BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHTnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;1929
Verzameling: tooneel-stukken uit de nalatenschap vannbsp;prof. Dr.J. te WINKEL
I
i-*:
A',
-- •
, ¦ V»
t
31
i
-ocr page 5-S-a
S-a
d-i
Op de ZINSPREUK:
Geeu Meufch op aarde» doet oyt kwant Die met fatzoeHnbsp;Om winjl te doen
Eens na de Booter^Mark toe gaat'.
Of anders:
Die 't Werk verlaat om 't Maandag honwe»^
Hy is de geen,
Die hem ( zo 'k méén )
Het aldergrootfie kwaat kan brouwen.
i’A M S T E R D A M,
Gedrukt by Jacobus van E c, m © n' t , Boekd: ker en Boekverkoper, op de Reguliers Bree»nbsp;ftraat, in de Nieuwe Ehukkery, irtS.
-ocr page 6- -ocr page 7-AAN DEN
£ Nyt wei eer gehelgd, »m dut ik ietS
kwam fchryven,
Verhoop ik dat nu in haar Nachl-Spilonk zak Hyve»,
En daagen myu niet in het wreede kV?r* flei Park;
Ik Zing nu van geen Gom, maar van de Booter-Mark, Hoe 't daar op Maandag gaat, en wat 'er is te. vinden ;nbsp;Dog zo myn Pen zig niet aan alles komt te binden,nbsp;Doorlugte Leezer, wie is zo volmaakt in ftaatynbsp;Dat hy 't Befcbryven zal y en niet iets overjlaot:
Ik Zing dan wat ik weet, en koe 't al gaat metveele» Die daar gewoon zyn om den hreeden Haan te fpeelen ,nbsp;En 'Teeren moedig tot de alderlaatjle duyt,
En moeten dan berooyt van hoofd het Zee Gat uyt'. IVeér and'ren koornen daar hun vry wat heeterkwyten ynbsp;2,e gaan te s'Maandags uyt, en zoeken hun Profytennbsp;Met dit of daty dus heeft de Booter-Mark veel eer.nbsp;Die daar door Koopmanfchap zynBeurzen menig keernbsp;Mag vullen , en zo Voort op hunne pligttn letten ;
Elk doet zyn beft om daar zyn winfie voort te zetten; Gelyk op Maandag daar al menig zyn profytnbsp;Zoekt op de Booier^Mark;
Al meerder door den tyd
jf. R.
-ocr page 8-Door
VAn R«fting die aan 't Scheep-Ryk ST Bemind wier em zyn Boertery,
Die hy heel aardig wift ie Digten, Maar te only dig en te wreetnbsp;Gefchooten van Atrop haar fehigten.
Te fcharp zyn leevens draade affneet,
Toen treurden Neêrlands Heliken,
Die in zyn tyd blonk alt een Zon-ne Giants, en praalde in volle kragteu,
Hun roem bezwalkte door zyn dood,
De Muze (lorte niet als klagten ,
Over 't verlies van Fcbus hoot.
Maar nu J. R. zyn Ganze Veer Verfnyd, neemd droefheyt eene keer,
En juigd vaji door zijn over aar dig Kiueelen, want wie eens doorleejinbsp;Vrouw Venus Feeft, en niet roept vaardig,nbsp;i Puyk van Parnasl fnaakze Geeji,
Begeert men meerder koddigheid Van hem, die Al meer door den iydnbsp;Met Boerterye ons wil Jlreelen,
Lees dan JAN VOS zijn droevig Spel,
Of
’t Geen h'j heel Boertig na kwam fpeelen.
-ocr page 9-|r
Ofkefi «V» Kermis in de Hel, l^aar in hy volgt van Ruftings Toon,
Als een fchrandere F'ebus Zoon,
En mint me» POOKS Hans-Zing-Zangsreirfie», , Zyn Zingend' Kramer, o/Krispyn,
Verheugd ons door zyn koddigheden ^
Lang moet hier zulk een Digter Zy» ,
Hoor hun herleeve twee aan 't Ti RUSTING , en POOK, laat Momus vryfnbsp;Het fuyk der Jongelings veragten;
Hy vaart tot nog toe Boertig voort.
En fchenkt daar wy het minfl op dagten.
Een Klugt die yder een bekoort i Waar ons de Digter teond in 't kort,
De Boter-Markt, en 't geen daar word Bedreven, van Duyven, en Hondennbsp;Koopers, en op een fnaakze trant.
Bedank hem voor zyn raare vonden.
Die hy u weder field ter hand.
K. VAN Relt;?TES^
gp nbsp;nbsp;nbsp;cP
ep nbsp;nbsp;nbsp;00 00
P E R-v
-ocr page 10-Door
VAn Rofting die aa*gt; 't Scheef-Ryk T Bemifid wier em zytt Boertery,
Die hy heel aardig wifl ie DigieHj Maar te only dig en te wreefnbsp;Gefchooten van Atrop haar fchigten,
'ïe fcharp zy» leevens draade ajfneet,
Toen treurden Neérlands Helikon,
Die in zyn tyd blonk ah een Zon-ne Giants, en praalde in volje kragtea,
Hun roem hezwalkte door zyn dood,
De Muze fiorte niet als klagten,
Over 't verlies van Fcbus Loet,
Maar nu y. R. zyn Ganze Veer Verfnyd, neemd droefheyt eene keer,
En juigd vajl door zijn overaardig Kweelen, want wie eens doorleeftnbsp;Vrouw Venus f'ceft, en niet roept vaardig,nbsp;S Puyk van Parnasl fnaakze Geefi,
Begeert men meerder koddigheid Van hem, die Al meer door deu tydnbsp;Met Boerterye ons wil jlreelen.
Lees dan JAN FOS zijn droevig Spel,
Of
't Geen h'i heel Boertig na kwam fpeelen.
-ocr page 11-OfUefi zs» Kermis in ie Hel,
Waar in hy volgt van Ruftings Tóa»,
Als een fchrandere Febus Zöon,
En mint men POOKS Hans-Zing-Zangsrei/e», , 2y« ZingeniT Kramer, of Krispyn,
Verheugd ons door zyn koddigheden,
Lang moet hier zulk een Digter zyn ,
Hoor hun herleeve twee aan 't T\ rusting , en POOK, laat Momus wynbsp;Het fuyk der Jongelings veragten-,
Hy vaart tot nog toe Boertig voort.
En fchenkt daar wy het minjl op dagten,
Een Klugt die yder een bekoort-.
Waar ons de Digter toond in V kort,
De Boter-Markt, en 't geen daar word Bedreven, van Duyven-, en Hondennbsp;Koopers, en op een fnaakze trant.
Bedank hem voor zyn raare vonden.
Die hy u weder field ter hand.
K. VAN Relt;?te^s^
eps V»?.
^ ^ ^ ^
-ocr page 12-Dolkop, een huyaard.
Klaaghart, Vrouw van Dolkop.
K W A N T Z E L A A R , een Kraamer. DüïVEMEtKER, een Duyveverkoopfr.
ZWIERG RA AG.
Cr E DIET. nbsp;nbsp;nbsp;I
Spotboef. nbsp;nbsp;nbsp;}
f Minnaars van de “Booter^Markt.
Schreeuwerd.
Vlugaard.
VroomHART,
Z e T Z E R, een Kwakzalver^
Bruymaartoe, een JVaard.
R o T K E E L, een Liedzanger,
Gluypaard. ^
p T'wee Gaauwedieven.
Oom van G R E D i e T.
Graagnabuyt.
Het Kluchifpel ffeeld t’Amfterdam, by en of de BoQter-Markt.
-ocr page 13-Fol. 9
D o t K o P, komt met een Langepyf in zyn hand uyt zynhuys\ en zingt ^ Voys', goeden avond al dat Sootje.
l Aandag houwen zyt myn Vaartje ' Krenkt nooyt ymand zyn fatzoen ^
Ik heb mee dat zelve aartje,
gt; IVant ik mag het graag eens doen\ i Ja nog eens, het Maandag houwen.
Om de Booter-Mark, en al Wat daar is eens te befchouwen,nbsp;idaar ik fleets op roemen zal.
KwantZELAAR, met eenig goed voor de deur by Dolkop, en zingt Vys : Van Liereboela.
OM het Kasje moet ik zwoegen.
Dan eens zoet, en dan eens zuur.
Om het Kosje moet ik ploegen.
Dat flaat vafl gelyk een muur ;
Om het Kosje moet ik werken.
Of ik fchiet een aas te ligt.
Laat ik dan zoo veel bemerken.
