-r9 OOT €>^fe?
|
|||||||||||||
Een tweehonderd jaar oud familiebijbeltje
uit Langbroek |
|||||||||||||
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
|
|||||||||||||
Wim Donselaar*
|
|||||||||||||
Enige jaren geleden kwam ik in verband met mijn onderzoek naar de Lang-
broekse familie (Van) Donsclaar in contact met de heer C van Donselaar uit Heukelum'. Bij een van zijn bezoeken aan naamgenoten, had deze van de familie H. van Donselaar te Langbroek een bijbeltje gekregen. Het boekje was tevoorschijn gekomen tijdens een verbouwing van de boerderij aan de Langbroe- kerdijk A23, liggend op een balk op zolder. Niemand van de huidige bewoners wist van het bestaan ervan af. Het was een klein en eenvoudig statenbijbeltje met een zwart lederen band,
versierd met verguldsel. In 1777 was het gedrukt bij J. de Lange te Deventer, die samen met W. Troost uit Arnhem ook als uitgever optrad. Ondanks zijn kleine formaat bevatte het bijbeltje naast het gehele nieuwe en oude testament tevens psalmen, gezangen en de catechismus. Tot 7X)ver was er nog niets bijzonders aan de hand. Echter, op de zilveren
knipsluiting van het boekwerk stonden de letters B.H.v.D.L. gegraveerd. Dit waren, zoals later zou blijken, de initialen van de eigenaresse: B(aatje) H(endrik- se) v(an) D(onse)l(aar). Deze had in de jaren 1789-1824 op een drietal bladzijden de overlijdens genoteerd van haar naaste verwanten. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt: wie was Baatje en hoe kwam het bijbeltje terecht bij de familie H. van Donselaar? Baatje van Donselaar was een dochter van het echtpaar Hendrik van Donselaar en Deliana van Woudenberg. Zij werd volgens eigen ze^en geboren op 17-10-1776 en gedoopt in Nederlangbroek op 30-10-1776. Ze overleed onge- huwd te Langbroek op 28-11-1844. Baatje had naast een broer Frans nog een jong overleden zusje, Annickje, gedoopt in Nederlangbroek op 16-4-1775 en vermoe- delijk daar begraven op 14-4-1790. |
|||||||||||||
W. Donselaar houdt zich sinds 1982 bezig met genealogisch onderzoek en de historie van
Langbroek. |
|||||||||||||
1. Deze was zo welwillend het bijbekje tijdelijk aan mij uit te lenen.
|
|||||||||||||
(foto auteur, 1993)
|
|||||||||
De boerderij aan de Langbroekerdijk A 42
|
|||||||||
Vader Hendrik had als oudste zoon van het echtpaar 1'rans Hcndrikse van
Donselaar en Anna Jans van Niekerken de ouderlijke boerderij geërfd^. Bij de boerderij was slechts 4 morgen (ca 3 hectare) land aanwezig, dat in erfpacht werd gehouden van het kapittel van Sint Pieter te Utrecht. Uit de onderzochte bron- nen bleek, dat het de nog bestaande boerderij aan de Langbroekerdijk A42 |
|||||||||
Rijksarchief Utrecht (RAU), Notariële Archieven (NA), J.J. van Straten in Amerongen, inv.nr.
AM 006a001, akte van afstan<l dd 2(>-12-1773. Hendrik van Donselaar neemt als oudste zoon de boedel van zijn overleden ouders over met alle rechten en plichten, waaronder 'een huysmge en vier mergen land onder Nederlangbroek, erfpachtgoed van het capittel van Sint Pieter te Utrecht'. De andere kinderen, Gijsbert, Frans, Goüwgje, Jan en Maria, zien zonder boedelbeschrijving af van him aandeel, omdat 'denselven boedel bekend is en van geen groot waerdij zoude zijn'. Een afschrift van deze akte is aanwezig in het archief van de famihe Van Lynden van Sandenburg, RAU, inv.nr. Rll-234-1. |
|||||||||
betrof, een monumentale achttiende- eeuwsc hofstede'. Nadat in 1852 de laatste
bewoner uit de familie Van Donselaar kinderloos was overleden, werd de boer- derij uit zijn boedel verkocht aan een zekere Dirk Avezaat^. Later kwam het pand met de bijbehorende erfpachtgrond in handen van de familie Van Lyndcn van Sandenburg*. Nog steeds behoort de boerderij bij het landgoed Sandenburg. Zoals de geringe omvang van het land bij de boerderij al aangaf, was Hendrik van Donselaar geen landbouwer, want van zijn vader nam hij het schippersbe- drijf over. Hij overleed al vóór 1785, waarschijnlijk niet ouder dan 45 a 50 jaar, en werd vermoedelijk begraven te Nederlangbroek'. Hendriks weduwe, Deliana van Woudenberg, bleef met haar nog jonge kinderen op de boerderij wonen. Misschien hield zij het schippersbedrijf aan, maar in ieder geval voorzag zij ook in het onderhoud van haar gezin door het leveren van kleding aan de diaconie, bestemd voor de armen van Nederlangbroek'. Baatje verloor dus al op jeugdige leeftijd haar vader, terwijl haar jongere zusje Annickje nog geen vijftien jaar oud in 1790 stierf en vermoedelijk werd bijgezet in haar vaders graf te Nederlang- broek. Met het overlijden op 29-6-1852 van Baatjes broer Frans (gedoopt te Nederlangbroek op 11-2-1779) stierf deze tak van de familie Van Donselaar uit. Gelukkig voor de onderzoeker van nu had hij geen testament laten maken. Notaris Schadee te Zeist werd belast met de boedelscheiding. Nauwkeurig werd nagegaan wie van vaders en moeders kant de erfgenamen waren. De notaris verrichtte geen half werk, want in zijn akte vermeldde hij over een periode van globaal 1720-1850 maar liefst ruim 150 verwanten, merendeels uit het Kromme- Rijngebied'. |
|||||
3. RAU, NA, J.C. Schadee te Zeist, inv.nr. Z 0O2eO13, akte 1509, dd 22-10-1852, akte wegens
memorie van lasten inzake de boedel van Frans van Donselaar. Uit deze akte bleek dat Frans van Donselaar Hendrikszoon senior het huis, kadastraal bekend Langbroek sectie A no. 291, had geërfd van zijn vader Hendrik van Donselaar. Deze had het weer geërfd van zijn ouders, Frans Hendrikse van Donselaar en Anmgje van Nijkerk. De grond werd in 1852 in erfpacht gehouden van de in Doorn wonende grondeigenaar J.D.C.W. Baron d'Ablaing van Giessenburg. Gemeentearchief Langbroek 1811-1949, inv.nr. 484 en RAU, Collectie fiches kadastrale kaarten, gemeente Langbroek. S. van Ginkel-Meester en M. Kooiman, Langbroek, geschiedenis en architectuur, Zeist
1990, 117. 4. RAU, NA, J.C. Schadee te Zeist, inv.nr. Z 0O2eO13, akte 1519 dd 3-11-1852, akte van toewijzjng
van de boerderij tiit de boedel van de overleden Frans van Donselaar aan Dirk Avezaat. 5. RAU, Archief van de famihe Van Lynden van Sandenburg, inv.nr. 11-247 (niet nader bekeken).
6. RAU, Archi^ Hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams, inv.nr. 1557.
7. RAU, Archief van de Hervormde gemeente Neerlangbroek, Diakonie inv.nr. 48. In de periode
1793-1811 kwam de weduwe van Hendrik van Donselaar regelmatig voor in de diakoniereke- ningen met bedragen van f 100,- of meer. , 8. RAU, NA, J.C. Schadee te Zeist, inv.nr. Z 002eO13, akte van boedelscheiding dd 16-9-1852 wegens
|
|||||
I
I I I I |
||||||||||
(foto auteur, 1993)
|
||||||||||
Het hijheltje, 16 hij 10 cm groot, in gesloten toestand
|
||||||||||
Naast een overzicht van de erfgenamen werd in de akte uit 1852 ook een nauw-
keurige inventaris van de boerderij aan de Langbroekerdijk A42 geven. Daarin komt de volgende vermelding voor: 'In het voorhuis in de kleerkast een kleiner kerkboekje met de gezangen en zilverslot ter waarde van f 2, = .' Werd hiermee het bijbeltje van Baaije bedoeld? Vermoedelijk wel, want zij en haar broer Frans bleven beiden ongehuwd op de oude boerderij wonen'. Waarschijnlijk zal hel bijbeltje bij de boedelscheiding in de familie zijn gebleven. De directe voorouder van de schenker, een zekere Hendrik van Donselaar, werd in 1852 althans als mede-erfgenaam vermeld. |
||||||||||
de boedel van Frans van Donselaar. In een volgend artikel hoop ik nog eens nader op deze
boedelscheiding in te gaan. 9. In de akte uit 1852 kwamen ook vrouwenkleren (mutsen) voor. |
||||||||||
Het bijbeltje geopend op de titelpagina met links een deel van de familieaantekenin-
gen (foto auteur, 1992) |
|||||
In het bijbeltje noteerde Baatje in haar eigen handschrift de volgende familie
gebeurtenissen: Eerste blad:
'Baatje van Donselaar is gebooren den 17 octoober in het jaar 1776. Hoort dit
boekje toe 1789. Jaantje van Woudenberg, weduwe van Hendrik van Donselaar, is overleden den
9 februari en begraven den 16 in het jaar 1819.' Tweede blad:
'Antge van Donselaar is overleeden den 7 april en begraven den 14 april in het
jaar 1790. |
|||||
IJan van Donselaar is overleden den 1 junius in het jaar 1810.
Gougje van Donselaar is overleden den 18 april in het jaar 1811. Margje van Donselaar is overleden den 19 april in het jaar 1811. I'rans van Donselaar is overleden den 2 jannuari in het jaar 1816. Lysje van I3onselaar is overleden den 17 juli in het jaar 1816. (}ijs van Donselaar is overleden den 17 augustus in het jaar 1816.' Derde blad:
'Ckrgjc van Woudenberg is overleden 7 mey in jaar 1819.
