Gr. Mog. Refolutien van den zs Juny,nbsp;lyij, en 30. April, lyzs. ten einde om zig daar na te reguleeren.
De Regenten van het Wees-en Oude Mannenhuis hebben, in hunne voorfz. qualitcyt, het recht van deze Privilegie, alleen voorden te-genwoordigen Druk, van het SCHOOL voor (Je VROUWEN ; Bljfpel;nbsp;vergunt aan IZAAK DUIM. Amftcriam den 6 December,
HET
VOORDE
B L T S P P L,
EERSTE TOONEEL. Luikas, Arnoldus.
L U I K A S,
GY komt dan, na gy zegt, om haar uw’ hand te biên ? Arnoldus.
O ja, op morgen wil ’k die zaak ten einde zien. Luikas.
Wy zyn hier beide alleen, en moogen, na ik reken. Zelfs, zonder dat merrons kan booren, vry’lyk fpreeken.nbsp;Wilt gy dat ik, als vrind, u open myn gemoed?
Ik voel, om uw beflaan, een grilling door myn bloed; En, wat voor glimp gy ook uw opzet zoekt te geeven,nbsp;Een vrouw te neemen is voor u wat ftouts bedreeven.nbsp;Arnoldus.
Dat’s waar, myn Vrind. Maar’k denk gy vind tot uwent licht,
Dat tot gelyke vrees uw hart voor my verpligt;
’k Geloof uw brein wil, dat wie fchept in de echt, be-haagen,
A 4 nbsp;nbsp;nbsp;Als
-ocr page 12-Als een onfeilbaar pand, ook hoorenen moet draagen.
L UIK AS.
’t Zyn treeken van ’t geval, waar voor wy geensfins ftaan, En’c dunkt my dwaas daar voor zo zeer te zyn begaan.nbsp;Maar dat ik voor u vrees, is om uw Ipotternijen,
Daar zo veel mans ’t geweld van hebben moeren lijen; Want, als gy weet, gy hebt nooit groot noch kleenvep-fchoonc.
Een ieder, door uw tong, op’cfchamperlykftgehoont, quot;Waar gy ook zyt, uw hoogftvermaakisnatefpooien,nbsp;En uit te kryten wat geheim u kwam ter ooren....nbsp;Arnoldus.
Heel goed. Maar is ’er in de waereld wel een ftad. Daar immer zo’t geduld der mannen hart bezat?
Zyn hier niet veele, van w ag flag’t mag zyn, te vinden, Die van hun wyven zich erbarm’lyk laaten blinden ?
De een fchraapt öm geld, dat, door zyn vrouw, aan baar galant,
Word meêgedeeld^ terwyl die hem de hoorens plant. Een ander, ruim zo vuig, fchoon ’t minder hem moognbsp;krenken.
Ziet dagelyks zyn’ vrouw met koillykheên befchenken, En voelt geen achterdocht in alles wat hy ziet,
Dewyl zulks, na zy zegt, om haare deugd gefchied. Deez’ maakt heel groot gerucht, fchoon zulks hem nietnbsp;kan baaten;
Die zal, zachtzinnig, ’t al in flilte doorgaan laaten,
En, komt een Sneukelaar tot zynent, hy zal bly Zyn rotting, heel beleeft, ftraks leggen aan eenzy.
Een loozezal ’tgeheim, kwanfuis, haar man ontvouwen,. En, als een kuifche vrouw , de laagen hem vertrouwen;nbsp;1 )us wiegt zy hem, door haar geveinsde deugd, in flaap,nbsp;En hy belacht de zorg van die vernoegde knaap.
Ken andere, om ’t verfpil het geen zy doet te heelen, Zegt, dat zy ’t geld daar toe gewonnen heeft met fpeelen;nbsp;De bloed, aldus bedot, peinft niet wat fbel zy meent.
En dankt het lot, dat haar heeft deze winft verleent... In ’t kort, ons komt fteeds ftof tot fchemperny voor denbsp;oogen;
En zou ik, die zulks zie, daar om nietlachchenmoogen?
Mag ik die zotten niet.....
L u 1 K A s.
Wie om een ander lacht.
Moet weeten dat hy op zyn beurt zulks meê verwacht. Ik hoor veel dingen, en hoe ny ver veelen fpreekennbsp;Van ’t geen’er is gebeurt, en ieder eens gebreeken;nbsp;Voor my, waar, op wat plaats ik my daar by bevind,nbsp;’k Verheug my nooit daar in, maar fla zulks in de wind inbsp;’k Ben ingetoogen: doch ik ken ’er, die ’t zo maaken,nbsp;Zo onbefchaamt, dat ik hun lafheid moet verzaaken.nbsp;Ook is myn opzet niet te dulden,’t geen men ftilnbsp;Van and’rm lyden ziet, al was zulks met hun wil.
^k Heb echter nooit getracht alom zulks uittekryten,
Want elk moet vreezen voor de weérwraak van ’t verwy-ten;
En niemand zweer zo licht wat hy, in dat geval,
^al kunnen doen, en wat hy niet vermoogen zal. Daarom, indien myn kruin, door ’t lot, dat ’t al doetnbsp;wyken,
Zich met een menfchelyk hoofdfierièl zag verryken,
’k Weet zeker, dar men my, uit inzigt hoe’k voorheen My droeg, niet fchimpen zou; alsflechtsinftiltealleen.nbsp;En moog’lyk wierd my zo veel achting toegedraagen,nbsp;Dat eerclyke liên my zouden zelfs beklaagen;
Maar met u, myn Compeer, geloofme, is ’t niet zo klaar; ^ Zeg’t u noch pens, gy loopt het uiterfle gevaar.nbsp;Dewyl men eeuw'ig op het leed van and’re mannennbsp;U heeft zien, op hetbitft, geduurig aangefpannen,
E,n, als een dolle droes, gefpoogen uwvenyn.
Zo ga vry recht, indien ge ook niet gebotft wilt zyn. Koint’t minde kw.aad gerucht van u hen ooit ter ooren,nbsp;Zie toe, dat zy zulks niet door al de ftad doen hoeren.
A s nbsp;nbsp;nbsp;En
-ocr page 14-lO
£n..
Arnoldus.
Goede Vrind, ik bid, weeft met my niet belain, Gaauw moet hy zyn, die zulks van my ooit zal verftaan ;nbsp;Ik weet wat lift een vrouw bekwaam is uit te werken.nbsp;Om ons het voorhoofd loos met hoorens te verfterken.nbsp;En hoe behendiglyk men word door haar mifleid; _
Doch ’k heb daar in voorzien, en acht me in zeker utid. ’kTrouw een eenvoudige, van deugd zo uitgeleezen,nbsp;Dat myne kruin geen kwaade invloeijing hoeft te vree-zen.
Luik AS.
Kunt gy gelooven, dat u eene zotte vrouw ....
Ar NO I, DUS.
Ik neem een zotte, op dat ik ’t zelf niet worden zou.
’k Wil gaern, dat de uwe zeer verftandig is, gelooven; Maar, een’ te fchrand’re vrouw dreigt ons met ramp vannbsp;boven.
Ik weet hoe fmartelyk ’t aan veelen is geweeft.
Een vrouw te neemen van te hoog verheven geeft. Zou’k my belaften met een wyf, dat, ryk van zinnen,nbsp;INiets achten zou als ’t groots, niet dichten als van ’tnbsp;minnen,
Die prooze en rym verftond, de houding en de trant. Bezocht van Graaf, Marquis, en liên van groot ver*nbsp;ftand,
Terwyl dat ik de man van die mevrouw zou heeten , En weezen, als een Sant in de Almenak, vergeeten?
’k Begeer geen wyf, dat zich van ieder roemen hoort; Een vrouw die rymen kan weet meer, als zy behoord.nbsp;’kWil dat de myne, van die grootsheid niet bezeten,nbsp;Geenfms het minft wat dicht te zeggen is zal weeten.nbsp;Als word gevraagt in ’t fpel; Mejuffrouw, wat zet gy ?nbsp;Dat dan een Appeltaart, daar op, haar antwoord zy.nbsp;En, in een woord, ’k wil datzy, dom en onbedreeven,nbsp;' Op een verfmitfte vraag, nooit goed befcheid kan geeven,
En het is my genoeg, noch eens gezegt, myn Vrind, Dat ze is eenvoudig, my bemind, en naait, en fpint.nbsp;Luik AS.
Gy hebt een flechthoofd dan, tot fpeeipop,uitgevonden ? A R NO L D us.
Ja; ’k zag my liever aan een iaelyk wyf verbonden.
Een zotte, als aan een vrouw, die Ichoon, en Ichran-der was.
L u I K A s.
Verftand en fchoonheid zyn ....
A R N o r, 13 ü s.
O! de eer komt mee te pas. Lui KAS.
Maar, waarom wiltgy dat een dier, zo onbezonnen,
quot;Wat eer te zeggen is ooit zal begrypen konnen?
’k Geloof ook dat het is een moeilyk tydverdryf, Verknocht te zyn aan een zo onvernuftig wyf.
Hebt gy’t al wel bevat, en waant gy dat het giffen Van uw verzekertheid u niet zou kunnen roiffen?
Een fchrand’re vrouw kan wel haar pligt te buiten gaan, Maar’k weer, dat zy zich lang daarover zal beraan,nbsp;Laar licht een flechthoofd tot dat ongeval kan raaken ,nbsp;Zelfs zonder dat zy’t denkt, of ooit daar nazalhaaken.nbsp;A R N OLD us.
Weet dat ik op uw refln, zo hoog, tot antwoord geef, Als eer Pantagruel aan zyn Panurgus neef. (men,nbsp;Dring my een and’re, voor een domme vrouw, te nee-Zeg alles wat u luft, wil vry tot Kermis teemen,
Gy zult verwondert zien, als gy hebt uitgekalt.
Dat geen van al uw rcên my, in het minfl:, gevalt. Luikas.
Ik zeg, niet een woord meêr.
Arnoldus.
Zeer wel. Ik volg in ’t minnen ^ Gelyk in alle ding, alleen myn eige zinnen.
Ik ken my ryk genoeg, van midd’len wel voorzien.
Eai
-ocr page 16-En wil een wederga, die ik vry mag gebiên,
Die my, met yver, zoekt in alles te behaagen,
En nooit te ftofFen heeft op fchat of grootfche raaagen. Haar zoet en ftil gelaat blonk, boven and’ren, uk,nbsp;Dies ik haar, vier jaar oud, reeds fchikte tot rnyn bruid;nbsp;Ik zag haar moeder van armoede en druk bedreden;nbsp;Dies heb ik haar my ’t Kind te geeven zelfs gebeden;nbsp;De goede floof, om rnyn verzoek in ’t hart verheugt,nbsp;Gaf me, om daar van ontlafl; te zyn, het Kind met vreugd.nbsp;’kHeb in een klein kon vent, daar ’t niemand zou vermoeden ,
Het Kind beflelt, om ’t na myn oogmerk op te voeden, Te weeten, dat men al zou doen’t geen oorbaar (cheen.nbsp;Om ’t dom te houden, en in boerfche eenvoudigheên,nbsp;Dankzy’t geluk,’kben in verwachting nietbedroogen,nbsp;Groot zynde, vond ik haar zo fimpel opgetoogen,nbsp;Dat ik ’t geluk bedank, ’t geenmy vergunt, in ’t end.nbsp;Een vrouw na myne wenfch, en na myn zin gewend.nbsp;Ik heb haar t’huis gehaalt; en, wyl dat t’aller uurennbsp;Myn deuren open ftaan voor vrinden, en voor buuren,nbsp;Heb ik een huis gebuurt (men moet voorzigtig gaan)nbsp;Daar ginder, ’k Ben daar vry, daar fpreekt my niemandnbsp;aan.
Om haar goede inborft niet te zien verwaareloozen, Heb ik twee lui, zo dom als zy is, uitgekoozen.nbsp;Licht zegt ge; waar toe dient al die omdandigheid?
’t Is op dat gy begrypt hoe ik ’t heb aangeleid:
’t Befluit is dat ge, als vrind, wilt t’avond met my eeten, Want ik verlang, hoe gy haar vinden zult, te weeten;nbsp;’k Verzoek dat gy met haar wat praat, en ze ondervraagt:nbsp;’k Moet zien of myne keur uaanftaat, of mishaagt.nbsp;Luikas,
Heel goed, ik ben te vreên.
Arnoldus.
Gy kunt dan oordeel geeven Van haarperzoon, en van wat geeft zy word gedreeven.
Ly
-ocr page 17-Lüikas.
Wat aanbelangt dat punt, na dat gy dezemaal My ïegt....
Arnold us.
De waarheid gaat noch boven myn verhaal. Ora haar onnozelheên verwonder ’k my met reden;
’k Lach zomtyds, dat ikfchudde, om haare eenvoudigheden.
Noch onlangs, wie hoorde ooit een zaak zo ongemeen. Scheen zy verzet, en vroeg my zoetelyk alleen.
Mee een eenvoudigheid, die niets ooit zal befchaamen. Of niet de kinderen eerfl: uit de biezen kwamen.
Lui KAS,
Ik ben op ’t hoogfl: verheugt, myn Heer Arnoldus... Arnoldus.
Zoet;
Hoe komt het dat ge my altyd dus noemen moet.? Luikas.
Verfchoon my, Heer, ik had, myns ondanks, ree vergeeten,
Datgy voortaan word Heer van Hoogegrond geheeten. Maar zeg, wie drommel heeft u ook zo zot gemaakt,nbsp;Dat ge, op uw veertigft jaar, uw’ doopnaam hebtnbsp;verzaakt,
En, van een Hofileê, daar niet veel van is te roemen, Een Heerlykheid verziert, en u daar na laat noemen?nbsp;Arnoldus.
’t is om dat ’t Huis die naam van overlange draagt,
En Hoogegrond myn oor meêr, als myn naam, behaagt. Luikas,
Wat dwaasheid is ’t de naam zyns oudrens zich te onttrekken ,
En een verweende, op dropra gegrondveft, te verwekken !
k Weet zulks de zotheid van verfcheide menfehen is. En, zonder dat ge u fleurt aan myn gelykenis,
Ik ken een plompe boer, die eene floot liet graaven Om een kleen hoekje lands, dat hem zyn ouders gaa ven.nbsp;Of lieten na hun dood, zyn naara was Lange Fiein;nbsp;Straks wou hy zyn genoetnc de Heer van Langeflein.
A R N o L 0 ü s.
Zulk een gelykenis had gy wel kunnen fpaaren •,
Maar ik heet Hoogegrond, en wil die naam be waaren;
Ik heb daar reden toe; zy dunkt my goed, en zacht,
En die me Arnoldus noemt, zeg ik dat my veracht. Luik AS.
Maar veele kunnen zich daar niet wel toe gewennen, Zulks geeft het opfchrift van uw’brieven noch te kennen.nbsp;A R N o L o U S.
’k V ergeef het hen, die daar noch niet van zyn be wuft; Maargy....
L U I K A S.
’c Is zo; doch ftel u daar omtrent geruft;
Ik zal my n mond voortaan zo wennen, dat, na dezen,
Gy fteeds Heer Hoogegrond van mygenoemt zult wee.
Arnoldus. nbsp;nbsp;nbsp;fzen.
Vaarwel. Ik klop hier aan om haar goên dag te biên , En’k acht’c haar lief zal zyn my wederom te zien.
L U I K A S weggaande.
9»
Voorzeker hy is gek, en zot in allen deelen. Arnoldusnbsp;*t Schynt dat myn redenen hem eenigfms verveelen.
Wat is ’t een vreemde zaak, te zien, hoe ieder pleit, Voorzyne driften, en zyne eigen zinn’lykheid.
TWEEDE TOONEEL.
Arnoldus, Agneta, Jorden, Wobeyn.
JORDEN.
Arnoldus.
Ik; doe op. Ik ben vol van verlangen,
-ocr page 19-VOOR DE VROUWEN.
Te zien, hoe vrolyk zy my weder zal ontfangen. J ORDE N.
Wie klopt daer?
Arno edüs.
Ik.
J o R D E N.
Wobbyn.
W o B B Y N,
Wat is’t?
Doe op.
Jorden.
W OBBYN. ] ORDEN.
Doejy ’t.
Doejy’t.
W OBBYN.
Ik zei ’t niet doen.
J ORDEN.
Ik ook niet, hoejeookkryt. Arnoldus.
Wat pikken fchorthet volk? wathenkerzalditweezen? Men laat my ftaan ? ik zeg doet op, ofgymoogtvreezen?nbsp;W OBBYN,
Wie klopt?
Arnold üs.
Ik.
W OBBYIt
Jorden.
J ORDEN.
Wel?
Wobbyn.
Loop,jongen,’t is men Heer;
Doe open.
JOKD£N.
Doejy’t zelf.
Woit'
-ocr page 20-W obbyn.
Men vuur leid hiel om veer^
J o R DEN.
Myn mos is uit de kou, de kat die mogt ze vreeten. Arnoldus.
Hy zal, dat zweer iku, In geen vier etmaal eeten Die van u beide my niet haaftig open doet.
Ik zal..k.
Wo BB Y N.
Waarom loopt my die gekskap voor de voet ?
JORDEN.
Waarom jy eer as ik? wel dat zyn raare Hukken!
WoBBYN.
Brus hier van daan.
J o R D E N.
Het flot zei jy me niet ontrukken. WoBBYN.
’kWil open doen,
J o R D E N.
Ik wil hetzelfdoen, vuile Pry^
W o B B Y N.
Je zelt waarentigniet.
Jordkn.
J y zelt ook niet.
WoBBYN.
Nochjy.
4rnoldus.
Moet langer myn geduld dit kibb’len noch gedoogen ? DERDE TOONEEL.nbsp;Arnoldus, JoRDEN, Wobbyn,
J orden.