En volbrengen mynepligt,
A 5 nbsp;nbsp;nbsp;Dol-
-ocr page 14-ÏO
De B o o T E R-M A R K T, Dolkop,
Ho Buurman! dat iseerft een weertje voor de Kraamen.
K vantzelaar.
Dat doed het Buurtje.
Dolk OP.
Ha! dees dag hoeft niet te fchaamen Vanmooyte, warmte, al waar’tomtrent Juny,
K WAK TZEt AAR.
Ik
Ben beezigdat *k myn goed vaftby malkander fchik; Want op zoo’n fchoonen dag wil ik geen tydnbsp;veriuymen.
Dolkop.
Die hoend’re plukken wil, vrceft nimiijer voor de pluymen.
Kwantze laar.
Dat ’s waar, ik weet wel als het reegend befte maat, Dat dan myn goed verroert, of voor het minft beflaat.nbsp;Dolkop.
Kan dan de reegen u op Maandag Weder houwen ? Kwant ZË LAAR.
Ik durf me zelve in de reegen wel vertrouwen,
Maar voor myn goed ben ik altyd met zorg belaln;
’t Is beeter nimmer imdeBooter-Marigeg^an,
Als daar met fchaaden zoo een halven dag verfleeten, En tot een airmans Gek voor niemendal gezeeten.nbsp;Dolkop.
Hoe! voor een airmans Gek ?
Kv ANTZELA AR.
Welja, men werd belagt; Decs roept , ik loofdie Man nog Kooplieden verwagt.nbsp;En dat zou immers vrind het goetrte Menfch verdrieten.nbsp;Dolkop.
6! Daar kan altyd nog een Brootje overfchieten,
K WANTZELAAR.
Ja, ïomtyds wel, dai’s waar, dog zomtyds weder niet. Als ik dit goed, hetgeen gy in myn Waagen ziet
Verkoop,
-ocr page 15-K L U G T S P E L. nbsp;nbsp;nbsp;k
Verkoop, daphebik krek twee Dukatons gewonnen. Dolkop.
Zoo Buurman, dan is ’t nog te pynewaard begonnen, Twee Dukatpnnen, go6n ! die win ik in geen week.nbsp;K^tantzelaar.
Ik groetje Buurtje, want ik xie het is om ftreek Van negen uuren, dus moet ik wat voortgang maakennbsp;Dolkop,
’k Kom dadelyk lien of gy u goetje kwyt kan raaken.
K A N T Z E L A A R.
Ik hoop van Ja, vaar wet.
Dolkop.
Jou ook zoo.
Dolkop, alke».
Bi
_iLoed, ik lach!
TweeDukatonnen wil de Man op cenen dach Wel winnen, daar zomtyds een zh zoo’n vyffes daageanbsp;Voor werken moet, en hem by na te barden draagen;nbsp;Ik wendedatik meê zoo’n wynig Kraamerynbsp;Kon krygeii by der hand van alleSiiuytzery,
Gelyk als deeze Bol, Ja 'k wou het ook beginnen,
Zo ’k daar twee Dukatons meé op een dag kon winnenj Dog ik geloofdat hy twee Schellingen meene zal;
Ik geef geen Dukaton voor zyn gehcele dal ?
Dus denk ik hy komt myn wat loogens wys te maaken, Hoewel, ik zie de Man kan aan het Kosje raaken.
En komt braaf voor den dag, daar ik, die Maandag hou Vad arm werd,en niet hoor als klaagen van me Vrouwjnbsp;Maar ofze klaagd, of huyld , dees dag moet waarnbsp;genomen.
Daar kan niet erger als een kaale Beurs of komen,
Die door zyn ledigheyd het hooft aau ’t hollen maakt; Dat Jonker Kalis na het Aapen land toe raakt.
Voor myn, een Maandag trant die fpeelt mc door de aa’rcH;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Maar
-ocr page 16-li De B o o T E R-M A R K T,
Maar hou! wie zien *k met een Mand vol Duyven nad’ren ?
Ha! ’t is myn befte maat, zoo vrindfchap dat is trant; Waar wilje heene met die Duyven in de Mand ?
VIERDE TOONEEL.
DuYVEMELKEit, Wet een Mand met Duyven, by Dolkop.
Du YVEMELKER.
WEl Dolkop, kotnjemyn daarvan dé reedevraagen?
’t Is Maandag alsje weet, de Koning aller daagen, ’k Moet zien of ik voor myn wat Duyten winnen kan.nbsp;Dolkop.
Wat Duyten ? ha dat’s braaf bedagt van zulk een Man Als gy, die iminers van zyn zelve mooy kan leeven ?nbsp;Wat winften (zeg eens) kan het Duyveanelken geeven;nbsp;Hoe meenig is ’er niet aan ’t Sukkelen geraakt,
Door 't Duyven Melken 1 neen dat werd van myn gewraakt,
Vermits m’er weynig winft voorin de Sak kan fteeken. Duyvemelker.
Hoe Dolkop, zal de droes depaffiehier gaan preeken? Dolkop.
Wat Paffie preeken, neen, myn eyge Vaders Broer, Die zag ik zelver dat na Winje Wanje voer,
En ’t kwam niet anders als door kwantzcle, en verkoopen ;
Het Duy ve Melken deed hem zonder Kleeren loopen.
Duyvemelker.
Het geeft myn thans de koft.
Dolkop.
Zyt gy te vreede Vrind, Ik magwellydendatgyluftig Duyten wind,
Melk Duyven, broeytze uyt. Ja leerd de Beesjes vliegen; Dog laatje nimmermeer gelyk als laaft bedriegen.
Toen gy een Boere krak kogt voor een Tuy melaar,
En
-ocr page 17-’ klugtspel; nbsp;nbsp;nbsp;13
En wou niet weeten als dat gy bedroogen waar.
'' Düyvemelker.
Wie is 20 wys myn vrind,die «ietèeus werd bedroegen? Dolkop.
Hebt gy het Krakje nog?
Duyvemelker.
6 Neen! ’r is weg gevloogen* Dolkop.
*t Was mooy van kleur niet waar ?
Duyvemelker.
Ja,’twaareenkaakelbont.. Dolk op.
Maar Duyvemelker weetgy niet eenmooye hond Voor myn te koop ?
D U y V E M E L K E R^|gt;
Een hond? daar kunje aan geraaken. Dolkop.
Geen ding op Aard’ kan myn meer als een hond ver» maakeri,
Zo hy maar Manvaft is, en ook wat Kunften kan. Duyvemelker.
Ha! ha! waar wil dat heen, je bent een aardig Man, Nu lach ik, 6 jou nar! waar droelyzynye zinnen,nbsp;Dat gy de Houder? meer als Duy ven wil beminnen.nbsp;Dolkop.
Ik min de Duyven, ja, maar honden eens zo veel; Kyk daar komt Schreeuwerd ook, merzynverroellenbsp;keel.
Duyvemelker.
ó! Dat’s een Knevel die geen Maandag zal verzuymen.
VYFDE TOONEEL.
Schreeuwerd, met een Krityiuaagen by Dolkop, en Duyvemelker,
S C K R E E U-
Dolkop. At heeft de Man te koop ?
-ocr page 18-SCHREEUVERD.
Ik hebKattryne Pruymea, Dolkop.
Vreet ïelf.
SCHREEÜWERD.
Dat hoópik niet, ik denk een wynig geld Daar van te maaken, of het ftond me flegt gelleld.nbsp;Dolkop.
Waar gaat dat zo na toe ?
Schreeuwer D.
Dat’s maklyk om te raaden, *k Ga na de Booter-Mark.
ÜUÏ VEMELKER.
Ik mee zo wat bekaden Met Duyven, ak gy ziet.
SCHREEUWER!).
Kom gaat ge dan met my. Du Y V emelk Ê R.
Als gy maar wilt.
Dolkop.
Wel zo, ik komje daad’lykby^
ZESDE TOONE EL. Dolkóp, alleen.
6 nbsp;nbsp;nbsp;06n! wat werd de koft al wonderlyk gewonnen,
Vj'Wat werd ’er om het geld door Schreeuwerd niet begonnen ?
Ëerft hield hy Hennen, dog dat fpel en wou niet gaan, Waarom ? dat goed waar meeft verlegen om een Haannbsp;Die haar betreeden moert, en nu ziet men hem loopennbsp;Met Pruymen, dog of hy dat vullis zal vetkoopennbsp;Dat is my n onbekent, de man heeft goede moet;
Ha! ’k zie daar komt myn Wyf, nu werd ik wis begroet Met alderhande foort van fchelden, Ja haar oogennbsp;Dieduyen 'tuyt, beget! zoik niet ben bedroogen.