Jacobus Lcgemaat is overleden den 14 februari in jaar 1820. Maria van Donselaar, weduwe van Jacobus Legemaat is overleden den 28 februa- ri in jaar 1821. Jannigje Schoonderbeek, weduwe van Jan van Donselaar, is overleden den 29
november 1821. Jan Spaan is overleden den 31 maart 1822.
Joost Vervat is overleden den 25 mey 1824.' Hoewel het bijbeltje op zichzelf zeker niet uniek is - er zijn meer bijbels bekend
met familieaantekeningen - kon door middel van aanvullend onderzoek de intrigerende vondst van een bijbeltje uit 1777 te Langbroek verklaard worden. Ook van de levensloop van de eigenaresse, Baatje van Donselaar, kon een tipje van de sluier worden opgelicht. Hoewel mijn onderzoek naar de geschiedenis van de Langbroekse familie Van Donselaar nog niet is afgerond (voor gegevens over deze familie hou ik me van harte aanbevolen: Zigzagoven 33, 3961 EE Wijk bij Duurstede) was deze vondst aanleiding om alvast een stukje van de familiege- schiedenis te onthullen. |
||||
De sloop van de 'Molen van Ruisdael'
te Wijk bij Duurstede |
|||||||
Ria van der Kerden-Vonk*
|
|||||||
Van de talrijke molens die Wijk bij Duurstede in het verleden heeft gekend, is
de door Jacob van Ruisdael rond 1675 geschilderde walmolen veruit de beroemd- ste. Omtrent het verdwijnen van dit bekende bouwwerk tastte men tot nu toe in het halfduister. Zowel het exacte jaar van de sloop als de omstandigheden daaromtrent waren onbekend. In 1951 concludeerde Hijmans op grond van twee afbeeldingen dat de molen
tussen 1750 en 1850 moet zijn gesloopt: 'de beweegredenen welke tot het afbreken geleid hebben en het jaar waarin dat geschiedde, zijn niet bekend''. Zestien jaar later leidde de rechtshistoricus Van Iterson uit archief- en kaart- materiaal af dal de molen van Ruisdael tussen 1786 -het jaar waarin de molen samen met die op de hoek van de Steenstraat en Zandweg^ werd verkocht- en 1820 -wanneer de molen niet meer voorkomt op de kadasterkaart- van zijn lorcnvoetstuk moet zijn gehaald'. Op zx)ek naar gegevens over de sloop van de vestingwcrken in de notulen van de Wijkse gemeenteraad, ben ik onlangs op enige passages gestuit, die de gegevens van Hijmans en Van Iterson bevestigen en aanzienlijk preciseren. Uit deze notulen blijkt dat de eigenaar van de molen, (ierrit van Wijk geheten, in juni 1817 toestemming aan het gemeentebestuur vroeg om zijn 'windolijmolen staande in de stadsmuur aan den dijk buiten de Vrouwepoort' te mogen afbreken. Nog geen maand later werd zijn verzoek ingewilligd*. Een niet onaardig detail is dat de olieslager (ierrit van Wijk zelf lid was van de gemeenteraad die over de sloopplannen besliste. Vermoedelijk zal hij * Drs. M.A. van der Kerden-Vonk is gemeentearchivaris van Wijk bij Duurstede, Cothen, Houten
en Langbroek en redacteur van dit tijdschrift. |
|||||||
1. H. Hijmans, Wijk bij Duurstede, Rotterdam/'s-Gravenhage 1951, 56.
2. En niet de molen 'Ri)n en Lek', zoals Tonny Vos-Dahmen von Buchholz schrijft op p.12 van haar
brochure 'Rijn en Lek', molen in de schijnwerpers. Wijk bij Duurstede 1992. 3. W. van Iterson (Van Iterson),' De zogenaamde molen van Ruisdael te Wijk bij Duurstede', in:
Jaarboekje Oud-Utrecht 1967, 7\. 4. Gemeentearchief Wijk bij Duurstede (GAW) 1811-1851, inv.nr. 4, 45-46 (12-6-1817 en 10-7-1817).
|
|||||||
Het beroemde schilderij 'De molen bij Wijk bij Duurstede' door Jacob van Ruisdael
ca 1675 (origineel Rijksmuseum Amsterdam; foto 'l'opografisch-Historische Alias gemeente Wijk bij Duurstede). niet lang met het afbreken van de molen hebben gewacht. Heel wat minder
voortvarend was hij evenwel met het opruimen van het puin. In april 1821 maakte de raad van zijn afwezigheid gebruik om hem aan te laten zeggen het bij de muurtoren (waarop de molen had gestaan) achtergebleven puin en de stenen, zo spoedig mogelijk op te ruimen en de in ruïneuze staat verkerende toren ofwel eveneens te slopen ofwel te herstellen*. Erg gezeggelijk was Van Wijk niet. Pas eind 1823 koos hij, na herhaalde aanzeggingen en onder dreiging van een rechtszaak, eieren voor zijn geld en ging ertoe over om de restanten van de zo |
||||||
5. idem, 121 (21-4-1821).
8 |
||||||
beroemde molen bij elkaar te vegen en af ie voeren*.
Over de moiicven die hel raadslid tot de sloop brachten, bestaat vooralsnog
minder duidelijkheid. Uil hel feil dat de lorenmolen tussen 1786 en 1817 zijn oude functie van korenmolen verliest om eerst als houtzaagmolen (1791) en later als oliemolen (1817) ie worden gebruikt, mogen we al wel concluderen dat het de molenaar niet erg voor de wind gingf. De eeuwenoude monopoliepositie die de molen van Ruisdael samen met de molen builen de Veldpoort bezat met betrekking lol hel malen van graan stond vermoedelijk al enige tijd onder druk, om bij de Staatsregeling van 1798 definitief ie worden afgeschaft*. Nader onder- zoek naar de ontwikkelingen in het laatste decennium van de achttiende en het eerste van de negentiende eeuw, zal moeten uitwijzen of de twee oude Wijkse molens inderdaad in de slag met hun concurrenten in en buiten de stad ten onder zijn gegaan. Hoe dit ook zij, hel door Ruisdael vanaf de rivierzijde geschilderde 'Gezicht op
Wijk bij Duurslede', waarin de hoog boven zijn omgeving uittorenende molen sinds de late middeleeuwen een beeldbepalende rol vervulde, was met het verdwijnen van deze molen onherstelbaar veranderd. In de door de afbraak van talloze oudere bouwwerken gekenmerkte negentiende eeuw, speelden esthetische overwegingen echter niet of nauwelijks een rol: wat niet functioneel meer was, in de weg stond en alleen nog geld kostte, was eenvoudigweg gedoemd om te verdwijnen. |
|||||
6. idem, 133-135 (19-10-1823 en 24-10-1823).
7. Van Iterson, 71 (28 4-1786). GAW 1300-1810, inv.nr. 51EE, 446 (22-8-1791) en 449' (19-9-1791);
GAW 1811-1851, inv.nr. 4 (10-7-1817). 8. GAW 1300^1810, inv. nr. 70^2, 286-287 (4-8-1790) en inv.nr. 51EE, 421 (7-2-1791). Zie over de
afschaffing van de molendwang in 1798 bijvoorbeeld P. Nijhof, Windmolens in Nederland, Zwolle 1983, 53. |
|||||
Jaarverslagen Historische Kring over 1993
|
|||||||||
Verslag van de algemene ledenvergadering op 21 januari 1994 te Bunnik
|
|||||||||
Opening. De voorzitter, de heer P.S.A. de Wit, verwelkomde de aanwezigen en
gaf vervolgens een kort overzicht van de verenigingsactiviteiten in het afgelopen jaar. Verslag van de kascommissie. De kascommissie, bestaande uit de heren H.M.
Pothuizen en J.N.M. van Impelen, verklaarde zich na inzage van de stukken accoord met de financiële administratie. Zij dankte de penningmeester voor haar werkzaamheden. Verkiezing bestuursleden. Aftredend en herkiesbaar waren mevrouw J.A.M, van
der Grind- van de Burgt en de heer C>. van Schaik; zij werden herkozen. Aftredend en niet herkiesbaar was de heer L.M.J. de Keijzer. Vanaf het begin van de Historische Kring lussen Rijn en Lek heeft hij verschei- dene bestuurstaken uitgeoefend. De voorzitter dankte de heer De Keijzer voor de vele jaren van inzet en de kennis die hij inbracht in het bestuur. De heer De Keijzer blijft overigens lid van de redactie van het tijdschrift, terwijl ook de archeologische werkgroep onder zijn enthousiaste leiding in Houten en omge- ving actief blijft. Het scheidend bestuurslid werd vanwege zijn grote verdienste voor de vereniging tot erelid benoemd. Rondvraag. Hiervan werd geen gebruik gemaakt.