Wobbyn,
n Heer, ik heb d»deur geöpetid.
’tisgeloogen;
Ik deê ’t.
Ze liegt, men Heer. Indien ik mogt begaen,
Ik floeg je veur je bek. nbsp;nbsp;nbsp;Hy Jlaat ArmUus,
Arnoldus.
Jou, ezel, is dat flaan ?
J ORDEN.
Dat deê zy ook, myn Heer.
Arnoldus.
Zwygt beide, en hoort my fpreeken; Wilt met uw’ zotte klap my ’t hoofd niet langer breeken;nbsp;Zeg hoe gy hier al vaart, is alles op zyn ftel?
J o R D E N.
Men Heer,we vaarennoch...menHeer...we vaaren wel.. We binnen...
Arnoldus hem tot driemaal toe de hoed van 't hoofd neemende.
Plompen beeit, zult gy uw’ hoed niet lichten Wanneer ge tot my fpreekt?
Heb dank voor ’t on'derrichten, Jehebtgelyk, menHeer.
Arnoldus tegens Jorden.
Ga, Jorden, roep Agniet. Tegens H^ohhyn.
Gevoelde zy, toen ik van huis ging, geen verdriet? WOBBYN.
Verdriet? neen.
Arnoldus.
Niet?
W o B B Y N.
O ja!
Arnoldus.
Wat was ’t, dat haar deê fchroomen? W o B R Y N.
Zy meende, elk oogenblik, dat gy weêrom zoud kom^.
-ocr page 22-i8 HET SCHOOL
En nimmer hoorden wy veur deur karos of*paerd,
Of waagen, of, men Heer, ze miende dat gy’t waard.
VIERDE TOONEEL. AgnetajJordenjWobbyn.Arnoldus.nbsp;Arnoldus.
ZO, zo, ’t werk in de hand ? dat ’s waarlyk een goed teken.
Ik heb myn reis volbragt, voelt ge u nu niet ontfteeken Van vreugd, Agneta?
Agnet A,
Ja, myn Heer, ’k ben zeer verblyd. A R N o L o ü s.
Ik meê, vermits dat gy zo wel te palTe zyt.
Is ’t ook hier alles wel geweeft, naar uw behaagen? Agneta.
Behalven dat de vloón my ’s nachts geweldig plaagen. Arnoldus.
Gy zult haaft hebben een die hen verjaagen zal. Agneta.
Gy zult my vriendfchap doen.
Arnoldus.
„ ’k Geloofbaar heel en al. Wat is ’t dat gy daar maakt?
Agneta.
Ik naai voor my wat linden, Uw hembden zyn gedaan, gy zult ze boven vinden.
A RN OLD u s.
Heel goed.Nu ga;’k moet voort,wees daarom niet in pyn, Myn waarde Agneta, ’k zal in ’t kort weêr by u zyn.nbsp;En u iets van gewigt, dat u belangt, ontvouwen.
VYFDE TOONEEL. Arnoldus alleen.
HEldinnen dezer eeuw, gy, hoogverlichte vrouwen, Diefteeds van tederheén en liefde fchryft,enfpreekt.
VOOR DE VROUWEN.
Die vol geleerdheid en liefkozerijen fteekc, Uw’rymen, ook hoe zoet, uw brieven, hoe vol krachten,nbsp;Zyn weinig, by deze eerb’re onkundigheden, te achten,nbsp;’c Is niet het geld waar op men zich verfliug’ien moet;nbsp;Maar wanneer de eerbaarheid... wat zie ik ? is hy ’t ? zoet.nbsp;Ja; neen; ja , hy is-’t zelf, voorwaar’t isnietgeloogen,nbsp;Hora...
ZESDE TOONEEL. Arnoldus, Horatiüs.
MHoratius.
YnHeer....
Arnoldus.
’k Verheug my niette zynbedroegen. Wanneer is uwe komft ?
Horatiüs,
Acht dagen reeds geleên.
Ik kwam zo haafl niet hier of ging naar uwent heen, Maar vond u niet.
Arnoldus.
Ik was op ’t land wat fpeelen vaaren, Horatiüs.
Zo hoorde ik.
Arnoldus.
Wat zyc gy gegroeit zints negen jaaren! Gy waard toen maardus hoog, daar boven wonder teêr,nbsp;Hu zyt ge zulk een man !
Horatiüs.
Gelyk gy zier, myn Heer. Arnoldus.
In Welk een ftaat hebt gy uw vader toch gelaaten?
Die goede Gerard; ’k pleeg zo gaern met hem te praaten. Is hy noch fris? ’k heb hem in geen vier jaar gezien.
^ nbsp;nbsp;nbsp;,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Horatiüs.
Gy deed malkander ziijts geen groecenis ontbién,
Ba nbsp;nbsp;nbsp;In
-ocr page 24-In al dien tyd. Wat hem belangt, na zyne jaaren.
Kan in het land geen menfch, hoe jeugdig, beter vaarèn; Hy leefd fteeds vrolyk, en is lulliger, als wy;
Ook heb ik eene brief van hem, voor u, by my.
Sints fchryft hy, dat hy zich reeds heeft op weg begeeven, Om hier te komen, door een grooce zugt gedreeven,nbsp;Na ik verdaan kan; maar de reden meld hy niet.
Ik kan niet peinzen tot wat einde dit gefchied.
Kend gy hier ook een man, die, over veertien jaaren, Uit dit gewed:, is naar Amerika gevaaren,
En, met veel rykdoms, is te ruch gekeerc?
Arnoldüs.
O neen.
Maar hebt gy niet gehoord hoe hy genoemt word? Horatiüs.
’k Meen ,
Hy heet Henrikes.
Arnoldüs.
Neen.
Horatiüs.
’k Héb uit de brief vernomen , Na vader fchryft, dat hy is wederom gekomen.
Als of ik hem wel kende, en dat ze beide licht Hier zullen komen, om een zaak van groot gewigt;nbsp;Maar verder fchryft hy niet.
Arnoldüs.
Ik brand reeds van verlangen Om hem te zien, en zal hem treffelyk ontfangen.
Arnoldüs 'de brief geleezen hebbende.
Uw vader Icbryfc te zeer beleefd’lyk aan een vrind, Die geen vermaak altoos in Complimenten vind;
My zulks te ïchryven, was in ’t minfte niet van nooden, Myn kas is te uwen diend:, al had hy ’t niet ontboden.nbsp;Horatiüs.
Ik vat u by het woord, myn Heter, dat gy my geeft. En, wyl myn Heer voor my zo Veèl beleeftheid heeft,
Om die gelegenheid niet aan een zy te zetten,
Geef my, zo ’t u beliefd, twee honderd Piftoletten. Arnoldus.
Gy toont my vrindfchap, en doet, als een eerlyk manj' Het is my lief dat ik u aanftonds helpen kan,
’Jc Heb die Juift by my , daar....
Horatiüs.
Myn Heer...
Arnoldus.
Ik bid u, ftaaken
Wy dit gefprek, laat ons geen Complimentenmaaken; Zeg hoe u deze Stad gevalt.
Horatiüs.
Myn Heer, ik fta
Op ’t hoogft verzet, wanneer ik acht op alles fla;
’t Zyn brave Borgers, en uitfteekende gebouwen: (wen. Het moet vermaak’lykzyn zich hier ter woon te onthou-Arnoldus.
£lk een vermaakt zich hier, myn Heer, op zyn manier, Maar voor Galands, gelyk men hen liên noemd, is ’c hiernbsp;Een Paradys, elk kan hier vinden zyn genoegen,nbsp;Vermits de vrouwtjens zich naar alles kunnen voegen.nbsp;Men vind ’er bruin, en blond, waar bygeenlluursheidnbsp;geld;_
Geen man die zich om heur beleefdheid immer kweld; Galanten leeven hier in volle vrolykheden,
Tot kluchtjens vinde ik hier, alle uuren, nieuwe reden. Heeft u ’t geluk bereid.*' niet meede iets toegedeelt.?
En hebt gy reeds uw’ rol niet, naar uw’wenfch,gefpeelt? Zo wel gemaakte lui betoveren de zinnen ,
En doen, zelfs zonder geld, de mannen hoorens winnen. Horatiüs.
Myn Heer, om rond te gaan, ik ben al meê gevat.
En heb een voorval, zeer behaagelyk, gehad;
Uw vrindfchap doet my zulks ontdekken, zonder vreezen.
B 3 nbsp;nbsp;nbsp;Ar-
-ocr page 26-Arnoldus.
Ha! ha! dat tal gewis al weêr iets aardigs weezen, * Dit dient voorzeker mede op myn tablet gefteld.
Hor AT I us.
’k Verzoek,mynHeer,dar gytoch zulks aan niemand melt, Arnoldus,
Geenzins, myn Heer.
H o R A T I u s.
Ik ben in liefdensnet gevangen, En met myne oogen aan een Schoonheid bly ven hangen,nbsp;Ook heb ik ’t ftuk met zulk een yver opgevat,
Dat ik reeds heb ’t geluk van haar te zien gehad,
En, zonder dat ik haar misdoe, of veel wil roemen, Myn zaak ftaat zo, dat ik my mag gelukkig noemen.nbsp;Arnoldus.
En *£ is ?
Horatios.
Een Schoonheid, Heer, hier in het naaile huis, Daar met die groene deur, naaft aan de fleene fltiis,nbsp;Zy is eenvoudig, wyl een Gek, door wanvertrouwen,nbsp;Haar van jongs aan heeft van de menfchen afgehouwen.nbsp;Maar, fpyt haar fimpelheid, en wat haar is misdaan,nbsp;’kWeetzoge’erfchoonheid zaagt, gyzoud verwondertnbsp;ftaan.
Zo haaft zag ik haar niet, ofjnyne zinnen dwaalden, En haar fchoone oogen van myn vryheid zegepraalden,nbsp;Zy beet Agneta, die myn ziel zo heeft doorwond.nbsp;Arnoldus.
„ Ik barft!
Hor A T lus.
De man heet Hoog... Ja, Heer van Hoogegrond; Men zegt ’t een rykaard is, maar dwaas, en zdfer onaardig,nbsp;Hy is my afgemaalt van elk befpotcens waardig.
Kend gy hem niet, myn Heer?
Arnoldus.
,, Watmoeijelykerpil!
Ho*
-ocr page 27-Hor AT lüs.
Hoe! fpreektgy niet een woord?
A R N o L D u s.
Ik ken hem als ik wil.
H o R A TI u s.
Het is een Gek, niet waar?
Arnoldüs. nbsp;nbsp;nbsp;'
Hoe! wat?
H o R A TI u s.
’k Merk gy wilt zeggen, Dat zyn Jaloersheid beft. zyn dwaasheid uit kan leggen.nbsp;De lieve Agneta heeft geheel myn ziel verkracht.
Door haare fchoonheid, die ik zonder weerga acht.
’t Zou jammer zyn, dat haar die G ek zoulanger houwen, Ik hoop zyn dwaasheid hem in ’t kort te doen berouwen,nbsp;Vermits ik niets zo zeer als het genieten w'enichnbsp;Van zulk een Schoone; in fpyt van dat barbaris menfch.nbsp;Ik heb u ’t geld ontleend, om my, in deze zaaken,nbsp;Daar van te dienen, en een eind daar door te maaken.nbsp;Gy weet zo wel, als ik, myn Heer, dat geen geweldnbsp;Zo veel vermoogen op de menfchen heeft, als ’t geld;nbsp;En dat, wyl dit metaal zyn kracht zeer zelden faalde,
’t In liefde en in de kryg de zeege altyd behaalde.
Gy fchynt niet wel te vreên. Heb ik hier in misdaan ? Offtaat u myn bedryf, inyn Heer, maar palT’lyk aan?
Arnoli» us.
Neen, maar ’k bedacht...
Hora T lus.
’k Merk myn verhaal u fchynt te hoonen. Vaar wel, ’k zal dankbaar my aan u tot uwenttoonen.nbsp;Arnoldüs.
Och! moetik...
Horatius wederkomende,
’k Bid nochmaals, meld toch myneaanflagniet, Eti dat ook niemand weet van ’c geen ’er is gefchied.
ARNOtPUS.
Wat voel ik in myn hart....
HoRatius wederkomende-
Laat Vader zulks niet hooren, Ik weet dat hy gewis ontfteeken zou in tooren.
ArnoLDUS meenen de dat hy weder komt,
OCh... och! wat heb ik fmart door dat verhaal ge-leên!
Kwam immer wel een menfch in zo veel zwaarigheén.^ Met welk een onbefcheid , door wulpze drift gedreeven.nbsp;Komt hy daar van die zaak my zelve kennis geeven !nbsp;Dewyl myn and’ren naam hem my niet kennen doet,nbsp;Was immer onverlaat zo bitter, zo verwoed ?
Maar, na zo zwaar een ftryd, dien ikmy in te toornen. En zien te ontdekken wat voor ramp ik heb te fchroo-men,
En zyn onheufch verhaal te hooren tot aan ’t end,
Tot dat my hun geheim ten vollen zy bekend.
Gaan wy hem zoeken; hy kan noch niet verre weezen, ’k Zal zien hem verder zich te ontdekken te beleezen.nbsp;’t Schrik voor het ongeluk, dat my ftaat voor de hand.nbsp;Men zoekt zomtyds na ’t geen men liever nimmer vand.
Einde van het eerfie Bedryf.
VOOR DE VROUWEN. 25
EERT SE TOÜNEEE. ArnolduS alleen.
HEt is my beft, als ik (de zaak recht ga bezeffeti. Dat ik gemift heb in hem weder aan te treffen;nbsp;De ontroering van myn hart, te bitter, had zich lichtnbsp;Niet kunnen bergen, na myn wil, voor zyn gezigt:
’t Verdriet was uitgefpat, in weêrwil van myn zorgen. Ik wenfch niet dat hy wift ’t geen voor hem is verborgen;nbsp;Maar, ’k laat dat brokje my zo niet ontfutz’len, neen!nbsp;Dat Jufferlekkertje heeft haar noch niet alleen.
’k Zal hun verbintenis van ftonden aan wel breeken, En hooren hoe ver hy heeft in de kaart gekeeken,nbsp;Dewyl ’k aan dit belang myn eer verbonden houw.nbsp;En ik haar, in deez’ ftaat, bereids acht, als myn vrouw.nbsp;Het is my fchandelyk zo zy iets heeft misdreeven,
En wat zy doet word op myn rekening gelchreeven.
O dood’lyk afzyn! o verfoeijelyk piaizier!
aan de deur kloppende.
TWEEDE TOONEEL.
ArnolduSj Jorden, Wobdyn. En Heer,
MJorde N.
En Heer, ditmaal....
xVrnoldus.
Zwygt ftil, en voegt u beide hier; Gy daar;gy daar. Komt hier;wat voeltge voor bezwaaren?
WOBB V N.
Je maakt me zo verfchrikt, men bloed hot in menanten. A R N o LDÜ s.
Gy hebt, na myn vertrek, myn laft zo fraai voldaan, En bei, met opzet, my, zo fchandelyk, verraan ?
WoB-
-ocr page 30-45
WOBBYN.
Men Heer, ik bid geni, och! wil me toch niet eetsn. JORDE N zacht.
Ikloof ien dolle hond het hum in ’c bien ebeeten. Arnoldus.
En, ’k ben zo vol van krop, dat ik niet fpreekenkan. Ik finagr,en wenfchce in ’t hembt te weezen. Gy hebt dan,nbsp;O fuood Canailje, licht om het genot van fchyven,nbsp;Gedoogt dat hier een man... ’k zeg dat ge ftaan zultnbsp;blyven.
’k Wil dat gy aanfl:onds...Zogy gaat ...mybeidezegt... Euh. Ja; ’k wil weeten wat hier binnen is verrecht....nbsp;Zo gy niet ftaan blyft zult gy van de drommel droomen...nbsp;En op wat wys die Heer is by Agniet gekomen.
Zegt op, geen lang beraad :’k wil dat gy vaardig fpreekt. Zult gy ’t me zeggenheu ?
'JORDENe»WoBBYNre zaamen.
Och! Och!
WoBBYN.
Men hart dat breekt.
J ORDEN.
Ik fterf.
Arnoldus.
’k Ben gantfch bezweet, ik moet my wat verluchten, En gaan wat wandelen. Had ik ooit kunnen duchten,nbsp;Toen ik noch kleen hem zag, dat hy opwaftèn zouwnbsp;Om my te ftooten in zo doodelyk een rouw?
’r Zal beft voor my zyn dat ik het zo zie te maaken, Dat zy zelf me opening doe van de grond der zaaken.nbsp;’k Dwing myn ontfteltenis voor haar, met alle kracht;nbsp;Geduld, myn ziel, geduld; ei! houd u ftil, en zacht.
TegeM garden en WMyn. Ryft op; gaat binnen: roept Agneta naar beneeden.nbsp;Neen, blyft. „Zy zouden bei myn fmart aan haar ontlee-„ Dan was zy min verzet; ik zal zelf binnen gaan, (den,nbsp;En haaien haar om laag. Gy; blyft hier beide ftaan.
-ocr page 31-JORDEN, WOBBYN.
W O B B y N.
Myn tyd! wat fcheen men Heer verfchrikkelyk van weezen!
Zyn oog deê my veur hum, gelyk de nikker,vreezen; Ik zag nooit eenig menfch zo vol van yslykheid,
J OR D E N.
Dat Heertje doet ’et hum, ik heb’t je wel ezeid.
WoB B y M.
Maar, wat St Feiten is ’t ,’k bid wil ’tmy toch verklaaren? Dat we onze Juffrouw in dit huis zo naauwbewaaren?nbsp;Waarom is ’t dat hy haar 20 ffreng verborgen houwd.nbsp;En niet wil toeftaen dat haar eenig menlch aanfchouwd?nbsp;J OR D E N.