Ey zie, hoe hangt dat gat, geen fchorteldoek voor ’t lyf, De Turkze N ikker haald dat eerelooze Wyf,
K L A A Ö H A R T.
MAar Mah kan ik dan nooyt door fmeekcn iets ¦ verwinnen?
AI weer niet werken ? achl het gaatme aan de tinnen, Gy weet zo® wel als ik, hoe onze zaaken ftaan.nbsp;DotKói»,
’t Is Maandag, ik meen na de Booter-Mark te gaan.
KtAAGHART.
Al wéér die Boter-Mark, wel wie heeft van zyn leëven? Ach / Mande Booter-Mark, zal ons de koft niet geven.nbsp;Dolkop. ^
Ho! hö! de Bootèr-Mark die geeft zoo veel de knap ^ Wat is’er aan, 6f ik daar ook ééns heene (lap ?nbsp;Daarzynder wel zo veel die wel eens Maandag maaken.nbsp;Klaaghart.
Die kunne beeter Kind, als wy aan ’t Kosje raaken. Dolkop.
Ey Tool «iet aan me kop, Oolt-Inje neemt nog aan, Wy kunnen met ’er tyd de breede weg op gaan;
Wat meenje datik iets omugekryt zal gecven?
Neen, ’t xVlaandag houwen is myn eyge luft en keven. KLaaöhart.
Het Maandag houwen, ó! watfpreekjeonbsdagt. Dolkop,
HouSmoel of denk dat gy van myn een klap verwagt, Klamp;aohart.
Een klap, is dat den Eed die gy myn hebt gezwooren ?
6 Droevig Trouw-geval / ach! waar ik noy t geboorett, ja dat de Booter-Mark onseenig voordeel gaf,
’k Zou zegge wandel heen, en hielje daar nooyt afy Hoe veek zyn ’er niet door al dat Maandag houwennbsp;In ’t onderfpit geraakt? wat deed ge myn te Trouwen;nbsp;Al* ’teens gebéurden j ach! het waar me nog geen fpyt.
Maar
-ocr page 20-Maar niet een Maandag dat gy aan het werke zy t. Dolkop,
Dat liegt den bek, dog of je huylen wil of ky ven,
Ik gaa my n koers terftohd, en denk niet thuys te blyyen, En tegens hallef een maak dan wat eeten klaar.nbsp;Klaag HART,
6 Plaag! ik wou dat gy al om een Lugje waar. Dolkop,
Wat zegje?
K L A A G H A R T,
Man ik zeg, ik wil het wel bezorgen j Maar zeg waar voor ? ik dien haaft alles wel te borgen,nbsp;Ach I al ons goed raakt op zoo gy niet anders wil.nbsp;Dolkop.
Wat anders malI^Gons, houd uwe Waffel flil.
Want ik doe tog myn zin, dus w ilt die reedezwygen, Zoo niet, gy zult van myn eens braaf wat klompzaknbsp;krygen.
Klaagbar t.
Staan dan myn reede Lief op zulk eenloffen grond. Dolkop.
Nog eens, ik zeg niet aars als Vroumens hou de mond, K LA AG HART,
Hoe kan ik zwygen? want gy dwingt me om te fpreeken. Dolkop.
Wel Jem’nie fmodder Smoel,wat kanje aardig preeken, Zo ’t op fpringt waagt het al, de Maandag moet gevierd,nbsp;Ey J ziet eens hoe veel Volk dat gintsal heenezwierd,nbsp;En ik hier bly ven? neen : dat waar me eeuwig fchanden.nbsp;Klaaghart.
Helaas! waar zulle wy in ’t eynde nog belanden ?
De Huysheer loopt om geld, en drygt ons met bet goet Op(Iraattezetten; ach! rioggrooterarremoetnbsp;Zal ons genaak en, zoo gy u niet wil bekeeren;
Ons tluysraad is niet veel; wat zyn ook onze kleeren ? Dolkop.
Nu gy wil fpreeken van belanden, dat’s geen noot;
Kom ik in Injeniet, zookomik te Buykfloot,
’t Is myn a! ceve na.
K LA A G AR T.
Is’teevena: Öwonder!
U Maandag houwen, brengt, en houd onsmooytjes onder.
Dolkop.
Nu lullig helder op , wat meer ? ik ftai gereed.
K L A AGHA R T.
’k Hoeft niet te zeggen, wyl gy ’t zelver ook wel weet^ Dolkop.
Ik weet het, Ja, AJal zouikhetook riet weeten, Voorzéeker Kind ik zalde Maandagnietvergeeien,nbsp;Dien heerelyken dag die myn het Hart verkwikt.nbsp;Klaag HART.
En myn van honger haalt den Buyk en keel toe ftrikt. Dolkop.
Van honger, 6jou Pry ! laatafvanzooteliegen,
Ofik vang opje Kop geloof me daad’lyk vliegen:
Waar is het Geld dat ik op Ziturdag u gaf?
K L AA G H ART.
Ach Man ! twee Gulden, zeg wat mag daar veel vanaf? ’k Moeit hier en daar gelyk gy weet zoo wat betaalen.nbsp;JjiOLKOP.
Bruyvoortin huys, en legr niet aan me kop te maaien. Klaag HART
Maar Kind zoo haaftig niet, hoe toond gy u zoo gram ? Dolkop.
Ik denk nog meenfgmaa! om Roel te Sparrendam,
Die klaagden dat hy met zyn Wyfniet ftil kon keven, Maar ik, 6 Seüemeiu! kan beeter reeden geevennbsp;Ais zulk een Man,waarotL?Jaar’s immers niet een dag,nbsp;Dat ik met ujou Pry in vreede keven mag.
Klaaghart.
Dolkop.
6 Ta! Joubitzekaaken, Bnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;En
-ocr page 22-^ De B o o T E R-M A R K T,
En Roffel Tong die komt myn Kop fteeds warm maaken,
Dog ofje zingt, of blaft, palTeerterflondinhuys. Klaag hart.
Ach! zoogettouwt te zyn, dat is een droevig kruys. AGTSTE TOONEEL.nbsp;Dolkop, «//ee».
JOu regte klaag altyd,zou ik geen Maandag houwen? 6 Jabeget! hetzoumynalmeleeven rouwen,nbsp;’tiskoftelyk weer, de Zon die fchyndheel lief ennbsp;klaar.
Ik werken dezen dag, óneen! ’k hebin geen Jaar Op Maandag iets gedaan, het zoumeook niet lyken.
NEGENDE TOONEEL.
H Dolk OP, Zaviergraag.
Ou Zwierheelgraag, waarheen.!*, Z^J-IERGRAAG.
Wel befleMaat, eenskyken Ófik eén Duyf pftwee kan krygen na myn zin,
Ginds op de Booter-Mark.
Dolkop.
Hebt gy daar gading in ? Kom, ik flap wel eens mee zo*ku niet zal verveelen ,nbsp;Het is dog Maandag, ik meen voor Sinjeur tefpeelen.nbsp;Zwier GR A AG.
Wat zou men anders doen ? de Maandag is de Moer Der Zondag zo men zyt.
Dolkop.
Dat is de waarheyt Broer. ZWIERGRAAG.
Kom gaan we danjmaar zeg hoe ftond gy gift’re morgen Met bruymaartoe, de Waard gt;
Dolkop.
KL U GTS PEL. nbsp;nbsp;nbsp;i4
Dog ik had krek zo veel dat ’k hem betaalen kon? ZiriERGRAAG.
Ik zag dat Waaghals daar al meenfg Soopje won. Dolkop.
Jai hy kwam Dobbelaar al wonder mooy tefniiyten,
’t Waar yder fpel eenBom en nog twee ftuyvers buyten. ZWIERGRAAG.
Wel ZO den bruy, dat ging beget al ftyfjes aan;
Zeg, wilje daad’lyk meé eens in het Ootje gaan ?
Tc Wil zien of ik daar ook een moye Doos kan koopen. Dolkop.
Welja, maar laat ons eerfl: by Duyvemelker loopen , Die ging zoo even met veel Day ven ineen Mantnbsp;Myn deur voorby.
ZwiF-RGRAAG.
6 Goón! dat ’s byme Zoole trant Wanthy is heel feviel, ik mag wel met hem hand’len.nbsp;ZviERGRAA®, e» Dolkop, komen denbsp;Baoter-Markt.
Dolkop.
Kykjis dat Ligthart niet die gints alleen loopt wand’len? ZwiERGR AAG.
Wel neen het malle Gek, ’t is Vlugaard.