Sluiting. De voorzitter dankte de vergadering voor het in het bestuur gestelde
vertrouwen en in het bijzonder de redactie van het periodiek, de bezorgers hiervan, de leden van de archeologische werkgroep en de kascommissie voor hun inzet. |
|||||||||
/
/
|
|||||||||
10
|
|||||||||
Verslag van de secretaris over 1993
|
||||||
Het ledenbestand. De vereniging telde op 1 januari 1993 308 leden. In de loop van
het jaar meldden zich 40 nieuwe leden, terwijl 14 leden hun lidmaatschap beëindigden. Dit resulteerde per 1 december in een totaal van 334 leden, een groei derhalve van ruim 8% ten opzichte van 1992. De geografische herkomst van de leden werd als volgt: Bunnik 40, Cothen 9, 't Goy 9, Houten 99, Langbroek 4, Odijk 39, Schalkwijk
19, Tuil en 't Waal 4, Werkhoven 17, Wijk bij Duurstede 26, en 68 leden van buiten het Kromme-Rijngebied. Bestuur. Op de jaarvergadering van 21 januari 1993 vond de jaarlijkse bestuurs-
verkiezing plaats . Er waren geen tegenkandidaten aangemeld, zodat het bestuur thans als volgt is samengesteld: Ir. P.S.A de Wit , Odijk voorzitter
O.J. Wttewaall, 't Goy vice - voorzitter
H.J.J. Steenman, Houten secretaris
mw. J.A.M. v.d. Grind- v.d. Burgt, Wijk bij Duurstede penningmeester
mw. K. van der Wiele-Pasterkamp, Werkhoven tweede secretaris,
p.r. en lezingen
mw. C.E.A. van der Grind, Houten lid van het secretariaat (computerverwerking)
Mr. C. van Schaik, Utrecht lid Het bestuur kwam in 1993 vier keer bijeen. Onderwerpen die aan de orde
kwamen waren onder meer een eigen folder voor ledenwerving, de exciu-sie en lezingen , de archeologische werkgroep, uiterlijke verbeteringen van het perio- diek en het vormen van werkgroepen ten behoeve van inventarisatieprojecten. Het tijdschrift Tussen Rijn én Lek'. In 1993 verschenen weer 4 afleveringen van
het periodiek. Daarnaast werd een begin gemaakt met een nieuwe historische reeks waarin als eerste deeltje werd uitgegeven: Het stadsbestuur van Wijk bij Duurstede in de tweede helft van de zeventiende eeuw door Rob Butterman. De redactie bestond uit: mw dr Y.M. Donkersloot-de Vrij uit Odijk; mw drs M.A. van der Eerden-Vonk uit Wijk bij Duurstede, L.M.J. de Keijzer uit Houten, mr drs H. Reinders uit Bunnik en O.J. Wttewaall uit 't Goy. |
||||||
11
|
||||||
liet verenigingsprogramma: de lezingen
Fon te Vechten. Op 21 januari 1993 sprak ons lid de heer A. van der Gaag voor
een gehoor van 70 aanwezigen over het fort bij Vechten. Tort Vechten is gebouwd in de jaren 1867-1869 op de Houtense Vlakte en vertoont veel overeen- komsten met fort Rijnauwen uit dezelfde tijd. Het fort heeft een oppervlakte van 23 ha en had dezelfde functie als Rijnauwen : het beschermen van een niet- inundeerbare sector van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het bevindt zich bijna op dezelfde plaats waar de Romeinen 2000 jaar geleden reeds een versterkt legerkamp en een vkxjtbasis bouwden. Bij de bouw van het fort in de vorige eeuw ging een deel van de oude Romeinse nederzetting verloren. Vele archeolo- gische bodemvondsten zijn echter bewaard gebleven en prijken nu in musea. I'Ort Vechten behoort tot de versterkingswerken die een kruising vormen van het polygonale (veelhoekige) en gebastioneerde stelsel (het zogenaamde bastaard tracé). Het door een brede, diepe gracht omringde fort had aan de westzijde oorspronkelijk drie bruggen waarvan er echter niet één meer intact is. Ze werden vervangen door een aarden dam. De hoge, rondgaande hoofdwal omsluit een ruim binnenterrein waar zich de ingangen bevinden van de brede, onder de wal doorlopende overwelfde gangen (poternes) die naar de flankbatlerijen voeren. In de as van het symmetrisch gebouwde fort bevinden zich voorts nog een in 1877 gebouwde bomvrije kazerne met verdieping en een vijfhoekig reduit dat door een smalle gracht is omringd. Ik)venop het reduit bevindt zich een dubbele geschutskoepel van waaruit het er
voor liggende flauw hellende terrein (glacis) en de bruggen konden worden bestreken. Verspreid over het fort liggen verder nog twee bomvrije wachthuizen en een aantal bomvrije bergplaatsen (remises). Om het fort en het glacis bevin- den zich 17 groepsschuilplaatsen van gewapend beton, gebouwd in de jaren 1914- 1918. In de oostelijke hoofdwal van het fort treft men nog drie volledig intact zijnde gevechtskazematten aan uit 1939-1940, eveneens van gewapend beton met gietstalen koepels voor de opstelling van pantserafweergeschut. Ook de gevarieer- de flora en fatma op het fort werd door de heer Van de Ciaag besproken. Mede door de prachtige dia's was het een zeer geslaagde avond. Stad Utrecht. Op 18 maart 1993 sprak te Odijk de stadsarcheoloog van Utrecht,
drs. H. de (iroot, v(X)r 94 belangstellenden over de vroege geschiedenis van de stad Utrecht tot aan de middeleeuwen. Onder het huidige Domplein is, vanwege de relatief hoge living, de vroegste
stadsgeschiedenis bewaard gebleven, een geschiedenis die voor een groot deel bepaald is door de rivierenloop van Rijn en Vecht en hun stroombedverleggin- |
|||||
12
|
|||||
In de Romeinse tijd (47-270 A.D.) wordt op het huidige Domplein een fort
(castellum) gebouwd om op deze plaats de noordgrens van het Romeinse Rijk te verdedigen. Vlakbij dit fort ontstaat tegelijkertijd een kleine handelsnederzetting (vicus). Als aan het einde van de derde eeuw de Romeinen wegtrekken eindigt tevens de
bestaansgrond van de vicus en trekken de bewoners weg. In de zesde en zevende eeuw vestigen de Franken zich in het rivierengebied; op de splitsing van Rijn en Lek ontstaat een handelsnederzetting, Dorestad, waar zich het centrum voor overzeese handel concentreert. Utrecht ontwikkelt zich tot een kerkelijk centrum voor de kerstening van het noorden van ons land. Opgravingen op het Domplein leveren schaarse bewoningssporen, veel sporen zijn door overstromin- gen in de twaalfde eeuw uitgewist. Reeds in hel begin van de zevende eeuw moet er in Utrecht binnen de muren
van het Romeinse fort een kerkje hebben gestaan; als Willibrord in 690 uit Engeland in Utrecht arriveert treft hij het verwoest aan. Hij laat het herbouwen en wijdt het herstelde kerkje aan St. Maarten. Tevens sticht hij een tweede kerk, de St. Salvatorkerk, met een daaraan verbonden klooster. Beide kerken zijn in de tweede helft van de negende eeuw verwoest, de opvolgers van Willibrord moeten Utrecht ontvluchten en pas in 922 keert bisschop Balderik in Utrecht terug. Hij herbouwt de kerk van St. Salvator en St. Maarten. De bisschoppen ontwikkelen zich in de tiende eeuw tot een wereldlijke en rechtelijke macht; de St. Maartenskerk groeit uit tot het kerkelijk centrum (de Domkerk) en in de periode tussen 1040 en 1080 laten bisschop Bemold en zijn opvolgers drie kapittelkerken en een abdij bouwen rondom dit centrum. De St. Salvatorkerk is tussen 1582 en 1587 gesloopt. Van een vroege voorganger van de St. Maartenskerk is nooit een spoor gevonden. In 1929 worden bij opgravingen op het Domplein ter plaatse van het voormalige hoofdgebouw van het Romeinse fort funderingsresten gevonden van een derde kapel, de Heilige Kruiskapel, die in 1829 is gesloopt. De fimdering wordt aanvankelijk in de tiende eeuw geda- teerd, maar latere bestudering van de opgravingsgegevens geeft alle reden om de fundering te dateren in de tijd van Willibrord. Utrecht ontwikkelt zich in de tiende eeuw tot een handelscentrum bij de
splitsing van de Rijn en de Vecht, met een parochiekerk, gewijd aan St. Nico- laas. Als rond het jaar 1000 de Rijn begint te verzanden laten kooplieden een kanaal graven van de haven bij deze zuidelijke nederzetting naar de Vecht; dit kanaal is nog steeds herkenbaar als het noordelijke gedeelte van de Oude Ciracht. Bij de uitmonding van dit kanaal in de Vecht ontstaat een nieuwe haven. Ook hier ontstaat al vroeg bewoning; omstreeks 1170 sticht men een parochie- |
|||||
13
|
|||||
kerk, de St. Jacobskerk. Als in 1122 de Kromme Rijn op last van de bisschop
nabij Wijk bij Duurstede wordt afgedamd graaft men een nieuwe zuidelijke vaarroute waardoor Rijn en Vecht werden verbonden en Utrecht verlost werd van de jaarlijkse wateroverlast in het voorjaar door smeltwater. In het najaar van 1170 stuwt een zware storm het zeewater via de Zuiderzee de Vecht op. De stad Utrecht raakt overstroomd en waarschijnlijk piekte nog slechts het hoogste punt, het Domplein, boven het water uil. Als het water zakt gaat men in allerijl de grond ophogen en gaat over tot het afdammen van de Vecht middels de Otter- spoordam (de oudste vermelding van deze dam dateert uit 1228), nog later vervangen door een sluis te Muiden. Vanaf die tijd is Utrecht gevrijwaard van wateroverlast en ontwikkelt zich tot
haar huidige vorm. Gehruiksglas en -aardewerk. Op 26 oktober hield de heer J.F.P. Kottman, restau-
rateur bij de Rijksdienst voor het Oudheidkimdig Bodemonderzoek (ROB), in Houten voor 48 geïnteresseerden een lezing over de kenmerken en de vormont- wikkeling van het gehruiksglas en -aardewerk uit de zeventiende en achttiende eeuw. De heer Kottman illustreerde zijn betoog met dia's die hij gemaakt had van voorwerpen, die te voorschijn kwamen uit een inpandige beerkelder van het huis Cruidenburg langs de Vecht. Het vondstcomplex was te vergelijken met datgene, wat opgegraven was bij boerderij Zorgvliet in Houten. Zo liet hij ons de vormontwikkeling van de roemer zien: terwijl de steel in dikte wisselde, veranderde de bovenkant van een konische vorm in een bekervorm en tenslotte in een kelkvorm. Uit de aard van de gevonden voorwerpen kan men de wel- stand van de bewoners afleiden; resten van geïmporteerde stukken wijzen bijvoorbeeld op een zekere welstand. In de loop van de zeventiende en achttien- de eeuw degradeerde het aardewerk langzaam om bij het koken plaats te maken voor metaal. Na de pauze liet de heer Kottman zien hoe men glas en aardewerk restaureert.