’tis om dat zulks hum doet in Jallezy ontfteeken. WOBBYN.
Hoe ! Tallezv? ai! zeg wat binnen dat veur treeken?
JORDEN.
Dat komt om dat hy word van Jallezy gekweld.
WoBBYN.
Waarom is hy jalloers, maakt dat hemzoonfteld?
Jo R DE W.
De Jallezy, Wobbyn, verftaeje w^el, is even...
Het is en ding....hoe zei ik’t beft te kennengeeven? Het is en ding, waar deur een menfch heel grynig is.nbsp;En niemand zien mag. Hoornae deuze lykenis.
Op dat je’t klaarder daer deur zou bevatten moogen. Zeg, als jy zat en at, zou jy dan wel gedoogen,
Dat dan een vreemde meê kwam fcheppen in jouw kop? Zou jy niet kwaed zyn ? en lloeg jy ’er niet wel op.^nbsp;Wobbyn.
Ja, nou begryp ik ’et.
J ORDEN.
’c Is zo omtrent gefchapen;
De vrouw is veur de man, als Schaepevleis mit raepen; Als dan de man zomtyds ziet dat een ander klopt.
Op dat hy, na hy gift, meê van het zyne zopt,
Zo word hy boos, en hy kan dat geenzins verdraagen. WOBEVN.
Dat ’s wel: maar waarom of dan alle mans niet klaagen? Men ziet ’er zommige die altyd zyn te vreén,
Al gaen hun vrouwtjens met deHeertjenszichvertreên.
W o BE y N.
Zo myn gezigt niet is bedroogen,
Zo komt hy daar.
J o R DEN.
Hy is ’t, jou oogen binnen goed.
' nbsp;nbsp;nbsp;WOBBYN.
Hy fchynt noch niet te vreên.
J o R D E N.
Hy’s toornig van gemoed.
Arnoldus, Agneta,Jorden,Wobbïn. ArnoldüS.
„ Td' en Heidens Philozooph heeft eens een les gegeeven „nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Aan Vorft Auguftus; les, wel waard te zyn verhee-
„ Dat,als een voorval ons in toorn onfteeken deê, (^vea, „ Men, eer men iets befluit, moetleezen’t A,B,C.nbsp;„Op dat terwyl ’t gewoel der gal in ’t bloed zou ftülen ^nbsp;j, En wy niets doen als ’t geen men altyd doen zou willennbsp;U ’k Heb deze les omtrent Agnetaas zaak betracht,
„ En haar, met opzet, naar beneeden zelf gebragt,
„ Om, onder fchyn van wat met haar te willen wand’len, ,, Tot lliffing van myn fraart, heel zacht met haar tenbsp;hand’Ien,
„ En uit haar, praatende, behendig te verftaan, ^ De waare grond van al wat hier is omgegaan.nbsp;tegem Agneta.
Kom hier.
tegen yorden en fVobbyn,
Gaat heen.
VYFDE TOONEEL. Arnoldos, Agnêta,
Alt;
Arnolöüs. k-Gnete, is ’t hier niet fraai ?nbsp;Agneta.
Te wonder.
Arnoldus.
Wat is ’t fchoon wêer.
Agneta.
Heel fchoon.
Arnoldüs.
Hebt gy ook iets bezonder,
Wat nieuws?
Agneta.
Ons bonte katje is dood.
A R N o L Jb ü s.
Dat’s jammer, maar
Wy loopen, flerflyk zynde, ook ’t eigenfte geVaar. Vernaamt gy, toen ik op het land was, hier geen regen?nbsp;Agneta.
Neen.
Arnoldus.
Had gy geen verdriet?
Agneta.
Arnoldus.
Wat hebt gy al gemaakt?
Ag»
-ocr page 34-3Ö
Ag N ET A.
Zes hemden, na ik gis
Zes mutren.
ArnoldUS zich een weinig bedacht hebbende.
Waarde Agneet, hoor toe. De waereld is Een zeldzaam ding; de menfch heeft wonderlyke kuuren,nbsp;En de achterklap is fel, dat blykt aan onze buuren;nbsp;Zy ftrooijen uit dat hier een Jongman, fraai van leeft.nbsp;Doch onbekent, terwyl ’k op ’t land was, is geweeft;nbsp;Dat hy met u heel lang was, op uw’ kamer, boven.nbsp;Maar ’fc wou dat vuil gefnapin ’t minde niet gelooven;nbsp;Ik wilde wedden dat zulks vals was...,
A G N E T A.
T.ieven tyd,
Ik bid u, wed toch niet, gy waard het zeker kwyt. Arnoldus,
Zo is het waar?
Ag NE TA.
O ja myn Heer, zo waar wy leeven ; Hy is bymy byna den heden dag gebleeven.
Ahnoldus.
,, Zy toont my waarelyk, door haar bekentenis,
,, Dat valsheid of bedrog in haar bedryf niet is.
Maar badge op myn verzoek, Agneet, niet aangenomen Hier niemand in het huis by u te laaten komen?
Ag NE TA.
Ja: maar toen ik hem zag, had gy de zaak verdaan,
Ik ben verzekert dat gy had, als ik , gedaan.
Arnoldus.
Miflchien; maar laat my toch ’t verhaal daar van eens hooren.
A G N ETA.
’t Is wonderlyk, gewis ’t zal vreemd zyn inuweooren. ’k Stond voor het vender, om wat lucht te fcheppen, daarnbsp;Ik onder’t gins geboomte een Jongman wierd gewaar.nbsp;Heel fraai en wel gedaan; hy (loeg zo haaft zyne oogen
Niet
-ocr page 35-VOOR DE VROUWEN. 31 Niet op my, of hy heeft beleeft zich neêrgebogen;nbsp;Om in beleeftheid niet te wyken voor die heer.
Neeg ik eerbiedig; daar op groete hy my weêr.
En boog zich vaardigiyk; ik wederom daar tegen. Heb, op het fpoedigfte, ten tweedemaal genegen;
Hy boog ten derdemaal behaaggelyk voor my.
En ik ten derdemaal zo vaatdig ook, als hy,
Hy ging vaft heen en weêr, en hield niet op van groeten, Waar op ik ydermaal op nieuws heb neigen moeten.
’k Zag zyn beleeftheid aan, zelfs met verwondering, En zy behaagde my geftadig zonderling;
Zo dat, had ons de nacht niet tot de ruft gedreeven, Ik altyd hebben zou in zulk een ftand gebleeven;
’k Was zo eergierig, dat ik geenflns dulden wou.
Dat in beleeftheid hy my overtreffen zou.
A it N o L D u s.
Heel goed.
Ag NETA.
’k Heb ’sand’rendaagseen oude vrouw vernomen, ’k Lag over onze deur, die by _my is gekomen;
Ik wenfch u zegen toe, myn kind, heeft zy gezeid, En eene lange duur aan uw bekoorlykheid;
Maar, gy zyt niet zo fchoon en minnelyk gefchapen, Om,door kwaad opzet, daar geen vruchten van te raapen.nbsp;En gy moet weeten, dat gy hebt een hart gewond.nbsp;Dat zich gedwongen vind te Iclaagen door myn mond.nbsp;Arnoldus.
5, Vergiftig zaad! Serpent, uit de afgrond opgereezen! A GN ETA.
Hoe! ik ’er een gewond ? fprak ik, ontfteld van weezen. Ja zo gewond, zeid zy, dat hy onlyd’lyk klaagt,
En' ’t is die Heer, die gy hiergift’ren wand’len zaagt. Och! zeide ik, hoe mag zulkszich hebben toegedraagen ?nbsp;Heeft ook myn fchaar, of iets hem op het hooH geflagennbsp;Neen, fprakze, uwe oogen zyn ’t waar van hy is geraakt,nbsp;£n UW gezigtftraal heeft hem zulk een wond gemaakt.
Wel
-ocr page 36-Wel, well zeid ik, ik fta gelyk als opgetoogen; Hoelzk ’er zulk een kwaad verborgen in myne oogen ?nbsp;Ja, fprak zy , eenfenyn , van kracht, zo fel en groot,nbsp;Dat iemand daar door komt van ’t leven tot de dood.nbsp;In ’t kort, de elendige is erbarmelyk aan ’t kwynen,nbsp;En zo gy heA niet wilt verlichten in zyn pynen.nbsp;Indien gy al Te wreed uw’hulp trekt van hem af,
In een twee dagen tyd gennakl hy in het graf.
Och! zeid ik, wat zou my dat niet al droefheid baaren; Maar wilt my, waar ik hem meê helpen kan, verklaaren.nbsp;Myn kind, antw'oorde zy, ik bid u, kan ’t gefchiên.nbsp;Dat gy hem de eer gunt u te fpreeken, en te zien:nbsp;Uwe oogen kunnen hem alleen behoên voor ’t fterven.nbsp;En zyne kwaal daar door geeneezinge verwerven.
Och gaerne , zeid ik, word zyn kwaal daar doorgebluft, Hy kom vry by me, en dat zo dikmaals als ’them luft.nbsp;Arnoldüs.
„ O fnoode Toveres! vergiftigfter der harten!
,, Uw eige boosheid plaag u (leeds met alle fmarten,
A G N E T A.
Dus kwam hy by me, en hy genas van ftonden aan. Nu oordeel of ik daar niet wel aan heb gedaan;
Had ik wel, zonder fmart of knaging, kunnen lyden. Dat hy zou fier ven, daar ’k hem kon voor derven vry den ?nbsp;Ik die ’t meêdoogen met bedroefde ben gewoon,
En, zonder traanen, zelf niet kan een hoen zien doón. Arnoldus.
,, Dit ’s allêS niet, als door onnozelheid, bedreeven;
,, Myne onvoorzigtigheid heb ik de fchuld te geeven, „ Wyl myn afweezen, onbedacht,haar deugd’lykheidnbsp;„ Aldus heeft bloot gefteld door lift te zyn verleid.
,, ’kVreez’ datdieDeugd’nietvry wat nader is gekomen, „ En niet de zaak in fpel, maar ernft heeft opgenomen.
A G N E T A.
Wat deert n ? ’cfchynt gy mort, engyzyt Wat geftoort, Heb ik daar in ook iets gedaan dat niet behoort
Ar-
-ocr page 37-33
Arnoldus,
Neen : maar Agneta ’k wenfch’c vervolg van u te weeten, En hoe die Jongman heeft zyn tyd by u verlleeten.nbsp;Agneta.
Och! wift gy eens hoe zeer hy opgecoogeMvvas,
Hoe fchielyk zyne kwaal, door my teziei^genas,
’t Gefchenk dat hy aan my vereert heeft, zo genegen , En wat al geld Wobbyn en Jorden van hemkreegen,
’k Weet gy beminden hem, en fpraakt de zelve réén.
A R HOLD us.
Goed. Maar wat deed hy tóen hy was met ü alleen? Agneta.
Hy zwoer me dat hy my zou eeuwig liefde draagen; Hat, buiten my, hem niets ter waereld kon behaagen.nbsp;Nooit kwam my zoeter taal, als zyne woorden, voor;nbsp;Noch dunkt men dar ik heifl geduurig fpreeken hoor.nbsp;En voel een zoetigheid, die my zo kan verrukken,
Hat ik door woorden zulks niet wel weet uit te drukken. Arnolóus.
5j O moeilyk onderzoek van een geheimenis j 5, Daar van die ’t onderftaat alleen de lyder is!
Maar, buiten al die reên, zo zoet, en dat verëerenj Beftond hy u zomtyds niet wat te careflèeren?nbsp;Agneta.
Heel veel; hy drukte my myne armen, % weet niet hoe. En wierd myn’ handen ftyf te kuflèn nimmer moê.nbsp;Arnoldus.
Maar zeg me, Agneta, heeft hy niets van u genomen? Heu?
Ja,hy
Agneta.
nam.
Arnoldus. Wat?nbsp;Agneta.nbsp;Het,ü. jnbsp;G
-ocr page 38-34-
HET SCHOOL
Arnoldus.
. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe? wil niet fchroomen.
Agneta.
Hy nam...
Arnoldus.
Wat blieftje,...
Agneta.
Ik weet gy zult’er kwaad om zyn. Arnoldus.
’k Zal niet.
Agneta.
Ja, al.
Arnoldus.
’k Zal niet. „ Och! wat lyde ik een pyn. Agneta.
Geef dan uw woord.
Arnoldus.
Ik zweert.
Agneta.
’k Zal dan geen ky ven vreezen ? Arnoldus.
Neen , neen ; wat pikken, neen! Wat zal dit zamlen Wat nam hy u?nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(weezen?
Agneta.
Het...
Arnoldus.
,, Hoe word ik getormenteert!
A G NETA.
Hynam my’tlint, dat gy my onlangs hebt vereert: Geloof me, ik kon het niet, wat ikookdeê,bewaaren.
Arnoldus aaffemfcbeppeude.
Het lint, dat’s niemendal. Maar wil me een recht ver-klaaren.
Of ook, terwyl hy kufte uw arm en hand, die Heer Niets anders heeft beftaan.^
Ac-
-ocr page 39-A G NETA.
Hoe! doet men dan iets ine;ér? Arnoldus.
Neen, maar om zyne kwaal te helpen, en te weeren, Beftond hy niet van u iets anders te begeeren ?nbsp;Agneta.
Neen, in het minde niet: want had hy zulks gedaan, Gy kunt wel denken, ’k had hem alles toegedaan.nbsp;Arnoldus.
„ Dank zy’t geluk van daar zo goed koop af te raaken, „ ’k Zal, fpy t bedrog en li d, wel beter daar voor waaken.nbsp;Agneta, dit ’s door uwe onnozelheid gefchied,
Nu, die zaak is voorby, ik zeg u daar van niet;
Maar weet, die Minnaar, hoe hy om uw gund mag prachchen,
Zoekt uw verderf, om daar na in zyn vuid telachchen. Agneta.
Oneen! wel tienmaal heeft hy’t zelfde my verklaart. Arnoldus.
Gy weet niet hoe men meed met minnaars eeden vaart; Maar,’k zegu, dat van haar gefchenken zelfs teontfan-Aan zulke Jonkertjens gefnap te bly ven hangen, CS™gt;nbsp;Te laaten kullen, als zy vleijen, arm en hand.
En door dat dreelen’t hart te voelen als in brand,
Is eene misdaad, die alle and’ren gaat te boven. Agneta.
Een misdaad zegt gy! maar hoe kan ik datgelooven? Arnoldus.
O ja, een misdaad, die veel bitterheden kweekt.
En in het hart een gloed van naberouw ondeekt. Agneta.
Van naberouw? dat’s vremd,hoe komt datPom wat reden? t Is zo vermaakelyk, en zo vol vrolykheden.
^dond verwondert voor zo ongemeen een zoet,
En voelde nimmer zulk een vreugd in isyn gemoed.
C a nbsp;nbsp;nbsp;Ar-
-ocr page 40-Arnoldus.
Ja, ’t is vermaakelyk op zulk een wys te leeven,
Wyl zulke redenen de zinnen blydlchap geeven; Maar’tmoet, in eer en deugd ,gefchiên,als de echteband,nbsp;Door trouw, die zoetigheid ontheft van kwaad en fchand.nbsp;Ag NET A.
Is ’t geen meêr kwaad als door de trouw wy t’zaam ver* gaaren ?
Arno ldüs.
. nbsp;nbsp;nbsp;Agneta.
’k Bid u doe my dan toch op hetfpoedigftpaaren, Arnoedus.
Is ’t uw believen,’t is ook ’t myne, en ik beken.
Dat ik, om zulks te doen, hier weêr gekomen ben. Agneta.
Is’cmoogelyk?
Arnoldus.
Agneta.
’k Zal my gelukkig houwen. Arnoldus.
Geloof wel dat het u niet leed zal zyn te trouwen.
A G NETA.
Wy zullen dan te zaam....
Arnoldus.
Sla daar geen twyfFel aan. Agneta.
Wat al careflen zult gy daar niet voor onifain! Arnoldus.
En ik zal, van myn kant, u ook niet fchuldig blyven. Agneta.
Maar’k ducht dat gy de fpot wat met me zoekt te dry ven; Spreekt gy oprecht?
Arnoldus. ^
As-
-ocr page 41-Agneta.
Wy zullen trouwen?
Arnoldüs.
Ja.
Agneta.
Wanneer?
Arnoldus.
Van avond noch. Agneta.
Van avond noch!
Arnoldus.
O ja. Gy fchynd u te veryreugen. Agneta,
Gewis.
Arnoldus.
Al myn vermaak is, in u te verheugen. Agneta.
War ben ik u verpligt voor’t goed my toebereid,
En wat zal ik voortaan, met hem, in zoetigheid.... Arnoldus.
ftlet wie?
Agneta.
Met hem... die my...
Arnoldus. nbsp;nbsp;nbsp;'
Die hem, die zal niet trekken: Gy 2yt vry haallig uw begeerlykheid te ontdekken.
Neen, ’t is een ander, die uw Bruigom weezen zal,
En die Heer hem zult gy, ’k begeert, my te geval,
Al zou zyn minnezucht, tot u, hem ’t hart doen breeken. Van nu af niet meêr zien, noch’t minilemethemfpree-
k Wil, als hy wederkomt, hoe dat het hem ook fpyt, Dat gy terflond de deur liem voor de neus toe fmyt,nbsp;tn, klopt hy, met een fteenhemuithetvenftergooijen,nbsp;Gp dat hy nalaat hier voortaan te rinkelrooijen.nbsp;erftaat Agneta my.^* ’k zal om een hoekje ftaan,
C 3 nbsp;nbsp;nbsp;E«
-ocr page 42- -ocr page 43-VOOR DE VROUWEN. 39
EERSTE TOONEEL. Arnoldiis, AgnetAj Jorden, Wobbyn,nbsp;Arnoldus.