Dolkop.
ó Verbruyt!
Dangeefik hem terftond wat flaagen opzjnhuyd.
^^WIERGRA AG.
Sagt, hy loopt in de Kroeg,
Dolkop.
Die gek van alle gekken,' Die volg ik, want ik wil, en zal hem voort betrekkennbsp;Voor laaft, gy weet het wel, toen hy myn Glaasje brak,
Wel weetik dat niet.
Dolkop,
Kom, ikzaleenPypTabak Op ftseken, ep terftondeen Borrel Kommandeeren.
C 2, nbsp;nbsp;nbsp;Zwierf
-ocr page 24-|0 De B o o T E R-M A R K T,
ZviERGRAAG,
Ik komjedaad’lyk by.
Dolkop.
Goet, goet, heel goet.
, T I E N D E T O O N E E L.
Z W E T Z E R. de Kwakzalver met veel Menfche om hem. Spot BOEF.
Z WET ZEE. VJyHeeren, En braaveBorgers, weet, ziet hier eene Mannbsp;Die doorPratyk, en Konll veel kwaaien helpen kan,nbsp;Wat heb rit meenig Land docrryllom op de Trappennbsp;(Met vlyd te komen) van opregte wetenfchsppen;
Wat Boeken hebik niet dootleezcn dien ik zag Datdienüig.waarevooreen Loéter j jaik magnbsp;Met regt wel zeggen, dat geen Menlch een kwaal kannbsp;noemen
Dieik niethelpekan, daardurfik vry op roemen,
*kTart Hipocrates, ookGalenus; ja, ik ben Zoodooren wecrgeleerd,dat’k naauw mynzelveken.nbsp;Dat tuygt Weftphalen, daar een Meysje niet kon rullennbsp;VanTantpyn, wyl de Hoof veel holle Kiezenbrullen,nbsp;Ik hu'phaargaauwer, als een Vogel vliegen zounbsp;Hier van de Booter Mark tot aan het Dorp Abkou ;nbsp;Heb ik in Vinlapd niet een Knevel die zyn handennbsp;In kodkendeQlykwam heel deerelyk te branden.
Ja dat een yder riep hy is zyn Winders k wyt,
Myn Balzem hulp de Man in twaalcf uuren tyd;
’k weet ook niet dat’er ooyt nlyn weergS is gevonden; DiemetdeGeeling zyn gequeltgeef ik vyfpondennbsp;Kandyllroop in het Lyf, en voor een kwaade beknbsp;Slaan ik de Zieken met een Koevoet in de Nek;
Zoo ymand niet wel ziet , ik zal hem voort geneezen ’ Met Sant inzyngezigt, opdat hy blind magweezen,nbsp;En vT)or een groote mond neem ik een bundel V las,
Dat moet ’erin gepropt als of het Potaard was,
Die
fpruyten,
Epalte naauw van Keel, ’twelk niet als kwaat doed
-ocr page 25-Die geef ik Pillen in zoo groot als Scheeps Befchnyten, En is de Slokdarm van de Vent te drommels lang ,
Zoo moet hy byten op de Lippen van me Tang; Enzoozyn Leveren zyn Long aan een gegroeydzyn, =nbsp;Zo moet het linker Oor hem van zyn kop gefnoeyt zyn;nbsp;En die niet eeten kan, ’t zy dat de Maag hem k weid.nbsp;Die help ik voort; trée by , het koll hier niemand geld;nbsp;Klifteeren kan ik roem , al waar het in het donker,nbsp;Klifteeren nog een maal, voor een benaaude Jonkernbsp;Geleegen aan ’t Coiyk, ha! Jopenbier met Stroopnbsp;Dog twintig ming’len maar, ofeene Roodeloopnbsp;Is Meefter van de Man» ja hy zal ’t zoete leeven,
Al drukkende op ’t Sekreet wel haall ten belle geeven, En dat waarbymekeel myn alme leeven leet;nbsp;Dogeenediezynzelv’ aan Spek te barden eetnbsp;Die help ik niet; 6 neen! dat moet gy lieden weeten,nbsp;Want zulk een Man is Dood , en moet in ’t grafnbsp;gefmeeten,
Een die zyn zelv’ verhangt die geef ik meé geen raat, Veel minder eene die zyn zelv’de Kop ol'flaat;
En zozig ymandfnyd ik kan het bloedeftelpen;
Van Podegra en Jigt zal ik udryvend helpen;
De derdendaagfche Koorts, een eerelooze plaag Daar weet ik raat voor; Ja, heb ik niet in den Haag,nbsp;Een Vrouw die twee Jaar lang had aan de KoorCenbsp;geloopen
Geholpen in een uur, fa vrinden wil wat koopen;
De Brief die geef ik voor drie ftuy vers nog van daag Voor oVerloop van Gal, en voor een vuylc Maag;
Ik heb ook Balzem, roem vpor alderhande wonden, Zo goetals iihmer heeft een Meeller uytgevonden;
’k Heb een Tinöuur voor die met Hooftpyn zyft gebtuyd;
Ik heb ook Borgers van het bede Worrem Kruyt;
Wat Menfch zou ongezond dan gaare willen leeven ?
S p o T B o i. F.
Hoe, VVormkruytmyu Heer, wat moet ik daar voor geeven ?nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;B 3nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;2 w k t.
-ocr page 26-‘Z'w^TZ'e.K.
Twee ftuyvers goede vrind geef ik een vol Ie doos. Spotboef.
Enis’tProbatum, ofnietgoet?
ZWETZER.
Dat waar te boos
Van myn verzonnen, zo ik ymand kwam bedriegen. Spotboef.
Voorzeker zegje dat, gy kunt thans wonder liegen.
Z E T z E R.
Koopt gy maar flegts een Doos, en zo ik Loogens zeg. Slaat myn zo’k weêrkomvry metftokkenjneen, ik legnbsp;Mynzaaken zo niet aan om ymand te bedotten.
Spotboef.
Wel nou verkoop dan vee!.
ZWETZER.
Hoe.' komjemynbefpotten? Zeg Stultus, laat me flegts maar fpreeken met de geennbsp;Diemyngelooven; wie een hand, een arm, of beennbsp;Uyt’t Lit is kan zig aan myn HuysmaaraddrelTeeien;
*k Woon in de Wolvegang, daar twee vergulde Leaen Uythangen; dog ofik met alle vlyd en kragtnbsp;Mynaanfprakdoè, ik zie het werd niet veel geagt;
Nu, wil’er ymand nog een Doosje goede vrinden? Aanftaande Maandag zult gy myn eerft weeder vinden.nbsp;Spotboef.
Jagajou regte Nar, dat fnöeve geld hier niet.
Crediet, Spotboef.
HCrediet.
Oe Spotboef! vind ik u?
Spotboef.
Jabefle maat Crediet, Wat zou men anders doen als meê eens Maandagnbsp;houwen,
klugtspel: nbsp;nbsp;nbsp;*3
Hier kan nieuwsgierigheyt haar Throon en Zeetel bouwen,
Hier is maar all’s het geen een Menfch behaagen kan; Ey wagteen wynig , ik moeteensjes by Klyn Jannbsp;Gaan loopen, en hem na een zeeker Liedje vraageq.nbsp;Cr E Dl E T.
Ho! ho! gy noemt niet of hy heeft het in zynWaagen.
S POTBOEF.
Dat ’s waar, maar dit heeft nog niet lang in ’t ligt geweeft.
C REDIET.
Gy krygt het voqrt, 2ogy hem wat te vooren leeft; Wat zoekje voor een Deun ?
Spotboef,
, een Gek in Folio. Gr EDI ET.
Van ha! ziezo
Ey, dat ze nu 20 zingen,
Wat’e dingen,
Dat heb ik in myn zak, daar is het geeftig Lied,
Ik geef het u myn Vrind.
Spotboef.
Ik dankje maat Crediet. Crediet
Wat danken is’er aan,maar houldaar komt myn Omen, Die is giüreavond hiervan Frieflandaangekoomeu,
En heeft nog nooyt gezien, hoe 't hier op Maandag gaat. Spotboef.
Wie is het?
Crediet.
Diedaar ginds by Duyvemelker ftaat,
Hy fprak giftreavond om van daag met myn te kuyeren, Spotboef.
Wel fpreekjehem niet aan ?
Crediet.
Hoe! zou ik dat verluyeren, ÓNeenmyngoedevrind.’ datisdemeeningniet.
Ik meen van daag by hem te keven op Crediet.
B 4 nbsp;nbsp;nbsp;S P o X*
-ocr page 28-aï De B O O T E R-M A R K T,
Spot BOE F.