Bij de ROB wordt meestal met gips gerestaureerd, omdat dat goedkoper is dan kunststof. De scherven worden eerst goed schoon geborsteld, dan uitgelegd en tenslotte aan elkaar bevestigd, terwijl men aanvult waar dat nodig is.Buitenge- woon boeiend waren de dia's van glasrestauratie: talloze uitgelegde scherfjes werden met plakbandjes vastgezet. Omdat de breukvlakken zo op elkaar lijken, werden ze met een loep bestudeerd. Het is inspannend werk dat men maar een uurtje per dag kan doen. Opgravingen in Wijk bij Duurstede. Prof. dr W.A van Es, verbonden aan de
ROB, sprak voor 68 aanwezigen van onze kring op 24 november te Wijk bij |
|||||
14
|
|||||
Duurstede. Het thema van de avond was 25 jaar opgraven in Wijk bij I>uurstede,
waarbij het accent lag op het ontstaan van Dorestad. De oudste vondst die in Wijk is gedaan, is een vuurstenen werktuig van driedui-
zend jaar voor (Christus, vermoedelijk aangevoerd door de rivier. Op vele lokaties in de gemeente is systematisch gegraven, zodat men in de loop der jaren een goed beeld heeft gekregen van alle stadia van bewoning en een globaal inzicht in de veranderde loop van de rivieren. Aan de hand van dia's liet de heer Van Es zien waar bewoning was in Wijk bij
Duurstede in de periode vanaf 1600 tot 1500 voor Christus en hoe die bewoning er vermoedelijk uit gezien heeft. Uit een blootgelegde plattegrond met paalspo- ren en verkleuringen in de grond kwam een agrarische nederzetting in beeld. De onderkomens voor mens en vee hadden een afmeting van 30x7 meter. Ook is er in de nabijheid een begraafplaats gevonden. De gemeenschap die hier woonde en werkte, leefde op een ideale strategische
plaats met vruchtbare grond nabij de rivieren. Het was natuurlijk niet verwon- derlijk dat de Romeinen hier cK)k een castellum bouwden, volgens de Peutinger- kaart Levefanum genoemd. Bij zand- en grindzuigwerkzaamheden in het gebied van het Betuwse Rijswijk aan de overkant van Wijk bij Duurstede zijn dakpan- en steenresten gevonden, die vermoedelijk afkomstig zijn van dit castellum. Ook andere fraaie vondsten kwamen aan de oppervlakte, zoals Romeinse helmen, zilveren sieraden en aardewerk. De bewoners handelden in deze tijd veelvuldig met de Romeinse soldaten en bouwden hun onderkomens aan de Rijn. De meandering van de rivier en de hoogte van het water speelden bij de bouw van de huizen een grote rol. Een volgende belangrijke periode in de Wijkse geschiedenis is de zevende en
achtste eeuw, de periode van Dorestad. (ielegen aan een knooppunt van interna- tionale waterwegen, was de stad een echte handelshaven met contacten door heel het huidige Europa. Het einde kwam toen de Vikingen de stad, die al enigszins in verval was door de veranderde rivierloop en het verzanden van de haven, in de jaren 843 - 863 herhaaldelijk plunderden. In de tiende eeuw ontstond het huidige Wijk bij kasteel Duurstede van de heren van Abcoude, terwijl het stadje onder de Bourgondische bisschoppen in de late middeleeuwen weer een krachti- ge bloeiperiode doormaakte. In Wijk bij l>uurstede wordt nog steeds door de ROB voorafgaande aan bouw-
projecten archeologisch onderzoek verricht, waardoor telkens weer nieuwe gege- vens boven water komen en oude hypothesen worden bevestigd of verworpen. |
|||||
15
|
|||||
Het verenigingsprogramma : de excursies
Tiel. Op 24 april namen 46 personen deel aan de kleine excursie naar 'l'iel. Na
ontvangst in het streekmuseum 'De Groote Sociëteit" volgde een korte schets van de ontstaansgeschiedenis van de stad Tiel door de conservator, de heer R. Schipper. De grootste bloeiperiode van Tiel lag in de vroege middeleeuwen: al omstreeks 1000 was het een belangrijke handelshaven, die ondanks de achteruil- gang in de dertiende eeuw nog vóór 1286 ommuurd werd. Begin vijftiende eeuw werd Tiel een Hanzestad van betekenis, maar na stadsbranden in 1420 en 1425 ging de stad economisch sterk achteruit. Na een nieuwe bloeiperiode tijdens de Republiek ontwikkelde Tiel zich in de moderne tijd tot een belangrijke provin- ciestad, zoals men tijdens de stadswandeling kon zien aan de overgebleven statige gebouwen. Sinds eind negentiende eeuw zijn er ambachtelijke industrieën, zoals ' De Betuwe'. Helaas is de stad zwaar getroffen in de jaren 1944 - 1945. Het museimi is gevestigd in een van de fraaie gebouwen uit de rijke tijden van weleer (1789) in de toen gangbare Lodewijk XVI-stijl en diende oorspronkelijk als herensociëteit. Het statige pand staat naast de Waterpoort uit 1647, die werd opgeblazen in 1944 maar in 1979 werd herbouwd. Samen vormen zij thans het streekmuseiun. De grote zaal daarvan was ingericht met pronkstukken uit de Lodewijk XVI-periode , zoals meubels, porselein, zilverwerk en wandschilderijen uit de jaren 1780 tot ca 1830. Daarnaast zijn in het museum archeologische vondsten te bewonderen en laat de ambachtenafdeling een levendig beeld zien van het dagelijks leven in vroegere tijden. De stadswandeling voerde over de Waalkade en door de stad langs enkele nog
overgebleven vroeg-middeleeuwse panden en andere interessante gebouwen. Zo brachten wij ook een bezoek aan het Ambtmanshuis met tuin. Na herstel in 1937 werd dit ingericht als Polderhuis van de Tielerwaard; thans is het het I'ielse stadhuis. Dit dubbele woonhuis met uitgebouwde toren gaat grotendeels terug op zestiende eeuw. De interieurs zijn echter in Lodewijk XVI- en XV-stijl gewij- zigd, terwijl het uitwendige sterk veranderde door een vernieuwing van de voor- gevel in de negentiende eeuw. Het meest authentiek bleef de toren, die bij de restauratie zijn oude spits met peerbekroning terugkreeg. Klokkengieterijmtiseum, Loppersum en Menkemaborg. De grote excursie per bus op
15 mei 1993 waaraan 48 personen deelnamen, begon met een bezoek aan het Klokkengieterijmuseum te Heiligerlee, vervolgens werd de middeleeuwse kerk in Loppersum bezocht en de dagtocht eindigde met een bezoek aan de Menkema- borg te Uithuizen. Na ontvangst in het Klokkengieterijmuseum volgde een filmpresentatie. Zittend 16
|
||||
GroLe excursie naar de Menkemaborg met een aantal deelnemers op de brug.
(foto H.J.J. Steenman, 1993.)
|
|||||||
in de giethal van de voormalige klokkengieterij werd het gebruik van klokken in
Nederland rond 1960 getoond, zowel in de stad als op het platteland. Aanslui- tend was er een film waarbij men zag hoe klokken gegoten werden in deze zelfde hal. Sinds 1863 maakte het fabrikantengeslacht Van Bergen volgens eeuwenoude tradities klokken voor velerlei doeleinden. Dit wereldberoemde bedrijf, dal in 1980 haar poorten sloot, maakte niet alleen luidklokken, carillons, beiaarden en scheepsbellen, maar ook brandspuiten. Het klokgieten in de get(K)nde film en de in de gietkuil aanwezige modellen in diverse stadia gaven een inspirerend beeld van dit oude ambacht. In het expositiegedeelte van het museum waren vele klokken opgesteld van klein
lot groot met hun eigen verhalen en soms klankgebreken. De gids vertelde over het ontstaan en de belangrijke fimctie van het klokgelui. De eerste klokken waren in de vroege middeleeuwen in gebruik bij monniken als tijdmelding. Later in de middeleeuwen werden de klokken ook benut voor openbare doeleinden, zoals bij de nadering van vijandelijke troepen, de komst van belangrijk bezoek of het bijeenroepen van schout en schepenen en - niet te vei^eten - het aankondigen |
|||||||
17
|
|||||||
van de aanvang van markten en visafslagen. Enkele benamingen van klokken
herinneren nog aan hun belangrijke functie, zoals brandklok, pooriklok, raadsklok en doodsklok. Er was een demonstratie van het maken van een scheepsklokje. Ook de oude oven op het builenlerrein werd bezocht en onder de klanken van het 49 klokken tellende carillon vertrokken we naar Loppersum. De Loppersumse (eertijds decanale) dorpskerk heeft een rijke bouwgeschiedenis. Het gebouw bestaat uit een forse veeniende-eeuwse zadeldaktoren en een schip uit de tweede helft van de dertiende eeuw. In het schip zag men in de noord- wand de resten van een romaanse tufstenen muur. In 1529 werd het schip, blijkens een jaartal op het zandstenen toegangspoortje tot de kerk, met een zijbeuk uitgebreid en vermoedelijk in 1534-1548 met netgewelven gedekt. Het dwarspand moet zijn ontstaan in 1250 en werd vervolgens in de laat-gotische tijd vernieuwd met kruisribgewelven. Tenslotte bracht men een polygonaal gesloten koor met bijbehorende zijkapellen aan in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De restauratie bracht jn 1959 vele muurschilderingen uit die laatste periode aan het licht. Deze fresco's van kwalitatief hoog niveau hebben de eeuwen goed doorstaan. Het snijwerk van de zeventiende-eeuwse preekstoel is uitzonderlijk evenals dat van het orgel uit 1562. De orgelbouwer is mogelijk Andrcas de Mare. Diverse keren is het orgel gerestaureerd, de laatste keer in 1964 door de firma Van Vulpen te Utrecht. Verder waren er in de zuidbeuk en om de kerk veel oude zerken. Vervolgens gingen we naar Uithuizen. Als een parel in het landschap ligt het
kasteel 'De Menkemaborg' binnen zijn grachten, singels en tuinen. De geschiede- nis van de borg gaat terug tot de veertiende eeuw. In die tijd was het eenvoudig rechthoekig van vorm en had het een weerbaar karakter. Van de oorspronkelijke bewoners, de Menkema's, is weinig bekend. Voor het huis in de latere uitgebrei- dere vorm was de familie C>lant van Menkema belangrijk. In de zeventiende eeuw kreeg het een U-vormig grondplan met een traptoren. Aan het eind van de zeventiende eeuw werd de borg verkocht aan de familie Mello Alberda die hel huis omstreeks 1700 door de latere stadsbouwmeester Allert Meijer (1654-1722) grondig liet verbouwen en verfraaien. Deze heeft het huis toen in tweeën gedeeld waardoor het zijn typerende symmetrische indeling kreeg. In 1902 overleed de laatste bewoner Jonkheer Gerard Alberda van Menkema en schonken de erfgenamen de Menkemaborg aan het Museum voor Stad en Lande te (kronin- gen. De diverse kamers, sommige met wandbespanning van damast, zijn rijk gemeubi-
leerd met laat-achttiende-eeuwse stukken en geven een fraai beeld van het leven op de borg. In het souterrain zijn voor een deel dienstvertrekken ondergebracht, alsmede de keuken en voorraadkelders. / |
|||||
18
|
|||||
De tuinen zijn gelijktijdig met de restauratie van het gebouw in 1926 volgens het
oorspronkelijke tuinplan van ± 1705 hersteld. Zodoende zijn er verschillende soorten tuinen ontslaan, die allemaal symmetrisch van indeling zijn, zoals de bloemenhof, een langgerekte tuin met zonnewijzer en andere verfraaiende luinelemenlen, een rozentuin met kruidentuin, overlopend in een app)elhof en vervolgens het doolhof. Hiermee eindigde hel excursiegedeelte van de dag, waarna het gezelschap tijdens een afsluitend diner de zeer geslaagde dag nog eens de revue liet passeren. Sparrendaal. Op zaterdagmiddag 25 september namen 50 leden deel aan een