S alles vvel gedaan, myn blydfchap is volkomen: ICy hebt ook myn bevel getrouw in achtgenomen,nbsp;En die verleider recht geloond na zyn waardy.
Gy ziet hoe hoog een wys beilierder te achten zy;
Ja, zonder my, Agneet, gy waard gewis bedroogen.
Sla vry op het gevaar daar ge in geweeft zyt de oogen. Gy gingt, had ik u niet behouden, dit’s gewis,
Van’t rechte fpoor, en lieptin uw’ verdervenis.
Men is genoeg bewuft van zulke vleijers treeken;
Zy komen voor den dag op ’t ..erlykll uitgeftreeken.
Een groote blonde pruik, in alles na den zwier;
Maar onder zulk een loof verfchuilt zich ’t giftig dier.
Dat zyn die draaken, die, met opgefpalkte keelen, Steeds ftaan te loeren om der docht’ren eer te fteelen.nbsp;Noch eens gezegt, dank zulks aan myne zorg en vlyt;nbsp;Gy zyt daar door gered en, zonder hoon, bevryd.
Het werpen van die (leen, zo knap hem toegedreeven, Die hem zyn zotte hoop voortaan zal doen begeeven.nbsp;Port roy noch vafter aan, om, zonder meêr beraad,
U, waarde Agneet, verknocht te zien in deechceftaat: Maar vooraf moet ik noch, wanneer ik ben gezeten,
U dingen zeggen, die u nodig zyn te weeten,
tegen Jorden en M^obhyn. Breng hier een ftoel; en gy, zo ik u immer weêr...
W o BR Y N.
Wy zullen jou gebod altyd zo doen, men Heer.
Dat ander Heertje meende ons zekerlyk te likken.
40 HET SCHOOL
Ook ,zeg ik, ’t is een gek, al was ’t in zyn gezigt,
Hy gaf ons leftent goud, doch allemaal te licht. Arnoloius.
Maak’t avondmnal gereed, en laat’er niets ontbreeken. ’kDien een Notaris, om van het Contrakt te fpreeken,nbsp;Te hebben. Haal, als gy de ftoel hier hebt gebragc^
Die op de gintfche hoek, en zeg, dat ik hem wacht.
tweede TOONEEL.
Arnoldos, Agneta.
ArNOLDUS zittende.
AGneta, luiftertoe, wil zo lang’t werken ftaaketi;
’k Heb zaaken van belang aan u bekent te maaken. ’t Hoofd recht, zo lang ij] fpreek; zie my vry ernftig aan,nbsp;En tracht het minfte wo/i d ter degen te verdaan.
Ik zal u trouwen ; nbsp;nbsp;nbsp;, igt u gelukkig achten,
En ieder oogenblik we'1 zeeg’nen myn’ gedachten, Befchouwen van hoe laag’k u opgetoogen heb,
En, door wat goedheid, ik behangen in u fchep ;
En waar door gy, van’t flechtverachtBoerinneleeven, Zyt tot de waarde van een Borgerin verheven;
En de eer geniet, datu, een man omhelzen gaat.
Die, tot nu toe, altyd’t liefkoozen heeft verfmaad;
Die méér dan twintigmaal, na wenfch, heeft paaren kunnen,
Doch’t hart geweigert heeft, dat hy aan u komt gunnen. Ken’t weinig dat gy noch zoud w.eezen, indien gy.
Door zulk een waarden band, niet wierd verknocht aan my;
Op dat dit voorwerp u te beter doe bezeffen,
Hoe gy beft de eer verdient, daar toe ’k u ga verheffen. Leer u zelf kennen ,.op dat ik mag voor altoosnbsp;My ook bedanken, dat ik u tot vrouw verkoos.
Agneta, ’t huuwelyk, ik wil ’t u niet ontveinzen,
Eifcht van een vrouw heel ftraffe, en etnftige gepeinzen;
Denk
-ocr page 45-VOOR DE VROUWEN. 41: Denk niet,wanneer gy zyc myn vrouw geworden, datnbsp;U alles vry zal Itaan, als of gy ’t ryk bezatnbsp;Het vrouwelyk geflagt moet onderdaan zyn leeren:nbsp;Den mannen voegt alleen ’t gebieden, en ’t regeeren.nbsp;Schoon zytwee helften zyn,tezaam verknocht ineen.nbsp;Nochtans is tudchen hen het onderfcheid niet kleen:nbsp;De een is de hooger helft, en de and’re van beneden;nbsp;Deez’ moet gehoorzaam zyn, endiedemagtbekleeden,nbsp;De pligt eens krygsmans, die hy aan zyn opperhoofdnbsp;Verfchuldigt is, des knechts aan zyncn heer bc.ooft,nbsp;Die van de kinderen aan vader, en aan moeder,nbsp;üan de eerfte van’t geflagt de jongde,en minder broeder.nbsp;Die haaien ’tminft niet by die onderdaanigheid.
En ’t diep ontzag, dat aan een vrouw is opgeleid,
Op ’t allervrindelykfl:, geduurig te beroonen Haar man, als Heer en Voogd; niets kan haar des ver-fchoonen.
Slaat hy zomtyds op haar wat ernilig zyn gcz'gt, Aanftonds haare oogen neêr te flaan is haare pligt.
Zy moetnooitonbefchaamthemkyken onder de oogen. Voor dat hy om ’t haar te vergunnen word bewoogen;nbsp;Schoon ’t meeft de vrouwen van deez’tyd zo niet verdaan.
Maar, volg geen anderen die kwaade gangen gaan , Noch onbefchaamden, die, in ontucht uitgelaaten,nbsp;Stof geeven om hun doen te zingen langs de ftraaten.nbsp;Noch laat de wulpsheid u niet vangen in haar net.
Op dat ge, als and’ren, niet uw’ zin op boeven zet; Denk als ik my aan u verbind, door ’s huuwlyks banden,nbsp;Dat ik, Agneta, heel tnyn’ eer del in uw’ handen;nbsp;Hoe teêr die eer is, en hoe licht zy is geraakt,
En dat in dit belang het mallen dient verzaakt;
Dat hier beneden zyn veel ketels, die deeds kooken, Waarin men vrouwen werpt die hier beur eer ver-brooken.
Maar druk vry in uw hert deez’ leflen alcemaal.
Zo uwe deugd die volgt, en ’t kwaad doenfteedsblyfc
vreezen,
Zal uwe deugd zo blank, gelyk een lely, weezen; Maar zo zy de eer vergeet, haar man veracht, en tart,nbsp;Zo zal zy voortaan zyn , gelyk een kool zo zwart.
Een ieder zal, om uwe algrys’lykheid, u fchouwen; En de ondeugd zal u fteeds gelyk geketend houwen;nbsp;Dan voelt men in zyn hart, gelyk een kokend vuur.nbsp;Daar ’k u bevryd voor wenfch, tot aan uw uiterfte uur.nbsp;Doe uwe eerbiedigheid, gelyk een’nieuw gekomen’nbsp;In’tkloofterleerenmoet wat waar moet zyn genomen.nbsp;Zo moet een jonge vrouw ook leeren doen in de echt.
Hy ftaat op.
’k Heb hier een fchrift, daar ’t word behoorlyk uitgelegt, En ieder vrouw haar pligt volkomen in kan leezen;
]k kende Auteur niet, raaar’t iswaardtezyngepreezen. ’k Hifch, dat ge uw leegen tyd alleen daar aan vergunt.nbsp;Hou daar. Laat hooren of gy ’t ook wel leezen kunt.
Ag NETA leejl.
Van het Huuwelyk, of de pligten van een
Benevens haare dagelykfche oeffening.
I. R E G U L.
Wie, door gerechte trouw, verbonden,
Een eerlyk man heeft tot haar deel.
Wacht zich voor onkuifche vonden,
Schoon 't hedendaags de vrouwtjens doen te veel.
En denk, dat die baar nam , haar naam voor zich geheel.
Arnoldus.
’k Zal u ftraks zeggen wat zulks wil te kennen geeven.
Lees
-ocr page 47-Lees nu maar voort, en let waar dat ge zyc gebleven.
Ag NET A leeft voort.
Zy tooi zich met geen grooter fracht,
/lts die baar man Jlecbts kan behaagen : (^acht, Wat fchaat bet, als haar man haar Jchoonen minzaamnbsp;Of haar alle and're dein de naam van laeiyk draagen,
Zy my zich van gemaakt gelonk , pommades watertjens ^ en diergelyke dingen \
Al dat gefmeer, al dat gepronk,
Doet veeltyds de eer in dutgen fpringen.
Al dat verfieren , om voor Jchoon te boek teftaan IVord zelden voor den man gedaan.
Haar kaper dek haare oogen Wanneer zy uitgaat, zo gelyk als 't de eer gebied.nbsp;En., op dat zy haar man meer zou behaagen moogen ynbsp;Behaagze vry alle and'ren niet.
Geen gezelfcbap aan te houwen Hergt de goede regul haar,
Als die haar man zelf nood in 't openbaar.
Alle oppaffers van mevrouwen y Hoe men V ook benoemen doet,
Doen de mannen zelden goed.
^ moet zich gefchenken wachten Aan te vaarden , wyl men zietnbsp;IVaar de geever naar zal trachten ynbsp;Want men geeft thans niets om niet,
Pen noch inkt moet haar behangen,
Noch papier-, zulks ik venyn. fp'at'er moet gefchreeven zynynbsp;Daar fiaat de man zorg voor te draageü»
die gemeenzaamheid die men bezoeken noemt, Pol ongefchikiheid, hoe de mode 't ook ¦verbloemt,nbsp;Xyn recht hekiwaam om vrouwen eer te krenken;nbsp;Ja, door een wet hoort zulks te zyn verboön ,nbsp;iPyi, hoe men gaauwft de mannen hoon,
De vrouwtjens daar zomtyds te zaam bedenken.
JVat vrouw zich de eer ftelt tot een baak.
Neem in bet fpeelen geen vermaak :
Het Spel moet zy, als doodlyk, fchroomen',
IVant zo haar geluk vertraagt,
Kan zy licht zo verre komen,
Dat Ze 'er 't heele resje aan waagt,
Nimmer moet zy fpeelen vaaren Zonder man , noch gaan te gaji,
Daar men, onder groene blaaren,
Lujlig drinkt, en wakker brajl.
Schoon zy word voor niet onthaalt,
Het is altyd haar man die het gelag betaalt.
A U N O L D U S.
Genoeg; lees vry alleen de reft, met aandacht, voort; Ik zal 't u alles ftraks verklaareh'zo ’c behoort.
My fchiet daar in, dat ik noch iemand heb te fpree ken Ik ben hier weêr eer een kwartier zal zyn verftreeken.nbsp;Ga binnen , hou voor al dit boekje in waarde en acht.nbsp;Komt de Notaris hier, zeg hem, dat hy wat wacht.
DERDE TOONEEL.
ArNOLDUS a/UcK.
KAn ik wel beter doen , als haar myn vrouw te maaken ?
2y zal tot zulk een vorm, als ’t my belieft, geraaken; Gelyk een klompje was, is zy, in myne hand,
Dat ik kan kneeden na myn neiging en verftand.
Het heeft niet veel gefcheelt, of in die weinig dagen, Dat ik ben uit geweeft, was zy aan my ontdraagen.nbsp;Door haare onnozelheid. Maar’tis noch beft, wanneernbsp;Een vrouwtje faalt, door haar onnozelheid, te meêr.nbsp;Om dat men lichtelyk haar kan te rug doen keeren.nbsp;Een oprecht harte zal zyn pligt gewillig leeren,
Is van den goeden weg zy ’t allerminft gedwaalt. Slechts door een woord oftwee word zyhaaft weêrge*nbsp;haalt:
Maar een fcherpzinnig wyf is niet zo licht te vangen; Wyl van haar zinlykheid ons lot fteedsaf blyft hangen .*nbsp;Al wat zy voorneemt praat haar niemand uit het hoofd.nbsp;En al ons onderwys dat is Hechts hair geklooft;
Haar fchrander brein doet haar befpotten onze reeden, Haar haare feilen, met de naam van deugd, bekleeden,nbsp;En haar uitvinden, om na luft haar gang te gaan,nbsp;Bedriegerijen, daar de gaauwfte voor blyft ftaan.nbsp;Vergeefs is ’t wat men doet om haare lift te breeken;nbsp;Een fchrander wyf is, als de nikker zelfs, in treekén;nbsp;En, als haar zinlykheid reeds fti! heeft vaft gefteldnbsp;Het vonnis van onze eer, dan baat ’er geen geweid.nbsp;Veel eerelyke mans, die daar van konden klaagen;nbsp;Maar onze Loskop heeft geen roem daaroptedraagen:
Door
-ocr page 50-46 HETSCHOOL
Door 2yn te ruim gefnap, is hy het voetfpoor mis. Dus xiet men wat ’t gebrek van onzen Landaart is.
Is ’t haar gebeurt de gunft van eene te verkrygen.
Het allerlaftigiie voor hen is zulks te zwygen;
Hun zotte hovaardy parft hen zodaanig, dat Zich menig, eer hy ’t zweeg, veel eer verhangen had.nbsp;Wat heeft de Wulpsheid op de vrouwtjens groot ver-moogen,
Als op loshoofden zy te dartel (laan heur oogen!
En die.... maar, ’k zie hem daar; ’k doe myn gemoed geweld,
Om eens te zien hoe zeer dien flag hem heeft ontfteld. VIERDE TOONEEL,nbsp;HoRATIUSj Arnoldus.nbsp;Horatius.
IK kom van uwent, ’c loc wil my, na ’t fchynt, niet gunnen,
Dat ik u immer in uw huis zal vinden kunnen,
Maar ’k zal ’c zo menigmaal herhaalen , dat... Arnoldus,
Myn Heer,
Ik bid u maaken wy geen Complimenten meêr.
Ik kan niet wel den zwier daar van in ’t hoofd verdraagen. En ging het na myn zin men zou zeal t’zaam verjaagen;nbsp;Het is een fnood misbruik; ik acht het meerendeelnbsp;Twee derde van den tyd daar in verflyt te veel.
Ei, laat ons, zonder dat, beide onze hoofden dekken. Iets van uw’ vrijery kan tot meêr vreugd verftrekken;nbsp;Hoe is ’t daar meê.? ’k Had flus wat anders in den zin,nbsp;Maar’t federt heb ik het gedacht op uwe min.
’t Is wonder dat ge in ’t kort hebt zo veel gunft ver-kreegen,
En aan’t vervolg laat zich myn hart op’t hoogft gelegen.
Ho-
-ocr page 51-H o R A T I U S.
’k Beken, fints dat ik u myn liefde deed verftaan,
Is my een ramp gebeurt, waar in ’k my vind beladn.
Arnoldus.
Och, och! wat is’t?
Horati os.
Het lot, om myne drift te toornen. Heeft den bewaarder van myn Schoone t’huis doen ko*nbsp;Arnoldus.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(men.
Welk ongeluk!
Hor ATI os.
O ja! en dat my’t meefte fmart,
Hem is bekent gemaakt de neiging van ons hart. Arnoldus.
Kan’tzyn! wie ofhem dat zo haait bekent kon maaken? Ho R ATI ÜS.
Ik weet het niet, maar niet te min, zo (laan dezaaken. ’k Dacht ter beitemder tyd myn Schoone te gaan zien.nbsp;En, met eerbiedigheid, myn dienit haaraante biên ,nbsp;Maar ’k vond dat ’t anders was met myn geluk gelegen,nbsp;Wantknechten meid hield my, elkophetvinnigft tegen;nbsp;2y riepen ftout; Vertrek, gy word niet meer gelooft.nbsp;En ilooten met geweld de deur my voor het hoofd.nbsp;Arnoldus,
Voor ’t hoofd ?
HoraTius.
Voor ’t hoofd.
Arnoldus.
Dat is vry haat’iyk; ièlleweeken ! Hora T I o s.
Ik meende, door een fchreefder deur, met hen te fpreeken. Maar, hoe zeer ik hen ook mogt vleijen, hoe beleeft,nbsp;’t Was; Gy komt hier niet in, dewyl ’c men Heer ons heeftnbsp;Verboón.
Arnoldus.
Deên zy niet op ?
Ho-
-ocr page 52-Horatius.
o neen; en daar beneven
Kwam my Agneet bericht, van zyne weêrkomftgeeven, Uit’tvenfter; zy riep zelf, op’tftrafft,my toe;gaheen.nbsp;Vertrek, en wierp my na het hoofd met eenen fteen.
Arnoldus,
Horatius.
O ja, een fteen; en, ’k durf u zweeren , ’tWas van de kleenften niet die zy my kwam verëeren.nbsp;Arnoldüs.
Wathenker, mag dat zyn ? die pruimen zyrt te flecht. En ’t doet my zeer, dat gy zo kwalyk zyt berecht.nbsp;Horatius.
’k Beken zyn wederkomft zal my veel hartzeer baaren. Arnoldus.
Ik ben met u begaan, dat kan ik u verklaared.
Hor atius.
Die gryns verbrod al ’t werk.
Arnoldus.
Ja, maar hou echter moed, Gy vind wel kans om dat verlies te zien geboet.nbsp;Horatius.
En dien jaloerffens vlyt, indien ik kan, verkloeken. Arnoldus.
Dat zal u licht zyn. Maar weet ge of zy u bemind? Horatius.
Arnoldus.
Dat ’s genoeg, gy hebt haar weg myn Vrind. Horatius.
Ik hoop....
Arno LDUs.
De fteen die heeft uw hoop ter neêrgeflagen,
VOORDE VROUWEN. 49
Maar kreun u daar niet aan, noch wilt te ontydig klaagen. Hora T I u s.