C R E D I E T
Jou ook ZO van ’sgelyken.
TWAALFDE TOONEEL,
Crediet, Vroom HART.
GCredie T.
Oê Morgen Oomen.
Vroomhart
Hoe! ik kwsm al ra je kyken • Wylgy giftreavondzey om hier de klokke tiennbsp;Te kpomen by elkaar.
Cr ET» IET.
Nu kunt gv eensbelieii
Hoe’t Iifer op Maandag tjaat, ik xa! na myt; vermogen TJ zoveelalsik kan het alles gaan verioogen :
Voor eerft zo vind gy hier van alderhar.de goed ,
Van Kaas, en Bonter aisgy xiet in overvloed .
Ook Hoenders, Duyven . e» al veel lerleye Honden, En Voogels , wat je wil ofdenkt w erd hier gevondeo;nbsp;Daar (laat een Kwak die helpt al veeUieilev gebrek ;nbsp;Gints loopt een Smous die roept niet anders als zo leknbsp;Augurkjes voor een duyt; die doer z\ n wadcl nopennbsp;Wyl hv met fchreeuwedenkt zyn App’len te verkopen;nbsp;Daarftaatdegoetheytzelf, dieroeptookov“tUiytnbsp;Acht Moirden met Eek die geef ik voor een Duvt tnbsp;Daar zieje wéér een Sial met Kammen , MtlFen,nbsp;Schaaren,
Spelden, Naalden, en haart allekleur v,in Gaaren , Doozen, Gefpis, Lak, Memory Boekjes, ennbsp;Veel and’re dingen meer die ik niet noemen ken ;
D(tar weer een Stal of twee mctHamets, öooren,Bvlenj Schaaven, Faffets, en vexfcheyde fooit van Vylen ,nbsp;Dok Schroeven, ouwt en nieuwt, en by de Winterdag,nbsp;Zo zyn hier Schaatzen groot en kleyn van alle flag;
Daar hebjelweêr een Stal met alderhande Boeken;
Daar weêr een Kramery voor die out Yzer zoeken, Van Hengzels, Spykers,ennogmeer van zulk een tuygjnbsp;Daar ftaat ’er een die ligt al meenig van de huyg ,
Hy roept hier i deTol, fa lullig wilt beginnen,
Zet op maar vyf voor een; die moet het kosje winnen Met Kruyenalsgy ziet indien iets werd verkogtnbsp;Dat door de Man werd op zy n Waagcn thuysgebrogt:nbsp;Daarziet gy Vrouwluy , kykzedtaageftyveKuyven,nbsp;En zoeken ihet hun twee, geloofmeookna Dnyvpn,nbsp;Isdat nu Koopmanfchap voor Vroutjes? neenbeget,nbsp;Dat vind ik kwaal, het paft de Mannen eens zo net;nbsp;Die ftaat met Snuyfiabak, ha! dat zyn goede zaken,nbsp;Voor lieden die hun neus graag aan het kitt’le maken,nbsp;De Waéreld is zo groot dat weet me lieve Oom,
Maar oi,ze Booter-Vlark dat'seen bevrugteboom; Daar loopt ’er een wiens kop te deerei, k op hol is,
Hy valt, vermits hy braafbeftooven en ook vol is;
Hy vierd deBooter-Mark, en’i is om dat de Man In ’tafzyn van zyn Vrouw dan beeter drinken kan;
Een ander draagd de naam hy zal hier iets gaan zoeken , Et) komt vyn Wyfje Liefdoor Loogentaal te doeken.nbsp;Want alles wathy zoekt dat is terftondeen plaatsnbsp;Daar Monlieur Hof|. is vraagt wat zal ik tappen Baas?nbsp;Ginds fchreeuwdeen Vtouwmenfeh m«, wiekooptnbsp;’er nog een Kantje,
Dit ’s Traly werk , en ait is weer een Muyfeiantje;
De Pofferhuysjes, ó! dat’s nu nog nimmer mis,
Die rtaan hier s’Maandags Oom alsof het Kermis is; Dr Zoetemelks Thee, die ginder wetd gedronken,nbsp;Die werd diie kopjes vooreen Oortje toe gefchonken;nbsp;Ja wat de tyd ons geeft van Harde ft 'k ken, Sprot,nbsp;Sienaatjes, Groentjes, Schol, ook Scharre,Rtyftebot,nbsp;Druy ven, Peereu, ook Zoei-Huy voor die verbuyft is.nbsp;Of dat zyn Beuts den dag te vooren braaf gelu yft is,
Zo drinkt hy voor een duyt; ook ziet gy klaarlyk aan Veel Herrebergen die voor ydet open ftaan;
^6 De B O O T E R.M A R K t;
Daar gaat het s’Maandags bloet! kom drinken wj nietpoover.
Zwelg aan den bray, al blyft geen halve ffuyver over. Daar fpeeld men op de Kaart, daar klapt men metnbsp;de fchyf.
Dees die verfpeeld fomtydsde kleeren vanzynlyf, Dees roemd halffchief, enzeyt, hy’s Meeftcr inhetnbsp;fpeelen,
Daatziet m’er weder twee die raaken aan ’t krakcelen, invatten onverziens elkander by de kuyf,
Pees roept wie koopt een Hond, die weêr wie koopt een Duyf;
Daar (laat ’er een die roept dat zyn eerft fchtik van Hoenders,
Ze leggen Eyeren al zo groot als platte Boenders,
Dees hold, en maakt zyn Baas een party Jogenswys, En houd de Booter-Mark vaft voor zyn Paradys inbsp;Een ander wederom, zo hy ditfpel niet aanzag ,
Zou denken dezen dag en is beget geen Maandag;
Een darde Sukkel komt flegis om zyn Koopmanfchap, Al blyft ’er eenszo veel vervloogen in deSjap:nbsp;él Dat werd s’Maandags noyt van zulkelicn gerekand,nbsp;Detshoud van drinken zo lang als deHofpis teekeiid,nbsp;Maar werd ’er dan gezeyt dit’s u verteerd gelag,
Dan vloekt men, raait men, dat geen drommel helpen mag;
Ja ’t is dan ofzoo’n Vent de w inden in zyn kop heeft,
En fcheld, en tierd, tot dat de Waard hem braaf wat klop geeft;
Een aar in tegendeel die komt hier met fatzoen ,
Om zonder inoot bedrog een weynig wind te doen,
Én zwoegt, en loopt, en draaft, en wil voor’t kosje zweeten,
Daar zulke eerft genoemt hun eer en pligt vergeeten, ^ En koomen niet om winft, maar tot hun eygen fchaa,nbsp;De weelde lokt hun uy t, de armoed volgtze na,nbsp;Kortom, gclykgyziet, hier is een groot gewemel.
Vroom-
-ocr page 31-VROQMaARI.
Ik fta beget en kyk als Steeve naden Hemel,
En weet nietwaar ik dit by vergelykeniaU Credist.
Geen Kermis, nog veel min de befte Karnaval (weni, Haald by ons Booter-Mark die wy pp Maandag hoa*nbsp;Vroomhart.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(wen,
Ik loofden ’t noyt, zoo ik het niet kwam aan te fchou-Ik kyk mynOogenuyt, dat is zoo waarlyk waar,
’k Zie meer op deezen dag, als ik in t wintigjaar In Frieflund heb gezien.
Credie T.
Ja Oom, ’t is wel wat waardig Voordie het nimmer zag.
V R OOM R T
Voormyn, ik vind het aardig. En ï«r vermaakelyk; maat ’k loof dat meenig kwant,nbsp;Om dit gedoente wel raakt na het Aape Land,
Want die graag Maandag houd, en moet van ’t werke keven,
Die werd haaft kaal, en dan geloof ik aangedreeven Tot’tfteelen; ofzoniet, hy moet het Zeegat uyt.nbsp;Crediet.
Het beurd al dat ’er zulks wel op de Ribben ftuyt; ik kander wel,ha bloedlzou men op Maandag werken,nbsp;Neen, nadeBooter-Mark.
Vroomhart.
Ze ziene dat hun vlerken Niet korten door dat doen, dog eens dat breekt geennbsp;wet,
Zoo men de zinnen daar niet al te vaft op zet,
Want dan zoo is’er niet veel voordeel intewagten. Crediet.
Maar Oom; wie fmeed een zaak zo wel in zyngedagtea Dathydieplaagtnmyd?
Vroomhart.