kleine excursie naar hel huis Sparrendaal in Driebergen. We verzamelden ons bij de slangemuur, maar door de regen verviel de geplande wandeling door de tuinen. In de grote keuken in het souterrain dronken we koffie of thee met cake, waarna we in twee groepen vergezeld van een rondleidsler in zo'n anderhalf uur van vertrek tot vertrek trokken en 't interieur bewonderden. Vooral 't beschil- derde behang viel hierbij op. Sinds 1954 bezit de gemeente Driebergen het huis, dat na een jarenlange kostbare restauratie, een tijdlang als gemeentehuis dienst deed. Tegenwoordig wordt hel nog slechts gebruikt bij ontvangsten en huwelij- ken. Sparrendaal werd in 1754 gebouwd als buitenhuis voor de Utrechtse burgemeester Jacob van Berck. Later werd het bewoond door Petrus Judocus van (X)sihuyse, heer van Rijsenburg. Honderd jaar na de bouw werd het verkocht aan de aartsbisschop van Utrecht, die er enige jaren resideerde, waarna het ver- huurd werd aan de familie Van VoUenhove, die er tol ver in de twintigste eeuw wcx)nde. Het huis was sterk vervallen toen de gemeente Driebergen het in 1954 kocht en ingrijpend liet restaureren door architect ir. J.B. Baron van Asbeck. |
|||||||
Herman Steenman, met medewerking van
Peter de Wit en Ina van der Wiele-Pasterkamp |
|||||||
19
|
|||||||
Financieel jaaroverzicht 1993
Inkomsten
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Uitgaven
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Nog te betalen nota's over 1993 ± ƒ 5.000,--
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
J.A.M. van der Grind-van de Burgt
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
20
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Verslag van de archeologische werkgroep over 1993
Zijn mollen goede archeologen? 'Nee', zult u misschien antwoorden, maar
toch... Wanneer u een aantal mensen zou vragen wat een archeoloog eigenlijk doet, zult u, naast vele malen 'weet ik niet' ook antwoorden krijgen die nergens op slaan. De rest zal, naar ik verwacht, antwoorden dat archeologen ouwe dingen of, wat plechtiger, oudheden opgraven. En dat doen mollen ook! Dankzij deze zwartgejaste noeste gravers/archeologen, kunnen wij, bovengrondse amateurarcheologen, vooral in het voorjaar vruchtbaar terreinonderzoek doen aan de hand van de opgeworpen molshopen. Voor onze ondei^ondse collega's houdt de oudheidkunde op bij het niet systematisch opgraven van oudheden. Maar voor ons begint het daar pas, met het verzamelen en ter plekke globaal determineren van de vondsten uit die molshopen. Al zoekende worden concen- traties met veel potscherven en dergelijke aangetekend op de kaart. Dit jaar heeft dat er toe geleid dat ROB op een aantal van de door ons onderzochte percelen op Wulven proefsleuven heeft laten graven, zij het met weinig spectaculair resultaat. Dat had ook anders kunnen zijn: in de wijk Tiellandt werden we bijvoorbeeld in eerste instantie door mollen attent gemaakt op een gebied waarvan bij later zorgvuldig opgraven door de ROB bleek, dat het door de Romeinen zeer intensief bewoond is geweest. Aan terreinonderzoek besteedden we in 1993 tien zaterdagmorgens. Op een omgracht terreintje in Wulven lieten onze wroetende, spitsneuzige
collega's ons echter in de steek: geen molshoop was er te vinden. Omdat we verwachten daar sporen van funderingen aan te treffen, boorden we er met toestemming van de ROB zelf gaten. De ongeveer vijftig grondboringen tot een diepte van anderhalve meter, die we er op een zaterdagmoi^en uitvoerden, leverden echter geen enkel spoor van fundering of bewoning op (maar het was wel gezellig werken). Aan het definitief determineren van de terreinvondsten besteedden we twee morgens. In samenwerking met de gemeente Houten werd op zes zaterdagochtenden
onderzoek gedaan naar de grondslagen van een tweetal boerderijen. Hierbij kwam enig veeriiende-eeuws blauwgrijs scherfmateriaal te voorschijn en een zeer grote hoeveelheid zestiende-, zeventiende- en achttiende-eeuwse aardewerkfrag- menten, waaronder onverwacht veel fragmenten van olielampjes. Wat mollen onmogelijk is, zelfs met een sterke leesbril, deden wij een aantal malen: we besteedden tijd aan het bespreken van boeken en tijdschriftartikelen over archeologie. Ook gingen we op excursie naar een opgraving van de ROB in De Meem en waren er uitstapjes naar musea. |
|||||
21
|
|||||
ProeJsleuJ van de ROB op het nieuwe bedrijventerrein liet Rondeel in Houten,
waarbij bewonin^sporen uit de Romeinse tijd werden gevonden (foto O.J. Wttewaall, 1993)
|
|||||||
Hiermee waren we vier morgens bezig. Dit jaar kwamen we in totaal zesentwin-
tig zaterdagochtenden bij elkaar, steeds onder leiding van de altijd enthousiaste Leen de Keijzer en gesterkt door de voortreffelijke koffie en koek van zijn vrouw Henriëtte. |
|||||||
Anten van Schip
|
|||||||
22
|
|||||||
BOEKBESPRIiKlNC;
|
||||||
II. Scholtmcijcr: Zuidulrechts woordenboek. Dialecten en volksleven in
Kromme-Rijnsireek en Lopikerwaard. Utrecht, Uitgeverij Matrijs 1993. 184 biz.; prijs ƒ 34,95. [ISBN 90-5345-029-7] in de boekerij van het P.J. Meertens-lnstituut voor Dialectologie, Volkskunde en
Naamkunde, waar zich zonder twijfel de meest complete verzameling monogra- fieën bevindt over de Nederlandse dialecten, neemt de provincie Utrecht maar een uiterst bescheiden plaats in: op een totaal van circa 12 strekkende meter nog geen decimeter, inclusief de hier besproken studie. Hier lag dus duidelijk een terrein braak. Na aanvankelijk een reeks van publikaties met voornamelijk typisch Utrechts
idioom aan het eind van de twintiger jaren (A. Beets in Driemaandelijksche Bladen 1927-10929 en Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 1927; P.J. Meertens in Driemaandelijksche Bladen 1927-1929 en Maandblad Oud Utrecht 1928; I". Pluim in Eigen Volk 1929) is de bestudering van het Utrechts eigenlijk een eenmansonderneming geweest van Dr. T. van Veen met zijn dissertatie Utrecht tussen Oost en West. vStudies over het dialect van de provincie Utrecht (Assen 1964), Het Utrechts als overgangsdialect (Amsterdam 1965), Utrechts (Amsterdam 1966) en recentelijk 'Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek (Zutphen 1989). Het is daarom niet alleen voor de hand liggend, maar ook verheugend dat dezelfde Van Veen (samen met Dr. M. Schouten) aan de basis stond van het woordenboek van Scholtmeijer en de redactie ervan gevoerd heeft. Dat wil niet zeggen dal zich geen andere taalkundigen over het Utrechts hebben uitgelaten, zoals B. van den Berg, J. Daan, A. van Ciaalen, A. Goeman, B. de Haar, K. Heeroma, A.R. Hol, G. Kloeke, M. Schouten en Chr. Stapelkamp, maar hun aantal is relatief beperkt en het Utrechts stond daarbij vaak niet centraal. De verklaring voor deze nogal bescheiden bestudering van de Utrechtse dialecten
wordt hierboven eigenlijk al gegeven in Van Veens boektitels Utrecht tussen Oost en West en Het Utrechts als overgangsdialect. Als overgangsdialect valt het Utrechts namelijk niet alleen tussen oost en west én zuid en noord, maar ook lussen wal en schip. Ook in de taalgeschiedenis legt de Utrechtse expansie, voor zover deze al erkend wordt, het in gewicht af tegen de Vlaamse, Brabantse en Hollandse expansie en wordt ze eerder als een tussenstation tussen zuid en noord beschouwd. Van Veen mag dan wel de stelling poneren 'dat Utrecht in de geschiedenis van de taalontwikkeling van Nederland een zeer belangrijke plaats |
||||||
23
|
||||||
heeft ingenomen' (1989, 8), respectievelijk 'dat Utrecht een heel unieke plaats
inneemt in de geschiedenis van onze Nederlandse taal' (1989, 159), maar de 32 kenmerken die hij noemt zijn alle of westelijk (18) óf oostelijk (14). Zelfs de zo typisch Utrechtse t-deletie ('Utrech') is in den lande eerder bekend als een Limburgs verschijnsel en mogelijk van daaruit per schip aangevoerd. Het unieke is dus eerder gelegen in het feit dat Van Veen het Utrechts observeert als een taalkundig samenhangend geheel, terwijl het een administratief samenhangend geheel is. Het gebied dat Scholtmeijer bestrijkt is het Zuidutrechts, dat wil zeggen de
provincie Utrecht ten zuiden van de stad Utrecht: in het westen de Lopiker- waard (begrensd door de provinciegrens met Zuid-Holland, die in het zuiden samenvalt met de Lek, en de Hollandse IJssel), in het oosten de Kromme-Rijn- slreek (begrensd door de Hollandse IJssel, de provinciegrens met Zuid-Holland en Gelderland, die samenvalt met de Lek, en de Kromme-Rijn, die van Wijk bij Duurstede naar Utrecht loopt). Op de Utrechtse Heuvelrug na dus heel het zuiden van de provincie. Afgezien van Van Veens aandeel in deze studie beoogt Scholtmeijer in zekere zin
ook een vervolg te zijn op Van Veens Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek (blz. 15). De opbouw ervan is dan ook gedeeltelijk hetzelfde. De verschillen zijn echter veel groter dan de overeenkomsten. Per onderdeel komen die overeen- komsten en verschillen verderop nog aan de orde, maar eerst enkele algemene verschillen in het gebruikte dialectmateriaal. Het materiaal van Van Veen is schriftelijk archiefmateriaal uit de eerste helft van deze eeuw (afgezien van toegevoegd materiaal voor Boskoop en Schoonhoven), terwijl het materiaal van Scholtmeijer dateert van 1991-92 en volgens de directe methode ter plekke is afgevraagd. Scholtmeijer enquêteerde in 13 plaatsen: 6 in de Lopikerwaard en 7 in de Kromme-Rijnstreek. Hij ondervroeg daarbij naar eigen zeggen 3 personen per plaats (blz. 15), maar zijn lijst van informanten omvat totaal 43 personen (32 mannen en 11 vrouwen: blz. 7-8). Deze afwijking is te verklaren uit het feit dal hij in sommige plaatsen 4 of zelfs 5 informanten had, maar in C'abauw en Schalkwijk slechts twee. Tegenover deze onmiskenbare meerwaarde van het materiaal van Scholtmeijer staat dat hij de 'vernederlandsing van het dialect' consequent negeert (blz. 16, 27). Dat is een gevaarlijke transactie, zoals al blijkt bij zijn karakterisering van Zuidutrechtse dialektkenmerken. Het is niet alleen bijzonder moeilijk de 'vernederlandsing' af te bakenen, maar in feite wordt het dialect zo ook op subjectieve gronden beschreven en al zeker de bestaande taalsituatie. Zijn woordenlijst karakteriseert Scholtmeijer dan wel terecht als een 'rariteitenkabinet' (blz. 51), maar dat geldt mutatis mutandis natuurlijk ook voor zijn klankbeschrijving. Waar moet trouwens de grens getrokken worden tussen |
||||
24
|
||||
'vernederlandsing' en 'verwestelijking'?