Geenfins. Maar’k merkte dat de vent daar by was, dat Hy at dat werk beftierde, en zich verborgen had; (retiinbsp;Maar’t geen my vreraft, in ditgeweemel, kwam te voo-En daargyzekerlyk ook vremd van op zult hooren,
Is van die Schoone, noch zo jong, een kloeke daad,
Die haare eenvou w digheid vry ver te boven gaat.
Men moet bekennen dat de min heeft meefterkrachten;
Hy brengt, hetgeen men nooit begreep, ons in gedachten^ Dat wy zo wonderlyk veranderen van zeên,
Koft aan zyn onderwys een ogenblik alleen.
Als hy ons leid kan geen natuur ons brein beperken.
Zyn fchielykheid in doen gelykt de wonderwerken.
Een gierigaard maakt hy dat mild en ryk’lyk geeft;
Een bloodaart maakt hy koen, een ftuurbol gantfch beleeft;
De logfte menfch word flraks tot vaardigheid gedreeven ; Hy kan de eenvouwdigfte ftraks fchrand’re zinnen, gee-Dit laatfle wonderts in ichoone Agneet, gefchied, (v^en.nbsp;Zyriep mytoe, heel kort, wanneerzemy verliet;
’k Bid,ga van hier, ik moet uw byzyn laaten vaaren;
If^eet u wereên , dit zal de myne aan u verklaaren.
Die fteen, waar over gy verwondert ftond, mynHeer ; Viel, met een briefje, dicht voor myne voeten neêr.
Ik fta verrukt die brief zo wel gefield te vinden,
En hoe zy, door de fteen , den grynzert wuft te blinden j’ Moet gy voor zulk een daad niet opgetoogen ftaan ?
^ord, door de liefde, op ’t brein, geen wonderwerk gedaan ?
En kan men loochenen dat, doorbet al vermoogen.
Van zyne kracht, een hart tot wond’ren word bewoogen? Watdunktuvan deflyl, en vandenettehand?
Zeg, ftaatgy niet verzet voor zulk een fneêg verdand? Vindgy de rol, die dien jaloerfien hier moeit fpeelen,nbsp;Niet heelgenoeggelyk? ai! zeg?
D nbsp;nbsp;nbsp;Afe''
-ocr page 54-Ar HOLD,US.
In allen deelen. Horatius.
lach ten nhnllen eens om dien verwaanden ¦ Bienfch,
Geharnaft om te doen miflukken myne wenfch,
Die zichbebolwerkt, enmecfteenen wil verweeren, Gelykalsofikhera, doorllorm, wilde overheeren;nbsp;Die, ommyafteflaan, inzyneontfteltenis,
Met heel zy n huisgezin als in de wapens is,
En, door zyn eigen tuig, wat hy ook mogt vertrouwen, Milieid word, door een’ die hy wilde onkundig houwen.nbsp;V oormy, ’k beken, hoe zeer zyn wederkomft my kwelt,nbsp;En welk een hinderpaal zy myne liefde fielt,
Dat ik my naau welyks van lachchen kan bedaaren,
Om myn zovrenid, en zyn befpott’lykwedervaaren. Maar gy, na dat my dunkt, lacht niet genoeg daar van.
A R N o L D U S gemaakt lachcheade. Vergeefmedat, myn Heer, ik lach zozeer ik kan.
H o R A T I U S.
Ik moecu, alsmyn vrind, de briefeens laaten hooren, Hoe fraai haar pen ontleed de zucht in haar geboo: en;nbsp;Hoezielberoerende, hoe vol genegenheid,nbsp;E^nvouwdig, teder, vol vernuft en goed beleid.
In’t kort, zo als natuur, op’tzuiverfte, de zinnen Ontroeren komt, wanneer men’teerft begint te minnen.nbsp;A R N o r, D u s.
,, Zie daar, Karonje, waar toe u het fchryven flrekt,
„ Het is my leed dat men die kunfl u heeft ontdekt, Horatius leejl de brief,
Tir luil u fchryven , en ik vinde my zeer verlegen hoe *'ik het aan Zal vangen:^ ik hebbe gedachten,, die ik ivcïnbsp;’Wenfchte datgyviiji ^ maar ik’Weet nkt hoe ikudie ver-klaaren zal, en ik mistrouw my wegens de woorden.nbsp;Gol’jk ik begin te merken dat men my onweetende heeftnbsp;zoeken te houden iZo ben ik bedttebt iets te feilen dat niet
wel
-ocr page 55-wel zy , en metr te zeggen als ik behoorde te doen; in der •waarheid, ikweet niet wat ge my gedaan hebtmaar iknbsp;gevoel 't voor my een doodelyk verdriet te zyn, 't geenenbsp;men my dwingt tegens u te doen, en dat tk hlyde ziïi-de zyn de uwe te -weezen. Moogelyk doe ik kWa'alyknbsp;zulks te zeggen, doch ik kan my daar van 'niet onthouwen\nbsp;en ik wenfcbte zulks, zonder kwaad te kunnen'doen.nbsp;Men zegt rny krachtelyk, dat alle jongelingen bedriegersnbsp;zyn , dat men na hen niet moet lui [Ier en , en dat alles watnbsp;ge my wys maakt alleen firekt om my te mijleiden maarnbsp;tk verzeker u dat ik my zulks van u ,tot noch toe , niet hebnbsp;kunnen verbeelden,en ik henzo,dooru we redenen,geraakt,nbsp;dat ik niet zou kunnen gelooven die loogenachtig te zyn.nbsp;Want, om kort tegaan,gelyk tk zonder arg hen, zo zoudgynbsp;'tgrootjie ongelyk van de vjaereld hebben my te bedriegen,nbsp;en ik geloof dat ik daar over van hartzeer zoude ferventnbsp;Arno LDUS.
Hor atius.
Wat deert u ?
Ar NOL DUS.
Niets; ’k heb daar een hoeft gekreegen; Horatius.
Zaagt ge ooit uitdrukking zo vol zf)etheid , zo genegen? Hoeftreng zy , door geweld, tierannig word bewaart,nbsp;Noch toont zy evenwel een hoogverhevene aart,nbsp;Is’cnietftrafwaardig, dat hy zulke groote gaavennbsp;Zo fchelms bederven wil, en houd gelyk begraaven ?
En dat hy, laatend haar onkundig, onbewuft,
Dat helder licht van geeft heel zoekt tc zien gebluft ?
De min begon het eerft dat dekzel op te fcheuren,
En, magmy hetgeluk, dat ik verwacht, gebeuren,
Dat ik, gelyk ik hoop, die geemelyke geeft,_
Vaarwel. nbsp;nbsp;nbsp;..
Hor atius.. i Maar, hoe! zoras?
A R N o L D o s.
My komt daar in gedachten Een zaak van aanbelang, daar ’k niet mee dien te wach-H o R A T I u s.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(renw
Maarkendgyniemand, wyl zy word zo ftreng beheert. Die in het huis, daar zy in is, zomtyds verkeert ?
Ik verg ’t u onbefchroomc, en ’t is niet vreemd te vinden,-Dat die behulpzaamheid gepleegt word onder vrinden. Daarbinnen ben ik by een ygelyk verdacht;
De knecht en meid liaan bei geduurig op de wacht;
En , hoezeerikbeftondte vleijen en tefmeeken,
Zy willen ’t allerniinft my nimmer hooren fpreeken.
Ik had een oude vrouwdaartoe aan myne hand.
En , vvaarelyk, zy wasuitfteekendein verftand; (ven y ’k Heb in ’t begin, door haar, veel gunll en dienfl: verwor-Maar fints vier dagen is die goede floofgeftorven.
Weet gy geen middel om my in myn vrijery Tehelpen?
Arnoldus.
Neen: gy zult ’t wel vinden buiten my. Horatius.
Vaar wel; gy hebt gehoort wat ik u durfvertrouwen.
VYFDE TOONEEL. Arnoldus alleett.
W At heb ik myn gemoed bedwongen moeten houwen !
Wat is’t verbergen van myn fmart me een pyn ge weeft! Hoe! eene eenvouwdige, zofcherp, zo vlug van geeft?nbsp;O! die verraaderes heeft voor my willen veinzen,nbsp;Of’tisdebooze, die zulks ftorte in haar gepeinzen.
2ie hoe dat haatlyk fchrift me om hals brengt, en vermoord.
'k die verleider heeft haar hart geheel bekoort; Door myne aanhitzing heeft hy ’t anker laaten vallen;
Dat baart myn wanhoop, dat ’s my ’t doodelykft van allen.
Ik lyde een dubb’le fcha^ door ’t miffen van haar hart; Myn min, en ook myne eer zyn onder een verwart.
’k Word dol, die plaats zo fchelms te zien in and’re hangt; den,
En myn voorzigtigheid zo ongelukkig ftranden.
Ik weet wel, dat die wulp zyn min Iseklaagen zal, Dat ik de ftraf daar van kan laarèn aan ’t geval,
En dat ik, door haar zelfs, my zal van haar zien wreeken. Maar hard is’t zich van’tgeen men liiind te zien verftee-ken.
O liefde! wyl ik heb myn keur met zorg beleid.
Waar toe my toch zo diep in haar bekoorlykheid Ge wikkelt? zyheefcgeldofonderftand, noch maagen;nbsp;Zy heeft myn min verraèn, zo teder hsar gedraagen,nbsp;En ik bemin haar noch, na zulk een fnood beftaan;
Ja zo, dat ik my van die drift niet kan ontflaan.
O dwaas! fchaamt gy u niet t' ik voel het hart my fplyten; Ja ’k zou myn aangezigt wel van malkander ryten.
Ik ga na binnen, doch om eens te zien alleen,
Hoe zy zich houden zal, na zulke zwaarighedn.
O waardigeeer! wil toch myn kruin voor fchand bevry* den,
poch zo ik, volgens ’t lot, die hoon zal moeten lyden, 2o gun my toch, rot trooft in zulk een tegenfpoed,nbsp;•Gelyk aan veele liên, een ftil en kloek gemoed.
Einde van het derde Bedryf,
VIER-
-ocr page 58-ArNOLDU\S alleen.
’k quot;O Eken dat naauw’lyks ik op eene plaats kan bly-O ven._
'kVoel, om en om', myn geeft door duizendzorgen dry-Op dat ik binnen, en van buiten gade flaa, (ven, Hoe ’k beft de laagen van dien fchuimer tegen ftaa.nbsp;Hoe moedig zag die pry uit haar verraaderfche oogen;nbsp;Zyis, watzy ook heeft verricht, niet’tminftbewoogen.nbsp;Schoon zy me op de oever heeft van ’tnaare grafgebfagt,nbsp;’k Merk niet, aan haar gelaat, dat zy zulksietwes acht.nbsp;-Hoe ’k haar gerufter en vernoegder zag van weezen,nbsp;Hoe ik te meêr de gal voelde in myn bloed gereezen;nbsp;Hie heete driften my önrfteekende de zin,
Helaas! verdubbelden het vuur van myne min.
’k Was heftig, geeraelyk, en brandde in dollen tooren. En evenwel zy kvi^am nooit fchoonder my te vooren;nbsp;Elaare oogen Icheenen nooit zo klaar aan myn gezigt;nbsp;Nooitvoelde ikmyzofterkaanhaaremin verpligt:
En ik betnerkte wel, dat ik zal moeten fterven, Ihdien myn ongelyk my haar genot doet derven.
Is Zy zo eerlyk opgebragt, door mynen laft,
Heb ik zo teder haar bezorgt, op haar gepaft,
Van haare kindsheid af, haar in myn huis doen komen. En haar ftandvaftig zelf te trouwen voorgenomen,nbsp;Eleefc op haar groeijtnd Echoon myn ziel zo vaft gebouw: ,
En ik, zints dertien jaar, haar hart ray toevertrouwr, Om van een jonge wulp, in vvien zy fcheptbehaagen,nbsp;Haar, zelfs in myn gezigt, aan my te zien ontdraagen,nbsp;Daar ik haar reeds acht halfgetrouwt te zyn met my ?
Neen, neen! ’c zal zo niet gaan: bedrieg uw zelve vry;. Doet wat gy kunt, of’t zal aan my n beleid miflukken,
Of van uw zotte hoop zult gy geen vruchten plukken. Gyzult, hoe gyooklachr, in’r kortuzienvérftrikt.
T W E E D E T O O N E E L. ^
De Notaris, Arnoldus de Notaris niet ziende.
Notaris.
DAar is hy. Goeden dag, myn Heer, dat’s wel gemikt.. Ik kom om het Contraft, dat gy begeert, temaaken.nbsp;Arnoldus.
Hoe Hel ik ’t beft, om tot een goed befluit te raaken ?
Notaris.
’t Moet na de flenter zyn.
Arnoldus.
Het dient wel overleid. Notaris.
Ik zal niets overflaan tot uw verzekertheid.
Arnoldus.
Men moet omzigtig in het wel beleggen weezen. Notaris.
Als’tin inynhand is hoeft gy nergens Voor te vreezen. Gymoet, om al wat umogt hinderen, te ontgaan ,
Het niet quiteeren voor dat gy heel zyt voldaan. Arnoldus.
Ik vreeze, indien iets van’t geheim komt uit te-lekken. Dat me al de waereld zal belachchen en begekken,nbsp;Notaris.
’c Kan zo gefthieden dat daar niemand ’tminft van weet, En gy kunt uw Contr.aöt wel maaken in ’t fekreec.nbsp;Arnoldus.
Maar boe zal ik my beft omtrent A gneta voegen ? Notaris.
De Bruids gaaf fchikt men na haar goed, of u w genoegen,
D 4 nbsp;nbsp;nbsp;Aamp;'
-ocr page 60-Arnoldus.
’k Bemin haar, en die liefde ontroert my het gemoed. Notaris.
Gy kunt, zo veel n luft, haar gunnen van uw goed.
A R N o L I) u s.
Maar hoe zal ik in dit geval met haar toch leeven.? Nótar I s.
Heer, de order is dat gy haar ’t derde paar moet gee ven,
Van al haar huuwl) ks goed, maar dat is niemendal,
Men gaat zo ver men wil, inynHeer, in dat geval.
A R N o I. D u s.
Indien ik...
Notaris, die van Armldus word gezien,
Gy kunt zulks na weêrzyds zin beleggen,. Al wat gy doen wilt, daar heeft niemand op te zeggen.nbsp;Arnoldus.
Hoe!
Notaris.
Het kan ookgefchién in ’t heimelyk en ftil, Wanneer hy haar bemind, en haar verpligten wil,
’t Zy by Douarie, of Voorwaarde, wel befchreeven,
Die evenwel komt op te houden met haar leeven Ofonweêrroepelyk, dat erft zulks aan haar bloed;nbsp;Ofng’tgebruik, ofzoals’tiemand ftellendoet.
Of wel door vrijegift, het zy voor de een of de ander, Naluid vanher contraft, of even aan malkander.nbsp;Haaltgyuwfchouwdersop? fpreekiku, als een zot?nbsp;Waant gy dat uw contraét door my zal zyn verbrod ?
’k Denk niet dat niemand my daar in iets hoeft te leeren. Ik weet waarnamen zich in trouw moetreguleeren;nbsp;Gemeenzaamheid van goed, van midd’len, en van winil,nbsp;’t En zy men renoncieeit per Aéte voor het minit;
En dat het derde deel van ’t bruidsgoed, daar en boven.
Word in k gemeen gebragt, en.....
’k Wil zulks Wel gelooven, Gy
-ocr page 61-VOOR DE VROUWEN. 57
Gy weet dat alles; maar wie fpreektu daarom aan ? Notaris.
Gy, die my heden voor een gek wiit doordoen gaan,
Die uwe fchouwders trekt, defpotmetmy durft dry ven. Arnoldus.
Wat yzegrim is dat! my luft hier niet te blyven.
Vaar wel; dus werd uw brein in flilte beft gebrogt. Notaris.
Hebtgyme, omeencontradlte maaken, niet verzocht? Arnoldus.
Ja, ’k heb om u geftuurt, maar ’t is noch niet van nooden, Als ’t my gelegen komt zo word gy weêr ontboden,
Ai, zie die barftè vent, die ftoute kaakelaarl Notaris.
Gewis hy loopt ’er meê, o ja! ’t is al te waar.
DERDE TOONEEL.
De Notaris, Jorden, Wobbyn, Arnoldus. Notaris.
^Ei niet uw Heer, dat hy myzoutotzynent wachten? Jorden.
Ja.
Notaris.
’k Weet niet waar voor dat gy beide hem moogt achten; Maar zeg hem, van myn kant, dat hy, gelyk ik zweer,nbsp;Is een volflagen gek.
Wobbyn.
We zeilen ’t doen.
VIERDE TOONEEL. Jorden, Wobbyn, Arnoldus.nbsp;Jorden. tvt
Arnoldus.
Kom nader,’k moet met 11, als met myn vrinden, Ipreeken, D snbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Want
-ocr page 62-SCHOOL
Want uw getrouwigheid is my reeds klaar gebleeken.
Heer, de Notaris...
Arnoldus.
Zacht, dat ’s voor'een and’ren tyd Men dingt mynaarmyn eer, ’k raak, zonder u, diekwyt,,nbsp;Wat fchande zou u niet, myn kind’ren, overkomen,nbsp;Indien myn eer my wierd diefachtig afgenomen?
Men hield u overal voor fhood, en ongetrouw;
Ja weet, dat elk u met de vinger wyzeri zou.
Nu, wyl ’er u zo veel, als my, is aangelegen.
Zo let, van uwe kant, toch beide wel ter degen.
Dat die galant toch niet, wat hy op u begeert....
W o B B Y N.
Men Heer, je hebt ons-flus genoeg de les geleert. Arnold as.
Maar laat zyn woorden en gevlei u toch niet raaken.
Gantfch niet.
WoBBYN.