6Dat kan wel gefchiên, Gaat
-ocr page 32-De B O OTERMARKT,
Gaat om het Jaar maar eensde Booter-Mark bezien; Dog ’tis heel anders voor een Menfch die daar moetnbsp;weezen,
Om Koopmanfchap te doen tot zyn profyi, als dezen Daar wy van fpreeken, want den een werd ry k, den aSrnbsp;Werd door zyn dwaas bedryf, in ’t eynd een Bedelaar.nbsp;C R E DI F. T.
Of airs een Bamboes, die het werken is vergeeten; Voor myn, ik durfze niet als luye reekelsheeten inbsp;Ja die zyn zelven brengt in ’t droevigde gevaar.nbsp;Vroomhart.
Maar Neefje, wat al Volk (laat ginter by elkair?
Ey kyk, den een den aar eens on verftandig dringen.
C RE DIET.
6! ’k Loof daar zal me weer het een of ’i ander zingen. Vroomhart.
Wat zegje Neef Crediet ? wel aan dat moet ik zien, Op dat ik alles weet wat hier al mag gefchién.
DARTIENDE TOONEEL.
Rot KEET, É'ew Liedzinfger wet veel Menfche» om hem (laattden, waar Vroomhart ettnbsp;Crediet by komt,
Rotkeel.
IK zal de Vi inden nu een Deuntje laatehooren,
't Welk u vermaakelyk zal klinken in de (!)oren,
Ja’t is wat zoets, wat raars, en krekjes op de maat; Geeft acht den brny terwy 1 het op een zingen gaat,
Al is myn Keel wat flegt dat zal de koop niet breeken, Zo ik maar maak dat ’k in me reeden niet blyf rteeken.
R o T K E E r. zi»gt, Voys: Ha ba, zie zoo.
1.
HOort al wie Smeandags wil^
Eens gaaren op den tril.
Maak dat u beurs geen Echoo's Jlaat,
Die
-ocr page 33-Die na de Booter -Mark toe gaat JVant daar, want daar,
Is alderhandc waar.
1. quot;Ja watme denke kan Voor Vryjiers, Vrouw en Man,
Voor Vryers, Jongens, e» voor Kind^
Men daar veel fraaye dingen vind Gewis, gewis,
Wanneer het Maandag is.
3. Geen Kermis in het Veen,
Heeft meer vermaaklykheên,
Hier looptme, kooptme, fieeltsne, en Hog meer dat ik niet noeme ken ,
Gewis, gewis.
Wanneer het Maandag is.
4 Hoe meenig vlugge Bol Speeld hier ten raare rol,
Die koopt een Hond, en die een Kat,
De darde» houd hem hy het nat.
Heel braaf, heel braaf.
Leeft elk gelyk een Graaf.
y De Duyvemelkers ha!
Ziet gy in Folio,
Daar meenig een werd door verlyd,
Fn dan zyn lot te laat befchryd.
En moet, en moet,
Ha Inje zonder goet.
6 Een ander fmeert en teerd.
Tot dat het jpel verkeerd.
Het Maandag houwe baard verdriet,
Een kaale Beurs, en anders niet.
En dan, en dan
Gaat eerfi het klaagen an.
Hy fpreekt.
Nu Vrinden blieft ’er ook y mand gediend te weetea, ktiebLiieijes waardig om te lingen ofte keien,
Elk op een zoete VóySi ’k heboók het raar geval Van Julfus Flodder broek, die in de Paarde Stalnbsp;Na Kievids Eyren zogt, en diergelyke dingen,nbsp;Plyzierig om in een gezeïfchap op te zingen,
’k Heb van de Brille Man, hoe koopt ’er niemand niet?
Graaqnabuyt, outjleeld Vroomhart Z,sn beurs, en f^reekt tegen GlüïPAARI).
Kom gaan we maat eer dat ons ymand hier verfpiet Ik heb den Aap al weg.
GlOYPA ARU.
öHeerelykeZaaken
Die in zoo’fi korten tyd zyn avontuur kan maaken,
G R A A GN AB U y T.
Dat ’s vaft gt; ik hebde kiuyt al zitten in me Broek. Glüypaard.
Kom loopen wy dif om, regt na de Duy veis hoek.
R o T K E E L.
Nu Vrinde nóg een maal, blieft niemand wat te kopen, Dan is het beft dat ik üegts op een air gaan loopen,nbsp;Daar beter Volk »Is hier myn zoete Zang bekoord.nbsp;Vroomhart.
Geeft myn ’er eentje Vrind van ’t geen ik heb gehoord. R o T K E E L.
’t Zyn Lietjesnóyt gehoord, dat zweer ik byme kuyien.
Vroomhart.
Hoe veel geeft gy ’er een ?
R o T K E E L.
Het paartjeisdrieduyten, Dan is^er by van een die op een halver» dagnbsp;Tweeming’leh Brindewynkon Suypen.
V R o o M H a R T.
Wel ik lag;
Maar hoe! wat ’s dit? ó Ramp! daar ben ik by me zooien Myn koftelyke Geld hier uyt me Sak geftoolen.nbsp;Cre£)iet.
WatzcgjtOotn?' nbsp;nbsp;nbsp;Vröo.m»
-ocr page 35-3fï'
VaeoMHAR t.
Ik zeg myn geld is op een hond, CREDt ET,
Ey voel -ter deegen of gy het ook ergen s vond Vroomhart, %’oeldinzynzakkénnbsp;6 Neen! ikbenhetkwyt, en heb geen oorije over.nbsp;Crsdiet.
De drommel haald den dief.
Vröomhart.
Dat Haat me waarlyk pover, Ach.' dat ik wift wie myn dees kool gebakken had,
’k Zweer byme Frieflè Muts ik zat hem na het gat,
En kreeg ik hem, hy kwam niet ligt weêr uyt myn kluy» Cr E Diet,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(ven.
Zoo vliegt een Havik Oom wel meer ecns onder Duy-Vroomhart. nbsp;nbsp;nbsp;(ven.
Ik lach om Duy ven, en om Havik, ]a ik lach Ook met deBooter-Mark. myn Geld, helaas! achlach’nbsp;Zoo’n eer vergeeten Dief die myn dat heeft ontdragen,nbsp;Vergunik in het kort nie meer als oeege flaagca,
En dan op ’t Galge Veld gekcetent op een Rat,
Myn Geld teüeelen, foey zoo’n onbefchaamdc Plat, Cr EDI ET,
Och! dat beurd hier zoo veel.
VrooMhart.
’k Vloek waarlyk opmezelven; De klok floeg tien doe’k kwam,ennuis’tdigt by elven.nbsp;En ik ben in dat uur ruym iwaalef Gulden kwyt.
G R F. D 1E t.
Wat Zegje twee pond groot ?
V ROOM H ART.
Ach Neefje Lief! de fpyt Is grooter als het geld,dog elk dié moeyd zyn fchaaden.nbsp;Crediet.
’k Wou zulk een Dief wel graag zien hangen, Villen, llraaden,
JakopaffnydcH, dichemdaar w mcêgefleerd.
Vroom*
-ocr page 36-DeesMaandag heeft aan myn voor eer ft lo veeJ geleert, Dat’k opeenaander tyd voorïigtigeraalweezen.
Cr EDIET.
Oom hebjehetPraöyk der Dieven noytgeleezen ?
V ROOMHART,
Wat xveet ik van Praftvk, of pompftok, ik ben hier Gekoomen als gy weet, niet airs als uyt Plyfier,
Maar wynigdagt ik dat het mynioopzoubreeken, öBooter-Mark ! ikhebvoorcerftal welgekeeken ,nbsp;HoeDtoeskopkoomik thuys? dat weet ik zeker niet.nbsp;Credie T.
WelOomgy hebt by myn nog wel zo veel Crediet, Dat ik je zo veel geef dat gy naHuvs kunt koomen ,
V nbsp;nbsp;nbsp;B oo MHA R T.
Ik dankje thans vooreerft.
C RE PIET.
Het zyn myn pligte Oomen, Gy kunt maar ïeggen wat dar gy van nooden heeft,
’k Zal maken dat myn Vrouw het daad’lyk aan u geeft.
V nbsp;nbsp;nbsp;ROOMHART.
Ach Neef! ik ben zo kwaat, ik kan het u niet zeggen, Ik meende met dai geld myn reysmooy af te leggen,
En iuyll zo kom ik hier zoodeerclyktepal.
Crediet.
Zekrygenhier wel meereen vrttempjein de val. Vroomhart.
Had ik het maar gevoeld, denk vry dien fnoden Rolder, Had van deesvuyften braaf wa; op zyn Dievekoldernbsp;Gekreegen voor het geld.
Crediet.