Zowel de publikatie over de Vechtstreek als die over het Zuidutrechts omvatten
een woordenlijst. Het woordenboekgedeelte van de Vechtstreek is ongeveer twee maal zo omvangrijk als dat van het Zuidutrechts. Daar staat tegenover dat de woordverspreiding voor het Zuidutrechts geografisch gepreciseerd is. Ondanks zijn uitvoerige beschrijving blijft de samenstelling van de lijst van 291 woorden (en uitdrukkingen) die Scholtmeijer afgevraagd heeft onduidelijk. De 2070 van Van Veen bracht hij terug tot 338 door er de ± standaard-Nederlandse woorden en de specifieke vaktermen uit te verwijderen. Vervolgens reduceerde hij dit aantal met ca 50 woorden, die bij proefenquêtes onbekend bleken, tot ca 288 woorden. Dat is dus ongeveer evenveel als de uiteindelijk 291 afgevraagde woorden, waardoor volstrekt onduidelijk wordt wat Scholtmeijer gehaald heeft uit de Utrechtse bronnen, die hij op blz. 52-53 beschrijft. Aan de woordenlijst van de Vechtstreek is door Van Veen een thematisch
register toegevoegd, een pure alfabetische opsomming onderverdeeld in bijv. Visserij en Scheepvaart, Volksgeneeskunde of Boerenbedrijf. Scholtmeijer doet dat in zijn hoofdstuk 4 heel anders: geen opsomming, maar een doorlopende beschrijving, waarin de woorden die in zijn woordenlijst terugkeren vetgedrukt zijn. Hij beperkt zich evenwel tot het boerenbedrijf. Beide uitgaven bevatten ook een klankbeschrijving. Bij Van Veen onder de titel
'Andere klanken in de taal van de Vechtstreek en grammaticale afwijkingen ten opzichte van hel Algemeen Nederlands' (blz. 150-168 met 5 taaikaartjes), bij Scholtmeijer 'Het dialect van het zuiden van de provincie Utrecht' (blz. 15-50 met 27 taaikaartjes). Weliswaar volgt de laatste de door Van Veen opgesomde kenmerken, maar zijn beschrijvingen zijn veel gedetailleerder en grondiger. Bovendien voegt hij aan de kenmerken van Van Veen er nog enkele toe. Met behulp van 17 grotere taalkaarten, gebaseerd op onder andere de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling en Van Veens Utrecht tussen oost en west, geeft hij het door hem bestudeerde gebied een plaats tussen de aangrenzende dialecten van Zuid-Holland en Gelderland. Daarnaast geeft een tiental kaarten in detail, onder andere door middel van frequentie-aanduiding, de situatie in zijn eigen gebied weer. Kortom een bijzonder verhelderend hoofdstuk, waarin ook nog eens een indeling van het onderzochte gebied beproefd wordt, maar ondanks de door hemzelf geconstateerde oost-west verschillen verkiest Scholtmeijer toch het Zuidutrechts 'homogeen' te noemen (blz. 47). Naast dit taalkundige gedeelte omvat Zuidutrechts een vijfde hoofdstuk getiteld
'Leven in het zuiden van de provincie Utrecht'. Ondanks het 'leven' in de titel Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek ontbreekt iets dei^elijks bij Van Veen. Zijn vijfde hoofdstuk 'Veenderijtermen en enige andere woorden uit het 25
|
||||
Utrechtse polderland' door ('hr. vStapelkamp is duidelijk van taalkundige aard.
Dal is niet hel geval bij Zuidulrechts, waar hel vijfde hoofdstuk bestaat uit verschillende bijdragen door diverse auteurs, namelijk: P.M. Ileijmink Lieserl: 'Agrarisch Schalkwijk' (blz. 141-147), H. Reinders met medewerking van C^. Pater Jzn.: 'Uit de historie der Bunnikse boomgaarden' (blz. 149-157), K. Vernooy: 'Bijgelovigheden en religieuze praktijken in hel Kromme-Rijngebied' (blz. 159-164), R.J. Ooyevaar en C^h.W. Vink: 'Kersen in IJsselslein' (blz. 165-171) en CA. van Duuren, A.H. Goes en Ch.W. Vink: 'De griendculluur rond IJsselslein' (blz. 173-180). Sommige van deze bijdragen zijn eerder elders gepubliceerd, maar herzien. Merkwaardig blijfi, ondanks het excuus op blz. 139, de doublure over de Bunnikse kersenieelt in de bijdragen van Reinders/Pater en C)oyevaar/Vink. Tot slot, deze publikatie is niet alleen voor taalkundigen, maar ook vcK)r
bewoners van Zuid-Utrecht buitengewoon interessant. De wijze van uitgave, illustraties en boekverzorging zijn uitstekend verzorgd. Vooral de dialectbeschrij- ving is van belang en voegt na jaren daadwerkelijk weer eens iets toe aan de kennis van het Utrechts. Dat daarbij gebruikt gemaakt werd van nieuw en direct verzameld materiaal is in een lijd waarin het zo moeilijk is om informanten te vinden, zeker in het westen, geeft zowel de w(X)rdenlijst als de dialectbeschrij- ving een meerwaarde die wellicht opweegt legen mijn kritiek op Scholimeijers houding ten opzichte van de 'vernederlandsing'. Dr Har Brok
P.J. Meertens-Instituut, Amsterdam
|
|||||||
G. Meijer en J. Meijer-de Vries: Een voetspoor van zeven eeuwen naar de
fam. Achterberg, (eigen uitgave) Ede 1993; 558 blz. met foto's; prijs f 130,- In april 1993 werd op een drukbezochte reünie van de familie Achterberg te
Leersum hel hier besproken boek gepresenteerd. Hel schrijversechtpaar, de heer en mevrouw Meijer uit Ede, heeft al eerder familieboeken samengesteld, waarvan met name het in 1990 verschenen deel over de familie I,cgemaOai(e) voor genealogisch en historisch onderzoek in het Kromme-Rijngebied van belang is. Het nu in eigen beheer uitgegeven werk behandelt de genealogie van de familie Achterberg, van oorsprong komend uit de buurtschap Achterberg onder Rhenen. De stamboom vangt aan met het echtpaar Rijk Willemse en Maria Willemsdoch- ter Puyk, die op 30-11-1738 te Rhenen trouwden. De veronderstelling dat de ouders van Rijk Willemse een zekere Willem Rijkse en Celisje Otten waren - |
|||||||
26
|
|||||||
kennelijk alleen gebaseerd op het feit dat dit echtpaar enkele kinderen te Rhenen
liet dopen en op hel feil dat de patroniemen toevallig overeenstemmen - is cnigzins discutabel. De stammoeder Maria Willems Puyk stamt af van Clara Jansdr van Spaerwoude. Deze schatrijke dame uit de zestiende eeuw liet in 1598 bij testament bepalen dal al haar nakomelingen bij huwelijk een uitkering konden krijgen. Hiertoe werd een fonds gesticht, dat pas in 1922 werd opgehe- ven. Natuurlijk werd van de nakomelingen een boekhouding bijgehouden; zodoende kon de afstamming van de familie Achterberg teruggebracht worden (van moederszijde) tot 1275, waarmee meteen de titel van hel boek verklaard is. In 1798 trouwde Willem Rijksc Achterberg met Hendrijntje van Schaffelaar; dit echtpaar ging wonen op de boerderij annex herberg 'het Boompje' in Nederlang- broek. Zij waren de stamouders van het nog tot op heden voortlevende geslacht Achterberg in deze streek. Op basis van vooral door familieleden aangeleverd materiaal werd een familiege-
schiedenis opgebouwd, waarbij ook van de dochters Achterberg de nakomelin- gen voor twee generaties werden uitgewerkt. Dit resulteerde in een ruim 500 bladzijden groot overzicht, voorzien van vele foto's en andere afbeeldingen. Per lak wordt in een schematisch overzicht het onderlinge verband weergegeven, l-cn globale inhoudsopgave op gezinshoofden van zowel mannen als vrouwen completeert hel geheel. Jammer is hel wel, dat een namenindex ontbreekt. Ook het bijna geheel
achterwege laten van bronvermeldingen voor mei name de wat oudere generaties is een gemis en maakt aanvullend onderzoek moeilijk. Voor genealogen en historici met belangstelling voor hel Kromme-Rijngebied is dit boek niettemin een welkome bron van informatie. Enkele exemplaren zijn nog te koop bij de familie Meijer, Kleefsehoek 428 te Ede. |
||||||
Wim Donselaar
|
||||||
27
|
||||||
Varia
|
|||||||
Een klooster in Dwarsdijk te C'olhen?
