'
Editie: 1906, pagina 37
Op de kaart van de Zuidplaspolder is nu ook de aard van de gewassen aangegeven. De tekst van de verklaring – in de atlas te vinden onder de inhoudsopgave – is aangepast, en hier te zien in de bijlage:

‘Bijlage 1: Verklaring Zuidplaspolder
*) De Zuidplaspolder (4355 HA.) was de eerste droogmakerij, bij welker drooglegging stoombemaling werd toegepast, hoewel nog met windbemaling vereenigd. Het gunstig resultaat, met de eerste verkregen, heeft er sterk toe meegewerkt, dat bij de droogmaking van den Haarlemmermeer de stoom, en nu uitsluitend, in gebruik werd gesteld.
De bedijking ten behoeve der uitmaling van den Zuidplas begon in 1828; van 1830 tot 1835 werden de werken gestaakt, om staatkundige redenen; in 1836 begonnen de windmolens het werk, in 1837 de stoomgemalen; in 1839 had de eerste bezaaiing plaats.
De Ringvaart werd ten Westen, Zuiden en Oosten om den ringdijk gegraven. Men was voor haar aan het peil gebonden dat de plas zelve bazat (1,53 miljoen. – AP.). omdat eenige molens van andere polders, die op den plas uitsloegen,thans op de Ringvaart moesten kunnen uitslaan.
De drooglegging en drooghouding geschiedden door 30 windmolens en 2 stoomgemalen, die op de kaart zijn voorgesteld. Het zomerpeil werd bepaald op 5,61 M. –AP. In ’t geheel moest het water 6,64 M. hoog worden opgebracht, en het was dus noodig de opvoering te splitsen, voor de windmolens in vieren, voor de stoomgemalen in twee├źn.
Vier molens te Waddingsveen en vier aan den Kortenoord brachten het water ter hoogte van 1,94 M. op in twee afzonderlijke benedenboezems, dis van 5,61 tot 3,67 M. –AP.
Vijf molens te Waddingsveen en vijf aan den Kortenoord brachten het water uit de benedcnboezems in den gemeenschappelijken boezem, gevormd door de Ringvaart, welker peil is 1,53 M. AP. (in 1859 is een dezer vijf molens te Waddingsveen verplaatst als benedenmolen onder Nieuwerkerk a/d IJsel).
Zeven molens brachten het water uit de Ringvaart op een lagen bovenboezein, l,28 boven 't peil der Ringvaart, dus van l,53 op 0,25 M. -AP.
Vijf molens brachten het water van 0,25 – AP. Tot 1,03 M. + AP. in den hoogen boezem, van waar het door eene uitwateringsluis op den IJsel kwam. Deze hooge bovenboezem was noodig om onafhankelijk te blijven van de zeer afwisselende waterstanden in den IJsel.
Al deze 12 molens stonden nabij Kortenoord.
De beide stoomgemalen werkten geheel afgescheiden van de molenboezems en brachten tezamen het water uit den polder in den hoogen bovenboezem. Helt benedenstoomgemaal brengt het (nog) van 5,81 tot 2,61 M. -AP. in een kleine tusschenboezem, waaruit het door het bovenstoomgemaal wordt opgemalen tot in den hoogen bovenboezem. Deze tusschenboezem heeft door een duiker onder de Ringvaarlt door gemeenschap met het bovenstoomgemaal. De reden, dat deze stoomgemalen van de Ringvaart afgescheiden zijn gehouden, is, dat ze moeten kunnen werken, wanneer de Ringvaart reeds door de windmolens was volgemalen.
De stoomgemalen waren vijzelmolens van 30 PK. In 1871 werden ze omgebouwd tot scheprad molens van 90 PK. Deze sloegen zooveel meer water uit, dat tien windmolens konden worden afgebroken. In 1876 ondergingen de overige hetzelfde lot. Toen werd nl. te Waddingsveen gebouwd een stoomgemaal met centrifugaalmachine van l28 PK., voor de loozing van het polderwater in den Ringvaart en een daaraan gelijk gemaal te Kortenoord voor de opbrenging uit den Ringvaart in den IJsel. De molenboezems konden nu worden drooggelegd, de tusschenboezems vervielen vanzelve, maar ook de hooge boezem kon men missen, daar zulk een waterberging bij stoombemaling overbodig is, alleen een klein gedeelte daarvan bleef bestaan als molenkolk der stoomgemalen.
De kaartjes geven den toestand dadelijk na de drooglegging aan, met bijvoeging van de spoorlijn en de nieuwe werken; de plassen bij Nieuwerkerk zijn drooggelegd (ze behooren tot den Prins Alexanderpolder) en evenzoo de Voorofsche plas bij Waddingsveen.
De landen in den Zuidplaspolder liggen niet alle even hoog; in 't algemeen liggen de Noordelijke hooger (gem. 4,80 -AP.) dan de Zuidelijke (gem. 5 M.- -AP). Vandaar dat aanvankelijk het plan bestond een scheiding in den polder te maken en twee zomerpeilen te gebruiken, 5,61 en 5,81 – AP.). Dit plan is opgegeven, omdat de hoogere en lagere gronden ten deele dooreen liggen. Thans helpt men zich door water in te laten voor de hoogere gronden, die meest voor bouwland in gebruik zijn, en door kleine windmolens voor de laagst gelegene.’