Het waar flegts loon geweeft, Hoeweeleen Gaauwediefheel min voor flaagen vreeft.nbsp;Vroomhart.
Is dit de Booter-Mark ? die ik zo hoorde roemen, Voor myn ik mag het regt een Dieve-Mark gaannbsp;noemen.
Cr £-
-ocr page 37-K L Ü G t S P E Li nbsp;nbsp;nbsp;$§
Ce EP IET. Zoet, niettehaaHigOom.
V R o OMHART. Noemt gy het haaftïgheyt ? Daar ik, 6 ramp.' vaftbenmyniwaalefgolden kwyt jnbsp;Voor eens dat ik hier kom,wel ’t is niet om te dulden ,nbsp;Mynkoftelykegeld, ach ! ach! myntwalefgulden.nbsp;G REP IET.
Het baat ïeer ^eynig Oom dat gy ’er óver kiaagd,
Den dief is dog al voort die daar zyn roem op draagt*
V ROOMH ART.
Ja wel ik i«g als nóg het zy ne flegte zaaken ^
Dat men een Vreemdeling zo dryvend weet tekraken.' C REP IET.
Ze lien alleenig na geen Vreemdelingen, neen t
Vr o OM II ART.
Hetisio’tis, ik ben depasmooy afgefneén, (ren, En vail myn geldjekwyt,hoewel een menfdi ffloet lee-Dogwidikwienhet myn gebakken had,’k wilfwereilnbsp;Dees vuyften hielen op zyn kop eens Sinter Klaas;nbsp;Maat Neefje hou! wat wil dien eereloozen dwaasnbsp;Daar met lyn bloote Mes ?
G R E PIE T. Daar lal het meé niet lukken ^ Die knevel naikziedieheeftalraarenukken.
VEERTIENDE TOONEEL.
D olKop werd van Bruymaartoe etyf zy» huysgeflodten lt; waair ophyzyn Mes trekt en werd va»nbsp;ZwiERGRAAG Vafigehouwen, Vroomhartnbsp;en Creviet ter zy den, VlAtGRA-RX indedetsr,nbsp;Brüymaartoe.
WEg ecrelooze Boef terltond ten huyien uyt,
Zoo niet, ik legje voort een Janbroer opjehuyt. Dolkop
Hy komt maar voor den dag, ik zal heiïi dat betaalen j En deze Schager knieft dwars door zyn Bakkis haaien jnbsp;tVat meentzoo’n luyze Bos dat ik heiduldezal jnbsp;Neen by me Zooien niet, dien regten hallef mal,
Nog eens , hy komt’er uyt.
V L ü G A AR p, Wel Man, ikiöüjetandeö, Gnbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Ert
-ocr page 38-Dc B o o T E RM A R K T,
En houwen opje kop eens Kermis met me banden, Dogikben wyter alste vegten met zoo’n knaapnbsp;pie nergens om en geeft.
Dolkop. ]e bent een regte Aap , Een Gek in Folio, een Bloohart zonderzinnen,
Nog eens,kom hier,komhier,of anders kom ik binnen» Zoo zal ik Glaazen en maar al den Santen kraamnbsp;Aan ftukken bruyen; foey, dat ik me niet en fchaam,nbsp;Jou ondeugd alsje bent, myn zoo te afronteeran,nbsp;ö ! Dat vergeet ik nooyt dat wil ik u wel zweeren.nbsp;ZWIERGRAAG-
Hou Dolkop niet te grof, wat henkcr wilje doen ? Dolkop
*k Wilfnyen, fteekeiu Jadatzweerikbymefthoên. ZwiERG. VVceswyzer, enbedaar'.
Dolkop. nbsp;nbsp;nbsp;Wat praatje van bedaaren,
Eerfl moet dit entje Staal hem door de Ribben vaaren.
Z 1E R G R A A G.
Ik zeg fleek öp het Mes eer ’t fpel niet wel vergaat. Dolkop.
Wat Mesnpfteeken, ik ben alseen fpin zoo kwaat. ZwiERG. Ik loofgelyk gy zegt.
Dolkop. nbsp;nbsp;nbsp;Hoezoekjemyn te foppen,
Dan zal ik jou voor hem eens helder of gaan kloppen. ZviERG, Zofchiclyk nietalzagt.
Dolkop Ik zweerby Julfis Kat, Krygik dien Vleegel, Goóii! ik zal hem al zo platnbsp;Gelyk als Stokvis flaan die zeevenmaal gebeukt is.
BRU YM aartoe.
Wel rékel,fchoon myn vel door ouderdom gekreuktis, Ik zweer, koomik’eruyt, gy treft een Ikgten dag.nbsp;Dolkop.
Kom hier,’k zal tdnenwatmynhandecn mes vermag.
Vlug.AARD, tege» Bruymaartoe.
Ey laat ’er my eens uy t.
Bruy.maartoe.
Weglaat de kwibus loopen, Hy weetniet wat hy doet, hy heeft hem vol gezoopen.
V ROOM*
-ocr page 39-Sf
VROOMHART, nbsp;nbsp;nbsp;C R E D I ET.
Ach Neef! ik loof dit fpel dat ial niet wel vergaan.
Dolkop, te^ev Bruymaartoe.
Van Dronkaars ouwe Gek daar moetje van beftaan.
C R F D I E T , fege» V ROOMHART.
Dees dolle knevel is te vinnig in de kaaken.
Vroomhart.
Ut ïie altoos hy kan een drommels leeven maaken.
Bruymaartoe, uge» Dolkop.
Ik zeg nogeens vertrek, of Janbroer diefpeelt meê. Dolkop.
Ho! hol een goetMairoos'ontxiet geen holle Zee, Veel min een braaf Soldaat het ftuyven van de vonken?nbsp;Bruymaartoï.
Ik telje reeden niet, waarom? je bent te dronken. Dolkop,
Ja dror ke ben ik , kyk fttak val ik na om hoog, Gelykikaris, dienalugt en wolken vloog.
Bruymaartoe.
Dat hebje krek geradn, het kon ook wel gefchieden» Do.gzak maar zoetjes af.
Dolkop. Cy kunt me niet verbieden , Ik ftai hier op de Straat, en die’s voor yder vry.
ZvriER GRAAG,
Ik bid ten and’remaal (teek ’t Mes dog in defchey, Dor. K O p, (leekt zyn Mes op.
Dat doen ik graag, maar ’k wou met Vlugaard wel eens Vlugaari).nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;('preeken.
’kWil met een nar als gy myn harflens niet eens bréken. Dolkop. Wat zegje daar een Nar.
Vlugaari). ója! wat ben je meet Als een verzoopen bloed, een Dol kop zonder eer ?nbsp;Dolkop.
En gy een Schobbejak , die immer alledaagen Zo dronken als een beeft , loopt met de Mf flTelwagen.’nbsp;En fpuugt,en maalt,en va!t,en breekt haalt hals en been.nbsp;y L U G A A R u. En gy fpeeld voor Sinjeur.
Dolkop. AJa!dai’svaft, metre^n, G znbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Het
-ocr page 40-36 De B, O DTE R-M A R K T,
Het ftaat mfH mooy.
V L u G A A R D. }a zon het u niet paiTen,
Dat brengt ’er menig daar de KJapperboomen waflên. Dolkop
’k Wou dat ik daar al was, maar gy zult denkter aan, Voor Slothout, Bokkepbot, myn nog te vooreo gaaD,nbsp;Ofligt voor Pluymgraaf, om de PronkzagJ-fchoon tenbsp;Van Varkensdteken meer.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;(houwen
V LUGAARD. Wel Mantje ik moet jouwen, Je weet niet wat jezegt.
Dolkop ó Neen! ik ben te zat, Maargy niet minder vol g*eiaaden van het nat,nbsp;Hoewel’t is Mandag, die zal gy dog niet vetgeeten.
V nbsp;nbsp;nbsp;roomhart
Ja wel ik lach , wat werd elkair niet al ver weeten.
V nbsp;nbsp;nbsp;LU GA A RD.
Ik eer de Maandag, ja, maar gy fpeeld meê niet min. Dolkop.
Ey komeens voorden dag, jou regte puyftekin.
V LU gaar». Wel druyve Neus.
B R u y M A A R T o E, te^é» V l U G A A ».
Ik zeg, indienje meer wil kyven, Zo doog ik langer niet, dat gy in buys zal bly ven,
V nbsp;nbsp;nbsp;L u G A A R ».
Ik ftel me dan geruft, en fpreek hem geen rneer an. Dolkop.
Kyk uyt beget! dat is een zeer gehoorzaam man. Bruymaaktoe.