Wy weetenhoe wy ’c met hem zullen manken. A K N o LD u s.
Indien hyzoetjens kwam; Och! Jorden broer, myn hart. Ik bid, help my aan wat verlichting in niyn fmart.
Je bint een gek.
Arnoldus,
Heel goed. Wobbyn, mym uitgeleezen, Gy (chynt zo goed, enzytzovrindelykvanweezen.nbsp;WoBBYN.
Je bint een kwiebus.
Arnoldus.
Goed Wat kwaad vind gy, myn kind, In myn voorneemen, dat zich aan de deugd verbind.^nbsp;Jorden.
Loop heen, bedrieger.
Ar-
-ocr page 63-V0T3R DE VROUWEN. 59
Arnoldös tegens IVohbyn.
Goed. Wobbyn', ’k zal moeten fterven, Zo’kgeenmecdoogenmetmynlyden kan verwerven.nbsp;Wobbyn.
je bint een ondeugd, en een dubbelde fchavuit.
A R N o L o ü s.
Heelwel. ’kBid, leg myndoen toch niet ten kwaadften uit;
Ook eifch ik niets voor niet; ikzaluwdienft gedenken: Ly,Jorden, dat ik u met drinkgeld mag befchenken;
En daar, Wobbyntje lief, dat ’s voor een niéuwe fchort, Zy houden beide de hand op , en neernen 't geld aan,
’t Is maar een ftaairje van het geen ik u in ’t kort Vereerenzal; ik bid, wil toch uw opzet breeken;
Doet my de gunft dat ik mag met uw Juffrouw fpreeken. W o B B Y N hem wegjloatende.
Brus hier van daSn.
A R N OL u s.
Heel goed
J o R ü E N hem flootende.
Jeu hondsvot, pakje voort. W o B B Y N hem weeder Jloatende.nbsp;Offtraks....
Arnoldos.
Zacht, zacht
Wobbyn.
Men Heer, doen wy’c niet, als ’t behoord? J o R D E N.
Moet !t zo niet weezen, als hy ons aan ’t hoofd Tkotm teemen?
Ja; maat het geld had jyniethooren aan te neetnen.
W o B B r N.
Men Heer, daar hebben wy niet om gedacht.
J o R D £ N.
Men Heet,
lt;5o HET SCHOOL
Zo ’c Jouw belieft, begin mer ons van veuren wéér.
Arnolo us.
’t Hoeft niet. Gaat binnen.
J 0 R. o E N.
Het men Heer niet aars te zeggen ? Arnoldüs.
Neen. Gaalmaar binnen; wiltuw’zaaken wel beleggen. Ik fchenku’tgeld, weet dat ik hierftraks weêrzynzal,nbsp;Houd fteeds een oog in ’t zeil, en keer myn ongeval.
VYFDE TOONEEL. Arnoldus alken,
IK mag de Kruijer op den hoek ftraks wat verëeren,
, Om uit zyn pothuis, op’cbedekft, tefpionneeren.
Ik zal haar uit het huis in ’t minfl; niet laaten gaan,
En Hellen goede wacht, en houden ’er van daan Die kantverkoopfters en die kapfters, daar beneven,
Al ’t ftraatgefchor, dat fiks in ’t kopp’len is bedroeven,
In ’t kort, al dat gefpuis met Thee en Coffy goed, Waardoor dat menigboefzyn lift uitwerken doet. (zen.nbsp;Ik ken de waereld, ’k weet hoe men haar lift moetvree-D ie goeije vrijer moet een groote gaauwert w eezen,
Zo van zyn kant een Ipie, of hoen daar binnen raakt.
ZESDE TOONEEL. Horatius Arnoldus.
Hor ATI us.
MYn Heer ’t fchyntdceze plaats is tot myn heil gemaakt ;
’k Ben braaf een ongeval, waar in ik was, ontkomen; Toenik u flus verliet, wie had zulks durven droomen,nbsp;Zag ik Agnete alleen in haare venfter ftaan,
Die wat lucht fchepte, in het befchut der lindeblaan:
Na dat zy had geknikt, kwam zy terftond geloopen,
En
-ocr page 65-6i
En deê bezyden ’t huis de tuindeur voor my open. Maar naauw’lyks waaren we op haar kamer met onsnbsp;tweên,
Of haar jaloerffchen kwam de trap op van beneên,
En al wat ly kon doen, op dat ik bleef verhoolen. Was datze my terftond heeft in een kas verfchoolen,nbsp;Hy trad ter kamer in; ik zag hem niet, maar hy,
Met groote fchreeden, ging geftaèg de kas voorby.
Ik hoorde zomtyds hem erbarmlyk zuchten, klaagen; Dan heeft hy tegen ’t fchot, gelyk verwoed, geflagen;nbsp;Hy fchöpte ’t hondje, om dat hetbeesje wierd onfteld^nbsp;Al wat hem voor kwam, wierd door hem ter neêr geveld,
Eh, met een woefte vuift, wierp hy van boven needer Wat voor haar fchoorfteen ftond, en gooide ’t heen ennbsp;weeder;
En het is zeker, dat ’t gewaande hoorenbeeft.
Van ’t geen zy heeft gedaan, verkondigt is geweefl. In’t eind, na dat hy had al wat ’er ftond gebrookert,nbsp;En zich, op ’t geen hem niet misdaan had, ftreng ge-wrooken,
Is hy, vol ongeneugt, ftil naar beneên gegaan.
En Agnes kwam me uit myn gevangenis ontflaan; Maar, wyl ons ftond voor zyn verbolgendheid te fchroo-Heb ik myn affcheid, om de zekerheid, genomen; (men,nbsp;’t Was al te veel gewaagt. Ik word van deeze nacht,nbsp;Om ftil by haar te zyn, van myn Agneet verwacht;nbsp;Wanneer ik driemaal kuch zal ’t haar tot teken ftrek-Met hulp van eeneleer zal zymy boven trekken, (ken;nbsp;Ik hoop de duifternis die zal my byftand biên.
Op dat ik myn beminde eens vrijelyk mag zien.
Gyzyt alleen myn vrind, aan wien ik ’r durf vertrouwen; De vreugd van ’c hart kan zich niet wel verborgen houwen,
’k Ge-
-ocr page 66-’k Geloofgy deel neemt in myn blydfchap, zo volflagen* Vaarwel; herword myn tydvoor alles zorg te draagen.
ZEVENDE TOONEEL. Arnoldus allecK.
HOe! wil myn noodlot my verdoen, door flag op flag,
En my nier gunnen dat ik adem haaien mag ?
Hoe! moet ik, keer om keer, door hun arglifligheden, Al myne voorzorg zien, zo fchandelyk, vertreeden?nbsp;Ik, in myn’ rype tyd, verftrekken tot een fpot,
V'oor eene onnoos’le maagd, en van een wulpfe zot? Als een wysgeerig man heb ik, zints twintig jaaren,nbsp;Befpiegelt al het leed, dat mannen is weêrvaaren.
En vlytig onderzocht wat rampen, wat verdriet,
Aan de aiierlchranderften van vrouwen zyn gefcbied.
Ik zocht, ommeopmynbeurtnietmeê bedraait te vin* den,
Na middelen, wanneer ’k me dacht in de echt te binden, Om van gelyken niet myn kruin te.zien onteert,
En van myn hoofd een hoon, zo fnood, te zien geweert; ’k Heb, in dat groots befluit, in ’tminflniecnagelaaten,nbsp;'VVat my de reeden ried dat ray zou kunnen baaten;
En, als of’t noodlot had bellemr, dat hier beneên Zou niemand zyn bevryd van die rampzaligheên ,
Na myne ervaarenheid, en’t licht door my verkreegen, Om alles in die zaak te wikken en te weegen.
Na dat ik ’t alles heb bedacht ruinr twintig jaar,
Ja, alle voorzorg heb betracht, om dat geva.rr*
Te ontkomen, moet, in ’t eind, hoe ’k my daar voor wou myden.
Ik, opeen zelve wys, alsand’ren, fchipbreuk lyden. O wreed Beulinnig lot! vergeefs hebt gy getrachtnbsp;My te overrompelen; zy is noch in myn magr.
Schoon dat wulps blondien heeft haar zinnen ingeno-
’k Zal
-ocr page 67-VOOR DE VROUWEN.
’k Zal hem belerten by het overig te komen;
En deze nacht, die hy verkiert voor ’t ftout beftaan, Zalzogemakkelykniec, alshy waant, vergaan.
Het geeft my noch vermaak, in al myn leed, te hooren Op wat w yze, en w at flrik is aan myn eer beichooren;nbsp;Dewyl die loskop, die my zo veel leeds verwekt,
Zyn medeminnaar zelfheeft zyn geheim ontdekt.
ACHTSTE TOONEEL. Luikas, Arnoldus.
Lu I K A
El, zullen wy, myn Heer, van avond t’zaamen
eeten ?
Arnoldus.
Neen; ’k vaft van avond.
Luikas.
Hoe! wat zorg heeft u bczeeten.^ Arnoldus.
Ik bid verfchoon me, ’k word van vreemde zorg gekweld. Luikas.
Hoe! is uw huuwelyk dan weder uitgeftelt?
Arnoldus.
Dat’s zich te veel gemoeit met ander lieden zaaken. Luikas.
Zo fpytig! hoe, wat kon u dus verandert maaken? Compeer, is in uw min u ook wat ramp.s ontmoet.nbsp;Dat u dus geemelyk, en treurig weezen doet.?
’k Zou ’t durven zweeren, na ik zien kan, uit uwe oogen.
Arnoldus.
Men zal my evenwel, waar na men ook moog poogen, Niet doen gelyken aan de geenen, die zo zacht,
En zo geduldig zich zien in hun eer verkracht. Luikas.
Het is iets wonderlyks dat gy, zints zo veel jaaren.
Ge-
-ocr page 68-Geduurig op dat punt zo fel komt uit te vaaren;
Dat gy het hoogft geluk daar in te ftellen fcfiynt,
En om alle andere eer u in het minft niet pynt.
Een gierigaard, een dief, een guit, voor elk tevreezen, Schynt u min fchande, als dieonnooz’le vlek, te weezen;nbsp;En, hoe ’t wel leeven van een man ook elk behaagt,
Hy is niet eerelyk, indien hy hoorens draagt.
Indien men ’t recht bezefc, waarom wil t gy gelooven,
Dat zulk een toeval zoude al onze lof verdooven?
En dat een goed gemoed zich wyten moet een kwaad,
Dat hy niet keeren kan, en ook zelfs niet begaat? Waarom begeert gy dat een man, diekomtte trouwen.nbsp;Zich zal zyn roem of hoon aan ’t wyf verfchuldigt houwen ?
Waar toe een monfter, zo verfchrikkelyk, gemaakt.
Van ’t leed wanneer een wyf haar eerbaarheid verhaakt? Druk in uw geeft een beeld van ’t willig hoornedraagen,nbsp;Dat uw min kwellen zal, en and’ren bet behaagen;
Dat, wyl zich niemand vry kan achten voor die flag. Men zulk een ongeval onzydig houden mag;
En dat, in ’t kort, hoe zeer dewaereld fchreeuwt daar tegen,
Al ’t kwaad daar van is in des mans gedrag gelegen:
Endat, opdacmeri’tminftinzulkeen voorvally,
Men beide de uiterften op ’t allervoeglykft my.
Men vojg nooit zulke liên, wel waardig te begekken, Diezelfnochydelheiduitzulkezaaken trekken;
Verhaalen wat galands haar vrouw heeft aan de hand,
En roemen op het breedft hun gaaven en verftand, Betuigende overal een onbefchaamt vernoegen,
En durven , waar die gaan , zich nevens hem- vervoegen ,
Ja, maaken dat al wie hun ftoutheidziet, met reên. Zich moet verwonderen om zulke beeftigheên.
Men mag zulk een bedryfwel eervergeeten noemen; Maar ook is ’t tegendeel niet minder te verdoemen ,
-65
Keur ik het onbeicheid dier lafFerts niet voor goed.
Ik hou ook geenzints van een bulderend gemoed,
Wiens onbezonne drift zoekt aarde en lucht te ontroeren ,
En dat zich laat zo ver, door dollen toorn, vetvoereo, Dat al de waereld van zyn byfter fchreeuwen waagt,nbsp;Als of hy wou dat elk zou weeten wat hy draagt.
Daar is een middelpad, recht tulfchen bei gelegen, Waar toe een wys man zich , door reden , laat be-weegen;
Die dat kan houden ftrekt geen and’rens tydverdryf.
Al wierd hy ’c felft gehoont door zyn ontuchtig wyf: En, xvelk een vonnis of de waereld ook moog ftryken,nbsp;Men kan het hoornegild vry zachter doen gelyken;nbsp;Dewyl, als is gezegt, ’t min hoon is voor een man ,nbsp;Die zich het wyflèlykfl daar in gedraagen kan.nbsp;Arnoldus.
De goede Broederfchap heeft u veeldanks te weeten. Dat gy hun adeldom zo breed weet uit te meeten.
Al wie uw’ redenen, zo krachtig, hooren zal,
Laat zich gewis, met vreugd, ftraks ftellen in’t getal. Luik AS.
Dat zeg ik niet, gy hoort my zulke lieden laaken; Maar, als het lOt ons aan een vrouw heeft doen geraa-ken,
Zo draag men zich, als daar met fteenènwordgefpeelC, Daar, .ais men van ’t geluk zomtyds word. misgedeelt.nbsp;Men moet behendig zyn, en, met gerufte zinnen,
De wrevelheid van ’t lot, door goed beleid, verwinneti.'
_ nbsp;nbsp;nbsp;Arnoldus.
Dat is, wel flaapen, en wel eeten, op'Zyn tyd.
En achten ’t overig dan verder niet een myt.
Luikas._
Gy waant te fpotten, maar, omnietgeveiriftteweezen. Daar zyn veel dingen , daar ik veel meêr voor zounbsp;vreezeii,
66 HET SCHOOL.
En' die ik grooter ramp zou achten, als de fmart Der hoon, die u, na’t fchynt, zo zwaar legt op hetnbsp;hart;
Waant gy, als my de keur van bei was voorgelchreeven , 'Dat ik niet liever my zou tot geduld begeeven ,
Als man'te weezen van een wyf van woeften aart, Hoe eeiiyk zy mogt zyn, die altyd tiert en baart?
Die monfters van de deugd, die eerb’re duivelinnen. Die willen, dat men,om die glimp, haar moet beminnen ,
Die, om kleeu ongelyk, dat zy kwanzuis niet doen, Bégeeren dat de man de zool kuft van haar fchoen.
'En dat, dew'yl zy heur voor kwat geruchten myden, Hy haar vermeetelheid in alle ding moet lyden.
Ik zég ’c noch eens, Compeer , ’t Hporndraagen, inder daad,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-
Is niets als ’t geen men ’t maakt , en al na ’t elk verftaat. Men höord’er zomcyds om te wenlchen, èn metreden ;nbsp;Als and’re dingen heeft ’t al meê zyn’ zoetigheden.
. , nbsp;nbsp;nbsp;A R N ot, 1) u s.
Zo uw gemoed daar in genoegen vind en ruft,
Voor my,hetmyne heeft daar toe in ’t minft geen luft. En, eer ik zulk een hoon zou immermeer gedoogen....nbsp;Luik A's. '
Zacht, niet te zweeren, want gy vond u licht bedroo* gen;- :nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. ¦ “
Is zulks by’t lot befternt, al üWe zorg is wind.
Uw toeftaan zal men u daar in niet vergen, Vrind.
..... ARNon»\us.
Hoe! ik een Koekkpek zyn 1'
LuikaS,
Vry heftig zyn uw kwaaien. Veel duizend and’ren zyn ’1 daar gy niet by moogt haaien ,nbsp;; Zo groot van middelen, van moed, en van geflagt,nbsp;'Pat gy, op’t duizenft deel, daar by niet zyt geacht.
Ar.’
-ocr page 71-Arnoldüs.
Ik wil in’t allerminft by hen niet zyn geleeken.
Wil met Uw fpotterny my ’t hoofd niet langer breekeil. Hou op, zo ’t u belieft,
Luik AS,
Gy fchynt vol geem’lykheid;
’k Hoor flus de reden wel. Peins wat ’er is gezeid,
En dat, wat drift ook de eer mag in uw hart ontfteeken gt; Men reeds half is het geen \Vaar van wy he^n fpreeken ,nbsp;Wanneer men zweeren durf dat zulks nooit zal gefchién,nbsp;Arnolous.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;_
Voor my, ik zweer ’t noch eens, en ga daar in voorzieiii
'NEGENDE TO ONEEL. Jouden, Wobbyn, A-rnolujus,
A R N o L D u s.
MYn Vrinden,’k ben op nieuw sgebragt in duizend vreezen;
Gy moet, zo ’t u belieft, my bei behulpzaam weezen. Gy hebt me bei, door uw getrouwigheid, voldaan,nbsp;Maar heden moet uw deugd noch hooger voormy gaansnbsp;Zo gy me daar in dient, gelyk ik durf vertrouwen,nbsp;’kZal uw vergelding, u in ’tminfte niet onthouwen,nbsp;De man, daar gy van weet, meent my van deze nacht.nbsp;Maar houd zulks beide ftil, te doeken onverwacht,
En by Agneta, door een leer van touw, te raaken. Wy moeten zyne lift zien vruchteloos te maaken.nbsp;Verziet u ieder van een braaven ftok; wanneernbsp;Hy zal geklommen zyn op ’t uiterfl: van de leer,
Zal ik aan ’t venfter zyn, om hem van daar te keerert, Dan moet gy beide hem de rug heel deftig fmeeren.
Zo dicht, dat hy daar van een maand ’t gevoelen draag ^ En hier nooit wederom, op nieuws,; te komen waag;nbsp;Maar.ïK'uder dat gy in het minft moet laatenblyken,
quot;at üf van achteren het fpel fta aan te kyken; , .