Tussen Rijn en Lek van december 1993 bevat een zeer lezenswaardig artikel van
Leen de Keijzer over Hendrik Jan van Lummel. Van Lummel heeft onder meer het boek De Smidsgezel (1866) geschreven. De hoofdpersonen daarvan worden in 1566 in Dwarsdijk ten zuiden van C^othcn in een klooster gevangengczet.In een voetnoot merkt De Keijzer op: 'Hier ging van Lummel met zijn fantasie te ver. Wij weten dat in Dwarsdijk nooit een klooster maar een kapel heeft gestaan'. Dat laatste is waar en het eerste zeer waarschijnlijk ook. Toch is daar iets merk- waardigs mee aan de hand. In of rond het jaar 1970 is te Dwarsdijk (vroeger ook Nijendijk genoemd) de eeuwenoude boerderij van Albcrt Kromwijk afgebrand en niet meer opgebouwd. Wel staat er nog het restant van het bakhuis. Inwoners van Dwarsdijk hebben mij indertijd verteld dal die boerderij ooit een klooster was geweest. Van Amerongen (1972, p.9) meldt: 'Er zijn daar nog restanten van een gracht rond de hofstede te vinden en de tralies van de kelder zijn door oudheidkundigen op 7 a 800 jaar geschat'.' De nog aanwezige fundamenten van de boerderij aan de Dwarsdijksewetering
liggen hemelsbreed zo'n 150 meter ten westen van de eveneens nog aanwezige fundamenten van de vcx)rmalige in de loop van de zeventiende eeuw (na 1623) afgebroken kapel aan de huidige Kapelleweg.^ De bisschop van Utrecht had in de middeleeuwen te Dwarsdijk een hof (curtis).
Dekker (1983, p. 91) maakt duidelijk dat de hof was gelegen aan de Dwarsdijkse- wetering vlakbij de kapel. De hof was in 1324 al een oud gebouw*. Ik heb het sterke vermoeden dat de afgebrande boerderij van Kromwijk is gebouwd op de resten van die hof. Nader archeologisch onderzoek ter plaatse is geboden; in ieder geval bepleit ik bescherming van beide historische lokaties! Voets (1949, p. 188) schrijft dat de kapel, toegewijd aan het Allerheiligste Sacra- ment, kort na 1260 is gesticht. Eertijds behoorde de kapel tot de parochie |
|||||||
1. T. van Amerongen, 100 jaar Van Amerongen 1000 jaar Dwarsdijk. Z.p., 1972 (eigen
uiteave). Gracht is wat overdreven: er ligt een diepe ronde vijver. I Ioogstwaarschi)nli)k is dit een dobbe of wat ze in het Kromme-Rijngebied een 'zuipersgal' (voor beesten) noemen. 2. Rijksarchief Utrecht (RAU), Staten van Utrecht, nr. 819. Schout en geburen van Dwarsdijk
worden in 1623 genoemd als beheerders van de kapel aldaar. Zowel kapel als boerderij staan op de kaart van De Roij uit 1696 (zie de omslag van dit tijdschrift). 3. C. Dekker, Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen. Zuiphen 1983.
28
|
|||||||
Iragmeni van de topografische kaart uil 1966 (1964) met ingetekend: het restant van
de boerderij van Kromwijk aan de huidige Hoekse Dijk (1), het fundament van de kapel (2) en de voormalige boerderij 't Klooster (3) Werkhoven maar kwam in de 16e eeuw onder de jurisdictie van Cothen*. Uit
Dekker (1983, p. 353) is op ic maken dat die kapel in ieder geval in 1375 reeds wordt genoemd. De kerk van Werkhoven had echter voordien al bezittingen te Dwarsdijk. lïen akte van 17 april 1235 zegt: 'De elect Otto bevestigt de uitspraak van de prelaten en ministerialen, waarbij het pastoorsiand van Werkhoven, gelegen in Nijendijk (Novum Dicum) vrijgesteld wordt van het herstel van |
|||||||
4. B. Voels, 'Katholiek Cothen in de branding der eeuwen'.In: Archief voor de geschiedenis
van hel aartsbisdom Utrecht, deel 68, 2e aflevering, (1949), p. 169-220. |
|||||||
29
|
|||||||
dijken of bisschoppelijke dienstwerken'*.
De bisschop van Utrecht heeft omstreeks 1230 de kerk van Werkhoven aan het
Sint Servaasklooster te Utrecht geschonken. Daarbij wordt de kapel te Dwars- dijk niet genoemd, wel die te Odijk*. Ik vermoed tentatief dat daarbij toen ook de bezittingen van de kerk van Werkhoven te Dwarsdijk aan hel Sint Ser- vaasklooster zijn geschonken. Wellicht is de opmerking 'een klooster te Dwars- dijk' van een en ander de verre echo. Wellicht is er nog een andere verre echo. In 1863 lag er in het gebied van het
voormalige gerecht Dwarsdijk een hofstede genaamd 't Klooster (Kad. gem. Cothen, sec. C^, no. 7)! Die hofstede was in gebruik door Cornelis de Bruyn en lag aan de wat later is genoemd Oude Kromme Rijn'. Zeer waarschijnlijk is dit dezelfde boerderij als de boerderij op het huidige adres C^aspargauw 4-6 die uit 1857 dateert*. De laatstgenoemde boerderij ligt hemelsbreed ongeveer 2 km. ten noordoosten van het centrum van de buurtschap Dwarsdijk. Bovendien, er is ook nog zo iets als dichterlijke vrijheid nietwaar ... Ad van Bemmel, Leiden
De Stichting Archeologie & Historie Schalkwijk heeft hulp nodig!
De Stichting Archeologie & Historie vSchalkwijk is in het leven geroepen door
enkele personen die zich bezighouden met de plaatselijke historie. De archeokjgi- sche werkgroep bestaat thans slechts uit drie personen, en dat is te weinig. Er ligt nog veel werk te wachten op hem of haar die de groep zou willen verster- ken. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan het zware graafwerk in het veld. Meer dan 20 jaar geleden werd door enkele jonge bewoners van Schalkwijk een
archeologische werkgroep (genaamd: 'De kop is eraf) opgericht. Dit gebeurde naar aanleiding van een geweldige lezing over Schalkwijk door de heer P. Heij- mink Liesert. De eerste opgraving van de werkgroep betrof de resten van boerderij De Knoest. Daarna werd ondermeer onderzoek gedaan naar een, door brand verwoeste, boerderij aan de Waalseweg te l'uU en 't Waal en er werd gegraven bij het bekende Slijkerveerhuis aan de Lekdijk. Aan de Brink werden bij het uitdiepen van een kelder twaalfde-eeuwse aardewerkscherven gevonden. |