Hoor Dolkop, ik verzoek leg hier geen meer te maleq. Dolkop.
Hadieu Heer Bruymaattoe.
VY F TIENDE TOONEEL.
ZwiERGRAAG, DoLKOP, VrOOMHART, Credi ET, Spotboef, Klaaghart.
ZwiERGRAAG.
WAar mrenje heen te dwaalen?
Dol-
-ocr page 41-Dolkop,
Welhiet en daar nog eens bekyken hoe het gaat,
^\iquot;lERGRAA6
Is dat je Vrouw niet die daar ginds by Spoiboef Haat ? '¦ Dolkop.
Ja by me zooien, wat zal hier dat Vrouwmens maken?
Spotboef, Dolkop ziende.
Ha! ’kziedaarisjeMao.
Dolkop.
Hofnaak van alle fna^ent Klaaghart.
Maar Man is ’t nog geen tyd om meê na huys te gaan ? Dolkop,
Wie droeskop roept je hier flukszegik hier vaadaaO} Ik ben in Itaat genoeg het huys alleen te vinden;
Nog eens gaat heen, ik blyf by deeze goede vrinden. KlAAGHART.
Ach Kind! daar ’s ymand die je noodig fpreken moet.
Dolkop,
Ik komjedaadelyk by.
Klaaghart.
NOU Spotboef zyt gegroet,
Gy ookZwiergraag.
Spotboef.
Jouookzo.
Dolkop, roepzynf^rouwna.
Aanmyn tevraagea
Om mee na huys te gaan dat kan me niet behaagen j Verliaajedat wel Wyf? ik lach met u bedrog.
Klaaghart, weerom koomende. ’kBedriegjeniet, óneen! ey kind geloof me dog.
Dat ymand na jewagt, en wil je graag eens fpreeken,’ Dolkop
Ik heb de Booter-Mark nog naauw’lyks rontgekeeken, Dog daarom niet te min, ik volgje zyt te yreên.
K L AA CHART.
Wel nuikyvagtjedan.
-ocr page 42-38 De B O O T E R-M A R K T,
Z E 5 T I E N’ D E T O O N E E L:
Do LKOP» ZVIERGRAAG, VrOOMHART, Ceediet.
Dolkop.
Aar gaat myn SlooQe heen. Ztiergraag,
Gy hebt een goede Vrouw na ’k merk.
Dolkop. 61 Dat moeft weeten, ’k Ben nog log 70 ik begin, gelyk ik waar voor deezen,nbsp;De Man moet Voogt zyn, of het werk dat is vcrbrnyt,nbsp;En daar het anders gaat daar ziet het flegtjes uyt.nbsp;Spotboef.
Gy bent een raare ziel, envolgtu Vaadets (lappen i Dolkop.
Al kwam ik by mekeei by Vinnen, en by Lappen, ByRuflèn, daar ik nonytmyn VVyfhad in ’tgezigt,
Ik prys haar, zy betoond aan myn haar VrouwspÜgt. Spotboef.
Wel nou, dan moetje haar ook wat gehoorzaam bly ven. Dolkop,
Ik zeg als nog, ik heb de roem van alle wyven;
Ja hoor maar eens hoe d|it myn zoete ziel bellaar ( z’Isluy, en lekker, en heel gaaren opdeftraat,
En werken kan ze niet, veel minder kanzekooken. Spotboef.
Albraavegaaven, en wel waardig van gefprooken; Dogluy, en lekker, ey ! wiltdatmaar overflaan.nbsp;Dolkop.
Ze wil te s’Avonds graag wat vroeg na bet toe gaan, Ens’Morgenskanik haar weêr overbuys niet krygen.nbsp;Hoewel ik weet dat is gemeen de V touwtjes eygen.nbsp;Spotboef.
Wel als je s’Maandag praat van Bootermarlce ?
Dolkop. nbsp;nbsp;nbsp;6.'
Daarbenikmecgebruft, waarom? zelythetneó.
Dog
-ocr page 43-Dog ik, ik lach’er meê, en laat Fiolen ïorregen.
SpOTBOE F.
Met regt, al zyn we kaal, de Hofpis wil wel borregen. Dolkop.
Maar Spotboef, wyl we hier nog by elkander zyn;
Zeg eens, hoe (laat het al met korte Baldewyn DeKIompemaaker? ishy nog aan’t Duyven koopen ?nbsp;Spotboef.
6 Praatje van die Gek! zyn goed is al verzoopen,
Hy wilna Inje toe, al waar het voor Soldaat. Dolkop.
Dat Mantjeby m«keel waaraltyd by de ftraat,
Hy hiel ook wonderveel van zuypen, envan vreeten. Spotboef.
Ligtloopcr zonder geld w ierd hy gemeen geheeten, Maar evenwel hy kon nooyt regens myn tellaan.nbsp;Dolkop.
Het bellen dat hy kon waar kreup’le Waarden Haan. Spotboef.
Hy waar nogtans gezien by veel voornaamc Heeren. Dolkop.
Dat ’s waar, maar Bredro leerd; en zyt het kan verkeren. Spotboef.
En daar de Veedel klonk daar was hy rapen vlug,
En kwam hy langs het Y, omtrent de Nieuwen Brug, Hy was ’er meefl bekend by al de Rontzelaaren, (ren,nbsp;Dog’t Duyvemeüien dwingt hem’t meellen om teva-Dolkop.
’tis flegtelCoopmanfchap, die hem daar aan begeefd. ZwiERGR A AG.
Ik heb een Oom die thans van ’t Duyvemelken leeft. Spotboef.
En doet hy anders niet ? dan is hy van de belten,
Men ziet dog in’tgemeenjhet gaat,hoe’t gaat,op ’t lellen Zo raakt men hoopelons, de Duyven aan een kant,
De Baas het gat vol fchuld, verlaat zyn Vaderland,
En milt zyn volle Beurs diecertyds plag te klinken.
Do L*
-ocr page 44-Dolkop.
Kom wil me met elkadr nog eens een Borrel drinken j WantikgaS ftrak na huys.
ZWIERGRAAG.
Wel Ja als Spotboefwil. Spotboef.
Vootxecker Ikben klaar.
Vroomhart, Crediet.
Vroom HART.
T.
Otnu toe i weeg ik (lil ^ Maar Neef, het geen gy tnyn zoeven uyt kwam leggen,nbsp;Dat vind ik waar te zyn, ja waar dat moet ik zeggen,
C R E J51E Ti
6Oom! hierziejeeerfthoe’tindeWaareldgaat. Vroom HART,
Hier zieti ik wel met regt hoe meenig menich beftaat,
6 Maandagmaakers! wat brouwt gy al vreemde kuurcDj Wat ftookje voor je zelv* te fel onblusb’re vuureD*nbsp;Crediet.nbsp;ElkishierMeefterknegt-
V R o o M H A R T.
Ach Neef.* geloof aan myn ^ Wie hier voor Meefler fpeeld, zal haaft een jongen zyn.
Crediet. nbsp;nbsp;nbsp;(ken.
Wat zal ik zeggen Oom, gy moogt wel waarheyt fpree-
VROOMH ART.
Heb na myn botverftand, de Booter-Mark bekeken, Én vinder ni,et airs op als noodig diend gezeyt;
Dees Wind, en die werd kaal,
/II meerder door de» iydi
j: di-
â– â– â– *
â– S- u_lt;
'â–
'i â– lt;r.
. nbsp;nbsp;nbsp;■-?.■nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-.•^' •■nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;':'4f' ■nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;,f'. .nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;..,VV
L'v- ■* nbsp;nbsp;nbsp;• V' /nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;--nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;fj.^ ■•■•''i-nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;v.'vj.;'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.V
^ nbsp;nbsp;nbsp;,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-: J»:, inbsp;nbsp;nbsp;nbsp;*. ■.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;..-Vf.;
. . . 'â– 'â– â– ''â– $'â– %!gt;' ' . ■‘^' â– gt;•nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;â– i-.quot;.nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■•- '* .j,, •,;._W'',^ . '■• ^;'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;â– \.^:^,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;, â–
1^' -sj '/â– â– !gt;. nbsp;nbsp;nbsp;â– 'gt; ' r quot; 'â– â– ' 'â– ;â– '-?â–
■^ nbsp;nbsp;nbsp;■nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■’ V 'nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■'■nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■.:nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;i-.
■nbsp;nbsp;nbsp;’i .. \,nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;\.-nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;ytf- - ■nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;-gt;.
lt;*; nbsp;nbsp;nbsp;-4quot;^
*
â– gt;' '^^â–
?' '
■£gt;â– lt;*â–