Hebtgy wel moed myn toorn hier in ten dienfl te flaan? J o R D E K.
Is ’t flechts mit liaan te doen, men Heer, wees nietbe-la^n,
Je zelt wel zien dat ik men kracht niet heb verloeren. WOBBYN.
’k Zei van gelyken ook men belt doen, na behooren; Al fchyn ik niet zo Hark, ik fcheld hem geenzins kwyt.nbsp;Arnoldus.
Gaat bei dan binnen, maakt ^dat gy voorzigtig zyt.
’k Zal dus een braave les aan myn gebuuren toonen, Zo. al de mannen , die alhier ter Itede woonen,nbsp;tlnn vrouws galanten zo ontfingen, ’k weet gewis,
’t Hoorndraagers gild was lang zo groot niet als ’t nu is,
van het Vierde Bedryf,
VOOR D E VROUWEN. 09
JoRDEN, WoBBYN, ArNOLDüS.
A R N o r, p u s.
botte Beeflen, och! waar ben ik toe geko-men!
J o RPEN.
Men Heer, we hebben jou bevel in acht genomen. Arnoldus.
Vergeefs zoekt gy u zelfs te ontiaften door die reên, k Zei niet hem dood te flaan, maar dicht te flaan alleen:nbsp;ik wou zyn rug heel braaf en deftig zien geftreeken,nbsp;Aiaar heb u niet belaft hem hals en kop te breeken.
Is’t mooglyk! kon my ooit wel grooterramp geïchiên? Och! wat befluit ik beft, nu ik hem dood moet zien?nbsp;Gat beide in huis, en houd omzigtelyk verhoolennbsp;Het geen onnozel ik u beide had bevolen.
He dag genaakt bereids; ’k ga, in dit ongeval,
Raad leeven, hoe ik my hier in beft draagen zal.
Waar zal ik heen, indien zyn vader komt te weeten, Hat Jiy, zo onbedacht, alhier is dood gefmeeten ?
TWEEDE TOONEEL. Horatiusj Arnoldus,
H o R A T I u s.
TK moet eens gaan bezien wie daar zo wandMengaat.
* nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Arnoldos.
Och. had ik ooit gedacht.... wie daar?
Zo vroeg op ftraat, E 3nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Heer
-ocr page 74-Arnoidus.
’k Ben ’c, maar gy, wie.... Horatius.
Ik ben Horatius. Ik dacht u t’huis te weezen.
En ging naar uwen toe.
Arnoldus.
Wat wonderlyker ding!
Is dit ook fpookery, of een betovering.?
H o R ATIUS.
Ik was, recht uit gezeid, ten uiterften verlegen.
Maar dank’c geluk, dat zich my toondzo zeer genegen. Dat ik ü hier ontmoet, om u te doen verllaan,
Hatmy myneaanflag is, naarmynen wenfch, vergaan; ’k Heb raeêr geluk, als ik ooit denken kon, genooten,nbsp;Zelfs door een toeval, die’talfcheen om ver te ftooten.nbsp;Ik weet niet door wat weg ’t geheim is uitgelekt.
En door wat middel toch myne aanllag is ontdekt; Maar, ’kwas zo hoog pas om in’t venfter te geraaken.nbsp;Of ik zag onverwacht my eenig volk genaaken;
Met ftokken gingen zy my, ais verwoed, te keer; Myn voet ontglipte my, en ’k viel van boven neêr:nbsp;Myn val,' hoewel ik noch de flagen wel kan voelen ,nbsp;Scheen hun verbolgenheid heel fchielyk te verkoelen.nbsp;Dat volk, w:aar by zich myn Jaloerfchen wis bevond tnbsp;Geloofde, door myn val, my doodelyk gewond.
En, wyl ik, door de pyn, in fiaauwte was gezeegen, Bleef ik lang leggen, en kon’t minrt my niet beweegen.nbsp;Zy meenden, waarlyk, dat ik dood geflagen was,nbsp;En alle waaren zy bekommert op dat pas.nbsp;ik hoorde k murm’len, wyl ’t ftil was, hoe ze elkandernbsp;Betichten, en hoe de een de manfiag lei op de ander;nbsp;Zy kwaamen, zonder licht, heel fel op ’t lot geftoorc,nbsp;Eli voelden of myn pols noch floeg, gelyk ’t behoord.nbsp;Denk of ik in de nacht niet wel, in allen deelen,
Igt;e rol van eene doó heel fraai heb kunnen Ipeelen?
Zy fcheiden zeer verbaaft, en waaren droef te moê;
Ik ben ook opgedaan, en ging naar rnynent roe. Wanneer Agneta, die ’t gerucht reeds had vernomen,nbsp;Is by my op de ftraac., geheel onfteïd, gekomen;
Zy had de redenen van de anderen gehoord,
En meende waarelyk dat ik daar lag vermoord.
Zy vond gelegenheid, wyl niemand haar bewaakte. Door die ontlidtenis, dat zy uit ’t huis geraakte;nbsp;Maar, ziende my gezond, wierd zy zo zeer verruktnbsp;Van blydfchap, dat zulks niet kan werden uitgedrukt,nbsp;In ’t kort, die Schoone, die ik eeuwig zal beminnen.nbsp;Volgt aanftonds het bdluit van haar verliefde zinnen,nbsp;Zy wil niet weêr in huis, maar geeft zich over aannbsp;Myn woord , geheel bereid aanftonds met my te gaan.nbsp;Denk eens, in wat gevaar, door haareonnozelheden,nbsp;DieNarzyn onbefcheid haar roek’loos heeft doen treedon,
En in wat ftaat zy, door zyn norsheid, was gebragt, Zo ik een man was die haar eer niet nam in acht:
Maar al te zuiver is de vlam in my onfteeken;
’k Wou liever fterven, als myn woord in ’t minft haar breeken.
En beter lot voegt aan zo veel bekoorlykheên,
En niets fcheid my'van haar, alsflechts de dood alleen. ; ’k Weet wel, ik heb den toorn myns vaders te verwachten,
Maar ik hoop, door de tyd, zyn zinnen te verzachten, ' Ik geef my over aan een liefde, iny zo zoet. • ,
In ’t leeven weet ge . dat men zich vernoegen moet.
’t Geen ik op ubegeer, maar’cdient geheim gehouwen, Is, dat ik in uw’hand,die Schoone mag betrouwen; ' .nbsp;En dat gy in uw huis, myn Heer, op mynebeê,nbsp;Huisvefting.haar vérgunt voor-eene dag of twee. - . . ,nbsp;En, boven dat, dient zy voor e'k te zyn verhoolen,nbsp;DeVvyl taen zoeken zal, waar zy zich houd verfchoolcn.
E 4
-ocr page 76-7® HET SCHOOL
Gy weet ook wel, dat als een Juffrouw vanhaar'doen Haar by een jongman voegt, ze elk brengt in kwaadnbsp;vermoên;
En wyl ik u alleen, geruft op u met reden,
IVlyn ïielsgenegenheid heb vrijelyk beleeden.
Zo durf ik u, myn Heer, maar in geen vremde hand, Als een eêlraoedig vrind, vertrouwen zulk een pand.nbsp;Arnoldus.
*k Ben heel tot uwen dienft, gyzyt geenzins bedroegen. Hor AT 1 u s.
Zal ik 2Ó waard een gunft van u erlangen moogen? Arnoldus.
Heel gaerne, zeg ik u; meêr als gy kunt vermoên.
En 'tisme een vreugd die dienft aan ute moogen doen. Ik dank het lot, dat my zulk een geluk komt geeven:nbsp;’k Wierd nimmermeer tot iets met zulk een luft gedree-ven.
H o R A T I u s.
Wat ben ik u, myn Heer, voor zulk een gunft verpligt, Ik dacht niet dat ge my zulks toe zoud ftaan zo licht.nbsp;Maar gy weet hoe ’t behoord, en jonge liedens viaagen,nbsp;Hoor uw verftand, wat in te fchikken, re verdraagen,nbsp;Ze is by een van myn volk, om’c hoekje van dieftraat.nbsp;Arnoldus.'
Maar hoe ’c beft aangeleid, eer ons de dag verraad ? IMeemikhaarhiermetmy,’t word lichtelyk vernomen;nbsp;Zo gy tot mynent ook met haar beftaat te komen,nbsp;Straks weeteji het de knechts. Om zekerder tegaaii,nbsp;Moet k op een ftiller plaats gelchieden. In myn laannbsp;Daar is h noch donker, en daar ga ik haar verwachten.nbsp;H o R A T t u s,
Die goede omzigtigheid is geenzins te verachten; ïk breng haar aanftonds hier, gy zult-het ov’rig doen,nbsp;ia ik zal, zondèr veel gerucht, my t’huiswaard fpoên-
D E R'
-ocr page 77-73
FOi'tuin, deeji’ toeval, die ik nimmer kon vermoe» den,
Herfleld al myn verlies, en komt myn ramp vergoeden. VIERDE TOONEEL.nbsp;Agneta, Horatius, Arnoldus.nbsp;Horatius.
WEes niet verlegen, Lief , waar ikubrengen zal;
’t Is in een huis, daar gy vry zyt van ongeval; Zo’k u tot mynenc nam, zulks zou zich licht verfprei jen.nbsp;Treê door die poort, en laat u, onbefchroomt, gelenen.nbsp;Agneta.
Waarom verlaat ge my ?
Horatius.
Myn ziel, het moet gefchién. A G N ETA.
Maak, bid ik u, dat ik in *t kort u weêr mag zien. Horat I u 5.
Myn liefde zal my zelf genoeg daar na doen haaken. Agneta.
Als ik u niet mag zien, kan niets myn ziel vermaaken. Horatius.
Als ik van u moet zyn, voel ik my vol verdriet. Agneta.
Ach! was zulks waar, myn Lief,’k achtgy verliet my niet. Horatius.
Hoe. twyffclt gy, of ik u zuiv’re min mogt draagen ?
Neen; ik kan uzp zeer niet, alsgy my, behaagen.
^ nbsp;nbsp;nbsp;Arnoldus trekt haar na hem toe^
Hoe trekt men my zo hard'
E 5 nbsp;nbsp;nbsp;HO-
-ocr page 78-74-
Ho R ATIÜS.
Myn Lief, het word reeds dag, En ’t was gevaarlyk zo ons iemand t’zaamen zag.
Die trouwe vrind, die u heeft by de hand genomen, Begrypt voorzigtelyk waar voor ons ftaat te fchroomen.nbsp;Agneta.
Maar een die ik niet ken,....
H o U A T I u s.
Ik bid ge uw’ vrees verband, Myn Engel, ik ftel u ineen zeer goede hand.nbsp;Agneta.
’k Zou by Horatius noch veel gerufler weezen. Horat I u s.
Ik zou...
Agneta iegcns die haar houd.
Zacht.
Horatius.
’tWord licht dag, vaar wel, myne üitgeleezen. Agneta.
Wanneer zie ik u....
Horatius.
Haaft; wil des verzekert zyn. Agneta.
Wat voel ik, nu gy gaat, een doodelykepyn!
H OR atius.
Wat blydfchap voel ik! myn geluk is tans volfchapen; iN'umagik, onbelaan, en onbekommert flaapen.
VYFDE TONEEL.
A RN OLD us, Agneta.
ArnOLDuS met de mantel om de oor en.
KOm hier, daar binnen is voor u geen bed gefpreid ;
Een ander logement heb ik voor u bereid;
’k Zal in verzekertheid u elders gaan vervoeren,
Kend ge me niet?
A G'
-ocr page 79-75
AgNETA hem kennende.
Ach'.
Arnoldus. nbsp;nbsp;nbsp;,
Ha! wat komt u dus ontroeren ? Bedriegfler, gaat gyzo te buiten uwen pligt?
Ik zie gy wenfchte wel te zyn uit myn gezigtj Ik kom de liefde, die u heeft ontlleeken, fleuren.
Agneta ziet om na Horatius. Roep uw Galant niet weêr, zulks zal u niet gebeuren;nbsp;Hy is reeds al te ver, en kan u niet ontflaan.
Hoe durft gy, noch zo jong, zofnoode-ndaadbeftaan? En uwe onnozelheid ^ wie had dit kunnen raamen?nbsp;Vroeg of de kinderen niet uit de biezen kwaamen.
En gy beflemd, zo kort daar aan, het uur by nacht. Om, door een jonge wulp, uit ’t huis te zyn gebragt ?nbsp;O my, wat kofl gy zoet niet uw Galantje praaten!
Het fchynt dat gy u wel hebt onderrechten laaten;
Hoe henker! leerde gy dat in zo korten tyd?
’t Schynt dat ge niet meêr bang voor Geeft of Spooken
Die Minnaar heeft by nacht de fchrik van u verdreeven. Caronje, durft ge u tot die trouwloosheid begeeven ?nbsp;Spyt al myn weldaan, my dus hoonen, zo verwoed?nbsp;O kleen Serpentje! dat ’k heb in myn bórft gevoed,nbsp;En dat, zo haaft als ’tzich kan roeren enbeweegen.nbsp;Zich toond, om kwaad te doen die ’t heeft gekweekt,nbsp;genegen.
Agneta.
Waarom fcheld gy me dus ?
Arnoldus.
’k Heb ongelyk; gewis.
. nbsp;nbsp;nbsp;. Agneta.
K Weet niet dat in myn doen iets kwaads gelegen is.
.. nbsp;nbsp;nbsp;Arnoldus.
Zo rraaitjes door te gaan, is dat voor goed te houwen ?¦
Ag»
-ocr page 80-Agneta.
Het is een, diemy zweert voor zyne vrouw te trouwen; Jk heb uw les gevolgt. Hebt gy me niet gezegtnbsp;JUat, om geen misdaad te begaan, men dient geëcht?nbsp;Arnoldus.
Ta; maar ik had u zelfs voor my tot vrouw verkooren, Hn ik heb klaar genoeg, na ’k meen, u zulks doen hoo*nbsp;ren.
A GNETA.
o ja: maar guntge dat ik zuiver fpreek en vry?
Weet, dat hy my daar toe veel meêr behaagt, als gy. Gy maakt het huuwelyk my zo vol zwaare zaaken,
En fchildert het zo naar, dat ’t my niet kan vermaaken. Maar hy verbeeld het my zo vol van weelde en zoet,nbsp;Dat ik daar toe een zucht gevoel in myn gemoed.nbsp;Arnoldus.
Dat ’s dat gy hem bemind, Bedriegfter.
Agneta.
Ja, volkomen.
A R NOLDUS.
Gy durft zo onbefchaamt dat zeggen, zonder fchroomen ? A G N et'a.
Waarom mag ik het u niet zeggen? ’t is toch waar. Arnoldus.
Waarom bemind gy hem, gy onbedachte?,
Agneta.
Maar,
Helaas! is zulks myn fchuld? hy heeft my ’thart oijt-fteeken.
Ik dacht daar ’t minfi; niet aan, toen by my ’t eerft kwam fpreeken.
Arnoldus.
Cy had u moeten van die zotte drift ontflaan. Agneta.
^t Valt zwaar iets, dat ons vreugd kan geeyen, af te ^ ftaan,
Ag.
-ocr page 81-Arno r. DUS-
Wift gy niet dat uw doen ray Hof tot toorn zou geeven ? Agneta.
Ik? neen: ook weet ik niet dat ik iets heb misd ree ven. Arnoldus.
’tis waar, ’k heb reden, om daarin te zyn tevreên; Gy mind my niet met al, na ’khoor?
Agneta.
U?
Arnoldus.
Agneta.
Och neen J
Arnolpus.
Hoe! neen; wat ’s dit?
A G NETA.
Gy komt my na geen leugens vraagen. A R N o L D u s.
Schaamtlooze, waarom my geen liefde toegedraagen? Agneta.
Ik bid wyt my zulks niet, gy zelfzyc waard gelaakt. Waarom hebt gy, als hy, u niet bemind gemaakt ?
Ik heb u daar in niet belet.
Arnoldus.
Met al myn zinnen
Heb ik daar na getracht, maar nooit iets kunnen winnen 5 En al myn poogen is fteeds vruchteloos geweeft.nbsp;Agneta.
Hy heeft dan boven u meêr fchranderheid van geeft. Want hy behoefde niet veel moeite te befteeden.nbsp;Arnolijus.
Hoor eens, die vuile pry, van waar haalt zy die reden ? De fneegfte zelfs heeft nooit doortrapter taai bedacht,nbsp;O te onrecht heb ik haar verfleeten, of ik achtnbsp;Dat een zottin meêr, als de gaauwfte man, ervaareitnbsp;In zulke dingen is. Gy weet het wel te klaaren,
Gy»
-ocr page 82-Gy, Kakelaarfter. Heb ik, op myn koften, u Zo eerelyk gekleed, en opgevoed, toe nu.
Voor hem?
Acne TA.
O neen; hy zal ’t u dubbeld weder geeven. Arnoldus-
’k Voel door haar woorden my vandubb’lefpyt gedree-ven.
Gy, Snapfter, kan hy my, wat hy ook komt te doen, ’t Geen ge aan my zyt verpligt, wel immermeer ver»nbsp;godn?
A G N E T A.
Ik denk niet dat myn fchuld zo hoog kan zyn gereezen.
Arnold GS.
Heb ik u van kinds af niet altyd gunft beweeien.
A G N ETA fchertzende,
’k Beken, gy hebt daar in uw’ dingen fraai gedaan,
En alles, war my was van nooden, doenverftaan. Waant gy dat ik niet merk, en klaar tans kanbefchou*nbsp;wen.
Dat ge onvernuftig my hebt, als een dier, gehouwen?