||||||
5. Oorkondenboek van het Sticht Utrecht lot 1301, deel 2, p. 295, nr. 880.
6. Zie noot 3. Dat kon ook niet omdat de kapel toen waarschijnlijk nog niet bestond.
7. RAU, Provinciaal bestuur inv. nr. 5299, 1863, 43.
8. S. van Ginkel-Meester en A. Vernooij, Cothen, geschiedenis en architectuur. Zeist 1992.
De boerderij ernaast op nr 8 heet Cloetingshofstede. 30
|
||||||
Hel nieuwe onderkomen van de stichting, het voormalige hak-zomerhuis aan het
Overeind 39 in Schalkwijk (foto auteur, 1994) Tijdens de dijkverzwaring van een aantal jaren geleden werden de restanten
aangetroffen van de reeds enige eeuwen geleden verdwenen boerderij Het Kraaienkamp te Tuil en 't Waal. Een mooie opgraving was voorts een zestiende- eeuwse steenoven te Tuil en 't Waal. Ondertussen werden er ook veel akkers belopen, waarbij het een en ander werd gevonden. De meeste werkgroepleden zijn lid geworden van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN). Helaas is het nooit gekomen tot het bijwonen van een zomerwerkkamp. Hoe nuttig dit blijkt te zijn is wel bewezen in de persoon van Noël Staakman die er de nodige ervaring opdeed. Hij kwam uit Zoetermeer (waar hij opgravingen meemaakte), ging wonen in Wijk bij Duurstede en komt nu regelmatig naar Schalkwijk. Hij maakt onder andere dagrapporten en beschrijft de vondsten. Veel hulp krijgt hij van Nelleke Bogaard die onder meer scherven wast en nummert, 'levens zoekt zij de documentatie over het voorwerp op. Wij zouden u graag willen verwelkomen in ons nieuwe onderkomen: Overeind |
|||||
31
|
|||||
39 in Schalkwijk. U kunt contact opnemen met F.H. Landzaat, Wickenburghse-
laan 34, 3998 JX Schalkwijk, tel. 03409-1207 voor een afspraak. Tot ziens! Trans Landzaat
Lezing over wandtegels
In het seizoen 1994-1995 zal de heer C}. de Ree een lezing voor de Historische
Kring houden over de geschiedenis van de Nederlandse wandtcgel. I)c spreker wil daarin graag aandacht besteden aan het Kromme-Rijngebied. Daarom verzoeken wij leden van de vereniging die kennis hebben van historische wandtegels in hun oorspronkelijke toepassing, dat ons te laten weten. In overleg kunnen dan eventueel dia's voor de kring worden gemaakt. U kunt uw informa- tie doorgeven aan: de heer F.H. Landzaat, Wickenburghselaan 34, 3998 JX Schalkwijk (tel. 03409-1207). Vragen over vroeger; Handleiding voor het maken van historische inter-
views. ISBN: 90-71840-22-0; prijs: ƒ 19,50. Het interviewen van (oudere) mensen is een zeer directe manier om iets over hel
verleden te weten te komen. Vaak is het zelfs de enige manier als men bijvoor- beeld vooral geïnteresseerd is in de geschiedenis van het dagelijks leven: daarover is immers maar weinig schriftelijk materiaal overgeleverd. Als men iels wil weten over het buurt- of dorpsleven in grtwtmoeders tijd dan is de mccsi aangewezen methode de mensen te interviewen die het allemaal nog hebben meegemaakt en er vaak kleurrijke verhalen over kunnen vertellen. Ook over meer intieme en controversiële onderwerpen zoals het gebruik van voorbehoed- middelen of bepaalde rituelen rondom de dood kan men op deze manier heel wat te weten komen. Ogenschijnlijk is het heel eenvoudig mensen over vroeger te laten pralen. Hel
maken van een goed historisch interview is echter een vak apart. Het nu verschenen boek wil wijzen op de vele valkuilen en moeilijkheden waar men op kan stuiten en waarmee iedere (amateur-)ondcrzoeker terdege rekening moei houden. De handleiding is bedoeld voor beginnende (amateur-) onderzoekers, maar ook voor geschiedenisstudenten en afgestudeerde historici die voor hun eerste interview vooral behoefte hebben aan een praktisch verhaal over de concrete problemen waarmee men zoals geconfronteerd kan worden. De door het Nederlands Centrum voor Volkscultuur uitgegeven handleiding is geschreven door Jelle Hagen en is verkrijgbaar bij de betere boekhandel en hel Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Lucasbolwerk 11, 3512 EH Utrecht (telefoon 030-319997). / 32
|
||||
Cursus oral hislory/intervicwlraïning
Al jaren wordt het interview als bron van historische kennis gebruikt. Vooral
voor onderzoek naar het recente verleden zijn vraaggesprekken met mensen die de geschiedenis 'zelf hebben meegemaakt', zeer belangrijk. De Stichting Stichtse CJeschiedenis organiseert een cursus 'oral history/interviewtraining' voor leden van historische verenigingen en amateur-historici. Oral history, zoals mondeling geschiedenis genoemd wordt, kent zo haar eigen technieken en valkuilen. De cursus, die plaatsvindt op Mariaplaats 23 te Utrecht, is bedoeld voor mensen die belangstelling hebben voor de geschiedenis van de eigen plaats of wijk en graag ervaring zouden willen opdoen met het zelf uitvoeren van interviews. Voorken- nis is niet vereist. Op 6 dinsdagavonden leert u wat mondelinge geschiedenis allemaal inhoudt en
traint u met behulp van video-opnamen uw eigen techniek. De nadruk ligt op een journalistieke wijze van interviewen, met oefening in diepte-interview en doorvraagiechnieken. Er wordt gewezen op het gevaar van sturing en eigen interpretatie. Aan het eind gaan we in op het verslagleggen van de interviews. Het is uiteraard de bedoeling dat u ook in het echt oefent. De cursus start op dinsdag 12 april 1994. Voor meer informatie en opgave kunt u contact opnemen met: Stichting Stichtse Geschiedenis, Mariaplaats 23, 3511 LK Utrecht, tel: 030-343880, fax: 030-328624. Cursus 'Bronnen in het Rijksarchief'
Deze cursus is bedoeld voor mensen die bezig willen gaan met historisch
onderzoek en daarbij gebruik willen maken van de archiefbronnen, aanwezig in het Rijksarchief te Utrecht. Het Rijksarchief beschikt over een uiteenlopende verzameling van bronnen, die in de cursus historisch worden ingeleid en toege- licht. I'ir wordt informatie verstrekt over de inventarissen, de verder aanwezige toegangen en de inhoud van de bronnen. Per bron wordt bekeken voor welk soort onderzoek hij geschikt is en welke vragen u aan de bron kunt stellen. Deelnemers kunnen zelf meebepalen, welke bronnen wat meer diepgaand worden besproken. De cursus vindt plaats op drie dinsdagavonden, 24 mei, 7 juni en 14 jimi van
19.30-21.30 uur op het Rijksarchief in Utrecht, Alexander Numankade 201. De kosten bedragen f55,- per deelnemer. Koffie en een korte syllabus zijn daarbij inbegrepen. Voor meer informatie en opgave kunt u contact opnemen met: Stichting Stichtse
Geschiedenis, Mariaplaats 23, 3511 LK Utrecht, telefoon 030-343880. |
|||||
33
|
|||||
Boerderij van hel jaar 1994
Voor de vierde maal organiseert de Boerderijenstichting Utrecht (BSU) de
verkiezing 'Boerderij van het jaar'. De manifestaties van voorgaande jaren waren een groot succes. De belangstelling was groot, mede dank/ij de aandacht die de media aan het onderwerp besteedden. Het streven van de lk)erderijenstichting: behoud van de karakteristieke verschijningsvorm van de Utrechtse boerderijen, kreeg hierdoor de gewenste aandacht. De boerderijen 'De Looije 15rug' te IJsselstcin, de 'I loogerhorst' te Hoogland en
de 'Charlottehoeve' te Soest, ontvingen in resp. 1991, '92 en '93 het predikaat 'Boerderij van het Jaar'. Dit werd blijvend zichtbaar gemaakt door het inmetse- len van een gedenksteen in de gevel. De eigenaars ontvingen een oorkonde. Deze vormt niet alleen een eerbewijs voor de zorg en toewijding waarmee zij hun boerderij en erf hebben onderhouden, maar vooral ook door de gevoelige manier waarop zij met de plaatsing van bijgebouwen en voorzieningen zijn omgespron- gen. Hierdoor zijn deze boerderijen het levende bewijs dat ook in deze moderne, op efficiency gerichte tijd, een agrarisch complex op harmonische wijze in het landschap geïntegreerd kan worden. Na een brede voorselectie zal de jury haar oordeel bepalen op grond van de volgende criteria: * Het moet een boerderij zijn die nog steeds als agrarisch bedrijf functioneert.
* Het hoeft geen monument te zijn, maar er dient wel gelet te worden op
architectonische waarden als: eenheid van stijl in hoofdvorm en bijgebouwen. * Uit de staat van onderhoud van gebouwen en erf moet de zorg van de eige-
naar/gebruiker blijken. * Uit de plaatsing van bijgebouwen en voorzieningen en uit hun vormgeving,
materiaal- en kleurtoepassing, moet de aandacht voor hel complex als geheel blijken. * Diezelfde aandacht moet ook blijken uit inrichting en beplanting van het erf,
bij voorkeur in samenhang met de situering in het omringende landschap. * Cultuurhistorische aspecten van boerderij en plek kunnen mede bepalend zijn
in het waardeoordeel. (}aarne ontvangt de BSU voordrachten voor de verkiezing van de lk)erderij van
het jaar 1994 vóór eind maart. Het adres luidt: Boerderijenstichting Utrecht, Mariaplaats 23, 3511 LK Utrecht. Brand op de boerderij Rijsbrug
Op 14 december 1993 is het achterhuis van de boerderij Rijsbrug op de grens
van Bunnik en Houten (Rijsbruggerweg 5) afgebrand. Leen de Keijzer heeft van prof. Dekker wel eens een verklaring van de naam
'Rijsbrug' gehoord. Brug duidt op een watergang. Dat moet de Rietsloot zijn die |
||||
34
|
||||
:^Tmsif''Vi.A A,.»» "•,ai{wa..aï«? ;'<i;aaiig.i
|
||||||||||
JKÜBk
lirand op de hoerderij Rijshrug. (foto Henk Reinders, 1993)
een paar honderd meter ten oosten van de Rijsbruggcrweg loopt. Die brug zou
dan gevlochten zijn geweest van 'rijs', twijgjes. Als plaatsbepaling komt de naam 'Rijsbrug' al in de middeleeuwen voor. Het ging dan niet over deze ene boerde- rij, maar over de groep boedcrijen daar in de buurt, de buurtschap, die samen de naam Rijsbrug droegen. Dat waren Rijsbrug zelf, de Gauwdievenboom en een boerderij ten westen van de Rijsbruggcrweg die in de 16dc eeuw is gesloopt. En natuurlijk de daarbij horende arbeiders in hun huisjes of hutten. l>)or de groei van Houten ligt Rijsbrug tegenwoordig vlak builen de Houlense rondweg, maar van oorsprong horen de boerderijen onder Bunnik. De boerderij komt al voor op een bclaslinglijst uil 1536. In 1581 wordt de oude boerin door ontevreden Zutphenaren meegenomen en pas vier jaar later koopt men haar vrij voor 200 gulden, in 1772 is er sprake van een bierbrouwerij bij de boerderij. De monumentale dwarshuisboerderij uit begin negentiende eeuw werd al eerder door brand geteisterd. In 1880 brandde hel voorhuis af en in 1901 hel achterhuis, liovendien verdween in 1961 hel bakhuis samen met de vier bergen door sloop. Henk Reinders.
35 |
||||||||||
Tussen Rijn en Lek
|
||||||||||||||||||
Tijdschrift voor de geschiedenis van het Kromme-Rijngebied
|
||||||||||||||||||
Jaargang 28
|
nummer 1
|
|||||||||||||||||
maan 1994
|
||||||||||||||||||
Inhoud:
Wim Donselaar:
Ria van der I'!crden-Vonk
|
||||||||||||||||||
l'len tweehonderd jaar oud familiebijbcltjc
uit Langbroek
De sloop van de 'Molen van Ruisdael'
te Wijk bij Duurstede
Jaarverslagen I listorische Kring l'inancieel jaaroverzicht 1993 Verslag van de archeologische werkgroep |
||||||||||||||||||
Boekbespreking
I lar Hrok
Wim Donselaar Varia
|
||||||||||||||||||
Zuidutrechts woordenboek
Cknealogie Achterberg |
||||||||||||||||||
36
|
||||||||||||||||||