’k Ben zelf daar in befchaamt; en, overmits ik tot Myn jaaren ben, wil ik niet langer gaan voor zot.nbsp;Arnoldus.
Gy vlied de onkundigheid, en wilt nu beter leeren Van dat Galantje, ’c koft wat ’t kort?
Agneta.
Dat ’s myn begeeren;
Ik moet hem danken voor zyn beter onderricht,
En acht my vry wat meêr aan hem, als u, verpligt.
AkNOLDUS.
’k Weet niet wat my weêrhoud haar trotsheid te be-ftraffen,
En dat ik haar niet kort ophouden doe van blaffen ? Haar fcherpe koelheid maakt myn zinnen als verwoed;nbsp;'Waar toe nietmet myn vuiftmyniufl: aan haar gbeoet.^
19
A G N E T A klaagelyk.
Ik weet gy kunt zulks doen, indien ’t u kan behaagen. Arnoedüs.
Dat woord, endatgezigtdoen mynen toorn vertzaagen; Een teed’re zucht voel ik daar door weêr in myn hart.nbsp;Die haar bedryf my doet verfchoonen, ook hoe z wart.nbsp;Welk wonder, dat men mind de geen, die ons verraa-den!
Ach! met wat zwafcheên zyn de mannen nietbelaaden? Elk is des vrouwvolks vuil en losheid wel bekend,
’t Is buicenipoorigheid, en onbefcheid in ’c end;
Heur geeft is boos, heur zin keert om met alle winden; Niets harftènloozer, noch niets broozer kan men vinden,nbsp;Niets ongetrouwer; doch, wat mag zulks zyn?menzietnbsp;Dat aan dat ongedierc van ieder eer gefchied.
Kom, klein Bedriegftertje, laat ons weêr zyn te vreeden; ’k Vergeeft u alles, en fchenk u myn tederheden:nbsp;Bezef, daar door, hoe zeer dat ik u heb bezint,
’k Eifch in vergelding flechts dat gy me weêr bemind. Agneta.
Ik wenfch, met al myn hart, dat ik u mogt vernoegen. Wat zou ’t my Icheelen kon ik my daar flechts toenbsp;voegen?
A R N o I- D u s.
Myn Bekje lief, gy kund, indien gy wnlt, terftoncf. Hoor deez’ verlieflle zucht uit mynes herten grond,nbsp;Zie eens dit doods gelaat, let op myn treurig weezen.nbsp;En laat die jonge wulp u langer niet beleezen.
Hy heeft voorzeker u bekoord door tovery;
Maar gy zyt duizendmaal gelukkiger met my.
Gy fchept vermaak in fraai te weezen uitgeftreeken.
^k Beloofwatgy begeert daar zal nooit aan ontbreeken.
’k Zal u, myn Zoetertje, liefkoozen , dag en nacht;
Hy loojl een zucht,
- ’k Zal u opeeten; ’k zal u handelen zo zacht;
80 HET SCHOOL
^u!ks is genoeg gezeid, gy kunt den zin wel hooren.
Binnens monds,
„ Wat heeft die hartstocht op de zinnen al gebied?
„ In ’t kort, myn liefde had haar weerga nimmer niet. Ondartkb’re, zeg wat proef kan u het meeft behaagen?nbsp;Wilt gy me fchreijenzien .ofblaauwen blondgeflagen?nbsp;Wilt gy, dat ik me ’t hair zal trekken uit myn hoofd?nbsp;Of dat ik me de keel affny, zeg ’t vry, ’k belooft.
’k Zal, Wreede, ’c doen tot blyk van myn oprechtbe-minnen.
Ag NE TA.
Hoor, al dat praaren kan op myn gemoed niets winnen; Horatius kan meêr uitrechten met één woord.
A R N o L D u s.
Ach! gy trotft my te veel; ’k word langs hoe meêr ver-lloord.
O gy, onbuigzaam dief, ’k zal myn befluit, niet breeken, Maar u van ftonden aan gaan in een kloofter fteeken.nbsp;Gy durft myn min verfmaan, neemt in myn leed vermaak?
Wel aan, een Celletje neem daar van voor my wraak. ZESDETOONEEL.
JORDKN, ArNOLDUS, AgNETA.
J ORDEN.
MEn Heer, ’k weet niet hoe ’t is, maar zo ’k niet bin bedroogen,
De Doode, en onze Agniet zin op en pad etoogen.
A R N o T. D u s.
Hier ftaat zy; breng haar in myn kaïner met ’er vaart; ’k Acht haar, wyl hy ’er niets van weet, daar beft bewaart ;
ft Is maar om een half uur te doen, ik ga befpreekeri Een waagen, en terftond haar in een kloofter fteeken.nbsp;Pas raaart'er deegen op, fluit deur eii venft’ren dicht,
Voor
-ocr page 85-Voor alles, Jorden, houd haar fteeds in uw gezigt. MiOchien zal haar gemoed, als zy van hier zal weezen^nbsp;Zich van haar zotte min ontladen, en geneezen.
ZEVENDE TOONEED-Horatius, Arnoldus.
Ah o R A T I U S.
Ch! Heer Arnoldus, ik wordoverdolptvan druk! De hemel heeft, na’tfchynt, bedemt myn ongeluk,nbsp;Eti, door een’ doodlche deek van onrechtvaardig haaten.nbsp;Wil zy de Schoone, die ’k bemin, my doen verlaaten.nbsp;Myn vader, om de koelte, is herwaards heen by nachtnbsp;Gekomen; ’k zag hem uit de koets treên, onverwacht.nbsp;Niet ver van hier: in ’t kort, het geen hem hier doet
komen,
C’k Heb u gezegt dat ik de reên niet had vernomen)
Is dat hy my heeft uitgeheilikt, welk een rouw!
En komt hier, op dat ik volvoere zulk een trouw. Oordeel, dewyl ik weet gy deel neemt inmynfmartéjnbsp;Of my wel zwaarder ramp ooit treffen kon het harte ?nbsp;Die Hendrik, daar ik naar te vraagen onderdood,nbsp;Helaas! is oorzaak van myn doodelyke wond.
Hy komt, met vader, om my myn verderf te brouwen. En aan zyn eenig kind begeert hy my te trouwen.
Ik meende op ’t eerde woord dat ik ’t gevoel verloor j En, zonder dat ik meêr na hunne reede hoor,
^n ik, wyl vader fprak van u te gaan begroeten, ^oor uitgeloopen eer dat gy hemkwaam te ontmoeten.nbsp;:Jk bid, dat gy hem niets van myne min ontdekt.
Noch iets doet weeten dat tot gramfchap hem verwekt. Zoek, ’k weet hy zal door u zich licht gezeggen laaten^nbsp;Het ander huuwelyk hem uit het hoofd te praaten.
^ nbsp;nbsp;nbsp;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Arnoldus,
Goed;
Horatius.
Raad hem noch een wyl myn trouwden in te zien t Fnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;’Jc Bid,
-ocr page 86-’k Bid, dat van u die dienft mag aan myn mingefchiên Arnoldus.
’k Zal ’cdoen.
H o R A T I u s.
Ik heb geen hoop als van u te verwachten. Arnoldus.
Heel wel.
Horati us.
Ik zal u, als myn tweede vader, achten.
Zeg, dat myn jonkheid ...och! daar komt hyzelfal aan • ’k Bid, luifterwat naar my, ’k blyf aan dit hoekje itaan.
Hendrik, G£rard,Loikas, Horatids, Arnoldus.
Hendrik tegens Luikas,
IK had u wel gekend, zo haaft ik u zag komen,
Al had ik zulks voor af van and’ren niet vernomen. Zo zweemt uw weezen naar uw zufters, my zo waard.nbsp;Waar meê niy ’c lot wel eer zo gunftig had gepaart;
Ik was gelukkig had zy met my moogen keeren ,
En niet de wreede dood haar deugd my doen ontbeeren, Óm, nevens my, het zoet te fmaaken van ’t geluknbsp;Alle onze vrinden weêr te zien, na zo veel druk.
Maar, wyl het noodlot ’t niet belieft heeft zo te voegen. Zo laaten we ons, voor ’t minft, zo veel men kan, vernoegen
Met ’t eenig krooft, dat van haar min my overbleef. En welkers heil ik aan uw oordeel overgeef.
’t Raakt u zo na, dat ik als met uw welbehaagen, Hetfchikken van dat pand geenzins zou durven waagen.nbsp;Heer Gerards zoon is waard dat zy de zyne zy.
Doch ’k wil dat u die keur zo wel gevalle, als my. Luikas.
Dat ik een keur lo goed, zo fchoon, zou tegenfpreken ?
ArNOLDUS tegenS Hof aims.
,, O ja, ik zal myn pligc wel naar behooren doen.
Ho r A T1 u s.
„ Vooral, noch eens gezegt...
A R N o L D u s.
„ Wil geen bekomtn’ring voên. Gerard tegens Arnoldus.
Wat ’s die omhelzing zoet! wat toond gy u genegen'. Ar noldus.
Hoe voel ik myn gemoed van blydfchaptansbeweegen! Gerard.
’k Ben hier gekomen...
A R N o I. D u s.
’k Ben daar van al onderrecht,
’k Weet wat u herwaards voerd.
Gerard.
Is u zulks reeds gezegt? Arnold us.
O ja.
Gerard.
Arnoldus.
Uw zoon wil zulks weêrfireeven, ^ En ’t kan zyn hart, bereids verpand, Hechts droefheidnbsp;geeven:
Hy heeft my om ’t u af te praaten zelfs gebeên ;
Maar, al wat ik aan u kan raaden is alleen,
Dat ge u van zulk eene echt door niemand af laat troO' Maar ’c vaderlyk gezach aan hem tans wilt betoonen.nbsp;Men diend de jonge lui te wederflaan met kracht.
En wy doen hen te kort wanneer we zyn te zacht. Horatius.
Verrader!
Lu IK AS.
Kan zyn hart daar tegenheid in vinden,
F 2 nbsp;nbsp;nbsp;te
-ocr page 88-8 HET SCHOOL Ik acht niet raadzaam, hem door dwang daar aan tenbsp;binden;
’i Geloof myn Broeder zal meê zyn van dat verftand. A R N o L p u s.
Hoe! wilt gy dat zyn zoon hem zet naar zyne hand? Zal dan een vader zich, door zwakheid, zo onteeren,nbsp;Dat hy de jonkheid niet ’t gehoorzaam zyn zou leeren?nbsp;’t Zou zeker fchoon flaan, dat men hem zou heden ziennbsp;De wet ontfarigen van hem die hy moet gebiên,
Heen: ’t is myn vrind, ik kan zyn achting niet zien bree-ken ;
Hy heeft zyn woord verpand, daar geld geen tegen-fpreeken.
Hy moet hier toonen dat hy vaft is van beraad :
Hy dwing zyn zoon dat hy zyne and’re min verlaat. Gekard.
Gy fpreekt gelyk ’t behoord; wat aanbelangt dit trouwen, ’k Blyf borg, dat hy my n woord ook zal van waarde houwen.
Luik as tegens Arnoldus.
Voor my, ik ftaa verzet dat gy, met zulk geweld,
Die echtsverbint’nis dringt in’t werk te zien gefteld. En kan niet denken waar dat gy op toe moogt leggen.nbsp;Arnoldus.
’kWeet wat ik weet, en ook wat ik behoor te zeggen. Gerard.
Ja, Heer Arnoldus, ga...
Luikas.
Die naam ftaat hem niet aan;
¦ t Is Heer van Hoogegrond,’k heb ’t u reeds doen verftaan. Arnoldus.
Dat ’s niet.
Hor atius.
„ Wat hoor ik!
Arnoldus zich na Hor atius keerende.
Kund gy nu't geheim wel merken?
Horatiüs.
NEGENDE TÓONEEL.
WoBBYN, Hendrik, Gerard, Lüikas, Horatius, Arnoldüs.
o.
W OBBYN.
' Ch! komt toch t’huis, men Heer, Och! onze Agniet gaet an, as dol: wat tegen weernbsp;We doen, ze wil ’er uit; we kenneheur niet dwingen.nbsp;Ik vrees ze zei gewis noch uit’et venfter fpringen.nbsp;Arnoldus.
Ga, breng haar hier. Ik meen haar ook van ftonden aan
tegen Horatius.
Te gaan vervoeren, laat u dit geenzins verflaan;
Geluk dat altyd duurt maakt ons te trots van zinnen; Elk heeft zyn beurt, gelyk ons’tipreekwoord brengt tenbsp;binnen.
Horatius.
Helaas! wat zwaarigheid haalt by myn ongeluk ?
Zag iemand zich wel ooit in zulk een poel van druk ? Arnoldus.
Laat, zonder uitftel, toch dit huuwelyk gefchiedep.
En tot de Bruiloft kom ik my van zelfs aan bieden. Gerard.
Zulks was ook myn befluit.
AgNETA, JoRDENjWoBBYN, QeR ARD , HeNDRIK, Arnoldus, Horatius, Luikas.
Klt;
A rnoldüs,
Zie hier uw minnaar, om zyn lyden te verzoeten , Kund gy hem, voor het laatft,noch eenseerbiediggroeten.nbsp;Vaar wel. ’t Gevolg heeft zich niet naar uw zin gevoegt,nbsp;Maar alle minnaars zyn niet even vergenoegt.
AgN ETA,
Horatius, laat gy me dan zo heene voeren ?
H o R A TI u s.
]k weet niet waar ik ben, zo voel ik my ontroeren.
KoiBjSnapfterjkom.
Agneta.
Ik wil hier bly ven,
Gerard.
Hoe! wat’s dit?
En wat verborgenheid of hier toch onder zit?
Wy zien malkand’ren aan. Watvremder wedervaarenl A R N o L D u s.
’k Zal ftraks op myn gemak de reden u verklaaren. Vaar wel, tot wederziens.
Gerard.
Waar wilt gy met haar voort ? Wat wil dat zyn? gyfpreekt geenzins gelyk’t behoord.
A R NOLDUS.
’k Heb u geraaden, wat uw zoon ook heeft daar tegen, Dat gy zyn trouw voltrekt.
Gerard.
Ja; luifler eens ter degen. Hebt gy dan niet verdaan, indien gy alles weet.
Dat zy by u is daar’k hem aan heb uitbefteed.^
De dochter, die wel eer Heer Hendrik heeft behouwen Van fchoone Angelika, van een verborgen trouwen ?nbsp;Waar waren uwe réén daar ftraks dan op gegrond ?
L u IK A s.
’k Beken, dat ik zo wel, alsgy, verwondert ftond.
A R N o L D U s.
Lui*
-ocr page 91-L U I K A S.
Ja, myn zufter had, door heinielyk verbinden, Een dochter van hem , die bedekt bleefvoor de vrinden»nbsp;G E R A R igt;.
Die, onder vremde naam, om niet te zyn gemeld,
Haar man heeft op het land, om op te voên, befteld. Lui KAS.
Wanneer, door’t nydig lot zyn averechtze luimen,
Hy zich verpligt vond zyn geboorteplaats te ruimen.
G E R A R u.
En naar Amerika, fpyt de gevaarlykheên,
Een tocht ging doen, door zo veel verre en woefte zeên, L u I K A s.
Daar, door zyn naar fligheid, hyweeder heeft bekomen, Het geen bedrog en nyd hem hadden hier ontnomen.nbsp;Gerard.
En wéér te rug gekeert in Vrankryk, heeft gezogt Naar’t wyf, waar door hy dacht dat zy was opgebrogt.nbsp;Lu IK AS.
Die vrouw heeft hem verklaard dat zy, op uw gebeden, ’t Kind in uw handen heeft geftelt, om zeek’re reden.nbsp;Gerard.
Dat zy’t gedaan had, omdat gy meêlydend fcheent. En zy, door armoê, was ten uiterften verkleent.
Lu IK AS.
En hy, vol bly dfchap dat zyn kind noch was in ’t leeven, Heeft, met die vrouw verheugt, zich hier naar toe be-geeven.
Gerard.
En gy zuit haar hier zelf verfchynen zien in ’t kort, Dp dat zulk een geheim een ieder kenbaar word.
^gis Wel welk een fmart komt in uw ziel gereezen, Maar klaag niet over ’t lot, het wil u gunftig weezennbsp;1 ^ Sy hoorens voor zo groot een Ichande houw t,
«’t veiligfte voor u dat gy Qok nimmer trouwt.
Ar'
-ocr page 92-A R N o L D U S , Op 't uiterfi onjteld weg gaande , Zonder te kunnen fpreeken.
Oh!
Gerard.
Waarom gaat hy weg, en zonder iets te zeggen?
H o r A TI u s.
Heer vader, dat geheim zal ik u ftraks uitleggen;
’c Geval heeft hier ter fteê gelukkig uitgewrocht.
Het geen uw wysheid had bereids voor af gedocht:
’c Had, door de zoete vlam van zuiv’re min gedree ven, Aan deze Schoone reeds myn woord en trouw gegeeven jnbsp;Zy is het die gy hier komt zoeken, in een woord,
Om wie myn weig’ring u met reden had verhoort. Hendrik.
Ik twylFelde geenzins toen zy kwam voor myne oogen ^ En zints dat uur gevoelde ik ray geheel bewoogen.
Ach 1 wat fmaak ik, myn kind,een onuitfpreeklyk zoet. Luikas.
Myn Broeder, ’k deede gaern ’t geen gy met reden doet j Maar ’t zou op deze plaats aan my zo wel niet voegen.nbsp;Kom, gaan we dit geheim ontwinden met genoegen.nbsp;Betaalen we onzen vrind ai wat zy heeft verteert.
Men roem’tGeluk, die dit geval ten befte keert;
Einde van 't vyfde en laatjle Bedryf.
-ocr page 93- -ocr page 94- -ocr page 95-V
V;
V â– nbsp;nbsp;nbsp;. â– 'Tt quot;